Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsbesluit artikel 15,
tweede lid, Vorderingswet 1962
WET van 12 december 1962, houdende een
regeling betreffende het vorderen van zaken door de landsoverheid
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
nieuwe regeling vast te stellen betreffende het vorderen van zaken door
de landsoverheid;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1.Voor de toepassing van het bij en krachtens deze wet bepaalde worden
onder zaken verstaan de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke
objecten.
2.Met betrekking tot vermogensrechten kan in dezelfde gevallen een
vordering plaats vinden als met betrekking tot zaken. Voor zover geen
andere regels zijn gegeven, is het bij en krachtens deze wet met
betrekking tot zaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.
3.Op grond van het bij en krachtens deze wet bepaalde is geen vordering
toegelaten van enig recht dat betrekking heeft op
a. alle vaartuigen, hoe ook genaamd en van welke aard ook, welke geheel
of in hoofdzaak tot de vaart ter zee zijn bestemd;
b. effecten, betaalmiddelen, geldswaardige papieren, goud, vorderingen
en documenten waarin zodanige vorderingen zijn belichaamd, ten aanzien
waarvan het bepaalde bij of krachtens de Wet financiële betrekkingen
buitenland 1994 van toepassing is.
Artikel 2
De toepasselijkheid van deze wet wordt beperkt door de in het
volkenrecht erkende uitzonderingen.
Artikel 3
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, artikel 3 a in werking worden
gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het
voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde
bepaling.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld,
onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President,
wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld,
buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel
toelaten.
5.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de
daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na
de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 3a
Al Onze Ministers zijn bevoegd, indien dit noodzakelijk is met het oog
op de behartiging van belangen van tot hun zorg behorende
aangelegenheden, ten behoeve van de Staat, andere lichamen of personen
het eigendomsrecht op of een recht tot gebruik van zaken te vorderen.
Artikel 4
De bekendmaking van een beschikking waarbij een Onzer Ministers
machtiging verleent namens hem vorderingsbeschikkingen te ondertekenen,
geschiedt door toezending of uitreiking aan de gemachtigde dan wel door
plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 5
1.Onze Ministers gaan niet tot vordering over dan in overeenstemming met
Onze Minister van Economische Zaken.
2.Alvorens een beslissing omtrent vorderingen te nemen pleegt Onze
Minister van Economische Zaken overleg met Onze Ministers, tot wier zorg
belangen, die door de vorderingen kunnen worden geraakt, behoren, tenzij
de vereiste spoed dit niet toelaat.
Artikel 6
In vorderingsbeschikkingen kan aan daarbij aangewezen personen de
verplichting worden opgelegd, om, voor zover hun dat feitelijk en
rechtens mogelijk is, op de daarbij aangegeven plaats en tijd aan
degene, te wiens behoeve de vordering geschiedt, de feitelijke
mogelijkheid tot uitoefening van het gevorderde recht te verschaffen.
Artikel 7
In beschikkingen tot vordering van een recht tot gebruik van een zaak
wordt de inhoud van dat recht omschreven.
Artikel 8
1.Ingeval de vorderingsbeschikking door een gemachtigde is ondertekend,
vermeldt zij de naam en de functie van de ondertekenaar alsmede de
beschikking, waarbij de machtiging is verleend.
2.Het niet inachtnemen van het eerste lid brengt nietigheid van de
beschikking mede indien op deze nietigheid binnen één maand nadat de
vordering is gedaan, een beroep wordt gedaan. Zodanig beroep kan niet
worden gedaan door de Staat, noch door degene, te wiens behoeve de
vordering is geschied.
Artikel 9
1.De bekendmaking van een vorderingsbeschikking geschiedt door
toezending of uitreiking:
a. aan de eigenaar, de beperkt gerechtigde, de pachter, de huurder, de
huurkoper en degene die beslag heeft gelegd, voor zover zij bekend zijn;
b. bij toepassing van artikel 6 aan ieder der krachtens dat artikel
aangewezen personen;
c. aan degene, in wiens feitelijke macht de zaak wordt aangetroffen.
