WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen
vast te stellen in het belang van de verdediging van de economische
belangen van de Nederlandse koopvaardij en met het oog op de uitvoering
van een internationale afspraak of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie betrekking hebbende op het vervoer ter zee;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt
verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
College: het College van Beroep voor het bedrijfsleven;
zeeschip: een zeeschip in de zin van artikel 2, eerste lid, van Boek
8 van het Burgerlijk Wetboek;
Nederlands zeeschip: een zeeschip dat voldoet aan de vereisten van
artikel 311 van het Wetboek van Koophandel of is ingeschreven in het
rompbevrachtingsregister, genoemd in artikel 2 van de Wet nationaliteit
zeeschepen in rompbevrachting (Stb. 1992, 541).
Artikel 2
1. Indien de verdediging van de economische belangen van de
Nederlandse koopvaardij, dan wel een internationale afspraak of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie betrekking hebbende op
het vervoer ter zee zulks naar Ons oordeel vereist, kunnen Wij bij
algemene maatregel van bestuur, in deze wet verder genoemd
wedervergeldingsbesluit:
a. verbieden, zonder vergunning van Onze Minister
1°. als gezagvoerder van een zeeschip, varende onder een bij die
maatregel aangewezen vlag, met dat zeeschip goederen te vervoeren
over Nederlandse wateren;
2°. als eigenaar van een onderneming opzettelijk te
bewerkstelligen, dat goederen worden vervoerd met een zeeschip,
varende onder een bij die maatregel aangewezen vlag;
3°. een Nederlands zeeschip ter uitvoering van een overeenkomst
van huur en verhuur, rompbevrachting of tijdbevrachting ter
beschikking te stellen van een natuurlijke of rechtspersoon,
gevestigd in een bij die maatregel aangewezen land;
b. een heffing vaststellen, door Onze Minister op te leggen volgens
een bij die maatregel te bepalen tarief, op zeeschepen die over
Nederlandse wateren varen onder een bij die maatregel aangewezen vlag.
2. Bij een wedervergeldingsbesluit kan worden bepaald, dat het
besluit mede van toepassing is ten aanzien van zeeschepen, varende onder
een andere dan de bij het besluit aangewezen vlag, welk ingevolge een
overeenkomst van huur en verhuur, rompbevrachting of tijdbevrachting ter
beschikking staan van een natuurlijke of rechtspersoon, gevestigd in het
land van die aangewezen vlag, indien van de zijde van dat land aan die
schepen dezelfde voorrechten worden verleend als aan schepen varende
onder de vlag van dat land.
3. Een verbod of heffing, als bedoeld in het eerste lid, onder a,
1° of b, is niet van toepassing ten aanzien van een schip, dat
zich in Nederlandse wateren bevindt uitsluitend
a. in doorvaart, of
b. wegens gevaar voor de veiligheid van het schip of de opvarenden,
of
c. wegens gevaar voor leven of gezondheid van de opvarenden, of
d. voor het ondergaan van onderhouds- of herstelwerkzaamheden of
het innemen van bunkervoorraad of proviand.
4. De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van
een wedervergeldingsbesluit wordt Ons gedaan door Onze Minister in
overeenstemming met Onze Ministers van Buitenlandse Zaken, van
Economische Zaken, van Landbouw en Visserij en voor
Ontwikkelingssamenwerking.
Artikel 3
1. Een wedervergeldingsbesluit, zomede een besluit tot
wijziging of intrekking daarvan, treedt niet eerder in werking dan
twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad,
waarin het wordt geplaatst.
2. Een wedervergeldingsbesluit vervalt, behoudens eerdere
intrekking, drie jaren na het inwerkingtreden, tenzij bij nadere wet
anders wordt bepaald.
Artikel 4
1. Onze Minister kan van een bij een wedervergeldingsbesluit
gesteld verbod of vastgestelde heffing vrijstelling en, op aanvraag,
ontheffing verlenen.
