| |
|
|
|
|
vorige
VAARPLICHTWET
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 23 juni 1972, houdende regelen
omtrent de vaarplicht in buitengewone omstandigheden
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is
regelen te stellen betreffende de vaarplicht in geval van oorlog,
oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verbandhoudende buitengewone
omstandigheden alsmede enkele met dat onderwerp samenhangende bijzondere
straf- en tuchtbepalingen vast te stellen, een en ander mede met het oog
op bij Rijkswet gestelde algemene regelen betreffende de vaarplicht;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Deze wet verstaat onder:
a. "Onze Minister": Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat;
b. "schip":
1. een geen oorlogsschip zijnd zeeschip in de zin van artikel
2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek alsmede een
zodanig zeeschip in aanbouw, dan wel
2. een vissersvaartuig als omschreven onder c, sub 2, van dit
artikel;
c. "Nederlands schip":
1. een Nederlands schip in de zin van de artikelen 311 en 312
van het Wetboek van Koophandel of in de zin van de Wet
nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting (Stb. 1992, 541),
hetzij
2. een Nederlands vissersvaartuig, dat bedrijfsmatig wordt
gebruikt voor de zeevisserij, de kustvisserij of de visserij op
het IJsselmeer, een en ander in de zin van de Visserijwet 1963;
d. "zeeman": de kapitein van een schip en ieder die
krachtens overeenkomst gehouden is tot werk als schepeling aan boord
van een schip;
e. "vaarplicht": de verplichting tot het verrichten van
werkzaamheden aan boord of ten behoeve van Nederlandse schepen,
schepen die op grond van rechtsregels van Aruba, Curaçao of Sint
Maarten gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren of in
Aruba, Curaçao of Sint Maarten thuisbehorende zee- of
kustvissersvaartuigen;
f. "vaarplichtige": hij, aan wie ingevolge artikel 2a
de vaarplicht is opgelegd, en die noch overeenkomstig het derde lid
van artikel 3 van de vaarplicht is vrijgesteld noch daarvan
ontslagen overeenkomstig het vierde lid van dat artikel.
Artikel 2
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 2a, 10, 11, 16,
17, 18 en 20 in werking worden gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent
het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde bepalingen.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden
dit naar Ons oordeel toelaten.
5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op
de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 2a
Onze Minister is bevoegd met inachtneming van artikel 3, eerste lid,
aan zeelieden en gewezen zeelieden de vaarplicht op te leggen.
Artikel 3
1. De vaarplicht kan worden opgelegd aan alle Nederlanders,
uitgezonderd Nederlanders, woonachtig in Aruba, Curaçao of Sint
Maarten, en aan alle inwoners van Nederland, die:
1°. zeeman zijn of
2°. in een door Onze Minister vast te stellen tijdvak van ten
hoogste tien jaren, voorafgaande aan de dag, dat de vaarplicht
wordt opgelegd, ten minste zes maanden zeeman geweest zijn.
2. Vaststelling van het in het eerste lid bedoelde tijdvak op
langer dan drie jaren geschiedt in overeenstemming met Onze Minister
van Sociale Zaken.
3. Van de vaarplicht zijn vrijgesteld:
a. personen ouder dan zestig jaar, zeelieden jonger dan zestien
jaar en gewezen zeelieden jonger dan achttien jaar;
b. zij die in werkelijke dienst zijn of zijn opgeroepen bij de
krijgsmacht, zolang die werkelijke dienst duurt;
c. zij die ingevolge een overeenkomst met een andere mogendheid
of met een volkenrechtelijke organisatie niet tot vaarplicht of
andere verplichtingen van overeenkomstige aard gehouden zijn;
d. zij die een geestelijk ambt bekleden of tot zodanig ambt
worden opgeleid;
e. de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nader aan
te wijzen groepen van personen.
4. De vaarplichtige kan door Onze Minister al dan niet voor een
bepaalde termijn van de vaarplicht worden ontslagen; het ontslag van
de vaarplicht kan te allen tijde worden ingetrokken of ongedaan
gemaakt.
5. De gevolgen, voortvloeiende uit het ontslag van de vaarplicht,
worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 4
1.Onze Minister kan verbieden, dat vaarplichtigen het grondgebied
van Nederland verlaten zonder zijnentwege verleende vergunning.
