Nadere regelgeving:
- Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels
- Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)
- Besluit alcoholonderzoeken
- Besluit
personenvervoer 2000 (Bp 2000)
- Besluit
voertuigen
- Besluit wegslepen van voertuigen
- Kentekenreglement
- Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels
- Regeling ademanalyse
- Regeling
bloed- en urineonderzoek
- Regeling eisen geschiktheid 2000
- Regeling eisen individuele goedkeuring
(vervallen)
- Regeling gehandicaptenparkeerkaart
- Regeling kentekens en kentekenplaten
- Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid
(vervallen)
- Regeling maatregelen rijvaardigheid en
geschiktheid 2011
- Regeling
optische en geluidssignalen 2009
- Regeling
tachograafkaarten
- Regeling toelatingseisen
(vervallen)
- Regeling verkeerslichten
- Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen
- Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
- Regeling
voertuigen
- Regeling wijze van keuren APK
(vervallen)
- Reglement rijbewijzen
- Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
(RVV 1990)
- Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens
- Voertuigreglement
(vervallen)
WET van 21 april 1994, houdende
vervanging van de Wegenverkeerswet
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels
inzake het verkeer op de weg opnieuw vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen
of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en
duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of
zijkanten;
c. motorrijtuigen: alle voertuigen, bestemd om anders dan
langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede
door een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf
aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer
van elders, met uitzondering van fietsen met
trapondersteuning;
d. aanhangwagen: voertuig dat kennelijk is bestemd om te
worden voortbewogen door een motorrijtuig. In het bepaalde
krachtens deze wet kan onder aanhangwagen tevens worden
verstaan een voertuig dat door een ander voertuig wordt
voortbewogen of kennelijk is bestemd om door een ander
voertuig te worden voortbewogen;
e. bromfiets:
a. motorrijtuig op twee wielen, met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45
km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een
cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3 of een
elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van
niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig
of een motorrijtuig als bedoeld in subonderdeel d;
b. motorrijtuig op drie wielen, met een door de
constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45
km/h, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een
motorrijtuig als bedoeld in subonderdeel d, uitgerust met:
1°. een motor met elektrische ontsteking met een
cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3,
2°. een motor met inwendige verbranding en een netto
maximumvermogen van niet meer dan 4 kW voor andere dan
onder 1° genoemde motoren, of
3°. een elektromotor met een nominaal continu
maximumvermogen van niet meer dan 4 kW; dan wel
c. motorrijtuig op vier wielen, niet zijnde een
gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig als bedoeld in
subonderdeel d, met een door de constructie bepaalde
maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h en een ledige
massa van minder dan 350 kg, de massa van de batterijen in
elektrische voertuigen niet inbegrepen, uitgerust met:
1°. een motor met elektrische ontsteking met een
cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3,
2°. een motor met inwendige verbranding en een netto
maximumvermogen van niet meer dan 4 kW voor andere dan
onder 1° genoemde motoren, of
3°. een elektromotor met een nominaal continu
maximumvermogen van niet meer dan 4 kW;
d. een motorrijtuig als bedoeld in artikel 20b.
In ieder geval wordt als bromfiets aangemerkt een voertuig
dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als bromfiets is
aangeduid;
ea. fietsen met trapondersteuning: fietsen die zijn
voorzien van een elektrische hulpmotor met een nominaal
continu vermogen van maximaal 0,25 kW en waarvan de
aandrijfkracht geleidelijk vermindert en tenslotte wordt
onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/h
bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen;
f. typegoedkeuring: goedkeuring van tot een bepaald type
behorende voertuigen, voertuigonderdelen, uitrustingsstukken
of voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en
passagiers;
g. kenteken: kenteken als bedoeld in artikel 36 of artikel
37, derde lid;
h. kentekenbewijs: kentekenbewijs als bedoeld in artikel 36
dan wel een kentekenbewijs, afgegeven ter zake van de opgave
van een kenteken als bedoeld in artikel 37, derde lid;
i. kentekenregister: register, bedoeld in artikel 42;
j. keuringsbewijs: keuringsbewijs als bedoeld in artikel
72;
k. keuringsrapport: keuringsbewijs of een beschikking tot
weigering van de afgifte van een keuringsbewijs;
l. rijbewijs: rijbewijs, bedoeld in artikel 107;
m. rijbewijzenregister: register, bedoeld in artikel 126;
n. bestuurder van een motorrijtuig: degene die het
motorrijtuig bestuurt of degene die, overeenkomstig de bij
algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarde, wordt
geacht het motorrijtuig onder zijn onmiddellijk toezicht te
doen besturen;
o. houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen: degene
die het voertuig:
1°. op grond van een overeenkomst van huurkoop onder
zich heeft,
2°. in vruchtgebruik heeft, of
3°. anderszins, anders dan als eigenaar of bezitter,
tot duurzaam gebruik onder zich heeft;
p. verwerken van gegevens: verwerken als bedoeld in artikel
1, onderdeel b, van de Wet bescherming persoonsgegevens;
q. Dienst Wegverkeer: de in artikel 4a bedoelde dienst;
r. het CBR: het in artikel 4z bedoelde bureau;
s. goedkeuring van een productieproces: ter uitvoering van
verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties
of van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan
niet gezamenlijk, verleende goedkeuring van een
productieproces van voertuigen, systemen, onderdelen,
technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter
bescherming van weggebruikers en passagiers;
t. fabrikant: persoon of instantie die tegenover een
goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten
van een typegoedkeurings- of toestemmingsprocedure en instaat
voor de overeenstemming van de productie met de verleende
goedkeuring of toestemming;
u. schadevoertuig: voertuig dat ten gevolge van een
beschadiging niet langer deugdelijk van bouw en inrichting is;
v. alcoholslot: het geheel van ademalcoholtester,
startonderbreker en registratie-eenheid, dat in een
motorrijtuig wordt ingebouwd, waardoor het motorrijtuig waarin
het is ingebouwd alleen kan worden gestart nadat in de
ademalcoholtester is geblazen en indien het daarin gemeten en
weergegeven ademalcoholgehalte ligt onder de voor de
betrokkene ingevolge artikel 8, vierde lid, onderdeel b,
geldende, wettelijke alcohollimiet;
w. alcoholslotprogramma: het samenstel van de verplichting
tot inbouw van een alcoholslot en de daarbij behorende
registratie-eenheid in een door betrokkene gebruikt
motorrijtuig, het periodiek laten uitlezen van de
registratie-eenheid en het volgen van een
begeleidingsprogramma;
x. alcoholslotregister: het register als bedoeld in artikel
129a.
2. Indien de eigenaar van een motorrijtuig of een aanhangwagen
niet tevens bezitter is, treedt de bezitter voor de toepassing van
het bepaalde bij of krachtens deze wet voor de eigenaar in de
plaats.
3. Degene aan wie een kenteken is opgegeven voor een
motorrijtuig of een aanhangwagen wordt, tenzij anders blijkt, voor
de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet beschouwd
als eigenaar of houder van dat motorrijtuig of die aanhangwagen.
4. Voor de toepassing van de hoofdstukken III tot en met V van
deze wet worden vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid mede
als rechtspersoon aangemerkt.
Artikel 2
1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken
tot:
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;
c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de
bruikbaarheid daarvan;
d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het
verkeer.
2. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts
strekken tot:
a. het voorkomen of beperken van door het verkeer
veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen
voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;
b. het voorkomen of beperken van door het verkeer
veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van
objecten of gebieden.
3. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts
strekken tot:
a. het bevorderen van een doelmatig of zuinig
energiegebruik;
b. het waarborgen van het op juiste wijze in rekening
brengen van tarieven voor het gebruik van de weg;
c. het gebruik en de waarborging van de juistheid van de
registers die ingevolge deze wet worden bijgehouden;
d. het voorkomen en bestrijden van fraude;
e. de regeling van positie, inrichting en werkwijze,
alsmede het uitoefenen van toezicht op zelfstandige
bestuursorganen die taken verrichten op het terrein van deze
wet.
4. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts
strekken ter uitvoering van verdragen of van besluiten van
volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen
van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, op het terrein van
de typegoedkeuring van voertuigen, systemen, onderdelen,
technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter
bescherming van weggebruikers en passagiers, in verband met de
toelating tot het verkeer op de weg of het gebruik buiten de weg.
5. De vaststelling van regels bij ministeriële regeling ter
uitvoering van het bij of krachtens deze wet bepaalde geschiedt in
overeenstemming met Onze bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen ministers, indien deze regels strekken tot behartiging
van de belangen, bedoeld in het tweede dan wel het derde lid.
Artikel 2a
Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid
om bij verordening regels vast te stellen ten aanzien van het
onderwerp waarin deze wet voorziet, voorzover die regels niet in
strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en
voorzover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe
lenen.
Artikel 2b
De voordracht voor een krachtens deze wet vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier
weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
Artikel 3
1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid,
van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, artikel 4,
derde en vierde lid, in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen
wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden
omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in
werking gestelde bepalingen.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal
verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van
Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste
lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, worden de bepalingen die ingevolge het eerste
lid in werking zijn gesteld; buiten werking gesteld, zodra de
omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid,
wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in
werking terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid,
wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 4
1. Het bepaalde bij of krachtens deze wet en provinciale en
plaatselijke verordeningen gelden slechts voor zover zulks bij
algemene maatregel van bestuur is bepaald:
a. ten aanzien van voertuigen, voor zover die worden
gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten;
b. voor militairen te voet, voor zover zij zich ter
uitoefening van de dienst op de weg bevinden.
2. Buiten de omstandigheden, bedoeld in het derde lid en het
vijfde lid, kunnen in de gevallen waarin het bepaalde bij of
krachtens deze wet en provinciale en plaatselijke verordeningen
niet ingevolge het eerste lid van toepassing is verklaard, bij
algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld en kunnen
bij ministeriële regeling ter uitvoering daarvan nadere regels
worden vastgesteld:
a. ten aanzien van voertuigen, voor zover die worden
gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten;
b. voor militairen te voet, voor zover zij zich ter
uitoefening van de dienst op de weg bevinden.
3. [Red: Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij
koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit
lid in werking treden.]
Ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan
bij koninklijk besluit worden bepaald dat van in dat besluit aan
te wijzen bepalingen, genoemd in de algemene maatregel van bestuur
bedoeld in het eerste lid, kan worden afgeweken door bestuurders
van voertuigen gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten en door
militairen te voet die zich op de weg bevinden ter uitoefening van
de dienst.
4. [Red: Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij
koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit
lid in werking treden.]
Ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan
bij koninklijk besluit worden bepaald dat ten aanzien van
voertuigen van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
overheidsdiensten, het bepaalde bij of krachtens deze wet en
provinciale en plaatselijke verordeningen slechts gelden voor
zover zulks bij die maatregel is bepaald.
5. In geval van de beperkte of de algemene noodtoestand is het
militair gezag bevoegd voor het gebied waarvoor op grond van
artikel 7, eerste lid, of 8, eerste lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden, bepalingen uit de Oorlogswet voor
Nederland in werking zijn gesteld, regels vast te stellen inzake
het verkeer op de weg, afwijkende van het bepaalde bij of
krachtens deze wet en van provinciale en plaatselijke
verordeningen, alsmede van de in het tweede lid bedoelde, bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels, voor zoveel
dat door het gezag ter uitvoering van de militaire taak ter
handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid nodig wordt
geacht.
6. Door de vorige leden wordt de gewone aansprakelijkheid uit
andere wettelijke bepalingen voortvloeiende, niet opgeheven of
verminderd.
Hoofdstuk IA. De Dienst Wegverkeer
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 4a
1. Er is een Dienst Wegverkeer, in het maatschappelijk verkeer
aangeduid als RDW. De dienst bezit rechtspersoonlijkheid en is
gevestigd te Zoetermeer.
2. Op de Dienst Wegverkeer is de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen van toepassing, met uitzondering van artikel 15
van die wet.
Paragraaf 2. Taken van de Dienst Wegverkeer
Artikel 4b
1. De Dienst Wegverkeer is belast met de volgende taken:
a. het in het kader van de toelating tot het verkeer op de
weg verlenen van typegoedkeuringen voor voertuigen, systemen,
onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers,
het verlenen van individuele goedkeuringen voor voertuigen,
alsmede het intrekken van typegoedkeuringen,
a1. het ter uitvoering van verdragen of besluiten van
volkenrechtelijke organisaties of van één of meer
instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk,
verlenen van typegoedkeuringen voor voertuigen, systemen,
onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers,
a2. het verlenen van toestemming om onderdelen of
uitrustingsstukken te verkopen, te koop aan te bieden, of het
in het verkeer brengen, alsmede het intrekken van
toestemmingen,
b. het houden van toezicht op het overeenstemmen van
voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden,
uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers met het type waarvoor de
goedkeuring is verleend en op het overeenstemmen van
onderdelen en uitrustingsstukken waarvoor een toestemming is
verleend met de verleende toestemming,
b1. het houden van toezicht op het terugroepen van reeds in
de handel gebrachte voertuigen, onderdelen of
uitrustingsstukken door de fabrikant,
b2. het in verband met het alcoholslotprogramma verlenen
van typegoedkeuringen voor alcoholsloten en voor de
productieprocessen van die alcoholsloten ingevolge artikel
132e, eerste lid,
b3. het ter uitvoering van verdragen of besluiten van
volkenrechtelijke organisaties of van één of meer
instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk,
verlenen van typegoedkeuringen voor alcoholsloten en
productieprocessen van die alcoholsloten,
b4. het houden van toezicht op het overeenstemmen van de
alcoholsloten met het type waarvoor de goedkeuring is
verleend,
b5. het verwerken van gegevens in verband met het
alcoholslotprogramma,
b6. het vaststellen en vastleggen van manipulatie van
voertuigsystemen en het melden hiervan aan de bevoegde
autoriteiten,
c. het opgeven van kentekens voor motorrijtuigen en
aanhangwagens en het ter zake van die opgaven afgeven van
kentekenbewijzen, het schorsen van de geldigheid van
kentekenbewijzen, het ongeldigverklaren van kentekenbewijzen,
het geldig verklaren van kentekenbewijzen, alsmede het houden
van toezicht als bedoeld in artikel 37, vierde lid,
d. het afgeven van keuringsrapporten voor motorrijtuigen en
aanhangwagens,
e. het behandelen van bezwaren tegen afgegeven
keuringsrapporten,
f. het in het kader van de toelating tot het verkeer op de
weg verlenen van goedkeuringen voor motorrijtuigen en
aanhangwagens waarvan de constructie is gewijzigd dan wel
waarvan het kentekenbewijs is ingevorderd,
g. het afgeven van rijbewijzen in de gevallen, bedoeld in
artikel 116, eerste lid, alsmede het ongeldigverklaren van
rijbewijzen in de in deze wet bepaalde gevallen,
g1. het afgeven van een verklaring in verband met de
aanvraag van een rijbewijs,
h. het verwerken van gegevens met betrekking tot opgegeven
kentekens, afgegeven kentekenbewijzen, afgegeven
keuringsrapporten, krachtens artikel 149a verleende
ontheffingen, afgegeven rijbewijzen , fietsen en de mobiele
objecten, bedoeld in artikel 70l, eerste lid, alsmede met
betrekking tot rechterlijke uitspraken houdende ontzegging van
de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen,
i. het overeenkomstig de bij of krachtens deze wet
vastgestelde bepalingen verstrekken van gegevens uit de in
onderdeel h bedoelde registers alsmede het houden van toezicht
als bedoeld in artikel 45a, eerste lid,
j. het verlenen van erkenningen als bedoeld in de artikelen
62, 70a, 83 en 101, en het verlenen van de bevoegdheid
voertuigen aan een keuring te onderwerpen als bedoeld in
artikel 85a alsmede het schorsen, wijzigen en intrekken van
erkenningen en van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring
te onderwerpen,
j1: de bevoegdheid tot het aanwijzen van een technische
dienst voor het uitvoeren van bepaalde tests ten behoeve van
het verlenen van typegoedkeuringen of individuele
goedkeuringen of voor het uitvoeren van bepaalde
toezichtstaken,
k. het houden van toezicht op de naleving van de
verplichtingen die voortvloeien uit de in onderdeel j bedoelde
erkenningen en van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring
te onderwerpen alsmede op de verplichtingen die voortvloeien
uit de in onderdeel j1 bedoelde aanwijzing als technische
dienst,
l. het verlenen van ontheffingen als bedoeld in artikel
149a,
m. het opsporen van bij of krachtens deze wet strafbaar
gestelde feiten, voor zover de ambtenaren van de Dienst
Wegverkeer daarmee ingevolge artikel 159 zijn belast, en
n. het met inachtneming van het bepaalde in artikel 4q
vaststellen van de tarieven, bedoeld in deartikelen 22, eerste
lid, 22a, eerste lid, 22b, tweede lid, 23, tweede lid, 23a,
tweede lid, 25a, eerste lid, 25b, tweede lid 26, eerste lid,
26a, tweede lid, 29, tweede lid, 30, 31, 37, vierde lid, 43,
zesde en zevende lid, 45a, derde lid, 48, eerste lid,55,
eerste lid, 63, eerste lid, 64, tweede lid, 67, eerste lid,
70, tweede lid, 70d, eerste lid, 70e, tweede lid, 70k, vierde
en vijfde lid, 70l, vierde lid,75, eerste lid, 80, eerste lid,
84, eerste lid, 86, vijfde lid, 90, vierde lid, 91, vierde
lid, 99, eerste lid, 101, eerste lid, 102, tweede lid, 106,
eerste lid,106a, derde lid, jo. 101, eerste lid,
respectievelijk jo. 102, eerste lid, 111, vijfde lid, 128,
eerste lid, 132e, eerste en tweede lid, 132g, eerste lid,
132h, derde lid, 132l, eerste lid, en tweede lid, onderdeel f,
132m, vierde lid, 144, eerste lid, en 149a, vierde lid, het
vaststellen van het tarief voor de in onderdeel g1 bedoelde
verklaring, alsmede het vaststellen van de wijze van betaling
van deze tarieven,
o. het sluiten van overeenkomsten met betrekking tot de
productie van rijbewijzen, de aflevering ervan en het beheer
van de daartoe benodigde voorzieningen;
p. het attenderen van houders van een rijbewijs op het
verloop van de geldigheidsduur.
2. Voorts is de Dienst Wegverkeer belast met:
a. de bij of krachtens andere wetten opgedragen taken, en
b. andere door Onze Minister opgedragen taken.
Artikel 4c
Beleidsregels omtrent de uitoefening van de bij of krachtens
andere wetten dan deze wet aan de Dienst Wegverkeer opgedragen taken
worden door Onze Minister vastgesteld in overeenstemming met Onze
Minister(s) wie het aangaat.
Paragraaf 3. De organen
Artikel 4d
De Dienst Wegverkeer heeft een directie en een raad van toezicht.
Artikel 4e
1. De directie bestaat uit maximaal 3 leden.
2. Het lidmaatschap van de directie is onverenigbaar met het
lidmaatschap van de raad van toezicht.
3. De leden van de directie worden benoemd voor een periode van
5 jaren en kunnen terstond opnieuw worden benoemd.
Artikel 4f
1. De directie is belast met de dagelijkse leiding van de
Dienst Wegverkeer.
2. Alle bevoegdheden van de Dienst Wegverkeer die niet bij of
krachtens de wet aan de raad van toezicht zijn opgedragen, komen
toe aan de directie.
Artikel 4g
1. De directie vertegenwoordigt de Dienst Wegverkeer in en
buiten rechte.
2. De directie kan onder haar verantwoordelijkheid de
vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, opdragen aan een of
meer directieleden of andere personen. Zij kan bepalen dat deze
vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde
onderdelen van de taak van de Dienst Wegverkeer dan wel op
bepaalde aangelegenheden.
Artikel 4h
In geval van schorsing of ontstentenis van een lid van de
directie voorziet Onze Minister in de waarneming van diens functie.
Artikel 4i
1. De directie verstrekt de raad van toezicht tijdig de voor de
uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere
gegevens.
2. De directie legt jaarlijks, en voorts tussentijds indien
hiertoe naar het oordeel van de raad van toezicht aanleiding
bestaat, aan de raad van toezicht verantwoording af over het door
haar gevoerde beleid.
Artikel 4j
1. De raad van toezicht bestaat uit vijf leden, waaronder de
voorzitter.
2. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van de
raad van toezicht.
3. De voorzitter wordt benoemd, gehoord de raad van toezicht.
4. De leden van de raad van toezicht hebben op persoonlijke
titel zitting in de raad en oefenen hun functie uit zonder last of
ruggespraak.
Artikel 4k
1. De voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht
worden benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn aansluitend
éénmalig voor een tijdvak van vier jaren herbenoembaar.
2. De leden van de raad van toezicht kan tussentijds op eigen
verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend.
3. Zolang in een vacature van de raad van toezicht niet is
voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht, met
de bevoegdheid van de volledige raad. Betreft het de vacature van
de voorzitter dan wijzen de overblijvende leden uit hun midden een
lid aan dat tijdelijk als voorzitter fungeert.
4. Indien een lid wordt benoemd ter vervanging van een
tussentijds opengevallen plaats, bepaalt Onze Minister het tijdvak
van de benoeming.
5. De raad van toezicht verschaft Onze Minister alle verlangde
inlichtingen, met inachtneming van het door Onze Minister
vastgestelde informatiestatuut.
Artikel 4l
1. De raad van toezicht ziet toe op de werkzaamheden van de
directie en staat die met raad terzijde.
2. Goedkeuring door de raad van toezicht behoeven in ieder
geval de besluiten van de directie betreffende:
a. de reglementen, bedoeld in de artikelen 4o en 4r;
b. investeringen die een door de raad van toezicht vast te
stellen bedrag te boven gaan;
c. wijzigingen in de rechtspositie van het personeel;
d. de bij of krachtens deze wet aan Onze Minister uit te
brengen rapportages.
3. Onze Minister kan bepalen dat de directie de voorafgaande
instemming behoeft van de raad van toezicht voor een beslissing
als bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen of dat de directie, ingeval Onze Minister een
beslissing als bedoeld in dat artikel aan zijn voorafgaande
instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan hem kan
voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die
beslissing geen bedenkingen te hebben.
4. De directie behoeft in elk geval de voorafgaande instemming
van de raad van toezicht voor de besluiten betreffende:
a. de begroting;
b. de vaststelling van de tarieven, bedoeld in artikel 4b,
eerste lid, onderdeel n, de tarieven die voortvloeien uit
artikel 4b, tweede lid, onderdeel a, alsmede van de wijze van
betaling van deze tarieven;
c. het jaarverslag en de jaarrekening;
d. het bestuursreglement, bedoeld in artikel 4n;
e. het financiële meerjarenbeleidsplan;
f. de uitbreiding van de keuringscapaciteit als bedoeld in
artikel 78, tweede lid;
g. het sluiten van overeenkomsten van zwaarwegend belang.
5. De in het vierde lid, onderdelen e tot en met g genoemde
besluiten behoeven de goedkeuring van Onze Minister. De
goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of
het algemeen belang.
6. De raad van toezicht kan geen rechtsgeldige besluiten nemen
indien niet ten minste de meerderheid van de leden ter vergadering
aanwezig is.
7. De raad van toezicht stelt bij reglement zijn werkwijze
vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
8. De vergaderingen van de raad van toezicht zijn niet
openbaar.
Artikel 4m
1. De raad van toezicht heeft een eigen secretariaat; de kosten
daarvan komen ten laste van de Dienst Wegverkeer.
2. Onze Minister kan aan de leden van de raad van toezicht, ten
laste van de Dienst Wegverkeer, een vergoeding toekennen voor hun
werkzaamheden.
3. De leden van de raad van toezicht hebben aanspraak op
vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie
gemaakte reis- en verblijfskosten.
Paragraaf 4. Inrichting en bedrijfsvoering
Artikel 4n
De directie stelt bij bestuursreglement haar werkwijze vast.
Paragraaf 5. Personeel van de organisatie
Artikel 4o
1. Het personeel van de Dienst Wegverkeer, de leden van de
directie daaronder begrepen, is ambtenaar in de zin van de
Ambtenarenwet, behoudens degenen met wie een arbeidsovereenkomst
is gesloten naar burgerlijk recht.
2. De directie stelt bij reglement de regeling van de
rechtstoestand van het personeel vast.
3. Onverminderd hetgeen reeds bij of krachtens de wet is
geregeld, geeft het reglement, bedoeld in het tweede lid, in ieder
geval voorschriften betreffende de volgende onderwerpen:
a. aanstelling;
b. schorsing;
c. ontslag;
d. het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;
e. bezoldiging;
f. wachtgeld;
g. diensttijden;
h. verlof en vakantie;
i. voorzieningen in verband met ziekte;
j. bescherming bij de arbeid;
k. woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;
l. medezeggenschap;
m. overige rechten en verplichtingen van het personeel;
n. disciplinaire maatregelen;
o. de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende
vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gevoerd
over aangelegenheden van algemeen belang voor de
rechtstoestand en de bezoldiging van het personeel van de
Dienst Wegverkeer;
p. een geschillenregeling met betrekking tot de in de
onderdelen l en o genoemde onderwerpen.
Paragraaf 6. Financiële bepalingen
Artikel 4p
De inkomsten van de Dienst Wegverkeer bestaan uit:
a. de opbrengst van de tarieven en overige heffingen;
b. vergoedingen voor verrichte diensten;
c. andere baten hoe ook genoemd.
Artikel 4q
1. De hoogte van de tarieven, bedoeld in artikel 4b, eerste
lid, onderdeel n, dient te worden gerelateerd aan de met de
uitoefening van de taak gemoeide kosten.
2. Het tarief, bedoeld in artikel 48, eerste lid, voor de
aanvraag van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
deel van het kentekenbewijs omvat mede een bij ministeriële
regeling vastgesteld bedrag dat strekt ter dekking van de kosten
van:
a. het registreren van keuringsrapporten,
b. het ongeldig verklaren van kentekenbewijzen,
c. het verstrekken van gegevens uit het kentekenregister
als bedoeld inartikel 43, eerste en tweede lid, en bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen verstrekkingen,
d. het behandelen van klachten en ingevolge de Algemene wet
bestuursrecht ingediende bezwaarschriften en beroepsschriften
gericht op het handelen van de Dienst Wegverkeer,
e. het opsporen van bij of krachtens deze wet strafbaar
gestelde feiten voor zover ambtenaren van de Dienst Wegverkeer
daarmee ingevolge artikel 159 zijn belast,
f. het beheer en instandhouding van het in artikel 13,
tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen bedoelde register,
g. het verstrekken van gegevens uit het in onderdeel f
genoemde register aan degenen die ingevolge de in artikel 38,
tweede lid van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen bedoelde algemene maatregel van bestuur niet
tot betaling van het ter zake vastgestelde tarief zijn
gehouden,
h. de inspectie bedoeld in artikel 45a, tweede lid, indien
naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer blijkt dat de
gegevens juist in het kentekenregister zijn opgenomen dan wel
de onjuistheid van een gegeven degene aan wie het
kentekenbewijs voor het geïnspecteerde voertuig is afgegeven
niet kan worden tegengeworpen, en
i. het toezicht op het terugroepen door de fabrikant van
reeds in de handel gebrachte voertuigen.
Artikel 4r
De directie stelt bij reglement richtlijnen vast voor het voeren
van een ordelijk financieel beheer van de Dienst Wegverkeer.
Artikel 4s
Het boekjaar van de Dienst Wegverkeer valt samen met het
kalenderjaar.
Artikel 4t
1. De directie dient het financiële meerjarenbeleidsplan,
waarmee de raad van toezicht heeft ingestemd, voor 1 oktober
voorafgaand aan het boekjaar, in bij Onze Minister.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
over de inrichting van het financiële meerjarenbeleidsplan en
kunnen aandachtspunten worden vastgesteld voor de
accountantscontrole.
Paragraaf 7. Overige bepalingen
Artikel 4u
1. Onze Minister stelt regels over de uitoefening van het
toezicht op de Dienst Wegverkeer door Onze Minister en de raad van
toezicht.
2. Onze Minister verstrekt de Dienst Wegverkeer de inlichtingen
die deze voor zijn taakuitoefening redelijkerwijs nodig heeft.
3. Onze Minister stelt een informatiestatuut vast. Het
informatiestatuut bevat inhoudelijke en procedurele voorschriften
met betrekking tot de informatie-uitwisseling tussen Onze Minister
en de Dienst Wegverkeer.
Artikel 4v
1. Waar in deze wet dan wel de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen de goedkeuring van Onze Minister is vereist,
verleent dan wel onthoudt deze die goedkeuring binnen zes weken na
de datum van ontvangst van de aan goedkeuring onderhevige stukken.
2. Met goedkeuring wordt gelijkgesteld het verstrijken van de
in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring is
verleend of onthouden.
Artikel 4w
1. Waar ingevolge deze wet de goedkeuring dan wel instemming
door de raad van toezicht is vereist, verleent of onthoudt deze
die goedkeuring dan wel die instemming binnen zes weken na de
datum van ontvangst van de aan goedkeuring dan wel instemming
onderhevige stukken.
2. Met goedkeuring dan wel instemming wordt gelijkgesteld het
verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat
de goedkeuring dan wel de instemming is verleend of onthouden.
Artikel 4wa
Zolang de begroting niet is goedgekeurd, is de directie
gerechtigd gedurende ten hoogste de eerste zes maanden van het
nieuwe boekjaar voor iedere maand uitgaven te doen ter grootte van
115% van een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande
boekjaar.
Artikel 4x
Indien de Dienst Wegverkeer een bij of krachtens een andere wet
dan deze wet opgedragen taak naar het oordeel van Onze Minister niet
langer naar behoren verricht, kan Onze Minister de noodzakelijke
voorzieningen treffen na overleg met Onze Minister(s) wie het
aangaat.
Artikel 4y [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk IB. Het CBR
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 4z
1. Er is een Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, in het
maatschappelijk verkeer aangeduid als CBR. Het bureau bezit
rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Rijswijk.
2. Op het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen is de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing, met
uitzondering van artikel 15 van die wet.
Paragraaf 2. Taken van het CBR
Artikel 4aa
1. Het CBR is belast met de volgende taken:
a. het beoordelen van de rijvaardigheid;
b. het beoordelen van de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen;
c. het opleggen van onderzoeken naar de rijvaardigheid en
de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van
houders van rijbewijzen ten aanzien van wie een vermoeden van
onvoldoende rijvaardigheid of geschiktheid bestaat;
d. het opleggen van educatieve maatregelen ter bevordering
van de rijvaardigheid of geschiktheid tot het besturen van
motorrijtuigen;
e. het opleggen en uitvoeren van het alcoholslotprogramma;
f. het schorsen van de geldigheid van rijbewijzen;
g. het ongeldig verklaren van rijbewijzen;
h. het verlenen van ontheffingen als bedoeld in artikel
149, tweede lid;
i. het afgeven van gehandicaptenparkeerkaarten aan
aanvragers die niet zijn ingeschreven in de basisadministratie
persoonsgegevens van een gemeente;
j. het beoordelen van de vakbekwaamheid van bestuurders in
het goederen- en personenvervoer over de weg;
k. het erkennen van opleidingscentra voor het verrichten
van nascholing en het certificeren van cursussen met
betrekking tot vakbekwaamheid bestuurders goederen- en
personenvervoer over de weg en het registreren van nascholing;
l. het houden van toezicht op de naleving van de
verplichtingen die voortvloeien uit de in onderdeel k bedoelde
erkenningen;
m. het uitreiken van Nederlandse omwisselingscertificaten
en deelcertificaten vakbekwaamheid bestuurders goederen- en
personenvervoer over de weg;
n. het ongeldig verklaren van getuigschriften van
vakbekwaamheid, getuigschriften van nascholing en Nederlandse
omwisselingscertificaten;
o. het verwerken van gegevens, waaronder mede begrepen
gegevens betreffende iemands gezondheid, voor zover dit
noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarmee het
CBR bij of krachtens deze wet is belast, alsmede van de taken
waarmee het CBR bij of krachtens andere wetten is belast;
p. het met inachtneming van artikel 4am vaststellen van de
tarieven, alsmede het vaststellen van de wijze van betaling
van deze tarieven, voor het verrichten van taken waarvoor het
CBR bij of krachtens deze wet bevoegd is, alsmede voor de bij
of krachtens andere wetten opgedragen taken;
q. het verstrekken van gegevens voor zover dit noodzakelijk
is voor de uitvoering van de taken waarmee het CBR dan wel
andere organisaties bij of krachtens deze wet zijn belast.
2. Bij de toepassing van de taken, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, neemt het CBR de bij ministeriële regeling
aangewezen richtlijn of de aangewezen onderdelen daarvan, in acht.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen c tot en
met g, wordt onder rijbewijzen mede verstaan rijbewijzen,
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland,
waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
4. Voorts is het CBR belast met:
a. de bij of krachtens andere wetten opgedragen taken, en
b. andere bij regeling van Onze Minister opgedragen taken
waarbij regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de
tarieven van deze taken.
Artikel 4ab
Beleidsregels omtrent de uitoefening van de bij of krachtens
andere wetten dan deze wet aan het CBR opgedragen taken worden door
Onze Minister vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister(s)
wie het aangaat.
Paragraaf 3. De organen
Artikel 4ac
Het CBR heeft een directie en een raad van toezicht.
Artikel 4ad
1. De directie bestaat uit maximaal twee leden.
2. Het lidmaatschap van de directie is onverenigbaar met het
lidmaatschap van de raad van toezicht.
3. In geval van schorsing of ontstentenis van een lid van de
directie voorziet Onze Minister in de waarneming van diens
functie.
4. De leden van de directie worden benoemd voor een periode van
ten hoogste 4 jaren en kunnen terstond éénmaal opnieuw worden
benoemd.
5. De directie stelt bij bestuursreglement haar werkwijze vast.
Artikel 4ae
1. De directie is belast met de dagelijkse leiding van het CBR.
2. Alle bevoegdheden van het CBR die niet bij of krachtens deze
wet aan de raad van toezicht zijn opgedragen, komen toe aan de
directie.
Artikel 4af
1. De directie vertegenwoordigt het CBR in en buiten rechte.
2. De directie kan onder haar verantwoordelijkheid de
vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, opdragen aan een of
meer directieleden of andere personen. Zij kan bepalen dat deze
vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde
onderdelen van de taak van het CBR dan wel op bepaalde
aangelegenheden.
Artikel 4ag
1. De directie verstrekt de raad van toezicht tijdig de voor de
uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere
gegevens.
2. De directe legt jaarlijks, en voorts tussentijds indien
hiertoe naar het oordeel van de raad van toezicht aanleiding
bestaat, aan de raad van toezicht verantwoording af over het door
haar gevoerde beleid.
Artikel 4ah
1. De raad van toezicht bestaat uit vijf leden, waaronder de
voorzitter.
2. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van de
raad van toezicht.
3. Onze Minister benoemt de voorzitter, gehoord de raad van
toezicht.
4. De leden van de raad van toezicht hebben op persoonlijke
titel zitting in de raad en oefenen hun functie uit zonder last of
ruggespraak.
5. De raad van toezicht verschaft Onze Minister alle verlangde
inlichtingen, met inachtneming van het door Onze Minister
vastgestelde informatiestatuut.
Artikel 4ai
1. De voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht
worden benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn aansluitend
éénmalig voor een tijdvak van vier jaren herbenoembaar.
2. De leden van de raad van toezicht kan tussentijds op eigen
verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend.
3. Zolang in een vacature van de raad van toezicht niet is
voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht, met
de bevoegdheid van de volledige raad. Betreft het de vacature van
de voorzitter dan wijzen de overblijvende leden uit hun midden een
lid aan dat tijdelijk als voorzitter fungeert.
4. Indien een lid wordt benoemd ter vervanging van een
tussentijds opengevallen plaats, bepaalt Onze Minister het tijdvak
van de benoeming.
Artikel 4aj
1. De raad van toezicht ziet toe op de werkzaamheden van de
directie en staat die met raad terzijde.
2. Goedkeuring door de raad van toezicht behoeven in ieder
geval de besluiten van de directie betreffende:
a. het reglement, bedoeld in artikel 4an;
b. investeringen die een door de raad van toezicht vast te
stellen bedrag te boven gaan;
c. wijzigingen in de rechtspositie van het personeel;
d. de bij of krachtens deze wet aan Onze Minister uit te
brengen rapportages.
3. Onze Minister kan bepalen dat de directie de voorafgaande
instemming behoeft van de raad van toezicht voor een beslissing
als bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen of dat de directie, ingeval Onze Minister een
beslissing als bedoeld in dat artikel aan zijn voorafgaande
instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan hem kan
voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die
beslissing geen bedenkingen te hebben.
4. De directie behoeft in elk geval de voorafgaande instemming
van de raad van toezicht voor de besluiten betreffende:
a. de begroting;
b. de vaststelling van de tarieven, bedoeld in artikel 4aa,
eerste lid, onderdeel p, de tarieven die voortvloeien uit
artikel 4aa, derde lid, onderdeel b, alsmede de wijze van
betaling van deze tarieven;
c. het jaarverslag en de jaarrekening;
d. het bestuursreglement, bedoeld in artikel 4ad, vijfde
lid;
e. het financiële meerjarenbeleidsplan;
f. het sluiten van overeenkomsten van zwaarwegend belang.
5. De in het vierde lid, onderdelen e en f genoemde besluiten
behoeven de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan
worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen
belang.
6. De raad van toezicht kan geen rechtsgeldige besluiten nemen
indien niet ten minste de meerderheid van de leden ter vergadering
aanwezig is.
7. De raad van toezicht stelt bij reglement zijn werkwijze
vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
8. De vergaderingen van de raad van toezicht zijn niet
openbaar.
Artikel 4ak
1. Onze Minister kan aan de leden van de raad van toezicht, ten
laste van het CBR, een vergoeding toekennen voor hun
werkzaamheden.
2. De leden van de raad van toezicht hebben aanspraak op
vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie
gemaakte reis- en verblijfkosten.
3. De raad van toezicht heeft een eigen secretariaat; de kosten
daarvan komen ten laste van het CBR.
Paragraaf 4. Financiële bepalingen
Artikel 4al
De inkomsten van het CBR bestaan uit:
a. de opbrengsten van de tarieven en overige heffingen;
b. vergoedingen voor verrichte diensten;
c. andere baten hoe ook genoemd.
Artikel 4am
De hoogte van de tarieven, bedoeld in artikel 4aa, eerste lid,
onderdeel p wordt gerelateerd aan de met de uitvoering van de taak
redelijkerwijs gemoeide kosten.
