Nadere regelgeving:
- Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels
- Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)
- Besluit alcoholonderzoeken
- Besluit
personenvervoer 2000 (Bp 2000)
- Besluit
voertuigen
- Besluit wegslepen van voertuigen
- Kentekenreglement
- Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels
- Regeling ademanalyse
- Regeling
bloed- en urineonderzoek
- Regeling eisen geschiktheid 2000
- Regeling eisen individuele goedkeuring
(vervallen)
- Regeling gehandicaptenparkeerkaart
- Regeling kentekens en kentekenplaten
- Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid
(vervallen)
- Regeling maatregelen rijvaardigheid en
geschiktheid 2011
- Regeling
optische en geluidssignalen 2009
- Regeling
tachograafkaarten
- Regeling toelatingseisen
(vervallen)
- Regeling verkeerslichten
- Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen
- Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
- Regeling
voertuigen
- Regeling wijze van keuren APK
(vervallen)
- Reglement rijbewijzen
- Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
(RVV 1990)
- Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens
- Voertuigreglement
(vervallen)
WET van 21 april 1994, houdende
vervanging van de Wegenverkeerswet
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels
inzake het verkeer op de weg opnieuw vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat;
b. wegen: alle voor het
openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van
de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen
behorende paden en bermen of zijkanten;
c. motorrijtuigen: alle
voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden
voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht,
op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische
tractie met stroomtoevoer van elders, met uitzondering van
fietsen met trapondersteuning;
d. aanhangwagen: voertuig dat
kennelijk is bestemd om te worden voortbewogen door een
motorrijtuig. In het bepaalde krachtens deze wet kan onder
aanhangwagen tevens worden verstaan een voertuig dat door een
ander voertuig wordt voortbewogen of kennelijk is bestemd om
door een ander voertuig te worden voortbewogen;
e. bromfiets:
a. motorrijtuig op twee
wielen, met een door de constructie bepaalde
maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, uitgerust met
een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer
dan 50 cm3 of een elektromotor met een nominaal continu
maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een
gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig als bedoeld in
subonderdeel d;
b. motorrijtuig op drie
wielen, met een door de constructie bepaalde
maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, niet zijnde een
gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig als bedoeld in
subonderdeel d, uitgerust met:
1°. een motor met
elektrische ontsteking met een cilinderinhoud van niet
meer dan 50 cm3,
2°. een motor met
inwendige verbranding en een netto maximumvermogen van
niet meer dan 4 kW voor andere dan onder 1° genoemde
motoren, of
3°. een elektromotor met
een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4
kW; dan wel
c. motorrijtuig op vier
wielen, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een
motorrijtuig als bedoeld in subonderdeel d, met een door
de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan
45 km/h en een ledige massa van minder dan 350 kg, de
massa van de batterijen in elektrische voertuigen niet
inbegrepen, uitgerust met:
1°. een motor met
elektrische ontsteking met een cilinderinhoud van niet
meer dan 50 cm3,
2°. een motor met
inwendige verbranding en een netto maximumvermogen van
niet meer dan 4 kW voor andere dan onder 1° genoemde
motoren, of
3°. een elektromotor met
een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4
kW;
d. een motorrijtuig als
bedoeld in artikel 20b.
In ieder geval wordt als
bromfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven
kentekenbewijs als bromfiets is aangeduid;
ea. fietsen met
trapondersteuning: fietsen die zijn voorzien van een
elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van
maximaal 0,25 kW en waarvan de aandrijfkracht geleidelijk
vermindert en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig
een snelheid van 25 km/h bereikt, of eerder, indien de
bestuurder ophoudt met trappen;
f. typegoedkeuring: goedkeuring
van tot een bepaald type behorende voertuigen,
voertuigonderdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen ter
bescherming van weggebruikers en passagiers;
g. kenteken: kenteken als
bedoeld in artikel 36 of artikel 37, derde lid;
h. kentekenbewijs:
kentekenbewijs als bedoeld in artikel 36 dan wel een
kentekenbewijs, afgegeven ter zake van de opgave van een
kenteken als bedoeld in artikel 37, derde lid;
i. kentekenregister: register,
bedoeld in artikel 42;
j. keuringsbewijs:
keuringsbewijs als bedoeld in artikel 72;
k. keuringsrapport:
keuringsbewijs of een beschikking tot weigering van de afgifte
van een keuringsbewijs;
l. rijbewijs: rijbewijs,
bedoeld in artikel 107;
m. rijbewijzenregister:
register, bedoeld in artikel 126;
n. bestuurder van een
motorrijtuig: degene die het motorrijtuig bestuurt of degene
die, overeenkomstig de bij algemene maatregel van bestuur
gestelde voorwaarde, wordt geacht het motorrijtuig onder zijn
onmiddellijk toezicht te doen besturen;
o. houder van een motorrijtuig
of een aanhangwagen: degene die het voertuig:
1°. op grond van een
overeenkomst van huurkoop onder zich heeft,
2°. in vruchtgebruik
heeft, of
3°. anderszins, anders dan
als eigenaar of bezitter, tot duurzaam gebruik onder zich
heeft;
p. verwerken van gegevens:
verwerken als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet
bescherming persoonsgegevens;
q. Dienst Wegverkeer: de in
artikel 4a bedoelde dienst;
r. het CBR: de Stichting
Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen;
s. goedkeuring van een
productieproces: ter uitvoering van verdragen of van besluiten
van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer
instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk,
verleende goedkeuring van een productieproces van voertuigen,
systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken
en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en
passagiers;
t. fabrikant: persoon of
instantie die tegenover een goedkeuringsinstantie
verantwoordelijk is voor alle aspecten van een
typegoedkeurings- of toestemmingsprocedure en instaat voor de
overeenstemming van de productie met de verleende goedkeuring
of toestemming;
u. schadevoertuig: voertuig dat
ten gevolge van een beschadiging niet langer deugdelijk van
bouw en inrichting is;
v. alcoholslot: het geheel van
ademalcoholtester, startonderbreker en registratie-eenheid,
dat in een motorrijtuig wordt ingebouwd, waardoor het
motorrijtuig waarin het is ingebouwd alleen kan worden gestart
nadat in de ademalcoholtester is geblazen en indien het daarin
gemeten en weergegeven ademalcoholgehalte ligt onder de voor
de betrokkene ingevolge artikel 8, vierde lid, onderdeel b,
geldende, wettelijke alcohollimiet;
w. alcoholslotprogramma: het
samenstel van de verplichting tot inbouw van een alcoholslot
en de daarbij behorende registratie-eenheid in een door
betrokkene gebruikt motorrijtuig, het periodiek laten uitlezen
van de registratie-eenheid en het volgen van een
begeleidingsprogramma;
x. alcoholslotregister: het
register als bedoeld in artikel 129a.
2. Indien de eigenaar van een
motorrijtuig of een aanhangwagen niet tevens bezitter is, treedt
de bezitter voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens
deze wet voor de eigenaar in de plaats.
3. Degene aan wie een kenteken is
opgegeven voor een motorrijtuig of een aanhangwagen wordt, tenzij
anders blijkt, voor de toepassing van het bepaalde bij of
krachtens deze wet beschouwd als eigenaar of houder van dat
motorrijtuig of die aanhangwagen.
4. Voor de toepassing van de
hoofdstukken III tot en met V van deze wet worden vennootschappen
zonder rechtspersoonlijkheid mede als rechtspersoon aangemerkt.
Artikel 2
1. De krachtens deze wet
vastgestelde regels kunnen strekken tot:
a. het verzekeren van de
veiligheid op de weg;
b. het beschermen van
weggebruikers en passagiers;
c. het in stand houden van de
weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
d. het zoveel mogelijk
waarborgen van de vrijheid van het verkeer.
2. De krachtens deze wet
vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:
a. het voorkomen of beperken
van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade
alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet
milieubeheer;
b. het voorkomen of beperken
van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter
of van de functie van objecten of gebieden.
3. De krachtens deze wet
vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:
a. het bevorderen van een
doelmatig of zuinig energiegebruik;
b. het waarborgen van het op
juiste wijze in rekening brengen van tarieven voor het gebruik
van de weg;
c. het gebruik en de
waarborging van de juistheid van de registers die ingevolge
deze wet worden bijgehouden;
d. het voorkomen en bestrijden
van fraude;
e. de regeling van positie,
inrichting en werkwijze, alsmede het uitoefenen van toezicht
op zelfstandige bestuursorganen die taken verrichten op het
terrein van deze wet.
4. De krachtens deze wet
vastgestelde regels kunnen voorts strekken ter uitvoering van
verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of
van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet
gezamenlijk, op het terrein van de typegoedkeuring van voertuigen,
systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, in
verband met de toelating tot het verkeer op de weg of het gebruik
buiten de weg.
5. De vaststelling van regels bij
ministeriële regeling ter uitvoering van het bij of krachtens
deze wet bepaalde geschiedt in overeenstemming met Onze bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen ministers, indien deze
regels strekken tot behartiging van de belangen, bedoeld in het
tweede dan wel het derde lid.
Artikel 2a
Provincies, gemeenten en
waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij verordening regels
vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet
voorziet, voorzover die regels niet in strijd zijn met de bij of
krachtens deze wet vastgestelde regels en voorzover verkeerstekens
krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.
Artikel 2b
De voordracht voor een krachtens deze
wet vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder
gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 3
1. Onverminderd de artikelen 7,
eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone omstandigheden
dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van
Onze Minister-President, artikel 4, derde en vierde lid, in
werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid
bedoelde besluit is genomen wordt onverwijld een voorstel van wet
aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking
van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.
3. Wordt het voorstel van wet door
de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit,
op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die
ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld
buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister-President, worden de bepalingen die
ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld; buiten werking
gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het
eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze
bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het
eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het
Staatsblad.
Artikel 4
1. Het bepaalde bij of krachtens
deze wet en provinciale en plaatselijke verordeningen gelden
slechts voor zover zulks bij algemene maatregel van bestuur is
bepaald:
a. ten aanzien van voertuigen,
voor zover die worden gebezigd ten behoeve van de
strijdkrachten;
b. voor militairen te voet,
voor zover zij zich ter uitoefening van de dienst op de weg
bevinden.
2. Buiten de omstandigheden,
bedoeld in het derde lid en het vijfde lid, kunnen in de gevallen
waarin het bepaalde bij of krachtens deze wet en provinciale en
plaatselijke verordeningen niet ingevolge het eerste lid van
toepassing is verklaard, bij algemene maatregel van bestuur regels
worden vastgesteld en kunnen bij ministeriële regeling ter
uitvoering daarvan nadere regels worden vastgesteld:
a. ten aanzien van voertuigen,
voor zover die worden gebezigd ten behoeve van de
strijdkrachten;
b. voor militairen te voet,
voor zover zij zich ter uitoefening van de dienst op de weg
bevinden.
3. [Dit lid is nog niet in werking
getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk
maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, dit lid in werking treden.]
Ingeval buitengewone omstandigheden
dit noodzakelijk maken, kan bij koninklijk besluit worden bepaald
dat van in dat besluit aan te wijzen bepalingen, genoemd in de
algemene maatregel van bestuur bedoeld in het eerste lid, kan
worden afgeweken door bestuurders van voertuigen gebezigd ten
behoeve van de strijdkrachten en door militairen te voet die zich
op de weg bevinden ter uitoefening van de dienst.
4. [Dit lid is nog niet in werking
getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk
maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, dit lid in werking treden.]
Ingeval buitengewone omstandigheden
dit noodzakelijk maken, kan bij koninklijk besluit worden bepaald
dat ten aanzien van voertuigen van bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen overheidsdiensten, het bepaalde bij of
krachtens deze wet en provinciale en plaatselijke verordeningen
slechts gelden voor zover zulks bij die maatregel is bepaald.
5. In geval van de beperkte of de
algemene noodtoestand is het militair gezag bevoegd voor het
gebied waarvoor op grond van artikel 7, eerste lid, of 8, eerste
lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden, bepalingen
uit de Oorlogswet voor Nederland in werking zijn gesteld, regels
vast te stellen inzake het verkeer op de weg, afwijkende van het
bepaalde bij of krachtens deze wet en van provinciale en
plaatselijke verordeningen, alsmede van de in het tweede lid
bedoelde, bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels,
voor zoveel dat door het gezag ter uitvoering van de militaire
taak ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid
nodig wordt geacht.
6. Door de vorige leden wordt de
gewone aansprakelijkheid uit andere wettelijke bepalingen
voortvloeiende, niet opgeheven of verminderd.
Hoofdstuk IA. De Dienst Wegverkeer
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 4a
Er is een Dienst Wegverkeer, in het
maatschappelijk verkeer aangeduid als RDW. De dienst bezit
rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Zoetermeer.
Paragraaf 2. Taken van de Dienst
Wegverkeer
Artikel 4b
1. De Dienst Wegverkeer is belast
met de volgende taken:
a. het in het kader van de
toelating tot het verkeer op de weg verlenen van
typegoedkeuringen voor voertuigen, systemen, onderdelen,
technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter
bescherming van weggebruikers en passagiers, het verlenen van
individuele goedkeuringen voor voertuigen, alsmede het
intrekken van typegoedkeuringen,
a1. het ter uitvoering van
verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties of
van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan
niet gezamenlijk, verlenen van typegoedkeuringen voor
voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden,
uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers,
a2. het verlenen van
toestemming om onderdelen of uitrustingsstukken te verkopen,
te koop aan te bieden, of het in het verkeer brengen, alsmede
het intrekken van toestemmingen,
b. het houden van toezicht op
het overeenstemmen van voertuigen, systemen, onderdelen,
technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter
bescherming van weggebruikers en passagiers met het type
waarvoor de goedkeuring is verleend en op het overeenstemmen
van onderdelen en uitrustingsstukken waarvoor een toestemming
is verleend met de verleende toestemming,
b1. het houden van toezicht op
het terugroepen van reeds in de handel gebrachte voertuigen,
onderdelen of uitrustingsstukken door de fabrikant,
b2. het in verband met het
alcoholslotprogramma verlenen van typegoedkeuringen voor
alcoholsloten en voor de productieprocessen van die
alcoholsloten ingevolge artikel 132e, eerste lid,
b3. het ter uitvoering van
verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties of
van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan
niet gezamenlijk, verlenen van typegoedkeuringen voor
alcoholsloten en productieprocessen van die alcoholsloten,
b4. het houden van toezicht op
het overeenstemmen van de alcoholsloten met het type waarvoor
de goedkeuring is verleend,
b5. het verwerken van gegevens
in verband met het alcoholslotprogramma,
b6. het vaststellen en
vastleggen van manipulatie van voertuigsystemen en het melden
hiervan aan de bevoegde autoriteiten,
c. het opgeven van kentekens
voor motorrijtuigen en aanhangwagens en het ter zake van die
opgaven afgeven van kentekenbewijzen, het schorsen van de
geldigheid van kentekenbewijzen, het ongeldigverklaren van
kentekenbewijzen, het geldig verklaren van kentekenbewijzen,
alsmede het houden van toezicht als bedoeld in artikel 37,
vierde lid,
d. het afgeven van
keuringsrapporten voor motorrijtuigen en aanhangwagens,
e. het behandelen van bezwaren
tegen afgegeven keuringsrapporten,
f. het in het kader van de
toelating tot het verkeer op de weg verlenen van goedkeuringen
voor motorrijtuigen en aanhangwagens waarvan de constructie is
gewijzigd dan wel waarvan het kentekenbewijs is ingevorderd,
g. het afgeven van rijbewijzen
in de gevallen, bedoeld in artikel 116, eerste lid, alsmede
het ongeldigverklaren van rijbewijzen in de in deze wet
bepaalde gevallen,
h. het verwerken van gegevens
met betrekking tot opgegeven kentekens, afgegeven
kentekenbewijzen, afgegeven keuringsrapporten, krachtens
artikel 149a verleende ontheffingen, afgegeven rijbewijzen ,
fietsen en de mobiele objecten, bedoeld in artikel 70l, eerste
lid, alsmede met betrekking tot rechterlijke uitspraken
houdende ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van
motorrijtuigen,
i. het overeenkomstig de bij of
krachtens deze wet vastgestelde bepalingen verstrekken van
gegevens uit de in onderdeel h bedoelde registers alsmede het
houden van toezicht als bedoeld in artikel 45a, eerste lid,
j. het verlenen van erkenningen
als bedoeld in de artikelen 62, 70a, 83 en 101, en het
verlenen van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te
onderwerpen als bedoeld in artikel 85a alsmede het schorsen,
wijzigen en intrekken van erkenningen en van de bevoegdheid
voertuigen aan een keuring te onderwerpen,
j1: de bevoegdheid tot het
aanwijzen van een technische dienst voor het uitvoeren van
bepaalde tests ten behoeve van het verlenen van
typegoedkeuringen of individuele goedkeuringen of voor het
uitvoeren van bepaalde toezichtstaken,
k. het houden van toezicht op
de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de in
onderdeel j bedoelde erkenningen en van de bevoegdheid
voertuigen aan een keuring te onderwerpen alsmede op de
verplichtingen die voortvloeien uit de in onderdeel j1
bedoelde aanwijzing als technische dienst,
l. het verlenen van
ontheffingen als bedoeld in artikel 149a,
m. het opsporen van bij of
krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten, voor zover de
ambtenaren van de Dienst Wegverkeer daarmee ingevolge artikel
159 zijn belast, en
n. het met inachtneming van het
bepaalde in artikel 4q vaststellen van de tarieven, bedoeld in
deartikelen 22, eerste lid, 22a, eerste lid, 22b, tweede lid,
23, tweede lid, 23a, tweede lid, 25a, eerste lid, 25b, tweede
lid 26, eerste lid, 26a, tweede lid, 29, tweede lid, 30, 31,
37, vierde lid, 43, zesde en zevende lid, 45a, derde lid, 48,
eerste lid,55, eerste lid, 63, eerste lid, 64, tweede lid, 67,
eerste lid, 70, tweede lid, 70d, eerste lid, 70e, tweede lid,
70k, vierde en vijfde lid, 70l, vierde lid,75, eerste lid, 80,
eerste lid, 84, eerste lid, 86, vijfde lid, 90, vierde lid,
91, vierde lid, 99, eerste lid, 101, eerste lid, 102, tweede
lid, 106, eerste lid,106a, derde lid, jo. 101, eerste lid,
respectievelijk jo. 102, eerste lid, 111, vijfde lid, 128,
eerste lid, 132e, eerste en tweede lid, 132g, eerste lid,
132h, derde lid, 132l, eerste lid, en tweede lid, onderdeel f,
132m, vierde lid, 144, eerste lid, en 149a, vierde lid,
alsmede het vaststellen van de wijze van betaling van deze
tarieven,
o. het sluiten van
overeenkomsten met betrekking tot de productie van
rijbewijzen, de aflevering ervan en het beheer van de daartoe
benodigde voorzieningen;
p. het attenderen van houders
van een rijbewijs op het verloop van de geldigheidsduur.
2. Voorts is de Dienst Wegverkeer
belast met:
a. de bij of krachtens andere
wetten opgedragen taken, en
b. andere door Onze Minister
opgedragen taken.
Artikel 4c
Onze Minister kan de Dienst
Wegverkeer aanwijzingen van algemene aard geven omtrent de
uitoefening van de aan de Dienst opgedragen taken. Aanwijzingen
omtrent de uitoefening van de bij of krachtens andere wetten dan
deze wet opgedragen taken worden door Onze Minister gegeven in
overeenstemming met Onze voor die wetten eerst verantwoordelijke
Ministers.
Paragraaf 3. De organen
Artikel 4d
De Dienst Wegverkeer heeft een
directie en een raad van toezicht.
Artikel 4e
1. De directie bestaat uit maximaal
3 leden.
2. Het lidmaatschap van de directie
is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht.
3. De leden van de directie worden
aangesteld, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht.
4. De leden van de directie worden
aangesteld voor een periode van 5 jaren en kunnen terstond opnieuw
worden aangesteld.
Artikel 4f
1. De directie is belast met de
dagelijkse leiding van de Dienst Wegverkeer.
2. Alle bevoegdheden van de Dienst
Wegverkeer die niet bij of krachtens de wet aan de raad van
toezicht zijn opgedragen, komen toe aan de directie.
Artikel 4g
1. De directie vertegenwoordigt de
Dienst Wegverkeer in en buiten rechte.
2. De directie kan onder haar
verantwoordelijkheid de vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste
lid, opdragen aan een of meer directieleden of andere personen.
Zij kan bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend betrekking
heeft op bepaalde onderdelen van de taak van de Dienst Wegverkeer
dan wel op bepaalde aangelegenheden.
Artikel 4h
In geval van schorsing of
ontstentenis van een lid van de directie voorziet de raad van
toezicht in de waarneming van diens functie.
Artikel 4i
1. De directie verstrekt de raad
van toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taak
benodigde inlichtingen en andere gegevens.
2. De directie legt jaarlijks, en
voorts tussentijds indien hiertoe naar het oordeel van de raad van
toezicht aanleiding bestaat, aan de raad van toezicht
verantwoording af over het door haar gevoerde beleid.
Artikel 4j
1. De raad van toezicht bestaat uit
vijf leden, waaronder de voorzitter.
2. Onze Minister benoemt, schorst
en ontslaat de leden van de raad van toezicht.
3. De voorzitter wordt benoemd,
gehoord de raad van toezicht.
4. De leden van de raad van
toezicht hebben op persoonlijke titel zitting in de raad en
oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
Artikel 4k
1. De voorzitter en de overige
leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een tijdvak van
vier jaren en zijn voor een aansluitende periode éénmaal
herbenoembaar.
2. De leden van de raad van
toezicht kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om
zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend.
3. Zolang in een vacature van de
raad van toezicht niet is voorzien, vormen de overblijvende leden
de raad van toezicht, met de bevoegdheid van de volledige raad.
Binnen twee maanden na het openvallen van een vacature wordt een
nieuw lid benoemd. Betreft het de vacature van de voorzitter dan
wijzen de overblijvende leden uit hun midden een lid aan dat
tijdelijk als voorzitter fungeert.
4. Degene die is benoemd ter
vervanging van een tussentijds opengevallen plaats treedt af op
het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou
moeten aftreden en is vervolgens voor een aansluitende periode
éénmaal herbenoembaar.
Artikel 4l
1. De raad van toezicht ziet toe op
de werkzaamheden van de directie en staat die met raad terzijde.
2. Goedkeuring door de raad van
toezicht behoeven in ieder geval de besluiten van de directie
betreffende:
a. de reglementen, bedoeld in
de artikelen 4n, 4o en 4r;
b. vaststelling van de
tarieven, bedoeld in artikel 4b, eerste lid, onderdeel n, de
tarieven die voortvloeien uit artikel 4b, tweede lid,
onderdeel a, alsmede van de wijze van betaling van deze
tarieven;
c. investeringen die een door
de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan;
d. de financiële begroting;
e. het jaarverslag en de
jaarrekening;
f. het aangaan of garanderen
van geldleningen die een door de raad van toezicht vast te
stellen bedrag te boven gaan;
g. wijzigingen in de
rechtspositie van het personeel;
h. de bij of krachtens deze wet
aan Onze Minister uit te brengen rapportages;
i. het financiële
meerjarenbeleidsplan;
j. uitbreiding van de
keuringscapaciteit als bedoeld in artikel 78, tweede lid;
k. het oprichten of
mede-oprichten van dan wel het deelnemen in rechtspersonen of
vennootschappen;
l. het sluiten van
overeenkomsten van zwaarwegend belang.
3. Het aangaan of garanderen van
geldleningen die een door Onze Minister vast te stellen bedrag te
boven gaan, de in het tweede lid, onderdelen b, d, i, j, k en l
genoemde besluiten, het in artikel 4n bedoelde reglement, alsmede
het in artikel 4o bedoelde reglement voor zover het betreft de
bezoldiging van de directie van de Dienst Wegverkeer, behoeven
bovendien de goedkeuring van Onze Minister. Bij de goedkeuring van
het hier in artikel 4o bedoelde reglement zal Onze Minister als
richtsnoer de bezoldigingsniveaus van functies van vergelijkbare
zwaarte bij de ministeries hanteren.
4. De raad van toezicht kan geen
rechtsgeldige besluiten nemen indien niet ten minste vier leden
ter vergadering aanwezig zijn.
5. De raad van toezicht stelt bij
reglement zijn werkwijze vast. Het reglement behoeft de
goedkeuring van Onze Minister.
6. De vergaderingen van de raad van
toezicht zijn niet openbaar.
Artikel 4m
1. De raad van toezicht heeft een
eigen secretariaat; de kosten daarvan komen ten laste van de
Dienst Wegverkeer.
2. Onze Minister kan aan de leden
van de raad van toezicht, ten laste van de Dienst Wegverkeer, een
vergoeding toekennen voor hun werkzaamheden.
3. De leden van de raad van
toezicht hebben aanspraak op vergoeding van de door hen in de
uitoefening van hun functie gemaakte reis- en verblijfskosten.
Paragraaf 4. Inrichting en
bedrijfsvoering
Artikel 4n
De directie stelt bij reglement zijn
werkwijze vast.
Paragraaf 5. Personeel van de
organisatie
Artikel 4o
1. Het personeel van de Dienst
Wegverkeer, de leden van de directie daaronder begrepen, is
ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet, behoudens degenen met
wie een arbeidsovereenkomst is gesloten naar burgerlijk recht.
2. De directie stelt bij reglement
de regeling van de rechtstoestand van het personeel vast.
3. Onverminderd hetgeen reeds bij
of krachtens de wet is geregeld, geeft het reglement, bedoeld in
het tweede lid, in ieder geval voorschriften betreffende de
volgende onderwerpen:
a. aanstelling;
b. schorsing;
c. ontslag;
d. het onderzoek naar de
geschiktheid en de bekwaamheid;
e. bezoldiging;
f. wachtgeld;
g. diensttijden;
h. verlof en vakantie;
i. voorzieningen in verband met
ziekte;
j. bescherming bij de arbeid;
k. woon-, verblijfs- en
bereikbaarheidsverplichtingen;
l. medezeggenschap;
m. overige rechten en
verplichtingen van het personeel;
n. disciplinaire maatregelen;
o. de wijze waarop met de
daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van
overheidspersoneel overleg wordt gevoerd over aangelegenheden
van algemeen belang voor de rechtstoestand en de bezoldiging
van het personeel van de Dienst Wegverkeer;
p. een geschillenregeling met
betrekking tot de in de onderdelen l en o genoemde
onderwerpen.
Paragraaf 6. Financiële bepalingen
Artikel 4p
De inkomsten van de Dienst Wegverkeer
bestaan uit:
a. de opbrengst van de heffingen;
b. vergoedingen voor verrichte
diensten;
c. andere baten hoe ook genoemd.
Artikel 4q
1. De hoogte van de tarieven,
bedoeld in artikel 4b, eerste lid, onderdeel n, dient te worden
gerelateerd aan de met de uitoefening van de taak gemoeide kosten.
2. Het tarief, bedoeld in artikel
48, eerste lid, voor de aanvraag van een bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen deel van het kentekenbewijs omvat mede
een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag dat strekt ter
dekking van de kosten van:
a. het registreren van
keuringsrapporten,
b. het ongeldig verklaren van
kentekenbewijzen,
c. het verstrekken van gegevens
uit het kentekenregister als bedoeld inartikel 43, eerste en
tweede lid, en bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
verstrekkingen,
d. het behandelen van klachten
en ingevolge de Algemene wet bestuursrecht ingediende
bezwaarschriften en beroepsschriften gericht op het handelen
van de Dienst Wegverkeer,
e. het opsporen van bij of
krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten voor zover
ambtenaren van de Dienst Wegverkeer daarmee ingevolge artikel
159 zijn belast,
f. het beheer en instandhouding
van het in artikel 13, tweede lid, van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bedoelde
register,
g. het verstrekken van gegevens
uit het in onderdeel f genoemde register aan degenen die
ingevolge de in artikel 38, tweede lid van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bedoelde algemene
maatregel van bestuur niet tot betaling van het ter zake
vastgestelde tarief zijn gehouden,
h. de inspectie bedoeld in
artikel 45a, tweede lid, indien naar het oordeel van de Dienst
Wegverkeer blijkt dat de gegevens juist in het
kentekenregister zijn opgenomen dan wel de onjuistheid van een
gegeven degene aan wie het kentekenbewijs voor het
geïnspecteerde voertuig is afgegeven niet kan worden
tegengeworpen, en
i. het toezicht op het
terugroepen door de fabrikant van reeds in de handel gebrachte
voertuigen.
