WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
De bij het in werking treden dezer wet bestaande provinciale
verordeningen en reglementen op de overzetveren vervallen van rechtswege
twee jaren na dat tijdstip.
Hoofdstuk II. Veerrechten
§ 1. Rechten en verplichtingen
Artikel 7
Onder veerrecht wordt in deze wet verstaan het recht, om met
uitsluiting van ieder ander personen en goederen over te zetten, alsmede
het brugrecht of het tolrecht, waarin een veerrecht is omgezet.
Artikel 8
Het veerrecht kan niet worden afgescheiden van de eigendom van de
grond onder het water, waarop het betrekking zoude hebben.
Artikel 9
1. Het is den gerechtigde tot het veerrecht verboden hooger
veergeld te heffen dan geoorloofd is krachtens het voor zijn veer
geldende tarief.
2. Bij gebreke, onvolledigheid of onduidelijkheid van een
zoodanig tarief, wordt dat naar billijkheid vastgesteld, aangevuld of
verduidelijkt door de Gedeputeerde Staten van de provincie of de
provinciën, waarin het veer is gelegen.
3. De Gedeputeerde Staten van de provincie of de provinciën,
waarin het veer is gelegen, kunnen den gerechtigde tot het veerrecht
onder daarbij te stellen voorwaarden machtigen om voortdurend of voor
een bepaalden tijd naar een daarbij vast te stellen hooger tarief te
heffen.
4. Voor zover het veerrecht betrekking heeft op een verbinding
waar de op de veerverbinding aansluitende openbare wegen in de zin van
de Wegenwet in beheer bij een of meer gemeenten of waterschappen zijn,
treedt voor de toepassing van het tweede en het derde lid het college
van burgemeester en wethouders van de gemeente of de gemeenten, waarin
het veer is gelegen, in de plaats van gedeputeerde staten.
5. Zolang het college van burgemeester en wethouders geen
uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in het vierde lid, blijft een
voor de inwerkingtreding van de Wet herverdeling wegenbeheer (Stb.
1992, 563.) krachtens het tweede of derde lid genomen beslissing van
provinciale staten die betrekking heeft op een veerrecht als bedoeld in
het vierde lid, van kracht.
Artikel 10
Is het veerrecht in tweeën gesplitst, dan is de gerechtigde aan de
eene zijde bij aankomst aan de andere zijde verplicht de reizigers, die
wegens afwezigheid van den gerechtigde aan die zijde niet onmiddellijk
overgezet kunnen worden, over te zetten tegen het tarief, dat van die
zijde wordt geheven, onder gehoudenheid om aan den gerechtigde aan die
zijde de helft uit te keeren van hetgeen hij heeft ontvangen, of
zoodanig gedeelte daarvan als bij eene vóór het in werking treden
dezer wet partijen bindende regeling is bepaald of daarna bij
overeenkomst van partijen wordt vastgesteld.
Artikel 11
1. Met het in werking treden dezer wet zijn die veerrechten
vervallen, welke aan het Rijk als eenig gerechtigde toebehooren,
alsmede die, welke betrekking hebben op veren, welke gedurende de
laatste vijf jaren door den gerechtigde feitelijk waren verlaten.
2. Betreft het veerrecht, dat aan het Rijk als eenig gerechtigde
toebehoort, een veer, dat bij het in werking treden dezer wet is
verpacht, dan vervalt, met afwijking van het voorgaande, dat veerrecht
op het tijdstip, waarop die pacht eindigt.
Artikel 12
Het veerrecht gaat te niet door feitelijke verlating van het veer
door den gerechtigde gedurende één jaar, geheel na het in werking
treden dezer wet verloopen.
Artikel 13
Gedeputeerde Staten van de provincie of de provinciën, waarin het
veer is gelegen, kunnen het veerrecht vervallen verklaren:
1°. indien binnen een jaar, nadat Gedeputeerde Staten, naar
aanleiding van bij hen ingekomen klachten, hebben aangedrongen op
getrouwe naleving van de artt. 9 en 10, meer dan eens in strijd is
gehandeld met die artikelen;
2°. indien het veer niet dagelijks of niet voldoende wordt
bediend;
3°. indien de toegangen tot het veer in minder bruikbaren staat
verkeeren dan zij van ouds door de gerechtigden plachten te worden
onderhouden;
4°. indien bij een in een brugrecht omgezet veerrecht de brug
niet behoorlijk wordt onderhouden.