Artikel 4an
De directie stelt bij reglement richtlijnen vast voor het voeren
van een ordelijk financieel beheer van het CBR.
Artikel 4ao
Het boekjaar van het CBR valt samen met het kalenderjaar.
Artikel 4ap
1. De directie dient het financiële meerjarenbeleidsplan,
waarmee de raad van toezicht heeft ingestemd, voor 1 oktober
voorafgaande aan het boekjaar, in bij Onze Minister.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
over de inrichting van het financiële meerjarenbeleidsplan en
kunnen aandachtspunten worden vastgesteld voor de
accountantscontrole.
Paragraaf 5. Overige bepalingen
Artikel 4aq
1. Onze Minister stelt regels over de uitoefening van het
toezicht op het CBR door Onze Minister en de raad van toezicht.
2. Onze Minister verstrekt het CBR de inlichtingen die het CBR
voor zijn taakuitoefening redelijkerwijs nodig heeft.
3. Onze Minister stelt een informatiestatuut vast. Het
informatiestatuut bevat inhoudelijke en procedurele voorschriften
met betrekking tot de informatie-uitwisseling tussen Onze Minister
en het CBR.
Artikel 4ar
1. Waar in deze wet dan wel de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen de goedkeuring van Onze Minister is vereist,
verleent dan wel onthoudt deze die goedkeuring binnen zes weken na
de datum van ontvangst van de aan goedkeuring onderhevige stukken.
2. Met goedkeuring wordt gelijkgesteld het verstrijken van de
in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring is
verleend of onthouden.
Artikel 4as
1. Waar ingevolge deze wet de goedkeuring dan wel de instemming
door de raad van toezicht is vereist, verleent of onthoudt deze
die goedkeuring dan wel die instemming binnen zes weken na de
datum van ontvangst van de aan goedkeuring dan wel instemming
onderhevige stukken.
2. Met goedkeuring dan wel instemming wordt gelijkgesteld het
verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat
de goedkeuring dan wel de instemming is verleend of onthouden.
Artikel 4at
Zolang de begroting niet is goedgekeurd, is de directie
gerechtigd gedurende ten hoogste zes maanden van het nieuwe boekjaar
voor iedere maand uitgaven te doen ter grootte van 115% van een
twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar.
Artikel 4au
Indien het CBR een bij of krachtens een andere wet dan deze wet
opgedragen taak naar het oordeel van Onze Minister niet langer naar
behoren verricht, kan Onze Minister de nodige voorzieningen treffen
na overleg met Onze Minister wie het aangaat.
Hoofdstuk IC. Toezicht op keuringsinstellingen en
onderzoeksgerechtigden
Artikel 4av
1. Keuringsinstellingen, aangewezen ingevolge de artikelen 71a,
84, eerste lid, 101, eerste lid, en 132e, vijfde lid, en 106a,
derde lid, jo. 101, eerste lid, en de ingevolge deze artikelen
erkende onderzoeksgerechtigden en instellingen, verstrekken
desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen die deze ten behoeve
van zijn taakuitoefening nodig oordeelt. Onze Minister kan inzage
vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor
de vervulling van zijn taak redelijkerwijze noodzakelijk is.
2. Onze Minister kan aan de in het eerste lid bedoelde
keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden en instellingen
aanwijzingen van algemene aard geven met betrekking tot de
uitvoering van de taak waarvoor zij zijn aangewezen.
3. Onze Minister kan tarieven vaststellen die de in het eerste
lid bedoelde keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden en
instellingen ten hoogste mogen berekenen voor de door hen
verrichte werkzaamheden in het kader van de uitvoering van de taak
waarvoor zij zijn aangewezen. Daarbij kunnen voor verschillende
werkzaamheden verschillende tarieven worden vastgesteld.
4. Indien een keuringsinstelling als bedoeld in het eerste lid
naar het oordeel van Onze Minister haar taak verwaarloost, kan
Onze Minister de aanwijzing intrekken.
5. Over de uitoefening van het toezicht op
keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden en instellingen als
bedoeld in het eerste lid kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
Hoofdstuk II. Verkeersgedrag
§ 1. Gedragsregels
Artikel 5
Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op
de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het
verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.
Artikel 6
Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich
zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of
waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of
zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of
verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.
Artikel 7
1. Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of
door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden
de plaats van het ongeval te verlaten indien:
a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan
een ander is toegebracht;
b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is
toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van
toepassing op degene die op de plaats van het ongeval behoorlijk
de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit
en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de
identiteit van dat motorrijtuig.
Artikel 8
1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen of als
bestuurder te doen besturen, terwijl hij verkeert onder zodanige
invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet
weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het
gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen,
dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.
2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen of als
bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende
drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger
blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde
lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek
hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter
bloed.
3. In afwijking van het tweede lid is het de bestuurder van een
motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist,
indien sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een
rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken, dan
wel, indien het voor het eerst afgegeven rijbewijs een rijbewijs
betreft dat is afgegeven aan een persoon die op het ogenblik van
die afgifte de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt,
nog geen zeven jaar zijn verstreken, en de eerste afgifte van het
rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, verboden
dat motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na
zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger
blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde
lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek
hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed.
4. In afwijking van het tweede lid is het derde lid van
overeenkomstige toepassing op de bestuurder van een motorrijtuig:
a. die zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven een
motorrijtuig bestuurt voor het besturen waarvan een rijbewijs
vereist is, of
b. aan wie deelname aan het alcoholslotprogramma is
opgelegd, tot het tijdstip waarop hij na beëindiging van het
alcoholslotprogramma overeenkomstig artikel 132d, eerste of
derde lid, overeenkomstig de daarvoor bij algemene maatregel
van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs zonder de voor
deelname aan het alcoholslotprogramma vastgestelde codering
heeft verkregen.
5. Het is verboden een motorrijtuig als bestuurder te doen
besturen door een persoon waarvan men weet of redelijkerwijs moet
weten dat deze verkeert in een toestand als in het eerste, tweede
of derde lid is omschreven.
6. Voor de toepassing van het derde lid wordt onder een
rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe
bevoegde gezag buiten Nederland.
Artikel 9
1. Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat hem
bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot
het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, verboden gedurende de
tijd dat hem die bevoegdheid is ontzegd, op de weg een
motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen.
2. Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een
op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van
motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur
ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs
voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie
of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig
van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte
van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen
besturen. Hetzelfde verbod geldt voor degene die weet of
redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs
zijn geldigheid heeft verloren en dat hij bij de aanvraag van een
nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde
voorwaarden, tenzij aan hem, nadat hij aan deze voorwaarden heeft
voldaan, een ander rijbewijs voor het besturen van een
motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is
afgegeven.
3. Het tweede lid geldt niet ten aanzien van de bestuurder van
een motorrijtuig gedurende de tijd dat aan hem ter verkrijging van
een rijbewijs voor de categorie of categorieën van motorrijtuigen
waarop de ongeldigverklaring betrekking heeft, rijonderricht in de
zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven en
gedurende de tijd dat door hem een rijproef wordt afgelegd in het
kader van een onderzoek, door of vanwege de overheid ingesteld,
naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.
4. Het is degene van wie ingevolge artikel 130, tweede lid, de
overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs is gevorderd, dan
wel wiens rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is
teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie
of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of
als bestuurder te doen besturen.
5. Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat de
geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge
artikel 131, derde lid, onderdeel a, voor een of meer categorieën
van motorrijtuigen is geschorst, verboden gedurende de tijd dat de
schorsing van kracht is, op de weg een motorrijtuig van de
categorie of categorieën waarop de schorsing betrekking heeft, te
besturen of als bestuurder te doen besturen.
6. Het vierde en het vijfde lid gelden niet ten aanzien van de
bestuurder van een motorrijtuig gedurende de tijd dat door hem een
rijproef wordt afgelegd in het kader van een ingevolge artikel
131, eerste lid, gevorderd onderzoek. Voorts geldt het vijfde lid
niet ten aanzien van de bestuurder van een motorrijtuig gedurende
de tijd dat aan hem, ter voorbereiding op een onderzoek naar de
rijvaardigheid in het kader van een ingevolge artikel 133, eerste
lid, gevorderd onderzoek, rijonderricht in de zin van de Wet
rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven.
7. Het is degene van wie ingevolge artikel 164 de overgifte van
een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe
bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een
internationaal rijbewijs is gevorderd, dan wel van wie zodanig
bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven,
verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of
categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of als
bestuurder te doen besturen.
8. Het is degene van wie ingevolge de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de
inlevering van het rijbewijs is gevorderd, dan wel wiens rijbewijs
krachtens die wet is ingenomen, verboden op de weg een
motorrijtuig, voor het besturen waarvan het rijbewijs is
afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen met
ingang van het tijdstip, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van
die wet.
9. Het is degene die op grond van artikel 132c, eerste lid,
onderdeel d, de feitelijke beschikking heeft gekregen over een
rijbewijs waarop de bij ministeriële regeling vastgestelde
codering voor deelname aan het alcoholslot is vermeld, verboden
een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, te besturen:
a. dat niet is voorzien van een alcoholslot als bedoeld in
artikel 132e, eerste lid,
b. waarvan het kenteken in het in artikel 129a bedoelde
register aan hem is gekoppeld, terwijl het motorrijtuig is
voorzien van een niet-werkend alcoholslot als bedoeld in
artikel 132e, eerste lid,
c. waarin wel een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e,
eerste lid, is ingebouwd, maar waarvan het kenteken in het in
artikel 129a bedoelde register niet aan hem is gekoppeld, of
d. terwijl een ander dan de bestuurder heeft geblazen in
het alcoholslot als bedoeld inartikel 132e, eerste lid, een en
ander tot het tijdstip waarop hij na beëindiging van het
alcoholslotprogramma overeenkomstig artikel 132d, eerste of
derde lid, overeenkomstig de daarvoor bij algemene maatregel
van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs zonder de voor
deelname aan het alcoholslotprogramma vastgestelde codering
heeft verkregen.
10. Voor de toepassing van het tweede, vierde, vijfde, zesde en
achtste lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs,
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland.
Artikel 10
1. Het is verboden op de weg een wedstrijd met voertuigen te
houden of daaraan deel te nemen.
2. Onder wedstrijd wordt voor de toepassing van dit artikel
verstaan elk rijden met voertuigen ter vaststelling of
vergelijking van prestaties hetzij van de deelnemers, hetzij van
de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan, hetzij van
bedrijfsstoffen.
3. Als deelnemer wordt beschouwd de bestuurder van een voertuig
waarmee aan een wedstrijd wordt deelgenomen, en de eigenaar of
houder van een voertuig, die daarmee aan een wedstrijd doet of
laat deelnemen.
Artikel 11
Het is verboden opzettelijk wederrechtelijk een aan een ander
toebehorend motorrijtuig op de weg te gebruiken.
Artikel 12
1. Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de
aanwijzingen die door de in artikel 159 bedoelde personen dan wel
door andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
categorieën van personen ter zake van het verkeer op de weg
worden gegeven.
2. De in het eerste lid bedoelde aanwijzingen mogen slechts
worden gegeven in het belang van de veiligheid op de weg, de
instandhouding van de weg en de bruikbaarheid daarvan, of de
vrijheid van het verkeer dan wel in het belang van met toestemming
van Onze Minister verrichte onderzoeken ten behoeve van het
verkeer.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld omtrent het bepaalde in het eerste lid,
alsmede met betrekking tot:
a. de opleiding en examinering van verkeersregelaars en de
afgifte, of weigering daarvan, en geldigheidsduur van
examencertificaten en herhalingscertificaten;
b. de erkenning, of de weigering daarvan, door Onze
Minister van examencertificaten of herhalingscertificaten, de
voorschriften die aan die erkenning kunnen worden verbonden en
de intrekking van die erkenning;
c. de opleiding van verkeersbrigadiers;
d. de aanstelling van verkeersregelaars, de verlenging en
intrekking van die aanstelling, de afgifte van de
aanstellingspas aan verkeersregelaars en de inname van die pas
in gevallen waarin het verkeer in gevaar is of kan worden
gebracht, alsmede de aanstelling van verkeersbrigadiers;
e. de uitrusting, de verzekering, de wijze en plaats van
taakuitoefening, en het toezicht op verkeersregelaars en
verkeersbrigadiers.
4. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede,
van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing op een verzoek tot aanstelling
tot verkeersregelaar en verlenging van die aanstelling als bedoeld
in het derde lid, onderdeel d.
Artikel 13
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
vastgesteld betreffende het gedrag van verkeersdeelnemers.
2. In de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven
gevallen kunnen bij ministeriële regeling voorschriften ter
uitvoering van die regels worden vastgesteld.
§ 2. Verkeerstekens en maatregelen op of aan de weg
Artikel 14
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld
omtrent het toepassen van verkeerstekens en onderborden alsmede
omtrent het treffen van maatregelen op of aan de weg tot wijziging
van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen
van voorzieningen ter regeling van het verkeer. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels vastgesteld betreffende het toepassen
van verkeerstekens en onderborden. Bij ministeriële regeling worden
voorschriften vastgesteld betreffende inrichting, plaatsing, kleur,
afmeting en materiaal van verkeerstekens en onderborden.
Artikel 15
1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover
daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd,
geschiedt krachtens een verkeersbesluit.
2. Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting
van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen
ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een
verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of
uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een
weg of weggedeelte gebruik kan maken.
Artikel 16
1. De in artikel 15 bedoelde verkeerstekens en onderborden
worden geplaatst of verwijderd, en de daar bedoelde maatregelen
worden getroffen, door de zorg van het gezag dat het
verkeersbesluit heeft genomen.
2. Verkeerstekens en onderborden, die niet worden geplaatst of
verwijderd krachtens een verkeersbesluit, worden geplaatst of
verwijderd door de zorg van het openbaar lichaam dat het beheer
heeft over de weg of, indien geen openbaar lichaam het beheer
heeft, door de zorg van de eigenaar van de weg.
Artikel 17
In de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen kan
bij de plaatsing en verwijdering van verkeerstekens en het treffen
van maatregelen op of aan de weg, worden afgeweken van de artikelen
15 en 16. Indien het als gevolg van dringende omstandigheden niet
mogelijk is de verkeerstekens in de voorgeschreven uitvoering te
plaatsen, kan de door het teken aangeduide informatie op andere
duidelijke wijze kenbaar worden gemaakt.
Artikel 18
1. Verkeersbesluiten worden genomen:
a. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder
beheer van het Rijk door Onze Minister;
b. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder
beheer van een provincie door gedeputeerde staten;
c. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder
beheer van een waterschap door het algemeen bestuur of,
krachtens besluit van het algemeen bestuur, door het dagelijks
bestuur;
d. voor zover zij betreffen het verkeer op andere wegen
door burgemeester en wethouders, of krachtens besluit van hen,
door een door hen ingestelde bestuurscommissie of het
dagelijks bestuur van een deelgemeente.
2. Indien het beheer over een weg wordt overgedragen, blijven
de verkeersbesluiten die de oorspronkelijke wegbeheerder ten
aanzien van het verkeer op die weg heeft vastgesteld, van kracht
totdat zij zijn vervangen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld
omtrent de eisen waaraan verkeersbesluiten dienen te voldoen
alsmede omtrent de totstandkoming en de inwerkingtreding van die
besluiten.
Artikel 19
1. Gedeputeerde staten kunnen aan besturen van waterschappen de
aanwijzing geven om op buiten de bebouwde kom gelegen wegen, ten
aanzien waarvan die organen bevoegd zijn tot het nemen van
verkeersbesluiten, binnen dertien weken een verkeersbesluit van
een daarbij aan te geven inhoud te nemen en uit te voeren.
2. Het eerste lid mag worden toegepast, indien:
a. op een buiten de bebouwde kom gelegen weg, die bij
meerdere organen in beheer is, naar het oordeel van
gedeputeerde staten een of meerdere niet op elkaar afgestemde
verkeersbesluiten van kracht zijn, die zodanige afstemming
behoeven met het oog op de belangen, omschreven in artikel 2,
eerste lid, onderdelen a, c en d, en tweede lid, of
b. gedeputeerde staten van oordeel zijn dat het nemen van
een verkeersbesluit noodzakelijk is ter bescherming van de
belangen, bedoeld in artikel 2, tweede lid.
3. Gedeputeerde staten dienen voorafgaande aan het geven van
een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid overleg te voeren met
het betrokken bestuur.
4. Het betrokken bestuur is verplicht een aanwijzing als
bedoeld in het eerste lid op te volgen en uit te voeren.
5. Indien een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid niet
wordt opgevolgd of uitgevoerd, gaan gedeputeerde staten op kosten
van het betrokken bestuur tot het nemen van het verkeersbesluit en
zo nodig tot de uitvoering daarvan over.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld
over de totstandkoming en de inhoud van de in het eerste lid
bedoelde aanwijzingen alsmede over hetgeen verder voor de
uitvoering van dit artikel noodzakelijk is.
Artikel 20
Een belanghebbende kan tegen een verkeersbesluit tot plaatsing of
verwijdering van verkeerstekens en onderborden of tot het treffen
van maatregelen op of aan de weg ter regeling van het verkeer beroep
instellen bij de rechtbank.
§ 3. Vaststelling bebouwde kom
Artikel 20a
1. De grenzen van de bebouwde kom of kommen van een gemeente
worden vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
inzake de vaststelling van bebouwde kommen vastgesteld.
Hoofdstuk IIA. Aanwijzing bromfietsen waarvoor geen Europese
typegoedkeuring vereist is
Artikel 20b
1. Voorafgaande aan de toelating tot het verkeer op de weg kan
Onze Minister een motorrijtuig met een door de constructie
bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h, uitgerust met
een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50
cm3 of een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen
van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig, per
type of individueel voertuig aanwijzen op grond van zijn
veiligheidsaspecten, indien:
a. de toelating overeenstemt met de in artikel 2, eerste
lid, onderdelen a en b, tweede lid en derde lid, onderdeel a,
genoemde doeleinden; en
b. er voor dit motorrijtuig niet een typegoedkeuring
overeenkomstig in het kader van de Europese Unie tot stand
gekomen voorschriften vereist is.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld betreffende de aanwijzing.
Hoofdstuk III. Toelating tot de weg, goedkeuring
productieprocessen en goedkeuring gebruik buiten de weg
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 21
1. Bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van
voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden,
uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers dienen te zijn goedgekeurd voor
toelating tot het verkeer op de weg.
2. De goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, kan worden
verleend als typegoedkeuring, dan wel, met betrekking tot
voertuigen, als goedkeuring voor een individueel voertuig.
3. Bij ministeriële regeling aan te wijzen productieprocessen
van bepaalde categorieën voertuigen, systemen, onderdelen,
technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter
bescherming van weggebruikers en passagiers dienen te zijn
goedgekeurd alvorens de producten voortkomend uit die
productieprocessen worden toegelaten tot het verkeer op de weg.
4. In afwijking van het eerste lid kunnen bij ministeriële
regeling aan te wijzen categorieën van voertuigen, systemen,
onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers
worden aangewezen, waarvoor geen typegoedkeuring overeenkomstig in
het kader van de Europese Unie tot stand gekomen voorschriften
vereist is, worden toegelaten tot het verkeer op de weg zonder te
zijn goedgekeurd.
§ 2. Typegoedkeuring en goedkeuring productieprocessen van
voertuigen en voertuigonderdelen
Artikel 22
1. Een typegoedkeuring wordt op aanvraag en tegen betaling, op
de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor
door deze dienst vastgestelde tarief door deze dienst verleend
indien het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische
eenheid, het uitrustingstuk of de voorziening ter bescherming van
weggebruikers en passagiers waarvoor de goedkeuring wordt
gevraagd, bij een door de dienst verrichte keuring heeft voldaan
aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met
betrekking tot de toelating tot het verkeer op de weg. Deze eisen
kunnen betrekking hebben op de technische staat, de specificaties,
de prestaties of de uitrusting van het voertuig, het systeem, het
onderdeel, de technische eenheid, het uitrustingstuk of de
voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers.
2. Met een typegoedkeuring wordt gelijkgesteld een
typegoedkeuring:
a. die is verleend door het daartoe bevoegde gezag in een
andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere Staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte en die is verleend overeenkomstig de op het
betrokken voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid,
uitrustingsstuk of voorziening ter bescherming van
weggebruikers en passagiers betrekking hebbende, in het kader
van de Europese Unie tot stand gekomen voorschriften, of die
is verleend door het daartoe bevoegde gezag in Zwitserland
indien dit voorvloeit uit de op 21 juni 1999 te Luxemburg tot
stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en
de Zwitserse Bondsstaat inzake de wederzijdse erkenning van de
overeenstemmingsbeoordeling (PbEG L 114);
b. die is verleend door het daartoe bevoegde gezag in een
Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende het
aannemen van eenvormige technische voorschriften die van
toepassing zijn op voertuigen op wielen, uitrustingsstukken en
onderdelen die in een voertuig op wielen kunnen worden
gemonteerd of gebruikt en is verleend overeenkomstig de
voorwaarden voor wederzijdse erkenning van overeenkomstig deze
voorschriften verleende goedkeuringen;
c. als bedoeld inartikel 22a, eerste lid.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld
betreffende de organisatie van de aanvrager, het proces volgens
hetwelk de aanvrager zijn werkzaamheden verricht, het door de
aanvrager voor de keuring ter beschikking stellen van voertuigen,
systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, het
door de aanvrager overleggen van bescheiden en verstrekken van
inlichtingen ter zake van de keuring alsmede betreffende de wijze
waarop de keuring wordt verricht.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot in het kader van een typegoedkeuringsprocedure op
basis van in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen
voorschriften op de Dienst Wegverkeer of de fabrikant van een
voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingstuk
of voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers
rustende verplichtingen.
5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot op voertuigen, systemen, onderdelen, technische
eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers, behorende tot een goedgekeurd type,
aan te brengen keurmerken, aanduidingen of gegevens.
Artikel 22a
1. Ter uitvoering van verdragen of van besluiten van
volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen
van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, verleent de Dienst
Wegverkeer op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst
vastgestelde tarief, een typegoedkeuring indien het voertuig, het
systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het uitrustingstuk
of de voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers,
waarvoor de goedkeuring wordt gevraagd, bij een door de dienst
verrichte keuring heeft voldaan aan de eisen van het bij
ministeriële regeling bekendgemaakte besluit.
2. De artikelen 22, derde lid, 23, 24 en 25 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 22b
1. De Dienst Wegverkeer kan met het oog op het verlenen van een
typegoedkeuring als bedoeld in artikel 22, eerste lid, op aanvraag
een technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde voor
goedkeuring noodzakelijke tests te verrichten, indien uit een door
de Dienst Wegverkeer opgesteld beoordelingsverslag of uit een door
een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat
blijkt dat deze dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële
regeling gestelde eisen.
2. De Dienst Wegverkeer houdt toezicht op de op grond van het
eerste lid aangewezen technische dienst. De aangewezen technische
dienst is gehouden tot betaling, op de door de Dienst Wegverkeer
vastgestelde wijze, van het door de Dienst Wegverkeer ter zake van
de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
3. Met een technische dienst wordt gelijk gesteld een
technische dienst die beschikt over een beoordelingsverslag
opgesteld door de daartoe bevoegde instantie in een andere
lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, dan wel over een accrediteringscertificaat afgegeven
door een accrediteringsinstantie uit die andere lidstaat van de
Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, voor
zover hieruit blijkt dat deze dienst voldoet aan eisen die
tenminste gelijkwaardig zijn aan de in het eerste lid bedoelde
eisen.
4. De aanwijzing wordt ingetrokken indien de technische dienst
die was aangewezen, daarom verzoekt.
5. De Dienst Wegverkeer kan een aanwijzing intrekken indien de
aangewezen technische dienst niet meer voldoet aan de voor de
aanwijzing gestelde eisen.
6. De Dienst Wegverkeer kan een aanwijzing schorsen voor een
door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf
weken bedraagt.
7. Bij ministeriële regeling kunnen bepalingen worden gesteld
ter uitvoering van dit artikel. Hierbij kunnen tevens regels
worden gesteld omtrent het door de aanvrager overleggen van
bescheiden of verstrekken van nadere inlichtingen, betreffende de
wijze waarop toezicht wordt gehouden en de verplichting tot
medewerking daaraan van degene die is aangewezen als technische
dienst.
Artikel 23
1. De Dienst Wegverkeer houdt toezicht op het overeenstemmen
van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden,
uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers, die doorgaan voor goedgekeurd, met
het type waarvoor de goedkeuring is verleend. Tot dit toezicht kan
behoren het steekproefsgewijs keuren van tot een type waarvoor de
goedkeuring is verleend, behorende voertuigen, systemen,
onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers.
Voorts kan tot het toezicht behoren het periodiek controleren van
de organisatie van degene aan wie de goedkeuring is verleend
alsmede het proces volgens hetwelk hij zijn werkzaamheden
verricht. Degene aan wie de goedkeuring is verleend, is gehouden
aan voor het houden van het toezicht noodzakelijke werkzaamheden
medewerking te verlenen.
2. Degene aan wie een goedkeuring is verleend, is gehouden tot
betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht
vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld betreffende de wijze waarop het toezicht wordt
gehouden en de verplichting tot medewerking daaraan van degene aan
wie een goedkeuring is verleend.
Artikel 23a
1. De Dienst Wegverkeer kan met het oog op de uitoefening van
het toezicht als bedoeld in artikel 23, eerste lid, op aanvraag
een technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde
toezichtstaken uit te voeren, indien uit een door de Dienst
Wegverkeer opgesteld beoordelingsverslag of uit een door een
accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat blijkt
dat deze dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële regeling
gestelde eisen.
2. Artikel 22b, tweede tot en met zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
Bij ministeriële regeling wordt bepaald wanneer een
typegoedkeuring vervalt.
Artikel 25
1. De Dienst Wegverkeer trekt een typegoedkeuring in, indien
degene aan wie de goedkeuring is verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een typegoedkeuring intrekken,
indien:
a. degene aan wie de goedkeuring is verleend een voertuig,
systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingstuk of
voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers
doet of laat doorgaan voor goedgekeurd, terwijl dat voertuig,
dat systeem, dat onderdeel, die technische eenheid, dat
uitrustingstukken of die voorziening ter bescherming van
weggebruikers en passagiers niet overeenstemt met het type
waarvoor de goedkeuring is verleend,
b. degene aan wie de goedkeuring is verleend, de
verplichting, vervat in artikel 23, tweede lid, niet nakomt,
c. degene aan wie de goedkeuring is verleend, handelt in
strijd met een of meer andere uit de goedkeuring
voortvloeiende verplichtingen, of
d. blijkt dat de goedkeuring ten onrechte is verleend.
§ 2a. Goedkeuring productieprocessen
Artikel 25a
1. Een goedkeuring van een productieproces wordt op aanvraag en
tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde
wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief door
deze dienst verleend indien het productieproces van het voertuig,
het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het
uitrustingstuk of de voorziening ter bescherming van weggebruikers
en passagiers, waarvoor de goedkeuring wordt gevraagd, bij een
door de dienst verrichte keuring heeft voldaan aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de
toelating tot het verkeer op de weg. Deze eisen kunnen betrekking
hebben op het proces volgens hetwelk de aanvrager zijn
werkzaamheden met betrekking tot de productie van het voertuig,
het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het
uitrustingstuk of de voorziening ter bescherming van weggebruikers
en passagiers verricht.
2. Met een goedkeuring van een productieproces wordt
gelijkgesteld een goedkeuring van productieprocessen van
voertuigen en voertuigonderdelen:
a. die is verleend door het daartoe bevoegde gezag in een
andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere Staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte en is verleend overeenkomstig de op het
betrokken voertuig, systeem, onderdeel of de technische
eenheid betrekking hebbende, in het kader van de Europese Unie
tot stand gekomen voorschriften;
b. die is verleend door het daartoe bevoegde gezag in een
Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende het
aannemen van eenvormige technische voorschriften die van
toepassing zijn op voertuigen op wielen, uitrustingsstukken en
onderdelen die in een voertuig op wielen kunnen worden
gemonteerd of gebruikt en is verleend overeenkomstig de
voorwaarden voor wederzijdse erkenning van overeenkomstig deze
voorschriften verleende goedkeuringen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld
betreffende de organisatie van de aanvrager, het door de aanvrager
voor de keuring ter beschikking stellen van voertuigen, systemen,
onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, het
door de aanvrager overleggen van bescheiden en verstrekken van
inlichtingen ter zake van de keuring alsmede betreffende de wijze
waarop de keuring van een productieproces wordt verricht.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot op voertuigen, systemen, onderdelen, technische
eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers, die zijn vervaardigd overeenkomstig
het goedgekeurde productieproces, aan te brengen keurmerken,
aanduidingen of gegevens.
Artikel 25a1
1. De Dienst Wegverkeer kan met het oog op het verlenen van een
goedkeuring van een productieproces een technische dienst
aanwijzen om namens hem bepaalde voor de goedkeuring noodzakelijke
tests te verrichten, indien uit een door de Dienst Wegverkeer
opgesteld beoordelingsverslag of uit een door een
accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat blijkt
dat deze dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële regeling
gestelde eisen.
2. Artikel 22b, tweede tot en met zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 25b
1. De Dienst Wegverkeer houdt toezicht op het productieproces
van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden,
uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers waarvoor de goedkeuring is verleend.
Tot dit toezicht kan behoren het steekproefsgewijs of periodiek
controleren van de organisatie van degene aan wie de goedkeuring
is verleend alsmede van het productieproces. Degene aan wie de
goedkeuring is verleend, is gehouden aan voor het houden van het
toezicht noodzakelijke werkzaamheden medewerking te verlenen.
2. Degene aan wie een goedkeuring is verleend, is gehouden tot
betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht
vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld betreffende de wijze waarop het toezicht wordt
gehouden en de verplichting tot medewerking daaraan van degene aan
wie een goedkeuring is verleend.
Artikel 25b1
1. De Dienst Wegverkeer kan met het oog op de uitoefening van
het toezicht als bedoeld in artikel 25b, eerste lid, op aanvraag
een technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde
toezichtstaken uit te voeren, indien uit een door de Dienst
Wegverkeer opgesteld beoordelingsverslag of uit een door een
accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat blijkt
dat deze dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële regeling
gestelde eisen.
2. Artikel 22b, tweede tot en met zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 25c
Bij ministeriële regeling wordt bepaald wanneer een goedkeuring
van een productieproces vervalt.
Artikel 25d
1. De Dienst Wegverkeer trekt een goedkeuring van een
productieproces in, indien degene aan wie de goedkeuring is
verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een goedkeuring van een
productieproces intrekken, indien:
a. degene aan wie de goedkeuring is verleend een voertuig,
systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingstuk of
voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers
doet of laat doorgaan voor vervaardigd volgens een goedgekeurd
productieproces, terwijl dat voertuig, dat systeem, dat
onderdeel, die technische eenheid, dat uitrustingsstuk of die
voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers
niet is vervaardigd overeenkomstig het goedgekeurde
productieproces,
b. degene aan wie de goedkeuring is verleend, de
verplichting, vervat in artikel 25b, tweede lid, niet nakomt,
c. degene aan wie de goedkeuring is verleend, handelt in
strijd met een of meer andere uit de goedkeuring
voortvloeiende verplichtingen, of
d. blijkt dat de goedkeuring ten onrechte is verleend.
Artikel 25e
1. Wanneer een fabrikant reeds verkochte, geregistreerde of in
het verkeer gebrachte voertuigen, dan wel reeds verkochte
onderdelen of uitrustingsstukken, waarvoor een overeenkomstig in
het kader van de Europese Unie tot stand gekomen voorschriften
afgegeven typegoedkeuring is verleend, op grond van artikel 21,
tweede lid, van de Warenwet dient terug te roepen omdat het
voertuig een ernstig gevaar vormt voor de verkeersveiligheid, de
volksgezondheid of het milieu, stelt de fabrikant de
goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend
hiervan onmiddellijk in kennis.
2. De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie maatregelen voor
om het in het eerste lid bedoelde gevaar te neutraliseren.
3. De Dienst Wegverkeer houdt toezicht op het terugroepen van
voertuigen, onderdelen en uitrustingsstukken.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld ter uitvoering van het tweede lid.
§ 3. Individuele goedkeuring
Artikel 26
1. Een goedkeuring voor een individueel voertuig wordt op
aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer
vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde
tarief door deze dienst verleend indien het voertuig bij een door
de dienst verrichte keuring heeft voldaan aan de bij ministeriële
regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de toelating tot
het verkeer op de weg, welke eisen voor verschillende groepen van
voertuigen verschillend kunnen worden gesteld.
2. Artikel 22, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 26a
1. De Dienst Wegverkeer kan met het oog op het verlenen van een
goedkeuring voor een individueel voertuig een technische dienst
aanwijzen om namens hem bepaalde voor de goedkeuring noodzakelijke
tests te verrichten, indien uit een door de Dienst Wegverkeer
opgesteld beoordelingsverslag of uit een door een
accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat blijkt
dat deze dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële regeling
gestelde eisen.
2. Artikel 22b, tweede tot en met zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
§ 4. Keuringen ter uitvoering van andere wetten
Artikel 27
De in artikel 22, eerste lid, of 26, eerste lid, bedoelde
goedkeuring wordt eerst verleend indien het voertuig bij de keuring
tevens heeft voldaan aan de eisen, gesteld krachtens de Wet inzake
de luchtverontreiniging en de Wet geluidhinder.
Artikel 28 [Vervallen per 01-05-2009]
Artikel 29 [Vervallen per 01-05-2009]
§ 4a. Toestemming onderdelen en uitrustingstukken
Artikel 30
1. De toestemming voor een onderdeel of uitrustingsstuk dat op
grond vanartikel 34 zonder een dergelijk toestemming niet mag
worden verkocht of in het verkeer mag worden gebracht, wordt op
aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer
vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde
tarief door deze dienst verleend indien het onderdeel of
uitrustingsstuk waarvoor de toestemming wordt gevraagd, bij een
door de dienst verrichte keuring heeft voldaan aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen. Deze eisen kunnen
betrekking hebben op het proces volgens hetwelk de aanvrager zijn
werkzaamheden met betrekking tot de productie van het onderdeel of
uitrustingsstuk verricht.
2. Met een toestemming voor de verkoop of in het verkeer
brengen van een onderdeel of uitrustingsstuk wordt gelijkgesteld
een toestemming die is verleend door het daartoe bevoegde gezag in
een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere Staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte en is verleend overeenkomstig de op het
betrokken onderdeel of uitrustingstuk betrekking hebbende, in het
kader van de Europese Unie tot stand gekomen voorschriften.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
betreffende de organisatie van de aanvrager, het door de aanvrager
van de toestemming ter beschikking stellen van onderdelen en
uitrustingsstukken, het door de aanvrager overleggen van
bescheiden en verstrekken van inlichtingen alsmede betreffende de
wijze waarop de keuring van het onderdeel of uitrustingsstuk wordt
verricht.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot op onderdelen en uitrustingsstuken, waarvoor een
toestemming is verleend om deze te verkopen of in het verkeer te
brengen, aan te brengen keurmerken, aanduidingen of gegevens.
Artikel 31
1. De Dienst Wegverkeer houdt toezicht op het overeenstemmen
van onderdelen en uitrustingsstukken waarvoor een toestemming is
verleend met de verleende toestemming. Tot dit toezicht kan
behoren het steekproefsgewijs of periodiek controleren van de
organisatie van degene aan wie de toestemming is verleend alsmede
van het productieproces. Degene aan wie de toestemming is
verleend, is gehouden aan voor het houden van het toezicht
noodzakelijke werkzaamheden medewerking te verlenen.
2. Degene aan wie een toestemming is verleend, is gehouden tot
betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht
vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld betreffende de wijze waarop het toezicht wordt gehouden en
de verplichting tot medewerking daaraan van degene aan wie een
toestemming is verleend.
Artikel 32
1. De Dienst Wegverkeer trekt de toestemming voor de verkoop of
in het verkeer brengen van een onderdeel of uitrustingstuk in,
indien degene aan wie de toestemming is verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een toestemming intrekken, indien:
a. degene aan wie de toestemming is verleend een onderdeel
of uitrustingsstuk doet of laat doorgaan als met toestemming
verkocht of in het verkeer gebracht, terwijl hiervoor geen
toestemming is verleend,
b. degene aan wie de toestemming is verleend, de
verplichting, vervat in artikel 31, tweede lid, niet nakomt,
c. degene aan wie de toestemming is verleend, handelt in
strijd met een of meer andere uit de toestemming
voortvloeiende verplichtingen, of
d. blijkt dat de toestemming ten onrechte is verleend.
§ 5. Verbodsbepalingen
Artikel 33
1. Het is de eigenaar of houder van een voertuig dat ingevolge
artikel 21, eerste lid, dient te zijn goedgekeurd voor toelating
tot het verkeer op de weg verboden dit voertuig te laten staan op
de weg of daarmee over de weg te rijden alsmede de bestuurder
daarmee over de weg te laten rijden, indien het voertuig niet is
goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een voertuig dat
ingevolge artikel 21, eerste lid, dient te zijn goedgekeurd voor
toelating tot het verkeer op de weg, maar waarvoor een
kentekenbewijs is afgegeven.
Artikel 34
1. Het is verboden bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen categorieën voertuigen, systemen, onderdelen, technische
eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers, die niet ingevolge artikel 22, 25a of
26 zijn toegelaten tot het verkeer op de weg, of andere
voorzieningen die zijn bestemd om de opsporing van bij of
krachtens deze wet strafbaar gestelde misdrijven of overtredingen
te belemmeren, te vervaardigen, in te voeren, in voorraad te
hebben, te koop aan te bieden, af te leveren of te vervoeren.
2. Het is verboden bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen categorieën onderdelen en uitrustingsstukken te verkopen,
te koop aan te bieden of in het verkeer te brengen, tenzij
hiervoor ingevolge artikel 30 toestemming is verleend.
3. Ter uitvoering van verdragen of van besluiten van
volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen
van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, worden voor
verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid, de categorieën
aangewezen bij ministeriële regeling.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld betreffende de categorie van voertuigen, systemen,
onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken of
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers of
de andere voorzieningen die zijn bestemd om de opsporing van bij
of krachtens deze wet strafbaar gestelde misdrijven of
overtredingen te belemmeren, waarop het verbod betrekking heeft,
de handelingen waarop het verbod betrekking heeft alsmede de
uitzonderingen op het verbod.