Artikel 4r
De directie stelt bij reglement
richtlijnen vast voor het voeren van een ordelijk financieel beheer
van de Dienst Wegverkeer.
Artikel 4s
1. De directie stelt jaarlijks een
jaarverslag en een jaarrekening op.
2. Het boekjaar van de Dienst
Wegverkeer valt samen met het kalenderjaar.
3. De directie zendt jaarlijks
binnen vier maanden na afloop van het boekjaar de jaarstukken aan
de raad van toezicht.
4. De jaarstukken omvatten:
a. het jaarverslag;
b. de jaarrekening;
c. de verklaring van de door de
raad van toezicht aangewezen externe registeraccountant;
d. een opgave over de
toepassing van de arbeidsvoorwaarden.
5. De directie zendt binnen zes
maanden na afloop van het boekjaar de jaarstukken met een
document, houdende de goedkeuring door de raad van toezicht van
het jaarverslag en de jaarrekening ter kennisneming aan Onze
Minister. De directie stelt te zelfder tijd de in het vierde lid,
onderdelen a, b en c, bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar en
maakt hiervan melding in de Staatscourant.
Artikel 4t
1. De directie dient het
financiële meerjarenbeleidsplan en de goedkeuring daarvan door de
raad van toezicht voor 1 oktober voorafgaand aan het boekjaar, in
bij Onze Minister.
2. De directie verstrekt Onze
Minister voor 15 januari van het jaar voorafgaand aan het
begrotingsjaar de door Onze Minister voor het opstellen van de
Rijksbegroting vereiste gegevens.
3. Onze Minister kan regels stellen
over de inrichting van de begroting, het financiële
meerjarenbeleidsplan en de jaarstukken, en kan aandachtspunten
vaststellen voor de accountantscontrole.
Paragraaf 7. Overige bepalingen
Artikel 4u
1. De directie verstrekt Onze
Minister de inlichtingen die deze ten behoeve van zijn
taakuitoefening nodig oordeelt.
2. Onze Minister verstrekt de
Dienst Wegverkeer de inlichtingen die deze voor zijn
taakuitoefening redelijkerwijs nodig heeft.
3. Onze Minister stelt een
informatiestatuut vast. Het informatiestatuut bevat inhoudelijke
en procedurele voorschriften met betrekking tot de in dit
hoofdstuk bedoelde informatie-uitwisseling tussen Onze Minister en
de Dienst Wegverkeer.
Artikel 4v
1. Waar in deze wet de goedkeuring
van Onze Minister is vereist, verleent dan wel onthoudt deze die
goedkeuring binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aan
goedkeuring onderhevige stukken.
2. Met goedkeuring wordt
gelijkgesteld het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde
termijn zonder dat de goedkeuring is verleend of onthouden.
Artikel 4w
1. Waar ingevolge deze wet de
goedkeuring dan wel de vaststelling door de raad van toezicht is
vereist, verleent of onthoudt deze die goedkeuring dan wel stelt
deze vast of weigert die vaststelling binnen zes weken na de datum
van ontvangst van de aan goedkeuring onderhevige dan wel vast te
stellen stukken.
2. Met goedkeuring dan wel
vaststelling wordt gelijkgesteld het verstrijken van de in het
eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring is verleend
of onthouden dan wel de vaststelling heeft plaatsgevonden of is
geweigerd.
3. Indien de raad van toezicht
goedkeuring onthoudt aan de financiële begroting, is de directie
gerechtigd gedurende ten hoogste zes maanden voor iedere maand
gedurende welke de goedkeuring wordt onthouden, uitgaven te doen
ter grootte van maximaal een twaalfde deel van de begroting van
het voorafgaande boekjaar.
Artikel 4x
1. Indien naar het oordeel van Onze
Minister de Dienst Wegverkeer zijn taken, omschreven in artikel
4b, eerste lid en tweede lid, onderdeel b, niet langer naar
behoren verricht, kan Onze Minister bepalen dat de bevoegdheden
die met die taken verband houden niet langer aan de Dienst
Wegverkeer toekomen. De betrokken bevoegdheden gaan in dat geval
over op Onze Minister.
2. Indien de Dienst Wegverkeer een
bij of krachtens een andere wet dan deze wet opgedragen taak naar
het oordeel van Onze Minister en Onze voor die wet eerst
verantwoordelijke Minister niet langer naar behoren verricht,
kunnen zij gezamenlijk bepalen dat de bevoegdheden die met die
taak verband houden niet langer aan de Dienst Wegverkeer toekomen.
De betrokken bevoegdheden gaan in dat geval over op Onze Minister.
Artikel 4y
Het Besluit voorschrift
informatiebeveiliging rijksdienst 1994 is van toepassing op de
Dienst Wegverkeer.
Hoofdstuk IB. Toezicht op het CBR
Artikel 4z
1. Het CBR verstrekt desgevraagd
aan Onze Minister de inlichtingen die deze ten behoeve van zijn
taakuitoefening nodig oordeelt. Onze Minister kan inzage vorderen
van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de
vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
2. Onze Minister kan aan het CBR
aanwijzingen van algemene aard geven met betrekking tot de
uitvoering van de artikelen 130 tot en met 134a en 149, tweede
lid, onderdeel a.
3. Indien het CBR naar het oordeel
van Onze Minister zijn taak ernstig verwaarloost of in gevaar
brengt, kan Onze Minister, gehoord het CBR, de noodzakelijke
voorzieningen treffen.
4. Over de uitoefening van het
toezicht op het CBR door Onze Minister kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
Hoofdstuk IC. Toezicht op
keuringsinstellingen en onderzoeksgerechtigden
Artikel 4aa
1. Keuringsinstellingen, aangewezen
ingevolge de artikelen 71a, 84, eerste lid, 101, eerste lid, en
132e, vijfde lid, en 106a, derde lid, jo. 101, eerste lid, en de
ingevolge deze artikelen erkende onderzoeksgerechtigden en
instellingen, verstrekken desgevraagd aan Onze Minister de
inlichtingen die deze ten behoeve van zijn taakuitoefening nodig
oordeelt. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens
en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak
redelijkerwijze noodzakelijk is.
2. Onze Minister kan aan de in het
eerste lid bedoelde keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden
en instellingen aanwijzingen van algemene aard geven met
betrekking tot de uitvoering van de taak waarvoor zij zijn
aangewezen.
3. Onze Minister kan tarieven
vaststellen die de in het eerste lid bedoelde
keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden en instellingen ten
hoogste mogen berekenen voor de door hen verrichte werkzaamheden
in het kader van de uitvoering van de taak waarvoor zij zijn
aangewezen. Daarbij kunnen voor verschillende werkzaamheden
verschillende tarieven worden vastgesteld.
4. Indien een keuringsinstelling
als bedoeld in het eerste lid naar het oordeel van Onze Minister
haar taak verwaarloost, kan Onze Minister de aanwijzing intrekken.
5. Over de uitoefening van het
toezicht op keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden en
instellingen als bedoeld in het eerste lid kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
Hoofdstuk II. Verkeersgedrag
§ 1. Gedragsregels
Artikel 5
Het is een ieder verboden zich
zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan
worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of
kan worden gehinderd.
Artikel 6
Het is een ieder die aan het verkeer
deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld
te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt
gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt
toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke
ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden
ontstaat.
Artikel 7
1. Het is degene die bij een
verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een
verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval
te verlaten indien:
a. bij dat ongeval, naar hij
weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan
wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
b. daardoor, naar hij weet of
redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat
ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt
achtergelaten.
2. Het eerste lid, aanhef en
onderdeel a, is niet van toepassing op degene die op de plaats van
het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot
vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een
motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat
motorrijtuig.
Artikel 8
1. Het is een ieder verboden een
voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen, terwijl
hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet
of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan
niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de
rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk
besturen in staat moet worden geacht.
2. Het is een ieder verboden een
voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig
gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn
adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram
alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte van zijn
bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram
alcohol per milliliter bloed.
3. In afwijking van het tweede lid
is het de bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen
waarvan een rijbewijs is vereist, indien sedert de datum waarop
aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen
vijf jaren zijn verstreken, dan wel, indien het voor het eerst
afgegeven rijbewijs een rijbewijs betreft dat de bevoegdheid geeft
tot het besturen van bromfietsen en dit rijbewijs is afgegeven aan
een persoon die op het ogenblik van die afgifte de leeftijd van
achttien jaren nog niet heeft bereikt, nog geen zeven jaar zijn
verstreken, en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30
maart 2002 heeft plaatsgevonden, verboden dat motorrijtuig te
besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van
alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn
adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram
alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte van zijn
bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram
per milliliter bloed.
4. In afwijking van het tweede lid
is het derde lid van overeenkomstige toepassing op de bestuurder
van een motorrijtuig:
a. die zonder dat aan hem een
rijbewijs is afgegeven een motorrijtuig bestuurt voor het
besturen waarvan een rijbewijs vereist is, of
b. aan wie deelname aan het
alcoholslotprogramma is opgelegd, tot het tijdstip waarop hij
na beëindiging van het alcoholslotprogramma overeenkomstig
artikel 132d, eerste of derde lid, overeenkomstig de daarvoor
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een
rijbewijs zonder de voor deelname aan het alcoholslotprogramma
vastgestelde codering heeft verkregen.
5. Het is verboden een motorrijtuig
als bestuurder te doen besturen door een persoon waarvan men weet
of redelijkerwijs moet weten dat deze verkeert in een toestand als
in het eerste, tweede of derde lid is omschreven.
6. Voor de toepassing van het derde
lid wordt onder een rijbewijs mede verstaan een rijbewijs,
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland.
Artikel 9
1. Het is degene die weet of
redelijkerwijs moet weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of
strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van
motorrijtuigen is ontzegd, verboden gedurende de tijd dat hem die
bevoegdheid is ontzegd, op de weg een motorrijtuig te besturen of
als bestuurder te doen besturen.
2. Het is degene die weet of
redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs
voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een
gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard of zijn
geldigheid overeenkomstig artikel 123b, eerste lid, heeft
verloren, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het
besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of
categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van
die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van
de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen.
3. Het tweede lid geldt niet ten
aanzien van de bestuurder van een motorrijtuig gedurende de tijd
dat aan hem ter verkrijging van een rijbewijs voor de categorie of
categorieën van motorrijtuigen waarop de ongeldigverklaring
betrekking heeft, rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht
motorrijtuigen 1993 wordt gegeven en gedurende de tijd dat door
hem een rijproef wordt afgelegd in het kader van een onderzoek,
door of vanwege de overheid ingesteld, naar zijn rijvaardigheid of
geschiktheid.
4. Het is degene van wie ingevolge
artikel 130, tweede lid, de overgifte van een op zijn naam gesteld
rijbewijs is gevorderd, dan wel wiens rijbewijs is ingevorderd en
aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden op de weg een
motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs
was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen.
5. Het is degene die weet of
redelijkerwijs moet weten dat de geldigheid van een op zijn naam
gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, derde lid, onderdeel a,
voor een of meer categorieën van motorrijtuigen is geschorst,
verboden gedurende de tijd dat de schorsing van kracht is, op de
weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarop de
schorsing betrekking heeft, te besturen of als bestuurder te doen
besturen.
6. Het vierde en het vijfde lid
gelden niet ten aanzien van de bestuurder van een motorrijtuig
gedurende de tijd dat door hem een rijproef wordt afgelegd in het
kader van een ingevolge artikel 131, eerste lid, gevorderd
onderzoek. Voorts geldt het vijfde lid niet ten aanzien van de
bestuurder van een motorrijtuig gedurende de tijd dat aan hem, ter
voorbereiding op een onderzoek naar de rijvaardigheid in het kader
van een ingevolge artikel 133, eerste lid, gevorderd onderzoek,
rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen
1993 wordt gegeven.
7. Het is degene van wie ingevolge
artikel 164 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs,
een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven
rijbewijs of een internationaal rijbewijs is gevorderd, dan wel
van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet
is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de
categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te
besturen of als bestuurder te doen besturen.
8. Het is degene van wie ingevolge
de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
de inlevering van het rijbewijs is gevorderd, dan wel wiens
rijbewijs krachtens die wet is ingenomen, verboden op de weg een
motorrijtuig, voor het besturen waarvan het rijbewijs is
afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen met
ingang van het tijdstip, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van
die wet.
9. Het is degene die op grond van
artikel 132c, eerste lid, onderdeel d, de feitelijke beschikking
heeft gekregen over een rijbewijs waarop de bij ministeriële
regeling vastgestelde codering voor deelname aan het alcoholslot
is vermeld, verboden een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets,
te besturen:
a. dat niet is voorzien van een
alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid,
b. waarvan het kenteken in het
in artikel 129a bedoelde register aan hem is gekoppeld,
terwijl het motorrijtuig is voorzien van een niet-werkend
alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid,
c. waarin wel een alcoholslot
als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, is ingebouwd, maar
waarvan het kenteken in het in artikel 129a bedoelde register
niet aan hem is gekoppeld, of
d. terwijl een ander dan de
bestuurder heeft geblazen in het alcoholslot als bedoeld
inartikel 132e, eerste lid, een en ander tot het tijdstip
waarop hij na beëindiging van het alcoholslotprogramma
overeenkomstig artikel 132d, eerste of derde lid,
overeenkomstig de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde regels een rijbewijs zonder de voor deelname aan
het alcoholslotprogramma vastgestelde codering heeft
verkregen.
10. Voor de toepassing van het
tweede, vierde, vijfde, zesde en achtste lid wordt onder rijbewijs
mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde
gezag buiten Nederland.
Artikel 10
1. Het is verboden op de weg een
wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen.
2. Onder wedstrijd wordt voor de
toepassing van dit artikel verstaan elk rijden met voertuigen ter
vaststelling of vergelijking van prestaties hetzij van de
deelnemers, hetzij van de voertuigen, hetzij van onderdelen
daarvan, hetzij van bedrijfsstoffen.
3. Als deelnemer wordt beschouwd de
bestuurder van een voertuig waarmee aan een wedstrijd wordt
deelgenomen, en de eigenaar of houder van een voertuig, die
daarmee aan een wedstrijd doet of laat deelnemen.
Artikel 11
Het is verboden opzettelijk
wederrechtelijk een aan een ander toebehorend motorrijtuig op de weg
te gebruiken.
Artikel 12
1. Weggebruikers zijn verplicht
gevolg te geven aan de aanwijzingen die door de in artikel 159
bedoelde personen dan wel door andere bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen categorieën van personen ter zake van het
verkeer op de weg worden gegeven.
2. De in het eerste lid bedoelde
aanwijzingen mogen slechts worden gegeven in het belang van de
veiligheid op de weg, de instandhouding van de weg en de
bruikbaarheid daarvan, of de vrijheid van het verkeer dan wel in
het belang van met toestemming van Onze Minister verrichte
onderzoeken ten behoeve van het verkeer.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het
bepaalde in het eerste lid, alsmede met betrekking tot:
a. de opleiding en examinering
van verkeersregelaars en de afgifte, of weigering daarvan, en
geldigheidsduur van examencertificaten en
herhalingscertificaten;
b. de erkenning, of de
weigering daarvan, door Onze Minister van examencertificaten
of herhalingscertificaten, de voorschriften die aan die
erkenning kunnen worden verbonden en de intrekking van die
erkenning;
c. de opleiding van
verkeersbrigadiers;
d. de aanstelling van
verkeersregelaars, de verlenging en intrekking van die
aanstelling, de afgifte van het bevoegdheidsbewijs aan
verkeersregelaars, de schorsing van de aanstelling van
verkeersregelaars in gevallen waarin het verkeer in gevaar is
of kan worden gebracht, alsmede de aanstelling van
verkeersbrigadiers;
e. de uitrusting, de
verzekering, de wijze en plaats van taakuitoefening, en het
toezicht op verkeersregelaars en verkeersbrigadiers.
4. Met toepassing van artikel 28,
eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf
4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op
een verzoek tot aanstelling tot verkeersregelaar en verlenging van
die aanstelling als bedoeld in het derde lid, onderdeel d.
Artikel 13
1. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels vastgesteld betreffende het gedrag
van verkeersdeelnemers.
2. In de bij die algemene maatregel
van bestuur aangegeven gevallen kunnen bij ministeriële regeling
voorschriften ter uitvoering van die regels worden vastgesteld.
§ 2. Verkeerstekens en maatregelen
op of aan de weg
Artikel 14
Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels vastgesteld omtrent het toepassen van verkeerstekens
en onderborden alsmede omtrent het treffen van maatregelen op of aan
de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het
aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het
verkeer. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld
betreffende het toepassen van verkeerstekens en onderborden. Bij
ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld betreffende
inrichting, plaatsing, kleur, afmeting en materiaal van
verkeerstekens en onderborden.
Artikel 15
1. De plaatsing of verwijdering van
de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens,
en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of
wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.
2. Maatregelen op of aan de weg tot
wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of
verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer
geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen
leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal
categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik
kan maken.
Artikel 16
1. De in artikel 15 bedoelde
verkeerstekens en onderborden worden geplaatst of verwijderd, en
de daar bedoelde maatregelen worden getroffen, door de zorg van
het gezag dat het verkeersbesluit heeft genomen.
2. Verkeerstekens en onderborden,
die niet worden geplaatst of verwijderd krachtens een
verkeersbesluit, worden geplaatst of verwijderd door de zorg van
het openbaar lichaam dat het beheer heeft over de weg of, indien
geen openbaar lichaam het beheer heeft, door de zorg van de
eigenaar van de weg.
Artikel 17
In de bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen gevallen kan bij de plaatsing en verwijdering van
verkeerstekens en het treffen van maatregelen op of aan de weg,
worden afgeweken van de artikelen 15 en 16. Indien het als gevolg
van dringende omstandigheden niet mogelijk is de verkeerstekens in
de voorgeschreven uitvoering te plaatsen, kan de door het teken
aangeduide informatie op andere duidelijke wijze kenbaar worden
gemaakt.
Artikel 18
1. Verkeersbesluiten worden
genomen:
a. voor zover zij betreffen het
verkeer op wegen onder beheer van het Rijk door Onze Minister;
b. voor zover zij betreffen het
verkeer op wegen onder beheer van een provincie door
gedeputeerde staten;
c. voor zover zij betreffen het
verkeer op wegen onder beheer van een waterschap door het
algemeen bestuur of, krachtens besluit van het algemeen
bestuur, door het dagelijks bestuur;
d. voor zover zij betreffen het
verkeer op andere wegen door burgemeester en wethouders, of
krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde
bestuurscommissie of het dagelijks bestuur van een
deelgemeente.
2. Indien het beheer over een weg
wordt overgedragen, blijven de verkeersbesluiten die de
oorspronkelijke wegbeheerder ten aanzien van het verkeer op die
weg heeft vastgesteld, van kracht totdat zij zijn vervangen.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels vastgesteld omtrent de eisen waaraan
verkeersbesluiten dienen te voldoen alsmede omtrent de
totstandkoming en de inwerkingtreding van die besluiten.
Artikel 19
1. Gedeputeerde staten kunnen aan
besturen van waterschappen en aan burgemeester en wethouders de
aanwijzing geven om op buiten de bebouwde kom gelegen wegen, ten
aanzien waarvan die organen bevoegd zijn tot het nemen van
verkeersbesluiten, binnen dertien weken een verkeersbesluit van
een daarbij aan te geven inhoud te nemen en uit te voeren.
2. Het eerste lid mag worden
toegepast, indien:
a. op een buiten de bebouwde
kom gelegen weg, die bij meerdere organen in beheer is, naar
het oordeel van gedeputeerde staten een of meerdere niet op
elkaar afgestemde verkeersbesluiten van kracht zijn, die
zodanige afstemming behoeven met het oog op de belangen,
omschreven in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, c en d, en
tweede lid, of
b. gedeputeerde staten van
oordeel zijn dat het nemen van een verkeersbesluit
noodzakelijk is ter bescherming van de belangen, bedoeld in
artikel 2, tweede lid.
3. Gedeputeerde staten dienen
voorafgaande aan het geven van een aanwijzing als bedoeld in het
eerste lid overleg te voeren met het betrokken bestuur.
4. Het betrokken bestuur is
verplicht een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid op te
volgen en uit te voeren.
5. Indien een aanwijzing als
bedoeld in het eerste lid niet wordt opgevolgd of uitgevoerd, gaan
gedeputeerde staten op kosten van het betrokken bestuur tot het
nemen van het verkeersbesluit en zo nodig tot de uitvoering
daarvan over.
6. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels vastgesteld over de totstandkoming en de
inhoud van de in het eerste lid bedoelde aanwijzingen alsmede over
hetgeen verder voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijk is.
Artikel 20
Een belanghebbende kan tegen een
verkeersbesluit tot plaatsing of verwijdering van verkeerstekens en
onderborden of tot het treffen van maatregelen op of aan de weg ter
regeling van het verkeer beroep instellen bij de rechtbank.
§ 3. Vaststelling bebouwde kom
Artikel 20a
1. De grenzen van de bebouwde kom
of kommen van een gemeente worden vastgesteld bij besluit van de
gemeenteraad.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels inzake de vaststelling van bebouwde
kommen vastgesteld.
Hoofdstuk IIA. Aanwijzing bromfietsen
waarvoor geen Europese typegoedkeuring vereist is
Artikel 20b
1. Voorafgaande aan de toelating
tot het verkeer op de weg kan Onze Minister een motorrijtuig met
een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan
25 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een
cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3 of een elektromotor met
een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet
zijnde een gehandicaptenvoertuig, per type of individueel voertuig
aanwijzen op grond van zijn veiligheidsaspecten, indien:
a. de toelating overeenstemt
met de in artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b, tweede lid
en derde lid, onderdeel a, genoemde doeleinden; en
b. er voor dit motorrijtuig
niet een typegoedkeuring overeenkomstig in het kader van de
Europese Unie tot stand gekomen voorschriften vereist is.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de aanwijzing.
Hoofdstuk III. Toelating en
goedkeuring
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 21
1. Bij ministeriële regeling aan
te wijzen categorieën van voertuigen, systemen, onderdelen,
technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter
bescherming van weggebruikers en passagiers dienen te zijn
goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg.
2. De goedkeuring, bedoeld in het
eerste lid, kan worden verleend als typegoedkeuring, dan wel, met
betrekking tot voertuigen, als goedkeuring voor een individueel
voertuig.
3. Bij ministeriële regeling aan
te wijzen productieprocessen van bepaalde categorieën voertuigen,
systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers
dienen te zijn goedgekeurd alvorens de producten voortkomend uit
die productieprocessen worden toegelaten tot het verkeer op de
weg.
4. In afwijking van het eerste lid
kunnen bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van
voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden,
uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers worden aangewezen, waarvoor geen
typegoedkeuring overeenkomstig in het kader van de Europese Unie
tot stand gekomen voorschriften vereist is, worden toegelaten tot
het verkeer op de weg zonder te zijn goedgekeurd.
§ 2. Typegoedkeuring en goedkeuring
productieprocessen van voertuigen en voertuigonderdelen
Artikel 22
1. Een typegoedkeuring wordt op
aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer
vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde
tarief door deze dienst verleend indien het voertuig, het systeem,
het onderdeel, de technische eenheid, het uitrustingstuk of de
voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers
waarvoor de goedkeuring wordt gevraagd, bij een door de dienst
verrichte keuring heeft voldaan aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen met betrekking tot de toelating tot het verkeer
op de weg. Deze eisen kunnen betrekking hebben op de technische
staat, de specificaties, de prestaties of de uitrusting van het
voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het
uitrustingstuk of de voorziening ter bescherming van weggebruikers
en passagiers.
2. Met een typegoedkeuring wordt
gelijkgesteld een typegoedkeuring:
a. die is verleend door het
daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese
Unie of in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte en die is verleend
overeenkomstig de op het betrokken voertuig, systeem,
onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening
ter bescherming van weggebruikers en passagiers betrekking
hebbende, in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen
voorschriften, of die is verleend door het daartoe bevoegde
gezag in Zwitserland indien dit voorvloeit uit de op 21 juni
1999 te Luxemburg tot stand gekomen Overeenkomst tussen de
Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de
wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling (PbEG
L 114);
b. die is verleend door het
daartoe bevoegde gezag in een Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige
technische voorschriften die van toepassing zijn op voertuigen
op wielen, uitrustingsstukken en onderdelen die in een
voertuig op wielen kunnen worden gemonteerd of gebruikt en is
verleend overeenkomstig de voorwaarden voor wederzijdse
erkenning van overeenkomstig deze voorschriften verleende
goedkeuringen;
c. als bedoeld inartikel 22a,
eerste lid.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden vastgesteld betreffende de organisatie van de
aanvrager, het proces volgens hetwelk de aanvrager zijn
werkzaamheden verricht, het door de aanvrager voor de keuring ter
beschikking stellen van voertuigen, systemen, onderdelen,
technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter
bescherming van weggebruikers en passagiers, het door de aanvrager
overleggen van bescheiden en verstrekken van inlichtingen ter zake
van de keuring alsmede betreffende de wijze waarop de keuring
wordt verricht.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot in het kader van
een typegoedkeuringsprocedure op basis van in het kader van de
Europese Unie tot stand gekomen voorschriften op de Dienst
Wegverkeer of de fabrikant van een voertuig, systeem, onderdeel,
technische eenheid, uitrustingstuk of voorziening ter bescherming
van weggebruikers en passagiers rustende verplichtingen.
5. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot op voertuigen,
systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers,
behorende tot een goedgekeurd type, aan te brengen keurmerken,
aanduidingen of gegevens.
Artikel 22a
1. Ter uitvoering van verdragen of
van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of
meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk,
verleent de Dienst Wegverkeer op aanvraag en tegen betaling, op de
door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor
door deze dienst vastgestelde tarief, een typegoedkeuring indien
het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid,
het uitrustingstuk of de voorziening ter bescherming van
weggebruikers en passagiers, waarvoor de goedkeuring wordt
gevraagd, bij een door de dienst verrichte keuring heeft voldaan
aan de eisen van het bij ministeriële regeling bekendgemaakte
besluit.
2. De artikelen 22, derde lid, 23,
24 en 25 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22b
1. De Dienst Wegverkeer kan met het
oog op het verlenen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel
22, eerste lid, op aanvraag een technische dienst aanwijzen om
namens hem bepaalde voor goedkeuring noodzakelijke tests te
verrichten, indien uit een door de Dienst Wegverkeer opgesteld
beoordelingsverslag of uit een door een accrediteringsinstantie
afgegeven accrediteringscertificaat blijkt dat deze dienst voldoet
aan de daarvoor bij ministeriële regeling gestelde eisen.
2. De Dienst Wegverkeer houdt
toezicht op de op grond van het eerste lid aangewezen technische
dienst. De aangewezen technische dienst is gehouden tot betaling,
op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door
de Dienst Wegverkeer ter zake van de kosten van het toezicht
vastgestelde tarief.
3. Met een technische dienst wordt
gelijk gesteld een technische dienst die beschikt over een
beoordelingsverslag opgesteld door de daartoe bevoegde instantie
in een andere lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
of Zwitserland, dan wel over een accrediteringscertificaat
afgegeven door een accrediteringsinstantie uit die andere lidstaat
van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, voor
zover hieruit blijkt dat deze dienst voldoet aan eisen die
tenminste gelijkwaardig zijn aan de in het eerste lid bedoelde
eisen.
4. De aanwijzing wordt ingetrokken
indien de technische dienst die was aangewezen, daarom verzoekt.
5. De Dienst Wegverkeer kan een
aanwijzing intrekken indien de aangewezen technische dienst niet
meer voldoet aan de voor de aanwijzing gestelde eisen.
6. De Dienst Wegverkeer kan een
aanwijzing schorsen voor een door hem daarbij vast te stellen
termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
7. Bij ministeriële regeling
kunnen bepalingen worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Hierbij kunnen tevens regels worden gesteld omtrent het door de
aanvrager overleggen van bescheiden of verstrekken van nadere
inlichtingen, betreffende de wijze waarop toezicht wordt gehouden
en de verplichting tot medewerking daaraan van degene die is
aangewezen als technische dienst.
