WET van 25 februari 1954, houdende
regeling ter bevordering van een goede bedrijfsuitoefening
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter
vervanging van de Vestigingswet Kleinbedrijf 1937 (Stb. 1937, 619)
nieuwe regelen te stellen ter bevordering van een goede
bedrijfsuitoefening;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Voor de toepassing van het bij of
krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
inrichting: een krachtens artikel 4b of 16 aangewezen
besloten ruimte of ander ondernemingsonderdeel;
beheerder: degene die onmiddellijke leiding geeft aan de
uitoefening van een krachtens artikel 4 aangewezen bedrijf;
bedrijfsleider: degene die algemene leiding geeft aan een
onderneming, waarin een krachtens artikel 4 aangewezen bedrijf wordt
uitgeoefend;
produktschap, hoofdbedrijfschap, bedrijfschap: een
produkt-,
een hoofdbedrijf- of een bedrijfschap, als bedoeld in artikel 66 van de
Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K 22), ingesteld voor
ondernemingen, waarin het betrokken bedrijf wordt uitgeoefend;
bedrijfslichaam: een produktschap, hoofdbedrijfschap of een
bedrijfschap.
2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder onderneming mede verstaan een bedrijf, waarmede niet
wordt beoogd het maken van winst.
Artikel 2
1. Deze wet is niet van toepassing op de landbouw, de visserij,
het bankbedrijf, het verzekeringsbedrijf en het vervoerbedrijf.
2. Zij verstaat onder:
landbouw: de akkerbouw, weidebouw, veehouderij,
pluimveehouderij, fruitteelt, tuinbouw - daaronder begrepen het kweken
van bomen, bloemen en bloembollen -, de teelt van griendhout en elke
andere vorm van bodemcultuur;
bankbedrijf: het bedrijf van bank als bedoeld in artikel 1:1
van de Wet op het financieel toezicht, borg- en garantie-instelling,
kerkelijke kredietinstelling, bouwkas, spaarkas, administratie- of
trustkantoor op effectengebied, instelling tot financiering van de
handel in onroerende goederen en commissionnair of makelaar in effecten,
het bedrijf van het verlenen van bemiddeling bij het verstrekken van
onderhandse leningen of kasgeldleningen, zomede de valutahandel,
discontohandel en geldwisselhandel;
vervoerbedrijf:
a. het bedrijf van het vervoeren van personen of goederen ter zee
of door de lucht;
b. het bedrijf van het vervoeren van personen of goederen met
binnenschepen voor zover dit vervoer slechts mag geschieden krachtens
een vergunning ingevolge de Wet vervoer binnenvaart (Stb. 1991,
711), daaronder niet begrepen het meubeltransportbedrijf;
c. het bedrijf van het vervoeren van goederen met vrachtauto’s
voor zover dit vervoer slechts mag geschieden krachtens een vergunning
ingevolge de Wet goederenvervoer over de weg (Stb. 1992, 145),
daaronder niet begrepen het meubeltransportbedrijf;
d. het bedrijf van het vervoeren van personen krachtens een
ingevolge de Wet personenvervoer 2000 geldige vergunning wordt
verricht;
e. het bedrijf van het vervoeren van goederen of personen krachtens
een bedrijfsvergunning ingevolge de Spoorwegwet.
3. Zij verstaat mede onder:
visserij: de oester- en de mosselteelt;
verzekeringsbedrijf: het bedrijf van het verlenen van
bemiddeling bij het sluiten van verzekeringen tegen het genot van een
beloning.
Artikel 3
Wanneer ter uitvoering van deze wet de medewerking van een
bedrijfslichaam wordt gevorderd, wordt, onverminderd het bepaalde in
artikel 98 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie, die medewerking
verleend door het bestuur van dat lichaam.
Artikel 4
1. Bij algemene maatregel van bestuur, in deze wet verder
genoemd vestigingsbesluit, kan worden verboden het uitoefenen
van een daarbij aangewezen bedrijf zonder vergunning van de Kamer van
Koophandel en Fabrieken. In plaats van de Kamer kan een
bedrijfslichaam worden aangewezen.
2. Een vestigingsbesluit wordt niet vastgesteld dan op verzoek
van een bedrijfschap of, bij ontstentenis hiervan, van een produkt- of
een hoofdbedrijfschap, dan wel op verzoek van een of meer naar Ons
oordeel representatieve verenigingen van de betrokken ondernemers.