Artikel 35
Het is verboden een voertuig, systeem, onderdeel, technische
eenheid, uitrustingstuk of voorziening ter bescherming van
weggebruikers en passagiers, welk voertuig, systeem, onderdeel,
technische eenheid, uitrustingstuk of voorziening ter bescherming
van weggebruikers en passagiers niet ingevolge artikel 22 of 26 is
toegelaten, door het aanbrengen van een teken of tekens, het afgeven
van een bewijs of bewijzen dan wel het doen van mededelingen te doen
of laten doorgaan voor goedgekeurd voor zodanige toelating.
§ 6. Toepasselijkheid van dit hoofdstuk op de goedkeuring voor
het gebruik buiten de weg
Artikel 35a
In de ingevolge de artikelen 21, eerste en derde lid, 22, eerste
lid, 25a, eerste lid, 26, eerste lid, en 34, eerste lid,
vastgestelde regels kan ter uitvoering van verdragen of van
besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer
instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, worden
bepaald dat zij mede betrekking hebben op de goedkeuring van
voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden,
uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers
en passagiers voor gebruik buiten de weg.
Hoofdstuk IV. Kentekens en kentekenbewijzen
§ 1. Kentekenplicht
Artikel 36
1. Aan de eigenaar of houder van een motorrijtuig of een
aanhangwagen op de weg dient overeenkomstig bij algemene maatregel
van bestuur vastgestelde regels door de Dienst Wegverkeer een
kenteken voor dat voertuig te zijn opgegeven.
2. Ter zake van de in het eerste lid bedoelde opgave dient
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels door de Dienst Wegverkeer een kentekenbewijs te zijn
afgegeven aan de eigenaar of houder van het voertuig.
3. Het kentekenbewijs dient:
a. te voldoen aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen inzake inrichting en uitvoering,
b. zijn geldigheid niet te hebben verloren,
c. niet te zijn ingevorderd, en
d. behoorlijk leesbaar te zijn.
4. [Vervallen.]
5. Motorrijtuigen en aanhangwagens dienen overeen te komen met
de gegevens in het voor het betrokken voertuig afgegeven
kentekenbewijs en met de gegevens die omtrent het voertuig zijn
opgenomen in het kentekenregister, tenzij krachtens artikel 71 een
bepaalde afwijking van die gegevens is toegestaan.
6. Voor overtreding van het eerste tot en met vijfde lid zijn
aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of
houder die het motorrijtuig op de weg laat staan of daarmee
over de weg laat rijden, alsmede in het geval dat met dat
motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder, en
b. voor zover het betreft een aanhangwagen, de eigenaar of
houder die de aanhangwagen op de weg laat staan of deze met
een motorrijtuig over de weg laat voortbewegen, alsmede in het
geval dat de aanhangwagen met een motorrijtuig over de weg
wordt voortbewogen, de bestuurder van dat motorrijtuig.
7. De in het derde lid, onderdeel a, bedoelde eisen kunnen mede
dienstbaar zijn aan de heffing van de belasting van personenauto’s
en motorrijwielen en van de motorrijtuigenbelasting.
8. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
ter uitvoering van het eerste en het tweede lid.
Artikel 37
1. Artikel 36 is niet van toepassing op:
a. de volgende categorieën motorrijtuigen alsmede de door
die motorrijtuigen voortbewogen aanhangwagens:
1°. bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
categorieën bromfietsen, alsmede bromfietsen in het
internationaal verkeer, afkomstig uit een land waar voor
deze voertuigen geen kenteken is opgegeven,
2°. landbouw- of bosbouwtrekkers,
3°. gehandicaptenvoertuigen en
4°. motorrijtuigen met beperkte snelheid;
b. in het buitenland geregistreerde motorrijtuigen en
aanhangwagens, die zich in het internationaal verkeer
bevinden, mits ter zake van de registratie van het betrokken
voertuig door het daartoe bevoegde gezag in het buitenland een
bewijs is afgegeven dat voldoet aan de daaraan gestelde eisen
in de tussen Nederland en het betrokken land van kracht zijnde
internationale overeenkomst en het betrokken voertuig voldoet
aan de eisen die in die overeenkomst dan wel bij algemene
maatregel van bestuur ter uitvoering van die overeenkomst aan
dat voertuig worden gesteld met betrekking tot de toelating
tot het internationaal verkeer;
c. motorrijtuigen en aanhangwagens, mits wordt voldaan aan
nadere bij ministeriële regeling vast te stellen regels, die
in eigendom toebehoren aan of worden gehouden door:
1°. leden van een bij ministeriële regeling
aangewezen krijgsmacht of civiele dienst in de zin van
artikel I van het op 19 juni 1951 te Londen gesloten
Verdrag tussen de landen die partij zijn bij het
Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun
krijgsmachten (Trb. 1953, 10), dan wel in de zin van
artikel 3 van het bij evenbedoeld verdrag behorende, op 28
augustus 1952 te Parijs gesloten, protocol nopens de
rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren
ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag (Trb.
1953, 11), alsmede
2°. functionarissen van de Noord-Atlantische
Verdragsorganisatie die in Nederland zijn op grond van de
briefwisseling tussen de regering van het Koninkrijk der
Nederlanden en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
van 31 augustus en 11 september 1979 (Trb.1979, 159) en op
wie het Verdrag nopens de rechtspositie van de
Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, van de nationale
vertegenwoordigers bij haar organen en van haar
internationale staf (Trb.1951, 139), van toepassing is.
2. Voor aanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet
meer dan 750 kg alsmede voor aanhangwagens met een toegestane
maximum massa van meer dan 750 kg, afkomstig uit een land waar
voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven,
geldt het vereiste dat een kenteken dient te zijn opgegeven niet.
Indien een dergelijke aanhangwagen is verbonden met een in
Nederland geregistreerd motorrijtuig, dient die aanhangwagen te
zijn voorzien van het kenteken dat is opgegeven voor dat
motorrijtuig.
3. Voor motorrijtuigen en aanhangwagens, die behoren tot de
bedrijfsvoorraad van een natuurlijke persoon of rechtspersoon aan
wie een erkenning als bedoeld in artikel 62 is verleend of die
voor herstel of bewerking ter beschikking zijn gesteld van een
natuurlijke persoon of rechtspersoon, geldt het vereiste dat een
kenteken voor een bepaald voertuig dient te zijn opgegeven niet,
mits overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde regels gebruik wordt gemaakt van een bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen, door de Dienst Wegverkeer aan
die natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel aan een
natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een erkenning als
bedoeld in artikel 62 is verleend en die het voertuig ten behoeve
van eerstbedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon ten verkoop
voorhanden heeft, opgegeven kenteken. De Dienst Wegverkeer kan aan
deze opgaven voorschriften verbinden. Bij ministeriële regeling
kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden
vastgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald
in welke gevallen het gebruik van een zodanig kenteken verplicht
is.
4. Met het toezicht op de naleving van de uit het derde lid
voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de
Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Het
toezicht heeft in ieder geval betrekking op het gebruik van het in
het derde lid bedoelde kenteken. De aldaar bedoelde natuurlijke
persoon of rechtspersoon is gehouden tot betaling, op de door de
Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter
zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief. Bij
ministeriële regeling worden nadere regels omtrent het toezicht
vastgesteld.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kan onder daarbij te
stellen voorwaarden worden bepaald dat:
a. in bepaalde uitzonderingsgevallen tijdelijk wordt of kan
worden afgeweken van het in artikel 36, derde lid, onderdeel b
of c, bepaalde;
b. een motorrijtuig of een aanhangwagen op de weg mag
staan, indien het voor het betrokken voertuig afgegeven
kentekenbewijs ongeldig is verklaard ingevolge artikel 58,
tweede lid, onderdeel b, c, d of f, dan wel is ingevorderd
overeenkomstig artikel 60.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
vastgesteld omtrent de omschrijving van de in het eerste lid,
onderdeel a, bedoelde categorieën voertuigen alsmede de voor die
categorieën vastgestelde maximumsnelheid.
7. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
ter uitvoering van het derde lid en kunnen nadere regels worden
vastgesteld ter uitvoering van het vijfde lid.
§ 2. Kentekens
Artikel 38
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
bepaalde categorieën van kentekens slechts worden opgegeven aan
bij die algemene maatregel van bestuur aan te wijzen personen of
groepen van personen dan wel voor daarbij aan te wijzen voertuigen
of groepen van voertuigen, zulks onder daarbij te stellen
voorwaarden.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
ter uitvoering van het eerste lid.
Artikel 39 [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 40
1. Het kenteken dient behoorlijk zichtbaar op of aan het
motorrijtuig of de aanhangwagen aanwezig te zijn.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
vastgesteld omtrent de inrichting, het aanbrengen en de
verlichting van het kenteken en worden regels vastgesteld omtrent
de kentekenplaat en de onderdelen daarvan, alsmede de daarop aan
te brengen merken.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
ter uitvoering van het bepaalde krachtens het tweede lid.
4. Voor overtreding van het eerste lid dan wel het bepaalde
krachtens het tweede of derde lid zijn aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of
houder die het motorrijtuig op de weg laat staan of daarmee
over de weg laat rijden, alsmede in het geval dat met dat
motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder, en
b. voor zover het betreft een aanhangwagen, de eigenaar of
houder die de aanhangwagen op de weg laat staan of deze met
een motorrijtuig over de weg laat voortbewegen, alsmede in het
geval dat de aanhangwagen met een motorrijtuig over de weg
wordt voortbewogen, de bestuurder van dat motorrijtuig.
Artikel 41
1. Het is verboden:
a. op een motorrijtuig of een aanhangwagen enig teken of
middel aan te brengen of te doen aanbrengen met het oogmerk de
herkenning, daaronder begrepen de herkenning met behulp van
technische voorzieningen, van het ingevolge artikel 40
gevoerde kenteken te bemoeilijken;
b. een motorrijtuig op de weg te laten staan of daarmee
over de weg te rijden dan wel een aanhangwagen op de weg te
laten staan of met een motorrijtuig over de weg voort te
bewegen, wanneer op dat motorrijtuig of die aanhangwagen enig
teken of middel is aangebracht, waardoor de herkenning,
daaronder begrepen de herkenning met behulp van technische
voorzieningen, van het ingevolge artikel 40 gevoerde kenteken
wordt bemoeilijkt;
c. op een motorrijtuig of een aanhangwagen een teken, niet
zijnde een ingevolge artikel 36 aan de eigenaar of houder voor
dat motorrijtuig of die aanhangwagen opgegeven kenteken, aan
te brengen of te doen aanbrengen met het oogmerk dat teken te
doen doorgaan voor een zodanig kenteken dan wel met de
kennelijke bedoeling dat teken te doen doorgaan voor een
overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven
buitenlands kenteken dan wel een met toepassing van artikel
37, derde lid, opgegeven kenteken;
d. een motorrijtuig op de weg te laten staan of daarmee
over de weg te rijden dan wel een aanhangwagen op de weg te
laten staan of met een motorrijtuig over de weg voort te
bewegen, wanneer op dat motorrijtuig of die aanhangwagen een
teken is aangebracht dat, niet zijnde een ingevolge artikel 36
aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig of die
aanhangwagen opgegeven kenteken, door kan gaan voor een
zodanig kenteken dan wel voor een overeenkomstig de daarvoor
geldende voorschriften opgegeven buitenlands kenteken of een
met toepassing van artikel 37, derde lid, opgegeven kenteken;
e. op een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig of
een in het buitenland geregistreerde aanhangwagen een teken,
niet zijnde een aldaar voor dat voertuig of aan de eigenaar of
houder daarvan opgegeven kenteken, aan te brengen of te doen
aanbrengen met het oogmerk dat teken te doen doorgaan voor een
zodanig kenteken;
f. een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig op de
weg te laten staan of daarmee over de weg te rijden dan wel
een in het buitenland geregistreerde aanhangwagen op de weg te
laten staan of met een motorrijtuig over de weg voort te
bewegen, wanneer op dat motorrijtuig of die aanhangwagen een
teken is aangebracht dat, niet zijnde een in het buitenland
voor dat voertuig of aan de eigenaar of houder daarvan
opgegeven kenteken, door kan gaan voor een zodanig kenteken.
2. Voor overtreding van het eerste lid, onderdelen b, d en f,
zijn aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of
houder die het motorrijtuig op de weg laat staan of daarmee
over de weg laat rijden, alsmede in het geval dat met dat
motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder, een en
ander echter slechts indien de eigenaar, houder of bestuurder
weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat op het motorrijtuig
een teken of middel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b, dan wel een teken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
d of f, is aangebracht, en
b. voor zover het betreft een aanhangwagen, de eigenaar of
houder die de aanhangwagen op de weg laat staan of deze met
een motorrijtuig over de weg laat voortbewegen, alsmede in het
geval dat de aanhangwagen met een motorrijtuig over de weg
wordt voortbewogen, de bestuurder van dat motorrijtuig, een en
ander echter slechts indien de eigenaar, houder of bestuurder
weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat op de aanhangwagen
een teken of middel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b, dan wel een teken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
d of f, is aangebracht.
§ 3. Registratie van kentekens
Artikel 41a
1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. overheidsorgaan: bestuursorgaan als bedoeld in artikel
1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet
bestuursrecht en personen of instanties als bedoeld in het
tweede lid;
b. basisregistratie: verzameling gegevens waarvan bij wet
is bepaald dat deze authentieke gegevens bevat;
c. authentiek gegeven: in een basisregistratie opgenomen
gegeven dat bij of krachtens wet als authentiek is aangemerkt.
2. Bij besluit van Onze Minister kunnen personen of instanties
die een publieke taak uitoefenen worden aangewezen als
overheidsorgaan, voor zover dit met het oog op hun
publieke-taakuitoefening naar het oordeel van Onze Minister
noodzakelijk is.
Artikel 42
1. Er is een kentekenregister. Dit register is een
basisregistratie.
2. De Dienst Wegverkeer is de beheerder van het
kentekenregister en verantwoordelijke als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens.
3. In het kentekenregister verwerkt de Dienst Wegverkeer
gegevens omtrent motorrijtuigen en aanhangwagens waarvoor een
kenteken is opgegeven en de tenaamstelling van die kentekens,
alsmede omtrent andere motorrijtuigen en aanhangwagens.
4. Het verzamelen van de gegevens, bedoeld in het derde lid,
geschiedt voor de volgende doeleinden:
a. voor een goede uitvoering van het bepaalde bij of
krachtens deze wet en voor de handhaving van de bij of
krachtens deze wet gestelde voorschriften,
b. voor een goede uitvoering van het bepaalde bij of
krachtens de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, de Wet op
de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de
Wet belasting zware motorrijtuigen, de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, de Wet
bereikbaarheid en mobiliteit, dan wel andere wettelijke
regelingen ten aanzien van motorrijtuigen of aanhangwagens en
voor de handhaving van het bepaalde bij of krachtens die
wettelijke regelingen, en
c. om overheidsorganen te voorzien van gegevens uit het
kentekenregister voor zover zij aangeven deze gegevens nodig
te hebben voor een goede uitoefening van hun publieke taak.
5. De Dienst Wegverkeer mag strafrechtelijke persoonsgegevens
en persoonsgegevens ter vaststelling van mogelijk strafbaar gedrag
verwerken voor zover dit verband houdt met de in het vierde lid,
onderdelen a en b, genoemde doeleinden.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
vastgesteld omtrent de inrichting en het beheer van het
kentekenregister.
7. De gegevens omtrent motorrijtuigen en aanhangwagens die de
Dienst Wegverkeer verwerkt in het landsbelang, worden niet
opgenomen in het kentekenregister.
Artikel 42a
1. De gegevens in het kentekenregister worden onderscheiden in:
a. authentieke en niet-authentieke gegevens;
b. gevoelige en niet-gevoelige gegevens.
2. Als authentieke gegevens worden aangemerkt:
a. gegevens die op grond van een bindend besluit van de
Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de
Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen verplicht op het kentekenbewijs zijn opgenomen
voor zover de desbetreffende gegevens niet reeds op grond van
een andere wettelijke bepaling als authentiek zijn aangemerkt;
b. de voertuigcategorieën genoemd in artikel 21, eerste
lid;
c. de tenaamstelling van een motorrijtuig of aanhangwagen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere authentieke
gegevens of categorieën daarvan worden aangewezen. Bij algemene
maatregel van bestuur kan tevens als authentiek worden aangewezen
de samenstelling van een uit een andere basisregistratie afkomstig
gegeven met een of meer gegevens uit het kentekenregister.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden gevoelige en
niet-gevoelige gegevens of categorieën daarvan aangewezen.
Artikel 43
1. De Dienst Wegverkeer verstrekt uit het kentekenregister
gegevens aan overheidsorganen, voor zover zij aangeven deze
gegevens nodig te hebben voor een goede uitoefening van hun
publieke taak.
2. De Dienst Wegverkeer verstrekt uit het kentekenregister
gegevens aan autoriteiten buiten Nederland en instellingen van
volkenrechtelijke organisaties in bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te bepalen gevallen.
3. De Dienst Wegverkeer kan in bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te bepalen gevallen gevoelige gegevens uit
het kentekenregister verstrekken aan andere personen en instanties
dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. Niet-gevoelige gegevens kunnen aan een ieder worden
verstrekt.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
nadere regels worden gesteld ten aanzien van de verstrekkingen als
bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. Deze verstrekkingen
geschieden op aanvraag en op een door de Dienst Wegverkeer te
bepalen wijze.
6. Onverminderd het vijfde lid geschiedt de verstrekking van
gegevens, als bedoeld in het derde en vierde lid, tegen betaling,
op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het voor
de behandeling van de aanvraag door deze dienst vastgestelde
tarief.
7. Onverminderd het zesde lid is degene die op grond van het
eerste tot en met vierde lid een aanvraag tot verstrekking van
gegevens indient, in door de Dienst Wegverkeer te bepalen
gevallen, een door deze dienst te bepalen aansluittarief
verschuldigd.
Artikel 43a
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent het gebruik van de ingevolge artikel
43, derde lid, verstrekte gegevens. Daarbij kunnen beperkingen aan
het gebruik van de verstrekte gegevens worden gesteld.
Artikel 43b
1. Een overheidsorgaan dat bij de vervulling van zijn publieke
taak een gegeven nodig heeft dat bij of krachtens deze wet als
authentiek gegeven is aangewezen en in het kentekenregister is
opgenomen, maakt gebruik van dat gegeven.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. het overheidsorgaan ten aanzien van het betreffende
gegeven een melding heeft gedaan als bedoeld in artikel 43c,
eerste lid;
b. bij het betreffende gegeven een aantekening is geplaatst
als bedoeld in artikel 43c, derde lid;
c. bij wettelijk voorschrift anders is bepaald;
d. een goede vervulling van de publieke taak van het
overheidsorgaan door de onverkorte toepassing van het eerste
lid wordt belet.
3. Een natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie door een
overheidsorgaan een gegeven wordt gevraagd, waarop het eerste lid
van toepassing is, behoeft dat gegeven niet mede te delen,
behoudens voor zover het gegeven noodzakelijk wordt geacht voor
een deugdelijke vaststelling van de identiteit van betrokkene of
van het voertuig.
Artikel 43c
1. Een overheidsorgaan dat gerede twijfel heeft over de
juistheid van een in het kentekenregister opgenomen authentiek
gegeven, meldt die twijfel, onder opgave van redenen, aan de
Dienst Wegverkeer.
2. Indien een melding als bedoeld in het eerste lid betrekking
heeft op een gegeven dat afkomstig is uit een andere
basisregistratie zendt de Dienst Wegverkeer de melding door aan de
beheerder van dat register, tenzij met het overheidsorgaan dat een
melding als bedoeld in het eerste lid doet is afgesproken dat dit
overheidsorgaan de melding rechtstreeks doet aan de beheerder van
het register waaruit het authentieke gegeven afkomstig is.
3. De Dienst Wegverkeer tekent na ontvangst van een melding als
bedoeld in het eerste lid, op de door deze dienst te bepalen
wijze, in het kentekenregister aan dat het desbetreffende gegeven
«in onderzoek» is, tenzij het een melding betreft die op grond
van het tweede lid wordt doorgezonden aan de beheerder van een
andere basisregistratie.
4. Indien een melding als bedoeld in het eerste lid betrekking
heeft op een gegeven dat bij of krachtens deze wet als authentiek
is aangewezen, besluit de Dienst Wegverkeer over wijziging van het
gegeven en bericht deze dienst het overheidsorgaan dat de melding
heeft gedaan onverwijld over deze beslissing.
5. Indien het besluit, bedoeld in het vierde lid, leidt tot
wijziging van het authentieke gegeven doet de Dienst Wegverkeer
onverwijld mededeling aan degene op wie het authentieke gegeven
betrekking heeft, dan wel aan degene aan wie het kentekenbewijs is
afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop het
desbetreffende authentieke gegeven betrekking heeft.
6. De Dienst Wegverkeer verwijdert de aantekening dat een
gegeven in onderzoek is wanneer het besluit omtrent wijziging
onherroepelijk is.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
uitvoering van dit artikel nadere regels worden gesteld.
Artikel 43d
1. Indien de Dienst Wegverkeer constateert dat een door deze
dienst in het kentekenregister geplaatst gegeven onjuist of ten
onrechte in het kentekenregister is opgenomen, wijzigt of
verwijdert deze dienst dat gegeven.
2. Indien de Dienst Wegverkeer constateert dat een gegeven ten
onrechte niet in het kentekenregister is opgenomen, neemt deze
dienst dat gegeven alsnog in het kentekenregister op.
3. Van de beslissing tot wijzigen, verwijderen, dan wel alsnog
opnemen van een authentiek gegeven in het kentekenregister doet de
Dienst Wegverkeer onverwijld mededeling aan degene op wie het
authentieke gegeven betrekking heeft, dan wel aan degene aan wie
het kentekenbewijs is afgegeven voor het motorrijtuig of de
aanhangwagen waarop het desbetreffende authentieke gegeven
betrekking heeft.
Artikel 43e
1. Indien een belanghebbende gegronde redenen heeft om aan te
nemen dat een gegeven dat bij of krachtens deze wet als authentiek
is aangemerkt of een niet-authentiek gegeven onjuist of ten
onrechte wel, dan wel ten onrechte niet in het kentekenregister is
opgenomen, kan hij onder opgave van die redenen aan de Dienst
Wegverkeer een verzoek doen tot wijziging, verwijdering of
opneming van dat gegeven.
2. De Dienst Wegverkeer beslist naar aanleiding van een verzoek
als bedoeld in het eerste lid over wijziging, verwijdering of
opneming van het betreffende gegeven en bericht de belanghebbende
die het verzoek heeft gedaan over deze beslissing.
Artikel 43f
Onverminderd artikel 43c zijn overheidsorganen gehouden om aan de
Dienst Wegverkeer op de door deze dienst te bepalen wijze mededeling
te doen van de hen in de uitoefening van hun functie ter kennis
gekomen feiten, ingeval deze feiten aanleiding kunnen zijn om tot
wijziging of aanvulling van de in het kentekenregister opgenomen
gegevens over te gaan, dan wel anderszins van belang kunnen zijn
voor de juistheid van deze gegevens.
Artikel 44
1. De Dienst Wegverkeer neemt maatregelen met het oog op het
waarborgen van de juistheid, de actualiteit en de volledigheid van
het kentekenregister.
2. De Dienst Wegverkeer laat ten minste eenmaal in de drie jaar
een registeraccountant, dan wel een accountant die is ingeschreven
in het register bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet op
de Accountants-Administratieconsulenten, een oordeel geven over de
opzet en werking van het stelsel van interne beheersmaatregelen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste en
tweede lid.
Artikel 45
De Dienst Wegverkeer stelt ten aanzien van het verwerken van
gegevens als bedoeld in artikel 42 een reglement vast.
Artikel 45a
1. Met het toezicht op het gebruik van uit het kentekenregister
verstrekte gegevens zijn belast de bij besluit van de Dienst
Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit wordt
mededeling gedaan door plaatsing in deStaatscourant.
2. Indien de Dienst Wegverkeer gerede twijfel heeft over de
juistheid van een gegeven uit het kentekenregister dat betrekking
heeft op een motorrijtuig of aanhangwagen, kan deze dienst degene
aan wie het kentekenbewijs voor het betreffende motorrijtuig of
aanhangwagen is afgegeven gelasten dat voertuig ter inspectie aan
de Dienst Wegverkeer ter beschikking te stellen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt
bepaald in welke gevallen door de Dienst Wegverkeer een door deze
dienst vastgesteld tarief ter zake van de kosten van toezicht als
bedoeld in het eerste lid of van de inspectie bedoeld in het
tweede lid in rekening wordt gebracht. Dit tarief wordt op door de
Dienst Wegverkeer te bepalen wijze in rekening gebracht.
4. Verstrekking van gegevens uit het kentekenregister kan
achterwege worden gelaten indien naar het oordeel van de Dienst
Wegverkeer sprake is van handelen in strijd met de doeleinden
waarvoor dan wel de voorwaarden waaronder is verstrekt.
Artikel 46
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld
betreffende de met de registratie van kentekens samenhangende
verplichtingen van degene:
a. die de eigendom, het bezit of het houderschap van een
motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor nog geen kenteken
is opgegeven, heeft verkregen;
b. aan wie een kenteken is opgegeven;
c. die de eigendom, het bezit of het houderschap van een
motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor een kenteken is
opgegeven, heeft verkregen.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
ter uitvoering van het eerste lid.
§ 4. Kentekenbewijzen
Artikel 47
Een kentekenbewijs bestaat uit een of meer bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen delen.
Artikel 48
1. Een kentekenbewijs wordt op aanvraag en tegen betaling, op
de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor
door deze dienst vastgestelde tarief slechts afgegeven aan in
Nederland woonachtige natuurlijke personen die de leeftijd van
achttien jaren dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op een
kentekenbewijs voor een bromfiets, de leeftijd van zestien jaren
hebben bereikt en aan in Nederland gevestigde rechtspersonen,
indien het motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor de afgifte
wordt verlangd, overeenkomstig artikel 22 of 26 is goedgekeurd
voor toelating tot het verkeer op de weg en, indien na die
toelating wijziging is aangebracht in de bouw of inrichting van
dat voertuig, die wijziging, behoudens in het geval dat geen
goedkeuring is vereist, overeenkomstig artikel 99, eerste lid, of
100, eerste lid, is goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde
voertuig tot het verkeer op de weg.
2. In bepaalde uitzonderingsgevallen kan door de Dienst
Wegverkeer een kentekenbewijs worden afgegeven, indien ten aanzien
van het motorrijtuig of de aanhangwagen, waarvoor de afgifte wordt
verlangd, niet is voldaan aan het eerste lid.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
ingevolge het eerste lid gestelde eisen aan de aanvrager van een
kentekenbewijs niet gelden ten aanzien van de aanvrager van een
kentekenbewijs, afgegeven ter zake van de opgave van een kenteken
als bedoeld in artikel 38.
4. Indien een kentekenbewijs is afgegeven aan een in Nederland
gevestigde rechtspersoon die niet behoeft te zijn ingeschreven in
een daartoe bij de wet aangewezen register of waarvan de
onderneming niet behoeft te zijn ingeschreven in het
handelsregister, wordt degene die bij de aanvraag als gemachtigde
van die rechtspersoon is opgetreden, voor de toepassing van het
bepaalde bij of krachtens deze wet mede als houder van het
motorrijtuig of de aanhangwagen aangemerkt in de zin van artikel
1, eerste lid, onderdeel o.
5. De in het vierde lid bedoelde gemachtigde dient in Nederland
woonachtig te zijn en dient de leeftijd van achttien jaren te
hebben bereikt.
6. Ingeval de aanvrager van een kentekenbewijs voor een
bromfiets de leeftijd heeft van zestien of zeventien jaar, wordt
voor wat betreft de aanvraag de toestemming van diens wettelijke
vertegenwoordiger verondersteld te zijn verleend.
Artikel 48a
De Dienst Wegverkeer brengt aantekeningen aan op dan wel
verwijdert aantekeningen van het kentekenbewijs voor zover dat bij
of krachtens deze wet is voorgeschreven of mogelijk wordt gemaakt,
dan wel voor de goede uitvoering van deze wet wenselijk is.
Artikel 49
1. Onverminderd artikel 48, eerste lid, wordt de afgifte van
een kentekenbewijs geweigerd:
a. indien bij een ingevolge hoofdstuk V verrichte keuring
blijkt dat de op het voertuig aangebrachte gegevens op
onrechtmatige wijze in overeenstemming zijn gebracht met de op
het overgelegde kentekenbewijs vermelde gegevens,
b. indien blijkt dat de ter zake van het voertuig
verschuldigde belastingen en rechten niet zijn voldaan, dan
wel
c. indien blijkt dat de krachtens een algemeen verbindend
verklaarde overeenkomst op grond van de Wet milieubeheer
verschuldigde afvalbeheersbijdrage voor autowrakken niet is
voldaan, dan wel
d. in overige bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
gevallen overeenkomstig de bij die algemene maatregel
vastgestelde regels.
2. De afgifte van een kentekenbewijs kan worden geweigerd
indien:
a. voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor de
afgifte wordt verlangd, op grond van het bij of krachtens deze
wet bepaalde geen kenteken behoeft te zijn opgegeven;
b. uit het kentekenregister blijkt dat de eigenaar of
houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen onvrijwillig
de beschikkingsmacht over dat voertuig heeft verloren.
Artikel 50
1. De aanvrager van een kentekenbewijs dient persoonlijk te
verschijnen bij een bij ministeriële regeling aan te wijzen
instantie, tenzij:
a. de aanvraag namens hem wordt ingediend door degene aan
wie door de Dienst Wegverkeer een erkenning als bedoeld in
artikel 62 is verleend dan wel, indien dit een rechtspersoon
is, door diens gemachtigde, en deze voldoende zekerheid heeft
verkregen over de identiteit van de aanvrager. Daartoe legt de
aanvrager een document als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
van de Paspoortwet, een geldig rijbewijs als bedoeld in
artikel 107 dan wel een rijbewijs als bedoeld in artikel 108,
eerste lid, onderdeel h, over. Degene die namens de aanvrager
de aanvraag indient, legt bij de bij ministeriële regeling
aan te wijzen instantie het document bedoeld in de tweede
volzin over, alsmede de volmacht en het bewijs dat aan hem een
erkenning als bedoeld in artikel 62 is verleend, of
b. volgens bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen regels op andere wijze voldoende zekerheid kan worden
verkregen over de identiteit van de aanvrager.
Indien bij de aanvraag, bedoeld onder a, gebruik wordt gemaakt
van een document als bedoeld in artikel 2 van de Paspoortwet,
dient bij de aanvraag tevens een de aanvrager betreffend
gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de
basisadministratie persoonsgegevens te worden overgelegd dat niet
langer dan drie maanden voor het tijdstip van de aanvraag is
verstrekt. Onze Minister kan de bevoegdheid van de krachtens
artikel 62 erkende persoon om de aanvraag namens de aanvrager in
te dienen beperken tot één of meer specifiek voor die persoon
met name te noemen instanties. Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels vastgesteld ter zake van de voorwaarden waaraan
degene aan wie ingevolge artikel 62 een erkenning is verleend,
dient te voldoen om als gemachtigde, bedoeld onder a, op te
treden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
verplichting om persoonlijk te verschijnen niet geldt ten aanzien
van de aanvrager van een kentekenbewijs, afgegeven ter zake van de
opgave van een kenteken als bedoeld in artikel 38.
3. Indien de aanvraag geschiedt door een in Nederland
gevestigde rechtspersoon die dient te zijn ingeschreven in een
daartoe bij de wet aangewezen register of waarvan de onderneming
dient te zijn ingeschreven in het handelsregister, geldt de
verplichting om persoonlijk te verschijnen voor degene die
krachtens de statuten bevoegd is de rechtspersoon te
vertegenwoordigen. Indien er meerdere personen bevoegd zijn de
rechtspersoon te vertegenwoordigen, geldt de verplichting voor een
van hen. Een persoon die bevoegd is de rechtspersoon te
vertegenwoordigen, kan bij gemachtigde verschijnen.
4. Indien de aanvraag geschiedt door een in Nederland
gevestigde rechtspersoon die niet behoeft te zijn ingeschreven in
een daartoe bij de wet aangewezen register of waarvan de
onderneming niet behoeft te zijn ingeschreven in het
handelsregister, geldt de verplichting om persoonlijk te
verschijnen voor degene die door die rechtspersoon is gemachtigd
tot de aanvraag van het kentekenbewijs.
5. De aanvraag van een kentekenbewijs dient te geschieden
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels. Bij ministeriële regeling worden voorschriften
vastgesteld ter uitvoering van die regels.
6. De in het vijfde lid bedoelde regels kunnen mede dienstbaar
zijn aan de heffing van de belasting van personenauto’s en
motorrijwielen en van de motorrijtuigenbelasting alsmede aan de
afdracht van de krachtens een algemeen verbindend verklaarde
overeenkomst op grond van de Wet milieubeheer verschuldigde
afvalbeheersbijdrage voor autowrakken.
7. Bij de in het vijfde lid bedoelde regels kan worden bepaald
in welke gevallen het motorrijtuig of de aanhangwagen, waarvoor
een kentekenbewijs wordt aangevraagd, voor een onderzoek ter
beschikking moet worden gehouden.
8. De Dienst Wegverkeer is bevoegd te vorderen dat de aanvrager
van een kentekenbewijs een door of vanwege Onze Minister van
Financiën afgegeven bewijs overlegt, waaruit blijkt dat ter zake
van het motorrijtuig of de aanhangwagen verschuldigde belastingen
en rechten zijn voldaan.
Artikel 51
1. Het is verboden voor het verkrijgen van een kentekenbewijs
opzettelijk onjuiste opgaven te doen, onjuiste inlichtingen te
verschaffen en onjuiste bewijsstukken en andere bescheiden over te
leggen.
2. Voor zover de bij de aanvraag van een kentekenbewijs te
verschaffen gegevens betreffen of mede betreffen gegevens die
nodig worden geacht ter zake van de heffing van de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen en van de
motorrijtuigenbelasting, wordt de verplichting tot het verstrekken
van die gegevens beschouwd als een ingevolge de belastingwet
opgelegde verplichting en zijn, indien ter zake onjuiste of
onvolledige gegevens worden verstrekt - in afwijking van de
bepalingen van deze wet - de bepalingen van Hoofdstuk IX
(Strafrechtelijke bepalingen) van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen van toepassing.
Artikel 52
1. Indien voor het voertuig waarvoor de afgifte van een
kentekenbewijs wordt verlangd, een kentekenbewijs als bedoeld in
artikel 56 is afgegeven, kan de Dienst Wegverkeer verlangen dat,
alvorens een kentekenbewijs wordt afgegeven, dat eerder afgegeven
kentekenbewijs dient te worden ingeleverd.
2. Aan de afgifte van een kentekenbewijs kunnen door de Dienst
Wegverkeer voorschriften worden verbonden, zulks onder aantekening
daarvan in het bewijs.
Artikel 53
De Dienst Wegverkeer geeft bij de afgifte van een kentekenbewijs
tevens een keuringsbewijs voor het betrokken voertuig af indien:
a. het voertuig is onderworpen aan een onderzoek dat ten
minste een controle inhoudt op de eisen, bedoeld in artikel 75,
eerste lid, en
b. artikel 72 voor dat voertuig geldt of binnen een jaar zal
gaan gelden.
Artikel 54
Onze Minister kan aan besturen van verenigingen met volledige
rechtsbevoegdheid, die behartiging van verkeersbelangen ten doel
hebben, de bevoegdheid verlenen tot het afgeven van internationale
bewijzen voor motorrijtuigen en aanhangwagens, bedoeld in
internationale overeenkomsten, ten behoeve van het verkeer met
motorrijtuigen en aanhangwagens in het buitenland.
Artikel 55
1. Op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst
vastgestelde tarief, geeft deze dienst overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels vervangende bewijzen af
voor:
a. kentekenbewijzen of delen daarvan, die versleten, geheel
of ten dele onleesbaar, verloren geraakt of teniet gegaan
zijn;
b. kentekenbewijzen in geval van vermissing van de
bijbehorende kentekenplaten.
2. Het vervangende bewijs treedt in de plaats van het eerder
afgegeven kentekenbewijs of deel daarvan en wordt niet afgegeven
dan nadat het versleten of geheel of ten dele onleesbaar geworden
kentekenbewijs of deel daarvan, waarvoor het wordt afgegeven, is
ingeleverd bij de Dienst Wegverkeer.
Artikel 56
In bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen
kan een kentekenbewijs met een beperkte geldigheidsduur worden
afgegeven.
Artikel 57
1. Onverminderd artikel 56 verliest een kentekenbewijs zijn
geldigheid door:
a. [vervallen;]
b. afgifte van een nieuw kentekenbewijs dan wel een
vervangend kentekenbewijs;
c. het onbevoegd daarin aanbrengen van wijzigingen;
d. schorsing als bedoeld in artikel 67, eerste lid, voor de
duur van de schorsing;
e. ongeldigverklaring.
2. In de gevallen waarin overeenkomstig artikel 55 een
vervangend bewijs is afgegeven voor een deel van het
kentekenbewijs, verliest het deel waarvoor dat vervangend bewijs
is afgegeven, zijn geldigheid.
3. De Dienst Wegverkeer kan verlangen dat een kentekenbewijs
dat zijn geldigheid heeft verloren binnen een daarbij bepaalde
termijn bij deze dienst dient te worden ingeleverd.
Artikel 58
1. Een kentekenbewijs wordt overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels ongeldig verklaard:
a. indien het is afgegeven op grond van bij de aanvraag
verschafte onjuiste gegevens en dat kentekenbewijs niet zou
zijn afgegeven indien de onjuistheid van die gegevens ten
tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest, dan wel
b. indien blijkt dat het kennelijk abusievelijk is
afgegeven.
2. Een kentekenbewijs kan, overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels, ongeldig worden
verklaard:
a. indien de ter zake van het voertuig verschuldigde
belastingen en rechten niet zijn voldaan;
b. indien het voertuig waarvoor het is afgegeven, niet
voldoet aan de bij of krachtens deze wet vastgestelde eisen,
met uitzondering van de ingevolge hoofdstuk III met betrekking
tot de toelating tot het verkeer op de weg vastgestelde eisen;
c. indien in de bouw of inrichting van het voertuig
waarvoor het is afgegeven, wijzigingen zijn aangebracht, die
niet zijn goedgekeurd overeenkomstig het bepaalde bij of
krachtens deze wet;
d. indien het voertuig waarvoor het kentekenbewijs is
afgegeven een schadevoertuig betreft dat voldoet aan bij
ministeriële regeling vastgestelde kenmerken, dan wel indien
het voertuig na herstel van de schade niet voldoet aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen ten aanzien van de
wijze waarop de schade is hersteld;
e. indien de eigenaar of houder van een voertuig
onvrijwillig de beschikkingsmacht over dat voertuig heeft
verloren, mits wordt voldaan aan de bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde voorwaarden, dan wel
f. in andere bij algemene maatregel van bestuur vast te
stellen gevallen.