2.De vergunning kan onder beperkingen worden verleend; aan de
vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 5
1.De vaarplichtige is gehouden iedere hem door Onze Minister
gegeven aanwijzing omtrent de door hem te verrichten werkzaamheden,
het zich daartoe gereed houden en het treffen van de daartoe vereiste
voorbereidende maatregelen op te volgen.
2.Bij de aanwijzing kan worden bepaald, in wiens dienst de
werkzaamheden moeten worden verricht, alsmede de plaats waar en de
tijd waarop de dienstbetrekking een aanvang neemt.
3.Aan vaarplichtigen, die werkzaam zijn aan boord of ten behoeve
van een Nederlands schip, kan Onze Minister bij algemene bekendmaking
de aanwijzing geven, die werkzaamheden tot nader order te blijven
voortzetten.
4.De vaarplichtige, die een aanwijzing als bedoeld in het eerste
lid heeft ontvangen, is, zolang die aanwijzing van kracht is,
vrijgesteld van elke hem van overheidswege anders dan uit hoofde van
deze wet opgelegde of op te leggen verplichting tot het verrichten van
werkzaamheden, voorzover die werkzaamheden onverenigbaar zijn met het
opvolgen van de aanwijzing.
5.Van een aanwijzing anders dan die bedoeld in het derde lid wordt
gelijktijdig mededeling gedaan aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Artikel 6
1.De vaarplichtige, die een aanwijzing als bedoeld in artikel 5
heeft ontvangen, wordt, zodra de hem in deze aanwijzing genoemde
dienstbetrekking is aangevangen, van rechtswege geacht een
arbeidsovereenkomst met degene, in wiens dienst hij treedt, te hebben
aangegaan; indien het dienst aan boord van een schip betreft volgens
het bepaalde in het Wetboek van Koophandel, indien het andere dienst
betreft volgens het bepaalde in het Burgerlijk Wetboek.
2.Voorzover de vaarplichtige op het tijdstip, waarop de hem
ingevolge artikel 5 aangewezen dienst aanvangt, nog gebonden is aan
een andere arbeidsovereenkomst, wordt deze overeenkomst voor de tijd,
gedurende welke hij de aangewezen dienst heeft te vervullen,
geschorst; de andere arbeidsovereenkomst wordt echter geacht
beëindigd te zijn met ingang van de dag, waarop de hem aangewezen
dienst aanvangt, indien het een arbeidsovereenkomst is voor het
verrichten van arbeid aan boord van een schip:
a. gesloten voor één of meer reizen;
b. gesloten voor een bepaalde tijd en op de dag, waarop de
aangewezen dienst eindigt, de tijd waarvoor de andere
arbeidsovereenkomst was aangegaan, is verstreken.
3.De in het eerste lid bedoelde arbeidsovereenkomst eindigt op het
tijdstip, waarop de betrokkene ophoudt vaarplichtig te zijn of de
aldaar bedoelde dienstbetrekking door een nadere aanwijzing vervalt.
Artikel 7
De algemene voorwaarden der dienstbetrekking, bedoeld in artikel 6,
worden door Onze Minister vastgesteld in overeenstemming met Onze
Minister van Sociale Zaken en na overleg met de naar zijn oordeel
representatieve organisaties van werkgevers en werknemers. Indien het
dienst betreft aan boord van een schip of daarmede gelijk te stellen
dienst, zal in deze voorwaarden niet, dan voor zover noodzakelijk is,
ten ongunste van de vaarplichtige worden afgeweken van de voorwaarden
van de collectieve arbeidsovereenkomsten en de daarbij behorende
reglementen en andere bijlagen, gesloten tussen werkgevers en werknemers
ter koopvaardij en ter visserij en van de eventueel krachtens artikel 5
of 6 van de Wet op de loonvorming vastgestelde regelingen met betrekking
tot arbeidsverhoudingen ter koopvaardij en ter visserij, van kracht voor
de arbeid aan boord van Nederlandse schepen op het tijdstip, waarop de
dienstbetrekking aanvangt. In de voorwaarden der dienstbetrekking kan
worden afgeweken van de bepalingen van dwingend recht in het Wetboek van
Koophandel of het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 8
1.Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld, welke
aan de vaarplichtige, die een aanwijzing als bedoeld in artikel 5
heeft ontvangen, gedurende de tijd, dat hem geen dienstbetrekking is
aangewezen of deze nog niet is aangevangen, van overheidswege een
behoorlijk levensonderhoud waarborgen, voorzover hij hierin niet zelf
door passende arbeid kan voorzien of hem niet op andere wijze
behoorlijk levensonderhoud is verzekerd.