3. De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van
een vestigingsbesluit wordt Ons gedaan door Onze Minister van
Economische Zaken en Onze Minister, wie het mede aangaat, tezamen.
Artikel 4a
1. Bij ieder vestigingsbesluit wordt bepaald, welke handelingen
als uitoefening van het aangewezen bedrijf worden aangemerkt.
2. Daarbij kan ten aanzien van een of meer van die handelingen
worden bepaald, dat zij slechts als uitoefening van het aangewezen
bedrijf worden aangemerkt, voor zover zij in samenhang met andere van
die handelingen onder daarbij aangegeven omstandigheden worden verricht.
Het aldus verrichten van eerstbedoelde handelingen wordt niet aangemerkt
als uitoefening van enig ander krachtens deze wet aangewezen bedrijf.
3. Daarbij kan voorts worden bepaald, dat als uitoefening van het
aangewezen bedrijf mede wordt aangemerkt het openlijk aanduiden of doen
aanduiden van de bereidheid een of meer van de krachtens het eerste lid
aangewezen handelingen te verrichten, onverminderd het in het tweede lid
bepaalde.
Artikel 4b
Bij ieder vestigingsbesluit kan worden bepaald, dat daarbij
aangewezen besloten ruimten of andere ondernemingsonderdelen, waarin het
daarbij aangewezen bedrijf wordt uitgeoefend, voor de toepassing van het
bij of krachtens deze wet bepaalde als inrichting worden aangemerkt.
Artikel 5
1. Een vergunning is vereist voor iedere inrichting, waarin het
aangewezen bedrijf wordt uitgeoefend, zomede voor een onderneming,
voor zover dat bedrijf daarin anders dan in een inrichting of in
rechtstreeks verband met de uitoefening van dat bedrijf in een
inrichting wordt uitgeoefend.
2. Bij overgang van de onderneming op rechtverkrijgenden onder
algemene titel van de vergunninghouder gaat tevens de vergunning op hen
over, tenzij de daarin vermelde bedrijfsleider of beheerder deze
hoedanigheid heeft verloren.
Artikel 6
1. Een vergunning wordt uitsluitend verleend, indien wordt
voldaan aan bij het vestigingsbesluit te stellen eisen; deze kunnen
slechts betrekking hebben op handelskennis en vakbekwaamheid. Zij
kunnen niet hoger worden gesteld dan naar Ons oordeel strikt
noodzakelijk is.
2. Aan de eisen van handelskennis moet worden voldaan door een
bedrijfsleider en aan die van vakbekwaamheid door een beheerder. Indien
bij het vestigingsbesluit afzonderlijke eisen van handelskennis voor
beheerders zijn gesteld, moet hieraan worden voldaan door een beheerder.
Artikel 7
1. Bij of krachtens ieder vestigingsbesluit worden de
bewijsstukken aangewezen, waaruit het voldoen aan de daarbij gestelde
eisen van handelskennis en van vakbekwaamheid moet blijken. Voor wat
betreft bewijsstukken, die worden afgegeven op grond van het met
gunstig gevolg afleggen van een examen, kan bij de aanwijzing worden
bepaald, dat deze slechts geldt, voor zover met betrekking tot dat
examen een door Onze Minister van Economische Zaken goedgekeurd
examenreglement is in acht genomen.
2. Bij ieder vestigingsbesluit worden als bewijsstukken als in
het eerste lid bedoeld aangewezen verklaringen van handelskennis en
verklaringen van vakbekwaamheid, tot het afgeven waarvan daarbij aan de
Sociaal-Economische Raad dan wel aan een produkt-, of een
hoofdbedrijfschap of het Bedrijfschap voor het Hotel-, het Restaurant-,
het Café-, en het Pension- en Kamerverhuurbedrijf en Aanverwante
bedrijven de bevoegdheid wordt verleend.
Artikel 8
1. Bij een vestigingsbesluit kan worden bepaald, welke gegevens
de aanvrage om een vergunning dient te bevatten.
2. Zij gaat vergezeld van de nodige krachtens artikel 7
aangewezen bewijsstukken en verdere bescheiden.