3. De ongeldigverklaring kan worden beperkt tot het rijden over
de weg.
4. De Dienst Wegverkeer kan een ongeldig verklaard
kentekenbewijs geldig verklaren, dan wel geldig verklaren voor het
rijden over de weg, indien de reden voor ongeldigverklaring is
komen te vervallen.
Artikel 59
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld
omtrent het verval van de tenaamstelling in het kentekenregister.
De tenaamstelling in het kentekenregister vervalt in ieder geval
zodra het kentekenbewijs ongeldig is verklaard ingevolge artikel
58, tweede lid, onderdeel e.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
vastgesteld omtrent het herleven van een vervallen tenaamstelling
in het kentekenregister.
Artikel 60
1. De houder van een kentekenbewijs is op eerste vordering van
de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen
verplicht tot overgifte van dat bewijs of van een of meer bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen delen daarvan, indien
naar het oordeel van die personen:
a. ter zake van het voertuig, waarvoor het kentekenbewijs
is afgegeven, de verschuldigde belastingen en rechten niet
zijn voldaan;
b. het voertuig waarvoor het kentekenbewijs is afgegeven,
niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet vastgestelde
eisen, met uitzondering van de ingevolge hoofdstuk III met
betrekking tot de toelating tot het verkeer op de weg
vastgestelde eisen;
c. het voertuig waarvoor het kentekenbewijs is afgegeven
een schadevoertuig betreft dat voldoet aan bij ministeriële
regeling vastgestelde kenmerken, dan wel indien het voertuig
na herstel van de schade niet voldoet aan de bij ministeriële
regeling te stellen eisen ten aanzien van de wijze waarop de
schade is hersteld.
2. De in het eerste lid bedoelde vordering kan eveneens worden
gedaan indien naar het oordeel van de daar bedoelde personen niet
wordt voldaan aan de krachtens artikel 52, tweede lid, in het
kentekenbewijs vermelde voorschriften.
3. Indien het een kentekenbewijs betreft dat is afgegeven voor
een aanhangwagen die overeenkomstig het bij ministeriële regeling
bepaalde is voorzien van een identificatieplaat, kan aan de
vordering worden voldaan binnen een bij die maatregel vastgestelde
termijn.
4. De in het eerste lid bedoelde personen doen in de bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen het
kentekenbewijs of de ingevorderde delen daarvan zo spoedig
mogelijk toekomen aan de Dienst Wegverkeer.
5. De Dienst Wegverkeer geeft het kentekenbewijs of de
ingevorderde delen daarvan terug:
a. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
indien ter zake van het voertuig alsnog de verschuldigde
belastingen en rechten zijn voldaan;
b. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
indien het voertuig ter zake van de eisen waaraan het niet
voldeed, alsnog is goedgekeurd;
c. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
indien het schadevoertuig is goedgekeurd ingevolge bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen omtrent de wijze
waarop de schade is hersteld;
d. in het geval, bedoeld in het tweede lid, indien alsnog
wordt voldaan aan de krachtens artikel 52, tweede lid, in het
kentekenbewijs vermelde voorschriften.
6. De Dienst Wegverkeer geeft bij de teruggave van het
kentekenbewijs of de ingevorderde delen daarvan tevens een
keuringsbewijs voor het betrokken voertuig af, indien:
a. het kentekenbewijs is ingevorderd omdat het voertuig
niet voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b;
b. het voertuig is onderworpen aan een onderzoek dat ten
minste een controle inhoudt op de eisen, bedoeld in artikel
75, eerste lid; en
c. artikel 72 voor dat voertuig geldt en binnen een jaar
zal gelden.
7. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
vastgesteld omtrent de vordering van kentekenbewijzen.
8. Bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën, kunnen nadere regels worden vastgesteld
omtrent het vijfde lid, onderdeel a.
Artikel 61
1. Het is verboden:
a. [vervallen;]
b. [vervallen;]
c. ten opzichte van een motorrijtuig of een aanhangwagen
opzettelijk gebruik te maken van een kentekenbewijs dat niet
aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig of die
aanhangwagen is afgegeven, als ware het aan deze voor dat
motorrijtuig of die aanhangwagen afgegeven.
§ 5. Erkenningsregeling bedrijfsvoorraad
Artikel 62
1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of
rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is
motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom heeft
verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen.
2. Aan de erkenning kunnen bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen bevoegdheden worden verbonden; een zodanige bevoegdheid
maakt deel uit van de erkenning. Het in de artikelen 62 tot en met
66 ten aanzien van erkenningen bepaalde is van overeenkomstige
toepassing op bedoelde bevoegdheden.
3. De erkenning geldt voor de in de erkenning aangewezen groep
of groepen van voertuigen en kan gelden voor bepaalde of voor
onbepaalde tijd.
4. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden
vastgesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met
betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.
5. De in artikel 50, eerste lid, aanhef bedoelde verplichting
om bij de aanvraag van een kentekenbewijs persoonlijk te
verschijnen bij een bij ministeriële regeling aangewezen
instantie, geldt niet voor natuurlijke personen of rechtspersonen
aan wie een erkenning als bedoeld in het eerste lid is verleend.
Artikel 63
1. De erkenning wordt door de Dienst Wegverkeer op aanvraag en
tegen betaling, op de door deze dienst vastgestelde wijze, van het
daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief verleend aan de
natuurlijke persoon of rechtspersoon, die voldoet aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen. Deze eisen betreffen
onder meer de administratieve organisatie van de natuurlijke
persoon of rechtspersoon alsmede de wijze waarop deze er voor
zorgdraagt dat de aan de opname in bedrijfsvoorraad verbonden
procedures in acht worden genomen. Voorts kunnen deze eisen mede
dienstbaar zijn aan de uitvoering van de Wet milieubeheer.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
vastgesteld met betrekking tot de aanvraag van een erkenning.
3. Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld ter
uitvoering van het krachtens het tweede lid bepaalde.
4. De erkenning wordt geweigerd indien een reeds aan de
aanvrager verleende erkenning op grond van artikel 65, tweede lid,
is ingetrokken binnen een direct aan de datum van indiening van de
aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken, dan wel van zes
maanden ingeval reeds twee of meer malen een dergelijke aan de
aanvrager verleende erkenning is ingetrokken.
Artikel 64
1. Met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning
voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de
Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Het
toezicht omvat in ieder geval het periodiek controleren van de
bedrijfsvoorraad van degene aan wie de erkenning is verleend en
van de ter zake van die bedrijfsvoorraad door deze gevoerde
administratie.
2. Degene aan wie een erkenning is verleend, is gehouden tot
betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht
vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
betreffende de wijze waarop het toezicht wordt gehouden en de
verplichting tot medewerking daaraan van degene aan wie een
erkenning is verleend. Deze regels kunnen inhouden dat een
verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt
gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning
voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 65
1. De Dienst Wegverkeer trekt een erkenning in, indien degene
aan wie de erkenning is verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen
indien degene aan wie de erkenning is verleend:
a. niet meer voldoet aan de voor de erkenning gestelde
eisen,
b. de verplichtingen, vervat in artikel 5:20, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 64, tweede lid,
niet nakomt, of
c. handelt in strijd met een of meer andere uit de
erkenning voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het
tweede lid, een erkenning schorsen voor een door hem daarbij vast
te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
4. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het
tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van
een erkenning van maximaal 30 maanden.
Artikel 65a
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld met
betrekking tot het intrekken, wijzigen en schorsen van de erkenning.
Artikel 66
Het is een ieder aan wie niet een erkenning als bedoeld in
artikel 62 is verleend, verboden zich op zodanige wijze te gedragen,
dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt, dat
zodanige erkenning aan hem is verleend.
§ 5a. Erkenningsregeling exportdienstverlening
Artikel 66a
1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of
rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is
de tenaamstelling van motorrijtuigen en aanhangwagens ten behoeve
van een derde in het kentekenregister te beëindigen indien het
motorrijtuig of de aanhangwagen door die derde wordt
geëxporteerd.
2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden
gesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met
betrekking tot die voorschriften regels worden gesteld.
Artikel 66b
1. De erkenning wordt door de Dienst Wegverkeer op aanvraag en
tegen betaling, op de door deze dienst vastgestelde wijze, van het
daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief verleend aan de
natuurlijke persoon of rechtspersoon, die voldoet aan de bij
ministeriële regeling gestelde eisen. Deze eisen betreffen onder
meer de administratieve organisatie van de natuurlijke persoon of
rechtspersoon alsmede de wijze waarop deze er voor zorgdraagt dat
de aan de vervallenverklaring van de tenaamstelling wegens export
verbonden procedures in acht worden genomen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld met betrekking tot de aanvraag van een erkenning.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter
uitvoering van het krachtens het tweede lid bepaalde.
4. De erkenning wordt geweigerd indien een reeds aan de
aanvrager verleende erkenning op grond van artikel 66d, juncto
artikel 65, tweede lid, is ingetrokken binnen een direct aan de
datum van indiening van de aanvraag voorafgaande periode van
twaalf weken, dan wel van zes maanden ingeval reeds twee of meer
malen een dergelijke aan de aanvrager verleende erkenning is
ingetrokken.
Artikel 66c
1. Met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning
voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de
Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Het
toezicht omvat in ieder geval het periodiek controleren van de ter
zake van de vervallenverklaring van de tenaamstelling wegens
export gevoerde administratie van degene aan wie de erkenning is
verleend.
2. Degene aan wie een erkenning is verleend, is gehouden tot
betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht
vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
betreffende de wijze waarop het toezicht wordt gehouden en de
verplichting tot medewerking daaraan van degene aan wie een
erkenning is verleend. Deze regels kunnen inhouden dat een
verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt
gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning
voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 66d
1. De Dienst Wegverkeer trekt een erkenning in, indien degene
aan wie de erkenning is verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen
indien degene aan wie de erkenning is verleend:
a. niet meer voldoet aan de voor de erkenning gestelde
eisen,
b. de verplichtingen, vervat in artikel 5:20, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 66c, tweede lid
niet nakomt, of
c. handelt in strijd met een of meer andere uit de
erkenning voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het
tweede lid, een erkenning schorsen voor een door hem daarbij vast
te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het intrekken, wijzigen en schorsen van de
erkenning.
Artikel 66e
Het is een ieder aan wie niet een erkenning als bedoeld in
artikel 66a is verleend, verboden zich op zodanige wijze te
gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt,
dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
§ 6. Schorsing
Artikel 67
1. Indien met een voertuig geen gebruik van de weg wordt
gemaakt, schorst de Dienst Wegverkeer op aanvraag van de eigenaar
of houder van dat voertuig, tegen betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst
vastgestelde tarief, de geldigheid van het kentekenbewijs.
2. De hoogte van het in het eerste lid bedoelde tarief kan voor
verschillende groepen voertuigen dan wel eigenaren of houders van
voertuigen verschillend worden vastgesteld. Voor aanvragen die
worden ingediend binnen een jaar na de aanvraag van een schorsing
welke ingevolge artikel 68, eerste lid, onderdelen a en d, is
geëindigd, kan het tarief hoger worden vastgesteld dan het tarief
voor laatstgenoemde aanvraag.
3. De aanvraag van een schorsing dient te geschieden
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
omtrent het krachtens het derde lid bepaalde.
5. De Dienst Wegverkeer plaatst bij het verlenen van de
schorsing overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde regels op het kentekenbewijs een aantekening waaruit
blijkt dat schorsing is verleend.
6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
omtrent de aantekening van schorsing, bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 68
1. De schorsing eindigt:
a. door opheffing als bedoeld in artikel 69,
b. door verloop van een jaar nadat de schorsing is
verleend,
c. door het verval van de tenaamstelling in het
kentekenregister, of
d. zodra met het voertuig gebruik van de weg wordt gemaakt.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan onder daarbij te
stellen voorwaarden worden bepaald dat in bepaalde
uitzonderingsgevallen tijdelijk kan worden afgeweken van het
eerste lid, aanhef en onderdeel d.
Artikel 69
1. De schorsing wordt op aanvraag van de eigenaar of houder
door de Dienst Wegverkeer opgeheven.
2. De aanvraag van opheffing van de schorsing dient te
geschieden overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde regels.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
omtrent het krachtens het tweede lid bepaalde.
Artikel 70
1. Bij de aanvraag van opheffing van de schorsing alsmede na
het eindigen van de schorsing op grond van artikel 68, eerste lid,
aanhef en onderdeel b of d, dient degene aan wie de schorsing is
verleend, een nieuw kentekenbewijs of een of meer bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen delen daarvan aan te vragen.
2. De aanvraag dient te geschieden overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels tegen betaling, op de
door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor
door deze dienst vastgestelde tarief.
§ 7. Kentekenplaten
Artikel 70a
1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of
rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is
een of meer van de in artikel 40, tweede lid, bedoelde bij de
erkenning aangewezen merken aan te brengen.
2. Het is verboden om zonder de in het eerste lid bedoelde
erkenning de aldaar bedoelde merken aan te brengen.
3. Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld
die aan de erkenning worden verbonden en worden met betrekking tot
die voorschriften regels vastgesteld. Die regels hebben in ieder
geval betrekking op:
a. de fabricage en levering van kentekenplaten en
onderdelen daarvan en de daarbij te volgen procedure;
b. de registratie van gegevens met betrekking tot de
ingekochte materialen, de productie, de af- en uitval, de
voorraad en de aflevering van kentekenplaten en onderdelen
daarvan.
Artikel 70b
1. De fabrikant van kentekenplaten is in geval van levering van
kentekenplaten verplicht tot het vastleggen van gegevens omtrent:
van:
a. het betrokken kenteken;
b. de aard en het nummer van het identiteitsdocument van
degene door, respectievelijk namens wie de kentekenplaten
worden aangevraagd, en
c. het aantal afgegeven kentekenplaten.
2. Indien de kentekenplaten worden aangevraagd namens een
rechtspersoon of door een daartoe bij ministeriële regeling
aangewezen erkend bedrijf als bedoeld in artikel 62, worden in
plaats van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder b,
vastgelegd de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens.
3. Indien bij de levering van kentekenplaten die door,
respectievelijk namens een natuurlijk persoon zijn aangevraagd,
een ander identiteitsdocument dan een rijbewijs of paspoort wordt
overgelegd, wordt tevens vastgelegd de naam, de beginletters van
de voornaam of voornamen en het adres van degene door,
respectievelijk namens wie de kentekenplaten worden aangevraagd.
4. De fabrikant verstrekt gegevens die zijn vastgelegd op grond
van het eerste tot en met derde lid in een registratie,
uitsluitend en desgevraagd aan de ambtenaren van de Dienst
Wegverkeer, belast met het toezicht op de naleving van de uit de
erkenning voortvloeiende verplichtingen, en aan de ambtenaren van
politie belast met de handhaving van de uit de erkenning
voortvloeiende verplichtingen en van de verboden, bedoeld in
artikel 41, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de
goede vervulling van hun taak.
5. De vastgelegde gegevens worden gedurende één jaar na de
vastlegging bewaard.
6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
omtrent de inrichting en het beheer van het register.
Artikel 70c
1. Na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 70b, vijfde
lid, worden de daar bedoelde vastgelegde gegevens overgedragen aan
de Dienst Wegverkeer.
2. Uit de registratie worden door de Dienst Wegverkeer
uitsluitend en desgevraagd aan de ambtenaren van politie belast
met de handhaving van de uit de erkenning voortvloeiende
verplichtingen en van de verboden, bedoeld in artikel 41, gegevens
verstrekt voor zover deze noodzakelijk zijn voor de goede
vervulling van hun taak.
3. De vastgelegde gegevens worden door de Dienst Wegverkeer
maximaal vijf jaar na de overdracht, bedoeld in het eerste lid,
bewaard.
4. De Dienst Wegverkeer stelt ten aanzien van het verwerken van
de persoonsgegevens als bedoeld in het eerste lid, een reglement
vast.
Artikel 70d
1. De erkenning wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door
de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door
deze dienst vastgestelde tarief verleend indien de natuurlijke
persoon of rechtspersoon voldoet aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen. Deze eisen betreffen onder meer de
administratieve organisatie van de natuurlijke persoon of
rechtspersoon alsmede de wijze waarop deze ervoor zorg draagt dat
de aan het aanbrengen van de merken verbonden procedures in acht
worden genomen.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
met betrekking tot de aanvraag van een erkenning.
3. De erkenning wordt in ieder geval geweigerd indien een reeds
aan de aanvrager verleende erkenning op grond van artikel 70f,
tweede lid, is ingetrokken binnen een direct aan de datum van
indiening van de aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken,
dan wel van zes maanden ingeval reeds twee of meer malen een
dergelijke aan de aanvrager verleende erkenning is ingetrokken.
Artikel 70e
1. Met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning
voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de
Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Het
toezicht omvat in ieder geval het periodiek controleren van de
organisatie van degene aan wie de erkenning is verleend.
2. Degene aan wie een erkenning is verleend, is gehouden tot
betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht
vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
betreffende de wijze waarop het toezicht wordt gehouden en de
verplichting tot medewerking daaraan van degene aan wie een
erkenning is verleend. Deze regels kunnen inhouden dat een
verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt
gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning
voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 70f
1. De Dienst Wegverkeer trekt een erkenning in, indien degene
aan wie die erkenning is verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen
dan wel de daaraan verbonden voorschriften wijzigen indien degene
aan wie de erkenning is verleend:
a. niet meer voldoet aan de voor de erkenning gestelde
eisen;
b. een verplichting als bedoeld in artikel 70e niet nakomt,
of
c. handelt in strijd met een of meer andere uit de
erkenning voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het
tweede lid, een erkenning schorsen voor een door hem daarbij vast
te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
Artikel 70g
Het is een ieder aan wie niet een erkenning als bedoeld in
artikel 70a is verleend, verboden zich op zodanige wijze te
gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt,
dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
Artikel 70h
Bij de verkrijging van een kentekenplaat worden de bij
ministeriële regeling aangewezen identiteitsdocumenten en overige
documenten overgelegd.
Artikel 70i
1. In geval van overdracht van een motorrijtuig of aanhangwagen
aan een erkend bedrijf als bedoeld in artikel 62, ten behoeve van
uitvoer naar het buitenland of voorgoed buiten gebruikstelling, is
de eigenaar of houder verplicht tot inlevering van de betrokken
kentekenplaten bij dat bedrijf tegelijk met de overdracht.
2. In geval van uitvoer naar het buitenland anders dan door een
erkend bedrijf als bedoeld in artikel 62, is de eigenaar of houder
van het motorrijtuig of de aanhangwagen verplicht tot inlevering
van de betrokken kentekenplaten bij de Dienst Wegverkeer tegelijk
met de uitvoer.
3. Indien het kentekenbewijs zijn geldigheid heeft verloren,
anders dan in geval van het eerste of het tweede lid, kan de
Dienst Wegverkeer verlangen dat de betrokken kentekenplaten binnen
een bepaalde termijn bij deze dienst worden ingeleverd.
Artikel 70j
1. Indien de betrokken kentekenplaten overeenkomstig artikel
70i worden ingeleverd bij de Dienst Wegverkeer onderscheidenlijk
een erkend bedrijf als bedoeld in artikel 62 is deze dienst,
onderscheidenlijk dit bedrijf verplicht tot het vastleggen van
gegevens omtrent van:
a. het betrokken kenteken, en
b. het aantal ingeleverde kentekenplaten.
De artikelen 70b, vierde tot en met zesde lid, en 70c zijn van
overeenkomstige toepassing
2. De Dienst Wegverkeer, onderscheidenlijk het erkende bedrijf,
is voorts, overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te
stellen regels, verplicht tot vernietiging van de ingeleverde
kentekenplaten en tot registratie van de vernietiging.
Hoofdstuk IVA. Registratie van fietsen en andere mobiele objecten
Artikel 70k
1. De Dienst Wegverkeer houdt een register van fietsen.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de
inhoud van het register alsmede de verwerking, het gebruik en de
verstrekking van de gegevens daaruit.
3. Het verzamelen van gegevens ten behoeve van het in het
eerste lid bedoelde register geschiedt ter voorkoming van diefstal
en heling van fietsen, alsmede ten behoeve van de opsporing van
gestolen fietsen.
4. Registratie van gegevens in het register geschiedt op de
door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze. In door de Dienst
Wegverkeer te bepalen gevallen kan een door deze dienst te bepalen
aansluittarief verschuldigd zijn.
5. In door de Dienst Wegverkeer te bepalen gevallen geschiedt
de registratie van gegevens in, dan wel verstrekking van gegevens
uit het register tegen betaling van een door deze dienst te
bepalen tarief.
Artikel 70l
1. De Dienst Wegverkeer houdt een register van bij
ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van mobiele
objecten anders dan fietsen waarvoor op grond van deze wet geen
kenteken is opgegeven.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de
inhoud van het register alsmede de verwerking, het gebruik en de
verstrekking van de gegevens daaruit.
3. Het verzamelen van gegevens ten behoeve van het in het
eerste lid bedoelde register geschiedt ter voorkoming van diefstal
en heling van mobiele objecten, ten behoeve van de opsporing van
gestolen mobiele objecten, alsmede ten behoeve van andere, bij
ministeriële regeling te bepalen doeleinden, met inachtneming van
artikel 2.
4. Hetvierde en vijfde lid van artikel 70k zijn van toepassing.
Hoofdstuk V. Gebruik van voertuigen op de weg
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 71
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent:
a. de eisen waaraan voertuigen moeten voldoen waarmee over de
weg wordt gereden, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen
verschillende wegen;
b. de inrichting van voertuigen die op de weg staan;
c. de eisen waaraan voertuigen moeten voldoen voor de afgifte
van een keuringsbewijs;
d. de eisen waaraan ter uitvoering van verdragen of van
besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of
meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk,
moet worden voldaan met betrekking tot het uitvoeren van
onderhoud aan voertuigen.
Artikel 71a
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat:
a. het voldoen aan de in artikel 71 bedoelde voorschriften
wordt aangetoond door middel van in die regels voorgeschreven
apparatuur,
b. die apparatuur is goedgekeurd door een door Onze Minister
aangewezen keuringsinstelling,
c. die apparatuur alleen kan worden goedgekeurd indien de in
die regels genoemde technische specificaties van die apparatuur
die noodzakelijk zijn om het periodiek onderzoek, bedoeld in
onderdeel d, uit te kunnen voeren, op de in die regels
aangegeven wijze bekend worden gemaakt,
d. die apparatuur met een in die regels vast te stellen
periodiciteit is onderzocht door deze keuringsinstelling, dan
wel door een door Onze Minister of door deze keuringsinstelling
erkende onderzoeksgerechtigde en dat middelen die worden
gebruikt om die apparatuur voor gebruik geschikt te maken, zijn
gecertificeerd door een door die keuringsinstelling erkende
instelling, en
e. bij de erkenning van een onderzoeksgerechtigde of
instelling als bedoeld in onderdeel d, wordt voldaan aan de in
die regels opgenomen voorschriften.
§ 2. Periodieke keuringsplicht
Artikel 72
1. Voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor een
kenteken is opgegeven dan wel dient te zijn opgegeven, dient een
keuringsbewijs te zijn afgegeven.
2. Het keuringsbewijs dient:
a. te voldoen aan de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde
eisen inzake inrichting en uitvoering,
b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, en
c. behoorlijk leesbaar te zijn.
3. Voor overtreding van het eerste lid en het bepaalde bij of
krachtens het tweede lid zijn aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of
houder, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de
weg wordt gereden, de bestuurder, en
b. voor zover het betreft een aanhangwagen, de eigenaar of
houder, alsmede in het geval dat de aanhangwagen met een
motorrijtuig over de weg wordt voortbewogen, de bestuurder van
dat motorrijtuig.
Artikel 73
1. Artikel 72 geldt niet indien:
a. voor het motorrijtuig of de aanhangwagen ter zake van
een keuring die ingevolge een andere dan deze wet is
voorgeschreven en blijkens aanwijzing bij ministeriële
regeling ten minste een controle inhoudt op de eisen, bedoeld
in artikel 75, eerste lid, een keuringsdocument waarvan de
geldigheidsduur niet is verstreken, is afgegeven, dan wel
b. de geldigheid van het voor het betrokken voertuig
afgegeven kentekenbewijs is geschorst overeenkomstig paragraaf
6 van hoofdstuk IV.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan onder daarbij te
stellen voorwaarden worden bepaald dat:
a. artikel 72 niet geldt voor motorrijtuigen en
aanhangwagens zolang gerekend vanaf het tijdstip waarop deze
voertuigen voor het eerst op de weg zijn toegelaten, nog geen
bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn is
verstreken, die voor verschillende groepen van voertuigen,
alsmede voor voertuigen die voor, onderscheidenlijk na een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip voor het
eerst op de weg zijn toegelaten verschillend kan worden
vastgesteld; bij algemene maatregel van bestuur kan nader
worden bepaald op welk tijdstip een voertuig geacht wordt voor
het eerst op de weg te zijn toegelaten;
b. artikel 72 niet geldt voor nader aangewezen groepen van
motorrijtuigen of aanhangwagens. Hieronder vallen in ieder
geval aanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet
meer dan 3500 kg;
c. in bepaalde uitzonderingsgevallen tijdelijk wordt of kan
worden afgeweken van artikel 72;
d. artikel 72 gedurende een nader te bepalen termijn na het
tijdstip van verstrijken van de geldigheidsduur van het voor
het voertuig afgegeven keuringsbewijs niet geldt voor het op
de weg staan van dat voertuig.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld met betrekking tot het tweede lid, onderdelen b en c.
Artikel 74
Het is verboden ten opzichte van een motorrijtuig of een
aanhangwagen opzettelijk gebruik te maken van een keuringsbewijs dat
niet voor dat voertuig is afgegeven, als ware het voor dat voertuig
afgegeven.
§ 3. Aanvraag en afgifte van keuringsrapporten
Artikel 75
1. Een keuringsbewijs wordt door degene die ingevolge artikel
78 met de afgifte van keuringsrapporten is belast, afgegeven op
aanvraag en tegen betaling op de door deze vastgestelde wijze van
het door deze vastgestelde tarief indien het motorrijtuig of de
aanhangwagen heeft voldaan aan de eisen die ingevolge artikel 71,
onderdeel c, aan dat voertuig worden gesteld, voorzover deze eisen
niet ingevolge het tweede lid buiten toepassing blijven. Het
hiervoor bedoelde tarief omvat mede een door de Dienst Wegverkeer
vastgesteld bedrag ter zake van het attenderen door deze dienst op
de in artikel 72 opgenomen verplichting. Indien degene die met de
afgifte van keuringsrapporten is belast een persoon is als bedoeld
in artikel 78, eerste lid, onder b, draagt deze dit bedrag af aan
de Dienst Wegverkeer op de door deze dienst vastgestelde wijze.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan onder daarbij te
stellen voorwaarden worden bepaald dat voor nader aangewezen
groepen van motorrijtuigen - zolang gerekend vanaf het tijdstip
waarop deze voertuigen voor het eerst op de weg zijn toegelaten,
nog geen bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
termijn die ten hoogste drie jaren bedraagt, is verstreken - ten
behoeve van de afgifte van een keuringsbewijs slechts behoeft te
worden voldaan aan de ingevolge artikel 71 gestelde eisen die
betrekking hebben op het bestrijden van luchtverontreiniging. Bij
algemene maatregel van bestuur kan nader worden bepaald op welk
tijdstip een voertuig geacht wordt voor het eerst op de weg te
zijn toegelaten.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde
voorwaarden en groepen van motorrijtuigen.
Artikel 76
1. Bij de aanvraag van een keuringsrapport dient de aanvrager
de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde bescheiden over
te leggen en inlichtingen te verschaffen.
2. De aanvrager dient het motorrijtuig of de aanhangwagen
waarvoor de afgifte van een keuringsrapport wordt verlangd,
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen
regels ten behoeve van de afgifte van dat bewijs ter beschikking
te stellen van degene die ingevolge artikel 78 met de afgifte van
keuringsrapporten is belast.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld
omtrent de wijze waarop wordt onderzocht of een voertuig voldoet
aan de in artikel 75 bedoelde eisen, alsmede omtrent hetgeen
verder met betrekking tot de behandeling van de aanvraag van een
keuringsrapport noodzakelijk is.
Artikel 77
Het voor afgifte van een keuringsrapport aangeboden voertuig
dient overeen te stemmen met de in het daarbij behorende
kentekenbewijs en de in het kentekenregister vermelde gegevens.
Artikel 78
1. Keuringsrapporten worden overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels afgegeven door:
a. de Dienst Wegverkeer in het kader van een door deze
dienst verrichte keuring van het voertuig waarvoor de afgifte
wordt gevraagd;
b. een ingevolge artikel 84 erkende natuurlijke persoon of
rechtspersoon in het kader van een door deze verrichte keuring
van het voertuig waarvoor de afgifte wordt gevraagd.
2. De Dienst Wegverkeer draagt er zorg voor dat indien in
onvoldoende mate keuringsrapporten kunnen worden afgegeven door
andere natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, dan die zich bezighouden met het
verrichten van onderhoud of reparaties aan motorrijtuigen of
aanhangwagens, de Dienst Wegverkeer kan voorzien in zodanige
afgifte.
3. De Dienst Wegverkeer geeft geen keuringsrapporten af voor
zover in voldoende mate keuringsrapporten kunnen worden afgegeven
door natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, die zich niet bezighouden met het
verrichten van onderhoud of reparaties aan motorrijtuigen of
aanhangwagens.
Artikel 79
Degene die ingevolge artikel 78 met de afgifte van
keuringsbewijzen is belast, doet van het voornemen tot de afgifte
van zodanig bewijs op de bij ministeriële regeling te bepalen wijze
mededeling aan de beheerder van het kentekenregister. Van de
weigering van de afgifte van een keuringsbewijs wordt mededeling
gedaan in bij ministeriële regeling vast te stellen gevallen.
Artikel 80
1. De Dienst Wegverkeer geeft voor keuringsbewijzen die
versleten of geheel of ten dele onleesbaar zijn, dan wel verloren
zijn geraakt of teniet zijn gegaan, op aanvraag en tegen betaling,
op de door deze dienst vastgestelde wijze, van het daarvoor door
deze dienst vastgestelde tarief vervangende keuringsbewijzen af.
2. Een vervangend keuringsbewijs wordt niet afgegeven dan nadat
het versleten of geheel of ten dele onleesbaar geworden bewijs is
ingeleverd bij de Dienst Wegverkeer.
§ 4. Geldigheid keuringsbewijzen
Artikel 81
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt, voorzover nodig
onder daarbij te stellen voorwaarden, bepaald op welk tijdstip een
keuringsbewijs geldigheid verkrijgt en voor welke duur een
keuringsbewijs geldig is. Deze duur kan voor verschillende groepen
van voertuigen, alsmede voor voertuigen die voor,
onderscheidenlijk na een bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen tijdstip voor het eerst op de weg zijn toegelaten,
verschillend worden vastgesteld.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
voorwaarden en groepen van motorrijtuigen.
Artikel 82
Onverminderd de artikelen 81, 86, vierde lid, en 91, vierde lid,
verliest een keuringsbewijs zijn geldigheid:
a. door afgifte van een vervangend keuringsbewijs;
b. door het onbevoegd daarin aanbrengen van wijzigingen.
§ 5. Erkenningsregeling periodieke keuring en regeling
bevoegdheid tot keuren
Artikel 83
1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of
rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is
keuringsrapporten af te geven voor motorrijtuigen en
aanhangwagens, waarvoor artikel 72 geldt, met uitzondering van
bussen als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000.
2. Een erkenning geldt voor motorrijtuigen en aanhangwagens,
die behoren tot een in de erkenning aangewezen groep, en kan
gelden voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. De aanwijzing kan
geen betrekking hebben op de leeftijd of het merk van
motorrijtuigen en aanhangwagens.
3. Een erkenning, verleend aan een natuurlijke persoon of
rechtspersoon, die een keuringsdienst of een onderhoudsdienst voor
het eigen wagenpark exploiteert, geldt slechts voor de eigen
voertuigen.
4. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden
vastgesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met
betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.
Artikel 84
1. De erkenning wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door
de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door
deze dienst vastgestelde tarief verleend indien de natuurlijke
persoon of rechtspersoon voldoet aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen. Deze eisen betreffen onder meer de voor de
keuringen benodigde apparatuur en ruimte alsmede de deskundigheid
van de voor de keuringen beschikbare personen. Ten aanzien van de
voor de keuringen benodigde apparatuur kan bij die ministeriële
regeling de eis worden gesteld dat die apparatuur is goedgekeurd
door een door Onze Minister aan te wijzen keuringsinstelling en
met de in die regeling vast te stellen periodiciteit is onderzocht
door deze keuringsinstelling dan wel door een door deze
keuringsinstelling erkende onderzoeksgerechtigde en kunnen regels
worden vastgesteld met betrekking tot de erkenning van
onderzoeksgerechtigden. Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat middelen die worden gebruikt om deze apparatuur voor
gebruik geschikt te maken zijn gecertificeerd door een door die
keuringsinstelling erkende instelling en kunnen regels worden
vastgesteld met betrekking tot die erkenning.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
met betrekking tot de aanvraag van een erkenning.
3. De erkenning wordt geweigerd indien een reeds aan de
aanvrager verleende erkenning op grond van artikel 87, tweede lid,
is ingetrokken binnen een direct aan de datum van indiening van de
aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken, dan wel van zes
maanden ingeval reeds twee of meer malen een dergelijke aan de
aanvrager verleende erkenning is ingetrokken.
Artikel 85
De erkende natuurlijke personen of rechtspersonen zijn verplicht
het door de aanvrager ter keuring aangeboden voertuig te keuren,
indien zij daartoe gerechtigd zijn.
Artikel 85a
1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon de
bevoegdheid verlenen motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvoor
artikel 72 geldt, met uitzondering van bussen als bedoeld in de
Wet personenvervoer, aan een keuring te onderwerpen. Ten bewijze
van deze bevoegdheid verstrekt de Dienst Wegverkeer de betrokken
persoon een bevoegdheidspas.
2. De bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen
geldt voor motorrijtuigen en aanhangwagens die behoren tot een in
de verlening van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te
onderwerpen aangewezen groep, en kan gelden voor bepaalde of
onbepaalde tijd.
3. De bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen
wordt verleend indien de natuurlijke persoon beschikt over een
examencertificaat van een door Onze Minister aangewezen
exameninstantie en overigens voldoet aan bij ministeriële
regeling vastgestelde eisen. Daarbij kan aan de Dienst Wegverkeer
de bevoegdheid worden verleend voorwaarden vast te stellen ten
aanzien van het voldoen aan deze eisen.
4. Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld met
betrekking tot de aanvraag tot het verlenen van de bevoegdheid
voertuigen aan een keuring te onderwerpen en met betrekking tot de
bevoegdheidspas.
5. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden
vastgesteld die aan de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te
onderwerpen worden verbonden en kunnen met betrekking tot die
voorschriften regels worden vastgesteld.
6. Het tarief voor het examen dat de natuurlijke persoon dient
af te leggen om het in het derde lid bedoelde certificaat te
verkrijgen, behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 86
1. De Dienst Wegverkeer onderwerpt ten minste drie van elke
honderd voertuigen na een verrichte keuring steekproefsgewijs aan
een herkeuring met het oog op het toezicht op:
a. de juiste uitvoering van de keuring;
b. het aan een keuring onderwerpen door daartoe bevoegde
natuurlijke personen.
2. De eigenaar of houder van een motorrijtuig of een
aanhangwagen, waarvoor een herkeuring wordt geëist, is verplicht
het voertuig op de plaats van de keuring beschikbaar te houden
totdat de herkeuring heeft plaatsgevonden. Deze verplichting geldt
voor een periode van ten hoogste 90 minuten na de in artikel 79
bedoelde mededeling.
3. Het keuringsrapport van een motorrijtuig of een aanhangwagen
waarvoor een herkeuring wordt geëist wordt pas afgegeven op het
moment dat de periode genoemd in het vorige lid is verstreken of
nadat de herkeuring heeft plaatsgevonden.
4. De geldigheid van het keuringsbewijs vervalt indien de
eigenaar of houder niet voldoet aan de in het tweede lid bedoelde
verplichtingen of indien het motorrijtuig of de aanhangwagen bij
de herkeuring niet voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 75,
eerste lid.
5. Met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning
voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de
Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
6. Degene aan wie een erkenning is verleend, is gehouden tot
betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht
vastgestelde tarief.
7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld betreffende de wijze waarop de steekproef wordt
uitgevoerd, alsmede betreffende de verplichting tot medewerking
daaraan van de eigenaar of houder. Deze regels kunnen inhouden dat
een verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt
gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning
voortvloeiende verplichtingen of in strijd met een of meer uit de
bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen
voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 86a
1. De Dienst Wegverkeer laat met het oog op het toezicht op het
verrichten van keuringen, keuringen uitvoeren door het ter keuring
aanbieden van een voertuig in bij ministeriële regeling vast te
stellen gevallen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld
betreffende de wijze waarop de keuring wordt uitgevoerd. Deze
regels kunnen inhouden dat verscherpt toezicht wordt gehouden
indien blijkt dat er door een natuurlijke persoon die daartoe niet
bevoegd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvoor artikel 72
geldt, met uitzondering van bussen als bedoeld in de Wet
personenvervoer, aan een keuring worden onderworpen.
Artikel 87
1. De Dienst Wegverkeer trekt een erkenning in, indien degene
aan wie die erkenning is verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen
indien degene aan wie de erkenning is verleend:
a. niet meer voldoet aan de voor de erkenning gestelde
eisen,
b. in strijd met de eisen, bedoeld in artikel 75, eerste
lid, of de regels, bedoeld in artikel 76, derde lid, een
keuringsbewijs afgeeft voor een motorrijtuig of een
aanhangwagen,
c. een keuringsrapport afgeeft voor een motorrijtuig of een
aanhangwagen, waarvoor de erkenning niet geldt,
d. de verplichting, vervat in artikel 85, 86, zesde lid,
90, vierde lid, of 91, vierde lid, niet nakomt,
e. weigert een keuringsbewijs af te geven voor een
motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor de erkenning geldt,
hoewel dat voertuig bij een keuring, verricht met inachtneming
van de regels, bedoeld in artikel 76, derde lid, voldoet aan
de eisen, bedoeld in artikel 75, eerste lid, of
f. handelt in strijd met een of meer andere uit de
erkenning voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het
tweede lid, onderdelen a, d en f, een erkenning schorsen voor een
door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf
weken bedraagt.
4. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het
tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van
een erkenning van maximaal 30 maanden.
Artikel 87a
1. De Dienst Wegverkeer trekt de bevoegdheid voertuigen aan een
keuring te onderwerpen in, indien degene aan wie die bevoegdheid
is verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan de bevoegdheid voertuigen aan een
keuring te onderwerpen intrekken of de daaraan verbonden
voorschriften wijzigen, indien degene aan wie die bevoegdheid is
verleend:
a. niet meer voldoet aan de voor de bevoegdheid voertuigen
aan een keuring te onderwerpen gestelde eisen,
b. in strijd met de regels, bedoeld in artikel 76, derde
lid, een voertuig aan een onderzoek onderwerpt,
c. handelt in strijd met een of meer andere uit de
bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen
voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het
tweede lid, onderdelen a en c, de bevoegdheid voertuigen aan een
keuring te onderwerpen schorsen voor een door deze dienst daarbij
vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
Artikel 88
1. De kennisgeving van het verscherpen van het toezicht kan
plaatsvinden door middel van datacommunicatie. In dat geval wordt
de kennisgeving na daartoe strekkend verzoek van de belanghebbende
in een beschikking vastgelegd.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld
met betrekking tot het toezicht en het verscherpen daarvan,
alsmede met betrekking tot het intrekken, wijzigen en schorsen van
de erkenning of bevoegdheid tot keuren.
Artikel 89
Het is een ieder aan wie niet een erkenning als bedoeld in
artikel 83 is verleend, verboden zich op zodanige wijze te gedragen,
dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt, dat
zodanige erkenning aan hem is verleend.
§ 6. Herkeuring en deskundigenonderzoek
Artikel 90
1. Tegen een beschikking tot weigering van de afgifte van een
keuringsbewijs kan een belanghebbende bezwaar maken of
administratief beroep instellen bij de Dienst Wegverkeer.
2. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet
bestuursrecht kan tegen een beschikking tot weigering van de
afgifte van een keuringsbewijs slechts bezwaar worden gemaakt of
administratief beroep worden ingesteld terstond nadat de
beschikking is bekendgemaakt.
3. Het bezwaar of administratief beroep wordt slechts in
behandeling genomen indien het voertuig in de staat waarin het
zich ten tijde van de keuring bevond, onmiddellijk op een door de
Dienst Wegverkeer bepaalde plaats ter beschikking wordt gesteld
ten behoeve van een herkeuring door een door de Dienst Wegverkeer
aangewezen deskundige.
4. In afwijking van de artikelen 7:15 en 7:28 van de Algemene
wet bestuursrecht dient bij de indiening van het bezwaar- of
beroepschrift een bedrag ter vergoeding van de aan de herkeuring
verbonden kosten te worden betaald. De hoogte van het bedrag en de
wijze van betaling worden vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.
5. Degene die de beschikking tot weigering van de afgifte van
een keuringsbewijs heeft gegeven, wordt in de gelegenheid gesteld
bij de herkeuring aanwezig te zijn.
6. Indien het voertuig volgens het oordeel van de deskundige
voldoet aan de in artikel 75 bedoelde eisen, geeft de Dienst
Wegverkeer alsnog het aangevraagde keuringsbewijs af en wordt het
in het vierde lid bedoelde bedrag terugbetaald aan de indiener van
het bezwaar- of beroepschrift. Is in dit geval de beschikking tot
weigering van de afgifte van een keuringsbewijs gegeven door een
erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, dan is deze
vorenbedoeld bedrag verschuldigd aan de Dienst Wegverkeer en
gehouden dit te betalen op de door deze dienst vastgestelde wijze.
Artikel 91
1. Tegen een beschikking tot afgifte van een keuringsbewijs kan
een belanghebbende bezwaar maken of administratief beroep
instellen bij de Dienst Wegverkeer.
2. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet
bestuursrecht kan tegen een beschikking tot afgifte van een
keuringsbewijs bezwaar worden gemaakt of administratief beroep
worden ingesteld gedurende een bij algemene maatregel van bestuur
te stellen termijn.
3. Het bezwaar of administratief beroep wordt slechts in
behandeling genomen indien het voertuig op een door de Dienst
Wegverkeer bepaalde plaats ter beschikking wordt gesteld ten
behoeve van een onderzoek door een door de Dienst Wegverkeer
aangewezen deskundige.
4. In afwijking van de artikelen 7:15 en 7:28 van de Algemene
wet bestuursrecht dient bij de indiening van het bezwaar- of
beroepschrift een bedrag ter vergoeding van de aan het onderzoek
verbonden kosten te worden betaald. De hoogte van het bedrag en de
wijze van betaling worden vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.
5. Degene die de beschikking tot afgifte van een keuringsbewijs
heeft gegeven, wordt in de gelegenheid gesteld bij het onderzoek
aanwezig te zijn.
6. Indien het voertuig volgens het oordeel van de deskundige
ten tijde van de keuring op grond waarvan het keuringsbewijs is
afgegeven, redelijkerwijze niet aan de keuringseisen kan hebben
voldaan, daarbij in het bijzonder gelet op de termijn die is
verstreken tussen de keuring en het onderzoek, verklaart de Dienst
Wegverkeer het voor het voertuig afgegeven keuringsbewijs alsnog
ongeldig en wordt het in het vierde lid bedoelde bedrag
terugbetaald aan de indiener van het bezwaar- of beroepschrift. Is
in dit geval de beschikking tot afgifte van een keuringsbewijs
gegeven door een erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, dan
is deze vorenbedoeld bedrag verschuldigd aan de Dienst Wegverkeer
en gehouden dit te betalen op de door deze dienst vastgestelde
wijze.
Artikel 92 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 93 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 94 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 95 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 96 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 97 [Vervallen per 01-01-1995]
§ 7. Wijziging in de constructie van voertuigen
Artikel 98
Indien in de bouw of inrichting van een voertuig dat ingevolge
hoofdstuk III tot het verkeer op de weg is toegelaten, na die
toelating wijziging is aangebracht, dient die wijziging, voorzover
dit bij ministeriële regeling is bepaald, te zijn goedgekeurd voor
toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg.
Artikel 99
1. Goedkeuring wordt op aanvraag en tegen betaling op door de
Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze
dienst vastgestelde tarief door deze dienst verleend, indien de
aangebrachte wijziging bij een door deze dienst verrichte keuring
heeft voldaan aan de ingevolgehoofdstuk III en hoofdstuk V voor
deze goedkeuring vastgestelde eisen. De keuring kan mede omvatten
die delen van het voertuig waarvoor de aangebrachte wijziging
gevolgen heeft.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld
betreffende het door de aanvrager voor de keuring ter beschikking
stellen van het voertuig, het door de aanvrager overleggen van
bescheiden en verstrekken van inlichtingen ter zake van de keuring
alsmede betreffende de wijze waarop de keuring wordt verricht.
3. In de bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen
wordt voor het gewijzigde voertuig een nieuw kentekenbewijs
afgegeven waarop melding wordt gemaakt van de goedgekeurde
wijziging.
§ 8. Erkenningsregeling wijziging constructie voertuigen
Artikel 100
1. De goedkeuring voor een wijziging in de bouw of inrichting
van een voertuig wordt door de Dienst Wegverkeer verleend zonder
dat de in artikel 99 bedoelde keuring heeft plaatsgevonden, indien
door een daartoe door de Dienst Wegverkeer erkende natuurlijke
persoon of rechtspersoon wordt gewaarborgd dat de aangebrachte
wijziging voldoet aan de ingevolge hoofdstuk III en hoofdstuk V
voor deze goedkeuring vastgestelde eisen.
2. De erkenning geldt voor de in de erkenning aangegeven
werkzaamheden ter zake van het wijzigen van de bouw of inrichting
van voertuigen die behoren tot een in de erkenning aangewezen
groep. De erkenning kan gelden voor bepaalde of voor onbepaalde
tijd.
3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden
vastgesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met
betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.
Artikel 101
1. De erkenning wordt door de Dienst Wegverkeer op aanvraag en
tegen betaling, op de door deze dienst vastgestelde wijze, van het
daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief verleend aan de
natuurlijke persoon of rechtspersoon die voldoet aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen. Deze eisen betreffen
onder meer de organisatie van de aanvrager alsmede het proces
volgens hetwelk de aanvrager zijn werkzaamheden verricht, alsmede
de voor de werkzaamheden benodigde apparatuur. Ten aanzien van de
voor de werkzaamheden benodigde apparatuur kan bij die
ministeriële regeling de eis worden gesteld dat die apparatuur is
goedgekeurd door een door Onze Minister aan te wijzen
keuringsinstelling en met de in die regeling vast te stellen
periodiciteit is onderzocht door deze keuringsinstelling dan wel
door een door deze keuringsinstelling erkende
onderzoeksgerechtigde en kunnen regels worden vastgesteld met
betrekking tot de erkenning van onderzoeksgerechtigden. Bij
ministeriële regeling kan worden bepaald dat middelen die worden
gebruikt om deze apparatuur voor gebruik geschikt te maken zijn
gecertificeerd door een door die keuringsinstelling erkende
instelling en kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot
die erkenning.
2. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede,
van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag tot erkenning.
Bij ministeriele regeling worden nadere regels vastgesteld met
betrekking tot de aanvraag van een erkenning.
3. De erkenning wordt geweigerd indien een reeds aan de
aanvrager verleende erkenning op grond van artikel 103, tweede
lid, is ingetrokken binnen een direct aan de datum van indiening
van de aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken, dan wel van
zes maanden ingeval reeds twee of meer malen een dergelijke aan de
aanvrager verleende erkenning is ingetrokken.
4. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het
tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van
een erkenning van maximaal 30 maanden.
Artikel 102
1. Met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning
voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de
Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Tot
dit toezicht kan behoren het steekproefsgewijs keuren van door een
erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon aangebrachte
wijzigingen in de bouw of inrichting van voertuigen. Voorts kan
tot het toezicht behoren het periodiek controleren van de
organisatie van degene aan wie de erkenning is verleend alsmede
het proces volgens hetwelk hij zijn werkzaamheden verricht.
2. Degene aan wie een erkenning is verleend, is gehouden tot
betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht
vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld betreffende de wijze waarop het toezicht wordt
gehouden en de verplichting tot medewerking daaraan van degene aan
wie een erkenning is verleend en van de eigenaar of houder van het
voertuig waarvoor een keuring wordt geëist. Deze regels kunnen
inhouden dat een verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt
dat wordt gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning
voortvloeiende verplichtingen.
4. De kennisgeving van het verscherpen van het toezicht kan
plaatsvinden door middel van datacommunicatie. In dat geval wordt
de kennisgeving na daartoe strekkend verzoek van de belanghebbende
in een beschikking vastgelegd.
Artikel 103
1. De Dienst Wegverkeer trekt een erkenning in, indien degene
aan wie de erkenning is verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen
indien degene aan wie de erkenning is verleend:
a. niet meer voldoet aan de voor de erkenning gestelde
eisen,
b. de verplichtingen, vervat in artikel 5:20, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 102, tweede lid,
niet nakomt, of
c. handelt in strijd met een of meer andere uit de
erkenning voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het
tweede lid, een erkenning schorsen voor een door hem daarbij vast
te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
Artikel 103a
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld met
betrekking tot het intrekken, wijzigen en schorsen van de erkenning.
Artikel 104
Het is een ieder aan wie niet een erkenning als bedoeld in
artikel 100 is verleend, verboden zich op zodanige wijze te
gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt,
dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
§ 9. Keuring na ongeldigverklaring of invordering kentekenbewijs
Artikel 105
Indien het voor een motorrijtuig of een aanhangwagen afgegeven
kentekenbewijs ingevolge artikel 58, tweede lid, onderdeel b of d,
ongeldig is verklaard of is ingevorderd ingevolgeartikel 60, eerste
lid, onderdeel b of c, dient het voertuig alvorens het
kentekenbewijs door de Dienst Wegverkeer geldig kan worden verklaard
of kan worden teruggegeven, te zijn goedgekeurd.
Artikel 106
1. De goedkeuring wordt op aanvraag en tegen betaling, op de
door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor
door deze dienst vastgestelde tarief door deze dienst verleend,
indien het voertuig bij een door de dienst verrichte keuring heeft
beantwoord aan de bij of krachtens deze wet vastgestelde eisen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld
betreffende het door de aanvrager voor de keuring ter beschikking
stellen van het voertuig, het door de aanvrager overleggen van
bescheiden en verstrekken van inlichtingen ter zake van de keuring
alsmede betreffende de wijze waarop de keuring wordt verricht.
§ 9a. Erkenningsregeling keuring van schadevoertuigen
Artikel 106a
1. De goedkeuring van een schadevoertuig na ongeldigverklaring
of invordering van het kentekenbewijs kan door de Dienst
Wegverkeer worden verleend zonder dat de in artikel 106 bedoelde
keuring heeft plaatsgevonden, indien door een daartoe door de
Dienst Wegverkeer erkende natuurlijk persoon of rechtspersoon
wordt gewaarborgd dat het voertuig voldoet aan de eisen, bedoeld
in artikel 106, eerste lid.
2. De erkenning geldt voor de in de erkenning aangegeven
werkzaamheden ter zake van voertuigen die behoren tot een in de
erkenning aangewezen groep. De erkenning kan gelden voor bepaalde
of onbepaalde tijd.
3. Deartikelen 100, derde lid, en 101 tot en met 103 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 106b
Het is een ieder aan wie niet een erkenning als bedoeld in
artikel 106a is verleend, verboden zich op zodanige wijze te
gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt,
dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
Hoofdstuk VI. Rijvaardigheid en rijbevoegdheid
Afdeling 1. Rijbewijsplicht
Artikel 107
1. Aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg dient door
de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs te zijn afgegeven
voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe dat
motorrijtuig behoort.
2. Het rijbewijs dient:
a. te voldoen aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen inzake inrichting, uitvoering en invulling,
b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, en
c. behoorlijk leesbaar te zijn.
3. Indien de aanvrager als ingezetene is ingeschreven in de
basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente, wordt het in
de basisadministratie opgenomen burgerservicenummer, bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer, op de bij ministeriële regeling vastgestelde
wijze op het rijbewijs vermeld. Indien de aanvrager niet als
ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie
persoonsgegevens van een gemeente, wordt op het rijbewijs een bij
ministeriële regeling vastgestelde aanduiding vermeld.
Artikel 108
1. Artikel 107 is niet van toepassing op bestuurders van:
a. bromfietsen als bedoeld inartikel 1, eerste lid,
onderdeel e, subonderdeel d, en gehandicaptenvoertuigen die
zijn uitgerust met een motor, landbouw- of bosbouwtrekkers en
motorrijtuigen met beperkte snelheid;
b. motorrijtuigen, gedurende de tijd dat aan die
bestuurders rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht
motorrijtuigen 1993 wordt gegeven, voor zover het motorrijtuig
daarbij niet onder toezicht wordt bestuurd en overigens is
voldaan aan de bij algemene maatregel van bestuur gestelde
voorwaarden;
c. motorrijtuigen, gedurende de tijd dat door die
bestuurders een rijproef wordt afgelegd in het kader van een
onderzoek, door of vanwege de overheid ingesteld, naar hun
rijvaardigheid of geschiktheid, voor zover het motorrijtuig
daarbij niet onder toezicht wordt bestuurd en overigens is
voldaan aan de bij algemene maatregel van bestuur gestelde
voorwaarden;
d. motorrijtuigen, indien die bestuurders vreemdelingen in
de zin van de Vreemdelingenwet 2000 zijn, die op grond van hun
hoedanigheid van of betrekking tot diplomatiek of consulair
personeel dan wel op grond van hun hoedanigheid van of
betrekking tot personeel in dienst van een in Nederland
gevestigde internationale organisatie houder zijn van een door
Onze Minister van Buitenlandse Zaken verstrekt
identiteitsbewijs voor geprivilegieerden en aan wie, tenzij
het een bestuurder van een bromfiets betreft, door het daartoe
bevoegde gezag buiten Nederland een rijbewijs is afgegeven dat
geldig is voor het besturen van een motorrijtuig als waarmee
wordt gereden;
e. motorrijtuigen, indien die bestuurders lid zijn van een
krijgsmacht of behoren tot de civiele dienst van een
krijgsmacht die in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen
gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het
Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun
krijgsmachten, in Nederland is gelegerd, dan wel behoren tot
het gezin van een lid van een krijgsmacht als hiervoor bedoeld
of tot het gezin van een tot de civiele dienst van zodanige
krijgsmacht behorende persoon, en aan wie, tenzij het een
bestuurder van een bromfiets betreft, door het daartoe
bevoegde gezag in de Staat van herkomst of één van zijn
samenstellende delen een rijbewijs is afgegeven dat geldig is
voor het besturen van een motorrijtuig als waarmee wordt
gereden;
f. motorrijtuigen, anders dan bromfietsen, indien die
bestuurders buiten Nederland woonachtig zijn en zij zich
bevinden in het internationaal verkeer, mits aan hen door het
daartoe bevoegde gezag buiten Nederland een rijbewijs is
afgegeven dat geldig is voor het besturen van een motorrijtuig
als waarmee wordt gereden alsmede, in de gevallen waarin zulks
is vereist op grond van internationale overeenkomsten die
Nederland binden, aan hen buiten Nederland een internationaal
rijbewijs is afgegeven dat geldig is voor het besturen van een
motorrijtuig als waarmee wordt gereden;
g. motorrijtuigen, anders dan bromfietsen, indien die
bestuurders in Nederland woonachtig zijn en aan hen door het
daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan in een
andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een
andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland, een rijbewijs is
afgegeven dat geldig is voor het besturen van een motorrijtuig
als waarmee wordt gereden, zo lang sedert de dag waarop zij
zich in Nederland hebben gevestigd, nog geen 185 dagen zijn
verstreken;
h. motorrijtuigen, indien die bestuurders in Nederland
woonachtig zijn en aan hen door het daartoe bevoegde gezag in
een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een
andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland, een rijbewijs is
afgegeven dat geldig is voor het besturen van een motorrijtuig
als waarmee wordt gereden, gedurende de periode die is gelegen
tussen de datum van vestiging van die bestuurders in Nederland
en de datum waarop sedert de datum van afgifte van dat
rijbewijs tien jaren zijn verstreken dan wel, indien die
periode korter is dan een jaar, gedurende een jaar vanaf het
moment van vestiging van die bestuurders in Nederland;
i. bromfietsen, indien:
1°. die bestuurders buiten Nederland woonachtig zijn
en zij zich bevinden in het internationaal verkeer;
2°. die bestuurders die afkomstig zijn uit een Staat
anders dan een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen, een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland en die in Nederland woonachtig zijn, zo lang
sedert de dag waarop zij zich in Nederland hebben
gevestigd, nog geen 185 dagen zijn verstreken;
3°. die bestuurders die afkomstig zijn uit een andere
Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen, een andere Staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland en in Nederland
woonachtig zijn, en die niet beschikken over een rijbewijs
dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van
motorrijtuigen van een andere categorie dan bromfietsen,
zolang sedert de dag waarop zij zich in Nederland hebben
gevestigd, nog geen 185 dagen zijn verstreken.
2. Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld
ter uitvoering van de in het eerste lid, onderdelen b en c,
bedoelde algemene maatregel van bestuur.
Artikel 108a [Vervallen per 01-06-1996]
Artikel 108b [Vervallen per 01-06-1996]
Artikel 108c [Vervallen per 01-06-1996]
Artikel 109 [Vervallen per 29-12-2004]
Artikel 110
1. Motorrijtuigen mogen slechts worden bestuurd door personen
die de leeftijd van achttien jaren of, voor zover het betreft
motorrijtuigen, al dan niet met aanhangwagen, die zijn ingericht
voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder
daaronder niet begrepen, de leeftijd van eenentwintig jaren hebben
bereikt.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan een lagere
minimumleeftijd dan die in het eerste lid genoemd, worden
vastgesteld voor het besturen van bromfietsen,
gehandicaptenvoertuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en
motorrijtuigen met beperkte snelheid, niet zijnde stoom- en
motorwalsen.
3. Het eerste lid geldt niet voor degene aan wie rijonderricht
wordt gegeven in het kader van een opleiding voor
beroepschauffeur, mits is voldaan aan de bij algemene maatregel
van bestuur gestelde voorwaarden.
Afdeling 2. Eisen ten aanzien van het geven van rijonderricht
Artikel 110a
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden eisen vastgesteld
met betrekking tot motorrijtuigen waarmee:
a. rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht
motorrijtuigen 1993 wordt gegeven;
b. in het kader van een door of vanwege de overheid
ingesteld onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid een
rijproef wordt afgelegd.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels ter
uitvoering van het eerste lid worden vastgesteld.
Artikel 110b
1. Het is degene die rijonderricht in de zin van de Wet
rijonderricht motorrijtuigen 1993 geeft, verboden zodanig
rijonderricht te geven indien:
a. het motorrijtuig waarmee rijonderricht wordt gegeven,
niet voldoet aan de daaraan ingevolge artikel 110a gestelde
eisen;
b. degene aan wie rijonderricht wordt gegeven, de leeftijd
van achttien jaren of, voor zover het betreft motorrijtuigen,
al dan niet met aanhangwagen, die zijn ingericht voor het
vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder
niet begrepen, de leeftijd van eenentwintig jaren, dan wel,
voor zover het bromfietsen betreft, de leeftijd van zestien
jaren nog niet heeft bereikt;
c. niet wordt voldaan aan de overigens bij algemene
maatregel van bestuur ten aanzien van het geven van
rijonderricht gestelde eisen.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, geldt niet voor zover
het rijonderricht betreft dat plaatsvindt in het kader van een
opleiding voor beroepschauffeur, mits is voldaan aan de bij
algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden.
Afdeling 3. Algemene voorwaarden met betrekking tot de
verkrijging van rijbewijzen
Artikel 111
1. Een rijbewijs wordt op aanvraag en tegen betaling van het
daarvoor vastgestelde tarief, slechts afgegeven aan degene die:
a. de leeftijd van achttien jaren of, voor zover het
betreft een rijbewijs voor het besturen van motorrijtuigen, al
dan niet met aanhangwagen, die zijn ingericht voor het vervoer
van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet
begrepen, de leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt,
dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op afgifte van
een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van bromfietsen,
de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt en
b. blijkens een overeenkomstig bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid
ingesteld onderzoek dan wel blijkens een eerder aan hem
afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe bevoegde gezag
buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat voldoet aan de bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt
over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid,
dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op afgifte van
een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van bromfietsen,
over een voldoende mate van rijvaardigheid.
2. De aanvrager van een rijbewijs dient zich zowel bij de
indiening van de aanvraag als bij de uitreiking van het rijbewijs
te identificeren met een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van de
Wet op de identificatieplicht, een geldig rijbewijs, dan wel een
eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft
verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. Degene ten
aanzien van wie een onderzoek als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, wordt ingesteld, dient zich te identificeren met een
op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de
identificatieplicht, een geldig rijbewijs dan wel een eerder aan
hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door
het verstrijken van de geldigheidsduur.
3. Aan degene die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet
2000 is, en geen onderdaan van een Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen of een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, wordt een rijbewijs slechts afgegeven indien hij
rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder
a tot en met d en l van die wet. Voor de uitvoering hiervan is de
korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht aan
degene die is belast met de afgifte van het rijbewijs, kosteloos
de noodzakelijke opgaven en inlichtingen te verstrekken.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
ter uitvoering van het eerste lid, onderdeel b.
5. In de gevallen waarin het rijbewijs overeenkomstig artikel
116 wordt afgegeven door de burgemeester dan wel de aanvraag
overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 113, eerste lid,
wordt ingediend bij de burgemeester, wordt het in het eerste lid
bedoelde tarief vastgesteld bij plaatselijke verordening. In de
overige gevallen worden het tarief en de wijze van betaling
daarvan vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.
6. Voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van het onderzoek
naar de rijvaardigheid en geschiktheid, bedoeld in het eerste lid,
onder b, worden door het met dat onderzoek belaste gezag
persoonsgegevens betreffende iemands rijvaardigheid en gezondheid
verwerkt.
Artikel 112
1. Onverminderd artikel 111 wordt een rijbewijs niet afgegeven
aan degene:
a. aan wie de bevoegdheid tot het besturen van
motorrijtuigen is ontzegd, voor de duur van de ontzegging;
b. van wie ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of
164 de overgifte van dat bewijs is gevorderd dan wel wiens
rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is
teruggegeven;
c. ten aanzien van wie ingevolge artikel 131, tweede lid,
onderdeel a, de geldigheid van het rijbewijs is geschorst,
voor de categorie of categorieën van motorrijtuigen waarop de
schorsing betrekking heeft, voor de duur van de schorsing;
d. van wie ingevolge de Wet administratiefrechtelijke
handhaving verkeersvoorschriften de inlevering van het
rijbewijs is gevorderd dan wel wiens rijbewijs krachtens die
wet is ingenomen, of
e. van wie is gebleken dat die houder is van een rijbewijs,
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere
Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere
Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland, tenzij de afgifte
van een rijbewijs plaatsvindt tegen overlegging van dat
rijbewijs.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen b, c en d,
wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door
het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in
Nederland woonachtig is.
Afdeling 4. Aanvraag van rijbewijzen
Artikel 113
1. De aanvraag van een rijbewijs dient te geschieden
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels.
2. Degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen,
verschaft zich de nodige zekerheid over de identiteit van de
aanvrager. Hij is bevoegd te vorderen dat de aanvrager op een door
hem te bepalen plaats en tijd persoonlijk verschijnt voor een door
hem aangewezen persoon.
3. Degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen
vergewist zich ervan dat de bij de aanvraag van een rijbewijs over
te leggen bescheiden aan de daaraan gestelde eisen voldoen en dat
ook overigens aan de met betrekking tot de aanvraag gestelde
voorwaarden wordt voldaan.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
ter uitvoering van het eerste tot en met het derde lid.
Artikel 114
Het is verboden voor het verkrijgen van een rijbewijs opzettelijk
onjuiste opgaven te doen, onjuiste inlichtingen te verschaffen en
onjuiste bewijsstukken en andere bescheiden over te leggen.
Artikel 115
1. Degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen, en die
in het kader van de aanvraag of de uitreiking van een nieuw
rijbewijs of een vervangend rijbewijs de beschikking krijgt over
een rijbewijs waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid,
of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de
inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der
artikelen 120, derde lid, 123b, vierde lid, 124, vierde lid, 131
tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid, 134,
vierde lid, of 180, derde lid, van deze wet een verplichting tot
inlevering bestaat, is bevoegd dat rijbewijs in te nemen en het
door te begeleiden naar het betrokken parket van het openbaar
ministerie dan wel naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had
dienen in te leveren.
2. Degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen, en die
in het kader van de aanvraag of de uitreiking van een nieuw
rijbewijs of een vervangend rijbewijs de beschikking krijgt over
een rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren ingevolge artikel
123, eerste lid, aanhef en onderdeel d, of artikel 123b is bevoegd
dat rijbewijs in te nemen en door te geleiden naar degene bij wie
de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.
3. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt
onder een rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door
het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld
ter uitvoering van het eerste en het tweede lid.
Afdeling 5. Afgifte van rijbewijzen
Artikel 116
1. Een rijbewijs wordt overeenkomstig bij algemene maatregel
van bestuur vastgestelde regels afgegeven door de burgemeester van
de gemeente waar de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag als
ingezetene was ingeschreven in de basisadministratie
persoonsgegevens of, in de bij algemene maatregel van bestuur
bepaalde gevallen, door de Dienst Wegverkeer.
2. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen mede betrekking
hebben op de bestelling, het transport en de beveiliging van
rijbewijzen, de met betrekking tot de afgifte van rijbewijzen te
voeren administratie en de in het kader van de afgifteprocedure te
treffen beveiligingsmaatregelen. Bij ministeriële regeling kunnen
ter uitvoering van die regels nadere regels worden vastgesteld.
Artikel 117
De burgemeester van de gemeente waar de aanvrager op het tijdstip
van de aanvraag als ingezetene was ingeschreven in de
basisadministratie persoonsgegevens, is bevoegd tot het afgeven van
internationale rijbewijzen ten behoeve van het verkeer met
motorrijtuigen in het buitenland. Gelijke bevoegdheid kan door Onze
Minister worden verleend aan besturen van verenigingen met volledige
rechtsbevoegdheid, die behartiging van verkeersbelangen ten doel
hebben.
Artikel 118
1. Een rijbewijs wordt afgegeven voor het besturen van een of
meer in dat bewijs aangeduide categorieën van motorrijtuigen.
2. De categorieën worden vastgesteld bij algemene maatregel
van bestuur.
3. De uit de categorieën voortvloeiende bevoegdheden kunnen
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels worden beperkt door het stellen van eisen aan het
motorrijtuig of aan de bestuurder daarvan. Deze eisen kunnen mede
omvatten het opleggen van de verplichting tot deelname aan het
alcoholslotprogramma. In dat geval is het gestelde bij of
krachtens deartikelen 129a tot en met 129e, 132 en 132b tot en met
132o van overeenkomstige toepassing.
4. Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld
met betrekking tot de wijze waarop beperkingen als bedoeld in het
derde lid worden aangegeven in het rijbewijs.
Artikel 118a
Als datum van afgifte wordt in het rijbewijs en in het
rijbewijzenregister vermeld de datum waarop het besluit tot afgifte
is genomen.
Artikel 119
1. Degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen geeft
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels een nieuw rijbewijs af:
a. bij vernieuwing van het eerder aan de aanvrager
afgegeven rijbewijs;
b. bij wijziging van de omvang van de uit het eerder
afgegeven rijbewijs voortvloeiende bevoegdheden, met
uitzondering van de in artikel 131, tweede lid, onderdeel a,
bedoelde schorsing van de geldigheid;
c. bij wijziging van de personalia van de houder;
d. na ongeldigverklaring van het eerder afgegeven rijbewijs
op grond van artikel 124, eerste lid, onderdeel e, of 132b,
tweede lid;
e. in geval het eerder afgegeven rijbewijs versleten of
geheel of ten dele onleesbaar is;
f. in geval het eerder afgegeven rijbewijs verloren is
geraakt of teniet is gegaan.
2. Het nieuwe rijbewijs wordt niet afgegeven dan nadat het
eerder afgegeven rijbewijs waarvoor het wordt afgegeven, is
ingeleverd bij degene die is belast met de afgifte van het nieuwe
rijbewijs.
3. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt
onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het
daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
4. Indien de houder van een verloren geraakt rijbewijs waarvoor
een nieuw rijbewijs is afgegeven, na de afgifte van het nieuwe
rijbewijs weer in het bezit komt van dat verloren geraakte
rijbewijs, dient hij dat rijbewijs in te leveren bij degene die
het nieuwe rijbewijs heeft afgegeven.
5. Het eerste lid, aanhef, onderdelen e en f, gelden niet in
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde gevallen.
Artikel 120
1. Degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen geeft
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels een vervangend rijbewijs af voor:
a. versleten of geheel of ten dele onleesbare rijbewijzen
buiten de gevallen waarin daarvoor ingevolge artikel 119 een
nieuw rijbewijs wordt afgegeven;
b. verloren geraakte of tenietgegane rijbewijzen buiten de
gevallen waarin daarvoor ingevolgeartikel 119 een nieuw
rijbewijs wordt afgegeven.
2. Het vervangende rijbewijs treedt in de plaats van het eerder
afgegeven rijbewijs en wordt niet afgegeven dan nadat het
versleten of geheel of ten dele onleesbaar geworden rijbewijs
waarvoor het wordt afgegeven, is ingeleverd bij degene die belast
is met de afgifte van het vervangende rijbewijs.
3. Indien de houder van een verloren geraakt rijbewijs waarvoor
een vervangend rijbewijs is afgegeven, na de afgifte van het
vervangende rijbewijs weer in het bezit komt van dat verloren
geraakte rijbewijs, dient hij dat rijbewijs in te leveren bij
degene die het vervangende rijbewijs heeft afgegeven.
4. Voor de toepassing van het eerste tot en met het derde lid
wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door
het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 120a
1. Het nieuwe of vervangende rijbewijs wordt niet uitgereikt
indien zich tussen de aanvraag en de uitreiking één van de
gevallen als bedoeld in artikel 112, eerste lid, heeft voorgedaan,
maar blijft bij degene die is belast met de afgifte van
rijbewijzen.
2. Het wordt niet uitgereikt indien tussen de aanvraag en de
uitreiking omstandigheden bekend zijn geworden die, indien zij
bekend waren geweest bij de aanvraag ertoe hadden geleid dat geen
besluit van afgifte was genomen. Het nieuwe of vervangende
rijbewijs blijft bij degene die is belast met de afgifte van
rijbewijzen.
Artikel 121
1. De gemeenten zijn ter zake van de afgifte van rijbewijzen
door de burgemeester en de afgifte van rijbewijzen door de Dienst
Wegverkeer, waarvoor de aanvraag bij de burgemeester is ingediend,
een bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding aan de
Dienst Wegverkeer verschuldigd ter zake van de kosten die verband
houden met de productie en aflevering van rijbewijzen alsmede het
attenderen van de houders van een rijbewijs op het verloop van de
geldigheidsduur door de Dienst Wegverkeer, het beheer en de
instandhouding van het rijbewijzenregister, het verstrekken van
gegevens uit dat register aan de in artikel 127, eerste en tweede
lid, bedoelde autoriteiten, het ongeldig verklaren van rijbewijzen
door de Dienst Wegverkeer, de kosten die verband houden met de
afgifte van rijbewijzen door de Dienst Wegverkeer, waarvoor de
aanvraag bij de burgemeester is ingediend alsmede terzake van de
kosten die verband houden met het registreren van getuigschriften
als bedoeld in artikel 151c, eerste lid, en met de registratie van
certificaten als bedoeld in artikel 151g, vierde lid.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld
met betrekking tot de wijze van afdracht van de vergoeding.
Afdeling 6. Geldigheidsduur
Artikel 122
1. Behoudens artikel 123 of123b is een rijbewijs, afgegeven aan
een aanvrager die de leeftijd van
a. 60 jaren nog niet heeft bereikt, geldig voor de duur van
tien achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de in het
rijbewijs vermelde datum van afgifte;
b. 60 jaren doch nog niet die van 65 jaren heeft bereikt,
geldig vanaf de in het rijbewijs vermelde datum van afgifte
tot de dag waarop hij de leeftijd van 70 jaren bereikt;
c. 65 jaren heeft bereikt, geldig voor de duur van vijf
achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de in het rijbewijs
vermelde datum van afgifte.
2. In afwijking van het eerste lid is een rijbewijs, afgegeven
aan degene die naar verwachting op grond van zijn lichamelijke of
geestelijke geschiktheid voor een beperkte termijn geschikt zal
zijn voor het besturen van motorrijtuigen, geldig vanaf de in het
rijbewijs vermelde datum van afgifte tot de dag waarop de termijn
waarvoor de houder naar verwachting geschikt zal zijn voor het
besturen van motorrijtuigen, verstrijkt.
Afdeling 7. Verlies van geldigheid
Artikel 123
1. Onverminderd de artikelen 122 en 131, tweede lid, verliest
een rijbewijs zijn geldigheid:
a. door uitreiking van een nieuw of vervangend rijbewijs;
b. door omwisseling tegen een rijbewijs dat aan de houder
door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland is afgegeven,
voor de categorie of categorieën van motorrijtuigen waarop de
omwisseling betrekking heeft;
c. gedurende de tijd dat aan de houder de bevoegdheid tot
het besturen van motorrijtuigen is ontzegd;
d. door het onbevoegd daarin aanbrengen van wijzigingen;
e. door het overlijden van de houder;
f. door ongeldigverklaring, voor de categorie of
categorieën waarop de ongeldigverklaring betrekking heeft dan
wel, indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op een deel
van de geldigheidsduur, voor dat deel van de geldigheidsduur;
g. door wijziging van de geslachtsnaam, de voornamen, de
plaats of datum van geboorte of het geslacht van de houder of
h. door aangifte van vermissing van het rijbewijs.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef, wordt onder
rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe
bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 123a
Een nieuw of vervangend rijbewijs verliest zijn geldigheid indien
het drie maanden na de datum waarop het besluit tot afgifte is
genomen niet is uitgereikt.
Artikel 123b
1. Onverminderd de artikelen 123, eerste lid, en 123a verliest
een rijbewijs zijn geldigheid voor alle categorieën waarvoor het
is afgegeven en voor de resterende duur van de geldigheid, indien
de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak als
bestuurder van een motorrijtuig is veroordeeld wegens overtreding
van:
a. artikel 6, voor zover de schuldige verkeerde in de
toestand, bedoeld in artikel 8, tweede, derde of vierde lid,
en het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger
blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde
lucht dan wel het alcoholgehalte van zijn bloed bij een
onderzoek hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per
milliliter bloed, dan wel voor zover de schuldige na het feit
niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel
163, tweede, zesde, achtste of negende lid;
b. artikel 8, tweede, derde of vierde lid, indien het
alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te
zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht dan
wel het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger
blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed;
c. artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid,
een en ander voor zover ten tijde van het begaan van het
strafbare feit nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de
houder als bestuurder van een motorrijtuig onherroepelijk is
veroordeeld wegens overtreding van
1. artikel 6, voor zover de schuldige verkeerde in de
toestand, bedoeld in artikel 8, tweede, derde of vierde
lid, dan wel voor zover de schuldige na het feit niet
heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel
163, tweede, zesde, achtste of negende lid;
2. artikel 8, tweede, derde of vierde lid, of
3. artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een
strafbeschikking met een veroordeling gelijkgesteld.
3. Indien een rijbewijs dat op grond van het eerste lid
ongeldig zou zijn, reeds eerder zijn geldigheid heeft verloren,
plaatst de officier van justitie een aantekening in het
rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag
van een nieuw rijbewijs op bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij beschikt over de
rijvaardigheid en de lichamelijke en geestelijke geschiktheid die
is vereist voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie
of categorieën waarop de door de houder overgelegde aanvraag
betrekking heeft.
