| |
|
|
|
|
vorige
VREEMDELINGENWET
2000 (Vw 2000)
Tekst zoals deze geldt op
16 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit
inburgering
- Besluit videoconferentie
- Reglement regime grenslogies
- Voorschrift Vreemdelingen 2000
- Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000)
WET van 23 november 2000 tot algehele
herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
bestaande wetgeving betreffende de toelating en uitzetting van
vreemdelingen, het toezicht op vreemdelingen die in Nederland verblijf
houden, en de grensbewaking, te herzien en daartoe een nieuwe
Vreemdelingenwet vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. ambtenaren belast met de grensbewaking: de ambtenaren, bedoeld
in artikel 46;
b. ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen: de
ambtenaren, bedoeld in artikel 47;
c. asiel: het verblijf van de vreemdeling in Nederland op de
gronden, bedoeld in de artikelen 29 en 34;
d. buitengrenzen: de Nederlandse zeegrenzen, alsmede lucht- of
zeehavens waar grenscontrole op personen wordt uitgeoefend;
e. gemeenschapsonderdanen:
1°. onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op
grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te
verblijven;
2°. familieleden van de onder 1° genoemden die de
nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van
een ter toepassing van het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap genomen besluit gerechtigd zijn een
lidstaat binnen te komen en er te verblijven;
3°. onderdanen van een staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2
mei 1992, die ter zake van binnenkomst en verblijf in een
lidstaat rechten genieten die gelijk zijn aan die van burgers
van de lidstaten van de Europese Unie;
4°. familieleden van de onder 3° genoemden die de
nationaliteit van een derde staat bezitten en die krachtens
bovengenoemde Overeenkomst gerechtigd zijn een lidstaat binnen
te komen en er te verblijven;
5°. onderdanen van de Zwitserse Bondsstaat, indien zij
verblijven op grond van de op 21 juni 1999 te Luxemburg
totstandgekomen Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en
haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat,
anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16
en 86);
6°. familieleden van de onder 5° genoemden die de
nationaliteit van een derde staat bezitten en die krachtens de
onder 5° genoemde Overeenkomst gerechtigd zijn een lidstaat
binnen te komen en er te verblijven;
f. herhaalde aanvraag: een aanvraag, die op grond van artikel
4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden
afgewezen;
g. de korpschef: de korpschef, bedoeld in artikel 24 van de
Politiewet 1993;
h. machtiging tot voorlopig verblijf: het bij een Nederlandse
diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van
herkomst, het land van bestendig verblijf of, bij gebreke daarvan,
het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is
gevestigd, dan wel bij het Kabinet van de Gouverneur van de
Nederlandse Antillen of het Kabinet van de Gouverneur van Aruba
aldaar, door de vreemdeling in persoon aangevraagde en aldaar door
die vertegenwoordiging of dat Kabinet na voorafgaande machtiging van
Onze Minister van Buitenlandse Zaken afgegeven visum voor een
verblijf van langer dan drie maanden;
i. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
j. verblijf op reguliere gronden: het verblijf van een
vreemdeling in Nederland op grond van deze wet anders dan op de
gronden bedoeld in de artikelen 29 en 34;
k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951
betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het
bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76);
l. verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de
zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van
toepassing zijn;
m. vreemdeling: ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit
en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet
worden behandeld;
n. richtlijn tijdelijke bescherming: richtlijn nr. 2001/55/EG van
de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen
van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van
ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen
de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de
consequentie van de opvang van deze personen (PbEG L 212);
o. tijdelijke bescherming: rechtmatig verblijf in de zin van
artikel 8, onder f of h, van de vreemdeling wiens uitzetting in
verband met een aanvraag als bedoeld inartikel 28 op grond van de
richtlijn tijdelijke bescherming achterwege blijft;
p. langdurig ingezetene: houder van een verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd als bedoeld inartikel 20, verleend ter uitvoering
van artikel 8, tweede lid, van derichtlijn nr. 2003/109/EG van de
Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status
van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004,
L16), dan wel van een door een andere staat die partij is bij het
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap afgegeven
EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen;
q. richtlijn asielprocedures: Richtlijn nr. 2005/85/EG van de
Raad van de Europese Unie van 1 december 2005 betreffende
minimumnormen voor de procedures in lidstaten voor de toekenning of
intrekking van de vluchtelingenstatus (PbEU L 326);
r. Schengengrenscode: Verordening (EG) nr. 562/2006 van het
Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van
een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen
door personen (Schengengrenscode) (PbEU L 105);
s. terugkeerbesluit: het terugkeerbesluit, bedoeld in artikel 3,
punt 4, van de richtlijn nr. 2008/115/EG van het Europees Parlement
en de Raad van 16 december 2008 over de gemeenschappelijke normen en
procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van
derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PbEU L
348/98);
t. inreisverbod: het inreisverbod, bedoeld in artikel 3, punt 6,
van de richtlijn, bedoeld onder s.
Artikel 2
1. Er is een Adviescommissie voor vreemdelingenzaken.
2. De commissie bestaat uit ten minste zeven leden. Ambtenaren die
werkzaam zijn bij een ministerie of een daaronder ressorterende
instelling, dienst of bedrijf, dan wel anderszins werkzaamheden
verrichten in ondergeschiktheid aan Onze Ministers, worden niet tot
lid benoemd.
3. Als voorzitter wordt bij voorkeur een rechterlijk ambtenaar met
rechtspraak belast benoemd.
4. De commissie heeft tot taak Onze Minister te adviseren over het
vreemdelingenrecht en het beleid ter zake, waaronder begrepen
wijzigingen van deze wet.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
inrichting en de werkwijze van de commissie.
6. De commissie is bevoegd bij een ieder schriftelijk of mondeling
de inlichtingen in te winnen welke zij voor de vervulling van haar
taak nodig acht.
Hoofdstuk 2. Toegang
Artikel 3
1. In andere dan de in de Schengengrenscode geregelde gevallen,
wordt toegang tot Nederland geweigerd aan de vreemdeling die:
a. niet in het bezit is van een geldig document voor
grensoverschrijding, dan wel in het bezit is van een document voor
grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt;
b. een gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale
veiligheid;
c. niet beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel
in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis
naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is,
of
d. niet voldoet aan de voorwaarden die bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur zijn gesteld.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld over de weigering van toegang op grond van deze wet of ter
uitvoering van de Schengengrenscode.
3. De ambtenaren belast met de grensbewaking weigeren niet dan
ingevolge een bijzondere aanwijzing van Onze Minister de toegang aan
de vreemdeling die te kennen geeft dat hij asiel wenst.
Artikel 4
1. De vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling aan een
buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht,
neemt de nodige maatregelen en houdt het toezicht dat redelijkerwijs
van hem kan worden gevorderd om te voorkomen dat door de vreemdeling
niet wordt voldaan aan artikel 5, eerste lid, onder a, van de
Schengengrenscode of aanartikel 3, eerste lid, onder a, van deze wet.
2. De vervoerder kan worden verplicht om een afschrift te nemen van
het op de vreemdeling betrekking hebbende document voor
grensoverschrijding en dit ter hand te stellen aan de ambtenaren
belast met de grensbewaking.
3. De vervoerder, bedoeld in het eerste lid, kan ten behoeve van de
grensbewaking en het tegengaan van illegale immigratie worden
verplicht passagiersgegevens te verzamelen en te verstrekken aan de
ambtenaren belast met de grensbewaking.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met het
derde lid.
5. Het eerste tot en met het derde lid zijn ook van toepassing op
iedere vervoerder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan
schending van de in die leden bedoelde verplichtingen.
Artikel 5
1. De vreemdeling aan wie toegang is geweigerd, dient Nederland
onmiddellijk te verlaten, met inachtneming van de aanwijzingen welke
hem daartoe door een ambtenaar belast met de grensbewaking, zijn
gegeven.
2. Indien de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, Nederland is
binnengekomen aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig in gebruik
bij een vervoersonderneming, dient hij Nederland onmiddellijk te
verlaten met dat vervoer of een hem door een ambtenaar belast met de
grensbewaking aangewezen vervoermiddel.
3. De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden
niet indien de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28 of 33 heeft
ingediend en daarop nog niet is beslist.
Artikel 6
1. De vreemdeling aan wie toegang is geweigerd kan worden verplicht
zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking
aangewezen ruimte of plaats.
2. Een ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, kan worden
beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot het voor de beveiligde ruimte of
plaats, bedoeld in het eerste lid, geldende regime, waaronder begrepen
de nodige beheersmaatregelen. Hoofdstuk 9 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing.
4. Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van
bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij
treedt in werking op een tijdstip dat, nadat vier weken na de
overlegging zijn verstreken, bij koninklijk besluit wordt vastgesteld,
tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten
minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der
kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt
geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo
spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt
ingetrokken of indien een van beide kamers van de Staten-Generaal
besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel
van bestuur ingetrokken.
Artikel 7
Indien de vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd, op grond van
de Schengengrenscode, enig wettelijk voorschrift dan wel een voor
Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie zijn
vrijheid is ontnomen, blijft de toegang geweigerd.
Hoofdstuk 3. Verblijf
Afdeling 1. Rechtmatig verblijf
Artikel 8
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als
bedoeld in artikel 14;
b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als
bedoeld in artikel 20;
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als
bedoeld in artikel 28;
d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als
bedoeld in artikel 33;
e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt
op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van
de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte;
f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het
verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en
28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een
rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient
te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het
verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20 en
33, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de
verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een
wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van
een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege
dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een
beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een
rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient
te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is
beslist;
i. gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het
verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is
toegestaan;
j. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in
artikel 64;
k. gedurende de periode waarin de vreemdeling door Onze Minister
in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van
artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht;
l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het
Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
m. in afwachting van de indiening van een aanvraag tot het
verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28, voor
zover die vreemdeling overeenkomstig bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels te kennen heeft gegeven die
aanvraag in te willen dienen en bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur daartoe een termijn is gesteld.
Artikel 9
1. Onze Minister verschaft aan de vreemdeling, die rechtmatig
verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met d, f tot en
met h en j tot en met l, en aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf
heeft op grond vanartikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als
bedoeld in artikel 1, onder e, sub 2°, 4° en 6°, een document of
schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.
2. Onze Minister verschaft aan de vreemdeling die rechtmatig
verblijf heeft op grond vanartikel 8, onder e, en
gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, onder e, sub 1°,
3° en 5° een document, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt,
indien de vreemdeling het duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als
bedoeld in artikel 16 van Richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij
verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers
van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG)
1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG,
72/194/EEG,73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en
93/96/EEG(PbEU L 158).
3. Onze Minister verschaft desgevraagd een dergelijk document of
schriftelijke verklaring aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf
heeft op grond van artikel 8, onder i.
4. Bij de aanvraag van een beschikking anders dan op grond van deze
wet legt de vreemdeling desgevraagd een kopie van het document of de
schriftelijke verklaring over, dat wordt aangemerkt als een bescheid
als bedoeld in artikel 4:3, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht.
5. Onze Minister wijst bij ministeriële regeling de bescheiden,
bedoeld in het eerste tot en met derde lid, aan en kan modellen
vaststellen voor de documenten en de schriftelijke verklaring.
Artikel 9a
In afwijking van artikel 9, tweede lid, verschaft Onze Minister aan
de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8,
onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, onder e,
sub 1°, 3° en 5°, op aanvraag een bewijs van rechtmatig verblijf
voordat de vreemdeling het duurzame verblijfsrecht heeft verkregen,
indien de vreemdeling de nationaliteit heeft van een lidstaat ten
aanzien waarvan Nederland de toepassing van de artikelen 1 tot en met 6
van Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van
werknemers binnen de Gemeenschap (PbEG L 257) heeft opgeschort.
Artikel 10
1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, kan geen
aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en
uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. De
eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de bij de wet of
algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of
vergunningen.