2.Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van
de vorderingsbeschikking door middel van toezending of uitreiking van
een exemplaar daarvan mededeling gedaan:
a. indien de vordering ten behoeve van een ander dan de Staat geschiedt,
aan deze ander;
b. aan de burgemeester der gemeente, waar de zaak wordt aangetroffen.
3.Ingeval van vordering van het eigendomsrecht op of een recht tot
gebruik van tot een zelfde groep behorende zaken, die bij verscheidene
personen aanwezig zijn, kunnen de bekendmaking en de mededeling
overeenkomstig het eerste en tweede lid worden vervangen door een
algemene bekendmaking de beschikking. De beschikking wordt dan tevens zo
spoedig mogelijk in de Staatscourant geplaatst.
4.Van vorderingsbeschikkingen, die niet door Onze Minister van
Economische Zaken zijn vastgesteld, wordt aan deze afschrift gezonden.
Artikel 10
1. Onze Minister die een vordering heeft gedaan, is bevoegd tot
oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de
vordering.
2. Een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het
binnentreden kan worden gegeven door Onze Minister die de vordering
heeft gedaan.
Artikel 11
1.Ingeval het eigendomsrecht op een zaak is gevorderd, gaat dit op
degene, te wiens behoeve de vordering is geschied, over op het tijdstip,
waarop hij de feitelijke mogelijkheid tot uitoefening van dat recht
verkrijgt, of, zo hij deze reeds heeft, op het voor dat geval in de
vorderingsbeschikking te bepalen tijdstip.
2.De in artikel 60 der Onteigeningswet (Stb. 1851, 125) bedoelde lasten
en belastingen, waarmede de zaak is bezwaard, gaan bij de
eigendomsovergang over op degene, te wiens behoeve de vordering is
geschied. Overigens gaat de eigendom over, vrij van alle met betrekking
tot de zaak bestaande lasten en rechten, tenzij in de
vorderingsbeschikking anders is bepaald.
Artikel 12
Ingeval een recht tot gebruik van een zaak is gevorderd, ontstaat dit
recht voor degene, te wiens behoeve de vordering is geschied, op het
tijdstip, waarop hij de feitelijke mogelijkheid tot uitoefening van dat
recht verkrijgt, of, zo hij deze reeds heeft, op het voor dat geval in
de vorderingsbeschikking te bepalen tijdstip.
Artikel 13
1.Zodra als gevolg van een vordering het eigendomsrecht is overgegaan of
een recht tot gebruik is ontstaan, wordt daarvan door Onze Minister, die
de vordering heeft gedaan, zo spoedig mogelijk een bewijsstuk opgemaakt.
2.Het bewijsstuk verwijst naar de vorderingsbeschikking en bevat zo
nodig de gegevens vereist met betrekking tot de inschrijving van stukken
in de betrokken openbare registers, voor zover deze niet in de
beschikking staan. Indien de feitelijke mogelijkheid tot uitoefening van
het gevorderde recht is verschaft met toepassing van artikel 10, wordt
hiervan in het bewijsstuk melding gemaakt.
3.Een exemplaar van het bewijsstuk, mede ondertekend door degene, te
wiens behoeve de vordering is geschied, wordt, zo mogelijk, verstrekt
aan ieder dergenen, aan wie een exemplaar van de vorderingsbeschikking
is verstrekt. Van bewijsstukken, die niet door Onze Minister van
Economische Zaken zijn opgemaakt, wordt aan deze afschrift gezonden.
Artikel 14
1.Ingeval een registergoed of een recht waarvan de overdracht slechts na
inschrijving in openbare registers tegen derden werkt, is gevorderd,
doet Onze Minister, die de vordering heeft gedaan, de
vorderingsbeschikking en het krachtens artikel 13 opgemaakte bewijsstuk
zo spoedig mogelijk in de betrokken openbare registers inschrijven.
2.Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet
van toepassing.