Artikel 14
1. Vervallenverklaring op de in art. 13 onder 1 en 2 omschreven
gronden kan niet worden uitgesproken, indien de gerechtigde tot het
veerrecht aantoont, dat hij aan de verboden handelingen of aan het
niet dagelijks of niet voldoende bedienen van het veer naar
redelijkheid geen schuld heeft.
2. Vervallenverklaring op de in art. 13 onder 2, 3 en 4
omschreven gronden kan slechts worden uitgesproken, indien de
gerechtigde tot het veerrecht aan een bevel tot betere bediening van het
veer, verbetering der toegangen of beter onderhoud van de brug geen
gevolg heeft gegeven binnen een daarbij gestelden bekwamen termijn.
3. Op dezelfde wijze moet op getrouwe naleving van de artt. 9 en
10 zijn aangedrongen, om tot toepassing van art. 13 onder 1, te kunnen
overgaan.
Artikel 15
1. De bekendmaking van een besluit tot vervallenverklaring
geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
2. Van het besluit wordt mededeling gedaan:
a. in een nieuwsblad van de gemeente of van een der gemeenten
waarin het veer is gelegen, en bij gebreke daarvan in dat van een
naburige gemeente;
b. door toezending of uitreiking aan de gerechtigden tot het
veerrecht en aan degene die het veer bedient.
Artikel 16
De uitspraak in een tegen een besluit als bedoeld in artikel 13
ingesteld beroep wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 15.
Opheffing van een veerrecht kan tegen schadeloosstelling en volgens
de voorschriften van deze paragraaf geschieden:
door Onzen met de zaken van waterstaat belasten Minister ter
uitvoering van een door Ons genomen besluit;
door Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het veer gelegen is.
Artikel 19
1. Door Onzen Minister voornoemd met de uitvoering van Ons
besluit of door Gedeputeerde Staten wordt kennis gegeven:
a. dat tot opheffing van het door aanwijzing der eindpunten van het
veer te omschrijven veerrecht tegen schadeloosstelling zal worden
overgegaan;
b. dat zij, die aanspraak maken op het veerrecht of het
vruchtgebruik daarvan, vóór eenen bij de kennisgeving te bepalen dag
schriftelijk van een en ander aangifte moeten doen aan Onzen
Commissaris in de provincie, waarin het veer is gelegen.
2. De kennisgeving wordt geplaatst in de Nederlandsche
Staatscourant en in een nieuwsblad van de gemeente of van een der
gemeenten, waarin het veer is gelegen, en bij gebreke van dien in dat
van een naburige gemeente.
3. Tusschen de kennisgeving en den dag vóór welken de aangifte
moet geschieden, moet een tijdruimte van ten minste drie maanden worden
gelaten.
4. Is het veer in meer dan een provincie gelegen, dan wordt Onze
Commissaris in één dier provinciën bij Ons besluit of bij het besluit
van de Gedeputeerde Staten van betrokken provincies aangewezen om de
aangifte in ontvangst te nemen, en wordt die aanwijzing in de
kennisgeving vermeld.
5. Onze Commissaris teekent den dag van ontvangst op de aangifte
aan en geeft een gedagteekend bewijs van ontvangst af.
6. Een exemplaar van het nummer van de Nederlandsche
Staatscourant, waarin de kennisgeving is opgenomen, wordt uitgereikt
aan den persoon of een der personen, die het veer bedienen, en
toegezonden aan de gerechtigden tot het veerrecht, voor zooveel deze
bekend zijn.
Artikel 20
Heeft vóór den bij de bekendmaking bepaalden dag niemand aangifte
gedaan, dat hij op het veerrecht of het vruchtgebruik daarvan aanspraak
maakt, dan wordt het veerrecht opgeheven.
Artikel 21
Is met hen, die aangifte hebben gedaan, eene overeenkomst over de
schadeloosstellingen tot stand gekomen, dan wordt het veerrecht
opgeheven, nadat de overeengekomen schadeloosstellingen zijn uitbetaald
of geconsigneerd.
Artikel 22
1. Bij gebreke van een overeenkomst als in het voorgaande
artikel bedoeld, kan het veerrecht worden opgeheven, indien voor de
voldoening der schadeloosstellingen zekerheid is gesteld of zij, die
aangifte hebben gedaan, van het recht om zekerheidstelling te vorderen
afstand hebben gedaan.
2. Het bedrag en de aard der te stellen zekerheid worden bij
overeenkomst met hen, die aangifte hebben gedaan, geregeld of op de
wijze van art. 27 bepaald.