3. Op de aanvrage wordt binnen twee maanden beslist.
Artikel 9
Indien de Kamer van Koophandel en Fabrieken tot het verlenen van de
vergunning is aangewezen, is bevoegd:
a. ingeval de vergunning wordt gevraagd voor een inrichting, die
niet gebezigd wordt voor het rondtrekkend uitoefenen van het
bedrijf, de Kamer, binnen welker gebied de inrichting is of zal
worden gevestigd;
b. in andere gevallen de Kamer, binnen welker gebied de
onderneming is of zal worden gevestigd, of, indien de onderneming
buiten Nederland is of zal worden gevestigd, de Kamer van Koophandel
en Fabrieken voor Rotterdam.
Artikel 10
1. De vergunning wordt geweigerd:
a. indien niet is aangetoond, dat door de daarin te vermelden
bedrijfsleider en beheerder aan de gestelde eisen wordt voldaan;
b. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat een daarin te
vermelden bedrijfsleider of beheerder, anders dan overeenkomstig een
voorlopige vergunning of een ontheffing krachtens deze wet, tevens
bedrijfsleider of beheerder in de zin van deze wet buiten de betrokken
onderneming, of, voor zoveel de beheerder van een onderdeel ener
onderneming betreft, tevens beheerder buiten dat onderdeel zal zijn;
c. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke
toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal
zijn.
2. Het vorige lid, onder a, is niet van toepassing ingeval
de vergunning is gevraagd door de weduwe, weduwnaar of de achtergebleven
geregistreerde partner van een vergunninghouder, die in zijn vergunning
tevens als bedrijfsleider of beheerder was vermeld, dan wel door
kinderen - die de leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt - die tot hen
of een van hen in familierechtelijke betrekking staan of stonden,
uitsluitend met het oog op zijn vervanging als bedrijfsleider of
beheerder door zijn weduwe, weduwnaar of de achtergebleven
geregistreerde partner of een dergelijk kind. Bij een vestigingsbesluit
kan worden bepaald, dat de vorige volzin niet geldt.
3. Het eerste lid, onder a, is eveneens niet van
toepassing, ingeval de vergunning is gevraagd door een vergunninghouder
uitsluitend met het oog op de verplaatsing van de uitoefening van een
bedrijf naar een andere inrichting.
4. Bij een vestigingsbesluit kan worden bepaald, dat het eerste
lid, onder b, niet van toepassing is in bij dat besluit aan te
wijzen gevallen.
5. Indien geen der in het eerste lid bedoelde weigeringsgronden
aanwezig is, wordt de vergunning verleend.
6. Een met toepassing van het tweede lid verleende vergunning
geldt van het tijdstip van het overlijden van de daar bedoelde
vergunninghouder af. Indien zij is verleend met het oog op het optreden
van een kind als bedrijfsleider of beheerder, geldt zij gedurende vijf
jaar of, indien het kind op dat tijdstip de leeftijd van achttien jaar
nog niet had bereikt, tot vijf jaar na het bereiken van die leeftijd.
Bij een vestigingsbesluit kan een kortere termijn worden vastgesteld.
Ten aanzien van vergunningen, verleend uitsluitend met het oog op het
optreden van de weduwe, weduwnaar of de achtergebleven geregistreerde
partner als bedrijfsleider of beheerder, kan bij een vestigingsbesluit
worden bepaald, dat zij gelden gedurende een bij dat besluit vast te
stellen termijn.
Artikel 11
1. De vergunning vervalt:
a. wanneer na haar dagtekening zes maanden zijn verlopen, zonder
dat met de bedrijfsuitoefening een aanvang is gemaakt;
b. wanneer de bedrijfsuitoefening gedurende een bij het
vestigingsbesluit te bepalen termijn, anders dan wegens overmacht,
ononderbroken gestaakt is geweest;
c. wanneer een daarin vermelde bedrijfsleider of beheerder deze
hoedanigheid verliest;
d. wanneer een daarin vermelde bedrijfsleider of beheerder, anders
dan overeenkomstig een voorlopige vergunning of een ontheffing
krachtens deze wet, tevens bedrijfsleider of beheerder in de zin van
deze wet buiten de betrokken onderneming, of, voor zoveel de beheerder
van een onderdeel ener onderneming betreft, tevens beheerder buiten
dat onderdeel wordt;
e. wanneer een verklaring van handelskennis of vakbekwaamheid, op
grond waarvan de vergunning is verleend, is ingetrokken en tegen de
intrekking geen beroep meer openstaat;
f. wanneer een daarin vermelde bedrijfsleider of beheerder deze
hoedanigheid op het tijdstip, waarop met de bedrijfsuitoefening een
aanvang wordt gemaakt, niet bezit, onmiddellijk na dat tijdstip.