Artikel 15
1.Degene te wiens behoeve de vordering is geschied, is gehouden de
eigenaar, de beperkt gerechtigde, de pachter, de huurder, de huurkoper
en de beslaglegger voor zover zij schade lijden, schadeloos te stellen.
Het recht op schadeloosstelling van de pand- of hypotheekhouder en van
de beslaglegger wordt echter uitgeoefend overeenkomstig de hun in
artikel 229 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 455a
en 507a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toegekende
rechten.
2.De schadeloosstelling wordt, ingeval het eigendomsrecht op een zaak is
gevorderd, vastgesteld met overeenkomstige toepassing, voor zover uit
deze wet niet anders voortvloeit, van de artikelen 40-45 van de
Onteigeningswet en, ingeval het een roerende zaak betreft, tevens
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur daaromtrent te stellen
aanvullende regelen. Zij wordt, ingeval een recht tot gebruik van een
zaak is gevorderd, vastgesteld overeenkomstig bij zodanige maatregel
daaromtrent te stellen regelen.
3.De Staat is voor de betaling van de schadeloosstelling mede
aansprakelijk.
Artikel 16
1.Het bedrag van de aan iedere rechthebbende te betalen
schadeloosstelling wordt, zo mogelijk, door Onze Minister, die de
vordering heeft gedaan, degene, te wiens behoeve de vordering is
geschied, en de rechthebbende in onderling overleg vastgesteld.
2.Nadat overeenstemming is bereikt, wordt een bewijsstuk, waarin het
overeengekomene wordt vastgelegd, opgemaakt en door degenen, die aan het
overleg hebben deelgenomen, ondertekend. Van dit bewijsstuk ontvangt elk
een exemplaar.
Artikel 17
1.De vaststelling van het bedrag van de schadeloosstelling, te betalen
aan rechthebbenden met wie daarover geen overeenstemming is bereikt of
die niet aan het overleg hebben deelgenomen, geschiedt:
a. zo het betreft vordering van het eigendomsrecht op een onroerende
zaak, of van een beperkt recht waaraan een zodanige zaak is onderworpen,
telkens ongeacht of zij zijn gevorderd tezamen met andere zich daarop
bevindende of daarbij behorende zaken, door de rechtbank, binnen wier
rechtsgebied de betrokken onroerende zaak is gelegen;
b. in andere gevallen door de kantonrechter, binnen wiens rechtsgebied
de betrokken onroerende zaak is gelegen, dan wel de betrokken roerende
zaak is aangetroffen of, zo de vordering niet op enige zaak betrekking
heeft, door de kantonrechter van de woonplaats van degene te wiens
behoeve de vordering is geschied.
2.Indien de betrokken onroerende zaak in het rechtsgebied van meer dan
één rechtbank of kantonrechter is gelegen, geschiedt de vaststelling
van het bedrag van de schadeloosstelling door een dier rechtbanken of
kantonrechters, ter keuze van de meest gerede partij.
Artikel 18
1.Het bedrag van de in artikel 17 bedoelde schadeloosstelling wordt door
de rechter vastgesteld op verzoek van de rechthebbende, van degene, te
wiens behoeve de vordering is geschied of van Onze Minister, die de
vordering heeft gedaan. Het geding wordt door de verzoeker aanhangig
gemaakt bij een in drievoud ingediend verzoekschrift, waarin de namen en
adressen van de overige in dit lid bedoelde partijen zijn vermeld,
alsmede het bedrag van de schadeloosstelling, waarvan vaststelling wordt
verlangd.
2.Indien het verzoekschrift aan de kantonrechter is gericht, bepaalt
deze de dag en het uur waarop de zaak ter terechtzitting zal dienen;
indien het aan de rechtbank is gericht, bepaalt de rechtbank de dag
waarop de zaak ter rolle zal worden uitgeroepen. Bedoelde dag zal niet
later mogen worden gesteld dan drie weken na die, waarop het
verzoekschrift ter griffie is ontvangen.