4. De houder van een rijbewijs dat op grond van dit artikel
ongeldig is of ten aanzien waarvan een aantekening is geplaatst
als bedoeld in het derde lid dient dat rijbewijs, voor zover
inlevering niet reeds heeft plaatsgevonden op grond van een ander
artikel, in te leveren bij de Dienst Wegverkeer.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder rijbewijs
mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde
gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig
is.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 124
1. Onverminderd de artikelen 132, tweede lid,132b, tweede lid,
en 134, vierde lid, wordt een rijbewijs overeenkomstig bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels voor een of
meer categorieën van motorrijtuigen of voor een deel van de
geldigheidsduur ongeldig verklaard indien:
a. het rijbewijs is afgegeven op grond van door de houder
verschafte onjuiste gegevens en het niet zou zijn afgegeven
indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de
aanvraag bekend zou zijn geweest;
b. na afgifte van het rijbewijs blijkt dat het kennelijk
abusievelijk aan de houder is afgegeven;
c. de houder een schriftelijke verklaring overlegt, waarin
hij afstand doet van de bevoegdheid tot het besturen van een
of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs
is afgegeven;
d. de houder blijkens een op diens verzoek uitgevoerd
onderzoek niet langer beschikt over de lichamelijke of
geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van
motorrijtuigen van de categorie of categorieën waarop het
onderzoek betrekking heeft, voor die categorie of categorieën
en, indien bij dat onderzoek blijkt dat hij tevens niet
beschikt over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die
is vereist voor het besturen van motorrijtuigen van een andere
categorie of andere categorieën dan waarop het onderzoek
betrekking heeft, tevens voor die andere categorie of
categorieën;
e. het als gevonden voorwerp is ontvangen en teruggave aan
de houder niet mogelijk is gebleken, mits de houder nog geen
aanvraag voor een vervangend rijbewijs heeft ingediend.
2. De ongeldigverklaring geschiedt:
a. in de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde
gevallen door de Dienst Wegverkeer, indien de
ongeldigverklaring betrekking heeft op een door deze dienst of
een door Onze Minister afgegeven rijbewijs;
b. in de in het eerste lid, onderdelen d en e, bedoelde
gevallen door de Dienst Wegverkeer, indien de
ongeldigverklaring betrekking heeft op een rijbewijs,
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere
Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere
Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder
in Nederland woonachtig is;
c. in de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde
gevallen door degene die is belast met de afgifte van
rijbewijzen, indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op
een rijbewijs dat niet is afgegeven door de Dienst Wegverkeer
of door Onze Minister, dan wel door het daartoe bevoegde gezag
in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in
een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
d. in het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde geval
I. indien de verklaring wordt overgelegd door een
houder die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid,
onderdeel c, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een
onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid, door
het CBR;
II. buiten de gevallen waarin de verklaring wordt
overgelegd door een houder die zich ingevolge het in
artikel 131, eerste lid, onderdeel c, bedoelde besluit
dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn
rijvaardigheid of geschiktheid, door degene die is belast
met de afgifte van rijbewijzen, indien de
ongeldigverklaring betrekking heeft op een rijbewijs dat
niet is afgegeven door de Dienst Wegverkeer of door Onze
Minister dan wel door de Dienst Wegverkeer, indien de
ongeldigverklaring betrekking heeft op een door deze
dienst of een door Onze Minister afgegeven rijbewijs;
e. in de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde gevallen
door het CBR;
f. in het in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde geval
door degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen,
indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op een rijbewijs
dat niet is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een
andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een
andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
3. De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de
zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan
de houder van het rijbewijs is bekend gemaakt.
4. De houder van het ongeldig verklaarde rijbewijs dient dat
rijbewijs zodra de ongeldigverklaring van kracht is geworden, in
te leveren bij degene die het ongeldig heeft verklaard.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld omtrent de wijze waarop de inlevering van ongeldig
verklaarde rijbewijzen dient plaats te vinden.
6. Indien het rijbewijs dat voor ongeldigverklaring op grond
van het eerste lid, onderdeel c, in aanmerking komt, zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur, plaatst degene die ingevolge het tweede lid is
belast met de ongeldigverklaring:
a. in het in het tweede lid, onderdeel d, aanhef en onder
I, bedoelde geval een aantekening in het rijbewijzenregister
waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw
rijbewijs op de bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij, al naar gelang
de aard van het onderzoek waarop het in artikel 131, eerste
lid, onderdeel c, bedoelde besluit betrekking heeft, beschikt
over de rijvaardigheid, de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid dan wel de rijvaardigheid en de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van
motorrijtuigen van de categorie of categorieën waarop de door
de houder overgelegde verklaring betrekking heeft;
b. in het in het tweede lid, onderdeel d, aanhef en onder
II, bedoelde geval een aantekening in het rijbewijzenregister
waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw
rijbewijs op de bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij beschikt over de
rijvaardigheid en de lichamelijke en geestelijke geschiktheid
die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen van de
categorie of categorieën waarop de door de houder overgelegde
verklaring betrekking heeft.
7. Indien het rijbewijs dat voor ongeldigverklaring op grond
van het eerste lid, onderdeel d, in aanmerking komt, zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur, plaatst degene die ingevolge het tweede lid is
belast met de ongeldigverklaring, een aantekening in het
rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag
van een nieuw rijbewijs op de bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij beschikt over de
lichamelijke en geestelijke geschiktheid die is vereist voor het
besturen van motorrijtuigen van de categorie of categorieën
waarop het onderzoek betrekking heeft.
8. Indien bij het op grond van het eerste lid, onderdeel d,
uitgevoerde onderzoek is gebleken dat de resterende
geldigheidsduur van het rijbewijs korter is dan de termijn
waarvoor de houder blijkens het onderzoek naar verwachting
geschikt zal zijn voor het besturen van motorrijtuigen, plaatst
het CBR een aantekening in het rijbewijzenregister waaruit blijkt
dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te
tonen dat hij beschikt over de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen
van de categorie of categorieën waarop het onderzoek betrekking
heeft.
9. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdelen
c, d en e, het derde tot en met het achtste lid wordt onder
rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe
bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 124a
1. Een overeenkomstig artikel 151g, derde lid, op het rijbewijs
vermeld getuigschrift van vakbekwaamheid of getuigschrift van
nascholing en een in artikel 151g, vierde lid, bedoeld
certificaat, kan door de instantie die het getuigschrift
onderscheidenlijk het certificaat heeft afgegeven ongeldig worden
verklaard indien na afgifte blijkt dat:
a. het getuigschrift onderscheidenlijk het certificaat is
afgegeven op grond van door de houder verschafte onjuiste
gegevens en het niet zou zijn afgegeven indien de onjuistheid
van die gegevens ten tijde van de afgifte bekend zou zijn
geweest;
b. het getuigschrift onderscheidenlijk het certificaat
kennelijk abusievelijk aan de houder is afgegeven.
2. De ongeldigverklaring van het getuigschrift of certificaat
is van kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het
besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het getuigschrift
onderscheidenlijk het certificaat is bekend gemaakt.
3. Zodra de ongeldigverklaring van een getuigschrift of van een
certificaat van kracht is geworden, levert de houder van een
getuigschrift het rijbewijs in bij de instantie die belast is met
de afgifte van rijbewijzen en levert de houder van een certificaat
dat document in bij de instantie die het ongeldig heeft verklaard.
4. Onverminderd het eerste lid en artikel 151g, vierde lid,
verliest het certificaat zijn geldigheid:
a. door het onbevoegd daarin aanbrengen van wijzigingen, of
b. door het overlijden van de houder.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van bekendmaking van
de ongeldigverklaring van een getuigschrift of certificaat, de
vernieuwing van rijbewijzen na ongeldigverklaring van het daarop
vermelde getuigschrift en omtrent de wijze van inlevering van een
ongeldig verklaard certificaat.
Artikel 125
1. Indien het rijbewijs niet voor alle categorieën waarvoor
het is afgegeven, ongeldig is verklaard dan wel indien de
ongeldigverklaring betrekking heeft op een deel van de
geldigheidsduur, wordt door degene die is belast met de afgifte
van rijbewijzen een nieuw rijbewijs afgegeven dat geldig is voor
de categorie of categorieën of voor dat deel van de
geldigheidsduur waarop de ongeldigverklaring geen betrekking
heeft.
2. Indien de ongeldigverklaring verband houdt met de noodzaak
de rijbevoegdheid die voortvloeit uit een of meer categorieën
waarvoor het rijbewijs is afgegeven, te beperken door het stellen
van eisen aan het motorrijtuig of aan de bestuurder daarvan, wordt
door degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen een nieuw
rijbewijs afgegeven waarin de noodzakelijk geachte beperkingen ten
aanzien van de rijbevoegdheid zijn aangeduid met een bij
ministeriële regeling vastgestelde codering.
3. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt
onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het
daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Afdeling 8. Registratie van gegevens met betrekking tot
rijbewijzen
Artikel 126
1. De Dienst Wegverkeer houdt een register betreffende de
afgifte van rijbewijzen.
2. In het kader van het register verwerkt de Dienst Wegverkeer
gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor een
goede uitvoering van deze wet en voor de handhaving van de bij of
krachtens deze wet vastgestelde voorschriften, omtrent:
a. de rijvaardigheid en geschiktheid van de aanvrager;
b. de aanvraag van rijbewijzen;
c. afgegeven rijbewijzen;
d. de op het rijbewijs te vermelden getuigschriften van
vakbekwaamheid en getuigschriften van nascholing;
e. afgegeven certificaten als bedoeld in artikel 151g,
vierde lid;
f. ontzeggingen van de bevoegdheid tot het besturen van
motorrijtuigen, alsmede de uitvoering van artikel 123b;
g. een opgelegd alcoholslotprogramma;
h. de gezondheid van de aanvrager.
3. Het verzamelen van gegevens als bedoeld in het tweede lid,
geschiedt voor de volgende doeleinden:
a. voor een goede uitvoering van deze wet en
b. voor de handhaving van de bij of krachtens deze wet
vastgestelde voorschriften.
4. De Dienst Wegverkeer mag strafrechtelijke gegevens, gegevens
ter vaststelling van mogelijk strafbaar gedrag en gegevens over
onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd
verbod naar aanleiding van dat gedrag, verwerken voor zover dit
verband houdt met de in het derde lid genoemde doeleinden.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
vastgesteld omtrent de inrichting en het beheer van het register.
6. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rijbewijs
mede verstaan een rijbewijs afgegeven door het daartoe bevoegde
gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig
is.
Artikel 127
1. Aan autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van
deze wet of die zijn belast met de handhaving van de bij of
krachtens deze wet vastgestelde voorschriften, worden op de door
de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze uit het register desgevraagd
de gegevens verstrekt die zij voor de uitoefening van hun taak
behoeven.
2. Aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van een andere
wet dan deze wet of zijn belast met de handhaving van de bij of
krachtens een andere wet dan deze wet gestelde voorschriften,
worden in de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
gevallen op de door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze
desgevraagd de gegevens verstrekt die zij voor de uitoefening van
hun taak behoeven.
3. Aan de met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten
buiten Nederland worden in de bij algemene maatregel van bestuur
te bepalen gevallen op de door de Dienst Wegverkeer te bepalen
wijze en tegen betaling van het door deze dienst vastgestelde
tarief, inlichtingen uit het register verstrekt.
4. De autoriteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn
bevoegd tot het invoeren, wijzigen en verwijderen van de bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens die van belang
zijn voor het bijhouden van het register.
Artikel 128
1. Aan belanghebbenden kunnen, overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels, op aanvraag en tegen
betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst voor de behandeling van de aanvraag
vastgestelde tarief, uit het register gegevens worden verstrekt.
2. Aan andere belanghebbenden dan degenen omtrent wie gegevens
in het register zijn opgenomen, worden slechts gegevens verstrekt
omtrent de afgifte en de geldigheid van rijbewijzen.
3. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het
verstrekken van gegevens aan belanghebbenden niet of slechts tot
een beperkt aantal of in beperkte vorm of omvang geschiedt.
Artikel 129
De Dienst Wegverkeer stelt ten aanzien van het verwerken van
gegevens als bedoeld in artikel 126, tweede lid, een reglement vast.
Afdeling 8a. Registratie van gegevens in verband met de oplegging
van een alcoholslotprogramma
Artikel 129a
1. De Dienst Wegverkeer houdt een register betreffende gegevens
inzake het alcoholslotprogramma. Onder gegevens worden mede
begrepen persoonsgegevens of bijzondere persoonsgegevens.
2. Het verzamelen van gegevens als bedoeld in artikel 129 c,
eerste lid, geschiedt voor de volgende doeleinden:
a. een goede en adequate uitvoering van deze wet, voor
zover het gaat om het alcoholslotprogramma;
b. de handhaving van bij of krachtens deze wet vastgestelde
voorschriften, voor zover het gaat om het alcoholslotprogramma.
Artikel 129b
Ten aanzien van de verwerkingen ten behoeve van het
alcoholslotregister is de Dienst Wegverkeer de verantwoordelijke in
de zin van artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming
persoonsgegevens.
Artikel 129c
1. In het alcoholslotregister worden de volgende gegevens
verwerkt:
a. gegevens betreffende de oplegging van een
alcoholslotprogramma aan de betrokken rijbewijshouder;
b. gegevens betreffende de erkenninghouder, bedoeld in
artikel 132k, eerste lid, alsmede de persoon door wie de in
dat lid bedoelde werkzaamheden zijn verricht;
c. het kenteken van het motorrijtuig waarin een alcoholslot
is ingebouwd;
d. gegevens betreffende het inbouwen, het uitlezen, het
testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen en het
verwijderen van het alcoholslot;
e. gegevens betreffende de betaling van de kosten verbonden
aan het alcoholslotprogramma;
f. gegevens voortvloeiende uit de periodieke uitlezing van
het alcoholslot.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
nadere regels gesteld omtrent de inrichting en het beheer van het
register.
Artikel 129d
1. Aan autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van
deze wet of zijn belast met de handhaving van de bij of krachtens
deze wet vastgestelde voorschriften, voor zover het het
alcoholslotprogramma betreft, worden op door de Dienst Wegverkeer
bepaalde wijze de gegevens verstrekt die zij voor de uitvoering
van hun taak behoeven.
2. De autoriteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn op bij
algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze bevoegd tot het
invoeren, wijzigen dan wel verwijderen van de bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen gegevens die van belang zijn voor
het bijhouden van het register.
Artikel 129e
De Dienst Wegverkeer stelt ten aanzien van het verwerken van
gegevens als bedoeld in artikel 129c, eerste lid, een reglement
vast.
Afdeling 9. Maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid
§ 1. Algemeen
Artikel 130
1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs
niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de
lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het
besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor
dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk
schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten
en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij
ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden
aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en
worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere
regels vastgesteld.
2. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a,
bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten
aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid
bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs.
3. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt gedaan indien
de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar
kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient
te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer
categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is
afgegeven, aan het verkeer deel te nemen. Bij ministeriële
regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.
De in het tweede lid bedoelde vordering wordt tevens gedaan in bij
ministeriële regeling aangegeven gevallen van overtreding van de
voorwaarden van deelname aan het alcoholslotprogramma. Het
ingevorderde rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke
mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan het CBR toegezonden.
4. In geval van toepassing van het tweede lid kan het
motorrijtuig, voor zover geen andere bestuurder beschikbaar is of
de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering, onder
toezicht of, voor zover degene die de vordering heeft gedaan,
zulks nodig oordeelt, in bewaring worden gesteld. In het laatste
geval zijn de artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin,
vierde en vijfde lid, 171, 172 en 173, eerste lid, van deze wet en
de artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124, 5:10, 5:25, eerste en
zesde lid, 5:29, tweede en derde lid, 5:30, eerste, tweede, vierde
en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing. Teruggave van het motorrijtuig vindt
slechts plaats, indien aan de vordering is voldaan.
5. Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid wordt
onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het
daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in
Nederland woonachtig is.
Artikel 131
1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel
130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij
ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering
van de rijvaardigheid of geschiktheid,
b. oplegging van een alcoholslotprogramma, of
c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.
Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen
vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.
2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:
a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de
geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer
categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop
het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit
van kracht wordt;
b. indien de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene
overeenkomstig onderdeel a wordt geschorst, en diens rijbewijs
niet overeenkomstig artikel 130, derde lid, is ingevorderd,
bepaald dat betrokkene zijn rijbewijs dient in te leveren bij
het CBR;
c. indien de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene
niet overeenkomstig onderdeel a, wordt geschorst, doch diens
rijbewijs wel overeenkomstigartikel 130, derde lid, is
ingevorderd, bepaald dat het rijbewijs onverwijld aan
betrokkene wordt teruggegeven.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
ter uitvoering van het eerste lid.
4. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rijbewijs
mede verstaan een rijbewijs afgegeven door het daartoe bevoegde
gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig
is.
Artikel 132
1. Behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
uitzonderingen is diegene verplicht zijn medewerking te verlenen
aan de opgelegde maatregel, die zich:
a. ingevolgeartikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a,
dient te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter
bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,
b. krachtensartikel 118, derde lid, of ingevolge de
artikelen 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 134,
zevende lid, onderdeel a, dient te onderwerpen aan een
alcoholslotprogramma, of
c. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel
c, dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de
rijvaardigheid of geschiktheid.
2. Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking
besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het
rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke
categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het
rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft.
Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen
sprake is van het niet verlenen van medewerking. Als het niet
verlenen van de vereiste medewerking wordt mede aangemerkt het
niet voldoen van de kosten verbonden aan het huren of kopen, het
inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het
onderhouden en het verwijderen van het alcoholslot op de in het
huur-dan wel koopcontract van het alcoholslot aangegeven wijze of
binnen de in dat huur- dan wel koopcontract aangegeven termijn of
termijnen, alsmede het niet voldoen van de kosten binnen de
termijn of termijnen die is of zijn aangegeven bij het besluit
waarbij de verplichting tot een van de hierna genoemde maatregelen
is opgelegd, of het niet voldoen van de kosten op de in dat
besluit aangegeven wijze, van:
a. de bij ministeriële regeling aangewezen educatieve
maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of
geschiktheid,
b. het alcoholslotprogramma, of
c. het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid,
indien deze kosten op grond vanartikel 133, vierde lid, voor
rekening van betrokkene komen.
3. Het CBR doet van het besluit mededeling aan bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen personen of instanties.
4. De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de
zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan
de houder van het rijbewijs is bekend gemaakt.
5. De houder van het ongeldig verklaarde rijbewijs dient dat
rijbewijs, zodra de ongeldigverklaring van kracht is geworden, in
te leveren bij het CBR, ook indien de ongeldigverklaring niet alle
categorieën betreft waarvoor het rijbewijs geldig was.
6. Indien het rijbewijs dat voor ongeldigverklaring op grond
van het tweede lid in aanmerking komt, zijn geldigheid heeft
verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, plaatst het
CBR een aantekening in het rijbewijzenregister waaruit blijkt dat
de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te
tonen dat hij, al naar gelang de aard van het onderzoek waarop het
in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit betrekking heeft,
beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van
motorrijtuigen van de categorie of categorieën waarop dat besluit
betrekking heeft.
7. Voor de toepassing van het tweede, vijfde en zesde lid wordt
onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het
daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in
Nederland woonachtig is.
§ 2. Educatieve maatregelen ter bevordering van de
rijvaardigheid of geschiktheid
Artikel 132a
1. In de inartikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a,
bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde
besluit betrokkene overeenkomstig de bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een
daarbij vast te stellen termijn te onderwerpen aan educatieve
maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.
2. De kosten verbonden aan het opleggen van een educatieve
maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid
komen ten laste van iedereen aan wie overeenkomstig het eerste lid
de verplichting tot deelname aan een dergelijke maatregel is
opgelegd. De hoogte van deze kosten wordt bij ministeriële
regeling vastgelegd. In geval van niet, niet geheel of niet op
aangegeven wijze of binnen de aangegeven termijnen betalen van
deze kosten vaardigt het CBR een dwangbevel uit aan de nalatige.
Voor de toepassing van titel 4.4. van de Algemene wet
bestuursrecht wordt het besluit als bedoeld in artikel 131, eerste
lid, aanhef en onderdeel a, aangemerkt als beschikking als bedoeld
in artikel 4.86 van de Algemene wet bestuursrecht.
3. De kosten verbonden aan het uitvoeren van de educatieve
maatregelen komen ten laste van betrokkene. De hoogte van deze
kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
4. Het CBR bepaalt de aard van de educatieve maatregelen en
wijst een of meer tot toepassing van die maatregelen bevoegde
deskundigen aan.
5. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
ter uitvoering van het eerste en tweede lid.
6. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder rijbewijs
mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde
gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig
is.
§ 3. Alcoholslotprogramma algemeen
Artikel 132b
1. In de inartikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b,
bedoelde gevallen legt het CBR overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels bij het in dat
artikellid bedoelde besluit betrokkene de verplichting op deel te
nemen aan een alcoholslotprogramma.
2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, verklaart het
CBR het rijbewijs van betrokkene ongeldig en bepaalt daarbij dat
de ongeldigverklaring betrekking heeft op alle categorieën
waarvoor dat rijbewijs geldig was, met uitzondering van de
categorie AM. Artikel 132, vierde tot en met zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. Het CBR doet mededeling aan betrokkene dat hij:
a. nadat hij heeft voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel
132c, eerste lid, onderdelen a, b, en c, overeenkomstig de
daarvoor bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels
een rijbewijs kan aanvragen voor de categorie of categorieën
waarvoor hij aan die eisen heeft voldaan, alsmede voor
categorie AM, dan wel dat hij
b. indien hij niet heeft voldaan aan de eisen, bedoeld in
artikel 132c, eerste lid, onderdelen a, b en c, overeenkomstig
de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels een rijbewijs voor de categorie AM kan aanvragen.
4. Indien het rijbewijs dat voor ongeldigverklaring op grond
van het tweede lid in aanmerking komt, zijn geldigheid heeft
verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, of op andere
wijze ongeldig is geworden, plaatst het CBR een aantekening in het
rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag
van een nieuw rijbewijs alleen een rijbewijs kan krijgen dat
geldig is voor het besturen van een motorrijtuig waarin bij of
krachtens de wet een alcoholslot is ingebouwd, en de categorie AM.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld ter uitvoering van het eerste en tweede lid.
6. Voor de toepassing van het tweede en vierde lid wordt onder
rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe
bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland
woonachtig is.
Artikel 132c
1. Degene aan wie deelname aan het alcoholslotprogramma is
opgelegd dient:
a. overeenkomstig de bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur vastgestelde bepalingen een alcoholslot te doen
inbouwen in ten minste één motorrijtuig dat voldoet aan de
bij algemene maatregel van bestuur gestelde eisen;
b. de aangegeven kosten op de aangegeven wijze te hebben
betaald aan het CBR;
c. het bij het besluit, bedoeld in artikel 132b, eerste
lid, meegezonden, door het CBR vastgestelde, aanmeldformulier
te hebben teruggezonden aan het CBR, en
d. overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde wijze de feitelijke beschikking te hebben
gekregen over een nieuw rijbewijs, waarop voor de
toepasselijke rijbewijscategorie, met uitzondering van de
categorie AM, de bij ministeriële regeling vastgestelde
codering voor het rijden met een alcoholslot is vermeld.
2. Per motorrijtuig kan slechts één alcoholslot tegelijk zijn
ingebouwd.
3. Een ingebouwd alcoholslot kan slechts door één bestuurder
worden gebruikt aan wie het CBR overeenkomstig de artikelen 131,
eerste lid, onderdeel b, en 132b, eerste lid, de verplichting
heeft opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma.
4. Onverminderdartikel 132d, tweede of vierde lid, is de duur
van het alcoholslotprogramma twee jaar. Deze termijn neemt een
aanvang op de dag waarop degene aan wie de verplichting tot
deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd heeft voldaan
aan het eerste lid, onderdeel d.
5. Degene aan wie deelname aan het alcoholslotprogramma is
opgelegd, is verplicht het door het CBR bepaalde
begeleidingsprogramma te volgen en daartoe het alcoholslot
periodiek te laten uitlezen bij een erkenninghouder als bedoeld in
artikel 132k, eerste lid. Bij ministeriële regeling wordt de
termijn vastgelegd waarbinnen de uitlezing uiterlijk dient plaats
te vinden. In bij ministeriële regeling aangegeven gevallen kan
het CBR in het kader van het begeleidingsprogramma een kortere
termijn vaststellen.
6. De kosten verbonden aan het opleggen van het
alcoholslotprogramma komen ten laste van iedereen aan wie
overeenkomstig artikel 132b, eerste lid, de verplichting tot
deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd. De hoogte van
deze kosten wordt bij ministeriële regeling vastgelegd. In geval
van niet, niet geheel of niet op aangegeven wijze of binnen de
aangegeven termijnen betalen van deze kosten vaardigt het CBR een
dwangbevel uit aan de nalatige. Voor de toepassing van titel 4.4.
van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit als bedoeld
inartikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aangemerkt als
beschikking als bedoeld in artikel 4.86 van de Algemene wet
bestuursrecht.
7. De kosten van verbonden aan:
a. het uitvoeren van het alcoholslotprogramma, alsmede de
kosten verbonden aan het beheer en het in stand houden van het
alcoholslotregister en het verstrekken van gegevens uit dat
register overeenkomstig artikel 129d, eerste lid, en aan
b. het huren dan wel kopen, het inbouwen, het uitlezen, het
testen, het kalibreren het onderhouden en het verwijderen van
het alcoholslot, komen ten laste van betrokkene. De hoogte van
de in onderdeel a genoemde kosten die door het CBR worden
geïnd, worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
8. De gegevens die periodiek worden uitgelezen uit het
alcoholslot worden toegerekend aan degene aan wie deelname aan een
alcoholslotprogramma is opgelegd.
9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld ter uitvoering van het eerste, vijfde en zesde lid.
Artikel 132d
1. Uiterlijk vier weken voor de afloop van het
alcoholslotprogramma vindt op door het CBR bepaalde wijze een
evaluatie plaats van de wijze waarop betrokkene heeft deelgenomen
aan het alcoholslotprogramma. Indien uit de evaluatie blijkt dat
betrokkene heeft voldaan aan de bij ministeriële regeling
aangegeven voorwaarden, registreert het CBR onverwijld in het
rijbewijzenregister ten behoeve van betrokkene dat de hem
opgelegde beperkingen zijn vervallen en dat hij overeenkomstig bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs
zonder de bij ministeriële regeling vastgestelde codering voor
het rijden met een alcoholslot kan aanvragen. Het CBR doet hiervan
mededeling aan betrokkene.
2. In de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen besluit
het CBR tot verlenging van het alcoholslotprogramma met zes
maanden.
3. Uiterlijk vier weken voor de afloop van de verlenging vindt
op door het CBR bepaalde wijze een evaluatie plaats van de wijze
waarop betrokkene heeft deelgenomen aan het alcoholslotprogramma.
Indien uit de evaluatie blijkt dat betrokkene heeft voldaan aan de
bij ministeriële regeling aangegeven voorwaarden, registreert het
CBR onverwijld in het rijbewijzenregister ten behoeve van
betrokkene dat de hem opgelegde beperkingen zijn vervallen en dat
hij overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels een rijbewijs zonder de bij ministeriële regeling
vastgestelde codering voor het rijden met een alcoholslot kan
aanvragen. Het CBR doet hiervan mededeling aan betrokkene.
4. In andere dan de in het derde lid bedoelde gevallen besluit
het CBR tot verlenging van het alcoholslotprogramma met zes
maanden. Het derde lid is vervolgens van overeenkomstige
toepassing.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld ter uitvoering van dit artikel.
§ 4. Goedkeuring van het alcoholslot
Artikel 132e
1. In het kader van het alcoholslotprogramma wordt uitsluitend
gebruik gemaakt van een alcoholslot dat is voorzien van een
typegoedkeuring, verleend door de Dienst Wegverkeer, of een
daaraan bij ministeriële regeling gelijkgesteld alcoholslot. De
typegoedkeuring van het alcoholslot en de daarbij behorende
uitleesapplicatie wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door
de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door
deze dienst vastgestelde tarief door deze dienst verleend, indien
door de dienst is vastgesteld dat het alcoholslot aan de bij
ministeriële regeling gestelde eisen voldoet en indien het
productieproces van de alcoholsloten van het desbetreffende type
is goedgekeurd. De artikelen 22, derde en vierde lid, 22b, 23, 23a
en 25a tot en met 25e zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Na verwijdering van het alcoholslot vindt controle van het
uitgebouwde alcoholslot plaats door degene die overeenkomstig het
goedgekeurde productieproces als bedoeld in het eerste lid
produceert.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld betreffende
de aanvraag tot goedkeuring van een type alcoholslot, de eisen
waaraan de alcoholsloten dienen te voldoen, de onderzoeken waaraan
zij dienen te zijn onderworpen, het door de aanvrager ter
beschikking stellen van alcoholsloten, de wijze waarop de
overdracht van de gegevens uit het alcoholslot naar het
alcoholslotregister plaatsvindt, het door de aanvrager overleggen
van bescheiden en het verstrekken van inlichtingen ter zake van de
keuring, het testrapport, de intrekking van een dergelijke
goedkeuring, de controle van een alcoholslot als bedoeld in het
tweede lid, en de onderzoeken waaraan het alcoholslot in dat kader
wordt onderworpen.
4. De Dienst Wegverkeer, dan wel de door hem aangewezen
technische dienst als bedoeld in het eerste lid, onderwerpt
voorafgaand aan een eerste inbouw een bij ministeriële regeling
vastgesteld aantal typegoedgekeurde alcoholsloten aan een
steekproefsgewijze keuring. Hetzelfde geldt voor typegoedgekeurde
alcoholsloten, ten aanzien waarvan een controle heeft
plaatsgevonden als bedoeld in het tweede lid. Degene die
overeenkomstig het goedgekeurde productieproces, bedoeld in het
eerste lid, produceert, is verplicht zijn medewerking te verlenen
aan deze steekproefsgewijze keuringen. Bij ministeriële regeling
worden regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop de in dit
lid bedoelde keuringen worden uitgevoerd, het door de aanvrager
ter beschikking stellen van alcoholsloten, het door de aanvrager
overleggen van bescheiden en het verstrekken van inlichtingen ter
zake van de keuring en de maatregelen die de Dienst Wegverkeer kan
treffen. Intensivering van de steekproefsgewijze controle of het
stellen van een termijn om de gebreken te herstellen, kunnen
daarvan deel uitmaken.
5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat:
a. het voldoen aan de in het eerste lid gestelde eisen
wordt aangetoond door middel van in die regels voorgeschreven
apparatuur;
b. die apparatuur is goedgekeurd door een door Onze
Minister aangewezen keuringsinstelling;
c. die apparatuur alleen kan worden goedgekeurd indien de
in die regels genoemde technische specificaties van die
apparatuur die noodzakelijk zijn om het periodieke onderzoek,
bedoeld in onderdeel d, uit te kunnen voeren, op de in die
regels aangegeven wijze bekend worden gemaakt;
d. die apparatuur met een in die regels vast te stellen
periodiciteit is onderzocht door de in het eerste lid bedoelde
keuringsinstelling, dan wel door een door Onze Minister of
door deze keuringsinstelling aangewezen onderzoeksgerechtigde
en dat de middelen die worden gebruikt om die apparatuur voor
gebruik geschikt te maken, zijn gecertificeerd door een door
die keuringsinstelling erkende instelling, en
e. bij de erkenning van een onderzoeksgerechtigde of
instelling als bedoeld in onderdeel d, wordt voldaan aan de in
die regels opgenomen voorschriften.
6. Een type alcoholslot kan voor een typegoedkeuring worden
aangeboden indien de aanvrager heeft aangetoond dat het
alcoholslot een beschermingsniveau biedt dat naar het oordeel van
de Dienst Wegverkeer, dan wel de door hem aangewezen technische
dienst als bedoeld in het eerste lid, ten minste gelijkwaardig is
aan het niveau dat met de in het derde lid bedoelde eisen wordt
nagestreefd.
7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 132e1
1. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wanneer een
typegoedkeuring vervalt.
2. Intrekking van de typegoedkeuring vindt plaats indien:
a. de producent van het desbetreffende type alcoholslot
daarom verzoekt, of
b. de erkenning als bedoeld in artikel 132f, eerste lid,
door de Dienst Wegverkeer wordt ingetrokken.
3. Indien de steekproefsgewijze keuring als bedoeld in artikel
132e, eerste of vierde lid, daartoe aanleiding geeft, dan wel
indien een typegoedkeuring wordt ingetrokken, bepaalt de Dienst
Wegverkeer de gevolgen voor reeds ingebouwde alcoholsloten van dat
type. Indien wordt besloten dat reeds ingebouwde alcoholsloten
moeten worden vervangen, dan bepaalt de Dienst Wegverkeer tevens
de termijn waarbinnen die vervanging moet zijn gerealiseerd.
4. Vanaf de datum waarop de eisen waaraan alcoholsloten moeten
voldoen, zijn aangepast, mogen alcoholsloten van een
overeenkomstig de oude eisen goedgekeurd type in het kader van het
alcoholslotprogramma nog worden ingebouwd gedurende een bij
ministeriële regeling vastgestelde periode.
5. Bij ministeriële regeling wordt vastgelegd met ingang van
welk tijdstip na de aanpassing van de in het vierde lid bedoelde
eisen alle alcoholsloten moeten voldoen aan de aangepaste eisen.
§ 5. Erkenningsregelingen alcoholsloten
Artikel 132f
1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of
rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is
tot het in stand houden van een netwerk van werkplaatsen voor het
inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het vervangen
en het verwijderen van het door hem gevoerde alcoholslot, alsmede
het verrichten van de daarmee samenhangende werkzaamheden. Bij de
aanvraag van de in dit lid bedoelde erkenning kan in afwijking van
de eisen gesteld in artikel 132g, tweede lid, onderdelen b en d,
worden volstaan met:
a. een alcoholslot dat overeenkomstig artikel 132e is
goedgekeurd door de aangewezen keuringsinstelling en waarvoor
de typegoedkeuring is aangevraagd of tegelijk met de aanvraag
voor een erkenning als bedoeld in dit lid wordt aangevraagd,
en
b. een netwerk waarvan de vereiste landelijke dekking
blijkt uit contracten afgesloten met natuurlijke personen of
rechtspersonen die al een aanvraag voor een erkenning als
bedoeld in artikel 132k, eerste lid, hebben ingediend, dan wel
tegelijk met de aanvraag voor een erkenning als bedoeld in dit
lid indienen.
2. De erkenning kan worden verleend voor bepaalde of onbepaalde
tijd.
3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden
gesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met
betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.
Artikel 132g
1. De erkenning wordt door de Dienst Wegverkeer op aanvraag en
tegen betaling, op de door de dienst vastgestelde wijze, van het
daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief verleend indien de
natuurlijke persoon of rechtspersoon voldoet aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen.
2. De in het eerste lid bedoelde eisen betreffen onder meer:
a. de aanwezigheid van een mandaat namens de producent te
mogen optreden;
b. de aanwezigheid van een typegoedkeuring of een afschrift
daarvan, afgegeven door de Dienst Wegverkeer van het door of
namens de aanvrager geproduceerd alcoholslot;
c. de aanwezigheid van een productieproces dat op basis van
artikel 132e, eerste of vijfde lid, door de Dienst Wegverkeer
is goedgekeurd;
d. het beschikken over een netwerk van werkplaatsen met een
erkenning als bedoeld in artikel 132k, waar het inbouwen, het
uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden, het
vervangen of het verwijderen van alcoholsloten, alsmede de
daarmee samenhangende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Dit
netwerk dient een landelijke spreiding te hebben;
e. de administratieve organisatie van de aanvrager;
f. de wijze waarop de aanvrager ervoor zorg draagt dat de
personen die de inartikel 132k, eerste lid, bedoelde
werkzaamheden verrichten of gaan verrichten, adequaat zijn
opgeleid en periodiek worden bijgeschoold over de laatste
ontwikkelingen, en dat ten bewijze hiervan een bewijs wordt
afgegeven;
g. andere instrumenten en hulpmiddelen die nodig zijn voor
of gebruikt worden bij de uitvoering van de werkzaamheden als
bedoeld in artikel 132k, eerste lid.
h. de maatregelen die zullen worden getroffen voor het
geval de erkenning geheel wordt ingetrokken op het terrein van
de beschikbaarstelling van gegevens betreffende het
alcoholslot vereist voor het uitlezen, het testen, het
kalibreren, het onderhouden of het verwijderen van
alcoholsloten, alsmede voor de daarmee samenhangende
werkzaamheden.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de aanvraag van de erkenning.
4. De erkenning wordt geweigerd indien een reeds aan de
aanvrager verleende erkenning is ingetrokken op grond van artikel
132i, tweede lid, binnen een direct aan de datum van indiening van
de aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken, dan wel zes
maanden ingeval reeds twee of meermalen een dergelijke aan de
aanvrager verleende erkenning is ingetrokken.
Artikel 132h
1. Met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning,
bedoeld in artikel 132f, voortvloeiende verplichtingen zijn belast
de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van
een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
2. Tot het in het eerste lid bedoelde toezicht kan behoren het
periodiek controleren van de organisatie van de erkenninghouder,
alsmede het uitvoeren van steekproeven op de wijze waarop de
erkenninghouder de inartikel 132f, eerste lid, bedoelde taken
uitvoert.
3. De erkenninghouder is gehouden tot betaling, op door de
Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter
zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld betreffende de wijze waarop het toezicht wordt
gehouden en de wijze waarop de steekproef wordt georganiseerd.
Deze regels kunnen inhouden dat een verscherpt toezicht wordt
gehouden indien blijkt dat wordt gehandeld in strijd met een of
meer uit de erkenning voortvloeiende de verplichtingen en op welke
wijze dat verscherpte toezicht dan plaatsvindt.
5. De kennisgeving van het verscherpen van het toezicht kan
plaatsvinden door middel van datacommunicatie. In dat geval wordt
de kennisgeving na daartoe strekkend verzoek van de belanghebbende
in een beschikking vastgelegd.
Artikel 132i
1. De Dienst Wegverkeer trekt de erkenning, bedoeld in artikel
132f, eerste lid, in indien degene aan wie de erkenning is
verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen
indien degene aan wie de erkenning is verleend niet meer voldoet
aan de voor de erkenning gestelde eisen of voorwaarden.