2. Het eerste lid, onder c-e, is niet van toepassing
gedurende een faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen. Bij het eindigen hiervan vervalt de vergunning
echter, indien een der in die bepalingen bedoelde omstandigheden is
ingetreden.
3. Bij een vestigingsbesluit kan worden bepaald, dat het eerste
lid, onder d, zomede het tweede lid, tweede volzin, - voor zover
deze op de in eerstgenoemde bepaling bedoelde omstandigheid betrekking
heeft - niet van toepassing zijn in bij dat besluit aan te wijzen
gevallen.
Artikel 12
1. Indien een vergunning vervalt, kan voor de betrokken
onderneming of inrichting een voorlopige vergunning worden verleend.
Op de aanvrage wordt binnen twee weken beslist. De artikelen 6, 8,
tweede en derde lid, 10 en 11 zijn niet van toepassing.
2. De voorlopige vergunning geldt gedurende zes maanden, gerekend
van het tijdstip van het vervallen van de vergunning af. Indien de
houder inmiddels een aanvrage om een nieuwe vergunning of een ontheffing
als in artikel 15 bedoeld ten aanzien van het betrokken bedrijf heeft
ingediend, geldt zij verder, totdat deze is verleend, dan wel, indien
deze is geweigerd, totdat sedert het tijdstip, na hetwelk tegen de
weigering geen beroep meer openstaat, twee maanden zijn verlopen.
Artikel 13
1. Een vergunning wordt ingetrokken, indien de te harer
verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken,
dat op de aanvrage een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de
beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren
geweest.
2. De werking van de beschikking waarbij de vergunning wordt
ingetrokken, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of,
indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
Artikel 14
1. Een verklaring van handelskennis of vakbekwaamheid wordt
uitsluitend afgegeven aan personen, die aan de gestelde eisen voldoen,
doch van wie redelijkerwijs niet kan worden verlangd, dat zij zich van
andere bewijsstukken voorzien.
2. Onze Minister van Economische Zaken stelt in overeenstemming
met Onze Minister, wie het mede aangaat, regelen voor de beslissing op
de aanvragen om een verklaring.
3. Op een aanvrage wordt binnen vier maanden beslist.
4. De artikelen 8, eerste lid, en 13 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 15
1. Onze Minister van Economische Zaken verleent van een bij een
vestigingsbesluit gegeven verbod tot uitoefening van een daarbij
aangewezen bedrijf op aanvrage ontheffing:
a. indien reeds een vergunning is verleend voor de uitoefening van
een ander bedrijf in dezelfde onderneming of inrichting onder de
onmiddellijke leiding van dezelfde beheerder, en naar het oordeel van
Onze genoemde Minister deze laatste uitoefening een hoofdbestanddeel
van de bedrijfsuitoefening in die onderneming of inrichting uitmaakt
en de aard der onderneming dan wel plaatselijke of regionale
omstandigheden tot gezamenlijke uitoefening van deze bedrijven
aanleiding geven;
b. indien naar zijn oordeel sprake is van een bijzonder geval en
gewichtige belangen tot het verlenen van een ontheffing aanleiding
geven;
c. indien het bepaalde in een richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen met betrekking tot de vestiging van of het verrichten
van diensten door natuurlijke personen en vennootschappen op het
grondgebied van een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen,
dan wel, met toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of de op 21 juni 1999 te Luxemburg totstandgekomen
Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten,
enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije
verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86), op het grondgebied van een
andere Staat die partij is bij een van de genoemde Overeenkomsten, tot
het verlenen van een ontheffing aanleiding geeft.
2. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend; aan de
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
3. Op een aanvrage om een ontheffing wordt binnen vier maanden
beslist.
