| |
|
|
|
|
vorige
WARENWET
(WaW)
Tekst zoals deze geldt op
19 juli 2010
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit aanwijzing artikelen welke worden beschouwd als waren in
de zin van de Warenwet
- Besluit gastoestellen
- Besluit medische hulpmiddelen
- Hoeveelheidsaanduidingenbesluit (Warenwet)
- Kaderbesluit etikettering energiegebruik huishoudelijke apparatuur
- Productenbesluit
asbest
- Warenwetbesluit algemene chemische produktveiligheid
- Warenwetbesluit algemene productveiligheid
- Warenwetbesluit bereiding en behandeling van levensmiddelen
- Warenwetbesluit bestuurlijke boeten
- Warenwetbesluit etikettering van levensmiddelen
- Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen
- Warenwetbesluit levensmiddelenadditieven
(vervallen)
- Warenwetbesluit toevoeging microvoedingsstoffen aan
levensmiddelen
- Warenwetbesluit voedingswaarde-informatie levensmiddelen
- Warenwetregeling gebruik van additieven met uitzondering van
kleurstoffen en zoetstoffen in levensmiddelen
- Warenwetregeling
gebruik van kleurstoffen in levensmiddelen'
WET van 28 december 1935, houdende
voorschriften betreffende de hoedanigheid en aanduiding van waren
WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen,
salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in
verband met de huidige omstandigheden gewijzigde wettelijke
voorschriften vast te stellen ter bevordering van de goede hoedanigheid
van waren, en regelen vast te stellen betreffende de aanduiding van
waren;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. waren: roerende zaken waaronder eetwaren, met inbegrip van
kauwpreparaten andere dan tabak, en drinkwaren alsmede bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen onroerende zaken;
b. eet- en drinkwaren: levensmiddelen, bedoeld in artikel 2 van
verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de
Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene
beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot
oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en
tot vaststelling van procedures voor
voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG L 31);
c. technisch voortbrengsel: iedere technisch voortgebrachte
waar, niet zijnde een eet- of drinkwaar;
d. Onze Minister:
1°. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
dan wel
2°. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
voor zover het te nemen besluit of te regelen onderwerp voor
beroepsmatige toepassing bestemde technische voortbrengselen
betreft of indien het te nemen besluit of te regelen onderwerp
liften, schiethamers, containers, drukvaten van eenvoudige
vorm of drukapparatuur en samenstellen daarvan dan wel
explosieveilig materieel betreft;
e. verhandelen: het te koop aanbieden, uitstallen,
tentoonstellen, verkopen, afleveren of voorhanden of in voorraad
hebben van een waar;
f. bijlage: de bijlage, bedoeld in artikel 32b;
g. verordening (EEG) nr. 2913/92: verordening (EEG) nr. 2913/92
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot
vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302).
2. Deze wet is niet van toepassing ten aanzien van hetgeen
geschiedt in de sfeer van de particuliere huishouding of van een
daarmee bij algemene maatregel van bestuur gelijkgestelde andere
huishouding, met dien verstande dat bij algemene maatregel van bestuur
ten aanzien van technische voortbrengselen anders kan worden bepaald.
3. Deze wet is ten aanzien van het voorhanden of in voorraad hebben
van een waar niet van toepassing indien aannemelijk kan worden gemaakt
dat de waar niet voor aflevering en indien het een technisch
voortbrengsel betreft, tevens niet voor gebruik bestemd is. Voorts is
deze wet ten aanzien van het afleveren van een waar niet van
toepassing indien aannemelijk kan worden gemaakt dat het afleveren
geschiedt ter vernietiging van de waar of om de waar in
overeenstemming te brengen met regels, bij of krachtens deze wet met
betrekking tot die waar gesteld.
4. Bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels kunnen een
beperking inhouden tot daarbij omschreven categorieën van gevallen.
Met betrekking tot het verhandelen van waren kunnen zij eveneens een
beperking inhouden tot een of meer der in het eerste lid als
verhandelen aangemerkte handelingen.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van
verplichtingen voortvloeiende uit een internationaal verdrag voorts
krachtens deze wet gestelde regels, bij de maatregel aangegeven, ten
aanzien van waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen
categorie, of voor bij de maatregel omschreven categorieën van
gevallen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing worden verklaard.
Van de plaatsing van de algemene maatregel van bestuur wordt
onverwijld mededeling gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 1a
Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing
op:
a. technische voortbrengselen die worden gebruikt in de
exclusieve economische zone bij de arbeid op, vanaf of ten behoeve
van civieltechnische werken, dan wel bij het afbreken van een
dergelijk werk;
b. eet- en drinkwaren die worden verhandeld op civieltechnische
werken in de exclusieve economische zone.
Artikel 2
1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van
de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone
omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, artikel 2a in werking worden
gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt
onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent
het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking
gestelde bepaling.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen,
dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in
werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden
dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 2a
Onze Minister van Defensie kan gebieden aanwijzen, waarin deze wet
niet van toepassing is op voor militair gebruik bestemde waren.
Artikel 3
Met betrekking tot waren kunnen ter uitvoering van de artikelen 1a en
4 tot en met 9, regels worden gesteld:
a. in het belang van de volksgezondheid, van de veiligheid, van
de eerlijkheid in de handel of van goede voorlichting omtrent waren,
en
b. indien het technische voortbrengselen betreft, tevens in het
belang van de gezondheid van de mens of van de veiligheid van zaken.
Artikel 4
1. Ten behoeve van het weren van waren
a. die bij aanwending overeenkomstig redelijkerwijze te
verwachten gebruik uit het oogpunt van gezondheid of veiligheid
schadelijk kunnen zijn,
b. die, indien het technische voortbrengselen betreft, een
gevaar kunnen opleveren voor de gezondheid van de mens of de
veiligheid van zaken, of
c. waarvan bij zodanige aanwending de voedings- of
gebruikswaarde geringer is dan in redelijkheid ten minste mag
worden verlangd,
kan bij algemene maatregel van bestuur worden verboden waren,
behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, te bereiden,
te vervaardigen, te verhandelen of voor een bij het verbod aangegeven
doel te verwerken of te bezigen, die niet voldoen aan de eisen, bij de
maatregel gesteld met betrekking tot hun samenstelling of uitvoering
of met betrekking tot hun hoedanigheid of eigenschappen.
2. De eisen, bedoeld in het eerste lid, kunnen voor wat betreft
technische voortbrengselen onder meer betrekking hebben op:
a. het ontwerp;
b. de toegepaste materialen;
c. de samenstelling of constructie;
d. de beveiliging of beveiligingsmiddelen; of
e. de aan te brengen kentekenen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan in de in het eerste lid
aangegeven gevallen ten aanzien van technische voortbrengselen tevens
het gebruik daarvan worden verboden.