2. Een besluit tot verlening van een vrijstelling, zomede een
besluit tot wijziging of intrekking daarvan, wordt door Onze Minister
vastgesteld in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken
en van Landbouw en Visserij.
Artikel 5
De vergunningen, vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder
beperkingen worden verleend. Aan de vergunningen, vrijstellingen en
ontheffingen kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 6
Bij of krachtens een wedervergeldingsbesluit kan worden bepaald,
welke gegevens bij het aanvragen van een vergunning of een ontheffing
dienen te worden verstrekt.
Onder de gegevens, waarvan de verstrekking wordt voorgeschreven,
kunnen over te leggen bewijsstukken begrepen zijn.
Artikel 7
Onze Minister kan een vergunning of een ontheffing intrekken, indien
de te harer verkrijging verstrekte gegevens zo onjuist of onvolledig
blijken, dat op de aanvrage een andere beslissing zou zijn genomen, als
bij beoordeling daarvan de juiste omstandigheden bekend waren geweest.
Artikel 8
1. Onze Minister kan de vergunningen of ontheffingen, behorende
tot een door hem aangewezen groep, gezamenlijk intrekken, indien een
gewichtige reden dit naar zijn oordeel noodzakelijk maakt.
2. Op een besluit krachtens het eerste lid is het bepaalde in
artikel 4, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
1. Van een krachtens artikel 2, eerste lid, onder b,
opgelegde heffing wordt door Onze Minister schriftelijk mededeling
gedaan aan de gezagvoerder van het zeeschip.
De mededeling bevat een opgave van de wijze waarop het bedrag der
heffing is berekend.
2. Met betrekking tot deze heffing is de Invorderingswet 1990 van
overeenkomstige toepassing waarbij de in het vorige lid bedoelde
kennisgeving wordt aangemerkt als uitnodiging tot betaling.
3. Het is de gezagvoerder van het zeeschip niet toegestaan naar
het buitenland te vertrekken, alvorens de opgelegde heffing is betaald
of voor de betaling daarvan zekerheid is gesteld.
Artikel 10
1. Onze Minister kan, wanneer hij overweegt een voordracht tot
vaststelling, wijziging of intrekking van een wedervergeldingsbesluit
te doen en naar zijn oordeel een gewichtige reden een onmiddellijke
voorziening vereist, in overeenstemming met Onze Ministers van
Buitenlandse Zaken, van Economische Zaken, van Landbouw en Visserij en
voor Ontwikkelingssamenwerking, bij regeling, in deze wet verder
genoemd wedervergeldingsregeling, overeenkomstig de in overweging
zijnde maatregel regelen stellen en in het bestaande besluit vervatte
regelen buiten werking stellen.
2. De artikelen 2, derde lid, en 4 tot en met 9 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
Een wedervergeldingsregeling blijft, behoudens eerdere intrekking,
van kracht totdat een wedervergeldingsbesluit, dat hetzelfde onderwerp
betreft, in werking treedt, doch uiterlijk tot acht maanden na het in
werking treden van de wedervergeldingsregeling.
Artikel 11a
1. Onze Minister kan van een ieder die bij het vervoer op een
door hem te omschrijven zeevervoermarkt is betrokken de inlichtingen
verlangen, die hij nodig acht om te kunnen beoordelen, of aanleiding
bestaat tot toepassing van artikel 2 of artikel 10.
2. Onze Minister kan, indien een internationale afspraak of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie betrekking hebbende op het
vervoer ter zee dit vereist, van een ieder, die bij het vervoer op een
door hem te omschrijven zeevervoermarkt is betrokken, inlichtingen
verlangen die hij nodig acht om te kunnen voldoen aan de in die afspraak
of dat besluit neergelegde verplichtingen.