4. Onze minister van Economische Zaken kan de hem in het eerste
lid verleende bevoegdheid in een door hem bepaalde omvang en onder het
stellen van regelen delegeren aan de Sociaal-Economische Raad dan wel
aan een produkt- of een hoofdbedrijfschap of het Bedrijfschap voor het
Hotel-, het Restaurant-, het Café- en het Pension- en
Kamerverhuurbedrijf en Aanverwante bedrijven. Deze regelen kunnen
voorwaarden inhouden, waaraan voor het verkrijgen van een ontheffing
moet worden voldaan.
5. Hij oefent de hem in dit artikel toegekende bevoegdheden niet
uit dan in overeenstemming met Onze Minister, wie het mede aangaat.
6. Een krachtens het eerste lid, onder a, verleende
ontheffing vervalt, wanneer de daar bedoelde vergunning vervalt of wordt
ingetrokken, alsmede wanneer de daar bedoelde beheerder deze
hoedanigheid verliest met betrekking tot de gezamenlijke uitoefening van
de betrokken bedrijven.
7. De artikelen 5, tweede lid, 8, eerste lid, 11, eerste lid,
onder a tot en met c, en 13 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 16
1. Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister, wie
het mede aangaat, kunnen op verzoek van het lichaam, dat vaststelling
van een vestigingsbesluit heeft verzocht, bij gemeenschappelijke
regeling, in deze wet verder genoemd vestigingsregeling,
verbieden het uitoefenen van het betrokken bedrijf zonder vergunning
van de Sociaal-Economische Raad. In plaats van de Raad kan een produkt-
of een hoofdbedrijfschap worden aangewezen.
2. Het in een vestigingsregeling vervatte verbod geldt niet ten
aanzien van de uitoefening van het aangewezen bedrijf in de
ondernemingen en inrichtingen, waarin dat bedrijf bij het in werking
treden van die regeling wordt uitgeoefend, echter voor wat die
inrichtingen betreft slechts zolang zij blijven behoren tot de
onderneming, waartoe zij bij het in werking treden van de regeling
behoorden.
3. De artikelen 4a en 4b zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 17
1. Een vestigingsregeling is gedurende een jaar van kracht;
deze termijn kan eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verlengd.
2. Zij houdt op van kracht te zijn, wanneer voor het betrokken
bedrijf een vestigingsbesluit in werking treedt.
Artikel 18
1. Onze Minister van Economische Zaken stelt, in
overeenstemming met Onze Minister, wie het mede aangaat, de
voorwaarden vast, waaraan voor het verkrijgen van een vergunning op
grond van een vestigingsregeling moet worden voldaan.
2. De vergunning kan onder beperkingen worden verleend; aan de
vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. In de vergunning kan
worden verklaard, dat op grond van de omstandigheden, uit hoofde waarvan
zij wordt verleend, artikel 27, eerste lid, te dezen niet van toepassing
dient te zijn.
3. Op een aanvrage om een dergelijke vergunning wordt binnen vier
maanden beslist.
4. De artikelen 5, 8, eerste lid, en 13 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 19
Bij het indienen van een aanvraag om een vergunning, een verklaring
van handelskennis of van vakbekwaamheid of een ontheffing moet een bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag worden betaald.
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-1964]
Artikel 20a
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
Artikel 21 [Vervallen per 01-01-1964]
Artikel 22
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden
gegeven ter bevordering van een goede uitvoering van deze wet.
Artikel 22a
1. Er is een openbaar register, waarin gegevens betreffende de
ingevolge deze wet verleende vergunningen en ontheffingen worden
opgenomen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent het register, de wijze waarop van de gegevens daarin kan worden
kennis genomen en de daarvoor verschuldigde vergoeding.
Artikel 23
Het is verboden ter zake van een aanvrage om een vergunning,
verklaring of ontheffing onjuiste of onvolledige gegevens te
verstrekken.
Artikel 24 [Vervallen per 30-06-1969]
Artikel 25
1. Aan hen, die bij het in werking treden
van een vestigingsbesluit bedrijfsleider of beheerder zijn van een
onderneming of inrichting, waarin het aangewezen bedrijf wordt
uitgeoefend, en die voldoen aan door Onze Minister van Economische Zaken
in overeenstemming met Onze Minister, wie het mede aangaat, voor
bedrijfsleiders of beheerders te stellen voorwaarden, wordt op hun
binnen vijf jaren ingediende aanvrage een verklaring van handelskennis
of vakbekwaamheid voor dat bedrijf afgegeven.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de uitoefening
van het aangewezen bedrijf bij het in werking treden van het
vestigingsbesluit plaats had onder een der in artikel 27, tweede lid,
genoemde omstandigheden.