4. Met betrekking tot eet- of drinkwaren die een wezenlijk
onderdeel van het gangbare voedingspakket uitmaken, kan bij algemene
maatregel van bestuur aan het eerste lid overeenkomstige toepassing
worden gegeven ter bevordering van de aanwezigheid in die waren van
uit het oogpunt van gezondheid belangrijke voedingsstoffen. Bij
zodanige maatregel wordt tevens voorzien in een vrijstelling voor de
betrokken eet- of drinkwaren waarin de desbetreffende voedingsstoffen
niet of in geringere mate aanwezig zijn, onder de voorwaarde dat wordt
voldaan aan bij die maatregel gestelde voorschriften met betrekking
tot het bezigen van vermeldingen of voorstellingen betreffende de
afwezigheid of de geringere mate van aanwezigheid van de
desbetreffende voedingsstoffen.
5. In de gevallen waarin ter zake van het verwerken of bezigen van
een waar een krachtens het eerste of vierde lid gesteld verbod geldt,
is het tevens verboden die waar voorhanden of in voorraad te hebben.
Het in de vorige volzin bepaalde geldt niet indien aannemelijk kan
worden gemaakt dat de waar niet voor een met het gestelde verbod
stijdige toepassing bestemd is.
6. Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in het vierde lid, wordt alvorens de voordracht wordt gedaan, aan
beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen 30 dagen vanaf de
dag, waarop de overlegging is geschied kan door een der Kamers of door
ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der
Kamers de wens worden te kennen gegeven dat het in het ontwerp te
regelen onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe
strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 5
1. Voor de doeleinden, omschreven in artikel 4, eerste lid, onder
a, b en c, en vierde lid, kan voorts bij algemene maatregel van
bestuur worden verboden waren, behorende tot een bij de algemene
maatregel aangewezen categorie, te bereiden, te vervaardigen, te
behandelen, te bewerken, te verwerken, te verpakken, te bewaren, te
vervoeren of te gebruiken:
a. anders dan met inachtneming van daaromtrent bij de maatregel
gestelde voorschriften,
1°. betrekking hebbende op de wijze waarop bedoelde
handelingen worden verricht, op voorwerpen, gereedschappen of
materialen die bij het verrichten van bedoelde handelingen
worden gebezigd, of op de - al dan niet besloten - ruimten
waarin bedoelde handelingen plaatshebben, en hetgeen in of bij
die ruimten aanwezig is, of
2°. bevattende de eisen van hygiëne, geldende ten aanzien
van personen die bij het verrichten van bedoelde handelingen
betrokken zijn;
b. zonder vergunning, verleend door Onze Minister of door een
bij de maatregel aangewezen bestuursorgaan;
c. voordat Onze Minister of een bij de maatregel aangewezen
bestuursorgaan op de hoogte is gesteld van bij de maatregel
aangewezen gegevens betreffende de samenstelling van de waar.
2. Voor de doeleinden, omschreven in artikel 4, eerste lid, onder a
en b, kan ten aanzien van bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen technische voortbrengselen, tevens bij algemene maatregel van
bestuur worden verboden die technische voortbrengselen te gebruiken,
te installeren, te monteren, te herstellen, te onderhouden, na te zien
of ten toon te stellen:
a. anders dan met inachtneming van daaromtrent bij algemene
maatregel van bestuur gestelde voorschriften,
1°. bevattende eisen van deskundigheid, geldende ten
aanzien van personen die bij het verrichten van bedoelde
handelingen betrokken zijn;
2°. betrekking hebbende op het voorhanden zijn en
bijhouden van documenten, zoals certificaten, logboeken of
gebruiksaanwijzingen;
3°. betrekking hebbende op het stilzetten, het afsluiten,
het voorzien van opschriften, het merk van afkeuring of het
niet bestemd zijn voor gebruik.
b. zonder vergunning, verleend door Onze Minister of door een
bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorgaan.
3. Onze Minister kan in gevallen waarin bij toepassing van het
eerste lid, onder b, de bevoegdheid tot verlening van vergunning is
toegekend aan een ander bestuursorgaan, niet zijnde een of meer van
Onze Ministers, ten aanzien van de uitoefening van die bevoegdheid
regels stellen.
4. Een vergunning als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
slechts worden geweigerd indien gegronde vrees bestaat dat de
uitoefening van de werkzaamheid waarvoor zij is gevraagd, niet zal
voldoen aan hetgeen met betrekking tot de onderwerpen, in het eerste
lid, onder a, en het tweede lid, omschreven, voor de in de aanhef van
die leden bedoelde doeleinden moet worden verlangd. Een vergunning kan
onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen
voorschriften worden verbonden, betrekking hebbende op de in de eerste
volzin bedoelde onderwerpen. Voor zover zulks bij algemene maatregel
van bestuur is bepaald, kan een verleende vergunning worden gewijzigd
of ingetrokken.
5. Bij toepassing van het eerste lid, onder b, worden bij algemene
maatregel van bestuur regels gesteld betreffende de wijze waarop de
aanvrage om een vergunning dient te geschieden, en de gegevens die van
de aanvrager kunnen worden verlangd.
6. In gevallen waarin toepassing is gegeven aan het eerste of het
tweede lid, kan bij algemene maatregel van bestuur tevens worden
verboden waren te verhandelen, met betrekking tot welke in afwijking
van de bij of krachtens de voorgaande leden gestelde voorschriften is
gehandeld.
Artikel 6
Voor de doeleinden, omschreven in artikel 4, eerste lid, onder a en
b, en tweede lid, kan eveneens bij algemene maatregel van bestuur worden
verboden:
a. waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen
categorie, te verhandelen of voor wat betreft technische
voortbrengselen, tevens te gebruiken, die in een toestand verkeren,
welke niet voldoet aan de daaromtrent bij de maatregel gestelde
eisen;
b. waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen
categorie, te bereiden, te vervaardigen of te verhandelen, die niet
voldoen aan de eisen, bij de maatregel gesteld met betrekking tot
hun houdbaarheid;
c. waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen
categorie, te verhandelen of voor wat betreft technische
voortbrengselen, tevens te gebruiken na het verstrijken van een bij
de maatregel met het oog op hun houdbaarheid gestelde termijn;
d. waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen
categorie, te verhandelen anders dan in een verpakking, dan wel
zodanige waren te verhandelen in verpakkingen die niet voldoen aan
de daaromtrent bij de maatregel gestelde eisen.
Artikel 7
Voor de doeleinden, omschreven in artikel 4, kan bij algemene
maatregel van bestuur worden verboden technische voortbrengselen,
behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, te verhandelen
of te gebruiken, indien ten aanzien van die technische voortbrengselen
bij of krachtens die maatregel voorgeschreven keurings- of
beoordelingsprocedures niet in acht zijn genomen.
Artikel 7a
1. Onze Minister wijst op aanvraag een of meerdere instellingen
aan, die met betrekking tot door hem te bepalen technische
voortbrengselen bevoegd zijn tot het uitvoeren van de door hem aan te
wijzen werkzaamheden in de voor die technische voortbrengselen
voorgeschreven keurings- of beoordelingsprocedures.
2. Een aangewezen instelling is bevoegd om met inachtneming van de
door Onze Minister gegeven aanwijzingen, onderdelen van de door haar
te verrichten werkzaamheden door anderen te doen verrichten.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de gronden waarop de in het eerste lid bedoelde
aanwijzing kan worden gegeven, ingetrokken dan wel gewijzigd.
4. Aan een aanwijzing krachtens het eerste lid kunnen voorschriften
worden verbonden.