3.De griffier geeft bij aangetekende brief van deze dagbepaling kennis
aan de verzoeker en aan de overige partijen. Tussen de dag, waarop deze
kennisgeving is verzonden en de in het tweede lid bedoelde dag moeten
tenminste veertien dagen verlopen. Bij de kennisgeving aan de overige
partijen wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd.
4.De in het derde lid bedoelde kennisgeving heeft ten opzichte van
partijen de kracht van een dagvaarding.
5.Tegen het vonnis is uitsluitend beroep in cassatie toegelaten.
6.De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn op
het geding van toepassing voor zover daarvan bij deze wet niet is
afgeweken.
Artikel 19
1.Degene, die als gevolg van een vordering het eigendomsrecht op een
zaak of een beperkt recht, waaraan een zaak is onderworpen, heeft
verkregen, mag die zaak of dat recht, zo de betrokken zaak onroerend is,
binnen tien en anders binnen drie jaren daarna niet vervreemden alvorens
die zaak of dat recht aan degene, die deze zaak of dat recht door de
vordering heeft verloren, te koop te hebben aangeboden tegen een prijs,
te bepalen in onderling overleg, dan wel bij gebreke van overeenstemming
door de in artikel 17 bedoelde rechter.
2.Niet inachtneming van het eerste lid tast de geldigheid van de
vervreemding niet aan.
3.Indien bij een vorderingsbeschikking is vermeld, dat de vordering mede
beoogt degene, te wiens behoeve gevorderd wordt, in de gelegenheid te
stellen de zaak of het recht te vervreemden, is het eerste lid niet van
toepassing.
Artikel 20
1.Onze Minister, wie het rechtstreeks aangaat, kan een als gevolg van
een vordering ontstaan recht tot gebruik van een zaak, waarvan de duur
in de vorderingsbeschikking niet aan een termijn is gebonden, met een
termijn van zes maanden beëindigen.
2.Hij kan een als gevolg van een vordering ontstaan recht tot gebruik
van een zaak zonder inachtneming van enige termijn beëindigen, indien
gebleken is, dat degene, voor wie het recht is ontstaan, en de eigenaar
van de zaak daartegen geen bedenkingen hebben.
3.De artikelen 4 en 8 zijn van overeenkomstige toepassing.
4.De bekendmaking van de beschikking geschiedt door toezending of
uitreiking aan degene wiens recht wordt beëindigd; tegelijkertijd of zo
spoedig mogelijk daarna wordt van de beschikking door middel van
toezending of uitreiking mededeling gedaan aan de eigenaar van de zaak.
Artikel 21
Een als gevolg van een vordering ontstaan recht tot gebruik van een
zaak, dat nog bestaat bij het vervallen van de bevoegdheid, krachtens
welke die vordering is gedaan, blijft bestaan tot zes maanden nadat
vorenbedoelde bevoegdheid is vervallen, tenzij het eerder een einde
neemt door het verstrijken van de termijn, waaraan zijn duur in de
vorderingsbeschikking was gebonden of als gevolg van toepassing van
artikel 20.
Artikel 22
1. In alle gevallen, waarin een recht tot gebruik van een zaak is
geëindigd, is degene, voor wie dat recht als gevolg van de vordering
was ontstaan, verplicht aan de eigenaar van de zaak onverwijld de
feitelijke mogelijkheid tot uitoefening van het recht te verschaffen.
2. Onze Minister die het rechtstreeks aangaat is bevoegd tot oplegging
van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het eerste lid.
Artikel 23
1. Zolang niet een krachtens artikel 3, eerste lid, vastgesteld besluit
in werking is, kan bij koninklijk besluit aan Onze Minister van Defensie
de bevoegdheid worden verleend in het belang van de uitvoering van de
militaire taak, ten behoeve van de Staat of van andere met de
behartiging van openbare belangen belaste lichamen het eigendomsrecht op
of een recht tot gebruik van een of meer bij Ons besluit aangewezen
onroerende zaken te vorderen.