3. Voor zoveel betreft aanvragen van bedrijfsleiders of van
beheerders, die van dezelfde onderneming tevens bedrijfsleider of die in
eigen onderneming werkzaam zijn, is het eerste lid niet van toepassing,
indien het feit, dat in de onderneming of inrichting bij het in werking
treden van het vestigingsbesluit het aangewezen bedrijf werd
uitgeoefend, uitsluitend kan worden gestaafd met een beroep op
handelingen, verricht in strijd met het bepaalde krachtens deze wet, de
Vestigingswet detailhandel of de Drank- en Horecawet.
Artikel 26
1. Het in een vestigingsbesluit vervatte verbod geldt gedurende
drie maanden na het in werking treden van het besluit niet ten aanzien
van de uitoefening van het aangewezen bedrijf in de ondernemingen en
inrichtingen, waarin dat bedrijf bij het in werking treden wordt
uitgeoefend, echter voor wat die inrichtingen betreft slechts zolang
zij blijven behoren tot de onderneming, waartoe zij bij het in werking
treden behoorden.
2. Indien voor zodanige onderneming of inrichting binnen die
termijn een vergunning of ontheffing is gevraagd, geldt het verbod ook
na afloop van die termijn niet, totdat de vergunning of ontheffing is
verleend, dan wel, indien deze is geweigerd, totdat sedert het tijdstip,
na hetwelk tegen de weigering geen beroep meer openstaat, twee maanden
zijn verlopen. Echter geldt het in de vorige volzin bepaalde voor een
inrichting slechts, zolang zij blijft behoren tot de onderneming,
waartoe zij bij het in werking treden van het vestigingsbesluit
behoorde.
3. Artikel 27, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27
1. Aan hen, die bij het in werking treden van een
vestigingsbesluit het aangewezen bedrijf al gedurende een
aaneengesloten termijn van tenminste 18 maanden uitoefenen, wordt op
hun aanvrage de vereiste vergunning verleend, indien de in de aanvrage
als bedrijfsleider van de betrokken onderneming en als beheerder van
de betrokken onderneming vermelde personen die hoedanigheid bij het in
werking treden van dat besluit al gedurende een aaneengesloten termijn
van tenminste 18 maanden bezaten en haar tot het tijdstip van de
aanvrage hebben behouden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien ten aanzien van
de uitoefening van het aangewezen bedrijf bij het in werking treden van
het vestigingsbesluit gold:
a. een voorlopige vergunning of een ontheffing;
b. een op grond van een vestigingsregeling verleende vergunning,
welke een verklaring bevat als bedoeld in de tweede volzin van artikel
18, tweede lid;
c. een op grond van een vestigingsregeling verleende vergunning,
waarin een persoon is vermeld als belast met de algemene leiding van
de onderneming of met de onmiddellijke leiding van de uitoefening van
het aangewezen bedrijf in de betrokken inrichting of onderneming, doch
die persoon bedoelde hoedanigheid bij het in werking treden van het
vestigingsbesluit niet langer bezit.
3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien het feit, dat
bij het in werking treden van het vestigingsbesluit het aangewezen
bedrijf werd uitgeoefend, uitsluitend kan worden gestaafd met een beroep
op handelingen, verricht in strijd met het bepaalde krachtens deze wet,
de Vestigingswet detailhandel of de Drank- en Horecawet.
4. Het eerste lid is niet meer van toepassing, indien de
uitoefening van het aangewezen bedrijf na het in werking treden van het
vestigingsbesluit gedurende een bij dat besluit te bepalen termijn,
anders dan wegens overmacht, ononderbroken gestaakt is geweest.
5. De vergunning wordt niet verleend dan nadat de naam van de
aanvrager gedurende een maand vermeld is geweest op een lijst, die ten
kantore van de betrokken Kamer van Koophandel en Fabrieken en, in
voorkomend geval, mede ten kantore van het in haar plaats aangewezen
lichaam ter inzage van een ieder is nedergelegd.