5. Onze Minister kan voor de uitvoering van de in het eerste en
tweede lid bedoelde werkzaamheden maximumtarieven vaststellen.
Artikel 7b
Onze Minister ziet toe op de rechtmatige en doeltreffende uitvoering
van het bepaalde bij of krachtens deze wet door een krachtens artikel 7a
aangewezen instelling.
Artikel 7c
1. Een krachtens artikel 7a aangewezen instelling verstrekt
desgevraagd kosteloos aan Onze Minister de voor de uitoefening van
zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen
van zakelijke gegevens en bescheiden voor zover dat voor de vervulling
van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
2. Een krachtens artikel 7a aangewezen instelling zendt Onze
Minister jaarlijks een verslag betreffende de door de instelling
krachtens de aanwijzing uitgevoerde werkzaamheden, de rechtmatigheid
en doeltreffendheid van die werkzaamheden en de werkwijze in het
afgelopen jaar. Onze Minister kan met betrekking tot dit verslag
nadere regels stellen.
Artikel 7d
1. Onze Minister kan een krachtens artikel 7a aangewezen instelling
algemene aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van haar
taak.
2. De instelling is gehouden overeenkomstig de aanwijzingen te
handelen.
Artikel 7e
1. Indien naar het oordeel van Onze Minister een krachtens artikel
7a aangewezen instelling de werkzaamheden, bedoeld in artikel 7a,
eerste lid, niet of niet naar behoren vervult, kan Onze Minister de
noodzakelijke voorzieningen treffen.
2. De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, worden spoedeisende
gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat de instelling
in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te
stellen termijn alsnog haar werkzaamheden naar behoren uit te voeren.
Artikel 8
1. Ten behoeve van de duidelijkheid voor de afnemers van waren kan
bij algemene maatregel van bestuur worden verboden:
a. waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen
categorie, te verhandelen anders dan met inachtneming van de
voorschriften, bij de maatregel gesteld met betrekking tot hun
aanduiding;
b. met gebruikmaking van de bij de maatregel aangegeven - of
daarop gelijkende - aanduidingen andere waren te verhandelen dan
die waaraan die aanduidingen bij de maatregel zijn voorbehouden;
c. waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen
categorie, te verhandelen anders dan met inachtneming van de
voorschriften, bij de maatregel gesteld met betrekking tot het
bezigen van vermeldingen of voorstellingen, betreffende: de aard,
samenstelling, uitvoering, hoedanigheid, eigenschappen,
bestemming, houdbaarheid, hoeveelheid of afmetingen van de waar,
de wijze en het tijdstip waarop de waar is bereid, vervaardigd,
behandeld, bewerkt of verpakt, de herkomst van de waar, de
personen die bij de maatregel aangegeven handelingen ten aanzien
van de waar hebben verricht, alsmede de wijze waarop met
betrekking tot de waar ware te handelen, en de uitwerking die de
waar bij gebruik kan hebben op de gezondheid van de mens;
d. waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen
categorie, te verhandelen - dan wel zodanige waren in verpakte
vorm te verhandelen - anders dan in verpakkingen die aan de
daaromtrent bij de maatregel gestelde eisen voldoen, of anders dan
in verpakkingen die voorzien zijn van de daarvoor bij de maatregel
voorgeschreven vermeldingen, de verpakking als zodanig
betreffende;
e. waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen
categorie, te verhandelen - dan wel zodanige waren in verpakte
vorm te verhandelen - anders dan in verpakkingen die een bij de
maatregel aangegeven hoeveelheid, bepaald naar de waar als zodanig
of naar bij de maatregel omschreven bestanddelen daarvan, inhouden
en waarop die hoeveelheid is vermeld, dan wel zodanige waren te
verhandelen anders dan in eenheden, een bij de maatregel
aangegeven hoeveelheid als hiervoor bedoeld uitmakende;
f. waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen
categorie, te verhandelen, die van een andere dan bij de maatregel
aangegeven samenstelling of uitvoering zijn.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan zich tevens
uitstrekken tot het gebruik van technische voortbrengselen.
Artikel 9
Voor de doeleinden, omschreven in artikel 4, eerste lid, onder a en
b, en in artikel 8, aanhef, kan bij algemene maatregel van bestuur
worden verboden waren behorende tot een bij de maatregel aangewezen
categorie:
a. binnen Nederlands grondgebied te brengen;
b. binnen Nederlands grondgebied te brengen anders dan met
inachtneming van de bij de maatregel gestelde voorschriften.
Artikel 10
De krachtens de artikelen 1a en 4 tot en met 9 ten aanzien van waren,
behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, gestelde eisen
of voorschriften kunnen betrekking hebben op een bij die maatregel
omschreven groep van waren.
Artikel 11
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
degenen die zich bezighouden met het verhandelen van waren, behorende
tot een daartoe bij de maatregel aangewezen categorie, verplicht zijn
de daarbij omschreven maatregelen te treffen, strekkende ter
bevordering van een goede naleving van het ten aanzien van die waren
bij of krachtens deze wet bepaalde. Tot deze maatregelen kunnen
behoren het onderwerpen van waren aan een onderzoek, het toetsen van
waren aan de hand van een onderzoek van uit die waren genomen
steekproeven, al dan niet met toepassing van een erkend
bedrijfscontrole-systeem, het voeren van een administratie en het
aanbrengen of het aangebracht houden van kentekens of vermeldingen ten
behoeve van een doelmatig toezicht dan wel een doelmatige
douanecontrole als bedoeld in de Algemene douanewet op bedoelde
naleving, een en ander overeenkomstig de voorschriften, bij algemene
maatregel van bestuur daaromtrent gesteld.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het
degene voor wie een krachtens het eerste lid gestelde verplichting
geldt, verboden is waren te verhandelen, ten aanzien waarvan de
vereiste maatregelen niet zijn genomen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan voorts worden bepaald,
dat het degene voor wie krachtens het eerste lid de verplichting geldt
tot het toetsen van waren aan de hand van een onderzoek van een uit
die waren genomen steekproef, is verboden waren met betrekking waartoe
bij zodanige toetsing een ongunstig resultaat wordt verkregen, te
verhandelen, dan wel te verhandelen alvorens ten aanzien van die waren
de maatregelen zijn genomen die bij die algemene maatregel van bestuur
zijn voorgeschreven.
4. Bij een algemene maatregel van bestuur, waarbij met toepassing
van het eerste lid de verplichting is opgelegd tot het toetsen van
waren met toepassing van een erkend bedrijfscontrolesysteem, worden
regelen gesteld omtrent de aanvrage tot erkenning van een zodanig
systeem, de hoogte van het bedrag dat voor de werkzaamheden,
voortvloeiende uit de behandeling van de aanvrage, is verschuldigd, de
betaling van dat bedrag, de wijze van mededeling van een besluit
inzake erkenning en omtrent de weigering of intrekking van een
erkenning. Bij een zodanige maatregel kan aan Onze Minister de
bevoegdheid of de verplichting worden opgelegd de instantie aan te
wijzen die de erkenning van een bedrijfscontrolesysteem kan verlenen
en intrekken.