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien de aanspraak
betrekking heeft op het onderwijs, de verlening van medisch
noodzakelijke zorg, de voorkoming van inbreuken op de volksgezondheid,
of de rechtsbijstand aan de vreemdeling.
3. De toekenning van aanspraken geeft geen recht op rechtmatig
verblijf.
Artikel 11
1. De aanspraken van de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft
zijn in overeenstemming met de aard van het verblijf. Tenzij bij of
krachtens het wettelijk voorschrift waarop de aanspraak is gegrond
anders is bepaald, is daarbij het tweede lid van toepassing.
2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, kan aanspraken maken
op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen, indien hij:
a. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder
a, tot en met e en l;
b. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder
f, g, h, en een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dan wel bij of krachtens een
ander wettelijk voorschrift, waarin aanspraken van deze
vreemdelingen zijn neergelegd;
c. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder i
tot en met k, voor de aanspraken die uitdrukkelijk aan deze
vreemdelingen zijn toegekend.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op
de bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen
of vergunningen.
Artikel 12
1. Het is aan de vreemdeling die bij binnenkomst heeft voldaan aan
de verplichtingen waaraan een persoon bij grensoverschrijding is
onderworpen, gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen termijn toegestaan in Nederland te verblijven, zolang hij:
a. de bij of krachtens deze wet gestelde regels in acht neemt;
b. beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel in de
kosten van zijn verblijf in Nederland als in die van zijn reis
naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is;
c. geen arbeid voor een werkgever verricht in strijd met de Wet
arbeid vreemdelingen;
d. geen gevaar oplevert voor de openbare orde of de nationale
veiligheid.
2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt ten hoogste op zes
maanden bepaald. Voor bij algemene maatregel van bestuur te
onderscheiden categorieën van vreemdelingen kunnen verschillende
termijnen worden vastgesteld.
Afdeling 2. De verblijfsvergunning
Artikel 13
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning wordt
slechts ingewilligd indien:
a. internationale verplichtingen daartoe nopen;
b. met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk
Nederlands belang is gediend, of
c. klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.
Afdeling 3. De verblijfsvergunning regulier
Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
Artikel 14
1. Onze Minister is bevoegd:
a. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in
behandeling te nemen;
b. de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan
in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;
c. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen,
hetzij op aanvraag van de houder van de vergunning hetzij
ambtshalve wegens veranderde omstandigheden;
d. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken;
e. ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te
verlenen.
2. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder
beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is
toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over de beperkingen en voorschriften.
3. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor
ten hoogste vijf achtereenvolgende jaren. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld over de geldigheidsduur van de
verblijfsvergunning en de verlenging van de geldigheidsduur van de
verblijfsvergunning.
Artikel 15
In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 14, tweede
lid, wordt bepaald, dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd,
bedoeld in artikel 14, kan worden verleend onder een beperking verband
houdende met gezinshereniging en gezinsvorming aan gezinsleden van
Nederlanders en vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in
artikel 8, onder a tot en met e en l.
Artikel 16
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:
a. de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot
voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor
de verblijfsvergunning is aangevraagd;
b. de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor
grensoverschrijding;
c. de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over
voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie
de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam
beschikt over voldoende middelen van bestaan;
d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of
nationale veiligheid;
e. de vreemdeling niet bereid is om medewerking te verlenen aan
een medisch onderzoek naar een ziekte aangewezen bij of krachtens
de Infectieziektewet, ter bescherming van de volksgezondheid of
een medische behandeling tegen een dergelijke ziekte te ondergaan;
f. de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder
dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan;
g. de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband
houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven;
h. de vreemdeling, die niet behoort tot een der categorieën,
bedoeld in artikel 17, eerste lid, na verkrijging van rechtmatig
verblijf in Nederland inburgeringsplichtig zou zijn op grond van
de artikelen 3 en 5 van de Wet inburgering en niet beschikt over
kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en de Nederlandse
maatschappij.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het
eerste lid.
3. Het eerste lid, onder h, is niet van toepassing op de
vreemdeling die de Surinaamse nationaliteit bezit en die met bij
ministeriële regeling vastgestelde bescheiden heeft aangetoond in
Suriname of Nederland lager onderwijs in de Nederlandse taal te hebben
gevolgd.
Artikel 16a
1. De aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen op de
gronden, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder b tot en met g,
alsmede indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in
artikel 13 van de Wet inburgering, niet heeft behaald.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 17
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 wordt niet afgewezen wegens
het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf,
indien het betreft:
a. de vreemdeling die de nationaliteit bezit van één der door
Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen landen;
b. de gemeenschapsonderdaan, voorzover niet reeds vrijgesteld
op grond van een aanwijzing als bedoeld onder a;
c. de vreemdeling voor wie het gelet op diens
gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen;
d. de vreemdeling die slachtoffer of getuige-aangever is van
mensenhandel;
e. de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag
in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
als bedoeld in artikel 28 dan wel van een verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33;
f. de vreemdeling die tijdig een aanvraag heeft ingediend tot
wijziging van een verblijfsvergunning;
g. de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen categorie;
h. de vreemdeling die houder is van een EG-verblijfsvergunning
voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat
die Partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap, dan wel de echtgenoot of het minderjarig kind is van
die houder, in geval het gezin reeds was gevormd in die andere
staat.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onder g, vast
te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat
een ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de
gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de
bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze
Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het
ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
Artikel 18
1. Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan
worden afgewezen indien:
a. de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft
gevestigd;
b. de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor
grensoverschrijding;
c. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel
gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing
van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen
zouden hebben geleid;
d. de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt
over voldoende middelen van bestaan dan wel de persoon bij wie de
vreemdeling verblijft niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt
over voldoende middelen van bestaan;
e. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of
nationale veiligheid;
f. niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning
is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden;
g. de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder
dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 19
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op
de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van
onderdeel b.
Paragraaf 2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
Artikel 20
1. Onze Minister is bevoegd:
a. de aanvraag tot het verlenen of tot het wijzigen van een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te
wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;
b. een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken
dan wel te wijzigen.
2. Een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet onder
beperkingen verleend. Aan de vergunning worden geen voorschriften
verbonden.
Artikel 21
1. Ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de richtlijn nr.
2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003
betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde
landen (PbEU 2004, L16) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen
van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in
artikel 20 slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling:
a. niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct
voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad als
bedoeld in artikel 8;
b. in de periode, bedoeld onder a, verblijfsrecht van
tijdelijke aard heeft gehad, dan wel een formeel beperkt
verblijfsrecht of een verblijfsrecht als werknemer van een
dienstverlener in het kader van grensoverschrijdende diensten of
als verlener van grensoverschrijdende diensten heeft gehad;
c. in de periode, bedoeld onder a, zes of meer
achtereenvolgende maanden of in totaal tien of meer maanden buiten
Nederland heeft verbleven;
d. al of niet tezamen met het gezinslid bij wie hij verblijft,
niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van
bestaan;
e. bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is
veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van
drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake de maatregel,
bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is
opgelegd;
f. een gevaar vormt voor de nationale veiligheid;
g. niet beschikt over een toereikende ziektekostenverzekering
voor hemzelf en de te zijnen laste komende gezinsleden,
h. onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft
achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag
tot het verlenen, wijzigen of verlengen zouden hebben geleid;
i. rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8,
onderdeel c of d, of in afwachting is van een definitieve
beslissing tot het verlenen of verlengen van de geldigheidsduur
van een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28 of 33;
of
j. een bijzondere geprivilegieerde status bezit dan wel heeft
bezeten in de periode van vijf jaren direct voorafgaande aan de
aanvraag;
k. het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet
inburgering, niet heeft behaald.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de gronden, bedoeld in het eerste lid.
3. Tenzij de vergunning is verleend met toepassing van artikel 21a,
wordt op het document, bedoeld in artikel 9, de aantekening «EG-langdurig
ingezetene»geplaatst.
Artikel 21a
1. Ter uitvoering van artikel 13 van derichtlijn nr. 2003/109/EG
van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de
status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004,
L16) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 niet afgewezen op de
grond, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder d, indien:
a. de vreemdeling gedurende een tijdvak van tien aaneengesloten
jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, of l,
heeft gehad, of
b. de vreemdeling als minderjarige onder een beperking verband
houdend met gezinshereniging rechtmatig verblijf heeft gehad,
sindsdien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft
verplaatst en inmiddels 18 jaar is, tenzij de gezinsband werd
verbroken binnen een jaar na verlening van de verblijfvergunning,
bedoeld in artikel 14.
2. Indien de vreemdeling in Nederland is geboren dan wel reeds voor
zijn vierde levensjaar in Nederland verbleef en sindsdien zijn
hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en inmiddels 18
jaar is, kan de aanvraag slechts worden afgewezen op grond van artikel
21, eerste lid, onder e en f. In afwijking van artikel 21, eerste lid,
onder a, behoeft het rechtmatig verblijf niet aaneengesloten te zijn.
De aanvraag kan slechts op grond van artikel 21, eerste lid, onder e,
worden afgewezen, indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden
rechterlijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan
60 maanden wegens handel in verdovende middelen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere
gevallen dan bedoeld in het eerste en tweede lid worden aangewezen
waarin een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in
artikel 20 kan worden verleend.
Artikel 22
1. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in
artikel 20 kan worden ingetrokken of gewijzigd, indien:
a. de vreemdeling een aaneengesloten periode van twaalf maanden
of langer buiten het grondgebied van de staten die partij zijn bij
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dan wel
zes jaar of langer buiten Nederland heeft verbleven;
b. de verblijfsvergunning op frauduleuze wijze is verkregen;
c. de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging voor de
openbare orde of de nationale veiligheid vormt.
2. De verblijfsvergunning wordt ingetrokken, indien de vreemdeling
langdurig ingezetene is geworden in een andere staat die partij is bij
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in
het eerste lid.
Paragraaf 3. Procedurele bepalingen
Artikel 23
De aanvraag tot het verlenen van:
a. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 14, tot het verlengen van de geldigheidsduur of tot het
wijzigen ervan;
b. een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in
artikel 20, of tot het wijzigen ervan,
wordt, in afwijking van artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijke
vertegenwoordiger.
Artikel 24
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent:
a. de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag;
b. de gegevens die de vreemdeling in persoon moet verstrekken;
c. de wijze waarop beschikkingen bij of krachtens deze wet ten
aanzien van de vreemdeling gegeven, alsmede de bij of krachtens
deze wet voorgeschreven kennisgevingen, mededelingen of berichten
aan de vreemdeling of aan andere belanghebbenden worden
bekendgemaakt. Daarbij kan worden bepaald, dat de bekendmaking van
beschikkingen ook kan geschieden door middel van het toezenden of
uitreiken van een document en door het stellen van aantekeningen
in een daarbij aan te wijzen document.
2. De vreemdeling is, in door Onze Minister te bepalen gevallen en
volgens door Onze Minister te geven regels, leges verschuldigd terzake
van de afdoening van een aanvraag. Daarbij kan Onze Minister tevens
bepalen dat de vreemdeling voor de afgifte van een document waaruit
het rechtmatig verblijf blijkt leges verschuldigd is. Als betaling
achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen dan
wel het document niet afgegeven.
Paragraaf 4. De beschikking op de aanvraag
Artikel 25
1. Binnen zes maanden wordt een beschikking gegeven op de aanvraag
tot:
a. het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
als bedoeld in artikel 14;
b. het verlengen van de geldigheidsduur ervan;
c. het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
als bedoeld in artikel 14;
d. het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde
tijd als bedoeld in artikel 20;
e. het wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde
tijd als bedoeld in artikel 20.
2. De termijn voor het geven van de beschikking, bedoeld in het
eerste lid, kan ten hoogste voor zes maanden worden verlengd indien
naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag
advies van of onderzoek door derden of het openbaar ministerie, nodig
is.