Artikel 23
1. De Dienst Wegverkeer houdt
toezicht op het overeenstemmen van voertuigen, systemen,
onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, die
doorgaan voor goedgekeurd, met het type waarvoor de goedkeuring is
verleend. Tot dit toezicht kan behoren het steekproefsgewijs
keuren van tot een type waarvoor de goedkeuring is verleend,
behorende voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden,
uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers. Voorts kan tot het toezicht behoren
het periodiek controleren van de organisatie van degene aan wie de
goedkeuring is verleend alsmede het proces volgens hetwelk hij
zijn werkzaamheden verricht. Degene aan wie de goedkeuring is
verleend, is gehouden aan voor het houden van het toezicht
noodzakelijke werkzaamheden medewerking te verlenen.
2. Degene aan wie een goedkeuring
is verleend, is gehouden tot betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake
van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze
waarop het toezicht wordt gehouden en de verplichting tot
medewerking daaraan van degene aan wie een goedkeuring is
verleend.
Artikel 23a
1. De Dienst Wegverkeer kan met het
oog op de uitoefening van het toezicht als bedoeld in artikel 23,
eerste lid, op aanvraag een technische dienst aanwijzen om namens
hem bepaalde toezichtstaken uit te voeren, indien uit een door de
Dienst Wegverkeer opgesteld beoordelingsverslag of uit een door
een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat
blijkt dat deze dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële
regeling gestelde eisen.
2. Artikel 22b, tweede tot en met
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
Bij ministeriële regeling wordt
bepaald wanneer een typegoedkeuring vervalt.
Artikel 25
1. De Dienst Wegverkeer trekt een
typegoedkeuring in, indien degene aan wie de goedkeuring is
verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een
typegoedkeuring intrekken, indien:
a. degene aan wie de
goedkeuring is verleend een voertuig, systeem, onderdeel,
technische eenheid, uitrustingstuk of voorziening ter
bescherming van weggebruikers en passagiers doet of laat
doorgaan voor goedgekeurd, terwijl dat voertuig, dat systeem,
dat onderdeel, die technische eenheid, dat uitrustingstukken
of die voorziening ter bescherming van weggebruikers en
passagiers niet overeenstemt met het type waarvoor de
goedkeuring is verleend,
b. degene aan wie de
goedkeuring is verleend, de verplichting, vervat in artikel
23, tweede lid, niet nakomt,
c. degene aan wie de
goedkeuring is verleend, handelt in strijd met een of meer
andere uit de goedkeuring voortvloeiende verplichtingen, of
d. blijkt dat de goedkeuring
ten onrechte is verleend.
§ 2a. Goedkeuring productieprocessen
Artikel 25a
1. Een goedkeuring van een
productieproces wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door de
Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze
dienst vastgestelde tarief door deze dienst verleend indien het
productieproces van het voertuig, het systeem, het onderdeel, de
technische eenheid, het uitrustingstuk of de voorziening ter
bescherming van weggebruikers en passagiers, waarvoor de
goedkeuring wordt gevraagd, bij een door de dienst verrichte
keuring heeft voldaan aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen met betrekking tot de toelating tot het verkeer
op de weg. Deze eisen kunnen betrekking hebben op het proces
volgens hetwelk de aanvrager zijn werkzaamheden met betrekking tot
de productie van het voertuig, het systeem, het onderdeel, de
technische eenheid, het uitrustingstuk of de voorziening ter
bescherming van weggebruikers en passagiers verricht.
2. Met een goedkeuring van een
productieproces wordt gelijkgesteld een goedkeuring van
productieprocessen van voertuigen en voertuigonderdelen:
a. die is verleend door het
daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese
Unie of in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte en is verleend
overeenkomstig de op het betrokken voertuig, systeem,
onderdeel of de technische eenheid betrekking hebbende, in het
kader van de Europese Unie tot stand gekomen voorschriften;
b. die is verleend door het
daartoe bevoegde gezag in een Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige
technische voorschriften die van toepassing zijn op voertuigen
op wielen, uitrustingsstukken en onderdelen die in een
voertuig op wielen kunnen worden gemonteerd of gebruikt en is
verleend overeenkomstig de voorwaarden voor wederzijdse
erkenning van overeenkomstig deze voorschriften verleende
goedkeuringen.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden vastgesteld betreffende de organisatie van de
aanvrager, het door de aanvrager voor de keuring ter beschikking
stellen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden,
uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers, het door de aanvrager overleggen van
bescheiden en verstrekken van inlichtingen ter zake van de keuring
alsmede betreffende de wijze waarop de keuring van een
productieproces wordt verricht.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot op voertuigen,
systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, die
zijn vervaardigd overeenkomstig het goedgekeurde productieproces,
aan te brengen keurmerken, aanduidingen of gegevens.
Artikel 25a1
1. De Dienst Wegverkeer kan met het
oog op het verlenen van een goedkeuring van een productieproces
een technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde voor de
goedkeuring noodzakelijke tests te verrichten, indien uit een door
de Dienst Wegverkeer opgesteld beoordelingsverslag of uit een door
een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat
blijkt dat deze dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële
regeling gestelde eisen.
2. Artikel 22b, tweede tot en met
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 25b
1. De Dienst Wegverkeer houdt
toezicht op het productieproces van voertuigen, systemen,
onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers
waarvoor de goedkeuring is verleend. Tot dit toezicht kan behoren
het steekproefsgewijs of periodiek controleren van de organisatie
van degene aan wie de goedkeuring is verleend alsmede van het
productieproces. Degene aan wie de goedkeuring is verleend, is
gehouden aan voor het houden van het toezicht noodzakelijke
werkzaamheden medewerking te verlenen.
2. Degene aan wie een goedkeuring
is verleend, is gehouden tot betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake
van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze
waarop het toezicht wordt gehouden en de verplichting tot
medewerking daaraan van degene aan wie een goedkeuring is
verleend.
Artikel 25b1
1. De Dienst Wegverkeer kan met het
oog op de uitoefening van het toezicht als bedoeld in artikel 25b,
eerste lid, op aanvraag een technische dienst aanwijzen om namens
hem bepaalde toezichtstaken uit te voeren, indien uit een door de
Dienst Wegverkeer opgesteld beoordelingsverslag of uit een door
een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat
blijkt dat deze dienst voldoet aan de daarvoor bij ministeriële
regeling gestelde eisen.
2. Artikel 22b, tweede tot en met
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 25c
Bij ministeriële regeling wordt
bepaald wanneer een goedkeuring van een productieproces vervalt.
Artikel 25d
1. De Dienst Wegverkeer trekt een
goedkeuring van een productieproces in, indien degene aan wie de
goedkeuring is verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een
goedkeuring van een productieproces intrekken, indien:
a. degene aan wie de
goedkeuring is verleend een voertuig, systeem, onderdeel,
technische eenheid, uitrustingstuk of voorziening ter
bescherming van weggebruikers en passagiers doet of laat
doorgaan voor vervaardigd volgens een goedgekeurd
productieproces, terwijl dat voertuig, dat systeem, dat
onderdeel, die technische eenheid, dat uitrustingsstuk of die
voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers
niet is vervaardigd overeenkomstig het goedgekeurde
productieproces,
b. degene aan wie de
goedkeuring is verleend, de verplichting, vervat in artikel
25b, tweede lid, niet nakomt,
c. degene aan wie de
goedkeuring is verleend, handelt in strijd met een of meer
andere uit de goedkeuring voortvloeiende verplichtingen, of
d. blijkt dat de goedkeuring
ten onrechte is verleend.
Artikel 25e
1. Wanneer een fabrikant reeds
verkochte, geregistreerde of in het verkeer gebrachte voertuigen,
dan wel reeds verkochte onderdelen of uitrustingsstukken, waarvoor
een overeenkomstig in het kader van de Europese Unie tot stand
gekomen voorschriften afgegeven typegoedkeuring is verleend, op
grond van artikel 21, tweede lid, van de Warenwet dient terug te
roepen omdat het voertuig een ernstig gevaar vormt voor de
verkeersveiligheid, de volksgezondheid of het milieu, stelt de
fabrikant de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft
verleend hiervan onmiddellijk in kennis.
2. De fabrikant stelt de
goedkeuringsinstantie maatregelen voor om het in het eerste lid
bedoelde gevaar te neutraliseren.
3. De Dienst Wegverkeer houdt
toezicht op het terugroepen van voertuigen, onderdelen en
uitrustingsstukken.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het tweede
lid.
§ 3. Individuele goedkeuring
Artikel 26
1. Een goedkeuring voor een
individueel voertuig wordt op aanvraag en tegen betaling, op de
door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor
door deze dienst vastgestelde tarief door deze dienst verleend
indien het voertuig bij een door de dienst verrichte keuring heeft
voldaan aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met
betrekking tot de toelating tot het verkeer op de weg, welke eisen
voor verschillende groepen van voertuigen verschillend kunnen
worden gesteld.
2. Artikel 22, derde en vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26a
1. De Dienst Wegverkeer kan met het
oog op het verlenen van een goedkeuring voor een individueel
voertuig een technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde
voor de goedkeuring noodzakelijke tests te verrichten, indien uit
een door de Dienst Wegverkeer opgesteld beoordelingsverslag of uit
een door een accrediteringsinstantie afgegeven
accrediteringscertificaat blijkt dat deze dienst voldoet aan de
daarvoor bij ministeriële regeling gestelde eisen.
2. Artikel 22b, tweede tot en met
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Keuringen ter uitvoering van
andere wetten
Artikel 27
De in artikel 22, eerste lid, of 26,
eerste lid, bedoelde goedkeuring wordt eerst verleend indien het
voertuig bij de keuring tevens heeft voldaan aan de eisen, gesteld
krachtens de Wet inzake de luchtverontreiniging en de Wet
geluidhinder.
Artikel 28 [Vervallen per 01-05-2009]
Artikel 29 [Vervallen per 01-05-2009]
Artikel 30 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1995]
§ 5. Verbodsbepalingen
Artikel 33
1. Het is de eigenaar of houder van
een voertuig dat ingevolge artikel 21, eerste lid, dient te zijn
goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg verboden dit
voertuig te laten staan op de weg of daarmee over de weg te rijden
alsmede de bestuurder daarmee over de weg te laten rijden, indien
het voertuig niet is goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op
de weg.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op een voertuig dat ingevolge artikel 21, eerste lid,
dient te zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de
weg, maar waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven.
Artikel 34
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden vastgesteld, inhoudende een verbod om
voertuigen, voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en
voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, die
niet ingevolge artikel 22, 25a of 26 zijn toegelaten tot het
verkeer op de weg, te vervaardigen, in te voeren, in voorraad te
hebben, te koop aan te bieden, af te leveren of te vervoeren.
2. Ter uitvoering van verdragen of
van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of
meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk,
worden de in het eerste lid bedoelde regels vastgesteld bij
regeling van Onze Minister.
3. De in het eerste lid bedoelde
regels betreffen het aanwijzen van de categorie van voertuigen,
voertuigonderdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen ter
bescherming van weggebruikers en passagiers, waarop het verbod
betrekking heeft, de handelingen waarop het verbod betrekking
heeft alsmede de uitzonderingen op het verbod.
Artikel 35
Het is verboden een voertuig,
systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingstuk of
voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers, welk
voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingstuk of
voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers niet
ingevolge artikel 22 of 26 is toegelaten, door het aanbrengen van
een teken of tekens, het afgeven van een bewijs of bewijzen dan wel
het doen van mededelingen te doen of laten doorgaan voor goedgekeurd
voor zodanige toelating.
§ 6. Toepasselijkheid van dit
hoofdstuk op de goedkeuring voor het gebruik buiten de weg
Artikel 35a
In de ingevolge de artikelen 21,
eerste en derde lid, 22, eerste lid, 25a, eerste lid, 26, eerste
lid, en 34, eerste lid, vastgestelde regels kan ter uitvoering van
verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van
één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet
gezamenlijk, worden bepaald dat zij mede betrekking hebben op de
goedkeuring van voertuigen, systemen, onderdelen, technische
eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van
weggebruikers en passagiers voor gebruik buiten de weg.
Hoofdstuk IV. Kentekens en
kentekenbewijzen
§ 1. Kentekenplicht
Artikel 36
1. Aan de eigenaar of houder van
een motorrijtuig of een aanhangwagen op de weg dient
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels door de Dienst Wegverkeer een kenteken voor dat voertuig te
zijn opgegeven.
2. Ter zake van de in het eerste
lid bedoelde opgave dient overeenkomstig bij algemene maatregel
van bestuur vastgestelde regels door de Dienst Wegverkeer een
kentekenbewijs te zijn afgegeven aan de eigenaar of houder van het
voertuig.
3. Het kentekenbewijs dient:
a. te voldoen aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen inzake inrichting en
uitvoering,
b. zijn geldigheid niet te
hebben verloren,
c. niet te zijn ingevorderd, en
d. behoorlijk leesbaar te zijn.
4. [Vervallen.]
5. Motorrijtuigen en aanhangwagens
dienen overeen te komen met de gegevens in het voor het betrokken
voertuig afgegeven kentekenbewijs en met de gegevens die omtrent
het voertuig zijn opgenomen in het kentekenregister, tenzij
krachtens artikel 71 een bepaalde afwijking van die gegevens is
toegestaan.
6. Voor overtreding van het eerste
tot en met vijfde lid zijn aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een
motorrijtuig, de eigenaar of houder die het motorrijtuig op de
weg laat staan of daarmee over de weg laat rijden, alsmede in
het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden,
de bestuurder, en
b. voor zover het betreft een
aanhangwagen, de eigenaar of houder die de aanhangwagen op de
weg laat staan of deze met een motorrijtuig over de weg laat
voortbewegen, alsmede in het geval dat de aanhangwagen met een
motorrijtuig over de weg wordt voortbewogen, de bestuurder van
dat motorrijtuig.
7. De in het derde lid, onderdeel
a, bedoelde eisen kunnen mede dienstbaar zijn aan de heffing van
de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en van de
motorrijtuigenbelasting.
8. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste en
het tweede lid.
Artikel 37
1. Artikel 36 is niet van
toepassing op:
a. de volgende categorieën
motorrijtuigen alsmede de door die motorrijtuigen voortbewogen
aanhangwagens:
1°. bij algemene maatregel
van bestuur vastgestelde categorieën bromfietsen, alsmede
bromfietsen in het internationaal verkeer, afkomstig uit
een land waar voor deze voertuigen geen kenteken is
opgegeven,
2°. landbouw- of
bosbouwtrekkers,
3°.
gehandicaptenvoertuigen en
4°. motorrijtuigen met
beperkte snelheid;
b. in het buitenland
geregistreerde motorrijtuigen en aanhangwagens, die zich in
het internationaal verkeer bevinden, mits ter zake van de
registratie van het betrokken voertuig door het daartoe
bevoegde gezag in het buitenland een bewijs is afgegeven dat
voldoet aan de daaraan gestelde eisen in de tussen Nederland
en het betrokken land van kracht zijnde internationale
overeenkomst en het betrokken voertuig voldoet aan de eisen
die in die overeenkomst dan wel bij algemene maatregel van
bestuur ter uitvoering van die overeenkomst aan dat voertuig
worden gesteld met betrekking tot de toelating tot het
internationaal verkeer;
c. motorrijtuigen en
aanhangwagens, mits wordt voldaan aan nadere bij ministeriële
regeling vast te stellen regels, die in eigendom toebehoren
aan of worden gehouden door:
1°. leden van een bij
ministeriële regeling aangewezen krijgsmacht of civiele
dienst in de zin van artikel I van het op 19 juni 1951 te
Londen gesloten Verdrag tussen de landen die partij zijn
bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie
van hun krijgsmachten (Trb. 1953, 10), dan wel in de zin
van artikel 3 van het bij evenbedoeld verdrag behorende,
op 28 augustus 1952 te Parijs gesloten, protocol nopens de
rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren
ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag (Trb.
1953, 11), alsmede
2°. functionarissen van de
Noord-Atlantische Verdragsorganisatie die in Nederland
zijn op grond van de briefwisseling tussen de regering van
het Koninkrijk der Nederlanden en de Noord-Atlantische
Verdragsorganisatie van 31 augustus en 11 september 1979
(Trb.1979, 159) en op wie het Verdrag nopens de
rechtspositie van de Noord-Atlantische
Verdragsorganisatie, van de nationale vertegenwoordigers
bij haar organen en van haar internationale staf
(Trb.1951, 139), van toepassing is.
2. Voor aanhangwagens met een
toegestane maximum massa van niet meer dan 750 kg alsmede voor
aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750
kg, afkomstig uit een land waar voor deze aanhangwagens geen
afzonderlijk kenteken is opgegeven, geldt het vereiste dat een
kenteken dient te zijn opgegeven niet. Indien een dergelijke
aanhangwagen is verbonden met een in Nederland geregistreerd
motorrijtuig, dient die aanhangwagen te zijn voorzien van het
kenteken dat is opgegeven voor dat motorrijtuig.
3. Voor motorrijtuigen en
aanhangwagens, die behoren tot de bedrijfsvoorraad van een
natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een erkenning als
bedoeld in artikel 62 is verleend of die voor herstel of bewerking
ter beschikking zijn gesteld van een natuurlijke persoon of
rechtspersoon, geldt het vereiste dat een kenteken voor een
bepaald voertuig dient te zijn opgegeven niet, mits overeenkomstig
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels gebruik
wordt gemaakt van een bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen, door de Dienst Wegverkeer aan die natuurlijke persoon
of rechtspersoon dan wel aan een natuurlijke persoon of
rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in artikel 62 is
verleend en die het voertuig ten behoeve van eerstbedoelde
natuurlijke persoon of rechtspersoon ten verkoop voorhanden heeft,
opgegeven kenteken. De Dienst Wegverkeer kan aan deze opgaven
voorschriften verbinden. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld. Bij
algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke
gevallen het gebruik van een zodanig kenteken verplicht is.
4. Met het toezicht op de naleving
van de uit het derde lid voortvloeiende verplichtingen zijn belast
de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van
een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant. Het toezicht heeft in ieder geval betrekking op het
gebruik van het in het derde lid bedoelde kenteken. De aldaar
bedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon is gehouden tot
betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht
vastgestelde tarief. Bij ministeriële regeling worden nadere
regels omtrent het toezicht vastgesteld.
5. Bij algemene maatregel van
bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald
dat:
a. in bepaalde
uitzonderingsgevallen tijdelijk wordt of kan worden afgeweken
van het in artikel 36, derde lid, onderdeel b of c, bepaalde;
b. een motorrijtuig of een
aanhangwagen op de weg mag staan, indien het voor het
betrokken voertuig afgegeven kentekenbewijs ongeldig is
verklaard ingevolge artikel 58, tweede lid, onderdeel b, c, d
of f, dan wel is ingevorderd overeenkomstig artikel 60.
6. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de omschrijving
van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde categorieën
voertuigen alsmede de voor die categorieën vastgestelde
maximumsnelheid.
7. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het derde lid
en kunnen nadere regels worden vastgesteld ter uitvoering van het
vijfde lid.
§ 2. Kentekens
Artikel 38
1. Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat bepaalde categorieën van kentekens
slechts worden opgegeven aan bij die algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen personen of groepen van personen dan wel
voor daarbij aan te wijzen voertuigen of groepen van voertuigen,
zulks onder daarbij te stellen voorwaarden.
2. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste
lid.
Artikel 39 [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 40
1. Het kenteken dient behoorlijk
zichtbaar op of aan het motorrijtuig of de aanhangwagen aanwezig
te zijn.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de inrichting,
het aanbrengen en de verlichting van het kenteken en worden regels
vastgesteld omtrent de kentekenplaat en de onderdelen daarvan,
alsmede de daarop aan te brengen merken.
3. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het bepaalde
krachtens het tweede lid.
4. Voor overtreding van het eerste
lid dan wel het bepaalde krachtens het tweede of derde lid zijn
aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een
motorrijtuig, de eigenaar of houder die het motorrijtuig op de
weg laat staan of daarmee over de weg laat rijden, alsmede in
het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden,
de bestuurder, en
b. voor zover het betreft een
aanhangwagen, de eigenaar of houder die de aanhangwagen op de
weg laat staan of deze met een motorrijtuig over de weg laat
voortbewegen, alsmede in het geval dat de aanhangwagen met een
motorrijtuig over de weg wordt voortbewogen, de bestuurder van
dat motorrijtuig.
Artikel 41
1. Het is verboden:
a. op een motorrijtuig of een
aanhangwagen enig teken of middel aan te brengen of te doen
aanbrengen met het oogmerk de herkenning, daaronder begrepen
de herkenning met behulp van technische voorzieningen, van het
ingevolge artikel 40 gevoerde kenteken te bemoeilijken;
b. een motorrijtuig op de weg
te laten staan of daarmee over de weg te rijden dan wel een
aanhangwagen op de weg te laten staan of met een motorrijtuig
over de weg voort te bewegen, wanneer op dat motorrijtuig of
die aanhangwagen enig teken of middel is aangebracht, waardoor
de herkenning, daaronder begrepen de herkenning met behulp van
technische voorzieningen, van het ingevolge artikel 40
gevoerde kenteken wordt bemoeilijkt;
c. op een motorrijtuig of een
aanhangwagen een teken, niet zijnde een ingevolge artikel 36
aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig of die
aanhangwagen opgegeven kenteken, aan te brengen of te doen
aanbrengen met het oogmerk dat teken te doen doorgaan voor een
zodanig kenteken dan wel met de kennelijke bedoeling dat teken
te doen doorgaan voor een overeenkomstig de daarvoor geldende
voorschriften opgegeven buitenlands kenteken dan wel een met
toepassing van artikel 37, derde lid, opgegeven kenteken;
d. een motorrijtuig op de weg
te laten staan of daarmee over de weg te rijden dan wel een
aanhangwagen op de weg te laten staan of met een motorrijtuig
over de weg voort te bewegen, wanneer op dat motorrijtuig of
die aanhangwagen een teken is aangebracht dat, niet zijnde een
ingevolge artikel 36 aan de eigenaar of houder voor dat
motorrijtuig of die aanhangwagen opgegeven kenteken, door kan
gaan voor een zodanig kenteken dan wel voor een overeenkomstig
de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands
kenteken of een met toepassing van artikel 37, derde lid,
opgegeven kenteken;
e. op een in het buitenland
geregistreerd motorrijtuig of een in het buitenland
geregistreerde aanhangwagen een teken, niet zijnde een aldaar
voor dat voertuig of aan de eigenaar of houder daarvan
opgegeven kenteken, aan te brengen of te doen aanbrengen met
het oogmerk dat teken te doen doorgaan voor een zodanig
kenteken;
f. een in het buitenland
geregistreerd motorrijtuig op de weg te laten staan of daarmee
over de weg te rijden dan wel een in het buitenland
geregistreerde aanhangwagen op de weg te laten staan of met
een motorrijtuig over de weg voort te bewegen, wanneer op dat
motorrijtuig of die aanhangwagen een teken is aangebracht dat,
niet zijnde een in het buitenland voor dat voertuig of aan de
eigenaar of houder daarvan opgegeven kenteken, door kan gaan
voor een zodanig kenteken.
2. Voor overtreding van het eerste
lid, onderdelen b, d en f, zijn aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een
motorrijtuig, de eigenaar of houder die het motorrijtuig op de
weg laat staan of daarmee over de weg laat rijden, alsmede in
het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden,
de bestuurder, een en ander echter slechts indien de eigenaar,
houder of bestuurder weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat
op het motorrijtuig een teken of middel als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, dan wel een teken als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel d of f, is aangebracht, en
b. voor zover het betreft een
aanhangwagen, de eigenaar of houder die de aanhangwagen op de
weg laat staan of deze met een motorrijtuig over de weg laat
voortbewegen, alsmede in het geval dat de aanhangwagen met een
motorrijtuig over de weg wordt voortbewogen, de bestuurder van
dat motorrijtuig, een en ander echter slechts indien de
eigenaar, houder of bestuurder weet of redelijkerwijze kan
vermoeden dat op de aanhangwagen een teken of middel als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dan wel een teken als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d of f, is aangebracht.
§ 3. Registratie van kentekens
Artikel 41a
1. Voor de toepassing van deze
paragraaf wordt verstaan onder:
a. overheidsorgaan:
bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid,
onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht en personen of
instanties als bedoeld in het tweede lid;
b. basisregistratie:
verzameling gegevens waarvan bij wet is bepaald dat deze
authentieke gegevens bevat;
c. authentiek gegeven: in een
basisregistratie opgenomen gegeven dat bij of krachtens wet
als authentiek is aangemerkt.
2. Bij besluit van Onze Minister
kunnen personen of instanties die een publieke taak uitoefenen
worden aangewezen als overheidsorgaan, voor zover dit met het oog
op hun publieke-taakuitoefening naar het oordeel van Onze Minister
noodzakelijk is.
Artikel 42
1. Er is een kentekenregister. Dit
register is een basisregistratie.
2. De Dienst Wegverkeer is de
beheerder van het kentekenregister en verantwoordelijke als
bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens.
3. In het kentekenregister verwerkt
de Dienst Wegverkeer gegevens omtrent motorrijtuigen en
aanhangwagens waarvoor een kenteken is opgegeven en de
tenaamstelling van die kentekens, alsmede omtrent andere
motorrijtuigen en aanhangwagens.
4. Het verzamelen van de gegevens,
bedoeld in het derde lid, geschiedt voor de volgende doeleinden:
a. voor een goede uitvoering
van het bepaalde bij of krachtens deze wet en voor de
handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde
voorschriften,
b. voor een goede uitvoering
van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de
motorrijtuigenbelasting 1994, de Wet op de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen 1992, de Wet belasting
zware motorrijtuigen, de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen, de Wet bereikbaarheid en mobiliteit, dan wel
andere wettelijke regelingen ten aanzien van motorrijtuigen of
aanhangwagens en voor de handhaving van het bepaalde bij of
krachtens die wettelijke regelingen, en
c. om overheidsorganen te
voorzien van gegevens uit het kentekenregister voor zover zij
aangeven deze gegevens nodig te hebben voor een goede
uitoefening van hun publieke taak.
5. De Dienst Wegverkeer mag
strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens ter
vaststelling van mogelijk strafbaar gedrag verwerken voor zover
dit verband houdt met de in het vierde lid, onderdelen a en b,
genoemde doeleinden.
6. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de inrichting en
het beheer van het kentekenregister.
Artikel 42a
1. De gegevens in het
kentekenregister worden onderscheiden in:
a. authentieke en
niet-authentieke gegevens;
b. gevoelige en niet-gevoelige
gegevens.
2. Als authentieke gegevens worden
aangemerkt:
a. gegevens die op grond van
een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het
Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen verplicht op het kentekenbewijs
zijn opgenomen voor zover de desbetreffende gegevens niet
reeds op grond van een andere wettelijke bepaling als
authentiek zijn aangemerkt;
b. de voertuigcategorieën
genoemd in artikel 21, eerste lid;
c. de tenaamstelling van een
motorrijtuig of aanhangwagen.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen andere authentieke gegevens of categorieën daarvan
worden aangewezen. Bij algemene maatregel van bestuur kan tevens
als authentiek worden aangewezen de samenstelling van een uit een
andere basisregistratie afkomstig gegeven met een of meer gegevens
uit het kentekenregister.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur worden gevoelige en niet-gevoelige gegevens of
categorieën daarvan aangewezen.
Artikel 43
1. De Dienst Wegverkeer verstrekt
uit het kentekenregister gegevens aan overheidsorganen, voor zover
zij aangeven deze gegevens nodig te hebben voor een goede
uitoefening van hun publieke taak.
2. De Dienst Wegverkeer verstrekt
uit het kentekenregister gegevens aan autoriteiten buiten
Nederland en instellingen van volkenrechtelijke organisaties in
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen
gevallen.
3. De Dienst Wegverkeer kan in bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen
gevoelige gegevens uit het kentekenregister verstrekken aan andere
personen en instanties dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. Niet-gevoelige gegevens kunnen
aan een ieder worden verstrekt.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de verstrekkingen als bedoeld in het eerste tot en met
vierde lid. Deze verstrekkingen geschieden op aanvraag en op een
door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
6. Onverminderd het vijfde lid
geschiedt de verstrekking van gegevens, als bedoeld in het derde
en vierde lid, tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer
vastgestelde wijze, van het voor de behandeling van de aanvraag
door deze dienst vastgestelde tarief.