3. De Dienst Wegverkeer kan in een geval als bedoeld in het
tweede lid een erkenning schorsen voor een door hem daarbij vast
te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
4. In geval van schorsing van de erkenning stelt degene van wie
de erkenning wordt geschorst in de bij ministeriële regeling
aangegeven gevallen onverwijld de vereiste informatie en
instrumenten benodigd voor het uitlezen, het testen, het
kalibreren, het onderhouden en het verwijderen van de in artikel
132f, eerste lid, bedoelde alcoholsloten ter beschikking van de
Dienst Wegverkeer, alsmede de daartoe door de Dienst Wegverkeer
aangewezen instantie of instanties.
5. Degene van wie de erkenning wordt ingetrokken stelt
onverwijld de vereiste informatie en instrumenten benodigd voor
het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden en het
verwijderen van de in artikel 132f, eerste lid, bedoelde
alcoholsloten ter beschikking van de Dienst Wegverkeer, alsmede de
daartoe door de Dienst Wegverkeer aangewezen instantie of
instanties.
6. De Dienst Wegverkeer stelt onverwijld het CBR in kennis van
een opgelegde schorsing of een ingetrokken erkenning.
7. De Dienst Wegverkeer kan in de door de dienst vastgestelde
gevallen de keuringsinstelling, bedoeld in artikel 132e, eerste
lid, in kennis stellen van een opgelegde schorsing of een
ingetrokken erkenning.
8. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het
tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van
een erkenning van maximaal 30 maanden.
9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 132j
Het is eenieder aan wie niet een erkenning als bedoeld in artikel
132f is verleend, verboden zich op zodanige wijze te gedragen, dat
daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt, dat zodanige
erkenning aan hem is verleend.
Artikel 132k
1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of
rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is
tot het inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het
onderhouden, het vervangen en het verwijderen van in artikel 132f,
eerste lid, bedoelde alcoholsloten, alsmede de daarmee
samenhangende werkzaamheden. Bij de aanvraag van de in dit lid
bedoelde erkenning kan in afwijking vanartikel 132l, tweede lid,
onderdeel a, worden volstaan met een contract, dat is afgesloten
met een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een aanvraag als
bedoeld in artikel 132g, eerste lid, heeft ingediend.
2. Aan de erkenning kunnen bij ministeriële regeling
aangewezen bevoegdheden worden verbonden. Een zodanige bevoegdheid
maakt deel uit van de erkenning. Het in de artikelen 132l tot en
met 132o ten aanzien van erkenningen bepaalde is van
overeenkomstige toepassing op bedoelde bevoegdheden.
3. De erkenning kan worden verleend voor bepaalde of onbepaalde
tijd.
4. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden
gesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met
betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.
Artikel 132l
1. De erkenning wordt door de Dienst Wegverkeer op aanvraag en
tegen betaling, op de door de dienst vastgestelde wijze, van het
daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief verleend indien de
natuurlijke persoon of rechtspersoon voldoet aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen.
2. De in het eerste lid bedoelde eisen betreffen onder meer:
a. het contract dat is afgesloten met de erkenninghouder,
bedoeld in artikel 132f, tweede lid;
b. de administratieve organisatie van de aanvrager;
c. het proces volgens hetwelk de aanvrager zijn
werkzaamheden verricht;
d. de eisen waaraan de werkplaats of werkplaatsen van de
aanvrager dient of dienen te voldoen, eisen ten aanzien van
datacommunicatie hieronder begrepen;
e. de wijze waarop de aanvrager er voor zorg draagt dat de
personen die door hem belast zijn met het inbouwen, het
uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden, het
vervangen of het verwijderen van alcoholsloten, alsmede de
daarmee samenhangende werkzaamheden, adequaat zijn opgeleid en
worden geïnformeerd over de laatste ontwikkelingen;
f. de beschikbaarheid van een persoon of personen, die in
het bezit is of zijn van een tegen betaling van een door de
Dienst Wegverkeer vastgesteld tarief door die dienst afgegeven
bewijs dat zij de inartikel 132k, eerste lid, bedoelde
werkzaamheden mogen verrichten;
g. de aan-en afmelding bij de Dienst Wegverkeer van de
personen die bevoegd zijn tot het inbouwen, het uitlezen, het
testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen of het
verwijderen van alcoholsloten, en de daarmee samenhangende
werkzaamheden.
3. De bij ministeriële regeling gestelde eisen, bedoeld in het
eerste lid, kunnen betrekking hebben op de op de voor de
werkzaamheden benodigde apparatuur.
4. Bij het inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren,
het onderhouden, het vervangen of het verwijderen van het
alcoholslot worden de bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur aangegeven gegevens vastgelegd in het in artikel 129a
bedoelde register.
5. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de aanvraag van een erkenning.
6. De erkenning wordt geweigerd indien een reeds aan de
aanvrager verleende erkenning is ingetrokken op grond van artikel
132n, tweede lid, is ingetrokken binnen een direct aan de datum
van indiening van de aanvraag voorafgaande periode van twaalf
weken, dan wel zes maanden ingeval reeds twee of meermalen een
dergelijke aan de aanvrager verleende erkenning is ingetrokken.
Artikel 132m
1. Met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning,
bedoeld in artikel 132k, eerste lid, voortvloeiende verplichtingen
zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen
ambtenaren. Van een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door
plaatsing in de Staatscourant.
2. Tot het in het eerste lid bedoelde toezicht kan behoren het
periodiek controleren van de organisatie van de erkenninghouder,
alsmede het uitvoeren van steekproeven op de wijze waarop de
erkenninghouder, alsmede de bij hem in dienst zijnde personen die
overeenkomstig artikel 132l zijn belast met de uitvoering van de
werkzaamheden als bedoeld inartikel 132k, eerste lid, die taken
uitvoeren.
3. De eigenaar of houder van een motorrijtuig dat voorwerp is
van het in het tweede lid bedoelde toezicht is verplicht het
motorrijtuig beschikbaar te houden op de plaats waar de in het
eerste lid bedoelde werkzaamheden worden uitgevoerd. Deze
verplichting geldt tot ten hoogste 90 minuten nadat de
erkenninghouder de daarvoor in aanmerking komende gegevens heeft
geregistreerd in het in artikel 129abedoelde register.
4. Het derde lid en het zesde lid, eerste volzin, zijn van
overeenkomstige toepassing in geval het toezicht door de Dienst
Wegverkeer plaatsvindt op grond van artikel 158.
5. De erkenninghouder is gehouden tot betaling, op door de
Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter
zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld betreffende de wijze waarop het toezicht wordt
gehouden en de wijze waarop de steekproef wordt georganiseerd.
Deze regels kunnen inhouden dat een verscherpt toezicht wordt
gehouden indien blijkt dat wordt gehandeld in strijd met een of
meer uit de erkenning voortvloeiende de verplichtingen en op welke
wijze dat verscherpte toezicht dan plaatsvindt.
7. De kennisgeving van het verscherpen van het toezicht kan
plaatsvinden door middel van datacommunicatie. In dat geval wordt
de kennisgeving na daartoe strekkend verzoek van de belanghebbende
in een beschikking vastgelegd.
Artikel 132n
1. De Dienst Wegverkeer trekt een erkenning als bedoeld in
artikel 132k, eerste lid in:
a. indien degene aan wie de erkenning is verleend, daarom
verzoekt;
b. indien de erkenning, bedoeld in artikel 132f, eerste
lid, wordt ingetrokken.
2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen
indien degene aan wie de erkenning is verleend niet meer voldoet
aan de aan de erkenning gestelde eisen of voorschriften.
3. De Dienst Wegverkeer kan in een geval als bedoeld in het
tweede lid een erkenning schorsen voor een door hem daarbij vast
te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
4. Bij de schorsing of de intrekking van de erkenning in de
gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede
lid, worden de lopende verplichtingen van de erkenninghouder
betreffende het uitlezen, het testen, het kalibreren, het
onderhouden en het verwijderen van het alcoholslot, alsmede de
daarmee samenhangende informatieverplichtingen, voortvloeiend uit
het bij of krachtens deze wet bepaalde, verricht door een door
erkenninghouder als bedoeld in artikel 132f, eerste lid, te
bepalen natuurlijke persoon of rechtspersoon of instantie die
beschikt over de in artikel 132k, eerste lid, bedoelde erkenning.
5. Bij intrekking van de erkenning, bedoeld in artikel 132f,
eerste lid, worden de lopende verplichtingen van de
erkenninghouder betreffende het uitlezen, het testen, het
kalibreren, het onderhouden, het vervangen en het verwijderen van
het alcoholslot, alsmede de daarmee samenhangende
informatieverplichtingen, voortvloeiend uit het bij of krachtens
deze wet bepaalde verricht door een daartoe door de Dienst
Wegverkeer aangewezen instantie of instanties. Artikel 132i,
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. De Dienst Wegverkeer kan in de door de dienst vastgestelde
gevallen de inartikel 132e bedoelde keuringsinstelling in kennis
stellen van een opgelegde schorsing of een ingetrokken erkenning.
7. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het
tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van
een erkenning van maximaal 30 maanden.
8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 132o
Het is eenieder aan wie niet een erkenning als bedoeld in artikel
132k is verleend, verboden zich op zodanige wijze te gedragen, dat
daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt, dat zodanige
erkenning aan hem is verleend.
§ 6. Onderzoeken naar de rijvaardigheid of geschiktheid
Artikel 133
1. In de inartikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel c,
bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde
besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een
onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.
2. Het CBR bepaalt de aard van het onderzoek en bepaalt door
welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht.
3. Het onderzoek kan in gedeelten plaatsvinden. Tijd en plaats
van het onderzoek dan wel de delen daarvan worden overeenkomstig
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door het
CBR vastgesteld.
4. De kosten verbonden aan het opleggen van een onderzoek naar
de rijvaardigheid of de geschiktheid komen ten laste van iedereen
aan wie overeenkomstig het eerste lid de verplichting tot deelname
aan zo’n onderzoek is opgelegd. De hoogte van deze kosten wordt
bij ministeriële regeling vastgelegd. In geval van niet, niet
geheel of niet op aangegeven wijze of binnen de aangegeven
termijnen betalen van deze kosten vaardigt het CBR een dwangbevel
uit aan de nalatige. Voor de toepassing van titel 4.4. van de
Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit als bedoeld in
artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aangemerkt als
beschikking als bedoeld in artikel 4.86 van de Algemene wet
bestuursrecht.
5. De kosten verbonden aan de uitvoering van het onderzoek,
waarvan de hoogte bij ministeriële regeling wordt vastgesteld,
komen in de bij ministeriële regeling bedoelde gevallen ten laste
van betrokkene.
6. Het onderzoek vangt zo spoedig mogelijk aan.
7. De bevindingen van het onderzoek worden door de deskundige
of de deskundigen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk acht weken
na aanvang van het onderzoek, dan wel van het eerste gedeelte
daarvan, schriftelijk meegedeeld aan het CBR.
8. Het CBR kan in bijzondere gevallen toestaan dat door de
deskundige of de deskundigen van de in het zesde lid bedoelde
termijn wordt afgeweken.
Artikel 134
1. Het CBR stelt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen
vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of
deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. Van deze uitslag
doet het CBR mededeling aan betrokkene. Indien een of meer
deskundigen bij hun bevindingen hebben aangetekend dat inzage
daarvan naar hun oordeel kennelijk ernstig nadeel voor betrokkene
zou opleveren, deelt het CBR de bevindingen schriftelijk mede aan
de door betrokkene aangewezen vertrouwensarts.
2. Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs
indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij
ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin
daarvan sprake is.
3. Indien het CBR voornemens is het rijbewijs ongeldig te
verklaren, deelt het dit mede aan de houder, tevens onder
mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken
een tweede onderzoek te verlangen. De aan dit tweede onderzoek
verbonden kosten, waarvan de hoogte bij ministeriële regeling
wordt vastgesteld, komen ten laste van betrokkene. De artikelen
132 en 133 alsmede het eerste en het vierde lid van dit artikel
zijn van overeenkomstige toepassing. De in de eerste volzin
bedoelde mededeling wordt niet gedaan, indien het rijbewijs van de
houder inmiddels op grond van artikel 123b ongeldig is geworden.
4. Indien het CBR besluit dat het rijbewijs van de houder
ongeldig wordt verklaard, wordt daarbij bepaald op welk deel van
de geldigheidsduur alsmede op welke categorie of categorieën van
motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven de
ongeldigverklaring betrekking heeft. Artikel 132, vierde tot en
met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Indien de uitslag van het onderzoek aanleiding geeft tot
ongeldigverklaring van het rijbewijs van betrokkene, plaatst het
CBR, indien dat rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren door het
verstrijken van de geldigheidsduur, een aantekening in het
rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag
van een nieuw rijbewijs op de bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij, al naar gelang de
aard van het onderzoek, beschikt over de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid dan wel de rijvaardigheid die is vereist
voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie of
categorieën waarop het onderzoek betrekking had.
6. Indien bij een op grond van het in artikel 131, eerste lid,
bedoelde besluit gevorderd onderzoek naar de geschiktheid is
gebleken dat de resterende geldigheidsduur van het rijbewijs
korter is dan de termijn waarvoor de houder blijkens de uitslag
van het onderzoek naar verwachting geschikt zal zijn voor het
besturen van motorrijtuigen, plaatst het CBR een aantekening in
het rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de
aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij beschikt
over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid die is vereist
voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie of
categorieën waarop het onderzoek betrekking heeft.
7. Indien het CBR van oordeel is dat op grond van de uitslag
van het onderzoek betrokkene niet als niet rijvaardig of
ongeschikt moet worden beoordeeld, legt het aan betrokkene in bij
ministeriële regeling vastgestelde gevallen overeenkomstig bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting
op deel te nemen aan een educatieve maatregel gedrag en verkeer
dan wel aan het alcoholslotprogramma. Indien het CBR besluit tot
oplegging van de educatieve maatregel gedrag en verkeer zijn de
artikelen 132 en 132a van overeenkomstige toepassing. In het geval
van oplegging van de verplichting tot deelname aan het
alcoholslotprogramma zijn de artikelen 132b tot en met 132o van
overeenkomstige toepassing.
8. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
ter uitvoering van het derde, het vierde en het zevende lid.
9. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder rijbewijs
mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde
gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig
is.
Artikel 134a
Voor zover dit noodzakelijk is voor de toepassing van deze
paragraaf verwerkt het CBR persoonsgegevens betreffende iemands
rijvaardigheid en gezondheid.
Afdeling 10. Bromfietscertificaat
Artikel 135 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 136 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 137 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 138 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 139 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 140 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 141 [Vervallen per 01-10-2006]
Artikel 142
1. De Dienst Wegverkeer houdt een register betreffende de
afgifte van bromfietscertificaten.
2. In het kader van het register verwerkt de Dienst Wegverkeer
gegevens omtrent afgegeven bromfietscertificaten.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld
omtrent de inrichting en het beheer van het register.
Artikel 143
1. Aan autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van
deze wet of die zijn belast met de handhaving van de bij of
krachtens deze wet vastgestelde voorschriften, worden op de door
de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze uit het register desgevraagd
de gegevens verstrekt die zij voor de uitoefening van hun taak
behoeven.
2. De autoriteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn gehouden om
in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen aan de
Dienst Wegverkeer op de door deze dienst te bepalen wijze
mededeling te doen van feiten die van belang zijn voor het
bijhouden van het register.
Artikel 144
1. Aan belanghebbenden kunnen, overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels, op aanvraag en tegen
betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst voor de behandeling van de aanvraag
vastgestelde tarief, uit het register gegevens worden verstrekt.
2. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het
verstrekken van gegevens aan belanghebbenden niet of slechts tot
een beperkt aantal of in beperkte vorm of omvang geschiedt.
Artikel 145
De Dienst Wegverkeer stelt ten aanzien van het verwerken van
gegevens als bedoeld in artikel 142, tweede lid, een reglement vast.
Hoofdstuk VIA. Interoperabiliteit van elektronische
heffingssystemen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 145a
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder de richtlijn: de bij
ministeriële regeling aangewezen richtlijn.
2. Een wijziging van de richtlijn, bedoeld in het eerste lid,
gaat voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden met ingang van de
dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet
zijn gegeven.
§ 2. Technologische eisen
Artikel 145b
1. Een elektronisch heffingssysteem als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de richtlijn, dat na 31 december 2006 in gebruik
wordt genomen, is gebaseerd op één of meer van de
technologieën, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de
richtlijn.
2. Het eerste lid geldt niet voor een heffingssysteem als
bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de richtlijn.
§ 3. Europese elektronische tolheffingsdienst
Artikel 145c
1. Op een weg waar tarieven voor het gebruik van de weg
elektronisch worden geïnd, wordt een Europese elektronische
tolheffingsdienst aangeboden, die voldoet aan de artikelen 1,
derde lid, 3, eerste lid en 4, eerste, derde en achtste lid, van
de richtlijn.
2. Een Europese elektronische tolheffingssdienst wordt
aangeboden uiterlijk met ingang van een bij ministeriële regeling
te bepalen tijdstip, dat voor verschillende categorieën
voertuigen verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 145d
Een exploitant stelt vanaf het in artikel 145c, tweede lid,
vastgestelde tijdstip aan gebruikers apparatuur ter beschikking die
in het voertuig kan worden ingebouwd en voldoet aan de eisen,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de richtlijn.
§ 4. Nadere regelgeving
Artikel 145e
Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van de richtlijn
aanvullende regels worden gesteld met betrekking tot de in dit
hoofdstuk geregelde onderwerpen.
Hoofdstuk VIB. Intelligente vervoerssystemen op het gebied van
wegvervoer
Artikel 145f
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder de richtlijn: de bij
ministeriële regeling aangewezen richtlijn.
2. Een wijziging van een in het eerste lid bedoelde richtlijn,
gaat voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden met ingang van de
dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet
zijn gegeven.
Artikel 145g
1. Intelligente vervoerssystemen als bedoeld in de richtlijn
voldoen aan de op grond van de richtlijn vastgestelde
specificaties.
2. Bij ministeriele regeling kunnen ter uitvoering van de
richtlijn aanvullende regels worden gesteld.
Hoofdstuk VII. Vrijstelling en ontheffing
Artikel 146
Onze Minister kan, met inachtneming van verdragen en van
besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer
instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, van
bepalingen van deze wet vrijstelling verlenen voor het gebruik van
de weg ten behoeve van openbare diensten.
Artikel 147
1. Onze Minister kan, met inachtneming van verdragen en van
besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer
instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, van
het bepaalde krachtens deze wet vrijstelling verlenen voor het
gebruik van de weg ten behoeve van openbare of door Onze Minister
daarmee gelijk te stellen diensten.
2. Onze Minister kan van het bepaalde krachtens deze wet
vrijstelling verlenen voor het gebruik van de weg ten behoeve van
particuliere geld- en waardetransportbedrijven waaraan een
vergunning is verleend als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder
c, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en
recherchebureaus.
Artikel 148
1. Van het in artikel 10, eerste lid, vervatte verbod kan
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels ontheffing worden verleend:
a. voor wegen onder beheer van het Rijk door Onze Minister;
b. voor andere wegen door gedeputeerde staten. In afwijking
hiervan wordt, indien de wegen waarvoor de ontheffing wordt
gevraagd, alle zijn gelegen binnen één gemeente, de
ontheffing verleend door burgemeester en wethouders.
2. De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan slechts worden
verleend indien wordt aangetoond dat maatregelen zijn getroffen
ter voorkoming van deelneming aan de wedstrijd zonder dat de
burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de schade waartoe het
gebruik van motorrijtuigen tijdens de wedstrijd aanleiding kan
geven, is gedekt door een verzekering overeenkomstig de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. De verzekering dient
mede te dekken de aansprakelijkheid van degenen die de wedstrijd
organiseren. Deze voorwaarde geldt niet ten aanzien van degene
wiens aansprakelijkheid ten laste van de Staat komt.
Artikel 149
1. Van het bepaalde krachtens deze wet kan in de krachtens deze
wet aangewezen gevallen overeenkomstig krachtens deze wet
vastgestelde regels ontheffing worden verleend:
a. voor wegen onder beheer van het Rijk door Onze Minister;
b. voor wegen onder beheer van een provincie door
gedeputeerde staten;
c. voor wegen onder beheer van een waterschap door het
algemeen bestuur of, krachtens besluit van het algemeen
bestuur, door het dagelijks bestuur;
d. voor andere wegen door burgemeester en wethouders of
krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde
bestuurscommissie of het dagelijks bestuur van een
deelgemeente.
2. In afwijking van het eerste lid kan door het CBR ontheffing
worden verleend van het gebruik van autogordels en
kinderbeveiligingsmiddelen. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen terzake nadere regels worden vastgesteld.
3. Het op grond van het eerste lid tot het verlenen van een
ontheffing bevoegde gezag kan van de kentekenplicht als bedoeld in
artikel 36, eerste lid, ontheffing verlenen voor aanhangwagens die
worden gebruikt ten behoeve van een evenement of optocht waarvoor
een vergunning op grond van een gemeentelijke verordening is
afgegeven. Bij ministeriële regeling kunnen terzake nadere regels
worden gesteld.
Artikel 149a
1. In dit artikel, artikel 149b en de op deze artikelen
berustende bepalingen wordt verstaan onder wegbeheerder: het
ingevolge artikel 149, eerste lid, tot het verlenen van een
ontheffing bevoegde gezag.
2. In afwijking van artikel 149, eerste lid, kan uitsluitend
door de Dienst Wegverkeer ontheffing worden verleend of geweigerd
van het bepaalde krachtens artikel 13 enartikel 71, in de bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen overeenkomstig
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld omtrent de partijen waarmee en de wijze
waarop de Dienst Wegverkeer periodiek overleg voert met betrekking
tot de uitvoering van dit artikel en artikel 149b.
4. De kosten die samenhangen met de behandeling van de aanvraag
en de verlening van de ontheffing, alsmede de kosten die
samenhangen met het verrichten van onderzoeken en met daarbij
behorende afgifte van documenten ten behoeve van de
ontheffingverlening worden ten laste gebracht van de aanvrager.
Bij de toepassing van artikel 4b, eerste lid, onderdeel n, met
betrekking tot deze kosten kan worden bepaald dat de vergoeding
van de kosten voorafgaand aan de behandeling van de aanvraag wordt
betaald.
5. Ten behoeve van de ontheffingverlening, bedoeld in het
tweede lid, verwerkt de Dienst Wegverkeer gegevens met betrekking
tot aanvrager, voertuig en kenteken die zijn opgenomen in de
aanvragen voor ontheffingen en in afgegeven ontheffingen.
6. Aan de toezichthouders bedoeld in artikel 158 en aan de
wegbeheerders worden op de door de Dienst Wegverkeer te bepalen
wijze desgevraagd de gegevens met betrekking tot de inhoud van de
afgegeven en geweigerde ontheffingen en de gegevens met betrekking
tot het aantal en de aard van de ontheffingen verstrekt, die zij
voor de uitoefening van hun taak behoeven.
Artikel 149b
1. De wegbeheerder verstrekt aan de Dienst Wegverkeer ten
behoeve van de ontheffingverlening, bedoeld in artikel 149a,
tweede lid, de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
vastgestelde gegevens betreffende de infrastructuur en overige
informatie op de bij of krachtens die algemene maatregel van
bestuur vastgestelde wijze.
2. In de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
aangewezen gevallen behoeft de Dienst Wegverkeer voor de in
artikel 149a, tweede lid, bedoelde ontheffing de toestemming van
de wegbeheerder. In deze gevallen wordt de toestemming verleend op
basis van een door de Dienst Wegverkeer in overleg met de
betrokken wegbeheerder opgestelde ontwerp-ontheffing.
3. De wegbeheerder kan uitsluitend de toestemming weigeren,
indien dat gerechtvaardigd is met het oog op de in artikel 2,
eerste en tweede lid, omschreven belangen.
4. Bij het verstrekken van gegevens en informatie, bedoeld in
het eerste lid, kan de wegbeheerder aangeven dat aan de door de
Dienst Wegverkeer te verlenen ontheffing beperkingen of
voorschriften worden verbonden, indien dat gerechtvaardigd is met
het oog op de bescherming van de in artikel 2, eerste en tweede
lid, omschreven belangen.
5. De Dienst Wegverkeer trekt verleende ontheffingen in of
wijzigt deze voorzover de door de wegbeheerder ingevolge het
eerste lid verstrekte gegevens of andere door hem aan de Dienst
Wegverkeer verstrekte informatie daartoe aanleiding geeft.
6. Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de
Algemene wet bestuursrecht worden als één besluit aangemerkt de
ontheffing of de weigering daarvan door de Dienst Wegverkeer en de
toestemming onderscheidenlijk de weigering daarvan door de
wegbeheerder.
7. De wegbeheerder ontvangt voor het verstrekken van gegevens
en informatie, bedoeld in het eerste lid, en voor het verlenen van
toestemming, bedoeld in het tweede lid, van de Dienst Wegverkeer
een bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding, die is
gebaseerd op het aantal en de aard van de verleende ontheffingen
voor wegen die onder zijn beheer staan.
Artikel 150
1. Een vrijstelling of ontheffing kan onder beperkingen worden
verleend. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften
worden verbonden.
2. Het is verboden te handelen in strijd met de aan een
vrijstelling of ontheffing verbonden voorschriften.
Artikel 151
Onverminderd artikel 149a kunnen bij algemene maatregel van
bestuur regels worden vastgesteld omtrent het ten laste van de
aanvrager van een ontheffing brengen van de aan de behandeling van
de aanvraag verbonden kosten.
Artikel 151a
Voor zover dit noodzakelijk is voor het verlenen van ontheffingen
als bedoeld in artikel 149, tweede lid, aanhef en onder a, verwerkt
Onze Minister persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid.
Hoofdstuk VIIA. Vakbekwaamheid bestuurders goederen- en
personenvervoer over de weg
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 151b
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. richtlijn vakbekwaamheid bestuurders: de bij ministeriële
regeling aangewezen richtlijn;
b. bestuurder: degene die vervoer over de weg verricht met
een voertuig dat behoort tot een categorie waarop de richtlijn
vakbekwaamheid bestuurders van toepassing is en die:
1°. ingezetene is van een lidstaat van de Europese Unie,
dan wel
2°. ingezetene is van een land buiten de Europese Unie
en werkzaam is voor een binnen de Europese Unie gevestigde
onderneming;
c. basiskwalificatie: het opleidings- en kennisniveau dat de
in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aangewezen
onderwerpen en praktische vaardigheden omvat;
d. getuigschrift van vakbekwaamheid: document dat dient als
bewijs dat de houder de basiskwalificatie heeft behaald;
e. nascholing: periodiek opleidingstraject dat in de
richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aangewezen onderwerpen en
praktische vaardigheden omvat;
f. getuigschrift van nascholing: document dat dient als
bewijs dat de houder de nascholing met goed gevolg heeft
voltooid;
g. erkend opleidingscentrum: opleidingscentrum als bedoeld in
artikel 151f, tweede lid;
h. gewone verblijfplaats: de verblijfplaats zoals omschreven
in artikel 14, derde lid, van verordening (EEG) nr. 3821/85 van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985
betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370).
§ 2. Getuigschrift van vakbekwaamheid en getuigschrift van
nascholing
Artikel 151c
1. Het is verboden als bestuurder op te treden zonder te
beschikken over een ingevolge de richtlijn vakbekwaamheid
bestuurders vereist geldig getuigschrift.
2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders die
in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders zijn vrijgesteld van de
verplichting tot het behalen van de basiskwalificatie.
3. Een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de
Europese Unie overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid
bestuurders aan een bestuurder afgegeven rijbewijs of
kwalificatiekaart bestuurder, voorzien van de in die richtlijn
bedoelde communautaire code, geldt als een ingevolge die richtlijn
vereist getuigschrift indien de code zijn geldigheid nog niet
heeft verloren.
4. Een in artikel 151b, onderdeel b, onder 2°, bedoelde
bestuurder die beschikt over de volgende documenten, voldoet aan
de ingevolge de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders gestelde
vereisten:
a. indien hij goederenvervoer over de weg verricht: een
bestuurdersattest als bedoeld in verordening (EEG) nr. 881/92
van de Raad van Europese Gemeenschappen van 26 maart 1992
betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer
over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van
een lidstaat of over het grondgebied van meer lidstaten (PbEG
L 95);
b. indien hij personenvervoer over de weg verricht: een
nationaal certificaat waarvan de lidstaten van de Europese
Unie de geldigheid op hun grondgebied onderling erkennen.
Artikel 151d
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter
uitvoering van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders regels
worden gesteld omtrent:
a. een stelsel van basiskwalificatie;
b. een stelsel van nascholing.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde regels kan in elk geval
worden bepaald dat:
a. een bestuurder die het getuigschrift van vakbekwaamheid
heeft behaald, bedoeld in richtlijn nr. 96/26/EG van de Raad
van de Europese Unie van 29 april 1996 inzake de toegang tot
het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk
personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en
inzake wederzijdse erkenning van diploma’s, certificaten en
andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het
recht van vrije vestiging van bedoelde vervoersondernemers (PbEG
L 124), is vrijgesteld van bij die regels bepaalde examens tot
het verkrijgen van het getuigschrift van vakbekwaamheid;
b. een bestuurder die kan aantonen in Nederland een
opleiding van ten minste zes maanden tot het verkrijgen van
een getuigschrift van vakbekwaamheid te volgen, op Nederlands
grondgebied voor ten hoogste drie jaar is vrijgesteld van de
verplichting over een getuigschrift van vakbekwaamheid te
beschikken.
Artikel 151e
1. Toegang tot een examen gericht op het behalen van een
getuigschrift van vakbekwaamheid of tot de opleiding gericht op
het behalen van het getuigschrift van nascholing heeft degene die
aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen
voldoet.
2. Voor toegang tot een examen gericht op het behalen van een
getuigschrift van vakbekwaamheid is het bezit van het
overeenkomstige rijbewijs niet vereist.
Artikel 151f
1. Een examen gericht op het behalen van de basiskwalificatie
wordt afgelegd bij het CBR, dat onder zijn verantwoordelijkheid
voor onderdelen van dat examen anderen kan inschakelen.
2. Nascholing wordt georganiseerd door een door het CBR voor
het verrichten van nascholing erkend opleidingscentrum.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld over:
a. de taken, bevoegdheden en werkwijze van het CBR;
b. de wijze waarop erkenning als opleidingscentrum
geschiedt;
c. de eisen waaraan voldaan moet worden om de erkenning als
opleidingscentrum te verkrijgen en te behouden.
4. Nascholing georganiseerd door een erkend opleidingscentrum
behoeft de certificering van het CBR.
5. De in het vierde lid bedoelde certificering vindt plaats
indien de nascholing voldoet aan de bij ministeriële regeling te
stellen regels.
Artikel 151g
1. Een bestuurder behaalt de basiskwalificatie in Nederland
indien:
a. hij ingezetene is van een lidstaat van de Europese Unie
en in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft, of
b. hij ingezetene is van een land buiten de Europese Unie
en werkzaam is voor een in Nederland gevestigde onderneming of
beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de
Wet arbeid vreemdelingen.
2. Een bestuurder kan de nascholing in Nederland volgen indien
hij in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft of in Nederland
werkzaam is, dan wel in een andere lidstaat van de Europese Unie
indien hij aldaar werkzaam is.
3. Een bestuurder die in Nederland de basiskwalificatie behaalt
of de nascholing met goed gevolg voltooit en houder is van een
Nederlands rijbewijs ontvangt het daarbij behorende getuigschrift
van vakbekwaamheid dan wel het getuigschrift van nascholing in de
vorm van vermelding van de in de richtlijn vakbekwaamheid
bestuurders bedoelde communautaire code naast de overeenkomstige
rijbewijscategorieën op het rijbewijs.
4. Een bestuurder die in Nederland de basiskwalificatie behaalt
of de nascholing met goed gevolg voltooit en op dat moment geen
houder is van een in Nederland afgegeven geldig rijbewijs ontvangt
als bewijs daarvan een certificaat, met een geldigheidsduur gelijk
aan die van een getuigschrift van vakbekwaamheid onderscheidenlijk
een getuigschrift van nascholing, dat hij kan gebruiken om bij een
bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie een
verzoek in te dienen om op een door die lidstaat aan de
desbetreffende bestuurder afgegeven of nog af te geven rijbewijs
of kwalificatiekaart bestuurder de in de richtlijn vakbekwaamheid
bestuurders bedoelde communautaire code te vermelden.
5. Op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen wijze wordt door het CBR in het in artikel 126 bedoelde
register geregistreerd dat een bestuurder die houder is van een
Nederlands rijbewijs de basiskwalificatie heeft behaald
onderscheidenlijk met goed gevolg de nascholing heeft voltooid.
6. Een erkend opleidingscentrum meldt op een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze aan het CBR welke
onderdelen van de nascholing een bestuurder met goed gevolg heeft
voltooid.
7. Een in het derde lid bedoeld getuigschrift wordt afgegeven
door het CBR en uitgereikt door degene die belast is met de
afgifte van rijbewijzen.
8. Het in het vierde lid bedoelde certificaat wordt afgegeven
en uitgereikt door het CBR en door deze instantie geregistreerd in
het in artikel 126 bedoelde register.
Artikel 151h
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de vermelding op het rijbewijs van de communautaire code,
bedoeld in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders;
b. het in overeenstemming met de richtlijn vakbekwaamheid
bestuurders vastgestelde tijdschema dat een bestuurder moet
volgen bij de nascholing;
c. de certificering bedoeld in artikel 151f, vijfde lid;
d. het model voor een certificaat als bedoeld in artikel
151g, vierde lid;
e. de wijze waarop een bestuurder die in een van de andere
lidstaten van de Europese Unie de basiskwalificatie heeft
behaald of de nascholing met goed gevolg heeft voltooid door
middel van de daarbij behorende bewijsstukken, afgegeven door
bevoegde autoriteiten van die lidstaten, via het CBR een
aanvraag kan indienen om in Nederland een getuigschrift als
bedoeld inartikel 151g, derde lid, te verkrijgen;
f. de wijze waarop de bevoegde autoriteiten van de andere
lidstaten van de Europese Unie via het CBR geautoriseerde
informatie kunnen verkrijgen over de door een bestuurder in
Nederland behaalde basiskwalificatie en over een door hem in
Nederland geheel of gedeeltelijk met goed gevolg voltooide
nascholing;
g. het model voor een nationaal certificaat als bedoeld in
artikel 151c, vierde lid, onderdeel b, de afgifte en de kosten
van een dergelijk certificaat en de wijze waarop de erkenning
van nationale certificaten die zijn afgegeven door andere
lidstaten van de Europese Unie tot stand komt;
h. de mate waarin en de wijze waarop het CBR in verband met
de haar in dit hoofdstuk opgedragen taken toegang heeft tot het
in artikel 126bedoelde register.
Artikel 151i
1. De houder van een getuigschrift van vakbekwaamheid of een
getuigschrift van nascholing dat zijn geldigheid heeft verloren
doordat het niet binnen de in de richtlijn vakbekwaamheid
bestuurders bedoelde termijn na afgifte is aangevuld met een met
goed gevolg voltooide nascholing kan een nieuw getuigschrift van
nascholing verwerven door de nascholing met goed gevolg te
voltooien.
2. De houder van een certificaat als bedoeld in artikel 151g,
vierde lid, dat zijn geldigheid heeft verloren doordat het niet
binnen de op het certificaat vermelde periode van geldigheid is
gebruikt om de in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders bedoelde
communautaire code op een rijbewijs of een kwalificatiekaart
bestuurder te laten vermelden, kan een nieuw certificaat verwerven
door de nascholing met goed gevolg te voltooien.
Artikel 151j
Het is verboden voor het verkrijgen van een overeenkomstig
artikel 151g, derde lid, op het rijbewijs vermeld getuigschrift of
een in artikel 151g, vierde lid, bedoeld certificaat opzettelijk
onjuiste opgaven te doen, onjuiste inlichtingen te verschaffen en
onjuiste bewijsstukken en andere bescheiden over te leggen.
Artikel 151k
Een wijziging van de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders gaat
voor de toepassing van hoofdstuk VIIA gelden met ingang van de dag
waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn
gegeven.
Hoofdstuk VIII. Kosten
Artikel 152
1. Verkeerstekens die worden geplaatst of verwijderd krachtens
een verkeersbesluit, worden geplaatst en verwijderd op kosten van
het gezag dat het verkeersbesluit heeft genomen.
2. Maatregelen ter regeling van het verkeer als bedoeld in
artikel 15, tweede lid, geschieden op kosten van het gezag dat het
verkeersbesluit heeft genomen.
Artikel 153
Verkeerstekens die niet worden geplaatst of verwijderd krachtens
een verkeersbesluit, worden geplaatst en verwijderd op kosten van
het openbaar lichaam dat het beheer heeft over de weg of, indien
geen openbaar lichaam het beheer heeft, de eigenaar van de weg.
Artikel 154
In afwijking van artikel 152 geschiedt de plaatsing en
verwijdering van verkeerstekens, strekkende tot het instandhouden
van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan op kosten
van het openbaar lichaam dat het beheer heeft over de weg of, indien
geen openbaar lichaam het beheer heeft, van de eigenaar van de weg.
Artikel 155
De kosten, verbonden aan de plaatsing van verkeerstekens en de
uitvoering van maatregelen in dringende omstandigheden, komen ten
laste van degene die deze uitvoert.
Artikel 156
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen kosten, verbonden aan
de plaatsing of verwijdering van verkeerstekens, worden doorberekend
aan degene ten behoeve van wie het verkeersteken is geplaatst of
verwijderd.
Artikel 156a
Door burgemeester en wethouders worden op kosten van de gemeente
de grenzen van de bebouwde kom of kommen aangeduid voor zover en op
de wijze als bij ministeriële regeling bepaald.
Artikel 157
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke
gevallen en op welke wijze tarieven, verschuldigd op grond van deze
wet, gedeeltelijk worden terugbetaald.
Hoofdstuk IX. Handhaving
Artikel 158
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet, met uitzondering van dehoofdstukken IA, IB en
IC, zijn belast de in artikel 159 bedoelde personen en de bij
besluit van Onze Minister aangewezen personen, voor zover bij dat
besluit is bepaald. Zij beschikken daartoe over de inartikel 160,
vierde lid, genoemde bevoegdheid met betrekking tot het vervoeren
van personen en over de bevoegdheid, genoemd in artikel 160,
vijfde lid.