3. Onze Minister stelt de vreemdeling in kennis van de verlenging.
4. Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 is ingediend door een
langdurig ingezetene of diens gezinslid, wordt de beschikking in
afwijking van het eerste lid gegeven binnen vier maanden, welke
termijn in afwijking van het tweede lid voor ten hoogste drie maanden
kan worden verlengd. Indien de langdurig ingezetene of het gezinslid
krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is uitgenodigd
de aanvraag aan te vullen, wordt de beschikking gegeven binnen zeven
maanden.
Paragraaf 5. De inwilliging van de aanvraag
Artikel 26
1. De verblijfsvergunning, die van rechtswege rechtmatig verblijf
inhoudt, wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling
heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet
eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.
2. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
als bedoeld in artikel 14 wordt verlengd met ingang van de dag waarop
de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet,
maar niet eerder dan met ingang van de dag na die waarop de
geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is
gevraagd afloopt.
3. Indien de vreemdeling de aanvraag tot verlenging, dan wel de
gegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan niet
tijdig heeft ingediend en hem dit niet is toe te rekenen, kan de
verblijfsvergunning worden verlengd met ingang van de dag na die
waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor
verlenging is gevraagd afloopt.
Paragraaf 6. De afwijzing van de aanvraag
Artikel 27
1. De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 of
een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20
wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een
terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de
daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft
van rechtswege tot gevolg dat:
a. de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf heeft tenzij
er een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf van toepassing
is;
b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te
verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke
waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet, en
c. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, na
ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit
eigen beweging dient te verlaten, bevoegd zijn elke plaats te
betreden, daaronder begrepen een woning, zonder de toestemming van
de bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien:
a. ingevolge artikel 24 of ingevolge artikel 4:5 van de
Algemene wet bestuursrecht is besloten dat de aanvraag niet in
behandeling wordt genomen;
b. het rechtmatig verblijf van rechtswege is geëindigd;
c. een verblijfsvergunning is ingetrokken of de geldigheidsduur
ervan niet is verlengd.
3. De gevolgen, bedoeld in het eerste lid, treden niet in indien de
vreemdeling bezwaar of beroep heeft ingesteld en de werking van de
beschikking is opgeschort.
4. De beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan tevens een
inreisverbod inhouden.
Afdeling 4. De verblijfsvergunning asiel
Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
Artikel 28
1. Onze Minister is bevoegd:
a. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in
behandeling te nemen;
b. de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan
in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;
c. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken.
2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor
ten hoogste vijf achtereenvolgende jaren. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen de gevallen worden aangewezen waarin de
verblijfsvergunning voor minder dan vijf achtereenvolgende jaren wordt
verleend. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de geldigheidsduur
van de verblijfsvergunning en over de verlenging ervan.
Artikel 29
1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:
a. die verdragsvluchteling is;
b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft
om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om
te worden onderworpen aan:
1°. doodstraf of executie;
2°. folteringen, onmenselijke of vernederende
behandelingen of bestraffingen; of
3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de
persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in
het kader van een internationaal of binnenlands gewapend
conflict;
c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van
klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de
redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in
redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het
land van herkomst;
d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het
oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in
verband met de algehele situatie aldaar, of
e. die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind
feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder
a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die
vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is
ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de
vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend;
f. die als partner of als meerderjarig kind zodanig afhankelijk
is van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, dat hij om
die reden behoort tot het gezin van deze vreemdeling, die dezelfde
nationaliteit heeft als deze vreemdeling en gelijktijdig met deze
vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen
drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met
d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel
28, is verleend.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, aanhef en onder a en
b. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen een verblijfsvergunning als
bedoeld in het eerste lid wordt verleend aan de vreemdeling, bedoeld
in onderdeel a of b.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
indicatoren aangewezen die in ieder geval worden betrokken in de
beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste
lid, onder d.
Artikel 30
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen indien:
a. een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag
ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit
van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de
behandeling van de aanvraag;
b. de vreemdeling reeds rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld
in artikel 8, onder a tot en met e of l;
c. de vreemdeling eerder een aanvraag voor verlening van een
verblijfsvergunning heeft ingediend waarop nog niet onherroepelijk
is beslist en hij op grond van die aanvraag rechtmatig verblijf
heeft als bedoeld in artikel 8 onder f, g en h, of
d. de vreemdeling op grond van een verdragsverplichting tussen
Nederland en een ander land zal worden overgedragen aan dat land
van eerder verblijf, terwijl dat land partij is bij het
Vluchtelingenverdrag, het Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154) en het
Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende
behandeling of bestraffing (Trb. 1985, 69), dan wel zich
anderszins heeft verplicht artikel 33 van het
Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel
3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede onmenselijke of
onterende behandeling of bestraffing, na te leven.
2. Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing, indien naar
aanleiding van een aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28, ambtshalve de
verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14, is verleend.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot het eerste lid, onder d.
Artikel 31
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen indien de
vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is
gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband
met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
2. Bij het onderzoek naar de aanvraag wordt mede betrokken de
omstandigheid dat:
a. de vreemdeling reeds eerder, onder een andere naam, een
aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland heeft
ingediend;
b. de vreemdeling zonder geldige reden niet heeft voldaan aan
de aanwijzingen, bedoeld in artikel 55;
c. de vreemdeling niet beschikt over een voor toegang tot
Nederland vereist document voor grensoverschrijding, tenzij hij
zich onverwijld onder opgave van de plaats waar of waarlangs hij
Nederland is binnengekomen heeft vervoegd bij een ambtenaar,
belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en
daar kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wenst;
d. de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag valse of
vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden
heeft overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk
de echtheid daarvan heeft volgehouden;
e. de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag opzettelijk
reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft
overgelegd die niet op hem betrekking hebben;
f. de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of
identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die
noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de
vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze
bescheiden niet aan hem is toe te rekenen;
g. de vreemdeling afkomstig is uit een land dat partij is bij
het Vluchtelingenverdrag en één van de andere in artikel 30,
onder d, bedoelde verdragen en de vreemdeling niet aannemelijk
heeft gemaakt dat het die verdragsverplichtingen ten aanzien van
hem niet nakomt;
h. de vreemdeling heeft verbleven in een derde land dat partij
is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de in artikel 30,
onder d, bedoelde verdragen en de vreemdeling niet aannemelijk
heeft gemaakt dat het die verdragsverplichtingen ten aanzien van
hem niet nakomt;
i. de vreemdeling in een land van eerder verblijf zal worden
toegelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben
gevonden;
j. de vreemdeling elders een verblijfsalternatief heeft omdat
hij voorafgaand aan zijn komst naar Nederland heeft verbleven in
een ander land dan het land van herkomst;
k. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of
nationale veiligheid;
l. de vreemdeling afkomstig is uit een land dat ingevolge
artikel 29 van de richtlijn asielprocedures door de Raad is
opgenomen in de in dat artikel bedoelde gemeenschappelijke
minimumlijst van derde landen die als veilig land van herkomst
worden beschouwd.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot het eerste lid en het tweede lid,
onder g tot en met l.
Artikel 31a
1. De aanvraag wordt niet aangemerkt als herhaalde aanvraag als
bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, indien:
a) een eerdere aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28
is afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, onder d, of met
toepassing van artikel 31, tweede lid, onder h, en
b) het betrokken derde land de vreemdeling niet tot zijn
grondgebied heeft toegelaten, en
c) de vreemdeling wederom een aanvraag indient tot het verlenen
van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 28.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 32
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel
28 kan worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de
geldigheidsduur ervan kan worden afgewezen indien:
a. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel
gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing
van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen
zouden hebben geleid;
b. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of
nationale veiligheid;
c. de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te
vervallen;
d. de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft
gevestigd.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot het eerste lid. Daarbij wordt
bepaald in welke gevallen een verblijfsvergunning als bedoeld in het
eerste lid die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder
a of b, wordt ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de
geldigheidsduur van zodanige verblijfsvergunning wordt afgewezen.
Paragraaf 2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
Artikel 33
Onze Minister is bevoegd:
a. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in
behandeling te nemen;
b. een verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te
trekken.
Artikel 34
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de vreemdeling die
direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende vijf achtereenvolgende
jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8,
onder c, kan slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop
de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd,
bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32
voordoet, dan wel indien de vreemdeling het inburgeringsexamen,
bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering, niet heeft behaald.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de toepassing van het inburgeringsvereiste,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 35
1. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in
artikel 33 kan worden ingetrokken indien:
a. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel
gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing
van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben
geleid;
b. de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk
vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een
gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem
terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van
Strafrecht, is opgelegd;
c. de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft
gevestigd;
d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale
veiligheid.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Paragraaf 3. Procedurele bepalingen
Artikel 36
De aanvraag tot het verlenen van:
a. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 28 of tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan;
b. een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in
artikel 33,
wordt, in afwijking van artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijke
vertegenwoordiger.
Artikel 37
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent:
a. de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag;
b. de wijze waarop het onderzoek naar de aanvraag, daaronder
begrepen het horen van de vreemdeling, wordt ingericht;
c. de gegevens die de vreemdeling in persoon moet verstrekken;
d. de wijze waarop beschikkingen bij of krachtens deze wet ten
aanzien van de vreemdeling gegeven, alsmede de bij of krachtens deze
wet voorgeschreven kennisgevingen, mededelingen of berichten aan de
vreemdeling of aan andere belanghebbenden worden bekendgemaakt.
Daarbij kan worden bepaald, dat de bekendmaking van beschikkingen
ook kan geschieden door middel van het toezenden of uitreiken van
een document en door het stellen van aantekeningen in een daarbij
aan te wijzen document.
Artikel 38
Indien de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld zich omtrent de
aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning of het verlengen
van de geldigheidsduur ervan te doen horen, wordt de vreemdeling gehoord
in een taal waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij die
kan verstaan.
Artikel 39
1. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen
van een verblijfsvergunning of het verlengen van de geldigheidsduur
ervan af te wijzen, dan wordt de vreemdeling hiervan, onder opgave van
redenen, schriftelijk mededeling gedaan. De mededeling kan eveneens
betrekking hebben op het voornemen om niet ambtshalve een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 te
verlenen dan wel op het voornemen om de uitzetting niet op grond van
artikel 64 achterwege te laten. Het schriftelijke voornemen wordt aan
de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan. De op
de aanvraag betrekking hebbende stukken worden bij de schriftelijke
mededeling gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben
van de inhoud van deze stukken.
2. De vreemdeling brengt zijn zienswijze, in afwijking van artikel
4:9 van de Algemene wet bestuursrecht, schriftelijk naar voren binnen
de door Onze Minister bepaalde redelijke termijn.
3. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 37,
worden regels gesteld omtrent de termijn, bedoeld in het tweede lid,
alsmede de toepassing van de voorgaande leden.
Artikel 40
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 kan niet eerder worden
ingediend dan vier weken voordat de vreemdeling gedurende vijf
achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8,
onder c, heeft gehad.
Artikel 41
1. Indien Onze Minister voornemens is om de verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, dan wel de
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, in te
trekken, zijn de artikelen 38 en 39 van overeenkomstige toepassing.
2. Indien Onze Minister, na ontvangst van de zienswijze van de
vreemdeling, voornemens blijft de verblijfsvergunning in te trekken,
dan wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld zich te doen horen.
Paragraaf 4. De beschikking op de aanvraag
Artikel 42
1. Op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, dan wel een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33,
wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking
gegeven.
2. De inwilliging van de aanvraag is mede afgestemd op het beleid
dat Onze Minister na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken
dienaangaande voert.
3. Indien de aanvraag wordt afgewezen, wordt in de beschikking
ingegaan op de zienswijze van de vreemdeling. In de beschikking wordt
tevens ingegaan op de zienswijze van de vreemdeling op het voornemen
om niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld
in artikel 14, te verlenen, dan wel op het voornemen om de uitzetting
niet op grond vanartikel 64 achterwege te laten indien hem van dat
voornemen mededeling is gedaan.