7. Onverminderd het zesde lid is
degene die op grond van het eerste tot en met vierde lid een
aanvraag tot verstrekking van gegevens indient, in door de Dienst
Wegverkeer te bepalen gevallen, een door deze dienst te bepalen
aansluittarief verschuldigd.
Artikel 43a
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het gebruik
van de ingevolge artikel 43, derde lid, verstrekte gegevens. Daarbij
kunnen beperkingen aan het gebruik van de verstrekte gegevens worden
gesteld.
Artikel 43b
1. Een overheidsorgaan dat bij de
vervulling van zijn publieke taak een gegeven nodig heeft dat bij
of krachtens deze wet als authentiek gegeven is aangewezen en in
het kentekenregister is opgenomen, maakt gebruik van dat gegeven.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien:
a. het overheidsorgaan ten
aanzien van het betreffende gegeven een melding heeft gedaan
als bedoeld in artikel 43c, eerste lid;
b. bij het betreffende gegeven
een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 43c, derde
lid;
c. bij wettelijk voorschrift
anders is bepaald;
d. een goede vervulling van de
publieke taak van het overheidsorgaan door de onverkorte
toepassing van het eerste lid wordt belet.
3. Een natuurlijke persoon of
rechtspersoon aan wie door een overheidsorgaan een gegeven wordt
gevraagd, waarop het eerste lid van toepassing is, behoeft dat
gegeven niet mede te delen, behoudens voor zover het gegeven
noodzakelijk wordt geacht voor een deugdelijke vaststelling van de
identiteit van betrokkene of van het voertuig.
Artikel 43c
1. Een overheidsorgaan dat gerede
twijfel heeft over de juistheid van een in het kentekenregister
opgenomen authentiek gegeven, meldt die twijfel, onder opgave van
redenen, aan de Dienst Wegverkeer.
2. Indien een melding als bedoeld
in het eerste lid betrekking heeft op een gegeven dat afkomstig is
uit een andere basisregistratie zendt de Dienst Wegverkeer de
melding door aan de beheerder van dat register, tenzij met het
overheidsorgaan dat een melding als bedoeld in het eerste lid doet
is afgesproken dat dit overheidsorgaan de melding rechtstreeks
doet aan de beheerder van het register waaruit het authentieke
gegeven afkomstig is.
3. De Dienst Wegverkeer tekent na
ontvangst van een melding als bedoeld in het eerste lid, op de
door deze dienst te bepalen wijze, in het kentekenregister aan dat
het desbetreffende gegeven «in onderzoek» is, tenzij het een
melding betreft die op grond van het tweede lid wordt doorgezonden
aan de beheerder van een andere basisregistratie.
4. Indien een melding als bedoeld
in het eerste lid betrekking heeft op een gegeven dat bij of
krachtens deze wet als authentiek is aangewezen, besluit de Dienst
Wegverkeer over wijziging van het gegeven en bericht deze dienst
het overheidsorgaan dat de melding heeft gedaan onverwijld over
deze beslissing.
5. Indien het besluit, bedoeld in
het vierde lid, leidt tot wijziging van het authentieke gegeven
doet de Dienst Wegverkeer onverwijld mededeling aan degene op wie
het authentieke gegeven betrekking heeft, dan wel aan degene aan
wie het kentekenbewijs is afgegeven voor het motorrijtuig of de
aanhangwagen waarop het desbetreffende authentieke gegeven
betrekking heeft.
6. De Dienst Wegverkeer verwijdert
de aantekening dat een gegeven in onderzoek is wanneer het besluit
omtrent wijziging onherroepelijk is.
7. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
regels worden gesteld.
Artikel 43d
1. Indien de Dienst Wegverkeer
constateert dat een door deze dienst in het kentekenregister
geplaatst gegeven onjuist of ten onrechte in het kentekenregister
is opgenomen, wijzigt of verwijdert deze dienst dat gegeven.
2. Indien de Dienst Wegverkeer
constateert dat een gegeven ten onrechte niet in het
kentekenregister is opgenomen, neemt deze dienst dat gegeven
alsnog in het kentekenregister op.
3. Van de beslissing tot wijzigen,
verwijderen, dan wel alsnog opnemen van een authentiek gegeven in
het kentekenregister doet de Dienst Wegverkeer onverwijld
mededeling aan degene op wie het authentieke gegeven betrekking
heeft, dan wel aan degene aan wie het kentekenbewijs is afgegeven
voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop het desbetreffende
authentieke gegeven betrekking heeft.
Artikel 43e
1. Indien een belanghebbende
gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een gegeven dat bij of
krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt of een
niet-authentiek gegeven onjuist of ten onrechte wel, dan wel ten
onrechte niet in het kentekenregister is opgenomen, kan hij onder
opgave van die redenen aan de Dienst Wegverkeer een verzoek doen
tot wijziging, verwijdering of opneming van dat gegeven.
2. De Dienst Wegverkeer beslist
naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het eerste lid over
wijziging, verwijdering of opneming van het betreffende gegeven en
bericht de belanghebbende die het verzoek heeft gedaan over deze
beslissing.
Artikel 43f
Onverminderd artikel 43c zijn
overheidsorganen gehouden om aan de Dienst Wegverkeer op de door
deze dienst te bepalen wijze mededeling te doen van de hen in de
uitoefening van hun functie ter kennis gekomen feiten, ingeval deze
feiten aanleiding kunnen zijn om tot wijziging of aanvulling van de
in het kentekenregister opgenomen gegevens over te gaan, dan wel
anderszins van belang kunnen zijn voor de juistheid van deze
gegevens.
Artikel 44
1. De Dienst Wegverkeer neemt
maatregelen met het oog op het waarborgen van de juistheid, de
actualiteit en de volledigheid van het kentekenregister.
2. De Dienst Wegverkeer laat ten
minste eenmaal in de drie jaar een registeraccountant, dan wel een
accountant die is ingeschreven in het register bedoeld in artikel
36, eerste lid, van de Wet op de
Accountants-Administratieconsulenten, een oordeel geven over de
opzet en werking van het stelsel van interne beheersmaatregelen.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter
uitvoering van het eerste en tweede lid.
Artikel 45
De Dienst Wegverkeer stelt ten
aanzien van het verwerken van gegevens als bedoeld in artikel 42 een
reglement vast.
Artikel 45a
1. Met het toezicht op het gebruik
van uit het kentekenregister verstrekte gegevens zijn belast de
bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van
een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in
deStaatscourant.
2. Indien de Dienst Wegverkeer
gerede twijfel heeft over de juistheid van een gegeven uit het
kentekenregister dat betrekking heeft op een motorrijtuig of
aanhangwagen, kan deze dienst degene aan wie het kentekenbewijs
voor het betreffende motorrijtuig of aanhangwagen is afgegeven
gelasten dat voertuig ter inspectie aan de Dienst Wegverkeer ter
beschikking te stellen.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen door de
Dienst Wegverkeer een door deze dienst vastgesteld tarief ter zake
van de kosten van toezicht als bedoeld in het eerste lid of van de
inspectie bedoeld in het tweede lid in rekening wordt gebracht.
Dit tarief wordt op door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze in
rekening gebracht.
4. Verstrekking van gegevens uit
het kentekenregister kan achterwege worden gelaten indien naar het
oordeel van de Dienst Wegverkeer sprake is van handelen in strijd
met de doeleinden waarvoor dan wel de voorwaarden waaronder is
verstrekt.
Artikel 46
1. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels vastgesteld betreffende de met de
registratie van kentekens samenhangende verplichtingen van degene:
a. die de eigendom, het bezit
of het houderschap van een motorrijtuig of een aanhangwagen,
waarvoor nog geen kenteken is opgegeven, heeft verkregen;
b. aan wie een kenteken is
opgegeven;
c. die de eigendom, het bezit
of het houderschap van een motorrijtuig of een aanhangwagen,
waarvoor een kenteken is opgegeven, heeft verkregen.
2. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste
lid.
§ 4. Kentekenbewijzen
Artikel 47
Een kentekenbewijs bestaat uit een of
meer bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen delen.
Artikel 48
1. Een kentekenbewijs wordt op
aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer
vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde
tarief slechts afgegeven aan in Nederland woonachtige natuurlijke
personen die de leeftijd van achttien jaren dan wel, indien de
aanvraag betrekking heeft op een kentekenbewijs voor een
bromfiets, de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt en aan in
Nederland gevestigde rechtspersonen, indien het motorrijtuig of de
aanhangwagen waarvoor de afgifte wordt verlangd, overeenkomstig
artikel 22 of 26 is goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op
de weg en, indien na die toelating wijziging is aangebracht in de
bouw of inrichting van dat voertuig, die wijziging, behoudens in
het geval dat geen goedkeuring is vereist, overeenkomstig artikel
99, eerste lid, of 100, eerste lid, is goedgekeurd voor toelating
van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg.
2. In bepaalde
uitzonderingsgevallen kan door de Dienst Wegverkeer een
kentekenbewijs worden afgegeven, indien ten aanzien van het
motorrijtuig of de aanhangwagen, waarvoor de afgifte wordt
verlangd, niet is voldaan aan het eerste lid.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat de ingevolge het eerste lid
gestelde eisen aan de aanvrager van een kentekenbewijs niet gelden
ten aanzien van de aanvrager van een kentekenbewijs, afgegeven ter
zake van de opgave van een kenteken als bedoeld in artikel 38.
4. Indien een kentekenbewijs is
afgegeven aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet
behoeft te zijn ingeschreven in een daartoe bij de wet aangewezen
register of waarvan de onderneming niet behoeft te zijn
ingeschreven in het handelsregister, wordt degene die bij de
aanvraag als gemachtigde van die rechtspersoon is opgetreden, voor
de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet mede als
houder van het motorrijtuig of de aanhangwagen aangemerkt in de
zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel o.
5. De in het vierde lid bedoelde
gemachtigde dient in Nederland woonachtig te zijn en dient de
leeftijd van achttien jaren te hebben bereikt.
6. Ingeval de aanvrager van een
kentekenbewijs voor een bromfiets de leeftijd heeft van zestien of
zeventien jaar, wordt voor wat betreft de aanvraag de toestemming
van diens wettelijke vertegenwoordiger verondersteld te zijn
verleend.
Artikel 48a
De Dienst Wegverkeer brengt
aantekeningen aan op dan wel verwijdert aantekeningen van het
kentekenbewijs voor zover dat bij of krachtens deze wet is
voorgeschreven of mogelijk wordt gemaakt, dan wel voor de goede
uitvoering van deze wet wenselijk is.
Artikel 49
1. Onverminderd artikel 48, eerste
lid, wordt de afgifte van een kentekenbewijs geweigerd:
a. indien bij een ingevolge
hoofdstuk V verrichte keuring blijkt dat de op het voertuig
aangebrachte gegevens op onrechtmatige wijze in
overeenstemming zijn gebracht met de op het overgelegde
kentekenbewijs vermelde gegevens,
b. indien blijkt dat de ter
zake van het voertuig verschuldigde belastingen en rechten
niet zijn voldaan,
c. indien blijkt dat de
krachtens een algemeen verbindend verklaarde overeenkomst op
grond van de Wet milieubeheer verschuldigde
afvalbeheersbijdrage voor autowrakken niet is voldaan, dan wel
d. in overige bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen gevallen overeenkomstig de
bij die algemene maatregel vastgestelde regels.
2. De afgifte van een
kentekenbewijs kan worden geweigerd indien:
a. voor het motorrijtuig of de
aanhangwagen waarvoor de afgifte wordt verlangd, op grond van
het bij of krachtens deze wet bepaalde geen kenteken behoeft
te zijn opgegeven;
b. uit het kentekenregister
blijkt dat de eigenaar of houder van een motorrijtuig of een
aanhangwagen onvrijwillig de beschikkingsmacht over dat
voertuig heeft verloren.
Artikel 50
1. De aanvrager van een
kentekenbewijs dient persoonlijk te verschijnen bij een bij
ministeriële regeling aan te wijzen instantie, tenzij:
a. de aanvraag namens hem wordt
ingediend door degene aan wie door de Dienst Wegverkeer een
erkenning als bedoeld in artikel 62 is verleend dan wel,
indien dit een rechtspersoon is, door diens gemachtigde, en
deze voldoende zekerheid heeft verkregen over de identiteit
van de aanvrager. Daartoe legt de aanvrager een document als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Paspoortwet, een
geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 dan wel een
rijbewijs als bedoeld in artikel 108, eerste lid, onderdeel h
voor zover de aldaar bedoelde registratie heeft
plaatsgevonden, over. Degene die namens de aanvrager de
aanvraag indient, legt bij de bij ministeriële regeling aan
te wijzen instantie het document bedoeld in de tweede volzin
over, alsmede de volmacht en het bewijs dat aan hem een
erkenning als bedoeld in artikel 62 is verleend, of
b. volgens bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen regels op andere wijze
voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit
van de aanvrager.
Indien bij de aanvraag, bedoeld
onder a, gebruik wordt gemaakt van een document als bedoeld in
artikel 2 van de Paspoortwet, dient bij de aanvraag tevens een de
aanvrager betreffend gewaarmerkt afschrift van de benodigde
gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens te worden
overgelegd dat niet langer dan drie maanden voor het tijdstip van
de aanvraag is verstrekt. Onze Minister kan de bevoegdheid van de
krachtens artikel 62 erkende persoon om de aanvraag namens de
aanvrager in te dienen beperken tot één of meer specifiek voor
die persoon met name te noemen instanties. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels vastgesteld ter zake van de voorwaarden
waaraan degene aan wie ingevolge artikel 62 een erkenning is
verleend, dient te voldoen om als gemachtigde, bedoeld onder a, op
te treden.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat de verplichting om persoonlijk te
verschijnen niet geldt ten aanzien van de aanvrager van een
kentekenbewijs, afgegeven ter zake van de opgave van een kenteken
als bedoeld in artikel 38.
3. Indien de aanvraag geschiedt
door een in Nederland gevestigde rechtspersoon die dient te zijn
ingeschreven in een daartoe bij de wet aangewezen register of
waarvan de onderneming dient te zijn ingeschreven in het
handelsregister, geldt de verplichting om persoonlijk te
verschijnen voor degene die krachtens de statuten bevoegd is de
rechtspersoon te vertegenwoordigen. Indien er meerdere personen
bevoegd zijn de rechtspersoon te vertegenwoordigen, geldt de
verplichting voor een van hen. Een persoon die bevoegd is de
rechtspersoon te vertegenwoordigen, kan bij gemachtigde
verschijnen.
4. Indien de aanvraag geschiedt
door een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet behoeft te
zijn ingeschreven in een daartoe bij de wet aangewezen register of
waarvan de onderneming niet behoeft te zijn ingeschreven in het
handelsregister, geldt de verplichting om persoonlijk te
verschijnen voor degene die door die rechtspersoon is gemachtigd
tot de aanvraag van het kentekenbewijs.
5. De aanvraag van een
kentekenbewijs dient te geschieden overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels. Bij ministeriële
regeling worden voorschriften vastgesteld ter uitvoering van die
regels.
6. De in het vijfde lid bedoelde
regels kunnen mede dienstbaar zijn aan de heffing van de belasting
van personenauto’s en motorrijwielen en van de
motorrijtuigenbelasting alsmede aan de afdracht van de krachtens
een algemeen verbindend verklaarde overeenkomst op grond van de
Wet milieubeheer verschuldigde afvalbeheersbijdrage voor
autowrakken.
7. Bij de in het vijfde lid
bedoelde regels kan worden bepaald in welke gevallen het
motorrijtuig of de aanhangwagen, waarvoor een kentekenbewijs wordt
aangevraagd, voor een onderzoek ter beschikking moet worden
gehouden.
8. De Dienst Wegverkeer is bevoegd
te vorderen dat de aanvrager van een kentekenbewijs een door of
vanwege Onze Minister van Financiën afgegeven bewijs overlegt,
waaruit blijkt dat ter zake van het motorrijtuig of de
aanhangwagen verschuldigde belastingen en rechten zijn voldaan.
Artikel 51
1. Het is verboden voor het
verkrijgen van een kentekenbewijs opzettelijk onjuiste opgaven te
doen, onjuiste inlichtingen te verschaffen en onjuiste
bewijsstukken en andere bescheiden over te leggen.
2. Voor zover de bij de aanvraag
van een kentekenbewijs te verschaffen gegevens betreffen of mede
betreffen gegevens die nodig worden geacht ter zake van de heffing
van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en van de
motorrijtuigenbelasting, wordt de verplichting tot het verstrekken
van die gegevens beschouwd als een ingevolge de belastingwet
opgelegde verplichting en zijn, indien ter zake onjuiste of
onvolledige gegevens worden verstrekt - in afwijking van de
bepalingen van deze wet - de bepalingen van Hoofdstuk IX
(Strafrechtelijke bepalingen) van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen van toepassing.
Artikel 52
1. Indien voor het voertuig
waarvoor de afgifte van een kentekenbewijs wordt verlangd, een
kentekenbewijs als bedoeld in artikel 56 is afgegeven, kan de
Dienst Wegverkeer verlangen dat, alvorens een kentekenbewijs wordt
afgegeven, dat eerder afgegeven kentekenbewijs dient te worden
ingeleverd.
2. Aan de afgifte van een
kentekenbewijs kunnen door de Dienst Wegverkeer voorschriften
worden verbonden, zulks onder aantekening daarvan in het bewijs.
Artikel 53
De Dienst Wegverkeer geeft bij de
afgifte van een kentekenbewijs tevens een keuringsbewijs voor het
betrokken voertuig af indien:
a. het voertuig is onderworpen
aan een onderzoek dat ten minste een controle inhoudt op de
eisen, bedoeld in artikel 75, eerste lid, en
b. artikel 72 voor dat voertuig
geldt of binnen een jaar zal gaan gelden.
Artikel 54
Onze Minister kan aan besturen van
verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, die behartiging van
verkeersbelangen ten doel hebben, de bevoegdheid verlenen tot het
afgeven van internationale bewijzen voor motorrijtuigen en
aanhangwagens, bedoeld in internationale overeenkomsten, ten behoeve
van het verkeer met motorrijtuigen en aanhangwagens in het
buitenland.
Artikel 55
1. Op aanvraag en tegen betaling,
op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het
daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief, geeft deze dienst
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels vervangende bewijzen af voor:
a. kentekenbewijzen of delen
daarvan, die versleten, geheel of ten dele onleesbaar,
verloren geraakt of teniet gegaan zijn;
b. kentekenbewijzen in geval
van vermissing van de bijbehorende kentekenplaten.
2. Het vervangende bewijs treedt in
de plaats van het eerder afgegeven kentekenbewijs of deel daarvan
en wordt niet afgegeven dan nadat het versleten of geheel of ten
dele onleesbaar geworden kentekenbewijs of deel daarvan, waarvoor
het wordt afgegeven, is ingeleverd bij de Dienst Wegverkeer.
Artikel 56
In bij algemene maatregel van bestuur
vast te stellen gevallen kan een kentekenbewijs met een beperkte
geldigheidsduur worden afgegeven.
Artikel 57
1. Onverminderd artikel 56 verliest
een kentekenbewijs zijn geldigheid door:
a. [vervallen;]
b. afgifte van een nieuw
kentekenbewijs dan wel een vervangend kentekenbewijs;
c. het onbevoegd daarin
aanbrengen van wijzigingen;
d. schorsing als bedoeld in
artikel 67, eerste lid, voor de duur van de schorsing;
e. ongeldigverklaring.
2. In de gevallen waarin
overeenkomstig artikel 55 een vervangend bewijs is afgegeven voor
een deel van het kentekenbewijs, verliest het deel waarvoor dat
vervangend bewijs is afgegeven, zijn geldigheid.
3. De Dienst Wegverkeer kan
verlangen dat een kentekenbewijs dat zijn geldigheid heeft
verloren binnen een daarbij bepaalde termijn bij deze dienst dient
te worden ingeleverd.
Artikel 58
1. Een kentekenbewijs wordt
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels ongeldig verklaard:
a. indien het is afgegeven op
grond van bij de aanvraag verschafte onjuiste gegevens en dat
kentekenbewijs niet zou zijn afgegeven indien de onjuistheid
van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn
geweest, dan wel
b. indien blijkt dat het
kennelijk abusievelijk is afgegeven.
2. Een kentekenbewijs kan,
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels, ongeldig worden verklaard:
a. indien de ter zake van het
voertuig verschuldigde belastingen en rechten niet zijn
voldaan;
b. indien het voertuig waarvoor
het is afgegeven, niet voldoet aan de bij of krachtens deze
wet vastgestelde eisen, met uitzondering van de ingevolge
hoofdstuk III met betrekking tot de toelating tot het verkeer
op de weg vastgestelde eisen;
c. indien in de bouw of
inrichting van het voertuig waarvoor het is afgegeven,
wijzigingen zijn aangebracht, die niet zijn goedgekeurd
overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet;
d. indien het voertuig waarvoor
het kentekenbewijs is afgegeven een schadevoertuig betreft dat
voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde kenmerken,
dan wel indien het voertuig na herstel van de schade niet
voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten
aanzien van de wijze waarop de schade is hersteld;
e. indien de eigenaar of houder
van een voertuig onvrijwillig de beschikkingsmacht over dat
voertuig heeft verloren, mits wordt voldaan aan de bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde voorwaarden, dan
wel
f. in andere bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen gevallen.
3. De ongeldigverklaring kan worden
beperkt tot het rijden over de weg.
4. De Dienst Wegverkeer kan een
ongeldig verklaard kentekenbewijs geldig verklaren, dan wel geldig
verklaren voor het rijden over de weg, indien de reden voor
ongeldigverklaring is komen te vervallen.
Artikel 59
1. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels vastgesteld omtrent het verval van de
tenaamstelling in het kentekenregister. De tenaamstelling in het
kentekenregister vervalt in ieder geval zodra het kentekenbewijs
ongeldig is verklaard ingevolge artikel 58, tweede lid, onderdeel
e.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden vastgesteld omtrent het herleven van
een vervallen tenaamstelling in het kentekenregister.
Artikel 60
1. De houder van een kentekenbewijs
is op eerste vordering van de bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen personen verplicht tot overgifte van dat bewijs of van
een of meer bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen delen
daarvan, indien naar het oordeel van die personen:
a. ter zake van het voertuig,
waarvoor het kentekenbewijs is afgegeven, de verschuldigde
belastingen en rechten niet zijn voldaan;
b. het voertuig waarvoor het
kentekenbewijs is afgegeven, niet voldoet aan de bij of
krachtens deze wet vastgestelde eisen, met uitzondering van de
ingevolge hoofdstuk III met betrekking tot de toelating tot
het verkeer op de weg vastgestelde eisen;
c. het voertuig waarvoor het
kentekenbewijs is afgegeven een schadevoertuig betreft dat
voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde kenmerken,
dan wel indien het voertuig na herstel van de schade niet
voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten
aanzien van de wijze waarop de schade is hersteld.
2. De in het eerste lid bedoelde
vordering kan eveneens worden gedaan indien naar het oordeel van
de daar bedoelde personen niet wordt voldaan aan de krachtens
artikel 52, tweede lid, in het kentekenbewijs vermelde
voorschriften.
3. Indien het een kentekenbewijs
betreft dat is afgegeven voor een aanhangwagen die overeenkomstig
het bij ministeriële regeling bepaalde is voorzien van een
identificatieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen een
bij die maatregel vastgestelde termijn.
4. De in het eerste lid bedoelde
personen doen in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
gevallen het kentekenbewijs of de ingevorderde delen daarvan zo
spoedig mogelijk toekomen aan de Dienst Wegverkeer.
5. De Dienst Wegverkeer geeft het
kentekenbewijs of de ingevorderde delen daarvan terug:
a. in de gevallen, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, indien ter zake van het voertuig
alsnog de verschuldigde belastingen en rechten zijn voldaan;
b. in de gevallen, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b, indien het voertuig ter zake van
de eisen waaraan het niet voldeed, alsnog is goedgekeurd;
c. in de gevallen, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel c, indien het schadevoertuig is
goedgekeurd ingevolge bij ministeriële regeling vastgestelde
eisen omtrent de wijze waarop de schade is hersteld;
d. in het geval, bedoeld in het
tweede lid, indien alsnog wordt voldaan aan de krachtens
artikel 52, tweede lid, in het kentekenbewijs vermelde
voorschriften.
6. De Dienst Wegverkeer geeft bij
de teruggave van het kentekenbewijs of de ingevorderde delen
daarvan tevens een keuringsbewijs voor het betrokken voertuig af,
indien:
a. het kentekenbewijs is
ingevorderd omdat het voertuig niet voldoet aan de eisen
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
b. het voertuig is onderworpen
aan een onderzoek dat ten minste een controle inhoudt op de
eisen, bedoeld in artikel 75, eerste lid; en
c. artikel 72 voor dat voertuig
geldt en binnen een jaar zal gelden.
7. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de vordering van
kentekenbewijzen.
8. Bij ministeriële regeling, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen nadere
regels worden vastgesteld omtrent het vijfde lid, onderdeel a.
Artikel 61
1. Het is verboden:
a. [vervallen;]
b. [vervallen;]
c. ten opzichte van een
motorrijtuig of een aanhangwagen opzettelijk gebruik te maken
van een kentekenbewijs dat niet aan de eigenaar of houder voor
dat motorrijtuig of die aanhangwagen is afgegeven, als ware
het aan deze voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen
afgegeven.
§ 5. Erkenningsregeling
bedrijfsvoorraad
Artikel 62
1. De Dienst Wegverkeer kan aan een
natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen
waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens,
waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad
op te nemen.
2. Aan de erkenning kunnen bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen bevoegdheden worden
verbonden; een zodanige bevoegdheid maakt deel uit van de
erkenning. Het in de artikelen 62 tot en met 66 ten aanzien van
erkenningen bepaalde is van overeenkomstige toepassing op bedoelde
bevoegdheden.
3. De erkenning geldt voor de in de
erkenning aangewezen groep of groepen van voertuigen en kan gelden
voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning
worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften
regels worden vastgesteld.
5. De in artikel 50, eerste lid,
aanhef bedoelde verplichting om bij de aanvraag van een
kentekenbewijs persoonlijk te verschijnen bij een bij
ministeriële regeling aangewezen instantie, geldt niet voor
natuurlijke personen of rechtspersonen aan wie een erkenning als
bedoeld in het eerste lid is verleend.
Artikel 63
1. De erkenning wordt door de
Dienst Wegverkeer op aanvraag en tegen betaling, op de door deze
dienst vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst
vastgestelde tarief verleend aan de natuurlijke persoon of
rechtspersoon, die voldoet aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen. Deze eisen betreffen onder meer de
administratieve organisatie van de natuurlijke persoon of
rechtspersoon alsmede de wijze waarop deze er voor zorgdraagt dat
de aan de opname in bedrijfsvoorraad verbonden procedures in acht
worden genomen. Voorts kunnen deze eisen mede dienstbaar zijn aan
de uitvoering van de Wet milieubeheer.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de
aanvraag van een erkenning.
3. Bij ministeriële regeling
worden regels vastgesteld ter uitvoering van het krachtens het
tweede lid bepaalde.
4. De erkenning wordt geweigerd
indien een reeds aan de aanvrager verleende erkenning op grond van
artikel 65, tweede lid, is ingetrokken binnen een direct aan de
datum van indiening van de aanvraag voorafgaande periode van
twaalf weken, dan wel van zes maanden ingeval reeds twee of meer
malen een dergelijke aan de aanvrager verleende erkenning is
ingetrokken.
Artikel 64
1. Met het toezicht op de naleving
van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen zijn belast
de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van
een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant. Het toezicht omvat in ieder geval het periodiek
controleren van de bedrijfsvoorraad van degene aan wie de
erkenning is verleend en van de ter zake van die bedrijfsvoorraad
door deze gevoerde administratie.
2. Degene aan wie een erkenning is
verleend, is gehouden tot betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake
van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld betreffende de wijze waarop het
toezicht wordt gehouden en de verplichting tot medewerking daaraan
van degene aan wie een erkenning is verleend. Deze regels kunnen
inhouden dat een verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt
dat wordt gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning
voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 65
1. De Dienst Wegverkeer trekt een
erkenning in, indien degene aan wie de erkenning is verleend,
daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een
erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning
is verleend:
a. niet meer voldoet aan de
voor de erkenning gestelde eisen,
b. de verplichtingen, vervat in
artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en
artikel 64, tweede lid, niet nakomt, of
c. handelt in strijd met een of
meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer kan in de
gevallen, bedoeld in het tweede lid, een erkenning schorsen voor
een door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste
twaalf weken bedraagt.