2. Zolang niet een krachtens artikel 3, eerste lid, vastgesteld besluit
in werking is, kan bij koninklijk besluit aan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken de bevoegdheid worden verleend in het belang van de
bestrijding van rampen en zware ongevallen in buitengewone
omstandigheden als bedoeld in paragraaf 12 van de Wet veiligheidsregio’s,
van de beperking van de onmiddellijke gevolgen daarvan, ten behoeve van
de Staat of van andere met de behartiging van openbare belangen belaste
lichamen het eigendomsrecht op of een recht tot gebruik van een of meer
bij Ons besluit aangewezen onroerende zaken te vorderen.
3. Wij nemen Ons besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid, de
Raad van State gehoord.
4. De voordracht tot vaststelling van een besluit krachtens het eerste
lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Defensie, tezamen met Onze
Minister van Economische Zaken, en de voordracht tot vaststelling van
een besluit krachtens het tweede lid wordt Ons gedaan door Onze Minister
van Binnenlandse Zaken, tezamen met Onze Minister van Economische Zaken.
Onze Minister van Economische Zaken pleegt, alvorens de voordracht mede
te ondertekenen, overleg met Onze Ministers, tot wier zorg belangen, die
door de vordering kunnen worden geraakt, behoren.
5. De voordracht wordt niet gedaan dan nadat gebleken is, dat de nodige
beschikking over de onroerende zaak niet of niet tijdig bij minnelijke
overeenkomst verkregen kan worden.
6. Een krachtens het eerste of tweede lid verleende bevoegdheid vervalt
een maand na het in werking treden van Ons besluit, waarbij zij is
verleend.
7. De vorderingsbeschikking vermeldt het koninklijk besluit, waarbij de
bevoegdheid tot het doen der vordering is verleend.
8. De artikelen 4, 7, 8, 9, eerste en derde lid, 15-20 en 22 zijn van
toepassing.
9. Met betrekking tot het bepaalde in de artikelen 23-27 blijft artikel
1, tweede lid, buiten toepassing.
Artikel 24
In krachtens artikel 23 vastgestelde vorderingsbeschikkingen kan aan
daarbij aangewezen personen de verplichting worden opgelegd, om, voor
zover hun dat feitelijk en rechtens mogelijk is, op het tijdstip, waarop
het gevorderde recht op de zaak zal overgaan of ontstaan, aan degene, te
wiens behoeve de vordering geschiedt, de feitelijke mogelijkheid tot
uitoefening van dat recht te verschaffen.
Artikel 25
1.In geval krachtens artikel 23 het eigendomsrecht op een onroerende
zaak is gevorderd, doet Onze Minister, die de vordering heeft gedaan, de
beschikking zo spoedig mogelijk inschrijven in de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Door de inschrijving van de beschikking gaat het eigendomsrecht op de
zaak over op degene, te wiens behoeve de vordering is geschied. Artikel
11, tweede lid, is van toepassing.
Artikel 26
Ingeval krachtens artikel 23 een recht tot gebruik van een onroerende
zaak is gevorderd, ontstaat dit recht voor degene, te wiens behoeve de
vordering is geschied, op het daarvoor in de vorderingsbeschikking te
bepalen tijdstip.
Artikel 27
1. Onze Minister die krachtens artikel 23 een vordering heeft gedaan, is
bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving
van de vordering.
2. Een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het
binnentreden kan worden gegeven door Onze Minister die de vordering
krachtens artikel 23 heeft gedaan.
Artikel 28
[Dit artikel is niet gepubliceerd.]
Artikel 29
1.Onze Ministers, aan wie krachtens artikel 3 of 23
vorderingsbevoegdheid is verleend, kunnen van een ieder inlichtingen en
inzage van zakelijke gegevens en bescheiden vorderen, voor zover zij die
voor een goede uitvoering van deze wet nodig achten.
2.Zij kunnen de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde
bevoegdheden, opdragen aan daartoe schriftelijk door hen aangewezen
personen.
3.De artikelen 5:12., 5:13, 5:15 en 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in
het tweede lid bedoelde personen.
4.Zo nodig oefenen die personen de in het eerste lid genoemde
bevoegdheid uit met behulp van de sterke arm.