2.De uit het eerste lid voortvloeiende aanspraak kan door Onze
Minister geheel of gedeeltelijk al dan niet voor een bepaalde tijd
worden ontzegd aan de vaarplichtige,
a. die uit enige hoofde rechtens van zijn vrijheid is beroofd;
b. die op enigerlei wijze de verplichtingen, bedoeld in de
artikelen 5 of 9 opzettelijk of door schuld niet nakomt.
Artikel 9
1.De vaarplichtige is, zolang een hem ingevolge artikel 5 gegeven
aanwijzing van kracht is, verplicht de in het belang van zijn
gezondheid door de door Onze Minister aangewezen geneeskundige gegeven
voorschriften op te volgen en de door deze voor zijn herstel
noodzakelijk geachte genees- of heelkundige behandeling te ondergaan.
De verplichting geldt niet voor het ondergaan van een
levensgevaarlijke operatie, voor het zich onderwerpen aan vaccinaties
door diegenen die daartegen gewetensbezwaar hebben dan wel voorzover
door Onze Minister is beslist, dat het niet opvolgen der voorschriften
of het weigeren om de behandeling te ondergaan gerechtvaardigd is.
2.De vaarplichtige, die opzettelijk of door schuld de in het eerste
lid bedoelde verplichting niet nakomt, heeft geen aanspraak op loon of
enige hem door de wet toegekende uitkering wegens ziekte, zolang hij
om gezondheidsredenen geen dienst kan verrichten.
3.Ter uitvoering van dit artikel worden persoonsgegevens
betreffende de gezondheid als bedoeld in artikel 16 van de Wet
bescherming persoonsgegevens verwerkt. Onze Minister is de
verantwoordelijke voor deze verwerking.
Artikel 10
1.Indien de kapitein gegronde reden heeft om aan te nemen dat het
verblijf van een zeeman op het schip de orde aan boord of de
veiligheid van het schip in gevaar brengt, kan hij deze in iedere
haven, waar zulks is toegestaan, aan land doen zetten of de toegang
tot het schip weigeren.
2.Indien de kapitein van oordeel is dat het vrije verblijf van een
zeeman aan boord om een of meer van de redenen als in het eerste lid
bedoeld niet langer verantwoord is, kan hij deze doen insluiten.
In dat geval doet de kapitein de zeeman in de eerste haven, waar
zulks is toegestaan, aan land zetten.
3.Onze Minister bevordert zoveel mogelijk, dat zeelieden, die
ingevolge de toepassing van het bepaalde in de vorige leden
achterblijven buiten het land van hun herkomst, zo spoedig mogelijk
naar dat land worden teruggebracht.
Artikel 11
De kapitein, die gebruik maakt van de bevoegdheden hem in het vorige
artikel gegeven, is verplicht daarvan melding te maken in het
scheepsdagboek. Hij stelt tevens zo spoedig mogelijk Onze Minister in
kennis van de genomen maatregel en van de feiten, die tot deze maatregel
aanleiding hebben gegeven.
Artikel 12
1.Tegen een beslissing krachtens deze wet genomen door Onze
Minister of een ander bestuursorgaan, kunnen belanghebbenden bezwaar
maken onderscheidenlijk beroep instellen bij Onze Minister.
2.Onze Minister beslist op het bezwaar- of beroepschrift na een bij
algemene maatregel van bestuur in te stellen adviescommissie te hebben
gehoord, waarin werkgevers en werknemers gelijkelijk zijn
vertegenwoordigd. De algemene maatregel van bestuur regelt de
benoeming, de samenstelling en de werkwijze van de commissie.
3.Indien het bezwaar- of beroepschrift telegrafisch of per telex
wordt ingediend, kan de ondertekening, in afwijking van artikel 6:5
van de Algemene wet bestuursrecht, achterwege blijven.
4.Onze Minister kan bepalen dat het bezwaar of beroep de werking
van de beslissing schorst.
Artikel 13
1.Onze Minister doet een register samenstellen van de personen aan
wie overeenkomstig artikel 3 de vaarplicht kan worden opgelegd.
2.Een ieder is verplicht op eerste uitnodiging daartoe door Onze
Minister alle voor de samenstelling van dit register gewenste
inlichtingen naar waarheid te verschaffen en voor zover nodig
desbetreffende bescheiden ter beschikking te stellen.
Artikel 14
1.Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
derde categorie wordt gestraft hij die een verplichting als omschreven
in artikel 5 niet nakomt.