5. Bij een algemene maatregel van bestuur waarbij met toepassing
van het eerste lid de verplichting is opgelegd tot het aanbrengen of
het aangebracht houden van kentekens of vermeldingen, kan worden
bepaald dat het verboden is waren die niet behoren tot de categorie
waarop de kentekens of vermeldingen moeten zijn aangebracht, te
verhandelen met gebruikmaking van die - of daarop gelijkende -
kentekens of vermeldingen.
Artikel 11a
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven dat de
eigenaar of houder van bij de maatregel aangewezen technische
voortbrengselen, verplicht is aangifte te doen van elke aanleg, opbouw
of plaatsing van die technische voortbrengselen bij Onze Minister dan
wel bij een door Onze Minister aangewezen instelling, met inachtneming
van de bij die algemene maatregel van bestuur bepaalde termijnen.
Artikel 12
Bij algemene maatregel van bestuur kan een daartoe omschreven methode
van onderzoek worden aangewezen, die bij uitsluiting beslissend is voor
de vaststelling of met betrekking tot een waar, behorende tot een bij de
maatregel aangewezen categorie, al dan niet is voldaan aan bij of
krachtens deze wet gestelde regels, bij de maatregel aangegeven.
Artikel 13
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts regels worden
gesteld ter uitvoering van een met betrekking tot waren tot stand
gekomen bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het
Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen dat betreft:
a. een der in artikel 3 bedoelde belangen; of
b. het heffen van een retributie voor de kosten die verbonden
zijn aan krachtens het desbetreffende besluit voorgeschreven
keuringen of controles.
Artikel 13a
1. Ter uitvoering van een krachtens het Verdrag tot oprichting van
de Europese Gemeenschap met betrekking tot waren tot stand gekomen
bindend besluit inzake de toelating van eet- of drinkwaren, kan Onze
Minister, voor zover van toepassing in overeenstemming met Onze
Ministers wie het mede aangaat, op aanvraag een instantie aanwijzen
die belast zal zijn met:
a. de beoordeling van eet- of drinkwaren;
b. daarmee samenhangende werkzaamheden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur:
a. kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gronden
waarop de in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan worden
gegeven, ingetrokken dan wel gewijzigd;
b. kan worden bepaald dat overeenkomstig daarbij te stellen
regels een retributie kan worden geheven voor de kosten die
verbonden zijn aan de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden.
3. Aan een aanwijzing krachtens het eerste lid kunnen voorschriften
worden verbonden.
Artikel 14
Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 1a of
de artikelen 4 tot en met 13a kan worden bepaald dat Onze Minister, met
betrekking tot onderwerpen die in de maatregel zijn geregeld, nadere
regels kan dan wel moet stellen. Bij de maatregel kan worden bepaald dat
het stellen van zodanige regels geschiedt in overeenstemming met een of
meer van Onze daarbij aangewezen andere Ministers, dan wel door Onze
daarbij aangewezen Ministers gezamenlijk.
Artikel 15
1. In gevallen waarin een spoedige voorziening krachtens de
artikelen 1 of 1a, dan wel krachtens de artikelen 4 tot en met 14 in
het belang van de volksgezondheid of de veiligheid en indien het
technische voortbrengselen betreft tevens in het belang van de
gezondheid van de mens of de veiligheid van zaken, dan wel op grond
van een regeling als bedoeld in artikel 13 zo dringend geboden is dat
de totstandkoming van een daartoe strekkende algemene maatregel van
bestuur niet kan worden afgewacht, kan Onze Minister ter zake bij
ministeriële regeling voorlopig geldende regels stellen en daarbij
bepalingen van op die artikelen berustende algemene maatregelen van
bestuur zo nodig buiten toepassing verklaren. Onze Minister treft een
ministeriële regeling als bedoeld in de eerste volzin in
overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en, ingeval
het betrekking heeft op producten van de landbouw of de visserij, Onze
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De laatste volzin
geldt niet voor een besluit of een onderwerp als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder c, 2o.
2. Het besluit vervalt een jaar nadat het in werking is getreden,
of, indien binnen die termijn een algemene maatregel van bestuur ter
vervanging van dat besluit in werking is getreden, op het tijdstip
waarop de maatregel in werking treedt. De termijn kan door Onze
Minister eenmaal met ten hoogste een jaar worden verlengd. Hij
verlengt de termijn in overeenstemming met Onze Minister van
Economische Zaken en, ingeval het besluit betrekking heeft op
producten van de landbouw of de visserij, in overeenstemming met Onze
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, tenzij het besluit
betrekking heeft op een in artikel 1, eerste lid, onder c, 2o, bedoeld
onderwerp.
Artikel 16
1. Onze Minister kan met betrekking tot waren, behorende tot een
bij zijn besluit aangewezen categorie, van regels, geldende ingevolge
toepassing van artikel 1a of van de artikelen 4 tot en met 15,
vrijstelling verlenen.
2. Door Onze Minister kan voorts met betrekking tot waren,
behorende tot een bij het desbetreffende besluit aangewezen categorie,
van zodanige regels op aanvrage ontheffing worden verleend. Bij
algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid tot verlening van
ontheffing in bij de maatregel omschreven categorieën van gevallen
aan een ander bestuursorgaan worden overgedragen. Onze Minister kan
ten aanzien van de uitoefening van een aldus overgedragen bevoegdheid
regels stellen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
inzake het verlenen van vrijstellingen of ontheffingen als bedoeld in
het eerste onderscheidenlijk tweede lid. Daarbij kan worden bepaald
dat bij het indienen van een aanvrage om een ontheffing een bedrag
moet worden betaald, waarvan de hoogte bij die maatregel wordt
vastgesteld. Onze Minister kan regels stellen omtrent de wijze van
betaling.
4. Een vrijstelling of ontheffing kan onder beperkingen worden
verleend. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften
worden verbonden. Een verleende vrijstelling of ontheffing kan te
allen tijde worden gewijzigd of ingetrokken.
5. Tot de voorschriften die aan een ontheffing worden verbonden,
kan een voorschrift behoren, inhoudende dat de houder van de
ontheffing verplicht is bij het verhandelen van waren waarvoor de
ontheffing geldt, op of bij de waar of op haar verpakking ten behoeve
van degenen die haar verder verhandelen, aanwijzingen op te nemen met
betrekking tot het bewaren, vervoeren of behandelen van de waar.
6. Onze Minister neemt een besluit als bedoeld in het eerste,
tweede of vierde lid in overeenstemming met Onze Minister van
Economische Zaken en, ingeval het betrekking heeft op produkten van de
landbouw of visserij, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij. De vorige volzin geldt niet voor een besluit of een
onderwerp als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, 2o.
Artikel 17
1. De houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 16, tweede
lid, is verplicht bij het verhandelen van waren waarvoor de ontheffing
geldt, op of bij de waar of op haar verpakking een vermelding met
betrekking tot het besluit waarbij de ontheffing werd verleend, te
plaatsen. Ingeval bij het verlenen van de ontheffing toepassing is
gegeven aan artikel 16, vijfde lid, is hij voorts verplicht zulks bij
de aldaar bedoelde aanwijzingen te vermelden.
2. Voor degenen die waren waarvoor een ontheffing is verleend als
bedoeld in artikel 16, verder verhandelen, geldt met betrekking tot
die waren vrijstelling van de voorschriften waarvan de ontheffing is
verleend.