Artikel 31
1.Een bij of krachtens deze wet opgelegde verplichting vervalt van
rechtswege voorzover het voldoen hieraan zou meebrengen dat niet kan
worden voldaan aan een verplichting die voortvloeit uit de uitoefening
van buitengewone bevoegdheden ten behoeve van de uitvoering van de
militaire taak.
2.Een bij of krachtens deze wet opgelegde verplichting die niet
voortvloeit uit de uitoefening van buitengewone bevoegdheden ten behoeve
van de uitvoering van de militaire taak, vervalt eveneens van rechtswege
voorzover het voldoen hieraan zou meebrengen dat niet kan worden voldaan
aan een verplichting die bij of krachtens deze of een andere wet is
opgelegd in het belang van de bestrijding van een ramp, een zwaar
ongeval of van een verstoring van de openbare orde of van ernstige vrees
voor het ontstaan daarvan.
Artikel 32
1.Hij die opzettelijk niet voldoet aan een hem bij of krachtens artikel
6, 22 of 24 opgelegde verplichting, dan wel opzettelijk bewerkt, dat aan
zodanige, een ander opgelegde verplichting niet wordt voldaan, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van
de vierde categorie.
2.Hij aan wiens schuld te wijten is, dat aan een verplichting als in het
vorige lid bedoeld niet wordt voldaan, wordt gestraft met hechtenis van
ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
3.Hij die de krachtens artikel 29 van hem verlangde inlichtingen niet,
niet volledig of niet naar waarheid verstrekt of niet inzage verleent
van de zakelijke gegevens en bescheiden, waarvan krachtens dat artikel
inzage is gevorderd, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een
jaar of geldboete van de derde categorie.
4.De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven, de in
het tweede en derde lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 33
1.Met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn,
onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de
door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze andere
Ministers, wie het aangaat, daartoe aangewezen ambtenaren. Deze
ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van feiten, strafbaar
gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van
Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel,
vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2.De artikelen 5:13, 5:15 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in het eerste lid
bedoelde ambtenaren.
3.De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd bij het opsporen
van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten, met medeneming van de
benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van
de bewoner.
4.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan
door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 34 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 35
1. De Algemene Vorderingswet 1939 (Stb. 631) en de Algemene
Vorderingsregeling 1944 (Stb. E 140) worden ingetrokken.
2. [Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
3. Het Algemeen Vorderingsbesluit 1940 (Verordeningenblad 110) vervalt.
Artikel 36
Ten aanzien van op grond van de Algemene Vorderingswet 1939 en het
Algemeen Vorderingsbesluit 1940 gedane vorderingen blijft het bij en
krachtens de artikelen 10 en 11 van die wet onderscheidenlijk de
artikelen 9, 10 en 11 van dat besluit bepaalde van toepassing, behoudens
dat met overeenkomstige toepassing van artikel 17 van deze wet de
rechter in de plaats treedt van de krachtens die regelingen ingestelde
commissies.
Artikel 37
1. Een recht tot gebruik van een zaak of vermogensrecht, ontstaan als
gevolg van een op grond van de Algemene Vorderingswet 1939 of het
Algemeen Vorderingsbesluit 1940 gedane vordering en nog bestaande bij
het in werking treden van deze wet, blijft bestaan tot het tijdstip,
waarop het krachtens de wettelijke regeling, op grond waarvan de
vordering is gedaan, een einde zou hebben genomen, of, indien geen
zodanig tijdstip is bepaald, tot zes maanden na het in werking treden
van deze wet. Onze Minister, wie het rechtstreeks aangaat, kan
laatstbedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes maanden verlengen.
2. Artikel 22 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 38
Deze wet wordt aangehaald als: Vorderingswet.
Artikel 39
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 12 december 1962.
JULIANA
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
J. de Quay
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
F.J.W. Gijzels
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E.H. Toxopeus
De Minister van Defensie,
S.H. Visser
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
De Minister van Financiën,
J. Zijlstra
Uitgegeven de negenentwintigste januari 1963
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|