6. De artikelen 8, tweede en derde lid, en 10, eerste lid, onder a,
zijn niet van toepassing.
Artikel 27a
1. Artikel 25 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
hen, die eerst bij en als gevolg van het in werking treden van een
wijziging van een vestigingsbesluit zijn aan te merken als
bedrijfsleider of beheerder van een onderneming of inrichting, waarin
het aangewezen bedrijf wordt uitgeoefend, behoudens ingeval dat
artikel reeds te hunnen aanzien van toepassing is of is geweest.
2. Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing in de gevallen,
waarin een onderneming of inrichting eerst bij en als gevolg van het in
werking treden van een wijziging van een vestigingsbesluit is aan te
merken als onderneming of inrichting, waarin het aangewezen bedrijf
wordt uitgeoefend.
3. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
hen, wier onderneming of inrichting eerst bij en als gevolg van het in
werking treden van een wijziging van een vestigingsbesluit is aan te
merken als onderneming of inrichting, waarin het aangewezen bedrijf
wordt uitgeoefend.
Artikel 28
1. De artikelen 25, eerste lid, en 27, eerste lid, zijn niet
van toepassing, indien ten aanzien van de uitoefening van het
aangewezen bedrijf bij het in werking treden van het
vestigingsbesluit:
a. een voorlopige vergunning of een ontheffing gold, verleend
krachtens de Vestigingswet Kleinbedrijf 1937 (Stb. 619) of een
ontheffing, verleend krachtens een op grond van artikel 7 van het
Organisatiebesluit Voedselvoorziening 1941 (Verordeningenblad
69) vastgestelde regeling;
b. beperkingen of voorwaarden golden, welke zijn verbonden aan een
vergunning of erkenning, verleend krachtens een op grond van het onder
a genoemde besluit vastgestelde regeling of krachtens het in
artikel 32, vierde lid, genoemde besluit.
2. De artikelen 16, derde lid, 25, eerste lid, - voor zoveel
betreft aanvragen van bedrijfsleiders of van beheerders, die van
dezelfde onderneming tevens bedrijfsleider of die in eigen onderneming
werkzaam zijn - 26, eerste lid, en 27, eerste lid, zijn niet van
toepassing, indien het feit, dat in de onderneming of inrichting bij het
in werking treden van de vestigingsregeling of het vestigingsbesluit het
aangewezen bedrijf werd uitgeoefend, uitsluitend kan worden gestaafd met
een beroep op handelingen, verricht in strijd met een voorschrift,
gegeven bij of krachtens een regeling als in het eerste lid bedoeld.
3. De artikelen 25, eerste lid, 26, eerste lid, 27, eerste lid,
en 27a zijn niet van toepassing, indien het feit, dat in de
onderneming of inrichting bij het in werking treden van het
vestigingsbesluit of een wijziging daarvan het aangewezen bedrijf werd
uitgeoefend, uitsluitend kan worden gestaafd met een beroep op
handelingen als bedoeld in artikel 4a, derde lid.
Artikel 29
Ten aanzien van de vaststelling van een vestigingsbesluit voor een
bedrijf, waarvoor een krachtens de Vestigingswet Kleinbedrijf 1937
gegeven verbod van kracht is, blijft artikel 4, tweede lid, buiten
toepassing.
Artikel 30
Zolang het Organisatiebesluit Voedselvoorziening 1941 van kracht is,
kan bij de vaststelling van een vestigingsbesluit in plaats van de Kamer
van Koophandel en Fabrieken worden aangewezen een hoofdbedrijfschap of
een bedrijfschap, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van dat
Organisatiebesluit, ingesteld voor ondernemingen, waarin het betrokken
bedrijf wordt uitgeoefend.
Artikel 30a [Vervallen per 01-07-1994]
Artikel 31
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 32
1. De navolgende regelingen worden ingetrokken:
a. de Vestigingswet Kleinbedrijf 1937;
b. het Besluit Reëvacuatie-vestiging Kleinbedrijf 1945 (Stb.
F 257).
2. De navolgende regelingen van de Secretarissen-Generaal van de
Departementen van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en van Landbouw en
Visserij vervallen:
a. het Besluit Algemeen Vestigingsverbod Kleinbedrijf 1941 (Stct.