2.Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van
de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk het in het
eerste lid bedoelde feit pleegt.
Artikel 15
Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de
derde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk een verbod, gesteld
krachtens artikel 4, eerste lid, overtreedt, of die opzettelijk een
voorschrift als bedoeld in het tweede lid van dat artikel niet naleeft.
Artikel 16
Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk ernstige schade
veroorzaakt of teweegbrengt aan een Nederlands, Surinaams of Nederlands
Antilliaans schip.
Artikel 17
De kapitein die zonder dringende reden opzettelijk geen gevolg geeft
aan de aanwijzingen, hem gegeven door een bevoegde autoriteit van het
Koninkrijk of een verbonden mogendheid, wordt gestraft:
a. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van
de derde categorie, indien hij daardoor zijn schip en de opvarenden
aan ernstig gevaar blootstelt;
b. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien het feit het verlies van een schip
of de dood van een opvarende ten gevolge heeft.
Artikel 18
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de
derde categorie wordt gestraft de kapitein die een verplichting als
bedoeld in artikel 11, eerste lid, opzettelijk niet nakomt.
2.Wanneer het niet nakomen van een van de in artikel 11, eerste
lid, bedoelde verplichtingen aan de schuld van de kapitein te wijten
is, wordt hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
derde categorie opgelegd.
Artikel 19
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
categorie wordt gestraft hij die een verplichting, als omschreven in
artikel 13, tweede lid, niet nakomt.
Artikel 20
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
categorie wordt gestraft de zeeman die niet nakomt enig van
overheidswege gesteld voorschrift voor de handhaving van de orde aan
boord of ter bescherming van de algemene veiligheid.
Artikel 21
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
categorie wordt gestraft de vaarplichtige aan wie overeenkomstig artikel
5 door Onze Minister de aanwijzing is gegeven, dienst te doen aan boord
of ten behoeve van een schip en die:
a. zich zonder toestemming van de kapitein van boord verwijdert;
b. zich niet op het tijdstip, hem aangegeven door degene in wiens
dienst hij is of door degene, die in de dienst boven hem is gesteld,
aan boord bevindt;
c. anders dan buiten zijn schuld zijn dienst niet naar behoren
vervult;
d. de orde aan boord verstoort;
e. zich aan boord bevindt onder zodanige invloed van
alcoholhoudende drank of enig verdovend middel, dat hij zijn taak
niet naar behoren kan vervullen.
Artikel 22
De feiten, strafbaar gesteld bij de artikelen 14, tweede lid, en 15
tot en met 18 worden beschouwd als misdrijven. De feiten strafbaar
gesteld bij de artikelen 14, eerste lid, 19, 20 en 21 worden beschouwd
als overtredingen.
Artikel 23
De artikelen 14 tot en met 22 zijn van toepassing, ongeacht waar het
feit plaatsvindt.
Artikel 24
Met de opsporing van de bij de artikelen 14 tot en met 21 strafbaar
gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering, belast:
a. de officieren der Koninklijke Marine, behorende tot het korps
zee-officieren en voorzover zij in werkelijke dienst zijn, de tot
dit korps behorende officieren der Koninklijke Marine Reserve,
alsmede de overige officieren der Koninklijke Marine, daartoe door
Onze Minister van Defensie aangewezen;
b. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake
douane;
c. de ambtenaren van de buitenlandse dienst;
d. de ambtenaren, daartoe door Onze Minister aangewezen.
Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten,
strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het
Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een
bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. De
artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 25
De in artikel 24 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van
de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming
van de bewoner.
Artikel 25a
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren, genoemd in artikel 24,
onder a, c en d.
2. De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd
in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 26
Tenzij uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald laat het bij of
krachtens deze wet bepaalde het bij of krachtens andere wetten bepaalde
onverlet indien en voorzover dit laatste niet onverenigbaar is met het
bij of krachtens deze wet bepaalde.
Artikel 27
Deze wet kan worden aangehaald als: Vaarplichtwet.
Artikel 28
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij is geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 23 juni 1972.
JULIANA
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
B. Biesheuvel
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
R.J.H. Kruisinga
De Minister van Justitie,
Van Agt
De Minister van Defensie,
H.J. de Koster
De Minister van Landbouw en Visserij,
P.J. Lardinois
De Minister van Sociale Zaken,
Boersma
Uitgegeven de vijfde september 1972
De Minister van Justitie,
Van Agt
|
|
|