4. De termijn voor het geven van de beschikking, bedoeld in het
eerste lid, kan ten hoogste voor zes maanden worden verlengd indien
naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag
advies van of onderzoek door derden of het openbaar ministerie nodig
is.
5. Onze Minister stelt de vreemdeling in kennis van de verlenging.
Artikel 43
Onverminderd artikel 42, vierde lid, en artikel 4:5 van de Algemene
wet bestuursrecht kan bij besluit van Onze Minister voor bepaalde
categorieën vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 hebben
ingediend de termijn, bedoeld in artikel 42 worden verlengd met ten
hoogste één jaar indien:
a. naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal
bestaan over de situatie in het land van herkomst en op grond
daarvan redelijkerwijs niet kan worden beslist of de aanvraag op een
van de gronden genoemd in artikel 29 kan worden toegewezen;
b. naar verwachting de situatie in het land van herkomst op grond
waarvan ingevolge artikel 29 de aanvraag kan worden toegewezen, van
korte duur zal zijn, of,
c. het aantal ingediende aanvragen uit een bepaald land of uit
een bepaalde regio zo groot is, dat Onze Minister redelijkerwijs
niet in staat is daarop tijdig een beschikking te geven.
Artikel 43a
1. In afwijking van artikel 42, eerste lid, en onverminderd artikel
4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de beschikking op de
aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd als bedoeld in artikel 28 ten aanzien van vreemdelingen die
tijdelijke bescherming genieten, op een tijdstip gelegen tussen de
ontvangst van de aanvraag en zes maanden na afloop van de tijdelijke
bescherming gegeven.
2. De artikelen 42, vierde lid, en 43 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Paragraaf 5. De inwilliging van de aanvraag
Artikel 44
1. Verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld
in artikel 28, die rechtmatig verblijf inhoudt, heeft van rechtswege
tot gevolg de beëindiging van de verstrekkingen voorzien bij of
krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander
wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt. De
verstrekkingen worden beëindigd op de wijze voorzien bij of krachtens
de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of in het andere wettelijk
voorschrift en binnen de daartoe gestelde termijn.
2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel
28, wordt verleend met ingang van de datum waarop de vreemdeling heeft
aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan
met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen.
3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in
artikel 33 wordt verleend met ingang van de datum waarop de
vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet.
4. Indien de vreemdeling de aanvraag tot verlenging van de
verblijfsvergunning bedoeld in artikel 28, dan wel de gegevens waaruit
blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan niet tijdig heeft
ingediend en hem dit niet is toe te rekenen, kan de
verblijfsvergunning worden verlengd met ingang van de dag na die
waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor
verlenging is gevraagd afloopt. De voorgaande volzin is van
overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 33.
Paragraaf 6. De afwijzing van de aanvraag
Artikel 45
1. De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor
onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, wordt afgewezen, geldt als
terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de
vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende
terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot
gevolg dat:
a. de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft
tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld
in artikel 8 van toepassing is;
b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te
verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke
waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet;
c. de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal
Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat
soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of
krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en
binnen de daartoe gestelde termijn;
d. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen na
ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit
eigen beweging dient te verlaten, bevoegd zijn elke plaats te
betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de
bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten;
e. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen
bevoegd zijn na ommekomst van de termijn als bedoeld in onderdeel
c een onroerende zaak gedwongen te ontruimen teneinde het onderdak
of het verblijf in de woonruimte als verstrekking geboden, bedoeld
in onderdeel c, te beëindigen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien:
a. ingevolge artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is
besloten dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen, of
b. een verblijfsvergunning is ingetrokken of niet verlengd.
3. De in het eerste lid bedoelde gevolgen van de beschikking treden
niet in zolang het beroep van de vreemdeling de werking van de
beschikking opschort.
4. Onze Minister kan besluiten dat, in afwijking van het eerste
lid, aanhef en onder c, de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk
voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt, voor bepaalde
categorieën vreemdelingen niet worden beëindigd, of voor de duur van
het besluit opnieuw worden verleend. Het besluit wordt uiterlijk één
jaar na de bekendmaking ervan ingetrokken. Na afloop van de duur van
het besluit treden de opgeschorte rechtsgevolgen opnieuw in.
5. De vreemdeling op wie het besluit als bedoeld in het vierde lid
vantoepassing is, wordt geacht rechtmatig verblijf als bedoeld in
artikel 8, onder j, te hebben.
6. De in het eerste lid bedoelde gevolgen van de beschikking treden
niet in zolang de uitzetting van de vreemdeling op grond van de
richtlijn tijdelijke bescherming achterwege blijft. De reeds
ingetreden gevolgen worden opgeschort, indien Onze Minister heeft
vastgesteld dat uitzetting op grond van de richtlijn tijdelijke
bescherming achterwege blijft. De opgeschorte gevolgen, bedoeld in het
eerste lid, treden opnieuw in na afloop van de tijdelijke bescherming.
7. Het verblijf van de vreemdeling, bedoeld in het zesde lid, wordt
gelijkgesteld met rechtmatig verblijf in de zin vanartikel 8, onder f.
8. De beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan tevens een
inreisverbod inhouden.
Hoofdstuk 4. Toezicht en uitvoering
Afdeling 1. Aanwijzing en bevoegdheden van ambtenaren
Paragraaf 1. Aanwijzing
Artikel 46
1. Met het toezicht op de naleving en de uitvoering van de
Schengengrenscode en de wettelijke voorschriften met betrekking tot de
grensbewaking zijn belast:
a. de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee;
b. de ambtenaren van het regionale politiekorps
Rotterdam-Rijnmond;
c. de directeur van een grenslogies als bedoeld in artikel 3
van het Reglement regime grenslogies;
d. de bij besluit van Onze Minister, in overeenstemming met
Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en
van Defensie, aangewezen ambtenaren van politie als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid, van de
Politiewet 1993.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent:
a. de in het belang van de grensbewaking te treffen
voorzieningen;
b. de verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen met het
oog op de controle in het belang van de grensbewaking.
3. De bij of krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren belast
met de grensbewaking zijn de in artikel 2, onder 13, van de
Schengengrenscode bedoelde grenswachters.
Artikel 47
1. Met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften
met betrekking tot vreemdelingen zijn belast:
a. de ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3, eerste
lid, onder a en c, en tweede lid, van de Politiewet 1993;
b. de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee;
c. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2. De ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onder a en c, en tweede lid, van de Politiewet 1993 oefenen het
toezicht op vreemdelingen uit onder leiding van de korpschef.
3. De ambtenaren van de Koninklijke marechaussee oefenen het
toezicht op vreemdelingen uit onder leiding van de Commandant der
Koninklijke marechaussee.
Artikel 47a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften
met betrekking tot referenten zijn belast de bij besluit van Onze
Minister aangewezen ambtenaren.
2. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze
Minister en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties kan worden bepaald dat met het toezicht op de
naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot referenten
tevens zijn belast de ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onder a en c, en tweede lid, van de Politiewet 1993, in
welk geval artikel 47, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 48
1. De korpschef en de Commandant der Koninklijke marechaussee geven
Onze Minister door hem gevraagde inlichtingen over de uitvoering van
deze wet en van de Schengengrenscode.
2. Onze Minister kan aan de korpschef en aan de Commandant der
Koninklijke marechaussee aanwijzingen geven over de uitvoering van
deze wet en van de Schengengrenscode. Onze Minister kan individuele
aanwijzingen geven aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 47, eerste
lid.
3. Onze Minister kan aanwijzingen geven over de inrichting van de
werkprocessen en bedrijfsvoering aan:
a. de korpschef, door tussenkomst van de beheerder van het
regionale politiekorps;
b. de Commandant der Koninklijke marechaussee, door tussenkomst
van de Minister van Defensie.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over het eerste, tweede en derde lid.
Paragraaf 2. Bevoegdheden
Artikel 49
1. Op de uitoefening van de in deze paragraaf bedoelde bevoegdheden
zijn, voor zover nodig, de artikelen 5:12, 5:13 en 5: 20 van de
Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
2. Op de uitoefening door de ambtenaren belast met de grensbewaking
van de uit de Schengengrenscode voortvloeiende taken zijn de artikelen
5:12, 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht eveneens van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 50
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren
belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn bevoegd, hetzij op
grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven
gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren hetzij
ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, personen
staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit
en verblijfsrechtelijke positie. Degene die stelt Nederlander te zijn,
maar dat niet kan aantonen, kan worden onderworpen aan de
dwangmiddelen als bedoeld in het tweede en vijfde lid. Bij algemene
maatregel van bestuur worden de documenten aangewezen waarover een
vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit,
nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.
2. Indien de identiteit van de staande gehouden persoon niet
onmiddellijk kan worden vastgesteld, mag hij worden overgebracht naar
een plaats bestemd voor verhoor. Hij wordt aldaar niet langer dan
gedurende zes uren opgehouden, met dien verstande, dat de tijd tussen
middernacht en negen uur voormiddags niet wordt meegerekend.
3. Indien de identiteit van de staande gehouden persoon
onmiddellijk kan worden vastgesteld en indien blijkt dat deze persoon
geen rechtmatig verblijf geniet, dan wel niet onmiddellijk blijkt dat
hij rechtmatig verblijf heeft, mag hij worden overgebracht naar een
plaats bestemd voor verhoor. Hij wordt aldaar niet langer dan
gedurende zes uren opgehouden, met dien verstande, dat de tijd tussen
middernacht en negen uur voormiddags niet wordt meegerekend.
4. Indien nog grond bestaat voor het vermoeden dat de opgehouden
persoon geen rechtmatig verblijf heeft, kan de in het tweede en derde
lid bepaalde termijn door de Commandant der Koninklijke marechaussee
respectievelijk door de korpschef, bevoegd ter plaatse waar die
persoon zich bevindt, in het belang van het onderzoek met ten hoogste
acht en veertig uren worden verlengd.
5. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd de
opgehouden persoon aan diens kleding of lichaam te onderzoeken,
alsmede zaken van deze persoon te doorzoeken.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen gegeven
omtrent de toepassing van de voorgaande leden van dit artikel.
Artikel 51
1. Indien de ambtenaren belast met de grensbewaking en de
ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen op grond van
feiten en omstandigheden, naar objectieve maatstaven gemeten, een
redelijk vermoeden hebben dat met een vervoermiddel personen worden
vervoerd met betrekking tot wie zij een toezichthoudende taak hebben,
zijn zij bevoegd het vervoermiddel te onderzoeken. De ambtenaren zijn
in dat geval bevoegd van de bestuurder van het voertuig of van de
schipper van het vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel
stilhoudt en naar een door hen aangewezen plaats overbrengt teneinde
het vervoermiddel te onderzoeken.
2. Artikel 5:19, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is
van overeenkomstige toepassing op de vordering als bedoeld in het
eerste lid.
3. Indien de ambtenaren belast met de grensbewaking op grond van
feiten en omstandigheden, naar objectieve maatstaven gemeten, een
redelijk vermoeden hebben dat met een luchtvaartuig personen worden
vervoerd met betrekking tot wie zij een toezichthoudende taak hebben,
zijn zij bevoegd het luchtvaartuig te onderzoeken. De ambtenaren zijn
in dat geval bevoegd van de gezagvoerder van een luchtvaartuig te
vorderen dat deze zijn luchtvaartuig naar een door hen aangewezen
plaats overbrengt teneinde het luchtvaartuig te onderzoeken. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld.
Artikel 52
1. De ambtenaren, belast met de grensbewaking, en de ambtenaren,
belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn bevoegd om, ter
vervulling van hun taken, reis- en identiteitspapieren van personen in
te nemen, tijdelijk in bewaring te nemen alsmede om hierin
aantekeningen te maken. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden hierover nadere regels gesteld.