4. De Dienst Wegverkeer kan in de
gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd
geldt voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30
maanden.
Artikel 65a
Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden vastgesteld met betrekking tot het intrekken, wijzigen
en schorsen van de erkenning.
Artikel 66
Het is een ieder aan wie niet een
erkenning als bedoeld in artikel 62 is verleend, verboden zich op
zodanige wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk
kan worden gewekt, dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
§ 6. Schorsing
Artikel 67
1. Indien met een voertuig geen
gebruik van de weg wordt gemaakt, schorst de Dienst Wegverkeer op
aanvraag van de eigenaar of houder van dat voertuig, tegen
betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief, de geldigheid
van het kentekenbewijs.
2. De hoogte van het in het eerste
lid bedoelde tarief kan voor verschillende groepen voertuigen dan
wel eigenaren of houders van voertuigen verschillend worden
vastgesteld. Voor aanvragen die worden ingediend binnen een jaar
na de aanvraag van een schorsing welke ingevolge artikel 68,
eerste lid, onderdelen a en d, is geëindigd, kan het tarief hoger
worden vastgesteld dan het tarief voor laatstgenoemde aanvraag.
3. De aanvraag van een schorsing
dient te geschieden overeenkomstig bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde regels.
4. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld omtrent het krachtens het derde
lid bepaalde.
5. De Dienst Wegverkeer plaatst bij
het verlenen van de schorsing overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels op het kentekenbewijs
een aantekening waaruit blijkt dat schorsing is verleend.
6. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld omtrent de aantekening van
schorsing, bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 68
1. De schorsing eindigt:
a. door opheffing als bedoeld
in artikel 69,
b. door verloop van een jaar
nadat de schorsing is verleend,
c. door het verval van de
tenaamstelling in het kentekenregister, of
d. zodra met het voertuig
gebruik van de weg wordt gemaakt.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald
dat in bepaalde uitzonderingsgevallen tijdelijk kan worden
afgeweken van het eerste lid, aanhef en onderdeel d.
Artikel 69
1. De schorsing wordt op aanvraag
van de eigenaar of houder door de Dienst Wegverkeer opgeheven.
2. De aanvraag van opheffing van de
schorsing dient te geschieden overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels.
3. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld omtrent het krachtens het tweede
lid bepaalde.
Artikel 70
1. Bij de aanvraag van opheffing
van de schorsing alsmede na het eindigen van de schorsing op grond
van artikel 68, eerste lid, aanhef en onderdeel b of d, dient
degene aan wie de schorsing is verleend, een nieuw kentekenbewijs
of een of meer bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
delen daarvan aan te vragen.
2. De aanvraag dient te geschieden
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer
vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde
tarief.
§ 7. Kentekenplaten
Artikel 70a
1. De Dienst Wegverkeer kan aan een
natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen
waardoor deze gerechtigd is een of meer van de in artikel 40,
tweede lid, bedoelde bij de erkenning aangewezen merken aan te
brengen.
2. Het is verboden om zonder de in
het eerste lid bedoelde erkenning de aldaar bedoelde merken aan te
brengen.
3. Bij ministeriële regeling
worden voorschriften vastgesteld die aan de erkenning worden
verbonden en worden met betrekking tot die voorschriften regels
vastgesteld. Die regels hebben in ieder geval betrekking op:
a. de fabricage en levering van
kentekenplaten en onderdelen daarvan en de daarbij te volgen
procedure;
b. de registratie van gegevens
met betrekking tot de ingekochte materialen, de productie, de
af- en uitval, de voorraad en de aflevering van kentekenplaten
en onderdelen daarvan.
Artikel 70b
1. De fabrikant van kentekenplaten
is in geval van levering van kentekenplaten verplicht tot het
vastleggen van gegevens omtrent: van:
a. het betrokken kenteken;
b. de aard en het nummer van
het identiteitsdocument van degene door, respectievelijk
namens wie de kentekenplaten worden aangevraagd, en
c. het aantal afgegeven
kentekenplaten.
2. Indien de kentekenplaten worden
aangevraagd namens een rechtspersoon of door een daartoe bij
ministeriële regeling aangewezen erkend bedrijf als bedoeld in
artikel 62, worden in plaats van de gegevens, bedoeld in het
eerste lid, onder b, vastgelegd de bij ministeriële regeling
aangewezen gegevens.
3. Indien bij de levering van
kentekenplaten die door, respectievelijk namens een natuurlijk
persoon zijn aangevraagd, een ander identiteitsdocument dan een
rijbewijs of paspoort wordt overgelegd, wordt tevens vastgelegd de
naam, de beginletters van de voornaam of voornamen en het adres
van degene door, respectievelijk namens wie de kentekenplaten
worden aangevraagd.
4. De fabrikant verstrekt gegevens
die zijn vastgelegd op grond van het eerste tot en met derde lid
in een registratie, uitsluitend en desgevraagd aan de ambtenaren
van de Dienst Wegverkeer, belast met het toezicht op de naleving
van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen, en aan de
ambtenaren van politie belast met de handhaving van de uit de
erkenning voortvloeiende verplichtingen en van de verboden,
bedoeld in artikel 41, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn
voor de goede vervulling van hun taak.
5. De vastgelegde gegevens worden
gedurende één jaar na de vastlegging bewaard.
6. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld omtrent de inrichting en het
beheer van het register.
Artikel 70c
1. Na afloop van de termijn,
bedoeld in artikel 70b, vijfde lid, worden de daar bedoelde
vastgelegde gegevens overgedragen aan de Dienst Wegverkeer.
2. Uit de registratie worden door
de Dienst Wegverkeer uitsluitend en desgevraagd aan de ambtenaren
van politie belast met de handhaving van de uit de erkenning
voortvloeiende verplichtingen en van de verboden, bedoeld in
artikel 41, gegevens verstrekt voor zover deze noodzakelijk zijn
voor de goede vervulling van hun taak.
3. De vastgelegde gegevens worden
door de Dienst Wegverkeer maximaal vijf jaar na de overdracht,
bedoeld in het eerste lid, bewaard.
4. De Dienst Wegverkeer stelt ten
aanzien van het verwerken van de persoonsgegevens als bedoeld in
het eerste lid, een reglement vast.
Artikel 70d
1. De erkenning wordt op aanvraag
en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde
wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief
verleend indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon voldoet
aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen. Deze eisen
betreffen onder meer de administratieve organisatie van de
natuurlijke persoon of rechtspersoon alsmede de wijze waarop deze
ervoor zorg draagt dat de aan het aanbrengen van de merken
verbonden procedures in acht worden genomen.
2. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de aanvraag
van een erkenning.
3. De erkenning wordt in ieder
geval geweigerd indien een reeds aan de aanvrager verleende
erkenning op grond van artikel 70f, tweede lid, is ingetrokken
binnen een direct aan de datum van indiening van de aanvraag
voorafgaande periode van twaalf weken, dan wel van zes maanden
ingeval reeds twee of meer malen een dergelijke aan de aanvrager
verleende erkenning is ingetrokken.
Artikel 70e
1. Met het toezicht op de naleving
van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen zijn belast
de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van
een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant. Het toezicht omvat in ieder geval het periodiek
controleren van de organisatie van degene aan wie de erkenning is
verleend.
2. Degene aan wie een erkenning is
verleend, is gehouden tot betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake
van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld betreffende de wijze waarop het
toezicht wordt gehouden en de verplichting tot medewerking daaraan
van degene aan wie een erkenning is verleend. Deze regels kunnen
inhouden dat een verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt
dat wordt gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning
voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 70f
1. De Dienst Wegverkeer trekt een
erkenning in, indien degene aan wie die erkenning is verleend,
daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een
erkenning intrekken of wijzigen dan wel de daaraan verbonden
voorschriften wijzigen indien degene aan wie de erkenning is
verleend:
a. niet meer voldoet aan de
voor de erkenning gestelde eisen;
b. een verplichting als bedoeld
in artikel 70e niet nakomt, of
c. handelt in strijd met een of
meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer kan in de
gevallen, bedoeld in het tweede lid, een erkenning schorsen voor
een door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste
twaalf weken bedraagt.
Artikel 70g
Het is een ieder aan wie niet een
erkenning als bedoeld in artikel 70a is verleend, verboden zich op
zodanige wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk
kan worden gewekt, dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
Artikel 70h
Bij de verkrijging van een
kentekenplaat worden de bij ministeriële regeling aangewezen
identiteitsdocumenten en overige documenten overgelegd.
Artikel 70i
1. In geval van overdracht van een
motorrijtuig of aanhangwagen aan een erkend bedrijf als bedoeld in
artikel 62, ten behoeve van uitvoer naar het buitenland of
voorgoed buiten gebruikstelling, is de eigenaar of houder
verplicht tot inlevering van de betrokken kentekenplaten bij dat
bedrijf tegelijk met de overdracht.
2. In geval van uitvoer naar het
buitenland anders dan door een erkend bedrijf als bedoeld in
artikel 62, is de eigenaar of houder van het motorrijtuig of de
aanhangwagen verplicht tot inlevering van de betrokken
kentekenplaten bij de Dienst Wegverkeer tegelijk met de uitvoer.
3. Indien het kentekenbewijs zijn
geldigheid heeft verloren, anders dan in geval van het eerste of
het tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer verlangen dat de
betrokken kentekenplaten binnen een bepaalde termijn bij deze
dienst worden ingeleverd.
Artikel 70j
1. Indien de betrokken
kentekenplaten overeenkomstig artikel 70i worden ingeleverd bij de
Dienst Wegverkeer onderscheidenlijk een erkend bedrijf als bedoeld
in artikel 62 is deze dienst, onderscheidenlijk dit bedrijf
verplicht tot het vastleggen van gegevens omtrent van:
a. het betrokken kenteken, en
b. het aantal ingeleverde
kentekenplaten.
De artikelen 70b, vierde tot en met
zesde lid, en 70c zijn van overeenkomstige toepassing
2. De Dienst Wegverkeer,
onderscheidenlijk het erkende bedrijf, is voorts, overeenkomstig
bij ministeriële regeling vast te stellen regels, verplicht tot
vernietiging van de ingeleverde kentekenplaten en tot registratie
van de vernietiging.
Hoofdstuk IVA. Registratie van
fietsen en andere mobiele objecten
Artikel 70k
1. De Dienst Wegverkeer houdt een
register van fietsen.
2. Bij ministeriële regeling
worden regels gesteld omtrent de inhoud van het register alsmede
de verwerking, het gebruik en de verstrekking van de gegevens
daaruit.
3. Het verzamelen van gegevens ten
behoeve van het in het eerste lid bedoelde register geschiedt ter
voorkoming van diefstal en heling van fietsen, alsmede ten behoeve
van de opsporing van gestolen fietsen.
4. Registratie van gegevens in het
register geschiedt op de door de Dienst Wegverkeer te bepalen
wijze. In door de Dienst Wegverkeer te bepalen gevallen kan een
door deze dienst te bepalen aansluittarief verschuldigd zijn.
5. In door de Dienst Wegverkeer te
bepalen gevallen geschiedt de registratie van gegevens in, dan wel
verstrekking van gegevens uit het register tegen betaling van een
door deze dienst te bepalen tarief.
Artikel 70l
1. De Dienst Wegverkeer houdt een
register van bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën
van mobiele objecten anders dan fietsen waarvoor op grond van deze
wet geen kenteken is opgegeven.
2. Bij ministeriële regeling
worden regels gesteld omtrent de inhoud van het register alsmede
de verwerking, het gebruik en de verstrekking van de gegevens
daaruit.
3. Het verzamelen van gegevens ten
behoeve van het in het eerste lid bedoelde register geschiedt ter
voorkoming van diefstal en heling van mobiele objecten, ten
behoeve van de opsporing van gestolen mobiele objecten, alsmede
ten behoeve van andere, bij ministeriële regeling te bepalen
doeleinden, met inachtneming van artikel 2.
4. Hetvierde en vijfde lid van
artikel 70k zijn van toepassing.
Hoofdstuk V. Gebruik van voertuigen
op de weg
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 71
Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld omtrent:
a. de eisen waaraan voertuigen
moeten voldoen waarmee over de weg wordt gereden, waarbij
onderscheid kan worden gemaakt tussen verschillende wegen;
b. de inrichting van voertuigen
die op de weg staan;
c. de eisen waaraan voertuigen
moeten voldoen voor de afgifte van een keuringsbewijs;
d. de eisen waaraan ter
uitvoering van verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke
organisaties of van één of meer instellingen van de Europese
Unie, al dan niet gezamenlijk, moet worden voldaan met
betrekking tot het uitvoeren van onderhoud aan voertuigen.
Artikel 71a
Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat:
a. het voldoen aan de in artikel
71 bedoelde voorschriften wordt aangetoond door middel van in
die regels voorgeschreven apparatuur,
b. die apparatuur is goedgekeurd
door een door Onze Minister aangewezen keuringsinstelling,
c. die apparatuur alleen kan
worden goedgekeurd indien de in die regels genoemde technische
specificaties van die apparatuur die noodzakelijk zijn om het
periodiek onderzoek, bedoeld in onderdeel d, uit te kunnen
voeren, op de in die regels aangegeven wijze bekend worden
gemaakt,
d. die apparatuur met een in die
regels vast te stellen periodiciteit is onderzocht door deze
keuringsinstelling, dan wel door een door Onze Minister of door
deze keuringsinstelling erkende onderzoeksgerechtigde en dat
middelen die worden gebruikt om die apparatuur voor gebruik
geschikt te maken, zijn gecertificeerd door een door die
keuringsinstelling erkende instelling, en
e. bij de erkenning van een
onderzoeksgerechtigde of instelling als bedoeld in onderdeel d,
wordt voldaan aan de in die regels opgenomen voorschriften.
§ 2. Periodieke keuringsplicht
Artikel 72
1. Voor een motorrijtuig of een
aanhangwagen, waarvoor een kenteken is opgegeven dan wel dient te
zijn opgegeven, dient een keuringsbewijs te zijn afgegeven.
2. Het keuringsbewijs dient:
a. te voldoen aan de door de
Dienst Wegverkeer vastgestelde eisen inzake inrichting en
uitvoering,
b. zijn geldigheid niet te
hebben verloren, en
c. behoorlijk leesbaar te zijn.
3. Voor overtreding van het eerste
lid en het bepaalde bij of krachtens het tweede lid zijn
aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een
motorrijtuig, de eigenaar of houder, alsmede in het geval dat
met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder,
en
b. voor zover het betreft een
aanhangwagen, de eigenaar of houder, alsmede in het geval dat
de aanhangwagen met een motorrijtuig over de weg wordt
voortbewogen, de bestuurder van dat motorrijtuig.
Artikel 73
1. Artikel 72 geldt niet indien:
a. voor het motorrijtuig of de
aanhangwagen ter zake van een keuring die ingevolge een andere
dan deze wet is voorgeschreven en blijkens aanwijzing bij
ministeriële regeling ten minste een controle inhoudt op de
eisen, bedoeld in artikel 75, eerste lid, een keuringsdocument
waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken, is afgegeven,
dan wel
b. de geldigheid van het voor
het betrokken voertuig afgegeven kentekenbewijs is geschorst
overeenkomstig paragraaf 6 van hoofdstuk IV.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald
dat:
a. artikel 72 niet geldt voor
motorrijtuigen en aanhangwagens zolang gerekend vanaf het
tijdstip waarop deze voertuigen voor het eerst op de weg zijn
toegelaten, nog geen bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen termijn is verstreken, die voor verschillende groepen
van voertuigen, alsmede voor voertuigen die voor,
onderscheidenlijk na een bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen tijdstip voor het eerst op de weg zijn toegelaten
verschillend kan worden vastgesteld; bij algemene maatregel
van bestuur kan nader worden bepaald op welk tijdstip een
voertuig geacht wordt voor het eerst op de weg te zijn
toegelaten;
b. artikel 72 niet geldt voor
nader aangewezen groepen van motorrijtuigen of aanhangwagens.
Hieronder vallen in ieder geval aanhangwagens met een
toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg;
c. in bepaalde
uitzonderingsgevallen tijdelijk wordt of kan worden afgeweken
van artikel 72;
d. artikel 72 gedurende een
nader te bepalen termijn na het tijdstip van verstrijken van
de geldigheidsduur van het voor het voertuig afgegeven
keuringsbewijs niet geldt voor het op de weg staan van dat
voertuig.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld met betrekking tot het
tweede lid, onderdelen b en c.
Artikel 74
Het is verboden ten opzichte van een
motorrijtuig of een aanhangwagen opzettelijk gebruik te maken van
een keuringsbewijs dat niet voor dat voertuig is afgegeven, als ware
het voor dat voertuig afgegeven.
§ 3. Aanvraag en afgifte van
keuringsrapporten
Artikel 75
1. Een keuringsbewijs wordt door
degene die ingevolge artikel 78 met de afgifte van
keuringsrapporten is belast, afgegeven op aanvraag en tegen
betaling op de door deze vastgestelde wijze van het door deze
vastgestelde tarief indien het motorrijtuig of de aanhangwagen
heeft voldaan aan de eisen die ingevolge artikel 71, onderdeel c,
aan dat voertuig worden gesteld, voorzover deze eisen niet
ingevolge het tweede lid buiten toepassing blijven. Het hiervoor
bedoelde tarief omvat mede een door de Dienst Wegverkeer
vastgesteld bedrag ter zake van het attenderen door deze dienst op
de in artikel 72 opgenomen verplichting. Indien degene die met de
afgifte van keuringsrapporten is belast een persoon is als bedoeld
in artikel 78, eerste lid, onder b, draagt deze dit bedrag af aan
de Dienst Wegverkeer op de door deze dienst vastgestelde wijze.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald
dat voor nader aangewezen groepen van motorrijtuigen - zolang
gerekend vanaf het tijdstip waarop deze voertuigen voor het eerst
op de weg zijn toegelaten, nog geen bij algemene maatregel van
bestuur vast te stellen termijn die ten hoogste drie jaren
bedraagt, is verstreken - ten behoeve van de afgifte van een
keuringsbewijs slechts behoeft te worden voldaan aan de in het
eerste lid, onderdeel a, bedoelde eisen die betrekking hebben op
het bestrijden van luchtverontreiniging. Bij algemene maatregel
van bestuur kan nader worden bepaald op welk tijdstip een voertuig
geacht wordt voor het eerst op de weg te zijn toegelaten.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld met betrekking tot de in
het tweede lid bedoelde voorwaarden en groepen van motorrijtuigen.
Artikel 76
1. Bij de aanvraag van een
keuringsrapport dient de aanvrager de bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde bescheiden over te leggen en inlichtingen te
verschaffen.
2. De aanvrager dient het
motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor de afgifte van een
keuringsrapport wordt verlangd, overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen regels ten behoeve van de
afgifte van dat bewijs ter beschikking te stellen van degene die
ingevolge artikel 78 met de afgifte van keuringsrapporten is
belast.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden vastgesteld omtrent de wijze waarop wordt
onderzocht of een voertuig voldoet aan de in artikel 75 bedoelde
eisen, alsmede omtrent hetgeen verder met betrekking tot de
behandeling van de aanvraag van een keuringsrapport noodzakelijk
is.
Artikel 77
Het voor afgifte van een
keuringsrapport aangeboden voertuig dient overeen te stemmen met de
in het daarbij behorende kentekenbewijs en de in het
kentekenregister vermelde gegevens.
Artikel 78
1. Keuringsrapporten worden
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels afgegeven door:
a. de Dienst Wegverkeer in het
kader van een door deze dienst verrichte keuring van het
voertuig waarvoor de afgifte wordt gevraagd;
b. een ingevolge artikel 84
erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon in het kader van
een door deze verrichte keuring van het voertuig waarvoor de
afgifte wordt gevraagd.
2. De Dienst Wegverkeer draagt er
zorg voor dat indien in onvoldoende mate keuringsrapporten kunnen
worden afgegeven door andere natuurlijke personen of
rechtspersonen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dan die
zich bezighouden met het verrichten van onderhoud of reparaties
aan motorrijtuigen of aanhangwagens, de Dienst Wegverkeer kan
voorzien in zodanige afgifte.
3. De Dienst Wegverkeer geeft geen
keuringsrapporten af voor zover in voldoende mate
keuringsrapporten kunnen worden afgegeven door natuurlijke
personen of rechtspersonen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, die zich niet bezighouden met het verrichten van
onderhoud of reparaties aan motorrijtuigen of aanhangwagens.
Artikel 79
Degene die ingevolge artikel 78 met
de afgifte van keuringsbewijzen is belast, doet van het voornemen
tot de afgifte van zodanig bewijs op de bij ministeriële regeling
te bepalen wijze mededeling aan de beheerder van het
kentekenregister. Van de weigering van de afgifte van een
keuringsbewijs wordt mededeling gedaan in bij ministeriële regeling
vast te stellen gevallen.
Artikel 80
1. De Dienst Wegverkeer geeft voor
keuringsbewijzen die versleten of geheel of ten dele onleesbaar
zijn, dan wel verloren zijn geraakt of teniet zijn gegaan, op
aanvraag en tegen betaling, op de door deze dienst vastgestelde
wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief
vervangende keuringsbewijzen af.
2. Een vervangend keuringsbewijs
wordt niet afgegeven dan nadat het versleten of geheel of ten dele
onleesbaar geworden bewijs is ingeleverd bij de Dienst Wegverkeer.
§ 4. Geldigheid keuringsbewijzen
Artikel 81
1. Bij algemene maatregel van
bestuur wordt, voorzover nodig onder daarbij te stellen
voorwaarden, bepaald op welk tijdstip een keuringsbewijs
geldigheid verkrijgt en voor welke duur een keuringsbewijs geldig
is. Deze duur kan voor verschillende groepen van voertuigen,
alsmede voor voertuigen die voor, onderscheidenlijk na een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip voor het eerst
op de weg zijn toegelaten, verschillend worden vastgesteld.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld met betrekking tot de in
het eerste lid bedoelde voorwaarden en groepen van motorrijtuigen.
Artikel 82
Onverminderd de artikelen 81, 86,
vierde lid, en 91, vierde lid, verliest een keuringsbewijs zijn
geldigheid:
a. door afgifte van een
vervangend keuringsbewijs;
b. door het onbevoegd daarin
aanbrengen van wijzigingen.
§ 5. Erkenningsregeling periodieke
keuring en regeling bevoegdheid tot keuren
Artikel 83
1. De Dienst Wegverkeer kan aan een
natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen
waardoor deze gerechtigd is keuringsrapporten af te geven voor
motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvoor artikel 72 geldt, met
uitzondering van bussen als bedoeld in de Wet personenvervoer
2000.
2. Een erkenning geldt voor
motorrijtuigen en aanhangwagens, die behoren tot een in de
erkenning aangewezen groep, en kan gelden voor bepaalde of voor
onbepaalde tijd. De aanwijzing kan geen betrekking hebben op de
leeftijd of het merk van motorrijtuigen en aanhangwagens.
3. Een erkenning, verleend aan een
natuurlijke persoon of rechtspersoon, die een keuringsdienst of
een onderhoudsdienst voor het eigen wagenpark exploiteert, geldt
slechts voor de eigen voertuigen.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning
worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften
regels worden vastgesteld.
Artikel 84
1. De erkenning wordt op aanvraag
en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde
wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief
verleend indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon voldoet
aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen. Deze eisen
betreffen onder meer de voor de keuringen benodigde apparatuur en
ruimte alsmede de deskundigheid van de voor de keuringen
beschikbare personen. Ten aanzien van de voor de keuringen
benodigde apparatuur kan bij die ministeriële regeling de eis
worden gesteld dat die apparatuur is goedgekeurd door een door
Onze Minister aan te wijzen keuringsinstelling en met de in die
regeling vast te stellen periodiciteit is onderzocht door deze
keuringsinstelling dan wel door een door deze keuringsinstelling
erkende onderzoeksgerechtigde en kunnen regels worden vastgesteld
met betrekking tot de erkenning van onderzoeksgerechtigden. Bij
ministeriële regeling kan worden bepaald dat middelen die worden
gebruikt om deze apparatuur voor gebruik geschikt te maken zijn
gecertificeerd door een door die keuringsinstelling erkende
instelling en kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot
die erkenning.
2. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de aanvraag
van een erkenning.
3. De erkenning wordt geweigerd
indien een reeds aan de aanvrager verleende erkenning op grond van
artikel 87, tweede lid, is ingetrokken binnen een direct aan de
datum van indiening van de aanvraag voorafgaande periode van
twaalf weken, dan wel van zes maanden ingeval reeds twee of meer
malen een dergelijke aan de aanvrager verleende erkenning is
ingetrokken.
Artikel 85
De erkende natuurlijke personen of
rechtspersonen zijn verplicht het door de aanvrager ter keuring
aangeboden voertuig te keuren, indien zij daartoe gerechtigd zijn.
Artikel 85a
1. De Dienst Wegverkeer kan aan een
natuurlijke persoon de bevoegdheid verlenen motorrijtuigen en
aanhangwagens, waarvoor artikel 72 geldt, met uitzondering van
bussen als bedoeld in de Wet personenvervoer, aan een keuring te
onderwerpen. Ten bewijze van deze bevoegdheid verstrekt de Dienst
Wegverkeer de betrokken persoon een bevoegdheidspas.
2. De bevoegdheid voertuigen aan
een keuring te onderwerpen geldt voor motorrijtuigen en
aanhangwagens die behoren tot een in de verlening van de
bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen aangewezen
groep, en kan gelden voor bepaalde of onbepaalde tijd.
3. De bevoegdheid voertuigen aan
een keuring te onderwerpen wordt verleend indien de natuurlijke
persoon beschikt over een examencertificaat van een door Onze
Minister aangewezen exameninstantie en overigens voldoet aan bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen. Daarbij kan aan de
Dienst Wegverkeer de bevoegdheid worden verleend voorwaarden vast
te stellen ten aanzien van het voldoen aan deze eisen.
4. Bij ministeriële regeling
worden regels vastgesteld met betrekking tot de aanvraag tot het
verlenen van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te
onderwerpen en met betrekking tot de bevoegdheidspas.
5. Bij ministeriële regeling
kunnen voorschriften worden vastgesteld die aan de bevoegdheid
voertuigen aan een keuring te onderwerpen worden verbonden en
kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden
vastgesteld.
6. Het tarief voor het examen dat
de natuurlijke persoon dient af te leggen om het in het derde lid
bedoelde certificaat te verkrijgen, behoeft de goedkeuring van
Onze Minister.
Artikel 86
1. De Dienst Wegverkeer onderwerpt
ten minste drie van elke honderd voertuigen na een verrichte
keuring steekproefsgewijs aan een herkeuring met het oog op het
toezicht op:
a. de juiste uitvoering van de
keuring;
b. het aan een keuring
onderwerpen door daartoe bevoegde natuurlijke personen.
2. De eigenaar of houder van een
motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor een herkeuring wordt
geëist, is verplicht het voertuig op de plaats van de keuring
beschikbaar te houden totdat de herkeuring heeft plaatsgevonden.
Deze verplichting geldt voor een periode van ten hoogste 90
minuten na de in artikel 79 bedoelde mededeling.
3. Het keuringsrapport van een
motorrijtuig of een aanhangwagen waarvoor een herkeuring wordt
geëist wordt pas afgegeven op het moment dat de periode genoemd
in het vorige lid is verstreken of nadat de herkeuring heeft
plaatsgevonden.
4. De geldigheid van het
keuringsbewijs vervalt indien de eigenaar of houder niet voldoet
aan de in het tweede lid bedoelde verplichtingen of indien het
motorrijtuig of de aanhangwagen bij de herkeuring niet voldoet aan
de eisen, bedoeld in artikel 75, eerste lid.
5. Met het toezicht op de naleving
van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen zijn belast
de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van
een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
6. Degene aan wie een erkenning is
verleend, is gehouden tot betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake
van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
7. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze
waarop de steekproef wordt uitgevoerd, alsmede betreffende de
verplichting tot medewerking daaraan van de eigenaar of houder.