Artikel 23
Buiten de gevallen in de artt. 20 en 21 voorzien, wordt, naar gelang
de opheffing ingevolge een door Ons of een door Gedeputeerde Staten
genomen besluit geschiedt, door het Rijk of Gedeputeerde Staten van de
provincie of provinciën tegen hen, die aangifte hebben gedaan, eene
rechtsvordering ingesteld strekkende tot bepaling van het bedrag, dat
als schadeloosstelling voor het veerrecht moet worden betaald, en tot
beslissing aan wie der gedaagden of eventueel tusschengekomen partijen
dat bedrag of een aan te wijzen deel daarvan moet worden uitgekeerd.
Artikel 24
De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn op
de gedingen, welke ingevolge deze wet worden gevoerd, toepasselijk, voor
zoover daarvan bij de volgende bepalingen niet is afgeweken.
Artikel 25
1. De rechtsvordering wordt aangebracht bij de rechtbank of een
der rechtbanken binnen wier rechtsgebied het veer geheel of ten deele
is gelegen.
2. Indien een der te dagvaarden personen buiten het Koninkrijk
woont, geen bekende woonplaats heeft, of vóór of na de dagvaarding
overlijdt, wordt het geding gevoerd of voortgezet tegen een bijzonderen
bewindvoerder ten verzoeke van den eischer te benoemen door de
rechtbank, bij welke de vordering wordt aangebracht.
3. De bewindvoerder moet wonen binnen het rechtsgebied van deze
rechtbank en geniet het loon van een bewindvoerder van een afwezige.
4. Hij die door den bewindvoerder vertegenwoordigd wordt, is
steeds bevoegd het geding van den bewindvoerder over te nemen en dezen
buiten het geding te doen stellen.
Artikel 26
1. De dagvaarding moet op straffe van nietigheid de som
vermelden, welke als schadeloosstelling voor de opheffing van het
veerrecht wordt aangeboden.
2. Maakt de eischer gebruik van de bevoegdheid hem bij art. 28
verleend, dan geldt dit aanbod slechts voor het geval, dat het bestaan
van het veerrecht door den rechter wordt erkend.
Artikel 27
1. De eischer kan bij voorraad vorderen, dat de rechtbank voor
alles de bedragen vaststelle, welke tot waarborg voor de voldoening
der schadeloosstellingen zullen behooren te worden geconsigneerd, om
tot opheffing van het veerrecht krachtens art. 22 te kunnen overgaan.
Bij de vaststelling van die bedragen zal de rechtbank zich houden aan
het aangeboden bedrag, bijaldien dit niet met hooger vraag bestreden
wordt, en anders aan het hoogste bedrag dat voor schadeloosstelling
wordt gevorderd, behoudens hare bevoegdheid tot vermindering, indien
het gevorderde haar bovenmatig voorkomt.
2. Tegen de beslissing der rechtbank staat geenerlei voorziening
open.
Artikel 28
De eischer is bevoegd het bestaan van het veerrecht te betwisten.
Artikel 29
De conclusie van den verweerder moet vermelden de som, welke als
schadeloosstelling gevraagd wordt.
Artikel 30
De eisch van art. 23 en de vordering van art. 27 worden afgewezen,
wanneer niet ten minste drie dagen voor den dienenden dag ter griffie
van de rechtbank zijn nedergelegd:
1°. het besluit tot opheffing bedoeld in art. 18;
2°. een exemplaar der Staatscourant en van het
nieuwsblad, waarin de bekendmaking overeenkomstig art. 19 heeft
plaats gehad.
Artikel 31
Buiten het geval, in het vorig artikel genoemd, beslist de rechtbank
over het bestaan van het veerrecht, zoo dit door den eischer mocht zijn
betwist, alsmede over de rechten van partijen, die door den eischer of
door die partijen onderling mochten zijn bestreden, benoemt één of
meer deskundigen in oneffen getale en wijst een harer leden aan om,
vergezeld van den griffier, als commissaris bij het onderzoek dier
deskundigen tegenwoordig te zijn.
Artikel 32
Is bij gewijsde beslist, dat geen der partijen gerechtigd is tot het
veerrecht of tot vruchtgebruik daarvan, dan wordt het veerrecht
opgeheven, indien opheffing nog niet heeft plaats gehad.