3. Degenen die waren waarvoor een ontheffing is verleend, verder
verhandelen, zijn verplicht ervoor zorg te dragen dat op of bij
zodanige waren of op haar verpakking een vermelding met betrekking tot
het besluit waarbij de ontheffing werd verleend, is geplaatst. Ingeval
bij het verlenen van de ontheffing toepassing is gegeven aan artikel
16, vijfde lid, zijn zij voorts verplicht de aldaar bedoelde
aanwijzingen in acht te nemen.
4. Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de in het
eerste en derde lid bedoelde vermeldingen. Hij stelt deze regels in
overeenstemming met onze Ministers van Economische Zaken en van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, tenzij deze betrekking hebben op
de in artikel 1, eerste lid, onder c, 2o, bedoelde onderwerpen.
Artikel 18
Onverminderd het bij of krachtens de voorgaande artikelen bepaalde is
het verboden:
a. waren, niet zijnde eet en drinkwaren, te verhandelen waarvan
degene die deze waren verhandelt, weet of redelijkerwijs moet
vermoeden dat zij bij het gezien hun bestemming te verwachten
gebruik bijzondere gevaren kunnen opleveren voor de veiligheid of
gezondheid van de mens, of indien het technische voortbrengselen
betreft, tevens voor de veiligheid van zaken;
b. eet- of drinkwaren, dan wel waren, behorende tot een hiertoe
bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, te
verhandelen, waarvan degene die de waren verhandelt, weet of
redelijkerwijs moet vermoeden dat hun samenstelling, uitvoering,
hoedanigheid, eigenschappen of toestand in ernstige mate minder is
dan wat in redelijkheid mag worden verlangd.
Artikel 18a
1. Waren die voldoen aan bij regeling van Onze Minister aangewezen
normen, worden voor wat betreft de risico’s geregeld in die normen
vermoed geen gevaren op te leveren als bedoeld in artikel 18, onder a.
2. Onze Minister wijst uitsluitend normen aan die Europese normen
omzetten waarvan de referenties door de Commissie van de Europese
Gemeenschappen bekend zijn gemaakt in het Publicatieblad van de
Europese Gemeenschappen.
Artikel 19
1. Het is voorts verboden:
a. eet- of drinkwaren te verhandelen met gebruikmaking van
vermeldingen of voorstellingen, die aan de waar eigenschappen
toeschrijven inzake het voorkomen, behandelen of genezen van een
ziekte van de mens, of die toespelingen maken op zodanige
eigenschappen;
b. waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, te verhandelen met
gebruikmaking van vermeldingen of voorstellingen met betrekking
tot de veiligheid van de waar of de uitwerking van de waar op de
gezondheid van de mens, die, doordat zij onjuist zijn of een
onjuiste indruk wekken, tot gevolg kunnen hebben dat de veiligheid
of gezondheid van de mens in gevaar wordt gebracht.
2. Onverminderd het eerste lid, onder b, is het verboden technische
voortbrengselen te verhandelen met gebruikmaking van vermeldingen of
voorstellingen met betrekking tot de uitwerking van het technisch
voortbrengsel op de veiligheid van zaken die, doordat zij onjuist zijn
of een onjuiste indruk wekken, tot gevolg kunnen hebben dat die
veiligheid in gevaar wordt gebracht.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op geneesmiddelen die
overeenkomstig de Geneesmiddelenwet rechtmatig worden verhandeld.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vermeldingen of
voorstellingen worden aangewezen, die in elk geval worden beschouwd
als vermeldingen of voorstellingen, bedoeld in het eerste en tweede
lid.
Artikel 20
1. Het is een ieder verboden in de uitoefening van een beroep of
bedrijf een waar aan te prijzen op een wijze waarvan hij weet of
redelijkerwijs moet vermoeden dat zij strijdig is met het ter zake van
het verhandelen van die waar, met betrekking tot het daarbij bezigen
van aanduidingen, vermeldingen of voorstellingen, krachtens artikel 8,
eerste lid, onder a tot en met e, bepaalde.
2. Het is een ieder voorts verboden in de uitoefening van een
beroep of bedrijf:
a. eet- of drinkwaren aan te prijzen met gebruikmaking van
vermeldingen of voorstellingen, die aan de waar eigenschappen
toeschrijven inzake het voorkomen, behandelen of genezen van een
ziekte van de mens, of die toespelingen maken op zodanige
eigenschappen;
b. waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, aan te prijzen met
gebruikmaking van vermeldingen of voorstellingen met betrekking
tot de veiligheid van de waar of de uitwerking van de waar op de
gezondheid van de mens, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden, dat zij, doordat zij onjuist zijn of een onjuiste
indruk wekken, tot gevolg kunnen hebben dat de veiligheid of
gezondheid van de mens in gevaar wordt gebracht.
3. Onverminderd het tweede lid, onder b, is het verboden in de
uitoefening van een beroep of bedrijf technische voortbrengselen aan
te prijzen met gebruikmaking van vermeldingen of voorstellingen met
betrekking tot de uitwerking van het technisch voortbrengsel op de
veiligheid van zaken, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden, dat zij, doordat zij onjuist zijn of een onjuiste indruk
wekken, tot gevolg kunnen hebben dat die veiligheid in gevaar wordt
gebracht.
4. Het tweede lid is niet van toepassing op geneesmiddelen die
overeenkomstig de Geneesmiddelenwet rechtmatig worden verhandeld.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vermeldingen of
voorstellingen worden aangewezen, die in elk geval worden beschouwd
als vermeldingen of voorstellingen, bedoeld in het tweede of derde
lid.
6. Ten behoeve van de bescherming van de gezondheid en de
veiligheid van de mens, alsmede ter uitvoering van internationale
verplichtingen kan bij algemene maatregel van bestuur worden verboden
waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, met
betrekking waartoe krachtens artikel 8, onder a tot en met e,
voorschriften zijn gegeven, in de uitoefening van een beroep of
bedrijf op een bij de maatregel aangewezen wijze aan te prijzen,
anders dan met gebruikmaking van bij de maatregel aangewezen
aanduidingen, vermeldingen of voorstellingen.
Artikel 21
1. Indien waren naar het oordeel van Onze Minister gevaar opleveren
voor de veiligheid of de gezondheid van de mens, of indien het
technische voortbrengselen betreft, tevens gevaar opleveren voor de
veiligheid van zaken, kan hij met het oog op de bescherming van die
belangen degene die de waar of het voortbrengsel verhandelt of heeft
verhandeld, gelasten om de houders dan wel de vermoedelijke houders
van die waar onverwijld en op doeltreffende wijze op de hoogte te
stellen van het gevaar. Degene tot wie de last is gericht, geeft
daaraan onverwijld gevolg.
2. Indien waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, naar het oordeel
van Onze Minister gevaar opleveren voor de veiligheid of gezondheid
van de consument, kan hij met het oog op de bescherming van die
belangen degenen die de waar verhandelt of heeft verhandeld, gelasten
de verhandeling daarvan te staken dan wel al de noodzakelijke
maatregelen te treffen om die waar bij de consument terug te nemen.
Degene tot wie de last is gericht, geeft daaraan onverwijld gevolg.