Deze regels kunnen inhouden dat een verscherpt toezicht wordt
gehouden indien blijkt dat wordt gehandeld in strijd met een of
meer uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen of in strijd
met een of meer uit de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te
onderwerpen voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 86a
1. De Dienst Wegverkeer laat met
het oog op het toezicht op het verrichten van keuringen, keuringen
uitvoeren door het ter keuring aanbieden van een voertuig in bij
ministeriële regeling vast te stellen gevallen.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden vastgesteld betreffende de wijze waarop de
keuring wordt uitgevoerd. Deze regels kunnen inhouden dat
verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat er door een
natuurlijke persoon die daartoe niet bevoegd is motorrijtuigen en
aanhangwagens, waarvoor artikel 72 geldt, met uitzondering van
bussen als bedoeld in de Wet personenvervoer, aan een keuring
worden onderworpen.
Artikel 87
1. De Dienst Wegverkeer trekt een
erkenning in, indien degene aan wie die erkenning is verleend,
daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een
erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning
is verleend:
a. niet meer voldoet aan de
voor de erkenning gestelde eisen,
b. in strijd met de eisen,
bedoeld in artikel 75, eerste lid, of de regels, bedoeld in
artikel 76, derde lid, een keuringsbewijs afgeeft voor een
motorrijtuig of een aanhangwagen,
c. een keuringsrapport afgeeft
voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor de
erkenning niet geldt,
d. de verplichting, vervat in
artikel 85, 86, zesde lid, 90, vierde lid, of 91, vierde lid,
niet nakomt,
e. weigert een keuringsbewijs
af te geven voor een motorrijtuig of een aanhangwagen,
waarvoor de erkenning geldt, hoewel dat voertuig bij een
keuring, verricht met inachtneming van de regels, bedoeld in
artikel 76, derde lid, voldoet aan de eisen, bedoeld in
artikel 75, eerste lid, of
f. handelt in strijd met een of
meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer kan in de
gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, d en f, een
erkenning schorsen voor een door hem daarbij vast te stellen
termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
4. De Dienst Wegverkeer kan in de
gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd
geldt voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30
maanden.
Artikel 87a
1. De Dienst Wegverkeer trekt de
bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen in, indien
degene aan wie die bevoegdheid is verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan de
bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen intrekken of
de daaraan verbonden voorschriften wijzigen, indien degene aan wie
die bevoegdheid is verleend:
a. niet meer voldoet aan de
voor de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen
gestelde eisen,
b. in strijd met de regels,
bedoeld in artikel 76, derde lid, een voertuig aan een
onderzoek onderwerpt,
c. handelt in strijd met een of
meer andere uit de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te
onderwerpen voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer kan in de
gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en c, de
bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen schorsen
voor een door deze dienst daarbij vast te stellen termijn die ten
hoogste twaalf weken bedraagt.
Artikel 88
1. De kennisgeving van het
verscherpen van het toezicht kan plaatsvinden door middel van
datacommunicatie. In dat geval wordt de kennisgeving na daartoe
strekkend verzoek van de belanghebbende in een beschikking
vastgelegd.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot het toezicht
en het verscherpen daarvan, alsmede met betrekking tot het
intrekken, wijzigen en schorsen van de erkenning of bevoegdheid
tot keuren.
Artikel 89
Het is een ieder aan wie niet een
erkenning als bedoeld in artikel 83 is verleend, verboden zich op
zodanige wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk
kan worden gewekt, dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
§ 6. Herkeuring en
deskundigenonderzoek
Artikel 90
1. Tegen een beschikking tot
weigering van de afgifte van een keuringsbewijs kan een
belanghebbende bezwaar maken of administratief beroep instellen
bij de Dienst Wegverkeer.
2. In afwijking van artikel 6:7 van
de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een beschikking tot
weigering van de afgifte van een keuringsbewijs slechts bezwaar
worden gemaakt of administratief beroep worden ingesteld terstond
nadat de beschikking is bekendgemaakt.
3. Het bezwaar of administratief
beroep wordt slechts in behandeling genomen indien het voertuig in
de staat waarin het zich ten tijde van de keuring bevond,
onmiddellijk op een door de Dienst Wegverkeer bepaalde plaats ter
beschikking wordt gesteld ten behoeve van een herkeuring door een
door de Dienst Wegverkeer aangewezen deskundige.
4. In afwijking van de artikelen
7:15 en 7:28 van de Algemene wet bestuursrecht dient bij de
indiening van het bezwaar- of beroepschrift een bedrag ter
vergoeding van de aan de herkeuring verbonden kosten te worden
betaald. De hoogte van het bedrag en de wijze van betaling worden
vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.
5. Degene die de beschikking tot
weigering van de afgifte van een keuringsbewijs heeft gegeven,
wordt in de gelegenheid gesteld bij de herkeuring aanwezig te
zijn.
6. Indien het voertuig volgens het
oordeel van de deskundige voldoet aan de in artikel 75 bedoelde
eisen, geeft de Dienst Wegverkeer alsnog het aangevraagde
keuringsbewijs af en wordt het in het vierde lid bedoelde bedrag
terugbetaald aan de indiener van het bezwaar- of beroepschrift. Is
in dit geval de beschikking tot weigering van de afgifte van een
keuringsbewijs gegeven door een erkende natuurlijke persoon of
rechtspersoon, dan is deze vorenbedoeld bedrag verschuldigd aan de
Dienst Wegverkeer en gehouden dit te betalen op de door deze
dienst vastgestelde wijze.
Artikel 91
1. Tegen een beschikking tot
afgifte van een keuringsbewijs kan een belanghebbende bezwaar
maken of administratief beroep instellen bij de Dienst Wegverkeer.
2. In afwijking van artikel 6:7 van
de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een beschikking tot
afgifte van een keuringsbewijs bezwaar worden gemaakt of
administratief beroep worden ingesteld gedurende een bij algemene
maatregel van bestuur te stellen termijn.
3. Het bezwaar of administratief
beroep wordt slechts in behandeling genomen indien het voertuig op
een door de Dienst Wegverkeer bepaalde plaats ter beschikking
wordt gesteld ten behoeve van een onderzoek door een door de
Dienst Wegverkeer aangewezen deskundige.
4. In afwijking van de artikelen
7:15 en 7:28 van de Algemene wet bestuursrecht dient bij de
indiening van het bezwaar- of beroepschrift een bedrag ter
vergoeding van de aan het onderzoek verbonden kosten te worden
betaald. De hoogte van het bedrag en de wijze van betaling worden
vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.
5. Degene die de beschikking tot
afgifte van een keuringsbewijs heeft gegeven, wordt in de
gelegenheid gesteld bij het onderzoek aanwezig te zijn.
6. Indien het voertuig volgens het
oordeel van de deskundige ten tijde van de keuring op grond
waarvan het keuringsbewijs is afgegeven, redelijkerwijze niet aan
de keuringseisen kan hebben voldaan, daarbij in het bijzonder
gelet op de termijn die is verstreken tussen de keuring en het
onderzoek, verklaart de Dienst Wegverkeer het voor het voertuig
afgegeven keuringsbewijs alsnog ongeldig en wordt het in het
vierde lid bedoelde bedrag terugbetaald aan de indiener van het
bezwaar- of beroepschrift. Is in dit geval de beschikking tot
afgifte van een keuringsbewijs gegeven door een erkende
natuurlijke persoon of rechtspersoon, dan is deze vorenbedoeld
bedrag verschuldigd aan de Dienst Wegverkeer en gehouden dit te
betalen op de door deze dienst vastgestelde wijze.
Artikel 92 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 93 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 94 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 95 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 96 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 97 [Vervallen per 01-01-1995]
§ 7. Wijziging in de constructie van
voertuigen
Artikel 98
Indien in de bouw of inrichting van
een voertuig dat ingevolge hoofdstuk III tot het verkeer op de weg
is toegelaten, na die toelating wijziging is aangebracht, dient die
wijziging, voorzover dit bij ministeriële regeling is bepaald, te
zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het
verkeer op de weg.
Artikel 99
1. Goedkeuring wordt op aanvraag en
tegen betaling op door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze,
van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief door deze
dienst verleend, indien de aangebrachte wijziging bij een door
deze dienst verrichte keuring heeft voldaan aan de
ingevolgehoofdstuk III en hoofdstuk V voor deze goedkeuring
vastgestelde eisen. De keuring kan mede omvatten die delen van het
voertuig waarvoor de aangebrachte wijziging gevolgen heeft.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden vastgesteld betreffende het door de aanvrager
voor de keuring ter beschikking stellen van het voertuig, het door
de aanvrager overleggen van bescheiden en verstrekken van
inlichtingen ter zake van de keuring alsmede betreffende de wijze
waarop de keuring wordt verricht.
3. In de bij ministeriële regeling
aan te wijzen gevallen wordt voor het gewijzigde voertuig een
nieuw kentekenbewijs afgegeven waarop melding wordt gemaakt van de
goedgekeurde wijziging.
§ 8. Erkenningsregeling wijziging
constructie voertuigen
Artikel 100
1. De goedkeuring voor een
wijziging in de bouw of inrichting van een voertuig wordt door de
Dienst Wegverkeer verleend zonder dat de in artikel 99 bedoelde
keuring heeft plaatsgevonden, indien door een daartoe door de
Dienst Wegverkeer erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon
wordt gewaarborgd dat de aangebrachte wijziging voldoet aan de
ingevolge hoofdstuk III en hoofdstuk V voor deze goedkeuring
vastgestelde eisen.
2. De erkenning geldt voor de in de
erkenning aangegeven werkzaamheden ter zake van het wijzigen van
de bouw of inrichting van voertuigen die behoren tot een in de
erkenning aangewezen groep. De erkenning kan gelden voor bepaalde
of voor onbepaalde tijd.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning
worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften
regels worden vastgesteld.
Artikel 101
1. De erkenning wordt door de
Dienst Wegverkeer op aanvraag en tegen betaling, op de door deze
dienst vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst
vastgestelde tarief verleend aan de natuurlijke persoon of
rechtspersoon die voldoet aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen. Deze eisen betreffen onder meer de organisatie
van de aanvrager alsmede het proces volgens hetwelk de aanvrager
zijn werkzaamheden verricht, alsmede de voor de werkzaamheden
benodigde apparatuur. Ten aanzien van de voor de werkzaamheden
benodigde apparatuur kan bij die ministeriële regeling de eis
worden gesteld dat die apparatuur is goedgekeurd door een door
Onze Minister aan te wijzen keuringsinstelling en met de in die
regeling vast te stellen periodiciteit is onderzocht door deze
keuringsinstelling dan wel door een door deze keuringsinstelling
erkende onderzoeksgerechtigde en kunnen regels worden vastgesteld
met betrekking tot de erkenning van onderzoeksgerechtigden. Bij
ministeriële regeling kan worden bepaald dat middelen die worden
gebruikt om deze apparatuur voor gebruik geschikt te maken zijn
gecertificeerd door een door die keuringsinstelling erkende
instelling en kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot
die erkenning.
2. Met toepassing van artikel 28,
eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf
4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op
een aanvraag tot erkenning. Bij ministeriele regeling worden
nadere regels vastgesteld met betrekking tot de aanvraag van een
erkenning.
3. De erkenning wordt geweigerd
indien een reeds aan de aanvrager verleende erkenning op grond van
artikel 103, tweede lid, is ingetrokken binnen een direct aan de
datum van indiening van de aanvraag voorafgaande periode van
twaalf weken, dan wel van zes maanden ingeval reeds twee of meer
malen een dergelijke aan de aanvrager verleende erkenning is
ingetrokken.
4. De Dienst Wegverkeer kan in de
gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd
geldt voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30
maanden.
Artikel 102
1. Met het toezicht op de naleving
van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen zijn belast
de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van
een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant. Tot dit toezicht kan behoren het steekproefsgewijs
keuren van door een erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon
aangebrachte wijzigingen in de bouw of inrichting van voertuigen.
Voorts kan tot het toezicht behoren het periodiek controleren van
de organisatie van degene aan wie de erkenning is verleend alsmede
het proces volgens hetwelk hij zijn werkzaamheden verricht.
2. Degene aan wie een erkenning is
verleend, is gehouden tot betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake
van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze
waarop het toezicht wordt gehouden en de verplichting tot
medewerking daaraan van degene aan wie een erkenning is verleend
en van de eigenaar of houder van het voertuig waarvoor een keuring
wordt geëist. Deze regels kunnen inhouden dat een verscherpt
toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt gehandeld in
strijd met een of meer uit de erkenning voortvloeiende
verplichtingen.
4. De kennisgeving van het
verscherpen van het toezicht kan plaatsvinden door middel van
datacommunicatie. In dat geval wordt de kennisgeving na daartoe
strekkend verzoek van de belanghebbende in een beschikking
vastgelegd.
Artikel 103
1. De Dienst Wegverkeer trekt een
erkenning in, indien degene aan wie de erkenning is verleend,
daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een
erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning
is verleend:
a. niet meer voldoet aan de
voor de erkenning gestelde eisen,
b. de verplichtingen, vervat in
artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en
artikel 102, tweede lid, niet nakomt, of
c. handelt in strijd met een of
meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
3. De Dienst Wegverkeer kan in de
gevallen, bedoeld in het tweede lid, een erkenning schorsen voor
een door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste
twaalf weken bedraagt.
Artikel 103a
Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden vastgesteld met betrekking tot het intrekken, wijzigen
en schorsen van de erkenning.
Artikel 104
Het is een ieder aan wie niet een
erkenning als bedoeld in artikel 100 is verleend, verboden zich op
zodanige wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk
kan worden gewekt, dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
§ 9. Keuring na ongeldigverklaring
of invordering kentekenbewijs
Artikel 105
Indien het voor een motorrijtuig of
een aanhangwagen afgegeven kentekenbewijs ingevolge artikel 58,
tweede lid, onderdeel b of d, ongeldig is verklaard of is
ingevorderd ingevolgeartikel 60, eerste lid, onderdeel b of c, dient
het voertuig alvorens het kentekenbewijs door de Dienst Wegverkeer
geldig kan worden verklaard of kan worden teruggegeven, te zijn
goedgekeurd.
Artikel 106
1. De goedkeuring wordt op aanvraag
en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde
wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief door
deze dienst verleend, indien het voertuig bij een door de dienst
verrichte keuring heeft beantwoord aan de bij of krachtens deze
wet vastgestelde eisen.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden vastgesteld betreffende het door de aanvrager
voor de keuring ter beschikking stellen van het voertuig, het door
de aanvrager overleggen van bescheiden en verstrekken van
inlichtingen ter zake van de keuring alsmede betreffende de wijze
waarop de keuring wordt verricht.
§ 9a. Erkenningsregeling keuring van
schadevoertuigen
Artikel 106a
1. De goedkeuring van een
schadevoertuig na ongeldigverklaring of invordering van het
kentekenbewijs kan door de Dienst Wegverkeer worden verleend
zonder dat de in artikel 106 bedoelde keuring heeft
plaatsgevonden, indien door een daartoe door de Dienst Wegverkeer
erkende natuurlijk persoon of rechtspersoon wordt gewaarborgd dat
het voertuig voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 106, eerste
lid.
2. De erkenning geldt voor de in de
erkenning aangegeven werkzaamheden ter zake van voertuigen die
behoren tot een in de erkenning aangewezen groep. De erkenning kan
gelden voor bepaalde of onbepaalde tijd.
3. Deartikelen 100, derde lid, en
101 tot en met 103 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 106b
Het is een ieder aan wie niet een
erkenning als bedoeld in artikel 106a is verleend, verboden zich op
zodanige wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk
kan worden gewekt, dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
Hoofdstuk VI. Rijvaardigheid en
rijbevoegdheid
Afdeling 1. Rijbewijsplicht
Artikel 107
1. Aan de bestuurder van een
motorrijtuig op de weg dient door de daartoe bevoegde autoriteit
een rijbewijs te zijn afgegeven voor het besturen van
motorrijtuigen van de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort.
2. Het rijbewijs dient:
a. te voldoen aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde eisen inzake inrichting,
uitvoering en invulling,
b. zijn geldigheid niet te
hebben verloren, en
c. behoorlijk leesbaar te zijn.
3. Indien de aanvrager als
ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie
persoonsgegevens van een gemeente, wordt het in de
basisadministratie opgenomen burgerservicenummer, bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer, op de bij ministeriële regeling vastgestelde
wijze op het rijbewijs vermeld. Indien de aanvrager niet als
ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie
persoonsgegevens van een gemeente, wordt op het rijbewijs een bij
ministeriële regeling vastgestelde aanduiding vermeld.
Artikel 108
1. Artikel 107 is niet van
toepassing op bestuurders van:
a. bromfietsen als bedoeld
inartikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, en
gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een motor,
landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte
snelheid;
b. motorrijtuigen, gedurende de
tijd dat aan die bestuurders rijonderricht in de zin van de
Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven, voor
zover het motorrijtuig daarbij niet onder toezicht wordt
bestuurd en overigens is voldaan aan de bij algemene maatregel
van bestuur gestelde voorwaarden;
c. motorrijtuigen, gedurende de
tijd dat door die bestuurders een rijproef wordt afgelegd in
het kader van een onderzoek, door of vanwege de overheid
ingesteld, naar hun rijvaardigheid of geschiktheid, voor zover
het motorrijtuig daarbij niet onder toezicht wordt bestuurd en
overigens is voldaan aan de bij algemene maatregel van bestuur
gestelde voorwaarden;
d. motorrijtuigen, indien die
bestuurders vreemdelingen in de zin van de Vreemdelingenwet
2000 zijn, die op grond van hun hoedanigheid van of betrekking
tot diplomatiek of consulair personeel dan wel op grond van
hun hoedanigheid van of betrekking tot personeel in dienst van
een in Nederland gevestigde internationale organisatie houder
zijn van een door Onze Minister van Buitenlandse Zaken
verstrekt identiteitsbewijs voor geprivilegieerden en aan wie,
tenzij het een bestuurder van een bromfiets betreft, door het
daartoe bevoegde gezag buiten Nederland een rijbewijs is
afgegeven dat geldig is voor het besturen van een motorrijtuig
als waarmee wordt gereden;
e. motorrijtuigen, indien die
bestuurders lid zijn van een krijgsmacht of behoren tot de
civiele dienst van een krijgsmacht die in het kader van het op
19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de Staten die
partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de
rechtspositie van hun krijgsmachten, in Nederland is gelegerd,
dan wel behoren tot het gezin van een lid van een krijgsmacht
als hiervoor bedoeld of tot het gezin van een tot de civiele
dienst van zodanige krijgsmacht behorende persoon, en aan wie,
tenzij het een bestuurder van een bromfiets betreft, door het
daartoe bevoegde gezag in de Staat van herkomst of één van
zijn samenstellende delen een rijbewijs is afgegeven dat
geldig is voor het besturen van een motorrijtuig als waarmee
wordt gereden;
f. motorrijtuigen, anders dan
bromfietsen, indien die bestuurders buiten Nederland
woonachtig zijn en zij zich bevinden in het internationaal
verkeer, mits aan hen door het daartoe bevoegde gezag buiten
Nederland een rijbewijs is afgegeven dat geldig is voor het
besturen van een motorrijtuig als waarmee wordt gereden
alsmede, in de gevallen waarin zulks is vereist op grond van
internationale overeenkomsten die Nederland binden, aan hen
buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven dat
geldig is voor het besturen van een motorrijtuig als waarmee
wordt gereden;
g. motorrijtuigen, anders dan
bromfietsen, indien die bestuurders in Nederland woonachtig
zijn en aan hen door het daartoe bevoegde gezag buiten
Nederland, anders dan in een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, een rijbewijs is afgegeven dat geldig is voor het
besturen van een motorrijtuig als waarmee wordt gereden, zo
lang sedert de dag waarop zij zich in Nederland hebben
gevestigd, nog geen 185 dagen zijn verstreken;
h. motorrijtuigen, indien die
bestuurders in Nederland woonachtig zijn en aan hen door het
daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, een rijbewijs is afgegeven dat geldig is voor het
besturen van een motorrijtuig als waarmee wordt gereden,
gedurende de periode die is gelegen tussen de datum van
vestiging van die bestuurders in Nederland en de datum waarop
sedert de datum van afgifte van dat rijbewijs tien jaren zijn
verstreken dan wel, indien die periode korter is dan een jaar,
gedurende een jaar vanaf het moment van vestiging van die
bestuurders in Nederland;
i. bromfietsen, indien:
1°. die bestuurders buiten
Nederland woonachtig zijn en zij zich bevinden in het
internationaal verkeer;
2°. die bestuurders die
afkomstig zijn uit een Staat anders dan een andere
Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen, een andere Staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland en die in Nederland
woonachtig zijn, zo lang sedert de dag waarop zij zich in
Nederland hebben gevestigd, nog geen 185 dagen zijn
verstreken;
3°. die bestuurders die
afkomstig zijn uit een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen, een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland en in Nederland woonachtig zijn, en die niet
beschikken over een rijbewijs dat de bevoegdheid geeft tot
het besturen van motorrijtuigen van een andere categorie
dan bromfietsen, zolang sedert de dag waarop zij zich in
Nederland hebben gevestigd, nog geen 185 dagen zijn
verstreken.
2. Bij ministeriële regeling
worden voorschriften vastgesteld ter uitvoering van de in het
eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde algemene maatregel van
bestuur.
Artikel 108a [Vervallen per
01-06-1996]
Artikel 108b [Vervallen per
01-06-1996]
Artikel 108c [Vervallen per
01-06-1996]
Artikel 109 [Vervallen per
29-12-2004]
Artikel 110
1. Motorrijtuigen mogen slechts
worden bestuurd door personen die de leeftijd van achttien jaren
of, voor zover het betreft motorrijtuigen, al dan niet met
aanhangwagen, die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan
acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, de leeftijd
van eenentwintig jaren hebben bereikt.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kan een lagere minimumleeftijd dan die in het eerste lid
genoemd, worden vastgesteld voor het besturen van bromfietsen,
gehandicaptenvoertuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en
motorrijtuigen met beperkte snelheid, niet zijnde stoom- en
motorwalsen.
3. Het eerste lid geldt niet voor
degene aan wie rijonderricht wordt gegeven in het kader van een
opleiding voor beroepschauffeur, mits is voldaan aan de bij
algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden.
Afdeling 2. Eisen ten aanzien van het
geven van rijonderricht
Artikel 110a
1. Bij algemene maatregel van
bestuur worden eisen vastgesteld met betrekking tot motorrijtuigen
waarmee:
a. rijonderricht in de zin van
de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven;
b. in het kader van een door of
vanwege de overheid ingesteld onderzoek naar de rijvaardigheid
of geschiktheid een rijproef wordt afgelegd.
2. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels ter uitvoering van het eerste lid worden
vastgesteld.
Artikel 110b
1. Het is degene die rijonderricht
in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 geeft,
verboden zodanig rijonderricht te geven indien:
a. het motorrijtuig waarmee
rijonderricht wordt gegeven, niet voldoet aan de daaraan
ingevolge artikel 110a gestelde eisen;
b. degene aan wie rijonderricht
wordt gegeven, de leeftijd van achttien jaren of, voor zover
het betreft motorrijtuigen, al dan niet met aanhangwagen, die
zijn ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de
bestuurder daaronder niet begrepen, de leeftijd van
eenentwintig jaren, dan wel, voor zover het bromfietsen
betreft, de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt;
c. niet wordt voldaan aan de
overigens bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van
het geven van rijonderricht gestelde eisen.
2. Het eerste lid, aanhef en
onderdeel b, geldt niet voor zover het rijonderricht betreft dat
plaatsvindt in het kader van een opleiding voor beroepschauffeur,
mits is voldaan aan de bij algemene maatregel van bestuur gestelde
voorwaarden.
Afdeling 3. Algemene voorwaarden met
betrekking tot de verkrijging van rijbewijzen
Artikel 111
1. Een rijbewijs wordt op aanvraag
en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, slechts
afgegeven aan degene die:
a. de leeftijd van achttien
jaren of, voor zover het betreft een rijbewijs voor het
besturen van motorrijtuigen, al dan niet met aanhangwagen, die
zijn ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de
bestuurder daaronder niet begrepen, de leeftijd van
eenentwintig jaren heeft bereikt, dan wel, indien de aanvraag
betrekking heeft op afgifte van een rijbewijs dat geldig is
voor het besturen van bromfietsen, de leeftijd van zestien
jaren heeft bereikt en
b. blijkens een overeenkomstig
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door of
vanwege de overheid ingesteld onderzoek dan wel blijkens een
eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe
bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat
voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
eisen, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en
geschiktheid, dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op
afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van
bromfietsen, over een voldoende mate van rijvaardigheid.
2. De aanvrager van een rijbewijs
dient zich zowel bij de indiening van de aanvraag als bij de
uitreiking van het rijbewijs te identificeren met een op zijn naam
gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht, een
geldig rijbewijs, dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs
dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur. Degene ten aanzien van wie een onderzoek als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt ingesteld, dient
zich te identificeren met een op zijn naam gesteld
identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°,
2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht, een geldig
rijbewijs dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur.
3. Aan degene die vreemdeling in de
zin van de Vreemdelingenwet 2000 is, en geen onderdaan van een
Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of een andere Staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland, wordt een rijbewijs slechts afgegeven
indien hij rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in
artikel 8, onder a tot en met d en l van die wet. Voor de
uitvoering hiervan is de korpschef in de zin van de
Vreemdelingenwet 2000 verplicht aan degene die is belast met de
afgifte van het rijbewijs, kosteloos de noodzakelijke opgaven en
inlichtingen te verstrekken.
4. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste
lid, onderdeel b.
5. In de gevallen waarin het
rijbewijs overeenkomstig artikel 116 wordt afgegeven door de
burgemeester dan wel de aanvraag overeenkomstig het bepaalde
krachtens artikel 113, eerste lid, wordt ingediend bij de
burgemeester, wordt het in het eerste lid bedoelde tarief
vastgesteld bij plaatselijke verordening. In de overige gevallen
worden het tarief en de wijze van betaling daarvan vastgesteld
door de Dienst Wegverkeer.
6. Voor zover dit noodzakelijk is
ten behoeve van het onderzoek naar de rijvaardigheid en
geschiktheid, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden door het
met dat onderzoek belaste gezag persoonsgegevens betreffende
iemands rijvaardigheid en gezondheid verwerkt.
Artikel 112
1. Onverminderd artikel 111 wordt
een rijbewijs niet afgegeven aan degene:
a. aan wie de bevoegdheid tot
het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, voor de duur van
de ontzegging;
b. van wie ingevolge een der
artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte van dat bewijs
is gevorderd dan wel wiens rijbewijs is ingevorderd en aan wie
dat bewijs niet is teruggegeven;
c. ten aanzien van wie
ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a, de geldigheid
van het rijbewijs is geschorst, voor de categorie of
categorieën van motorrijtuigen waarop de schorsing betrekking
heeft, voor de duur van de schorsing;
d. van wie ingevolge de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de
inlevering van het rijbewijs is gevorderd dan wel wiens
rijbewijs krachtens die wet is ingenomen, of
e. van wie is gebleken dat die
houder is van een rijbewijs, afgegeven door het daartoe
bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, tenzij de afgifte van een rijbewijs plaatsvindt
tegen overlegging van dat rijbewijs.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid, onderdelen b, c en d, wordt onder rijbewijs mede
verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag
buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Afdeling 4. Aanvraag van rijbewijzen
Artikel 113
1. De aanvraag van een rijbewijs
dient te geschieden overeenkomstig bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde regels.
2. Degene die is belast met de
afgifte van rijbewijzen, verschaft zich de nodige zekerheid over
de identiteit van de aanvrager. Hij is bevoegd te vorderen dat de
aanvrager op een door hem te bepalen plaats en tijd persoonlijk
verschijnt voor een door hem aangewezen persoon.
3. Degene die is belast met de
afgifte van rijbewijzen vergewist zich ervan dat de bij de
aanvraag van een rijbewijs over te leggen bescheiden aan de
daaraan gestelde eisen voldoen en dat ook overigens aan de met
betrekking tot de aanvraag gestelde voorwaarden wordt voldaan.
4. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste tot
en met het derde lid.
Artikel 114
Het is verboden voor het verkrijgen
van een rijbewijs opzettelijk onjuiste opgaven te doen, onjuiste
inlichtingen te verschaffen en onjuiste bewijsstukken en andere
bescheiden over te leggen.