Artikel 33
Is met hen, die krachtens gewijsde gerechtigden zijn tot het
veerrecht of het vruchtgebruik daarvan, eene overeenkomst over de
schadeloosstelling tot stand gekomen, dan vervalt de procedure tot
begrooting der schadeloosstelling en wordt, nadat de overeengekomen
schadeloosstellingen zijn uitbetaald of geconsigneerd, het veerrecht
opgeheven, indien opheffing nog niet heeft plaats gehad.
Artikel 34
1. De rechter-commissaris bepaalt ten verzoeke van de meest
gereede partij in overleg met de deskundigen den dag, het uur en de
plaats, waarop het onderzoek der deskundigen zal aanvangen, en doet
die beslissing door den griffier bij brieven ter kennis brengen van de
partijen en de deskundigen.
2. Hij benoemt andere deskundigen in de plaats van degenen, die
niet zijn opgekomen of die weigeren aan hunne verplichtingen te voldoen.
3. Hij stelt de verschenen partijen in de gelegenheid de stukken
mede te deelen en de gronden aan te voeren, welke tot bepaling der
schadeloosstelling kunnen leiden.
4. Hij hoort de getuigen, waarvan het verhoor door een of meer
der partijen wordt verlangd, en die te dien einde zijn medegebracht of
ten minste drie dagen van te voren zijn gedagvaard.
5. Wraking van getuigen wordt niet toegelaten.
6. De voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering omtrent het getuigenverhoor en het bericht van
deskundigen zijn ten deze niet van toepassing.
7. De namen en woonplaatsen der getuigen, die een partij wenscht
te doen hooren, worden ten minste drie dagen vóór het verhoor aan de
wederpartij medegedeeld.
8. De getuigen worden onder eede gehoord.
9. Indien een getuige, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet
verschijnt, weigert den eed af te leggen, of weigert op de hem gestelde
vragen te antwoorden, wordt hij door den rechter-commissaris veroordeeld
tot vergoeding der tevergeefs gemaakte kosten, onverminderd zijne
gehoudenheid jegens partijen tot vergoeding van kosten, schaden en
interessen. De getuige, die niet is verschenen, kan bij verzoekschrift
bij den rechter-commissaris in verzet komen, en wordt van de tegen hem
uitgesproken veroordeeling ontheven, indien hij aantoont door te
billijken redenen verhinderd te zijn geweest om te verschijnen.
10. Nadat de getuigen zijn gehoord, worden partijen andermaal in
de gelegenheid gesteld om hare bewering toe te lichten.
11. Indien het onderzoek moet worden uitgesteld of verdaagd,
hetgeen staat ter beslissing van den rechter-commissaris, worden dag,
uur en plaats der verdere behandeling door dezen bepaald en aan de
verschenen partijen, deskundigen en getuigen medegedeeld.
12. De rechter-commissaris bepaalt den dag, waarop het rapport
der deskundigen vergezeld van de door partijen overgelegde stukken, ter
griffie van de rechtbank moet worden neergelegd.
13. De griffier maakt van het bij het onderzoek gebeurde een
proces-verbaal op, dat door den rechter-commissaris en door hem wordt
onderteekend.
Artikel 35
1. Het rapport der deskundigen blijft gedurende dertig dagen
ter inzage van partijen ter griffie nedergelegd.
2. Gedurende de tervisieligging kunnen partijen hare bezwaren
tegen het rapport der deskundigen, na die aan de wederpartij te hebben
beteekend, aan den rechter-commissaris schriftelijk mededeelen.
3. Na verloop van de tervisieligging bepaalt de
rechter-commissaris den dag, waarop door hem ter terechtzitting rapport
zal worden uitgebracht, en doet hij die dagbepaling door den griffier
bij brieven ter kennis van partijen brengen.
4. Nadat de rechter-commissaris zijn rapport ter terechtzitting
heeft uitgebracht, worden partijen toegelaten hare conclusiën nader bij
pleidooi te ontwikkelen.
Artikel 36
Wordt een hernieuwd onderzoek van deskundigen bevolen, dan kan de
rechtbank daarop de artt. 34 en 35 van toepassing verklaren.
Artikel 37
Bij de vaststelling der schadeloosstelling wordt ook gelet op het
verlies, dat mocht worden geleden in de zaken, waarmede het veer wordt
bediend.
Artikel 38
1. De vruchtgebruiker heeft aanspraak op het vruchtgebruik van
het aan de gerechtigden tot het veerrecht toegewezen bedrag, behalve
voor zooverre dat bestaat uit eene vergoeding voor het verlies geleden
in de zaken, waarmede het veer wordt bediend, en die zaken niet aan
het vruchtgebruik waren onderworpen.