3. Het niet uitvoeren van een door Onze Minister gegeven last als
bedoeld in het tweede lid is een misdrijf.
Artikel 21a
1. Onze Minister stelt de hem beschikbare informatie over de risico’s
van waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, betreffende de veiligheid
of de gezondheid van de consument aan het publiek beschikbaar,
onverminderd de beperkingen die daarbij voor controles en onderzoek
noodzakelijk zijn. Indien de informatie veiligheidskenmerken van
producten betreft die gelet op de omstandigheden openbaar moeten
worden gemaakt om de gezondheid en de veiligheid van consumenten te
beschermen, is artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing.
2. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald op welke wijze
de informatie, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar wordt gesteld.
Artikel 21b
1. Degene die waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, voor zover die
in de particuliere sfeer kunnen worden gebruikt, verhandelt of heeft
verhandeld waarvan hij weet, of op grond van de hem ter beschikking
staande gegevens beroepshalve behoort te weten, dat die waren een
gevaar opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens, stelt
Onze Minister daarvan onmiddellijk op de hoogte en deelt daarbij Onze
Minister tevens mede welke maatregelen door hem zijn genomen ter
bescherming van de genoemde belangen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld inzake de in het kader van de in het eerste lid
genoemde verplichting te verstrekken informatie.
3. Degene die waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, voor zover die
in de particuliere sfeer kunnen worden gebruikt, verhandelt of heeft
verhandeld, verleent Onze Minister desgevraagd, en binnen het bestek
van zijn activiteiten, medewerking bij de acties die ondernomen zijn
om de risico’s van die waren te vermijden. Bij regeling van Onze
Minister worden regels gesteld over de wijze waarop die medewerking
wordt verleend.
Artikel 21c
Voor de toepassing van de artikelen 21, 21a, 21b, 32 of 32a kan bij
algemene maatregel van bestuur ten aanzien van bij die maatregel aan te
wijzen waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, voor zover die in de
particuliere sfeer kunnen worden gebruikt, een andere minister dan Onze
Minister of ander bestuursorgaan worden aangewezen.
Artikel 22
1. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de
artikelen 4 tot en met 13 kan worden bepaald dat het bestuur van een
bedrijfslichaam als bedoeld in artikel 66, vierde lid, van de Wet op
de bedrijfsorganisatie nadere regels kan dan wel moet stellen of
andere besluiten kan dan wel moet nemen.
2. Een krachtens toepassing van het vorige lid vastgestelde
verordening behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Krachtens de
verordening vastgestelde nadere voorschriften en genomen besluiten
behoeven eveneens zodanige goedkeuring voor zover zulks bij de
betrokken algemene maatregel van bestuur is bepaald. Onze Minister
neemt een besluit over de goedkeuring in overeenstemming met Onze
Minister van Economische Zaken en, ingeval de verordening betrekking
heeft op produkten van de landbouw of de visserij, Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
3. Een krachtens toepassing van het eerste lid vastgestelde
verordening is verbindend voor een ieder, voorzover daarin niet anders
is bepaald.
4. In een algemene maatregel van bestuur waarbij toepassing wordt
gegeven aan het eerste lid, onder a, kan artikel 16, eerste tot en met
vijfde lid, met betrekking tot nadere regels die krachtens die
maatregel worden gesteld, van overeenkomstige toepassing worden
verklaard, met dien verstande dat de bevoegdheid tot verlening van
vrijstelling of ontheffing, als in dat artikel bedoeld, met betrekking
tot zodanige regels komt te berusten bij een bestuursorgaan, daartoe
bij de maatregel aangewezen.
Artikel 23
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te
Rotterdam bevoegd.
Artikel 24
1. Een tatoeage of piercing, anders dan in een oorlel, wordt niet
aangebracht bij een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet
heeft bereikt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de persoon, bedoeld
in het eerste lid, de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en bij
het aanbrengen van de tatoeage of piercing wordt vergezeld van zijn
wettige vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent:
a. gevallen waarbij het tweede lid niet van toepassing is;
b. de wijze waarop personen worden geïnformeerd over de
mogelijke gevolgen verbonden aan het aanbrengen van een tatoeage
of piercing;
c. het voorhanden zijn en bijhouden van documenten, die de
voorlichting over gevolgen, bedoeld in onderdeel b, en het
toezicht op de naleving van de regels gesteld bij of krachtens dit
artikel, kunnen bevorderen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan de naleving
van bij of krachtens dit artikel gestelde regels, als voorschrift
worden verbonden aan een vergunning, als bedoeld in artikel 5, eerste
lid, onder 2°, onderdeel b.
Artikel 25
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet of van het bepaalde bij of krachtens deze wet met
betrekking tot door Onze Minister aangewezen categorieën van waren
zijn belast:
a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren;
b. de bij besluit van Onze Minister van Economische Zaken of
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen
ambtenaren.
2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens verordeningen van een bedrijfslichaam als bedoeld in artikel
66, vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie, als bedoeld in
artikel 93 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie, voor zover deze
betrekking hebben op waren, zijn belast de ingevolge het eerste lid,
onder a, door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
aangewezen ambtenaren en de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid,
onder b.
3. Onze Minister regelt in overeenstemming met Onze betrokken
Ministers de taakverdeling tussen de ambtenaren, behorende tot de
onderscheidene in het eerste en tweede lid bedoelde categorieën, en
de inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de
Algemene douanewet.
4. Bij de taakverdeling, bedoeld in het derde lid, kan tevens
worden bepaald op welke wijze het toezicht dan wel de douanecontrole
wordt uitgeoefend. De wijze waarop het toezicht dan wel de
douanecontrole wordt uitgeoefend kan inhouden dat de toezichthouder
onderscheidenlijk de inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid,
onderdeel c, van de Algemene douanewet, op door Onze Minister vast te
stellen tijdstippen en in door hem vast te stellen gevallen, onderzoek
doet naar de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels
en in daarbij aan te geven gevallen rapporteert aan door Onze Minister
aan te wijzen personen of instanties.
5. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
6. De minister die op grond van artikel 21c bij algemene maatregel
van bestuur is aangewezen, komt de bevoegdheid toe, als bedoeld in het
eerste lid, aanhef en onder a, voor zover het betreft de bij die
maatregel aangewezen waren en voor zover die waren in de particuliere
sfeer kunnen worden gebruikt. In het geval op grond van artikel 21c
een ander bestuursorgaan is aangewezen, kan in afwijking van het
eerste lid bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat door
een andere minister dan Onze Minister ten aanzien van de waren,
bedoeld in de eerste volzin, de onder dat bestuursorgaan ressorterende
ambtenaren met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens artikel 21b worden belast. Het vierde lid is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 25a
1. Onverminderd artikel 25 kunnen bij regeling van Onze Minister
personen in dienst van een privaatrechtelijke rechtspersoon worden
belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
wet bepaalde met betrekking tot bij die regeling aan te wijzen
categorieën van waren.