234);
b. de besluiten van 1 Juni 1942 (Stct. 103), van 20 December
1943 (Stct. 248), voor zover het bepaalde onder V betreft, en
van 27 Maart 1944 (Stct. 61), tot wijziging van het Besluit
Algemeen Vestigingsverbod Kleinbedrijf 1941;
c. het besluit van 1 December 1943 (Stct. 235), tot
wijziging van het Besluit Algemeen Vestigingsverbod Kleinbedrijf 1941
en tot afwijking van de Vestigingswet Kleinbedrijf 1937;
d. de beschikkingen van 6 Februari 1942 (Stct. 26) en van 1
December 1943 (Stct. 235), tot uitvoering van het Besluit
Algemeen Vestigingsverbod Kleinbedrijf 1941.
3. Het besluit van de Secretaris-Generaal van het Departement van
Handel, Nijverheid en Scheepvaart van 3 September 1942 (Stct.
171), betreffende vestiging als makelaar, vervalt.
4. Het besluit van de Secretarissen-Generaal van de Departementen
van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en van Financiën van 16 Februari
1944 (Stct. 44), betreffende het uitoefenen van het bedrijf van
tussenpersoon in onroerende goederen en dat van veilinghouder, alsmede
betreffende het houden van veilingen, vervalt.
Artikel 33
1. Ten aanzien van een bedrijf, waarvoor bij het in werking
treden van deze wet een krachtens de Vestigingswet Kleinbedrijf 1937
vastgestelde regeling geldt, blijft het bij en krachtens die wet
bepaalde zomede artikel II, eerste en tweede lid, van het in artikel
32, tweede lid, onder c, genoemde besluit en de Wet op de
economische delicten, met uitzondering van de daarin bij artikel 31
aangebrachte wijzigingen, van toepassing, totdat vorenbedoelde
regeling wordt ingetrokken. Voor de toepassing van de tweede volzin
van artikel 4a, tweede lid, wordt zodanig bedrijf met een
krachtens de onderhavige wet aangewezen bedrijf gelijkgesteld.
2. Ten aanzien van een bedrijf, waarvoor bij het in werking
treden van deze wet een der in artikel 32, derde en vierde lid, genoemde
besluiten geldt, blijft dit besluit van toepassing tot een door Ons te
bepalen tijdstip.
Artikel 34
1. De bevoegdheid van de organisaties, bedoeld in artikel 2,
tweede lid, van het Organisatiebesluit Voedselvoorziening 1941, tot
het vaststellen, op de voet van artikel 7 van genoemd besluit, van
verordeningen, waarbij de vestiging of uitbreiding van ondernemingen
afhankelijk wordt gesteld van het voldoen aan eisen van
kredietwaardigheid, handelskennis of vakbekwaamheid, vervalt,
behoudens ten aanzien van ondernemingen van landbouw en visserij.
2. Zodanige, bij het in werking treden van deze wet geldende,
verordening kan evenwel op de voet van het bepaalde bij of krachtens het
Organisatiebesluit Voedselvoorziening 1941 worden gewijzigd of
ingetrokken.
3. Een verordening, als bedoeld in het tweede lid, vervalt,
behoudens ten aanzien van de begane strafbare feiten, bij het in werking
treden van een vestigingsbesluit, voor zover zij betrekking heeft op het
bij dat besluit aangewezen bedrijf.
Artikel 35
Wanneer ten aanzien van een bedrijf een vestigingsbesluit of een
vestigingsregeling van kracht is geworden, zijn de Provinciale Staten en
de gemeenteraad niet bevoegd regelen te stellen, waarbij de uitoefening
van dat bedrijf afhankelijk wordt gesteld van het voldoen aan eisen van
kredietwaardigheid, handelskennis of vakbekwaamheid.
Artikel 36
Deze wet kan worden aangehaald als "Vestigingswet
Bedrijven", met vermelding van het jaar harer totstandkoming.
Artikel 37
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize
Soestdijk, 25 Februari 1954
JULIANA
De Minister van Economische Zaken,
J. Zijlstra
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
G.M.J. Veldkamp
De Minister van Financiën,
Van de Kieft
De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting,
H. Witte
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J. Algera
De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening,
Mansholt
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
J.G. Suurhoff
Uitgegeven de drie en twintigste Maart 1954
De Minister van Justitie,
L.A. Donker
|