2. Behooren die zaken aan den vruchtgebruiker, dan heeft deze
aanspraak op vergoeding voor het verlies, dat hij daarin lijdt.
Artikel 39
1. Van het als schadeloosstelling toegewezen bedrag is rente
als in burgerlijke zaken verschuldigd van den dag dat het veerrecht is
opgeheven.
2. De kosten, veroorzaakt door het geschil over de
schadeloosstelling, komen ten laste van den eischer, tenzij de rechtbank
in de omstandigheden van het geding termen vinde om de kosten geheel of
voor een deel te compenseeren, behoudens dat de kosten geheel door den
verweerder worden gedragen, indien hem niet meer wordt toegewezen dan
bij dagvaarding werd aangeboden.
Artikel 40
Is, nadat het vonnis in gewijsde is gegaan, de toegewezen
schadeloosstelling, vermeerderd met de bij het vonnis begroote kosten,
waarin de eischer, en verminderd met die, waarin de gedaagde is
veroordeeld, betaald of geconsigneerd, dan wordt het veerrecht
opgeheven, indien dat niet reeds heeft plaats gehad, vervalt de
krachtens art. 22 gestelde zekerheid, en verkrijgt de eischer weder de
beschikking over het krachtens dat artikel geconsigneerde.
Artikel 41
1. De pachter van het veer heeft recht op schadeloosstelling,
indien op het tijdstip, waarop het veerrecht wordt opgeheven, de pacht
nog loopende is krachtens eene overeenkomst te goeder trouw gesloten
voordat de in art. 19 omschreven bekendmaking plaats had, of wel ten
gevolge van gebruikmaking van eene hem vóór die bekendmaking
schriftelijk te goeder trouw verleende bevoegdheid, om de pacht na het
einde van den loopenden huurtijd te doen voortduren.
2. Bij de vaststelling dezer schadeloosstelling wordt ook gelet
op de schade, die de pachter lijdt in de zaken, waarmede hij het veer
bedient, op den tijd, dien de pacht te goeder trouw mocht verwacht
worden na het tijdstip van opheffing van het veerrecht nog te zullen
loopen, en mede op de, vóór genoemde bekendmaking aan den pachter
schriftelijk te goeder trouw verleende bevoegdheid, om de pacht na het
einde van den loopenden huurtijd te doen voortduren.
Artikel 42
1. Binnen ééne maand, nadat het besluit tot opheffing van het
veerrecht is genomen, wordt door Onzen Minister of door Gedeputeerde
Staten in art. 19 bedoeld, aan den pachter mededeeling gedaan in
hoeverre hem schadeloosstelling wordt aangeboden.
2. Is die mededeeling achterwege gebleven of neemt de pachter
daarmede geen genoegen, dan kan hij hetzij vóór den dag bedoeld in den
aanhef van art. 34 tusschenkomen in het geding bedoeld in art. 23, zoo
dit gevoerd wordt, ten einde ook zijne schadeloosstelling te doen
vaststellen, hetzij zijn eisch zelfstandig aanbrengen bij de rechtbank,
waarvoor gemeld geding gevoerd is of wordt, of gevoerd had kunnen
worden.
3. In dit laatste geval moet de dagvaarding op straffe van
nietigheid de som vermelden, die als schadeloosstelling wordt gevraagd,
terwijl de conclusie van den verweerder de aangeboden som moet noemen.
4. De rechtbank zal alsdan kunnen bevelen, dat geprocedeerd worde
overeenkomstig de artt. 34 en 35 dezer wet.
5. Het eerste lid van art. 39 is op de schadeloosstelling van den
pachter van toepassing.
6. De kosten, veroorzaakt door het geschil over deze
schadeloosstelling, komen ten laste van den verweerder, tenzij de
rechtbank in de omstandigheden van het geding termen vinde om de kosten
geheel of voor een deel te compenseeren, behoudens dat de kosten geheel
door den eischer worden gedragen, indien hem niet meer wordt toegewezen
dan bij conclusie werd aangeboden.
Artikel 43
De bekendmaking van het besluit waarbij het veerrecht wordt
opgeheven, geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. Van het
besluit wordt mededeling gedaan in een nieuwsblad van de gemeente of van
één der gemeenten waarin het veer is gelegen, en bij gebreke daarvan
in dat van een naburige gemeente.