2. De last tot het houden van toezicht als bedoeld in het eerste
lid, kan slechts worden opgelegd aan personen in dienst van een
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid en zonder winstoogmerk,
mits die rechtspersoon in ieder geval ten doel heeft, door middel van
het uitoefenen van toezicht, de goede hoedanigheid, veiligheid,
verpakking, vorm en etikettering van een of meer waren te bevorderen.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld betreffende de organisatie, werkwijze, statuten, reglementen
en de benoeming van bestuurders van de rechtspersoon alsmede met
betrekking tot de kosten van het toezicht, bedoeld in het eerste lid.
4. Onze Minister kan in overeenstemming met Onze betrokken
Ministers nadere regels stellen over de taakverdeling tussen de
ambtenaren, behorende tot de onderscheidene in artikel 25, eerste en
tweede lid bedoelde categorieën, en de personen, bedoeld in het
eerste lid.
5. Onze Minister kan personen als bedoeld in het eerste lid,
aanwijzingen geven over de wijze waarop zij het toezicht uitoefenen.
6. Indien een last tot het houden van toezicht als bedoeld in het
eerste lid wordt gegeven, zijn de verplichtingen en bevoegdheden
ingevolge de artikelen 27 tot en met 31, 32c en 32l van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 26
1. Van elke krachtens artikel 5:18 van de Algemene wet
bestuursrecht onderzochte zaak, wordt aan de belanghebbende op diens
verzoek een vergoeding gegeven ter grootte van het bedrag waarmee haar
verkoopwaarde ten gevolge van het onderzoek is verminderd.
2. Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Ministers van
Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ten
aanzien van het bepaalde in artikel 5:18 van de Algemene wet
bestuursrecht, voor zover van belang voor deze wet, en ten aanzien van
het bepaalde in het eerste lid regels stellen.
Artikel 27
1. De in artikel 25 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd technische
voortbrengselen te beproeven, te onderzoeken, te doen beproeven of te
doen onderzoeken. Onze Minister kan schriftelijk herstelling of
behandeling binnen een daarbij vast te stellen termijn van het
technische voortbrengsel gelasten of besluiten dat een voor een
technisch voortbrengsel afgegeven certificaat van goedkeuring of
overeenstemming of een op een technisch voortbrengsel aangebracht merk
van goedkeuring of overeenstemming zijn geldigheid verliest indien bij
een beproeving of onderzoek blijkt dat het voortbrengsel niet aan de
krachtens deze wet gestelde regels voldoet. De in artikel 25 bedoelde
ambtenaar brengt ten bewijze van de afkeuring een merk van afkeuring
aan op het technische voortbrengsel. Een krachtens de tweede zin
gestelde eis moet worden nageleefd door degene aan wie hij is gesteld.
2. Aan een beproeving of onderzoek als bedoeld in het eerste lid
zijn voor de eigenaar of de houder van het technisch voortbrengsel
geen kosten verbonden.
3. Het is verboden een op een technisch voortbrengsel aangebracht
merk van afkeuring te verwijderen, te beschadigen of onleesbaar te
maken. Dit verbod geldt niet ten aanzien van de in het eerste lid
bedoelde ambtenaren.
4. Overtreding van het verbod, bedoeld in het derde lid, is een
misdrijf.
Artikel 28
De in artikel 25 bedoelde ambtenaren zijn, behoudens tegenover hen
aan wier gezag zij uit kracht van hun ambt zijn onderworpen, verplicht
tot geheimhouding van de namen der personen door wie een klacht is
ingediend of aangifte is gedaan van een overtreding van het bij of
krachtens deze wet bepaalde, behoudens wanneer deze personen
schriftelijk hebben verklaard tegen de mededeling van hun namen geen
bedenkingen te hebben.
Artikel 29
De in artikel 25 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van
de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming
van de bewoner, voor zover deze bevoegdheid strekt tot het zich begeven
naar en het betreden van in de woning aanwezige bedrijfsruimten.
Artikel 30
1. Onze Minister kan besluiten een technisch voortbrengsel buiten
gebruik te stellen indien het gebruik van dat voortbrengsel gevaar
oplevert of indien de op grond van artikel 7 voorgeschreven keurings-
of beoordelingsprocedures niet in acht zijn genomen. De in artikel 25
bedoelde ambtenaar verzegelt het technische voortbrengsel ten bewijze
van de buitengebruikstelling.
2. Onze Minister besluit tot opheffing van de buitengebruikstelling
indien het gevaar is weggenomen, de buitengebruikstelling ongegrond is
gebleken of indien de in artikel 7 voorgeschreven keurings- of
beoordelingsprocedures in acht zijn genomen.
3. Het is verboden een technisch voortbrengsel te gebruiken dat op
grond van het eerste lid buiten gebruik is gesteld.
4. Overtreding van het verbod, bedoeld in het derde lid is, een
misdrijf.
Artikel 31
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat,
ingeval aan artikel 10 toepassing is gegeven of in andere bij die
maatregel aangewezen categorieën van gevallen, de krachtens artikel
25 aangewezen ambtenaren volgens bij of krachtens die maatregel
gestelde regels aan de hand van een onderzoek van een deel, dat als
steekproef is genomen uit een bij die maatregel omschreven groep of
partij waren, kunnen vaststellen of die groep of partij voldoet aan de
bij die maatregel aangewezen eisen of voorschriften, gesteld krachtens
de artikelen 1a en 4 tot en met 9.
2. Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid worden in ieder
geval regels gegeven omtrent de grootte van de steekproef, de
maatstaven aan de hand waarvan de uitslag van het onderzoek van de
steekproef als gunstig of ongunstig voor de betrokken groep of partij
wordt aangemerkt, en omtrent de mededeling van de voor de betrokken
groep of partij vastgestelde uitslag van het onderzoek dat met
toepassing van het krachtens het eerste lid bepaalde is verricht, aan
degene die bij het nemen van de steekproef alle tot die steekproef
behorende waren onder zich had, en omtrent de wijze waarop die
mededeling wordt gedaan.
3. Bij een maatregel als in het eerste lid bedoeld kunnen tevens
regels worden gesteld:
a. omtrent de openbaarmaking van de voor de betrokken groep van
waren vastgestelde uitslag van een onderzoek, dat met toepassing
van het krachtens het eerste lid bepaalde is verricht;
b. inhoudende, dat het degene die bij het nemen van de
steekproef alle tot die steekproef behorende waren onder zich had,
is verboden nadat die steekproef is genomen, waren, behorende tot
de krachtens het eerste lid omschreven groep of partij, waartoe de
steekproef behoort, te verhandelen, zolang hem de in het tweede
lid bedoelde mededeling niet is gedaan.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat,
ingeval met toepassing van het krachtens het eerste lid bepaalde wordt
vastgesteld, dat de betrokken groep of partij waren niet aan de bij
die maatregel aangewezen eisen of voorschriften, bedoeld in het eerste
lid voldoet:
a. volgens bij die maatregel gestelde regels aan de betrokkene
of betrokkenen de gelegenheid wordt geboden om tegenbewijs te
leveren;
b. de desbetreffende groep, partij of een deel van die groep of
partij niet mag worden verhandeld, dan wel niet mag worden
verhandeld alvorens ten aanzien van die groep of partij of dat
deel van die groep of partij de maatregelen zijn genomen die bij
algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven.