2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 34 en 35 zijn voorts belast de bij besluit
van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van
Economische Zaken aangewezen ambtenaren.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 159
Met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld bij of
krachtens deze wet, zijn belast:
a. de in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van
Strafvordering bedoelde personen;
b. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, van de Rijks- en de
provinciale waterstaat, van de Dienst Wegverkeer en van de
verkeersinspecties, een en ander voor zover bij die algemene
maatregel van bestuur is bepaald;
c. de in de artikelen 87 en 89 van de Wet personenvervoer
2000 bedoelde personen, voor zover het betreft de eisen die met
betrekking tot voertuigen als bedoeld in die wet worden gesteld
bij of krachtens deze wet.
Artikel 160
1. Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde
personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat
motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen
behoorlijk ter inzage af te geven:
a. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen
van het kentekenbewijs, dan wel het in artikel 37, eerste lid,
onderdeel b, bedoelde bewijs, en, indien met het motorrijtuig
een aanhangwagen wordt voortbewogen, de bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs van de
aanhangwagen, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel
b, bedoelde bewijs voor de aanhangwagen;
b. het rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde
gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem
buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven,
dat bewijs;
c. het ingevolge de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders,
bedoeld in artikel 151b, onderdeel a, vereiste getuigschrift;
d. indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet
vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking
houdende verlening van ontheffing;
e. een gehandicaptenparkeerkaart of een kaart ten behoeve
van het vervoer van gehandicapten, indien hij ter zake van het
besturen van het motorrijtuig op grond van een bij of
krachtens deze wet vastgesteld voorschrift dient te beschikken
over een dergelijke kaart.
2. Indien het kentekenbewijs is afgegeven voor een aanhangwagen
die overeenkomstig het krachtens deze wet bepaalde is voorzien van
een identificatieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen
een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde termijn.
3. Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde
personen is de bestuurder van een voertuig, niet zijnde een
motorrijtuig, verplicht dat voertuig te doen stilhouden en, indien
hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld
voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende
verlening van ontheffing behoorlijk ter inzage af te geven.
4. De in artikel 159 bedoelde personen zijn bevoegd zich te
vergewissen van de naleving van de bij of krachtens deze wet
vastgestelde voorschriften en zo nodig een voertuig ten aanzien
waarvan zij een onderzoek wensen in te stellen, naar een nabij
gelegen plaats te voeren of te doen voeren. De bestuurder van het
voertuig ten aanzien waarvan dit onderzoek wenselijk wordt
geoordeeld, en de bestuurder van het voertuig waardoor een
aanhangwagen wordt voortbewogen ten aanzien waarvan zodanig
onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, zijn verplicht desgevorderd
hun tot het onderzoek noodzakelijke medewerking te verlenen en
desverlangd de in artikel 159 bedoelde personen in hun voertuig te
vervoeren.
5. Op de eerste vordering van een van de in artikel 159,
onderdeel a, bedoelde personen zijn de bestuurder van een voertuig
en degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen,
verplicht hun medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek
van uitgeademde lucht en daartoe volgens door die persoon te geven
aanwijzingen ademlucht te blazen in een door die persoon
aangewezen apparaat.
6. Op eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel
a, bedoelde personen zijn de bestuurder van een motorrijtuig en
degene die aanstalten maakt een motorrijtuig te gaan besturen die
op grond vanartikel 132c, eerste lid, onderdeel d, de feitelijke
beschikking hebben gekregen over een rijbewijs waarop de bij
ministeriële regeling vastgestelde codering voor het rijden met
een alcoholslot is vermeld, verplicht het alcoholslot, dan wel de
daarvan deel uitmakende ademalcoholtester te tonen of een
blaastest op het in het motorrijtuig aanwezige alcoholslot uit te
voeren.
7. De bestuurder van een voertuig, die door een der in artikel
159 bedoelde personen in overtreding wordt bevonden van een bij of
krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, is verplicht de hem
door die persoon ter bescherming van bij het verkeer betrokken
belangen gegeven bevelen op te volgen.
Artikel 161
1. De in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen die bij de
uitoefening van de bij of krachtens deze wet, krachtens artikel 2
van de Wet op de identificatieplicht dan wel krachtens artikel
5:19, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan hen
verleende bevoegdheden de beschikking krijgen over een rijbewijs
waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de
overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de
inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der
artikelen 120, derde lid, 123b, vierde lid, 124, vierde lid, 131,
tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid, en
134, vierde lid, of 180, vierde lid, van deze wet een verplichting
tot inlevering bestaat, zijn bevoegd dat rijbewijs in te nemen en
het door te geleiden naar het betrokken parket van het openbaar
ministerie dan wel naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had
dienen in te leveren.
2. De in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen die bij de
uitoefening van de bij of krachtens deze wet aan hen verleende
bevoegdheden de beschikking krijgen over een rijbewijs dat zijn
geldigheid heeft verloren ingevolge artikel 123, eerste lid,
aanhef en onderdeel d, zijn bevoegd dat rijbewijs in te nemen en
door te geleiden naar de instantie die het heeft afgegeven.
3. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt
onder een rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door
het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
4. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden
vastgesteld ter uitvoering van het eerste, tweede en derde lid.
Artikel 162
1. Een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen
kan de bestuurder van een voertuig van wie, uit het in artikel
160, vijfde lid, bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het
oordeel van die persoon gebleken is dat hij onder zodanige invloed
van het gebruik van een stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid,
verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een voertuig behoorlijk
te besturen, een rijverbod opleggen voor de tijd gedurende welke
redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal
voortduren tot ten hoogste vierentwintig uren. De vorige volzin is
van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een
voertuig te gaan besturen.
2. De opsporingsambtenaar die een rijverbod oplegt, legt dit
vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van
het verbod bevat.
3. Het is degene aan wie een rijverbod als bedoeld in het
eerste lid is opgelegd, verboden een voertuig te besturen of als
bestuurder te doen besturen gedurende de tijd waarvoor dat
rijverbod geldt.
Artikel 163
1. Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft
gehandeld in strijd met artikel 8, kan de opsporingsambtenaar hem
bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld
in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid,
onderdeel a.
2. De bestuurder aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel
is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het
onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de
opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven
aanwijzingen.
3. De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet
voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van
medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere
geneeskundige redenen onwenselijk is.
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de
medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid
ademonderzoek, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of
hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek
als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, en artikel 8,
derde lid, onderdeel b. Gelijke bevoegdheid heeft de
opsporingsambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte
onder invloed van een andere in artikel 8, eerste lid, bedoelde
stof dan alcoholhoudende drank verkeert.
5. Indien de bestuurder zijn op grond van het vierde lid
gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie,
een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling
van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie,
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich
te onderwerpen aan een bloedonderzoek.
6. De bestuurder wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te
onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn
medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts zoveel bloed
afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.
7. De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor
de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem
om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
8. De krachtens het zevende lid van de in het zesde lid
genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee
te werken aan een door de officier van justitie, door een
hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling
van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie,
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen
onderzoek teneinde op andere wijze dan door bloed- of
ademonderzoek het gebruik van de in artikel 8, eerste lid,
bedoelde stoffen of het in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, en
artikel 8, derde lid, onderdeel b, genoemde gehalte vast te
stellen.
9. Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te
maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een
hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van
Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie,
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de
in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen,
tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige
redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet
plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn
toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het
vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De
verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn
medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn
medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van artikel 160,
vijfde lid, en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking
hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een
tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie worden
in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen
voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.
Artikel 164
1. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a
en b, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig,
tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt
ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet
vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem
afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde
gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een
internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs.
2. De in het eerste lid bedoelde vordering wordt gedaan in
geval van overtreding van:
a. artikel 8, indien bij een onderzoek als bedoeld in het
tweede lid, van die bepaling blijkt of, bij ontbreken van een
dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het
alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570
microgram alcohol per liter uitgeademde lucht,
onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de
bestuurder hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per
milliliter bloed;
b. artikel 8, indien bij een onderzoek als bedoeld in het
derde of vierde lid van die bepaling blijkt of, bij het
ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden
bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder
hoger is dan 350 microgram alcohol per liter uitgeademde
lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van
de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 0,8 milligram alcohol
per milliliter bloed;
c. artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid;
d. overschrijding van een krachtens deze wet vastgestelde
maximumsnelheid met vijftig kilometer of meer, door een
bestuurder van een motorrijtuig anders dan een bromfiets, in
geval van staandehouding van de bestuurder;
e. overschrijding van een krachtens deze wet vastgestelde
maximumsnelheid met dertig kilometer of meer door een
bestuurder van een bromfiets, in geval van staandehouding van
de bestuurder.
3. De in het eerste lid bedoelde vordering kan worden gedaan
indien door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in
gevaar is gebracht.
4. De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het
proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie.
In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e,
of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig
rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de
bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid
zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde
bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking
onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht
van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of
uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van
motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip
waarop de ontzegging is verstreken.
5. De officier van justitie is bevoegd de toepassing van de in
het vierde lid bedoelde bevoegdheid te schorsen indien:
a. de geldigheid van de bewijzen ingevolge artikel 131,
derde lid, onderdeel a, voor alle categorieën van
motorrijtuigen waarvoor zij zijn afgegeven, wordt geschorst;
b. de bewijzen ingevolge artikel 124 voor alle categorieën
van motorrijtuigen waarvoor zij zijn afgegeven, ongeldig
worden verklaard voor een bepaald deel van de geldigheidsduur;
c. een rechterlijke uitspraak of strafbeschikking waarbij
de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd,
voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.
De schorsing duurt voort zolang de bewijzen ingevolge de
onderdelen a, b en c ongeldig zijn.
6. Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag
van invordering niet gebruik maakt van de in het vierde lid
bedoelde bevoegdheid, geeft hij de ingevorderde bewijzen
onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats,
indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid
dat aan de houder in geval van veroordeling door de rechter dan
wel uitvaardiging van een strafbeschikking geen onvoorwaardelijke
ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen
zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van
langere duur dan de tijd gedurende welke de bewijzen zijn
ingevorderd of ingehouden geweest. Teruggave vindt ten slotte
plaats indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet
binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, dan
wel binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd. Het
rijbewijs wordt niet aan betrokkene teruggegeven, indien het een
rijbewijs betreft waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede
lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de
inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der
artikelen 120, derde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid,
onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid,134, vierde lid, of
180, derde lid, een verplichting tot inlevering bestaat. Het
rijbewijs wordt in dat geval doorgeleid naar degene bij wie de
houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.
7. In geval van toepassing van het eerste lid kan het
motorrijtuig, voor zover geen andere bestuurder beschikbaar is of
de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering, onder
toezicht of, voor zover degene die het proces-verbaal opmaakt
zulks nodig oordeelt, in bewaring worden gesteld. In het laatste
geval zijn de artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin,
vierde en vijfde lid, 171, 172 en 173, eerste lid, van deze wet en
de artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124, 5:10, 5:25, eerste en
zesde lid, 5:29, tweede en derde lid, 5:30, eerste, tweede, vierde
en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing. Teruggave van het motorrijtuig vindt
slechts plaats indien aan de vordering is voldaan of indien de
officier van justitie zich niet langer tegen de teruggave verzet.
8. In geval van toepassing van het eerste of vierde lid kan
elke belanghebbende bij klaagschrift daartegen opkomen. Zolang in
de zaak nog geen vervolging is ingesteld, wordt het klaagschrift
ingediend ter griffie van de rechtbank in het arrondissement waar
het in het eerste lid bedoelde feit werd begaan, en anders ter
griffie van het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de
vervolging plaatsvindt of, in geval van verzet tegen een
uitgevaardigde strafbeschikking, zou worden voortgezet, dan wel
het laatst plaatsvond. Artikel 552a, vierde en zesde lid, van het
Wetboek van Strafvordering is verder van overeenkomstige
toepassing. De raadkamer van het gerecht geeft zo spoedig
mogelijk, na de belanghebbende, desverlangd bijgestaan door diens
raadsman, te hebben gehoord, althans opgeroepen, zijn met redenen
omklede beslissing, welke onverwijld aan de belanghebbende wordt
betekend. Tegen de beslissing kan door het openbaar ministerie
binnen veertien dagen daarna en door de belanghebbende binnen
veertien dagen na de betekening beroep in cassatie worden
ingesteld. De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk.
9. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of
maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit
waarvoor de toepassing van het eerste of vierde lid niet is
toegelaten, kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte hem
een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die
hij ten gevolge van die toepassing heeft geleden. Onder schade is
begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De
artikelen 89, derde tot en met zesde lid, 90, 91 en 93 van het
Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 165
1. Indien een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit
wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend
gebleven bestuurder van een motorrijtuig, is de eigenaar of houder
van dat motorrijtuig verplicht op vordering van een der in artikel
159 bedoelde personen binnen een daarbij te stellen termijn, die
ten minste achtenveertig uren bedraagt, de naam en het volledige
adres van de bestuurder bekend te maken.
2. Het eerste lid geldt niet, indien de eigenaar of houder niet
heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan
redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
Artikel 166
1. Indien een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit
wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend
gebleven bestuurder van een motorrijtuig, waarmee een aanhangwagen
waarvoor een kenteken is vereist, wordt voortbewogen, is de
eigenaar of houder van die aanhangwagen verplicht op vordering van
een der in artikel 159 bedoelde personen binnen een daarbij te
stellen termijn, die ten minste achtenveertig uren bedraagt, de
naam en het volledige adres van de bestuurder dan wel van de
eigenaar of houder van het motorrijtuig, waarmee die aanhangwagen
werd voortbewogen, bekend te maken.
2. Het eerste lid geldt niet, indien de eigenaar of houder van
de aanhangwagen niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder
dan wel de eigenaar of houder van het motorrijtuig, waarmee die
aanhangwagen werd voortbewogen, was en hem daarvan redelijkerwijs
geen verwijt kan worden gemaakt.
Artikel 167
De artikelen 165 en 166 zijn mede van toepassing op de eigenaar
of houder van een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig of
een in het buitenland geregistreerde aanhangwagen.
Artikel 168
Voor de toepassing van artikel 160, voor wat betreft de in het
eerste lid bedoelde verplichting tot het doen stilhouden van een
motorrijtuig en het vierde, vijfde en zesde lid, en van de artikelen
162, eerste lid, 163 en 164 wordt met de bestuurder van een
motorrijtuig gelijkgesteld degene die overeenkomstig de in artikel
1, eerste lid, onderdeel n, bedoelde voorwaarde geacht wordt het
motorrijtuig onder onmiddellijk toezicht van de bestuurder te
besturen.
Hoofdstuk X. Last onder bestuursdwang
Artikel 169
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot
oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de
bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
2. De ambtenaren die een bevel hebben gegeven als bedoeld in
artikel 160, zesde lid, zijn bevoegd tot oplegging van een last
onder bestuursdwang ter handhaving van het bevel.
Artikel 170
1. Tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot
oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel
125 van de Gemeentewet, behoort de bevoegdheid tot het overbrengen
en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien
met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld
voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het
voertuig noodzakelijk is in verband met
a. het belang van de veiligheid op de weg, of
b. het belang van de vrijheid van het verkeer, of
c. het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.
2. De artikelen 5:24, 5:25, tweede tot en met vierde lid, 5:29,
vijfde lid, 5:30, derde lid, en 5:31 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn niet van toepassing. Bij de toepassing van
artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht treedt de
rechthebbende die het voertuig afhaalt, in de plaats van de
overtreder. Voor de toepassing van artikel 5:30 van de Algemene
wet bestuursrecht wordt de omstandigheid dat een voertuig niet is
afgehaald, gelijkgesteld met de omstandigheid dat het voertuig
niet kan worden teruggegeven.
3. Burgemeester en wethouders plegen regelmatig overleg met de
officier van justitie over de uitoefening van de in het eerste lid
bedoelde bevoegdheid.
4. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat in een
daartoe aangelegd register aantekening wordt gehouden van de
gevallen waarin de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt
uitgeoefend.
5. Bij toepassing van het eerste lid wordt onder rechthebbende
verstaan: degene die ofwel eigenaar is van het voertuig ofwel
anders dan als bezitter het voertuig ten tijde van de overtreding
ten gebruike onder zich had. Hierbij geldt artikel 1, tweede lid,
niet.
6. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt niet
uitgeoefend, indien de rechthebbende het voertuig verwijdert
voordat met de overbrenging een aanvang wordt gemaakt. Hij is
alsdan de kosten verbonden aan de voorbereiding van de
overbrenging, verschuldigd. De artikelen 4:116, 4:118 tot en met
4:124, en 5:10 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 171
1. Een beschikking tot oplegging van een last onder
bestuursdwang overeenkomstig artikel 170, eerste lid, wordt
bekendgemaakt:
a. aan de rechthebbende die het voertuig afhaalt, of
b. indien het voertuig binnen achtenveertig uur na de
inbewaringstelling niet is afgehaald, zo mogelijk binnen een
week:
1°. aan degene aan wie het kenteken is opgegeven,
indien het voertuig een kenteken voert;
2°. aan degene die aangifte heeft gedaan, indien
blijkt dat ter zake van het voertuig aangifte van
vermissing is gedaan, of
3°. in nader bij ministeriële regeling vast te
stellen gevallen op de daarbij aangegeven wijze.
2. Bij de bekendmaking krachtens het eerste lid, onderdeel b,
wordt gewezen op het verschuldigd zijn van kosten, verbonden aan
de oplegging van een last onder bestuursdwang.
Artikel 172
1. Tot de kosten, verbonden aan de oplegging van een last onder
bestuursdwang als bedoeld in artikel 170, eerste lid, worden
gerekend:
a. de kosten die verband houden met de overbrenging en
bewaring;
b. de kosten die verband houden met de bekendmaking van de
beschikking tot overbrenging en inbewaringstelling, en
c. de kosten van verkoop, eigendomsoverdracht om niet of
vernietiging.
2. Verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging vindt
niet plaats binnen twee weken na de bekendmaking van de
beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang
krachtens artikel 171, eerste lid, onderdeel b. De opbrengst van
verkoop of de geschatte sloopwaarde bij vernietiging wordt in
mindering gebracht op de kosten, verbonden aan de oplegging van
een last onder bestuursdwang.
3. Burgemeester en wethouders betalen het bedrag van de kosten,
verbonden aan de oplegging van een last onder bestuursdwang,
terug, indien:
a. niet tot overbrenging en inbewaringstelling had mogen
worden overgegaan;
b. de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan,
van dien aard waren dat de kosten redelijkerwijs niet
verschuldigd zijn, of
c. aannemelijk is dat het voertuig tegen de wil van de
rechthebbende is gebruikt en hij dit gebruik redelijkerwijs
niet heeft kunnen voorkomen.
4. In een geval als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, zijn
de kosten verschuldigd door degene die de overtreding heeft
begaan. De artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124 en 5:10 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
5. Indien de kosten, verbonden aan de oplegging van een last
onder bestuursdwang, die door de rechthebbende zijn betaald, te
hoog zijn berekend, betalen burgemeester en wethouders het te veel
betaalde terug.
6. Indien de in het derde lid, onderdeel b, bedoelde
omstandigheden van dien aard waren dat de kosten redelijkerwijs
niet volledig verschuldigd zijn, betalen burgemeester en
wethouders het niet verschuldigde bedrag terug.
7. Bij toepassing van het derde lid, onderdeel a, betalen
burgemeester en wethouders tevens een redelijke schadeloosstelling
aan de rechthebbende die het voertuig heeft afgehaald. Indien het
voertuig ten tijde van de overtreding in gebruik was bij een ander
dan de rechthebbende die het voertuig heeft afgehaald, treedt die
ander voor de toepassing van dit lid in de plaats van de
rechthebbende die het voertuig heeft afgehaald.
8. Indien aantoonbaar is dat tijdens de overbrenging en
bewaring schade aan het voertuig is toegebracht, is de gemeente
gehouden deze schade te vergoeden.
Artikel 173
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden:
a. de soorten van de in artikel 170, eerste lid, onderdeel
c, bedoelde weggedeelten en wegen aangewezen;
b. nadere regels vastgesteld over de registratie van
gegevens in geval van toepassing van artikel 170, eerste lid;
c. nadere regels vastgesteld over de berekening van de
kosten, verbonden aan de oplegging van een last onder
bestuursdwang, en
d. de overige regels vastgesteld die voor de uitvoering van
de artikelen 170 tot en met 172 nodig worden geacht.
2. Bij gemeentelijke verordening worden nadere regels gesteld
ter uitvoering van de artikelen 170 tot en met 172 en de in het
eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur. Die regels
betreffen in elk geval
a. de aanwijzing van de plaats, onderscheidenlijk de
plaatsen, waar verwijderde voertuigen in bewaring worden
gesteld, en
b. de berekening van de kosten, verbonden aan de oplegging
van een last onder bestuursdwang, en voorts
c. de aanwijzing van de weggedeelten en wegen, voor de
bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang,
bedoeld in artikel 170, eerste lid, onderdeel c.
Artikel 174
1. Indien ter zake van een overtreding van artikel 40, eerste
lid, proces-verbaal wordt opgemaakt door een ambtenaar van
politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel
een op dat voorschrift betrekking hebbende gedraging, omschreven
in de in artikel 2, eerste lid, van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
bedoelde bijlage door hem wordt geconstateerd, begaan met een op
de weg staand motorrijtuig, terwijl niet terstond blijkt wie de
eigenaar of houder van dat motorrijtuig is, is de burgemeester
bevoegd op verzoek van die ambtenaar dat motorrijtuig naar een
door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te
doen stellen.
2. Alvorens het in het eerste lid bedoelde verzoek te doen, kan
de daar bedoelde ambtenaar door middel van een daartoe aan te
brengen apparaat het rijden met het motorrijtuig voor ten hoogste
twee dagen beletten. Het apparaat wordt binnen die termijn
verwijderd, zodra bekend wordt wie de eigenaar of houder van het
motorrijtuig is.
3. De artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin,
vierde, vijfde en zesde lid, 171, 172 en 173, eerste lid, van deze
wet en de artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124, 5:10, 5:25,
eerste en zesde lid, 5:29, tweede en derde lid, en 5:30, eerste,
tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk XI. Strafbepalingen
Artikel 175
1. Overtreding van artikel 6 wordt gestraft met:
a. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft
waardoor een ander wordt gedood;
b. gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden
of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval
betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt
toegebracht.
2. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt overtreding
van artikel 6 gestraft met:
a. gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete
van de vijfde categorie, indien het een ongeval betreft
waardoor een ander wordt gedood;
b. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft
waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
3. Indien de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in
artikel 8, eerste, tweede, derde of vierde lid, dan wel na het
feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel
163, tweede, zesde, achtste of negende lid, of indien het feit is
veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze
wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft
overschreden, dan wel zeer dicht achter een ander voertuig is gaan
rijden, geen voorrang heeft verleend of gevaarlijk heeft ingehaald
kunnen de in het eerste en tweede lid bepaalde gevangenisstraffen
met de helft worden verhoogd.
Artikel 176
1. Overtreding van artikel 41, eerste lid, onderdelen c tot en
met f, wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste
zes maanden en geldboete van de derde categorie, hetzij met een
van beide voormelde straffen.
2. Overtreding van artikel 11 wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
derde categorie.
3. Overtreding van de artikelen 7, eerste lid, 8, 9, eerste,
tweede, vierde, vijfde, zevende en negende lid, 41, eerste lid,
onderdelen a en b, 51, eerste lid, 61, eerste lid, onderdeel c,
74, 114, 151j,162, derde lid, 163, tweede, zesde, achtste en
negende lid, en van de in artikel 4, tweede en vijfde lid,
bedoelde regels voor zover het betreft een verbod tot het gebruik
van verlichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 177
1. Overtreding van:
a. de artikelen 5, 9, achtste lid, 10, eerste lid, 12,
eerste lid, 33, 36, eerste tot en met vijfde lid, 40, eerste
lid , 60, eerste en tweede lid, 70a, tweede lid, 70i, eerste
en tweede lid, 72, eerste en tweede lid, 107, eerste en tweede
lid, 110, 110b, 123b, vierde lid, 124, vierde lid, 124a, derde
lid, 130, tweede lid, 132, vijfde lid, 150, tweede lid, 151c,
eerste lid, 160, 164, eerste lid, 165, eerste lid, 166, eerste
lid,
b. het bepaalde ingevolge de artikelen 57, derde lid, 70i,
derde lid en 131, derde lid, onderdeel b,
c. de in artikel 4, tweede en vijfde lid, bedoelde regels
voor zover niet begrepen in artikel 176, derde lid, en
d. het bepaalde krachtens deze wet, voor zover die
overtreding uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt,
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of
geldboete van de tweede categorie.
2. Overtreding van de artikelen 66, 66e, 70g, 89, 104, 106b,
132j en132o wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
Artikel 178
1. De in de artikelen 175 en 176 strafbaar gestelde feiten zijn
misdrijven.
2. De in artikel 177 strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Artikel 179
1. Bij veroordeling van de bestuurder van een motorrijtuig
wegens overtreding van de artikelen 6, 7, eerste lid, 8, 9, 162,
derde lid, of 163, tweede, zesde, achtste of negende lid, kan hem
de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten
hoogste vijf jaren worden ontzegd.
2. Bij veroordeling van de bestuurder van een motorrijtuig
wegens overtreding van de artikelen 5, 10, eerste lid, 12, eerste
lid, 41, eerste lid, 51, eerste lid, 61, 74 of 114, dan wel van de
eigenaar of houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen wegens
overtreding van artikel 165, eerste lid, of artikel 166, eerste
lid, kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen
voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
3. Bij veroordeling van de bestuurder van een motorrijtuig
wegens overtreding van het bepaalde krachtens deze wet kan hem in
die gevallen, waarin dit bij algemene maatregel van bestuur is
bepaald, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor
ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
4. Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten in
het eerste lid genoemd, nog geen vijf jaren zijn verlopen na het
einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke
veroordeling wegens een van die strafbare feiten de betrokkene de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, kan
hem die bevoegdheid voor ten hoogste tien jaren worden ontzegd.
5. Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten in
het tweede lid genoemd of krachtens deze wet aangewezen, nog geen
twee jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor
bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die
strafbare feiten of wegens een der in het eerste lid bedoelde
strafbare feiten de betrokkene de bevoegdheid tot het besturen van
motorrijtuigen is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten
hoogste vier jaren worden ontzegd.
6. Bij het opleggen van de bijkomende straf, bedoeld in het
eerste tot en met het vijfde lid, wordt de tijd gedurende welke
het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 vóór het
tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of
ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in
mindering gebracht.
7. Voor de toepassing van dit artikel wordt met de bestuurder
van een motorrijtuig gelijkgesteld degene die overeenkomstig de in
artikel 1, eerste lid, onderdeel n, bedoelde voorwaarde geacht
wordt het motorrijtuig onder onmiddellijk toezicht van de
bestuurder te besturen.
8. Voor de toepassing van het zesde lid wordt onder rijbewijs
mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde
gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig
is.
9. Voor de toepassing van dit artikel wordt een
strafbeschikking met een veroordeling gelijkgesteld.
10. Voor de toepassing van het vierde onderscheidenlijk het
vijfde lid, wordt onder vroegere onherroepelijke veroordeling mede
verstaan een vroegere onherroepelijke veroordeling door een
strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens
feiten soortgelijk aan de feiten, bedoeld in het vierde
onderscheidenlijk het vijfde lid.
Artikel 179a
1. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 287 of 289
van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven kan de
schuldige die het feit heeft gepleegd met een motorrijtuig dat hij
ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen, de bevoegdheid
tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste tien jaren
worden ontzegd.
2. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 285, 301,
302 of 303 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven
kan de schuldige die het feit heeft gepleegd met een motorrijtuig
dat hij ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen, de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste
vijf jaren worden ontzegd.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt een
strafbeschikking met een veroordeling gelijkgesteld.
Artikel 180
1. Voor wat betreft de bijkomende straf van ontzegging van de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is artikel 557,
tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering op rechterlijke
uitspraken niet van toepassing. Een strafbeschikking houdende deze
bijkomende straf is in zoverre eerst voor tenuitvoerlegging
vatbaar als geen verzet meer kan worden gedaan.
2. De rechterlijke uitspraak of strafbeschikking is voor wat
betreft de bijkomende straf niet voor tenuitvoerlegging vatbaar,
zolang de termijn waarvoor de veroordeelde bij een andere
rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het
besturen van motorrijtuigen is ontzegd, nog niet is verstreken.
3. Indien de rechterlijke uitspraak of strafbeschikking voor
wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is
geworden, geschiedt de tenuitvoerlegging niet dan nadat aan de
veroordeelde in persoon een schrijven is uitgereikt, volgens de
artikelen 587 en 588 van het Wetboek van Strafvordering, waarin
het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging, de
verplichting tot inlevering van het rijbewijs uiterlijk op dat
tijdstip, alsmede het gevolg van niet tijdige inlevering worden
medegedeeld.
4. De houder van een rijbewijs is, tenzij het is ingevorderd en
niet is teruggegeven, verplicht dat rijbewijs in te leveren op het
parket van het openbaar ministerie vanwaar hij het schrijven,
bedoeld in het derde lid, heeft ontvangen, uiterlijk op het
tijdstip van ingang van de ontzegging.
5. Teruggave vindt plaats zodra de termijn van de ontzegging is
verstreken. Geen teruggave vindt plaats ten aanzien van het
rijbewijs of de rijbewijzen waarvan ingevolge een der artikelen
130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan
ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving
verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd, ten aanzien
waarvan ingevolge een derartikelen 120, derde lid, 124, vierde
lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede
lid, 134, vierde lid, of 180, derde lid, een verplichting tot
inlevering bestaat. De officier van justitie geleidt in deze
gevallen het rijbewijs of de rijbewijzen door naar degene bij wie
de houder dat rijbewijs of die rijbewijzen had dienen in te
leveren. Indien het rijbewijs op grond van artikel 123b ongeldig
is dan wel indien een aantekening is geplaatst als bedoeld in dat
artikel, geleidt de officier van justitie het rijbewijs of de
rijbewijzen door naar de Dienst Wegverkeer.
6. De termijn van ontzegging van de bevoegdheid tot het
besturen van motorrijtuigen wordt van rechtswege verlengd met het
aantal dagen dat is verstreken tussen het tijdstip waarop het
rijbewijs ingevolge het vierde lid had moeten worden ingeleverd en
het tijdstip waarop nadien die inlevering heeft plaatsgevonden.
7. De termijn van de ontzegging wordt voorts verlengd met de
tijd dat de veroordeelde gedurende de ontzegging rechtens zijn
vrijheid is ontnomen.
8. Voor de toepassing van het derde, vierde, vijfde en zesde
lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven
door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de
houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 181
1. Indien een bij of krachtens deze wet als overtreding
strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking van
het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, kunnen
de op het feit gestelde straffen worden opgelegd aan de eigenaar
of houder van dat motorrijtuig voor zover deze niet reeds naast de
bestuurder voor dat feit aansprakelijk is.
2. Het eerste lid geldt bij een strafbeschikking niet, indien
de eigenaar of houder:
a. voor het uitvaardigen van de strafbeschikking de naam en
het volledige adres van de bestuurder bekend heeft gemaakt,
b. niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en
hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
3. Het eerste lid geldt bij berechting niet, indien de eigenaar
of houder:
a. binnen twee weken na daartoe door een der in artikel 159
bedoelde personen in de gelegenheid te zijn gesteld dan wel
bij het instellen van verzet tegen een strafbeschikking, de
naam en het volledige adres van de bestuurder heeft bekend
gemaakt;
b. uiterlijk op de dag vóór die der terechtzitting,
schriftelijk en onder vermelding van de zaak en de dag der
terechtzitting, de naam en het volledige adres van de
bestuurder aan het openbaar ministerie bekend maakt;
c. tijdens de terechtzitting, dadelijk na de ondervraging,
bedoeld in artikel 273, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering, de naam en het volledige adres van de
bestuurder bekend maakt;
d. niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en
hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
4. Op straffe van nietigheid wijst de dagvaarding op het derde
lid, onderdelen b en c. De strafbeschikking wijst de verdachte op
de mogelijkheid bij het instellen van verzet gegevens te
verstrekken die tot toepassing van het derde lid, onderdeel a of
d, kunnen leiden.
Artikel 182
1. Indien een bij of krachtens deze wet als overtreding
strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking van
het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig waarmee
een aanhangwagen, waarvoor een kenteken is vereist, wordt
voortbewogen, kunnen de op het feit gestelde straffen worden
opgelegd aan de eigenaar of houder van die aanhangwagen.
2. Het eerste lid geldt bij een strafbeschikking niet, indien
de eigenaar of houder van de aanhangwagen:
a. voor het uitvaardigen van de strafbeschikking de naam en
het volledige adres bekend heeft gemaakt van de bestuurder dan
wel van de eigenaar of houder van het motorrijtuig waarmee de
aanhangwagen werd voortbewogen,
b. niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder dan wel
van de eigenaar of houder van het motorrijtuig waarmee de
aanhangwagen werd voortbewogen, was en hem daarvan
redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
3. Het eerste lid geldt bij berechting niet, indien de eigenaar
of houder van de aanhangwagen:
a. binnen twee weken na daartoe door een der in artikel 159
bedoelde personen in de gelegenheid te zijn gesteld dan wel
bij het instellen van verzet tegen een strafbeschikking, de
naam en het volledige adres van de bestuurder dan wel van de
eigenaar of houder van het motorrijtuig waarmee de
aanhangwagen werd voortbewogen, heeft bekend gemaakt;
b. uiterlijk op de dag vóór die der terechtzitting,
schriftelijk en onder vermelding van de zaak en de dag der
terechtzitting, de naam en het volledige adres van de
bestuurder dan wel van de eigenaar of houder van het
motorrijtuig waarmee de aanhangwagen werd voortbewogen, aan
het openbaar ministerie bekend maakt;
c. tijdens de terechtzitting, dadelijk na de ondervraging,
bedoeld in artikel 273, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering, de naam en het volledige adres van de
bestuurder dan wel van de eigenaar of houder van het
motorrijtuig waarmee de aanhangwagen werd voortbewogen, bekend
maakt;
d. niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder dan wel
de eigenaar of houder van het motorrijtuig waarmee de
aanhangwagen werd voortbewogen, was en hem daarvan
redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
4. Op straffe van nietigheid wijst de dagvaarding op het derde
lid, onderdelen b en c. De strafbeschikking wijst de verdachte op
de mogelijkheid bij het instellen van verzet gegevens te
verstrekken die tot toepassing van het derde lid, onderdeel a of
d, kunnen leiden.
Artikel 183
De artikelen 181 en 182 zijn mede van toepassing op de eigenaar
of houder van een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig of
een in het buitenland geregistreerde aanhangwagen.
Artikel 184
Bij overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a,
is strafvervolging tegen de in dat artikel bedoelde overtreder
uitgesloten, indien deze binnen twaalf uren na het verkeersongeval
en voordat hij als verdachte is aangehouden of verhoord, vrijwillig
van het ongeval kennis geeft aan een van de in artikel 141 van het
Wetboek van Strafvordering bedoelde personen en daarbij zijn
identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens de
identiteit van dat motorrijtuig bekend maakt.
Hoofdstuk XII. Civiele aansprakelijkheid
Artikel 185
1. Indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden,
betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt
toegebracht aan, niet door dat motorrijtuig vervoerde, personen of
zaken, is de eigenaar van het motorrijtuig of - indien er een
houder van het motorrijtuig is - de houder verplicht om die schade
te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten
aan overmacht, daaronder begrepen het geval dat het is veroorzaakt
door iemand, voor wie onderscheidenlijk de eigenaar of de houder
niet aansprakelijk is.
2. De eigenaar of houder die het motorrijtuig niet zelf
bestuurt, is aansprakelijk voor de gedragingen van degene door wie
hij dat motorrijtuig doet of laat rijden.
3. Het eerste en het tweede lid vinden geen toepassing ten
aanzien van schade, door een motorrijtuig toegebracht aan
loslopende dieren, aan een ander motorrijtuig in beweging of aan
personen en zaken die daarmee worden vervoerd.
4. Dit artikel laat onverkort de uit andere wettelijke
bepalingen voortvloeiende aansprakelijkheid.
Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen
Artikel 186
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld voor een periode van ten hoogste zes jaar
ten behoeve van experimenten met:
a. verkeerstekens en maatregelen op of aan de weg;
b. de eisen ten aanzien van voertuigen waarmee over de weg
wordt gereden of voertuigen die op de weg staan;
c. de eisen ten aanzien van rijvaardigheid en
rijbevoegdheid;
d. de eisen ten aanzien van de vakbekwaamheid van
bestuurders goederen- en personenvervoer over de weg.
Daarbij kan worden afgeweken van hoofdstuk II, paragraaf 2,
hoofdstuk V, paragrafen 1 tot en met 6, hoofdstuk VI en hoofdstuk
VIIA, paragraaf 2 van deze wet en van hoofdstuk VI van de Wet
geluidhinder, alsmede van de krachtens die paragrafen of die
hoofdstukken gestelde regels, een en ander met inachtneming van
verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of
van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet
gezamenlijk.
2. In de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van
bestuur wordt in elk geval bepaald:
a. van welke van de in het eerste lid bedoelde bepalingen
wordt afgeweken;
b. het resultaat dat met een experiment, als bedoeld in het
eerste lid, wordt beoogd.
3. Onze Minister zendt uiterlijk zes maanden voor de
beëindiging van een experiment, als bedoeld in het eerste lid,
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede
een standpunt inzake de voortzetting anders dan als experiment,
aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 186a
1. De verplichting, bedoeld in artikel 151c, eerste lid, geldt
voor een bestuurder van:
a. een voertuig waarvoor een rijbewijs van een van de
categorieën D1, E bij D1, D of E bij D, bedoeld in artikel 3
van richtlijn nr. 91/439/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PbEG
L 237), of een als gelijkwaardig erkend rijbewijs vereist is:
met ingang van 10 september 2008;
b. een voertuig waarvoor een rijbewijs van een van de
categorieën C1, E bij C1, C of E bij C, bedoeld in artikel 3
van de in onderdeel a genoemde richtlijn, of een als
gelijkwaardig erkend rijbewijs vereist is: met ingang van 10
september 2009.
2. Een wijziging van de in het eerste lid, onderdeel a,
genoemde richtlijn en van de inartikel 151b, onderdeel a, bedoelde
richtlijn vakbekwaamheid bestuurders gaat voor de toepassing van
dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 187
De inwerkingtreding van deze wet wordt nader bij de wet geregeld.
Artikel 188
Deze wet kan worden aangehaald als: Wegenverkeerswet 1994.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 21 april 1994
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de dertigste juni 1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto
|