Artikel 115
1. Degene die is belast met de
afgifte van rijbewijzen, en die in het kader van de aanvraag of de
uitreiking van een nieuw rijbewijs of een vervangend rijbewijs de
beschikking krijgt over een rijbewijs waarvan ingevolge een der
artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd,
waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving
verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd of ten aanzien
waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid, 123b, vierde
lid, 124, vierde lid, 131 tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde
lid, 132b, tweede lid, 134, vierde lid, of 180, derde lid, van
deze wet een verplichting tot inlevering bestaat, is bevoegd dat
rijbewijs in te nemen en het door te begeleiden naar het betrokken
parket van het openbaar ministerie dan wel naar degene bij wie de
houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.
2. Degene die is belast met de
afgifte van rijbewijzen, en die in het kader van de aanvraag of de
uitreiking van een nieuw rijbewijs of een vervangend rijbewijs de
beschikking krijgt over een rijbewijs dat zijn geldigheid heeft
verloren ingevolge artikel 123, eerste lid, aanhef en onderdeel d,
of artikel 123b is bevoegd dat rijbewijs in te nemen en door te
geleiden naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in
te leveren.
3. Voor de toepassing van het
eerste en het tweede lid wordt onder een rijbewijs mede verstaan
een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een
andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in Nederland
woonachtig is.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden vastgesteld ter uitvoering van het eerste en
het tweede lid.
Afdeling 5. Afgifte van rijbewijzen
Artikel 116
1. Een rijbewijs wordt
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels afgegeven door de burgemeester van de gemeente waar de
aanvrager op het tijdstip van de aanvraag als ingezetene was
ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens of, in de
bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen, door de
Dienst Wegverkeer.
2. De in het eerste lid bedoelde
regels kunnen mede betrekking hebben op de bestelling, het
transport en de beveiliging van rijbewijzen, de met betrekking tot
de afgifte van rijbewijzen te voeren administratie en de in het
kader van de afgifteprocedure te treffen beveiligingsmaatregelen.
Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van die regels
nadere regels worden vastgesteld.
Artikel 117
De burgemeester van de gemeente waar
de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag als ingezetene was
ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, is bevoegd
tot het afgeven van internationale rijbewijzen ten behoeve van het
verkeer met motorrijtuigen in het buitenland. Gelijke bevoegdheid
kan door Onze Minister worden verleend aan besturen van verenigingen
met volledige rechtsbevoegdheid, die behartiging van
verkeersbelangen ten doel hebben.
Artikel 118
1. Een rijbewijs wordt afgegeven
voor het besturen van een of meer in dat bewijs aangeduide
categorieën van motorrijtuigen.
2. De categorieën worden
vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.
3. De uit de categorieën
voortvloeiende bevoegdheden kunnen overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels worden beperkt door het
stellen van eisen aan het motorrijtuig of aan de bestuurder
daarvan. Deze eisen kunnen mede omvatten het opleggen van de
verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma. In dat
geval is het gestelde bij of krachtens deartikelen 129a tot en met
129e, 132 en 132b tot en met 132o van overeenkomstige toepassing.
4. Bij ministeriële regeling
worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot de wijze
waarop beperkingen als bedoeld in het derde lid worden aangegeven
in het rijbewijs.
Artikel 118a
Als datum van afgifte wordt in het
rijbewijs en in het rijbewijzenregister vermeld de datum waarop het
besluit tot afgifte is genomen.
Artikel 119
1. Degene die is belast met de
afgifte van rijbewijzen geeft overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels een nieuw rijbewijs af:
a. bij vernieuwing van het
eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs;
b. bij wijziging van de omvang
van de uit het eerder afgegeven rijbewijs voortvloeiende
bevoegdheden, met uitzondering van de in artikel 131, tweede
lid, onderdeel a, bedoelde schorsing van de geldigheid;
c. bij wijziging van de
personalia van de houder;
d. na ongeldigverklaring van
het eerder afgegeven rijbewijs op grond van artikel 124,
eerste lid, onderdeel e, of 132b, tweede lid;
e. in geval het eerder
afgegeven rijbewijs versleten of geheel of ten dele onleesbaar
is;
f. in geval het eerder
afgegeven rijbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan.
2. Het nieuwe rijbewijs wordt niet
afgegeven dan nadat het eerder afgegeven rijbewijs waarvoor het
wordt afgegeven, is ingeleverd bij degene die is belast met de
afgifte van het nieuwe rijbewijs.
3. Voor de toepassing van het
eerste en het tweede lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een
rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere
Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in Nederland
woonachtig is.
4. Indien de houder van een
verloren geraakt rijbewijs waarvoor een nieuw rijbewijs is
afgegeven, na de afgifte van het nieuwe rijbewijs weer in het
bezit komt van dat verloren geraakte rijbewijs, dient hij dat
rijbewijs in te leveren bij degene die het nieuwe rijbewijs heeft
afgegeven.
5. Het eerste lid, aanhef,
onderdelen e en f, gelden niet in bij algemene maatregel van
bestuur vastgestelde gevallen.
Artikel 120
1. Degene die is belast met de
afgifte van rijbewijzen geeft overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels een vervangend rijbewijs
af voor:
a. versleten of geheel of ten
dele onleesbare rijbewijzen buiten de gevallen waarin daarvoor
ingevolge artikel 119 een nieuw rijbewijs wordt afgegeven;
b. verloren geraakte of
tenietgegane rijbewijzen buiten de gevallen waarin daarvoor
ingevolgeartikel 119 een nieuw rijbewijs wordt afgegeven.
2. Het vervangende rijbewijs treedt
in de plaats van het eerder afgegeven rijbewijs en wordt niet
afgegeven dan nadat het versleten of geheel of ten dele onleesbaar
geworden rijbewijs waarvoor het wordt afgegeven, is ingeleverd bij
degene die belast is met de afgifte van het vervangende rijbewijs.
3. Indien de houder van een
verloren geraakt rijbewijs waarvoor een vervangend rijbewijs is
afgegeven, na de afgifte van het vervangende rijbewijs weer in het
bezit komt van dat verloren geraakte rijbewijs, dient hij dat
rijbewijs in te leveren bij degene die het vervangende rijbewijs
heeft afgegeven.
4. Voor de toepassing van het
eerste tot en met het derde lid wordt onder rijbewijs mede
verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag
in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een
andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in
Nederland woonachtig is.
Artikel 120a
1. Het nieuwe of vervangende
rijbewijs wordt niet uitgereikt indien zich tussen de aanvraag en
de uitreiking één van de gevallen als bedoeld in artikel 112,
eerste lid, heeft voorgedaan, maar blijft bij degene die is belast
met de afgifte van rijbewijzen.
2. Het wordt niet uitgereikt indien
tussen de aanvraag en de uitreiking omstandigheden bekend zijn
geworden die, indien zij bekend waren geweest bij de aanvraag
ertoe hadden geleid dat geen besluit van afgifte was genomen. Het
nieuwe of vervangende rijbewijs blijft bij degene die is belast
met de afgifte van rijbewijzen.
Artikel 121
1. De gemeenten zijn ter zake van
de afgifte van rijbewijzen door de burgemeester en de afgifte van
rijbewijzen door de Dienst Wegverkeer, waarvoor de aanvraag bij de
burgemeester is ingediend, een bij ministeriële regeling
vastgestelde vergoeding aan de Dienst Wegverkeer verschuldigd ter
zake van de kosten die verband houden met de productie en
aflevering van rijbewijzen alsmede het attenderen van de houders
van een rijbewijs op het verloop van de geldigheidsduur door de
Dienst Wegverkeer, het beheer en de instandhouding van het
rijbewijzenregister, het verstrekken van gegevens uit dat register
aan de in artikel 127, eerste en tweede lid, bedoelde
autoriteiten, het ongeldig verklaren van rijbewijzen door de
Dienst Wegverkeer, de kosten die verband houden met de afgifte van
rijbewijzen door de Dienst Wegverkeer, waarvoor de aanvraag bij de
burgemeester is ingediend alsmede terzake van de kosten die
verband houden met het registreren van getuigschriften als bedoeld
in artikel 151c, eerste lid, en met de registratie van
certificaten als bedoeld in artikel 151g, vierde lid.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels vastgesteld met betrekking tot de wijze van
afdracht van de vergoeding.
Afdeling 6. Geldigheidsduur
Artikel 122
1. Behoudens artikel 123 of123b is
een rijbewijs, afgegeven aan een aanvrager die de leeftijd van
a. 60 jaren nog niet heeft
bereikt, geldig voor de duur van tien achtereenvolgende jaren,
gerekend vanaf de in het rijbewijs vermelde datum van afgifte;
b. 60 jaren doch nog niet die
van 65 jaren heeft bereikt, geldig vanaf de in het rijbewijs
vermelde datum van afgifte tot de dag waarop hij de leeftijd
van 70 jaren bereikt;
c. 65 jaren heeft bereikt,
geldig voor de duur van vijf achtereenvolgende jaren, gerekend
vanaf de in het rijbewijs vermelde datum van afgifte.
2. In afwijking van het eerste lid
is een rijbewijs, afgegeven aan degene die naar verwachting op
grond van zijn lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor een
beperkte termijn geschikt zal zijn voor het besturen van
motorrijtuigen, geldig vanaf de in het rijbewijs vermelde datum
van afgifte tot de dag waarop de termijn waarvoor de houder naar
verwachting geschikt zal zijn voor het besturen van
motorrijtuigen, verstrijkt.
Afdeling 7. Verlies van geldigheid
Artikel 123
1. Onverminderd de artikelen 122 en
131, tweede lid, verliest een rijbewijs zijn geldigheid:
a. door uitreiking van een
nieuw of vervangend rijbewijs;
b. door omwisseling tegen een
rijbewijs dat aan de houder door het daartoe bevoegde gezag
buiten Nederland is afgegeven, voor de categorie of
categorieën van motorrijtuigen waarop de omwisseling
betrekking heeft;
c. gedurende de tijd dat aan de
houder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is
ontzegd;
d. door het onbevoegd daarin
aanbrengen van wijzigingen;
e. door het overlijden van de
houder;
f. door ongeldigverklaring,
voor de categorie of categorieën waarop de ongeldigverklaring
betrekking heeft dan wel, indien de ongeldigverklaring
betrekking heeft op een deel van de geldigheidsduur, voor dat
deel van de geldigheidsduur;
g. door wijziging van de
geslachtsnaam, de voornamen, de plaats of datum van geboorte
of het geslacht van de houder of
h. door aangifte van vermissing
van het rijbewijs.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid, aanhef, wordt onder rijbewijs mede verstaan een
rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere
Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in Nederland
woonachtig is.
Artikel 123a
Een nieuw of vervangend rijbewijs
verliest zijn geldigheid indien het drie maanden na de datum waarop
het besluit tot afgifte is genomen niet is uitgereikt.
Artikel 123b
1. Onverminderd de artikelen 123,
eerste lid, en 123a verliest een rijbewijs zijn geldigheid voor
alle categorieën waarvoor het is afgegeven en voor de resterende
duur van de geldigheid, indien de houder bij onherroepelijke
rechterlijke uitspraak als bestuurder van een motorrijtuig is
veroordeeld wegens overtreding van:
a. artikel 6, voor zover de
schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8,
tweede, derde of vierde lid, en het alcoholgehalte van zijn
adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram
alcohol per liter uitgeademde lucht dan wel het alcoholgehalte
van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 1,3
milligram alcohol per milliliter bloed, dan wel voor zover de
schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel,
gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of
negende lid;
b. artikel 8, tweede, derde of
vierde lid, indien het alcoholgehalte van zijn adem bij een
onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per
liter uitgeademde lucht dan wel het alcoholgehalte van zijn
bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram
alcohol per milliliter bloed;
c. artikel 163, tweede, zesde,
achtste of negende lid,
een en ander voor zover ten
tijde van het begaan van het strafbare feit nog geen vijf
jaren zijn verlopen sedert de houder als bestuurder van een
motorrijtuig onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding
van
1. artikel 6, voor zover de
schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8,
tweede, derde of vierde lid, dan wel voor zover de
schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel,
gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of
negende lid;
2. artikel 8, tweede, derde
of vierde lid, of
3. artikel 163, tweede,
zesde, achtste of negende lid.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt een strafbeschikking met een veroordeling
gelijkgesteld.
3. Indien een rijbewijs dat op
grond van het eerste lid ongeldig zou zijn, reeds eerder zijn
geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur, of reeds eerder ongeldig is verklaard en deze
ongeldigverklaring onherroepelijk is geworden, plaatst de officier
van justitie een aantekening in het rijbewijzenregister waaruit
blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te
tonen dat hij beschikt over de rijvaardigheid en de lichamelijke
en geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van
een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarop de door
de houder overgelegde aanvraag betrekking heeft.
4. De houder van het ongeldige
rijbewijs dient dat rijbewijs, voor zover inlevering niet reeds
heeft plaatsgevonden op grond van een ander artikel, in te leveren
bij de Dienst Wegverkeer.
5. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs,
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland,
waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 124
1. Onverminderd de artikelen 132,
tweede lid,132b, tweede lid, en 134, vierde lid, wordt een
rijbewijs overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde regels voor een of meer categorieën van
motorrijtuigen of voor een deel van de geldigheidsduur ongeldig
verklaard indien:
a. het rijbewijs is afgegeven
op grond van door de houder verschafte onjuiste gegevens en
het niet zou zijn afgegeven indien de onjuistheid van die
gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest;
b. na afgifte van het rijbewijs
blijkt dat het kennelijk abusievelijk aan de houder is
afgegeven;
c. de houder een schriftelijke
verklaring overlegt, waarin hij afstand doet van de
bevoegdheid tot het besturen van een of meer categorieën van
motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven;
d. de houder blijkens een op
diens verzoek uitgevoerd onderzoek niet langer beschikt over
de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die is vereist
voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie of
categorieën waarop het onderzoek betrekking heeft, voor die
categorie of categorieën en, indien bij dat onderzoek blijkt
dat hij tevens niet beschikt over de lichamelijke of
geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van
motorrijtuigen van een andere categorie of andere categorieën
dan waarop het onderzoek betrekking heeft, tevens voor die
andere categorie of categorieën;
e. het als gevonden voorwerp is
ontvangen en teruggave aan de houder niet mogelijk is
gebleken, mits de houder nog geen aanvraag voor een vervangend
rijbewijs heeft ingediend.
2. De ongeldigverklaring geschiedt:
a. in de in het eerste lid,
onderdelen a en b, bedoelde gevallen door de Dienst
Wegverkeer, indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op
een door deze dienst of een door Onze Minister afgegeven
rijbewijs;
b. in de in het eerste lid,
onderdelen d en e, bedoelde gevallen door de Dienst
Wegverkeer, indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op
een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in
een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een
andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder
in Nederland woonachtig is;
c. in de in het eerste lid,
onderdelen a en b, bedoelde gevallen door degene die is belast
met de afgifte van rijbewijzen, indien de ongeldigverklaring
betrekking heeft op een rijbewijs dat niet is afgegeven door
de Dienst Wegverkeer of door Onze Minister, dan wel door het
daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland;
d. in het in het eerste lid,
onderdeel c, bedoelde geval
I. indien de verklaring
wordt overgelegd door een houder die zich ingevolge het in
artikel 131, eerste lid, onderdeel c, bedoelde besluit
dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn
rijvaardigheid of geschiktheid, door het CBR;
II. buiten de gevallen
waarin de verklaring wordt overgelegd door een houder die
zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid, onderdeel
c, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek
naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid, door degene die
is belast met de afgifte van rijbewijzen, indien de
ongeldigverklaring betrekking heeft op een rijbewijs dat
niet is afgegeven door de Dienst Wegverkeer of door Onze
Minister dan wel door de Dienst Wegverkeer, indien de
ongeldigverklaring betrekking heeft op een door deze
dienst of een door Onze Minister afgegeven rijbewijs;
e. in de in het eerste lid,
onderdeel d, bedoelde gevallen door het CBR;
f. in het in het eerste lid,
onderdeel e, bedoelde geval door degene die is belast met de
afgifte van rijbewijzen, indien de ongeldigverklaring
betrekking heeft op een rijbewijs dat niet is afgegeven door
het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de
Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
of Zwitserland.
3. De ongeldigverklaring is van
kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot
ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekend
gemaakt.
4. De houder van het ongeldig
verklaarde rijbewijs dient dat rijbewijs zodra de
ongeldigverklaring van kracht is geworden, in te leveren bij
degene die het ongeldig heeft verklaard.
5. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld omtrent de wijze waarop de
inlevering van ongeldig verklaarde rijbewijzen dient plaats te
vinden.
6. Indien het rijbewijs dat voor
ongeldigverklaring op grond van het eerste lid, onderdeel c, in
aanmerking komt, zijn geldigheid heeft verloren door het
verstrijken van de geldigheidsduur, plaatst degene die ingevolge
het tweede lid is belast met de ongeldigverklaring:
a. in het in het tweede lid,
onderdeel d, aanhef en onder I, bedoelde geval een aantekening
in het rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de
aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij algemene maatregel
van bestuur vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij, al
naar gelang de aard van het onderzoek waarop het in artikel
131, eerste lid, onderdeel c, bedoelde besluit betrekking
heeft, beschikt over de rijvaardigheid, de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid dan wel de rijvaardigheid en de
lichamelijke en geestelijke geschiktheid die is vereist voor
het besturen van motorrijtuigen van de categorie of
categorieën waarop de door de houder overgelegde verklaring
betrekking heeft;
b. in het in het tweede lid,
onderdeel d, aanhef en onder II, bedoelde geval een
aantekening in het rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de
houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te
tonen dat hij beschikt over de rijvaardigheid en de
lichamelijke en geestelijke geschiktheid die is vereist voor
het besturen van motorrijtuigen van de categorie of
categorieën waarop de door de houder overgelegde verklaring
betrekking heeft.
7. Indien het rijbewijs dat voor
ongeldigverklaring op grond van het eerste lid, onderdeel d, in
aanmerking komt, zijn geldigheid heeft verloren door het
verstrijken van de geldigheidsduur, plaatst degene die ingevolge
het tweede lid is belast met de ongeldigverklaring, een
aantekening in het rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de
houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te tonen dat
hij beschikt over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid die
is vereist voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie
of categorieën waarop het onderzoek betrekking heeft.
8. Indien bij het op grond van het
eerste lid, onderdeel d, uitgevoerde onderzoek is gebleken dat de
resterende geldigheidsduur van het rijbewijs korter is dan de
termijn waarvoor de houder blijkens het onderzoek naar verwachting
geschikt zal zijn voor het besturen van motorrijtuigen, plaatst
het CBR een aantekening in het rijbewijzenregister waaruit blijkt
dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te
tonen dat hij beschikt over de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen
van de categorie of categorieën waarop het onderzoek betrekking
heeft.
9. Voor de toepassing van het
eerste lid, aanhef en onderdelen c, d en e, het derde tot en met
het achtste lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs,
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat
van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
of Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 124a
1. Een overeenkomstig artikel 151g,
derde lid, op het rijbewijs vermeld getuigschrift van
vakbekwaamheid of getuigschrift van nascholing en een in artikel
151g, vierde lid, bedoeld certificaat, kan door de instantie die
het getuigschrift onderscheidenlijk het certificaat heeft
afgegeven ongeldig worden verklaard indien na afgifte blijkt dat:
a. het getuigschrift
onderscheidenlijk het certificaat is afgegeven op grond van
door de houder verschafte onjuiste gegevens en het niet zou
zijn afgegeven indien de onjuistheid van die gegevens ten
tijde van de afgifte bekend zou zijn geweest;
b. het getuigschrift
onderscheidenlijk het certificaat kennelijk abusievelijk aan
de houder is afgegeven.
2. De ongeldigverklaring van het
getuigschrift of certificaat is van kracht met ingang van de
zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan
de houder van het getuigschrift onderscheidenlijk het certificaat
is bekend gemaakt.
3. Zodra de ongeldigverklaring van
een getuigschrift of van een certificaat van kracht is geworden,
levert de houder van een getuigschrift het rijbewijs in bij de
instantie die belast is met de afgifte van rijbewijzen en levert
de houder van een certificaat dat document in bij de instantie die
het ongeldig heeft verklaard.
4. Onverminderd het eerste lid en
artikel 151g, vierde lid, verliest het certificaat zijn
geldigheid:
a. door het onbevoegd daarin
aanbrengen van wijzigingen, of
b. door het overlijden van de
houder.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent
de wijze van bekendmaking van de ongeldigverklaring van een
getuigschrift of certificaat, de vernieuwing van rijbewijzen na
ongeldigverklaring van het daarop vermelde getuigschrift en
omtrent de wijze van inlevering van een ongeldig verklaard
certificaat.
Artikel 125
1. Indien het rijbewijs niet voor
alle categorieën waarvoor het is afgegeven, ongeldig is verklaard
dan wel indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op een deel
van de geldigheidsduur, wordt door degene die is belast met de
afgifte van rijbewijzen een nieuw rijbewijs afgegeven dat geldig
is voor de categorie of categorieën of voor dat deel van de
geldigheidsduur waarop de ongeldigverklaring geen betrekking
heeft.
2. Indien de ongeldigverklaring
verband houdt met de noodzaak de rijbevoegdheid die voortvloeit
uit een of meer categorieën waarvoor het rijbewijs is afgegeven,
te beperken door het stellen van eisen aan het motorrijtuig of aan
de bestuurder daarvan, wordt door degene die is belast met de
afgifte van rijbewijzen een nieuw rijbewijs afgegeven waarin de
noodzakelijk geachte beperkingen ten aanzien van de rijbevoegdheid
zijn aangeduid met een bij ministeriële regeling vastgestelde
codering.
3. Voor de toepassing van het
eerste en het tweede lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een
rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere
Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in Nederland
woonachtig is.
Afdeling 8. Registratie van gegevens
met betrekking tot rijbewijzen
Artikel 126
1. De Dienst Wegverkeer houdt een
register betreffende de afgifte van rijbewijzen.
2. In het kader van het register
verwerkt de Dienst Wegverkeer gegevens, voor zover deze gegevens
noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van deze wet en voor
de handhaving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde
voorschriften, omtrent:
a. de rijvaardigheid en
geschiktheid van de aanvrager;
b. de aanvraag van rijbewijzen;
c. afgegeven rijbewijzen;
d. de op het rijbewijs te
vermelden getuigschriften van vakbekwaamheid en
getuigschriften van nascholing;
e. afgegeven certificaten als
bedoeld in artikel 151g, vierde lid;
f. rechterlijke uitspraken
houdende ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van
motorrijtuigen;
g. een opgelegd
alcoholslotprogramma;
h. de gezondheid van de
aanvrager.
3. Het verzamelen van gegevens als
bedoeld in het tweede lid, geschiedt voor de volgende doeleinden:
a. voor een goede uitvoering
van deze wet en
b. voor de handhaving van de
bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften.
4. De Dienst Wegverkeer mag
strafrechtelijke gegevens, gegevens ter vaststelling van mogelijk
strafbaar gedrag en gegevens over onrechtmatig of hinderlijk
gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat
gedrag, verwerken voor zover dit verband houdt met de in het derde
lid genoemde doeleinden.
5. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de inrichting en
het beheer van het register.
6. Voor de toepassing van het
tweede lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs,
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat
van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
of Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 127
1. Aan autoriteiten die betrokken
zijn bij de uitvoering van deze wet of die zijn belast met de
handhaving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde
voorschriften, worden op de door de Dienst Wegverkeer te bepalen
wijze uit het register desgevraagd de gegevens verstrekt die zij
voor de uitoefening van hun taak behoeven.
2. Aan bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen autoriteiten die betrokken zijn bij de
uitvoering van een andere wet dan deze wet of zijn belast met de
handhaving van de bij of krachtens een andere wet dan deze wet
gestelde voorschriften, worden in de bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen gevallen op de door de Dienst Wegverkeer te
bepalen wijze desgevraagd de gegevens verstrekt die zij voor de
uitoefening van hun taak behoeven.
3. Aan de met de afgifte van
rijbewijzen belaste autoriteiten buiten Nederland worden in de bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen op de door de
Dienst Wegverkeer te bepalen wijze en tegen betaling van het door
deze dienst vastgestelde tarief, inlichtingen uit het register
verstrekt.
4. De autoriteiten, bedoeld in het
eerste en tweede lid, zijn bevoegd tot het invoeren, wijzigen en
verwijderen van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
gegevens die van belang zijn voor het bijhouden van het register.
Artikel 128
1. Aan belanghebbenden kunnen,
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels, op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst voor de
behandeling van de aanvraag vastgestelde tarief, uit het register
gegevens worden verstrekt.
2. Aan andere belanghebbenden dan
degenen omtrent wie gegevens in het register zijn opgenomen,
worden slechts gegevens verstrekt omtrent de afgifte en de
geldigheid van rijbewijzen.
3. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat het verstrekken van gegevens aan
belanghebbenden niet of slechts tot een beperkt aantal of in
beperkte vorm of omvang geschiedt.
Artikel 129
De Dienst Wegverkeer stelt ten
aanzien van het verwerken van gegevens als bedoeld in artikel 126,
tweede lid, een reglement vast.
Afdeling 8a. Registratie van gegevens
in verband met de oplegging van een alcoholslotprogramma
Artikel 129a
1. De Dienst Wegverkeer houdt een
register betreffende gegevens inzake het alcoholslotprogramma.
Onder gegevens worden mede begrepen persoonsgegevens of bijzondere
persoonsgegevens.
2. Het verzamelen van gegevens als
bedoeld in artikel 129 c, eerste lid, geschiedt voor de volgende
doeleinden:
a. een goede en adequate
uitvoering van deze wet, voor zover het gaat om het
alcoholslotprogramma;
b. de handhaving van bij of
krachtens deze wet vastgestelde voorschriften, voor zover het
gaat om het alcoholslotprogramma.
Artikel 129b
Ten aanzien van de verwerkingen ten
behoeve van het alcoholslotregister is de Dienst Wegverkeer de
verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel d, van de Wet
bescherming persoonsgegevens.
Artikel 129c
1. In het alcoholslotregister
worden de volgende gegevens verwerkt:
a. gegevens betreffende de
oplegging van een alcoholslotprogramma aan de betrokken
rijbewijshouder;
b. gegevens betreffende de
erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, alsmede
de persoon door wie de in dat lid bedoelde werkzaamheden zijn
verricht;
c. het kenteken van het
motorrijtuig waarin een alcoholslot is ingebouwd;
d. gegevens betreffende het
inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het
onderhouden, het vervangen en het verwijderen van het
alcoholslot;
e. gegevens betreffende de
betaling van de kosten verbonden aan het alcoholslotprogramma;
f. gegevens voortvloeiende uit
de periodieke uitlezing van het alcoholslot.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de
inrichting en het beheer van het register.
Artikel 129d
1. Aan autoriteiten die betrokken
zijn bij de uitvoering van deze wet of zijn belast met de
handhaving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde
voorschriften, voor zover het het alcoholslotprogramma betreft,
worden op door de Dienst Wegverkeer bepaalde wijze de gegevens
verstrekt die zij voor de uitvoering van hun taak behoeven.
2. De autoriteiten, bedoeld in het
eerste lid, zijn op bij algemene maatregel van bestuur bepaalde
wijze bevoegd tot het invoeren, wijzigen dan wel verwijderen van
de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens die van
belang zijn voor het bijhouden van het register.
Artikel 129e
De Dienst Wegverkeer stelt ten
aanzien van het verwerken van gegevens als bedoeld in artikel 129c,
eerste lid, een reglement vast.
Afdeling 9. Maatregelen
rijvaardigheid en geschiktheid
§ 1. Algemeen
Artikel 130
1. Indien bij de bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat
dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de
rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke
geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer
categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is
afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk
mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en
omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij
ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden
aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en
worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere
regels vastgesteld.
2. Op de eerste vordering van de in
artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de bestuurder van
een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in
het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem
afgegeven rijbewijs.
3. De in het tweede lid bedoelde
vordering wordt gedaan indien de betrokken bestuurder de
veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met
onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen
langer als bestuurder van een of meer categorieën van
motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het
verkeer deel te nemen. Bij ministeriële regeling worden de
gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. De in het tweede lid
bedoelde vordering wordt tevens gedaan in bij ministeriële
regeling aangegeven gevallen van overtreding van de voorwaarden
van deelname aan het alcoholslotprogramma. Het ingevorderde
rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke mededeling,
bedoeld in het eerste lid, aan het CBR toegezonden.