Artikel 44
1. Heeft de opheffing van het veerrecht ingevolge art. 20 of 21
plaats gehad, dan blijven het Rijk, de provincie of de provinciën,
naar gelang de opheffing plaats had krachten een besluit van Ons of
van gedeputeerde staten van één of meer provinciën, verplicht tot
schadeloosstelling van hen, die tot het veerrecht of het vruchtgebruik
daarvan ten tijde der opheffing gerechtigd waren, en zulks bij
opheffing ingevolge art. 21, behoudens verhaal op degenen, die ten
onrechte eene schadeloosstelling wegens de opheffing van het veerrecht
hebben ontvangen, ten hoogste tot het bedrag, zonder bijberekening van
renten, dat als schadeloosstelling aan deze is uitbetaald.
2. Is geen der partijen in het krachtens art. 23 gevoerde geding
tot het veerrecht of het vruchtgebruik daarvan gerechtigd verklaard, dan
blijft gelijke verplichting bestaan met betrekking tot die gerechtigden,
welke geen partij waren in het gevoerde geding.
3. In alle overige gevallen hebben zij, die ten tijde der
opheffing gerechtigd waren tot het veerrecht of het vruchtgebruik
daarvan, en geen schadeloosstelling hebben genoten, verhaal op degenen,
die ten onrechte eene schadeloosstelling wegens de opheffing van het
veerrecht hebben ontvangen, ten hoogste tot het bedrag, zonder
bijberekening van renten, dat verhaal op degenen, die ten onrechte eene
schadeloosstelling stelling, welke hun toekomt, meer bedraagt, kunnen
zij vorderen van het Rijk, de provincie of de provinciën, naar gelang
de opheffing plaats had krachtens een besluit van Ons of van de Staten
van een of meer provinciën.
4. De rechtsvorderingen tot voldoening van het volgens dit
artikel verschuldigde worden aangebracht bij de rechtbank of een der
rechtbanken, binnen wier rechtsgebied het veer geheel of ten deele is
gelegen. Zij vervallen één jaar na de dagteekening van de Staatscourant,
waarin het besluit tot opheffing van het veerrecht is bekend gemaakt.
Artikel 45
Bij opheffing van een in een brugrecht omgezet veerrecht zijn de
kosten, die moeten worden gemaakt ten einde in de toekomst in het
geregeld verkeer te voorzien, ten laste van het Rijk, wanneer de brug is
gelegen in een weg, die door het Rijk, en ten laste van de provincie,
wanneer de brug is gelegen in een weg, die door de provincie wordt
onderhouden.
Artikel 46
1. Opheffing van een in een brugrecht omgezet veerrecht doet
den onderhoudsplicht van de brug, voor zooveel die verplichting met
het veerrecht samenhing, te niet gaan.
2. Is het Rijk of de provincie, naar gelang de opheffing
ingevolge een door Ons of een door de Staten genomen besluit geschiedde,
van oordeel, dat de brug met toebehooren moet worden opgeruimd, dan
wordt aan den eigenaar een bekwame termijn gelaten om die opruiming te
bewerkstelligen.
3. Heeft de opruiming binnen dien termijn niet plaats gehad, dan
kan het Rijk of de provincie daartoe overgaan, onder gehoudenheid om de
afbraak op eene plaats te hunner keuze gedurende ten minste eene maand
ter beschikking van den eigenaar te stellen.
4. Heeft de eigenaar binnen dien termijn over de afbraak niet
beschikt, dan wordt deze door het Rijk of de provincie in het openbaar
verkocht en wordt de opbrengst, na aftrek der kosten van verkoop, den
eigenaar ter hand gesteld.
Hoofdstuk III. Slotbepalingen
Artikel 47
1. Alle wetten en verordeningen van Franschen oorsprong worden,
voor zooveel zij de overzetveren en de veerrechten betreffen,
ingetrokken.
2. Tarieven, welke voor veerrechten zijn vastgesteld krachtens
Keizerlijk Decreet van 21 October 1811, worden gehandhaafd.
Artikel 48
1. Deze wet is niet van toepassing op overzetveren en
veerrechten, welke vallen onder de bepalingen van verdragen met
vreemde Mogendheden gesloten.
2. Het is verboden in strijd met zoodanige bepalingen een veer
aan te leggen of daar te stellen.
Artikel 49
1. Overtreding van art. 9, eerste lid, en art. 48, tweede lid,
wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
2. De aldus strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als
overtredingen.
Artikel 50
Deze wet kan worden aangehaald onder den naam "Verenwet".