Artikel 11b
1. Onze Minister kan, indien er aanwijsbare omstandigheden
zijn, op grond waarvan hij kan vermoeden, dat er aanleiding bestaat
tot toepassing van artikel 2 of artikel 10, van de naar zijn oordeel
bij het vervoer op een door hem te omschrijven zeevervoermarkt
betrokkenen, inzage van alle boeken en bescheiden verlangen, waarvan
hij raadpleging nodig acht om zich van het al of niet gegrond zijn van
zijn vermoeden te overtuigen.
2. Onze Minister kan, indien een internationale afspraak of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie betrekking hebbende op het
vervoer ter zee dit vereist, van de naar zijn oordeel bij het vervoer op
een door hem te omschrijven zeevervoermarkt betrokkenen, inzage van alle
boeken en bescheiden verlangen, waarvan hij de raadpleging nodig acht om
te kunnen voldoen aan in die afspraak of dat besluit neergelegde
verplichtingen.
3. Het inzien van de boeken en bescheiden kan hij opdragen aan
voor ieder afzonderlijk geval schriftelijk aan te wijzen personen.
4. De in het derde lid bedoelde personen hebben toegang tot elke
plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
nodig is. Zo nodig verschaffen zij zich toegang, alsmede inzage van
boeken en bescheiden, met behulp van de sterke arm. Zo nodig verschaffen
zij zich toegang, alsmede inzage van boeken en bescheiden met behulp van
de sterke arm.
Artikel 11c
1. Een ieder van wie op grond van artikel 11a
inlichtingen zijn verlangd, is verplicht de verlangde inlichtingen
volledig en naar waarheid te verstrekken op de wijze en binnen de
termijn, door Onze Minister te bepalen.
2. Een ieder van wie op grond van artikel 11b, eerste en
tweede lid, inzage in boeken en bescheiden is verlangd, is verplicht
deze te verlenen met inachtneming van de door Onze Minister te geven
aanwijzingen.
3. Zij, die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot
geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen van het geven van
inlichtingen, doch uitsluitend voor zover betreft hetgeen hun in hun
hoedanigheid is toevertrouwd. Zij kunnen voorts inzage van de in artikel
11b, eerste lid, bedoelde boeken en bescheiden weigeren, voor
zover hun plicht tot geheimhouding hen daartoe noopt.
Artikel 11d
1. Onze Minister kan in de gevallen als bedoeld in artikel 11b,
eerste of tweede lid, bij regeling bepalen dat een ieder, die bij het
vervoer op een door hem te omschrijven zeevervoermarkt is betrokken,
verplicht is een daarbij nader te omschrijven administratie te voeren.
2. Een ieder die ingevolge een regeling op grond van het eerste
lid een administratie voert of heeft gevoerd, is verplicht de
bescheiden, waaruit die administratie bestaat, gedurende twee jaren na
het kalenderjaar, waarop zij betrekking hebben, in Nederland te bewaren.
Artikel 12
Tegen een beschikking tot:
a. verlening of weigering van een vergunning of een ontheffing,
of
b. intrekking van een vergunning of een ontheffing krachtens
artikel 7, of
c. oplegging van een heffing,
kan de belanghebbende beroep instellen bij het College.
In afwijking van artikel 8:72, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht werkt een vernietiging vanaf het tijdstip, waarop zij
wordt uitgesproken.
Artikel 16
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling behoeven kan deze geschieden bij
algemene maatregel van bestuur.
Artikel 17
Het is verboden terzake van een aanvrage om vergunning of ontheffing
onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken.
Artikel 18
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 19
Deze wet kan worden aangehaald als: Wedervergeldingswet
zeescheepvaart.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 4 mei 1977
JULIANA
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
M.H.M. van Hulten
De Minister van Buitenlandse Zaken,
M. van der Stoel
De Minister van Economische Zaken,
R.F.M. Lubbers
De Minister van Landbouw en Visserij,
Van der Stee
De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
J. Pronk
Uitgegeven de veertiende juni 1977
De Minister van Justitie,
Van Agt