2. Het reis- of identiteitspapier wordt aan de vreemdeling
teruggegeven indien hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten
en hij ook daadwerkelijk vertrekt. Ingeval van uitzetting kan het
reis- en identiteitspapier worden overgedragen aan de persoon belast
met de grensbewaking in het land waar de toelating is gewaarborgd.
Artikel 53
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren
belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd een woning te
betreden zonder toestemming van de bewoner, indien er op grond van
feiten en omstandigheden, naar objectieve maatstaven gemeten, een
redelijk vermoeden bestaat dat op deze plaats een vreemdeling
verblijft die geen rechtmatig verblijf heeft.
2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn tevens bevoegd
elke plaats te betreden, daar onder begrepen een woning zonder de
toestemming van de bewoner, voor zover dat nodig is ter uitzetting van
de vreemdeling dan wel voor de inbewaringstelling van de vreemdeling
op grond van artikel 59.
Afdeling 2. Maatregelen van toezicht
Artikel 54
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van
vreemdelingen worden voorzien in een verplichting tot:
a. het kennis geven van verandering van woon- of verblijfplaats
binnen Nederland en van vertrek naar het buitenland;
b. het verstrekken van gegevens welke van belang kunnen zijn
voor de toepassing van de bij of krachtens deze wet gestelde
regels;
c. het verlenen van medewerking aan het vastleggen van gegevens
met het oog op identificatie;
d. het verlenen van medewerking aan een medisch onderzoek naar
een ziekte aangewezen bij of krachtens de Infectieziektewet, ter
bescherming van de volksgezondheid of in het kader van de
beoordeling van een aanvraag om een verblijfsvergunning;
e. aanmelding binnen een bepaalde termijn na binnenkomst in
Nederland;
f. periodieke aanmelding;
g. het inleveren van het document of schriftelijke verklaring
als bedoeld in artikel 9 waaruit het rechtmatig verblijf blijkt;
h. het stellen van zekerheid;
i. het overleggen van documenten, anders dan bedoeld onder g.
2. In gevallen waarin Onze Minister zulks in het belang van de
openbare orde of de nationale veiligheid nodig oordeelt, kan hij aan
een vreemdeling een individuele verplichting tot periodieke aanmelding
bij de korpschef opleggen.
Artikel 55
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijf geniet op grond van
artikel 8, onder f, dient zich, in verband met het onderzoek naar de
inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning
beschikbaar te houden op een door Onze Minister aangewezen plaats,
overeenkomstig hem daartoe door de bevoegde autoriteit gegeven
aanwijzingen.
2. Ter ondersteuning van het onderzoek of een aanvraag tot het
verlenen van de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 kan
worden ingewilligd, zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en
de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd om een
vreemdeling staande te houden en aan diens kleding of lichaam te
onderzoeken, alsmede zijn bagage te doorzoeken met het oog op
eventuele aanwezigheid van reis- of identiteitspapieren, documenten of
bescheiden, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn
aanvraag. Gelijke bevoegdheid bestaat indien de vreemdeling te kennen
geeft een aanvraag te willen indienen.
3. De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren
belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd een vreemdeling
die zich in verband met het onderzoek op een plaats als bedoeld in het
eerste lid bevindt, dan wel een vreemdeling die zich in een
verwijdercentrum bevindt, aan diens kleding of lichaam te onderzoeken,
alsmede zijn bagage te doorzoeken met het oog op de veiligheid op die
plaats.
Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
Artikel 56
1. Overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven
regels kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale
veiligheid zulks vordert, door Onze Minister de vrijheid van beweging
worden beperkt van de vreemdeling die:
a. geen rechtmatig verblijf heeft;
b. rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met
uitzondering van de onderdelen b, d en e.
2. Toepassing van het eerste lid blijft achterwege wanneer en wordt
beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen
verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat.
Artikel 57
1. Onze Minister kan de vreemdeling wiens aanvraag om een
verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 is afgewezen de
aanwijzing geven zich op te houden in een bepaalde ruimte of op een
bepaalde plaats en aldaar de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit
in acht te nemen, ook indien de beschikking waarbij de aanvraag is
afgewezen nog niet onherroepelijk is dan wel het beroep de werking van
de beschikking opschort.
2. Op aanvraag van de vreemdeling kan een andere ruimte of plaats
worden aangewezen.
3. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid blijft achterwege
indien de vrijheid van beweging van de vreemdeling is beperkt in
verband met het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning
en de vreemdeling zich daadwerkelijk beschikbaar heeft gehouden en de
beschikking tot afwijzing meer dan acht weken na de indiening van de
aanvraag is gegeven.
4. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, vervalt indien de
beschikking waarbij de aanvraag is afgewezen is vernietigd of zodra
het vertrek van de vreemdeling uit de ruimte of plaats nodig is om
Nederland te verlaten.
5. De termijn, bedoeld in het derde lid, wordt opgeschort gedurende
de termijn waarin de vreemdeling de beperking van zijn
bewegingsvrijheid niet in acht heeft genomen.
Artikel 58
1. Indien zulks voor de uitzetting noodzakelijk is, kan Onze
Minister in het geval, bedoeld in artikel 57, eerste lid, de
vreemdeling een ruimte of plaats aanwijzen, die is beveiligd tegen
ongeoorloofd vertrek.
2. De artikelen 6, derde lid, 57, tweede tot en met vijfde lid en
59, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 59
1. Indien het belang van de openbare orde of de nationale
veiligheid zulks vordert kan, met het oog op de uitzetting, door Onze
Minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die:
a. geen rechtmatig verblijf heeft;
b. die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder
f, g en h.
2. Indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke
bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden
zullen zijn, wordt het belang van de openbare orde geacht de bewaring
van de vreemdeling te vorderen, tenzij de vreemdeling rechtmatig
verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, en
l.
3. Bewaring van een vreemdeling blijft achterwege indien en wordt
beëindigd zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en
hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat.
4. Bewaring krachtens het eerste lid, onder b, of het tweede lid
duurt in geen geval langer dan vier weken. Indien voorafgaande aan de
beslissing op de aanvraag toepassing is gegeven aan artikel 39, duurt
de bewaring krachtens het eerste lid, onder b, in geen geval langer
dan zes weken.
5. Onverminderd het vierde lid duurt de bewaring krachtens het
eerste lid niet langer dan zes maanden.
6. In afwijking van het vijfde lid en onverminderd het vierde lid
kan de bewaring krachtens het eerste lid ten hoogste met nog eens
twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke
inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de
vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde
documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
7. Het vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op
de vreemdeling aan wie de verplichting of maatregel, bedoeld in
artikel 6, eerste of tweede lid, dan wel artikel 58 is opgelegd.
Artikel 60
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gegeven omtrent de toepassing van dit hoofdstuk. Daarbij kan worden
voorzien in de mogelijkheid van verhaal van de kosten van bewaring op de
vreemdeling zelf en, indien hij minderjarig is, op degenen die het
wettig gezag over hem uitoefenen.
Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, inreisverbod en ongewenstverklaring
Afdeling 1. Vertrek
Artikel 61
1. De vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf
heeft, dient Nederland uit eigen beweging te verlaten binnen de in
artikel 62 bepaalde termijn.
2. Indien de werking van de beschikking, waarbij de aanvraag is
afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken, is opgeschort, kan
van de vreemdeling medewerking worden gevorderd aan de voorbereiding
van het vertrek uit Nederland.
3. Het indienen van een klacht als bedoeld in artikel 9:1 van de
Algemene wet bestuursrecht schort de verplichting, bedoeld in het
eerste lid, niet op.
Artikel 62
1. Nadat tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgevaardigd
dan wel, indien het een gemeenschapsonderdaan betreft, nadat het
rechtmatig verblijf van de vreemdeling is geëindigd, dient hij
Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.
2. Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn,
bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het
eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet
verlaten, indien:
a. een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht
zal onttrekken;
b. de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een
verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur
van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond
of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; of
c. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de
openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
3. Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn,
bedoeld in het eerste lid, verlengen, rekening houdend met de
specifieke omstandigheden van het individuele geval. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld over de duur van de verlenging en
worden de gevallen aangewezen waarin de termijn kan worden verlengd.
Artikel 62a
1. Onze Minister stelt de vreemdeling, niet zijnde
gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf
heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen
beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die
verplichting moet voldoen, tenzij:
a. reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is
uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende
terugkeerverplichting niet is voldaan,
b. de vreemdeling in bezit is van een door een andere lidstaat
afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot
verblijf, of
c. de vreemdeling door een andere lidstaat van de Europese Unie
wordt teruggenomen op grond van een op 13 januari 2009 geldende
bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling.
2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geldt als
terugkeerbesluit en kan tevens een inreisverbod inhouden.
3. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt
opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken
lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd of indien
om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke
vertrek van vreemdeling is vereist, wordt tegen de vreemdeling een
terugkeerbesluit uitgevaardigd.
Afdeling 2. Uitzetting
Artikel 63
1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft en die niet
binnen de bij deze wet gestelde termijn Nederland uit eigen beweging
heeft verlaten, kan worden uitgezet.
2. Onze Minister is bevoegd tot uitzetting.
3. Indien de werking van de beschikking waarbij de aanvraag is
afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken is opgeschort, kan
van de vreemdeling medewerking worden gevorderd aan de voorbereiding
van de uitzetting.
Artikel 64
Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de
gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn
gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.
Artikel 65
1. De vreemdeling:
a. die Nederland is binnengekomen aan boord van een vaartuig of
luchtvaartuig in gebruik bij een vervoersonderneming en die
Nederland onmiddellijk dient te verlaten, of
b. die met het oog op zijn uitzetting is aangehouden binnen zes
maanden nadat hij is binnengekomen aan boord van een vaartuig of
luchtvaartuig in gebruik bij een vervoersonderneming, kan worden
uitgezet door plaatsing aan boord van een vaartuig of
luchtvaartuig in gebruik bij dezelfde vervoersonderneming.
2. De vervoersonderneming vervoert op aanwijzing van een ambtenaar
belast met de grensbewaking de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid,
om niet terug naar een plaats buiten Nederland en vindt daartoe zo
nodig een ander middel voor de terugbrenging. Is zulks niet binnen
redelijke tijd mogelijk, of, in het geval bedoeld in het eerste lid,
onder b, niet binnen redelijke tijd na de aanhouding mogelijk, dan
kunnen de kosten van uitzetting uit Nederland op die
vervoersonderneming worden verhaald.
3. Gezagvoerders van vaartuigen en luchtvaartuigen verlenen aan de
uitzetting van de vreemdeling alle medewerking die de ambtenaar belast
met de grensbewaking redelijkerwijs kan vorderen.
4. Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing op de
vreemdeling die rechtmatig verblijf geniet tot een later tijdstip dan
dat van vertrek van het vaartuig of luchtvaartuig aan boord waarvan
hij is binnengekomen.
Artikel 66
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de
toepassing van de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk. Daarbij kan
worden voorzien in de mogelijkheid van verhaal van de kosten van
uitzetting op de vreemdeling zelf en, indien hij minderjarig is, op
degenen die het wettig gezag over hem uitoefenen.
Afdeling 3. Inreisverbod
Artikel 66a
1. Onze Minister vaardigt een inreisverbod uit tegen de
vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet
van toepassing is en die Nederland:
a. onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid,
of
b. niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn
heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts
door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd
dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het
reeds gegeven terugkeerbesluit.
2. Onze Minister kan een inreisverbod uitvaardigen tegen de
vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet
onmiddellijk moet verlaten.
3. De vreemdeling tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd wordt
ter fine van weigering van de toegang en het verblijf gesignaleerd in
de daartoe bij of krachtens een verdrag, een EU-verordening,
-richtlijn, of -besluit of een algemene maatregel van bestuur
aangewezen informatie- dan wel signaleringssystemen.