Artikel 32
Onze Minister is in het belang van de volksgezondheid of van de
veiligheid, en indien het technische voortbrengselen betreft, tevens in
het belang van de gezondheid van de mens of van de veiligheid van zaken
bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving
van:
a. regels gesteld bij of krachtens deze wet;
b. regels gesteld bij of krachtens een verordening, vastgesteld
op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
indien bij of krachtens deze wet is verboden in strijd met die
regels te handelen;
c. de bij artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht gestelde verplichting.
Artikel 32a
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van
overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1a, 4 tot
en met 7, 8 tot en met 11, 13 tot en met 20, 21b, 22, 24, 26, 27,
eerste lid, laatste volzin, en derde lid, 31, 32c of 32k.
2. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt bepaald op de wijze
als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een
afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste € 4 500
bedraagt.
3. In afwijking van het eerste lid kan de overtreding niet met een
bestuurlijke boete worden afgedaan, indien:
a. de opzettelijke of roekeloze overtreding een direct gevaar
voor de gezondheid of veiligheid van de mens tot gevolg heeft; of
b. de in de bijlage ter zake van de overtreding voorziene
bestuurlijke boete aanmerkelijk wordt overschreden door het met de
overtreding behaalde economisch voordeel.
Artikel 32b
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een bijlage
vastgesteld, die bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van
de deswege op te leggen bestuurlijke boete bepaalt.
2. Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van
bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide Kamers der
Staten-Generaal.
3. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid
wordt vastgesteld op voordracht van Onze Minister, in overeenstemming
met Onze Minister van Justitie.
Artikel 32c
De ingevolge artikel 25 aangewezen ambtenaren zijn bevoegd ten
dienste van het onderzoek een ieder staande te houden en te vorderen,
dat hij zijn naam, voornamen, geboortedatum, geboortejaar,
geboorteplaats en adres opgeeft.
Artikel 32d [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 32e [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 32f [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 32g [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 32h [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 32i [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 32j [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 32k
1. Bij regeling van Onze Minister kan de verhandeling van waren,
ten aanzien waarvan gerede aanwijzingen bestaan dat zij gevaar
opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de mens, tijdelijk
worden verboden totdat het onderzoek bedoeld in artikel 5:18 van de
Algemene wet bestuursrecht, artikel 68 van verordening (EEG) nr.
2913/92 of artikel 1:24 van de Algemene douanewet met betrekking tot
deze waren is afgerond.
2. Bij regeling van Onze Minister kan de bereiding, de
vervaardiging, de behandeling, de bewerking, de verwerking, de
verpakking of het vervoer van de in het eerste lid bedoelde waren
tijdelijk worden verboden, zodat deze waren het onderzoek bedoeld in
artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 68 van
verordening (EEG) nr. 2913/92 of artikel 1:24 van de Algemene
douanewet kunnen ondergaan.
Artikel 32l
1. Onze Minister kan de inbeslagneming van de in artikel 32k
bedoelde waren gelasten.
2. De ingevolge artikel 25 aangewezen ambtenaren zijn bevoegd tot
inbeslagneming als bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister wijst de locatie voor opslag van het
inbeslaggenomene aan en bepaalt tevens de voorwaarden waaronder die
opslag dient te geschieden.
Artikel 32m
1. Onze Minister kan de vernietiging van gevaarlijk gebleken waren,
gelasten.
2. Onze Minister wijst de ambtenaren aan welke bevoegd zijn tot de
vernietiging van de in het eerste lid bedoelde waren.
Artikel 32n
1. De kosten verbonden aan de in artikel 32l bedoelde opslag en de
in artikel 32m bedoelde vernietiging, zijn voor rekening van de
overtreder.
2. Onze Minister kan de in eerste lid bedoelde kosten invorderen
bij dwangbevel.
Artikel 33
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat overeenkomstig daarbij te stellen regels een retributie
kan worden geheven voor de kosten van:
a. bij of krachtens deze wet voorgeschreven keuringen of
controles van waren, inclusief de controle van daarbij
voorgeschreven documenten, en van overeenstemming tussen deze
documenten en de desbetreffende waren;
b. de behandeling van een aanvraag om een vergunning als
bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, om een erkenning van
een inrichting, of van een aanvraag tot inschrijving van een
inrichting in een register;
c. de behandeling van een aanvraag tot verlenging van een
vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, tot
verlenging van een erkenning van een inrichting of van een
aanvraag tot herinschrijving van een inrichting in een register,
of van vooraf aangekondigde en vastgelegde controles of nog steeds
aan de toelatingseisen van de vergunning, erkenning of registratie
wordt voldaan.
2. Een in het eerste lid bedoelde retributie wordt zodanig
vastgesteld dat de baten niet uitgaan boven de kosten die in een
rechtstreeks verband staan met de werkzaamheden waarvoor de retributie
wordt geheven.
3. Bij een in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat Onze Minister, in overeenstemming met
Onze Ministers wie het mede aangaat, met het oog op de goede
uitvoering van in die maatregel geregelde onderwerpen bij
ministeriële regeling nadere regels vaststelt of kan vaststellen.
Artikel 34
1. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens
deze wet wordt Ons gedaan door Onze Minister in overeenstemming met
Onze Minister van Economische Zaken. Indien zodanige maatregel evenwel
geheel of grotendeels regels inhoudt in het belang van de eerlijkheid
in de handel of de goede voorlichting omtrent waren, wordt de
voordracht Ons gedaan door Onze Minister en Onze Minister van
Economische Zaken gezamenlijk. De in de eerste volzin bedoelde
voordracht wordt uitsluitend gedaan door Onze Minister, indien de
voordracht betrekking heeft op een in artikel 1, eerste lid, onder c,
2o, bedoeld onderwerp.
2. Indien een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet
regels inhoudt met betrekking tot produkten van de landbouw of de
visserij wordt de voordracht Ons voorts gedaan in overeenstemming met
Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
3. In afwijking van het eerste lid, wordt een voordracht voor een
algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 21c, Ons gedaan
door Onze Minister in overleg met de betrokken andere minister.
Artikel 35
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van dit
artikel en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een
verslag over de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van het
functioneren van de krachtens artikel 7a aangewezen instellingen.
Artikel 36
Wij stellen vast op welk tijdstip deze wet in werking treedt. Op dat
tijdstip vervalt de Warenwet (Stb. 1919, 581), zoals die wet is
gewijzigd bij de wet van 29 juni 1925 (Stb. 308).
Artikel 37
Deze wet kan worden aangehaald als: Warenwet.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, den 28sten December 1935.
WILHELMINA
De Minister van Staat, Minister van Koloniën,
H. Colijn
De Minister van Buitenlandsche Zaken,
De Graeff
De Minister van Justitie,
Van Schaik
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
J.A. de Wilde
De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,
J.R. Slotemaker de Bruïne
De Minister van Financiën,
Oud
De Minister van Staat, Minister van Defensie a. i.,
H. Colijn
De Minister van Waterstaat,
Van Lidth de Jeude
De Minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart,
H. Gelissen
De Minister van Landbouw en Visscherij,
L.N. Deckers
De Minister van Sociale Zaken,
M. Slingenberg
Uitgegeven de een en dertigsten December 1935
De Minister van Justitie,
Van Schaik
|
|
|