4. Het inreisverbod wordt gegeven voor een bepaalde duur, die ten
hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel
van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde,
de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur wordt
berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland
daadwerkelijk heeft verlaten.
5. Indien de bekendmaking van de beschikking, waarbij het
inreisverbod is uitgevaardigd, geschiedt door toezending, wordt van de
beschikking mededeling gedaan in de Staatscourant.
6. In afwijking van artikel 8 kan de vreemdeling jegens wie een
inreisverbod geldt of die is gesignaleerd ter fine van weigering van
de toegang geen rechtmatig verblijf hebben, met uitzondering van het
rechtmatig verblijf:
a. van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen
van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeft
ingediend, zolang op die aanvraag nog niet is beslist;
b. bedoeld inartikel 8, onder j, en
c. van de vreemdeling wiens uitzetting op grond van een
rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven totdat op het
bezwaarschrift of beroepschrift is beslist.
7. In afwijking van het zesde lid en artikel 8 en met uitzondering
van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag
tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28
heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, kan de
vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf
hebben, in geval de vreemdeling:
a. bij onherroepelijk geworden rechtelijk vonnis is veroordeeld
wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren
of meer is bedreigd dan wel hem ter zake de maatregel als bedoeld
in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd;
b. een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale
veiligheid;
c. naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging
vormt als bedoeld in het vierde lid, dan wel
d. ingevolge een verdrag of in het belang van de internationale
betrekkingen van Nederland ieder verblijf dient te worden ontzegd.
8. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister om humanitaire
of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.
Artikel 66b
1. Onze Minister kan ambtshalve of wegens gewijzigde omstandigheden
dan wel op aanvraag van de vreemdeling besluiten tot opheffing of
tijdelijke opheffing van het inreisverbod.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de toepassing van deze afdeling.
Afdeling 4. Ongewenstverklaring
Artikel 67
1. Tenzijafdeling 3 van toepassing is, kan Onze Minister de
vreemdeling ongewenst verklaren:
a. indien hij niet rechtmatig in Nederland verblijft en bij
herhaling een bij deze wet strafbaar gesteld feit heeft begaan;
b. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is
veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van
drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem terzake de maatregel
als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is
opgelegd;
c. indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of
nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld
in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l;
d. ingevolge een verdrag, of
e. in het belang van de internationale betrekkingen van
Nederland.
2. Indien de bekendmaking van de beschikking, waarbij de
vreemdeling ongewenst wordt verklaard, geschiedt door toezending,
wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Staatscourant.
3. In afwijking van artikel 8 kan de ongewenst verklaarde
vreemdeling geen rechtmatig verblijf hebben.
Artikel 68
1. Onze Minister kan op aanvraag van de vreemdeling besluiten tot
opheffing van de ongewenstverklaring.
2. De ongewenstverklaring wordt opgeheven indien de vreemdeling
tien jaren onafgebroken buiten Nederland verblijf heeft gehad en zich
in die periode geen van de gronden, bedoeld in artikel 67, eerste lid,
hebben voorgedaan.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de toepassing van deze afdeling.
Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 69
1. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of
beroepschrift vier weken.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de beroepstermijn één
week, indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 is afgewezen binnen een
bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal dagen, dat niet
de dagen omvat die gemoeid zijn met het aan de asielaanvraag
voorafgaande onderzoek naar de identiteit, vingerafdrukken en
nationaliteit van de vreemdeling, naar de bij hem aangetroffen of door
hem overgelegde documenten en bescheiden, dan wel naar de vraag of
artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, kan worden toegepast.
3. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
is het instellen van beroep als bedoeld in de artikelen 94 en 96 tegen
een besluit als bedoeld in artikel 93 niet aan enige termijn gebonden.
De termijn voor het instellen van het hoger beroep, bedoeld in artikel
95, bedraagt één week.
Artikel 70
1. In afwijking van de artikelen 2:1 en 8:24 van de Algemene wet
bestuursrecht wordt het bezwaar, administratief beroep, het beroep op
de rechtbank of het hoger beroep ingesteld door de vreemdeling in
persoon, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn bijzondere
gemachtigde of een advocaat.
2. Indien de vreemdeling van zijn vrijheid is ontnomen kan hij het
bezwaar, administratief beroep, het beroep op de rechtbank of hoger
beroep ook instellen door middel van de schriftelijke verklaring,
bedoeld in artikel 451a van het Wetboek van Strafvordering
Artikel 71
1. In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht,
is voor beroepen tegen besluiten, gegeven op grond van deze wet de
rechtbank te 's-Gravenhage bevoegd.
2. Tegen een besluit, gegeven op grond van de artikelen 43 en 45,
vierde lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State. De artikelen 70, eerste
lid, en 89 zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Regulier
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 72
1. Deze afdeling is van toepassing indien de afdelingen 3 en 5 van
dit hoofdstuk niet van toepassing zijn.
2. Een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder
begrepen een machtiging tot voorlopig verblijf, wordt voor de
toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een beschikking omtrent
een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens deze wet.
3. Voor de toepassing van deze afdeling wordt met een beschikking
tevens gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien
van een vreemdeling als zodanig.
4. Voor de toepassing van deze afdeling wordt met een beschikking
eveneens gelijk gesteld een kennisgeving als bedoeld in artikel 62a,
eerste lid.
Artikel 73
1. De werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de
intrekking van de verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de
termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief
beroep is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of administratief
beroep is ingesteld, totdat op het bezwaar of administratief beroep is
beslist.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de aanvraag is
afgewezen dan wel de verblijfsvergunning is ingetrokken op de grond,
bedoeld in artikel:
a. 16, eerste lid, onder a of d;
b. 18, eerste lid, onder e;
c. 21, eerste lid, onder e of f;
d. 22, eerste lid, onder c.
3. Het eerste lid is voorts niet van toepassing indien het besluit
inhoudt de afwijzing van een herhaalde aanvraag of indien het
bezwaarschrift of het administratief beroepschrift niet tijdig is
ingediend.
4. Het eerste lid is evenmin van toepassing indien de vreemdeling
rechtens zijn vrijheid is of wordt ontnomen op grond van artikel 59.
5. Het eerste lid is, voor zover het betreft de opschortende
werking gedurende de termijn voor het maken van bezwaar of het
instellen van administratief beroep zolang geen bezwaar is gemaakt of
administratief beroep is ingesteld, niet van toepassing op de
verplichting, bedoeld inartikel 62, eerste lid.
Artikel 74 [Vervallen per 26-03-2008]
Paragraaf 2. Bezwaar
Artikel 75
In afwijking van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan
geen bezwaar worden gemaakt tegen een beschikking die:
a. is gegeven op grond van de artikelen 54, tweede lid, 56 of 59;
b. een aanwijzing inhoudt overeenkomstig de artikelen 55, 57 of
58;
c. een kennisgeving inhoudt overeenkomstig artikel 62a, tweede
lid.
Artikel 76
Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een beschikking op grond van deze
wet die krachtens mandaat is gegeven door of namens de korpschef, wordt
in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht op het bezwaarschrift beslist binnen zestien weken na de
ontvangst van het bezwaarschrift.
Paragraaf 3. Administratief beroep
Artikel 77
1. Tegen een ter uitvoering van deze wet genomen beschikking die
niet door of namens Onze Minister is genomen, met uitzondering van een
beschikking als bedoeld in artikel 72, tweede lid, kan bij Onze
Minister administratief beroep worden ingesteld. Artikel 10:3, tweede
lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid staat geen administratief beroep
open tegen een beschikking die is gegeven op grond van de artikelen 6
en 50, tweede, derde en vierde lid.
Paragraaf 4. Beroep op de rechtbank
Artikel 78
Indien een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan teneinde
uitzetting te voorkomen voordat is beslist op het bezwaar of het
administratief beroep, dat is gericht tegen de beschikking tot afwijzing
van de aanvraag of intrekking van de verblijfsvergunning, beslist de
voorzieningenrechter van de rechtbank zoveel mogelijk tevens over dat
bezwaar of administratief beroep.
Afdeling 3. Asiel
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 79
1. Deze afdeling is slechts van toepassing indien beroep wordt
ingesteld tegen een besluit omtrent een verblijfsvergunning als
bedoeld in de artikelen 28 en 33, of tegen een besluit omtrent
tijdelijke bescherming of toepassing van artikel 45, vierde lid,
indien de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze
over het voornemen van dat besluit te geven.
2. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien beroep
wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 43 en
45, vierde lid.
3. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien in de
voornemenprocedure, bedoeld in de artikelen 39 en 41, de vreemdeling
tevens in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven over
het voornemen niet ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in
artikel 14 te verlenen dan wel over het voornemen om de uitzetting
niet op grond van artikel 64 achterwege te laten.
Artikel 80
Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Paragraaf 2. Beroep op de rechtbank
Artikel 81
In afwijking van de artikelen 8:41, eerste lid, en 8:82, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht wordt door de griffier geen
griffierecht geheven.
Artikel 82
1. De werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning wordt
opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is
ingesteld, op het beroep is beslist.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit
inhoudt:
a. de afwijzing van de aanvraag binnen een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen aantal dagen, dat niet de dagen
omvat die gemoeid zijn met het aan de asielaanvraag voorafgaande
onderzoek naar de identiteit, vingerafdrukken en nationaliteit van
de vreemdeling, naar de bij hem aangetroffen of door hem
overgelegde documenten en bescheiden, dan wel naar de vraag of
artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, kan worden toegepast;
b. de afwijzing van de herhaalde aanvraag;
c. de afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 30, eerste
lid, onder a, of
d. een besluit als bedoeld in de artikelen 43 en 45, vierde
lid.
3. Het eerste lid is niet van toepassing indien het beroepschrift
niet tijdig is ingediend.
4. Het eerste lid is voorts niet van toepassing indien de
vreemdeling rechtens zijn vrijheid is of wordt ontnomen op grond van
artikel 6 of 59.
5. Het eerste lid is, voor zover het betreft de opschortende
werking gedurende de beroepstermijn zolang geen beroep is ingesteld,
niet van toepassing op de verplichting, bedoeld in artikel 62, eerste
lid.
6. Het tweede lid, onder a en b, en het derde en vierde lid zijn
niet van toepassing, indien de vreemdeling tijdelijke bescherming
heeft.
Artikel 83
1. De rechtbank houdt bij de beoordeling van het beroep rekening
met:
a. feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn
aangevoerd, en
b. wijzigingen van beleid die na het bestreden besluit zijn
bekendgemaakt.
2. Met de in het eerste lid bedoelde gegevens wordt slechts
rekening gehouden indien deze relevant kunnen zijn voor de beschikking
omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33, of
omtrent de ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in
artikel 14, dan wel het achterwege laten van de uitzetting op grond
van artikel 64.
3. Met de in het eerste lid bedoelde gegevens wordt geen rekening
gehouden voor zover de goede procesorde zich daartegen verzet of de
afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
4. Indien de indiener van het beroepschrift zich beroept op feiten
of omstandigheden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, maar
deze niet aanstonds aannemelijk maakt, stelt de rechtbank hem zo nodig
in de gelegenheid deze feiten of omstandigheden binnen een door de
rechtbank te bepalen termijn alsnog aannemelijk te maken, tenzij de
goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak
daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
5. Onze Minister laat de wederpartij en de rechtbank zo spoedig
mogelijk schriftelijk weten of de gegevens, bedoeld in het eerste lid,
aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het
bestreden besluit. De rechtbank kan daarvoor een termijn stellen.
6. Indien Onze Minister zich beroept op gegevens als bedoeld in het
eerste lid, biedt de rechtbank de vreemdeling de gelegenheid om daarop
schriftelijk te reageren.
7. Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing indien:
a. aan een schriftelijke reactie redelijkerwijs geen behoefte
bestaat;
b. deze gegevens niet relevant kunnen zijn voor de beschikking
omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33,
of omtrent de ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld
in artikel 14, dan wel het achterwege laten van de uitzetting op
grond van artikel 64;
c. de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening
van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
Afdeling 4. Hoger beroep
Artikel 84
In afwijking van artikel 47, eerste lid, van de Wet op de Raad van
State staat geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank
of van de voorzieningenrechter van de rechtbank:
a. over een besluit of handeling op grond van artikel 6, eerste
lid, hoofdstuk 4 of hoofdstuk 5;
b. over een visum voor een verblijf van drie maanden of minder;
c. na toepassing van artikel 78, of
d. over de toekenning van de vergoeding, bedoeld in artikel 106.
Artikel 85
1. In aanvulling op artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet
bestuursrecht bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de
uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de
rechtbank.
2. Een grief omschrijft het onderdeel van de uitspraak waarmee de
indiener zich niet kan verenigen alsmede de gronden waarop de indiener
zich daarmee niet kan verenigen.
3. Indien niet is voldaan aan het eerste of tweede lid, aan artikel
6:5 van de Algemene wet bestuursrecht of aan enig ander bij de wet
gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het hoger beroep,
wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Artikel 6:6 van de
Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing, indien niet is
voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c
en d, of aan het eerste lid of tweede lid van dit artikel
Artikel 86
1. In afwijking van artikel 51, vierde lid, van de Wet op de Raad
van State bedraagt de termijn binnen welke de bijschrijving of
storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee
weken. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State kan een kortere termijn stellen.
2. In afwijking van artikel 51 van de Wet op de Raad van State
wordt door de secretaris geen griffierecht geheven, indien hoger
beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak die is gedaan met
toepassing van afdeling 3 van dit hoofdstuk.
3. In afwijking van artikel 52 van de Wet op de Raad van State
wordt door de secretaris geen griffierecht geheven voor een verzoek om
voorlopige voorziening indien hoger beroep wordt ingesteld tegen een
uitspraak die is gedaan met toepassing van afdeling 3 van dit
hoofdstuk.
Artikel 87
In afwijking van artikel 48, tweede lid, van de Wet op de Raad van
State zendt de griffier van de rechtbank die de uitspraak heeft gedaan
onverwijld de gedingstukken met een afschrift van de uitspraak en zo
mogelijk onverwijld een afschrift van het proces-verbaal van de zitting
aan de secretaris van de Raad van State.
Artikel 88
1. Op het hoger beroep ishoofdstuk 8 van de Algemene wet
bestuursrecht, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en de artikelen
8:13, 8:41, 8:54, tweede lid, 8:55, 8:74 en 8:82, van overeenkomstige
toepassing, voor zover in deze wet of in hoofdstuk III, afdeling 3,
paragraaf 2 van de Wet op de Raad van State niet anders is bepaald.
2. Artikel 49 van de Wet op de Raad van State is niet van
toepassing.
Artikel 89
1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt
het hoger beroep met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet
bestuursrecht.
2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State doet
uiterlijk drieëntwintig weken na ontvangst van het beroepschrift
uitspraak.
Artikel 90
In afwijking van artikel 8:18, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht wordt een verzoek om wraking van een lid van de
enkelvoudige kamer behandeld door een enkelvoudige kamer waarin de
rechter wiens wraking is verzocht geen zitting heeft.
Artikel 91
1.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan zich
bij haar uitspraak beperken tot een beoordeling van de aangevoerde
grieven.
2.Indien de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden,
kan zij zich bij de vermelding van de gronden van haar uitspraak
beperken tot dit oordeel.
Artikel 92
In afwijking van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht kan
de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
bij zijn uitspraak op een verzoek om voorlopige voorziening ook
onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak doen, indien het verzoek niet ter
zitting is behandeld.
Afdeling 5. Bijzondere rechtsmiddelen
Artikel 93
1. Een aanwijzing op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, of
op grond van artikel 55, eerste lid, de ophouding en de verlenging van
de ophouding bedoeld in artikel 50, tweede, derde en vierde lid, en
een ingevolge hoofdstuk 5 van deze wet genomen maatregel strekkende
tot vrijheidsbeperking of vrijheidsontneming worden voor de toepassing
van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
gelijkgesteld met een besluit.
2. Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing.
3. In afwijking van artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht
wordt door de griffier geen griffierecht geheven.
Artikel 94
1. Uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een
besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als
bedoeld in de artikelen 6, 58 en 59, stelt Onze Minister de rechtbank
hiervan in kennis, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft
ingesteld. Zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen wordt de
vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot
oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep strekt
tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
2. De rechtbank bepaalt onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek
ter zitting. De zitting vindt uiterlijk op de veertiende dag na
ontvangst van het beroepschrift dan wel de kennisgeving plaats. De
rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon dan wel in persoon of
bij raadsman en Onze Minister om bij gemachtigde te verschijnen
teneinde te worden gehoord. In afwijking van artikel 8:42, tweede lid,
van de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde
termijn niet worden verlengd.
3. De rechtbank doet mondeling of schriftelijk uitspraak. De
schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van
het onderzoek gedaan. In afwijking van artikel 8:66, tweede lid, van
de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde termijn
niet worden verlengd.
4. Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de
toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met deze
wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in
redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep
gegrond. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de
maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
5. Het eerste, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op een besluit tot verlenging van een vrijheidsontnemende
maatregel als bedoeld in artikel 59, zesde lid. In afwijking van
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank ook
zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting
achterwege blijft.
Artikel 95
1. In afwijking van artikel 84, onder a, staat tegen de uitspraak
van de rechtbank, bedoeld in artikel 94, derde lid, hoger beroep open
op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2. Afdeling 4 is van toepassing. In afwijking van artikel 84, onder
d, strekt het hoger beroep zich ook uit over de toekenning van
schadevergoeding, bedoeld in artikel 106.
3. In afwijking van de artikelen 51 en 52 van de Wet op de Raad van
State wordt door de secretaris geen griffierecht geheven.
Artikel 96
1.Indien het beroep, bedoeld in artikel 94, ongegrond is verklaard
en de vreemdeling beroep instelt tegen het voortduren van de
vrijheidsontneming, sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een
week na ontvangst van het beroepschrift. In afwijking van artikel 8:57
van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank ook zonder
toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting
achterwege blijft.
2.De rechtbank doet mondeling of schriftelijk uitspraak. De
schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van
het onderzoek gedaan. In afwijking van artikel 8:66, tweede lid, van
de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde termijn
niet worden verlengd.
3.Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de
toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met deze
wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in
redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep
gegrond. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de
maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Artikel 97
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld ten aanzien van de wijze van horen van de vreemdeling.
Artikel 98
1.In afwijking van artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de vreemdeling zich bij de gehoren ingevolge de artikelen 94 en 96
uitsluitend door één of meer van zijn raadslieden doen bijstaan.
2.De raadsman wordt bij het horen in de gelegenheid gesteld de
nodige opmerkingen te maken.
3.Als raadsman wordt slechts toegelaten een in Nederland
ingeschreven advocaat alsmede de persoon bedoeld in artikel 16b dan
wel 16h van de Advocatenwet indien deze samenwerkt met een in
Nederland ingeschreven advocaat, overeenkomstig het bepaalde in
artikel 16e respectievelijk 16j van de Advocatenwet. Onder raadsman
wordt ook verstaan de rechtshulpverlener die in dienst is van de
Stichting Rechtsbijstand Asiel die terzake van de vrijheidsontnemende
maatregelen relevante opleiding en ervaring bezit, en
a. aan wie door een universiteit dan wel de Open Universiteit
als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens
de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of
b. die aan een universiteit dan wel de Open Universiteit als
bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de
titel meester te voeren heeft verkregen.
Artikel 99
1.De vreemdeling is steeds bevoegd een of meer raadslieden te
kiezen.
2.Daartoe is ook zijn wettige vertegenwoordiger of zijn bijzondere
gemachtigde bevoegd.
3.Kan de vreemdeling zijn wil te dien aanzien niet doen blijken en
heeft hij geen wettelijke vertegenwoordiger of bijzondere gemachtigde,
dan is zijn echtgenoot of de meest gerede van zijn hier te lande
verblijvende bloed- of aanverwanten, tot de vierde graad ingesloten,
tot die keuze bevoegd. De voorzieningenrechter kan ambtshalve één of
meer raadslieden toevoegen indien de in de voorgaande volzin bedoelde
personen niet in staat worden geacht de keuze binnen redelijke termijn
te maken.
4.De ingevolge het tweede of derde lid gekozen raadsman treedt af
zodra de vreemdeling zelf een raadsman heeft gekozen.
Artikel 100
1. Op verzoek van de vreemdeling wordt hem een raadsman toegevoegd
zodra hem ingevolge deze wet zijn vrijheid is ontnomen. Artikel 99,
derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Bevoegd tot het geven van een last tot toevoeging aan het
bestuur van de raad voor rechtsbijstand is de voorzieningenrechter van
de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de vreemdeling zich bevindt.
Ingeval hoger beroep is ingesteld op grond van artikel 95, is de
voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
bevoegd tot het geven van de last tot toevoeging aan het bestuur van
de raad voor rechtsbijstand.
3. Voorzover de wet niet op andere wijze in de toevoeging voorziet,
kan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan de vreemdeling op
diens verzoek een raadsman toevoegen.
4. Een overeenkomstig het voorgaande lid gedaan verzoek wordt
ingewilligd in gevallen waarin aannemelijk is dat de vreemdeling niet
in staat is de kosten van een gekozen raadsman te dragen en waarin ook
overigens, naar het oordeel van dat bureau, voldoende grond voor
toevoeging bestaat.
Artikel 101
1.Bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman
wordt zo nodig aan de vreemdeling onverwijld een andere raadsman
toegevoegd.
2.Op verzoek van de toegevoegde raadsman of van de vreemdeling kan
een andere raadsman worden toegevoegd.
3.Toevoeging van een andere raadsman geschiedt door het bureau
bedoeld in artikel 100, tweede of derde lid.
4.Blijkt van de verhindering of ontstentenis van de raadsman pas
tijdens het gehoor ingevolge de artikelen 94 en 96, dan geeft de
voorzitter van de kamer last tot toevoeging van een andere raadsman
aan het bureau bedoeld in artikel 100, tweede of derde lid.
Artikel 102
Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gegeven omtrent de
beloning van toegevoegde raadslieden, met inbegrip van advocaten die
overeenkomstig artikel 101 als raadsman optreden, en de vergoeding van
hun onkosten.
Artikel 103
Indien Onze Minister dit wenselijk oordeelt kan hij de beloning en
vergoeding van een toevoeging ingevolge de artikelen 100 of 101 verhalen
op de goederen van de vreemdeling. Met betrekking tot de wijze van
verhaal en de berekening van de te verhalen bedragen worden regelen
gesteld bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 104
De raadsman heeft vrije toegang tot de vreemdeling. Hij kan hem
alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door
anderen kennis wordt genomen, een en ander onder het vereiste toezicht
en met in achtneming van ingevolge deze wet gestelde regelen met
betrekking tot het voor de ruimte of plaats, waar de vreemdeling zich
bevindt, geldende regime.
Artikel 105
Met betrekking tot de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen
ingevolge de artikelen 94 tot en met 101 zijn de artikelen 585 tot en
met 590 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 106
1. Indien de rechtbank de opheffing van een maatregel strekkende
tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds
voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel
wordt opgeheven, kan zij aan de vreemdeling een vergoeding ten laste
van de Staat toekennen. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet
in vermogensschade bestaat. De artikelen 90 en 93 van het Wetboek van
Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. Indien de
vreemdeling na het indienen van zijn verzoek is overleden, geschiedt
de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de opheffing van de
maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt.
Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
Paragraaf 1. Gegevensverstrekking
Artikel 107
1. Onze Minister onderscheidenlijk de korpschef verstrekken andere
bestuursorganen de gegevens betreffende de verblijfsrechtelijke
positie van de vreemdeling welke zij behoeven ter uitvoering van hun
taak.
2. Andere bestuursorganen zijn bevoegd uit eigen beweging en
verplicht desgevraagd Onze Minister onderscheidenlijk de korpschef de
gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
deze wet. Deze bestuursorganen kunnen daarbij gebruik maken van het
burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde gegevensverstrekking
vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene
daardoor onevenredig wordt geschaad.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent
de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens dienen
te worden verstrekt.
5. Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid worden
met bestuursorganen gelijkgesteld instellingsbesturen van uit de
openbare kas bekostigde instellingen en bevoegde gezagsorganen van uit
de openbare kas bekostigde scholen en instellingen.
Artikel 107a
1. Bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet
bescherming persoonsgegevens kunnen worden verwerkt, voor zover deze
gegevens noodzakelijk zijn voor de doelmatige en doeltreffende
uitvoering van de grensbewaking, de toelating, het verblijf en de
uitzetting van vreemdelingen en het toezicht op vreemdelingen op grond
van deze wet dan wel de Schengengrenscode.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verwerkt door of
namens Onze Minister en de in de artikelen 46 tot en met 48 aangewezen
ambtenaren. Zij kunnen worden verwerkt door derden, voor zover deze
betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet of de Schengengrenscode
en daartoe noodzakelijkerwijs de beschikking over deze gegevens moeten
verkrijgen.
3. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ter
waarborging van de persoonlijke levenssfeer. Daarbij wordt in ieder
geval geregeld:
a. op welke wijze de verwerking, bedoeld in het eerste lid,
plaatsvindt;
b. op welke wijze door passende technische en organisatorische
maatregelen deze gegevens worden beveiligd tegen verlies of
onrechtmatige verwerking;
c. welke gegevens, aan welke personen of instanties, voor welk
doel en op welke wijze kunnen worden verstrekt;
d. op welke wijze wordt gewaarborgd dat de verwerkte
persoonsgegevens slechts worden verwerkt voor het doel waarvoor ze
zijn verzameld of voor zover het verwerken met dat doel
verenigbaar is, alsmede hoe daarop wordt toegezien.
Paragraaf 2. Strafbepalingen
Artikel 108
1. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
tweede categorie wordt gestraft overtreding van bij ministeriële
regeling aan te wijzen voorschriften vastgesteld bij of krachtens de
Schengengrenscode, overtreding van een voorschrift, vastgesteld bij of
krachtens de artikelen 5, eerste en tweede lid, 46, tweede lid,
aanhef, en onder b, alsmede handelen in strijd met artikel 56, eerste
lid, dan wel handelen in strijd met een verplichting opgelegd bij of
krachtens de artikelen 6, eerste lid, 54, 55, 57, eerste lid, 58,
eerste lid, of65, derde lid.
2. Overtreding van een voorschrift, vastgesteld bij of krachtens
artikel 4, eerste tot en met derde lid, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
3. De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten worden
beschouwd als overtredingen.
4. Met de opsporing van de in het eerste lid strafbaar gestelde
feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering, belast de ambtenaren belast met de grensbewaking en
ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht. Deze ambtenaren zijn
tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de
artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht,
voor zover deze feiten betrekking hebben op een aanwijzing, vordering
of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
5. In afwijking van het eerste lid wordt handelen in strijd met een
verplichting, opgelegd bij of krachtens artikel 54, eerste lid, onder
b of e, gestraft met ten hoogste een hechtenis van een maand of een
geldboete van de tweede categorie, indien het feit wordt begaan door
een gemeenschapsonderdaan. Het derde lid en de eerste volzin van het
vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de vreemdeling die in Nederland verblijft terwijl hij weet of ernstige
reden heeft te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod is
uitgevaardigd, indien het inreisverbod is gegeven anders dan met
toepassing van artikel 66a, zevende lid. Het derde lid en de eerste
volzin van het vierde lid zijn eveneens van overeenkomstige
toepassing.
Paragraaf 3. Afwijkingen
Artikel 109
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, ter uitvoering van
een voor Nederland bindend verdrag, EU-verordening, -richtlijn
of-besluit, bepalingen van deze wet geheel of gedeeltelijk buiten
werking worden gesteld, indien dat, naar het gevoelen van de
Ministerraad, noodzakelijk is om binnen twaalf maanden uitvoering te
geven aan het verdrag of het besluit en daartoe deze wet in
overeenstemming moet worden gebracht met het verdrag of het besluit.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
3. Onze Minister bevordert dat zo spoedig mogelijk na de
vaststelling van een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene
maatregel van bestuur een voorstel van wet bij de Staten-Generaal
wordt ingediend, dat ertoe strekt de wet in overeenstemming te brengen
met het verdrag of besluit, bedoeld in het eerste lid. Indien het
voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers der
Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de
algemene maatregel van bestuur terstond ingetrokken. Indien het
voorstel tot wet wordt verheven, vervalt de algemene maatregel van
bestuur op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
4. Ter uitvoering van een verdrag, EU-verordening, -richtlijn of
-besluit, op grond waarvan de grenscontrole plaatsvindt aan
buitengrenzen, wordt in de artikelen 5, tweede lid, 54, eerste lid,
aanhef en onder a en e, 56, tweede lid, 59, derde lid, en 66a, vierde
lid, onder«Nederland» mede verstaan de gebieden waarop dat verdrag,
die verordening, die richtlijn of dat besluit van toepassing is.
5. Ter uitvoering van een verdrag, EU-verordening, -richtlijn of
-besluit, bedoeld in het vierde lid, wordt in artikel 3, eerste lid,
en artikel 12, eerste lid, onder «openbare orde» alsmede «nationale
veiligheid» steeds mede verstaan de openbare orde in,
onderscheidenlijk de nationale veiligheid van andere bij dat verdrag
aangesloten staten.
Artikel 110
1.Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-president, artikel 111 in werking worden
gesteld.
2.Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent
het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde bepaling.
3.Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan
wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-president, de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-president, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden
dit naar Ons oordeel toelaten.
5.Het besluit als bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6.Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in
ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 111 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in
werking treden.]
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels voor het geval van
buitengewone omstandigheden worden gesteld, die afwijken van de
hoofdstukken 1 tot en met 7.
Paragraaf 4. Verblijf op grond van internationale verplichtingen
Artikel 112
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter
uitvoering van een verdrag, dan wel van een voor Nederland verbindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie regels worden gesteld in
verband met het rechtmatig verblijf van vreemdelingen, waarbij ten
gunste van deze vreemdelingen kan worden afgeweken van deze wet.
Paragraaf 5. Bepalingen van internationaal privaatrecht en overige
bepalingen
Artikel 113 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 114
Een vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel
28 of artikel 33 is verleend, geniet dezelfde behandeling als een
Nederlander, wat betreft rechtsingang, waaronder begrepen rechtsbijstand
en vrijstelling van de cautio judicatum solvi.
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 115
1. Een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldige
verblijfstitel wordt op dat tijdstip met inachtneming van het tweede
tot en met zevende lid van rechtswege aangemerkt als een
verblijfsvergunning op grond van deze wet.
2. Een vergunning tot verblijf met beperkingen, wordt, onder
handhaving van de beperkingen en de geldigheidsduur, aangemerkt als
een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14.
3. Een vergunning tot vestiging wordt aangemerkt als een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20.
4. Een vergunning tot verblijf zonder beperkingen wordt aangemerkt
als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
5. Een toelating krachtens artikel 10, tweede lid, van de
Vreemdelingenwet zoals dit luidde voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, wordt aangemerkt als een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20.
6. Een voorwaardelijke vergunning tot verblijf wordt, onder
handhaving van de geldigheidsduur, aangemerkt als een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28.
7. Een toelating als vluchteling wordt aangemerkt als een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33.
Artikel 116
Gedurende drie jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet worden de inkomenseisen als bedoeld in artikel 16, eerste lid,
onderdeel c, en artikel 18, eerste lid, onderdeel d, niet toegepast op:
a. Nederlanders, of
b. de vreemdeling die op het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet was toegelaten.
In plaats daarvan blijft het recht zoals het gold voor het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet van toepassing.
Artikel 117
1. Een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in
behandeling zijnde aanvraag:
a. tot verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf,
b. tot verlening van een vergunning tot vestiging, of
c. tot toelating als vluchteling, wordt aangemerkt als een
aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van
deze wet.
2. Op de behandeling van aanvragen als bedoeld in het eerste lid
blijft het recht dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet van toepassing.
Artikel 118
1. Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een
besluit op grond van de Vreemdelingenwet dat is bekendgemaakt, dan wel
een handeling op grond van de Vreemdelingenwet die is verricht voor
het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals
het gold voor dat tijdstip van toepassing.
2. Op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit op
grond van de Vreemdelingenwet dat is bekendgemaakt, dan wel een
handeling op grond van de Vreemdelingenwet die is verricht voor het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals het
gold voor dat tijdstip van toepassing.
3. Op de verplichting om de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken
te horen, is het tweede lid slechts van toepassing voorzover
advisering ingevolge een verdrag of een Nederland bindend besluit van
een volkenrechtelijke organisatie, dan wel ingevolge een
onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak verplicht is.
Artikel 119
1. Ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen
een besluit op grond van de Vreemdelingenwet dat is bekendgemaakt, dan
wel een handeling op grond van de Vreemdelingenwet die is verricht
voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht
zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing.
2. Artikel 82 is niet van toepassing op een beroep tegen:
a. een besluit als bedoeld in het eerste lid, of
b. een op bezwaar genomen beslissing.
3. Ten aanzien van de hoogte van het griffierecht voor een beroep
of een verzoek om voorlopige voorziening tegen een besluit of
handeling als bedoeld in het eerste lid, blijft het recht zoals dat
gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van
toepassing.
Artikel 120
Hoger beroep als bedoeld in artikel 84 kan slechts worden ingesteld
tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de
rechtbank over een besluit dat is bekendgemaakt na het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, met uitzondering van een beslissing op
bezwaar gericht tegen een besluit bekendgemaakt voor inwerkingtreding
van de wet.
Artikel 121
1.Afdeling 5 van hoofdstuk 7 is niet van toepassing op een
maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking op grond van de
Vreemdelingenwet die is genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding
van deze wet. In plaats daarvan blijft het recht zoals het gold voor
dat tijdstip van toepassing.
2.Ten aanzien van de vreemdeling aan wie op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet zijn vrijheid is ontnomen, blijft het
recht zoals het gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet van toepassing tot op het tijdstip waarop voor de eerste maal een
kennisgeving als bedoeld in artikel 96, eerste lid, eerste volzin,
wordt gedaan dan wel de vreemdeling zelf beroep heeft ingesteld.
Daarbij geldt een uitspraak van de rechtbank gedaan op een beroep als
bedoeld in artikel 7a, zesde en zevende lid, artikel 18b, derde en
vierde lid, van de Vreemdelingenwet en artikel 34a, tweede lid, van de
Vreemdelingenwet in verbinding met artikel 86 van het
Vreemdelingenbesluit, dan wel een uitspraak gedaan op een beroep dat
de vreemdeling zelf heeft ingesteld, als een uitspraak op een beroep
als bedoeld in artikel 94 van deze wet. Indien de vreemdeling geen
beroep tegen de maatregel strekkende tot vrijheidsontneming heeft
ingesteld, wordt de kennisgeving uiterlijk op de achtentwintigste dag
na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gedaan.
Artikel 122
De Vreemdelingenwet wordt ingetrokken.
Artikel 123
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld.
Artikel 124
Deze wet wordt aangehaald als: Vreemdelingenwet 2000.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 november 2000
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Staatssecretaris van Justitie,
M.J. Cohen
Uitgegeven de zevende december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|