4. In geval van toepassing van het
tweede lid kan het motorrijtuig, voor zover geen andere bestuurder
beschikbaar is of de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de
vordering, onder toezicht of, voor zover degene die de vordering
heeft gedaan, zulks nodig oordeelt, in bewaring worden gesteld. In
het laatste geval zijn de artikelen 170, tweede lid, tweede en
derde volzin, vierde en vijfde lid, 171, 172 en 173, eerste lid,
van deze wet en de artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124, 5:10,
5:25, eerste en zesde lid, 5:29, tweede en derde lid, 5:30,
eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Teruggave van het
motorrijtuig vindt slechts plaats, indien aan de vordering is
voldaan.
5. Voor de toepassing van het
eerste, tweede en derde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan
een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten
Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 131
1. Indien een schriftelijke
mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan,
besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen
gevallen respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve
maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of
geschiktheid,
b. oplegging van een
alcoholslotprogramma, of
c. een onderzoek naar de
rijvaardigheid of geschiktheid.
Het besluit wordt zo spoedig
mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de
mededeling, genomen.
2. Bij het besluit, bedoeld in het
eerste lid, wordt:
a. in de gevallen, bedoeld in
artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van
betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen
geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of
zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;
b. indien de geldigheid van het
rijbewijs van betrokkene overeenkomstig onderdeel a wordt
geschorst, en diens rijbewijs niet overeenkomstig artikel 130,
derde lid, is ingevorderd, bepaald dat betrokkene zijn
rijbewijs dient in te leveren bij het CBR;
c. indien de geldigheid van het
rijbewijs van betrokkene niet overeenkomstig onderdeel a,
wordt geschorst, doch diens rijbewijs wel
overeenkomstigartikel 130, derde lid, is ingevorderd, bepaald
dat het rijbewijs onverwijld aan betrokkene wordt
teruggegeven.
3. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste
lid.
4. Voor de toepassing van het
tweede lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland,
waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 132
1. Behoudens de bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen is diegene
verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel,
die zich:
a. ingevolgeartikel 131, eerste
lid, aanhef en onderdeel a, dient te onderwerpen aan een
educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of
geschiktheid,
b. krachtensartikel 118, derde
lid, of ingevolge de artikelen 131, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, of 134, zevende lid, onderdeel a, dient te
onderwerpen aan een alcoholslotprogramma, of
c. ingevolge artikel 131,
eerste lid, aanhef en onderdeel c, dient te onderwerpen aan
een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.
2. Bij gebreke van de in het eerste
lid bedoelde medewerking besluit het CBR onverwijld tot
ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR
bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van
motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de
ongeldigverklaring betrekking heeft. Bij ministeriële regeling
wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet
verlenen van medewerking. Als het niet verlenen van de vereiste
medewerking wordt mede aangemerkt het niet voldoen van de kosten
verbonden aan het huren of kopen, het inbouwen, het uitlezen, het
testen, het kalibreren, het onderhouden en het verwijderen van het
alcoholslot op de in het huur-dan wel koopcontract van het
alcoholslot aangegeven wijze of binnen de in dat huur- dan wel
koopcontract aangegeven termijn of termijnen, alsmede het niet
voldoen van de kosten binnen de termijn of termijnen die is of
zijn aangegeven bij het besluit waarbij de verplichting tot een
van de hierna genoemde maatregelen is opgelegd, of het niet
voldoen van de kosten op de in dat besluit aangegeven wijze, van:
a. de bij ministeriële
regeling aangewezen educatieve maatregelen ter bevordering van
de rijvaardigheid of geschiktheid,
b. het alcoholslotprogramma, of
c. het onderzoek naar de
rijvaardigheid of geschiktheid, indien deze kosten op grond
vanartikel 133, vierde lid, voor rekening van betrokkene
komen.
3. Het CBR doet van het besluit
mededeling aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
personen of instanties.
4. De ongeldigverklaring is van
kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot
ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekend
gemaakt.
5. De houder van het ongeldig
verklaarde rijbewijs dient dat rijbewijs, zodra de
ongeldigverklaring van kracht is geworden, in te leveren bij het
CBR, ook indien de ongeldigverklaring niet alle categorieën
betreft waarvoor het rijbewijs geldig was.
6. Indien het rijbewijs dat voor
ongeldigverklaring op grond van het tweede lid in aanmerking komt,
zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur, plaatst het CBR een aantekening in het
rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag
van een nieuw rijbewijs op de bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij, al naar gelang de
aard van het onderzoek waarop het in artikel 131, eerste lid,
bedoelde besluit betrekking heeft, beschikt over de rijvaardigheid
dan wel de lichamelijke en geestelijke geschiktheid die is vereist
voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie of
categorieën waarop dat besluit betrekking heeft.
7. Voor de toepassing van het
tweede, vijfde en zesde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan
een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten
Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
§ 2. Educatieve maatregelen ter
bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid
Artikel 132a
1. In de inartikel 131, eerste lid,
aanhef en onderdeel a, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in
dat artikel bedoelde besluit betrokkene overeenkomstig de bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting
op zich binnen een daarbij vast te stellen termijn te onderwerpen
aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid
of geschiktheid.
2. De kosten verbonden aan het
opleggen van een educatieve maatregel ter bevordering van de
rijvaardigheid of geschiktheid komen ten laste van iedereen aan
wie overeenkomstig het eerste lid de verplichting tot deelname aan
een dergelijke maatregel is opgelegd. De hoogte van deze kosten
wordt bij ministeriële regeling vastgelegd. In geval van niet,
niet geheel of niet op aangegeven wijze of binnen de aangegeven
termijnen betalen van deze kosten vaardigt het CBR een dwangbevel
uit aan de nalatige. Voor de toepassing van titel 4.4. van de
Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit als bedoeld in
artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, aangemerkt als
beschikking als bedoeld in artikel 4.86 van de Algemene wet
bestuursrecht.
3. De kosten verbonden aan het
uitvoeren van de educatieve maatregelen komen ten laste van
betrokkene. De hoogte van deze kosten worden bij ministeriële
regeling vastgesteld.
4. Het CBR bepaalt de aard van de
educatieve maatregelen en wijst een of meer tot toepassing van die
maatregelen bevoegde deskundigen aan.
5. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste en
tweede lid.
6. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs,
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland,
waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
§ 3. Alcoholslotprogramma algemeen
Artikel 132b
1. In de inartikel 131, eerste lid,
aanhef en onderdeel b, bedoelde gevallen legt het CBR
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels bij het in dat artikellid bedoelde besluit betrokkene de
verplichting op deel te nemen aan een alcoholslotprogramma.
2. Bij het besluit, bedoeld in het
eerste lid, verklaart het CBR het rijbewijs van betrokkene
ongeldig en bepaalt daarbij dat de ongeldigverklaring betrekking
heeft op alle categorieën waarvoor dat rijbewijs geldig was, met
uitzondering van de categorie AM. Artikel 132, vierde tot en met
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Het CBR doet mededeling aan
betrokkene dat hij:
a. nadat hij heeft voldaan aan
de eisen, bedoeld in artikel 132c, eerste lid, onderdelen a,
b, en c, overeenkomstig de daarvoor bij algemene maatregel van
bestuur gestelde regels een rijbewijs kan aanvragen voor de
categorie of categorieën waarvoor hij aan die eisen heeft
voldaan, alsmede voor categorie AM, dan wel dat hij
b. indien hij niet heeft
voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 132c, eerste lid,
onderdelen a, b en c, overeenkomstig de daarvoor bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs voor
de categorie AM kan aanvragen.
4. Indien het rijbewijs dat voor
ongeldigverklaring op grond van het tweede lid in aanmerking komt,
zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur, of op andere wijze ongeldig is geworden, plaatst
het CBR een aantekening in het rijbewijzenregister waaruit blijkt
dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs alleen een
rijbewijs kan krijgen dat geldig is voor het besturen van een
motorrijtuig waarin bij of krachtens de wet een alcoholslot is
ingebouwd, en de categorie AM.
5. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste
en tweede lid.
6. Voor de toepassing van het
tweede en vierde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een
rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten
Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 132c
1. Degene aan wie deelname aan het
alcoholslotprogramma is opgelegd dient:
a. overeenkomstig de bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde
bepalingen een alcoholslot te doen inbouwen in ten minste
één motorrijtuig dat voldoet aan de bij algemene maatregel
van bestuur gestelde eisen;
b. de aangegeven kosten op de
aangegeven wijze te hebben betaald aan het CBR;
c. het bij het besluit, bedoeld
in artikel 132b, eerste lid, meegezonden, door het CBR
vastgestelde, aanmeldformulier te hebben teruggezonden aan het
CBR, en
d. overeenkomstig bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde wijze de feitelijke
beschikking te hebben gekregen over een nieuw rijbewijs,
waarop voor de toepasselijke rijbewijscategorie, met
uitzondering van de categorie AM, de bij ministeriële
regeling vastgestelde codering voor het rijden met een
alcoholslot is vermeld.
2. Per motorrijtuig kan slechts
één alcoholslot tegelijk zijn ingebouwd.
3. Een ingebouwd alcoholslot kan
slechts door één bestuurder worden gebruikt aan wie het CBR
overeenkomstig de artikelen 131, eerste lid, onderdeel b, en 132b,
eerste lid, de verplichting heeft opgelegd tot deelname aan het
alcoholslotprogramma.
4. Onverminderdartikel 132d, tweede
of vierde lid, is de duur van het alcoholslotprogramma twee jaar.
Deze termijn neemt een aanvang op de dag waarop degene aan wie de
verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd
heeft voldaan aan het eerste lid, onderdeel d.
5. Degene aan wie deelname aan het
alcoholslotprogramma is opgelegd, is verplicht het door het CBR
bepaalde begeleidingsprogramma te volgen en daartoe het
alcoholslot periodiek te laten uitlezen bij een erkenninghouder
als bedoeld in artikel 132k, eerste lid. Bij ministeriële
regeling wordt de termijn vastgelegd waarbinnen de uitlezing
uiterlijk dient plaats te vinden. In bij ministeriële regeling
aangegeven gevallen kan het CBR in het kader van het
begeleidingsprogramma een kortere termijn vaststellen.
6. De kosten verbonden aan het
opleggen van het alcoholslotprogramma komen ten laste van iedereen
aan wie overeenkomstig artikel 132b, eerste lid, de verplichting
tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd. De hoogte
van deze kosten wordt bij ministeriële regeling vastgelegd. In
geval van niet, niet geheel of niet op aangegeven wijze of binnen
de aangegeven termijnen betalen van deze kosten vaardigt het CBR
een dwangbevel uit aan de nalatige. Voor de toepassing van titel
4.4. van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit als
bedoeld inartikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b,
aangemerkt als beschikking als bedoeld in artikel 4.86 van de
Algemene wet bestuursrecht.
7. De kosten van verbonden aan:
a. het uitvoeren van het
alcoholslotprogramma, alsmede de kosten verbonden aan het
beheer en het in stand houden van het alcoholslotregister en
het verstrekken van gegevens uit dat register overeenkomstig
artikel 129d, eerste lid, en aan
b. het huren dan wel kopen, het
inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren het
onderhouden en het verwijderen van het alcoholslot, komen ten
laste van betrokkene. De hoogte van de in onderdeel a genoemde
kosten die door het CBR worden geïnd, worden bij
ministeriële regeling vastgesteld.
8. De gegevens die periodiek worden
uitgelezen uit het alcoholslot worden toegerekend aan degene aan
wie deelname aan een alcoholslotprogramma is opgelegd.
9. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste,
vijfde en zesde lid.
Artikel 132d
1. Uiterlijk vier weken voor de
afloop van het alcoholslotprogramma vindt op door het CBR bepaalde
wijze een evaluatie plaats van de wijze waarop betrokkene heeft
deelgenomen aan het alcoholslotprogramma. Indien uit de evaluatie
blijkt dat betrokkene heeft voldaan aan de bij ministeriële
regeling aangegeven voorwaarden, registreert het CBR onverwijld in
het rijbewijzenregister ten behoeve van betrokkene dat de hem
opgelegde beperkingen zijn vervallen en dat hij overeenkomstig bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs
zonder de bij ministeriële regeling vastgestelde codering voor
het rijden met een alcoholslot kan aanvragen. Het CBR doet hiervan
mededeling aan betrokkene.
2. In de bij ministeriële regeling
aangegeven gevallen besluit het CBR tot verlenging van het
alcoholslotprogramma met zes maanden.
3. Uiterlijk vier weken voor de
afloop van de verlenging vindt op door het CBR bepaalde wijze een
evaluatie plaats van de wijze waarop betrokkene heeft deelgenomen
aan het alcoholslotprogramma. Indien uit de evaluatie blijkt dat
betrokkene heeft voldaan aan de bij ministeriële regeling
aangegeven voorwaarden, registreert het CBR onverwijld in het
rijbewijzenregister ten behoeve van betrokkene dat de hem
opgelegde beperkingen zijn vervallen en dat hij overeenkomstig bij
algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs
zonder de bij ministeriële regeling vastgestelde codering voor
het rijden met een alcoholslot kan aanvragen. Het CBR doet hiervan
mededeling aan betrokkene.
4. In andere dan de in het derde
lid bedoelde gevallen besluit het CBR tot verlenging van het
alcoholslotprogramma met zes maanden. Het derde lid is vervolgens
van overeenkomstige toepassing.
5. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit
artikel.
§ 4. Goedkeuring van het alcoholslot
Artikel 132e
1. In het kader van het
alcoholslotprogramma wordt uitsluitend gebruik gemaakt van een
alcoholslot dat is voorzien van een typegoedkeuring, verleend door
de Dienst Wegverkeer, of een daaraan bij ministeriële regeling
gelijkgesteld alcoholslot. De typegoedkeuring van het alcoholslot
en de daarbij behorende uitleesapplicatie wordt op aanvraag en
tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde
wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief door
deze dienst verleend, indien door de dienst is vastgesteld dat het
alcoholslot aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen
voldoet en indien het productieproces van de alcoholsloten van het
desbetreffende type is goedgekeurd. De artikelen 22, derde en
vierde lid, 22b, 23, 23a en 25a tot en met 25e zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. Na verwijdering van het
alcoholslot vindt controle van het uitgebouwde alcoholslot plaats
door degene die overeenkomstig het goedgekeurde productieproces
als bedoeld in het eerste lid produceert.
3. Bij ministeriële regeling
worden regels gesteld betreffende de aanvraag tot goedkeuring van
een type alcoholslot, de eisen waaraan de alcoholsloten dienen te
voldoen, de onderzoeken waaraan zij dienen te zijn onderworpen,
het door de aanvrager ter beschikking stellen van alcoholsloten,
de wijze waarop de overdracht van de gegevens uit het alcoholslot
naar het alcoholslotregister plaatsvindt, het door de aanvrager
overleggen van bescheiden en het verstrekken van inlichtingen ter
zake van de keuring, het testrapport, de intrekking van een
dergelijke goedkeuring, de controle van een alcoholslot als
bedoeld in het tweede lid, en de onderzoeken waaraan het
alcoholslot in dat kader wordt onderworpen.
4. De Dienst Wegverkeer, dan wel de
door hem aangewezen technische dienst als bedoeld in het eerste
lid, onderwerpt voorafgaand aan een eerste inbouw een bij
ministeriële regeling vastgesteld aantal typegoedgekeurde
alcoholsloten aan een steekproefsgewijze keuring. Hetzelfde geldt
voor typegoedgekeurde alcoholsloten, ten aanzien waarvan een
controle heeft plaatsgevonden als bedoeld in het tweede lid.
Degene die overeenkomstig het goedgekeurde productieproces,
bedoeld in het eerste lid, produceert, is verplicht zijn
medewerking te verlenen aan deze steekproefsgewijze keuringen. Bij
ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van de
wijze waarop de in dit lid bedoelde keuringen worden uitgevoerd,
het door de aanvrager ter beschikking stellen van alcoholsloten,
het door de aanvrager overleggen van bescheiden en het verstrekken
van inlichtingen ter zake van de keuring en de maatregelen die de
Dienst Wegverkeer kan treffen. Intensivering van de
steekproefsgewijze controle of het stellen van een termijn om de
gebreken te herstellen, kunnen daarvan deel uitmaken.
5. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat:
a. het voldoen aan de in het
eerste lid gestelde eisen wordt aangetoond door middel van in
die regels voorgeschreven apparatuur;
b. die apparatuur is
goedgekeurd door een door Onze Minister aangewezen
keuringsinstelling;
c. die apparatuur alleen kan
worden goedgekeurd indien de in die regels genoemde technische
specificaties van die apparatuur die noodzakelijk zijn om het
periodieke onderzoek, bedoeld in onderdeel d, uit te kunnen
voeren, op de in die regels aangegeven wijze bekend worden
gemaakt;
d. die apparatuur met een in
die regels vast te stellen periodiciteit is onderzocht door de
in het eerste lid bedoelde keuringsinstelling, dan wel door
een door Onze Minister of door deze keuringsinstelling
aangewezen onderzoeksgerechtigde en dat de middelen die worden
gebruikt om die apparatuur voor gebruik geschikt te maken,
zijn gecertificeerd door een door die keuringsinstelling
erkende instelling, en
e. bij de erkenning van een
onderzoeksgerechtigde of instelling als bedoeld in onderdeel
d, wordt voldaan aan de in die regels opgenomen voorschriften.
6. Een type alcoholslot kan voor
een typegoedkeuring worden aangeboden indien de aanvrager heeft
aangetoond dat het alcoholslot een beschermingsniveau biedt dat
naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer, dan wel de door hem
aangewezen technische dienst als bedoeld in het eerste lid, ten
minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de in het derde lid
bedoelde eisen wordt nagestreefd.
7. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit
artikel.
Artikel 132e1
1. Bij ministeriële regeling wordt
bepaald wanneer een typegoedkeuring vervalt.
2. Intrekking van de
typegoedkeuring vindt plaats indien:
a. de producent van het
desbetreffende type alcoholslot daarom verzoekt, of
b. de erkenning als bedoeld in
artikel 132f, eerste lid, door de Dienst Wegverkeer wordt
ingetrokken.
3. Indien de steekproefsgewijze
keuring als bedoeld in artikel 132e, eerste of vierde lid, daartoe
aanleiding geeft, dan wel indien een typegoedkeuring wordt
ingetrokken, bepaalt de Dienst Wegverkeer de gevolgen voor reeds
ingebouwde alcoholsloten van dat type. Indien wordt besloten dat
reeds ingebouwde alcoholsloten moeten worden vervangen, dan
bepaalt de Dienst Wegverkeer tevens de termijn waarbinnen die
vervanging moet zijn gerealiseerd.
4. Vanaf de datum waarop de eisen
waaraan alcoholsloten moeten voldoen, zijn aangepast, mogen
alcoholsloten van een overeenkomstig de oude eisen goedgekeurd
type in het kader van het alcoholslotprogramma nog worden
ingebouwd gedurende een bij ministeriële regeling vastgestelde
periode.
5. Bij ministeriële regeling wordt
vastgelegd met ingang van welk tijdstip na de aanpassing van de in
het vierde lid bedoelde eisen alle alcoholsloten moeten voldoen
aan de aangepaste eisen.
§ 5. Erkenningsregelingen
alcoholsloten
Artikel 132f
1. De Dienst Wegverkeer kan aan een
natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen
waardoor deze gerechtigd is tot het in stand houden van een
netwerk van werkplaatsen voor het inbouwen, het uitlezen, het
testen, het kalibreren, het vervangen en het verwijderen van het
door hem gevoerde alcoholslot, alsmede het verrichten van de
daarmee samenhangende werkzaamheden. Bij de aanvraag van de in dit
lid bedoelde erkenning kan in afwijking van de eisen gesteld in
artikel 132g, tweede lid, onderdelen b en d, worden volstaan met:
a. een alcoholslot dat
overeenkomstig artikel 132e is goedgekeurd door de aangewezen
keuringsinstelling en waarvoor de typegoedkeuring is
aangevraagd of tegelijk met de aanvraag voor een erkenning als
bedoeld in dit lid wordt aangevraagd, en
b. een netwerk waarvan de
vereiste landelijke dekking blijkt uit contracten afgesloten
met natuurlijke personen of rechtspersonen die al een aanvraag
voor een erkenning als bedoeld in artikel 132k, eerste lid,
hebben ingediend, dan wel tegelijk met de aanvraag voor een
erkenning als bedoeld in dit lid indienen.
2. De erkenning kan worden verleend
voor bepaalde of onbepaalde tijd.
3. Bij ministeriële regeling
kunnen voorschriften worden gesteld die aan een erkenning worden
verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels
worden vastgesteld.
Artikel 132g
1. De erkenning wordt door de
Dienst Wegverkeer op aanvraag en tegen betaling, op de door de
dienst vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst
vastgestelde tarief verleend indien de natuurlijke persoon of
rechtspersoon voldoet aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen.
2. De in het eerste lid bedoelde
eisen betreffen onder meer:
a. de aanwezigheid van een
mandaat namens de producent te mogen optreden;
b. de aanwezigheid van een
typegoedkeuring of een afschrift daarvan, afgegeven door de
Dienst Wegverkeer van het door of namens de aanvrager
geproduceerd alcoholslot;
c. de aanwezigheid van een
productieproces dat op basis van artikel 132e, eerste of
vijfde lid, door de Dienst Wegverkeer is goedgekeurd;
d. het beschikken over een
netwerk van werkplaatsen met een erkenning als bedoeld in
artikel 132k, waar het inbouwen, het uitlezen, het testen, het
kalibreren, het onderhouden, het vervangen of het verwijderen
van alcoholsloten, alsmede de daarmee samenhangende
werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Dit netwerk dient een
landelijke spreiding te hebben;
e. de administratieve
organisatie van de aanvrager;
f. de wijze waarop de aanvrager
ervoor zorg draagt dat de personen die de inartikel 132k,
eerste lid, bedoelde werkzaamheden verrichten of gaan
verrichten, adequaat zijn opgeleid en periodiek worden
bijgeschoold over de laatste ontwikkelingen, en dat ten
bewijze hiervan een bewijs wordt afgegeven;
g. andere instrumenten en
hulpmiddelen die nodig zijn voor of gebruikt worden bij de
uitvoering van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 132k,
eerste lid.
h. de maatregelen die zullen
worden getroffen voor het geval de erkenning geheel wordt
ingetrokken op het terrein van de beschikbaarstelling van
gegevens betreffende het alcoholslot vereist voor het
uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhouden of het
verwijderen van alcoholsloten, alsmede voor de daarmee
samenhangende werkzaamheden.
3. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanvraag van de
erkenning.
4. De erkenning wordt geweigerd
indien een reeds aan de aanvrager verleende erkenning is
ingetrokken op grond van artikel 132i, tweede lid, binnen een
direct aan de datum van indiening van de aanvraag voorafgaande
periode van twaalf weken, dan wel zes maanden ingeval reeds twee
of meermalen een dergelijke aan de aanvrager verleende erkenning
is ingetrokken.
Artikel 132h
1. Met het toezicht op de naleving
van de uit de erkenning, bedoeld in artikel 132f, voortvloeiende
verplichtingen zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer
aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
2. Tot het in het eerste lid
bedoelde toezicht kan behoren het periodiek controleren van de
organisatie van de erkenninghouder, alsmede het uitvoeren van
steekproeven op de wijze waarop de erkenninghouder de inartikel
132f, eerste lid, bedoelde taken uitvoert.
3. De erkenninghouder is gehouden
tot betaling, op door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht
vastgestelde tarief.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze
waarop het toezicht wordt gehouden en de wijze waarop de
steekproef wordt georganiseerd. Deze regels kunnen inhouden dat
een verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt
gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning
voortvloeiende de verplichtingen en op welke wijze dat verscherpte
toezicht dan plaatsvindt.
5. De kennisgeving van het
verscherpen van het toezicht kan plaatsvinden door middel van
datacommunicatie. In dat geval wordt de kennisgeving na daartoe
strekkend verzoek van de belanghebbende in een beschikking
vastgelegd.
Artikel 132i
1. De Dienst Wegverkeer trekt de
erkenning, bedoeld in artikel 132f, eerste lid, in indien degene
aan wie de erkenning is verleend, daarom verzoekt.
2. De Dienst Wegverkeer kan een
erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning
is verleend niet meer voldoet aan de voor de erkenning gestelde
eisen of voorwaarden.
3. De Dienst Wegverkeer kan in een
geval als bedoeld in het tweede lid een erkenning schorsen voor
een door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste
twaalf weken bedraagt.
4. In geval van schorsing van de
erkenning stelt degene van wie de erkenning wordt geschorst in de
bij ministeriële regeling aangegeven gevallen onverwijld de
vereiste informatie en instrumenten benodigd voor het uitlezen,
het testen, het kalibreren, het onderhouden en het verwijderen van
de in artikel 132f, eerste lid, bedoelde alcoholsloten ter
beschikking van de Dienst Wegverkeer, alsmede de daartoe door de
Dienst Wegverkeer aangewezen instantie of instanties.
5. Degene van wie de erkenning
wordt ingetrokken stelt onverwijld de vereiste informatie en
instrumenten benodigd voor het uitlezen, het testen, het
kalibreren, het onderhouden en het verwijderen van de in artikel
132f, eerste lid, bedoelde alcoholsloten ter beschikking van de
Dienst Wegverkeer, alsmede de daartoe door de Dienst Wegverkeer
aangewezen instantie of instanties.
6. De Dienst Wegverkeer stelt
onverwijld het CBR in kennis van een opgelegde schorsing of een
ingetrokken erkenning.
7. De Dienst Wegverkeer kan in de
door de dienst vastgestelde gevallen de keuringsinstelling,
bedoeld in artikel 132e, eerste lid, in kennis stellen van een
opgelegde schorsing of een ingetrokken erkenning.
8. De Dienst Wegverkeer kan in de
gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd
geldt voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30
maanden.
9. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld ter uitvoering van dit
artikel.
Artikel 132j
Het is eenieder aan wie niet een
erkenning als bedoeld in artikel 132f is verleend, verboden zich op
zodanige wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk
kan worden gewekt, dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
Artikel 132k
1. De Dienst Wegverkeer kan aan een
natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen
waardoor deze gerechtigd is tot het inbouwen, het uitlezen, het
testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen en het
verwijderen van in artikel 132f, eerste lid, bedoelde
alcoholsloten, alsmede de daarmee samenhangende werkzaamheden. Bij
de aanvraag van de in dit lid bedoelde erkenning kan in afwijking
vanartikel 132l, tweede lid, onderdeel a, worden volstaan met een
contract, dat is afgesloten met een natuurlijke persoon of
rechtspersoon die een aanvraag als bedoeld in artikel 132g, eerste
lid, heeft ingediend.
2. Aan de erkenning kunnen bij
ministeriële regeling aangewezen bevoegdheden worden verbonden.
Een zodanige bevoegdheid maakt deel uit van de erkenning. Het in
de artikelen 132l tot en met 132o ten aanzien van erkenningen
bepaalde is van overeenkomstige toepassing op bedoelde
bevoegdheden.
3. De erkenning kan worden verleend
voor bepaalde of onbepaalde tijd.
4. Bij ministeriële regeling
kunnen voorschriften worden gesteld die aan een erkenning worden
verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels
worden vastgesteld.
Artikel 132l
1. De erkenning wordt door de
Dienst Wegverkeer op aanvraag en tegen betaling, op de door de
dienst vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst
vastgestelde tarief verleend indien de natuurlijke persoon of
rechtspersoon voldoet aan de bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen.
2. De in het eerste lid bedoelde
eisen betreffen onder meer:
a. het contract dat is
afgesloten met de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132f,
tweede lid;
b. de administratieve
organisatie van de aanvrager;
c. het proces volgens hetwelk
de aanvrager zijn werkzaamheden verricht;
d. de eisen waaraan de
werkplaats of werkplaatsen van de aanvrager dient of dienen te
voldoen, eisen ten aanzien van datacommunicatie hieronder
begrepen;
e. de wijze waarop de aanvrager
er voor zorg draagt dat de personen die door hem belast zijn
met het inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren,
het onderhouden, het vervangen of het verwijderen van
alcoholsloten, alsmede de daarmee samenhangende werkzaamheden,
adequaat zijn opgeleid en worden geïnformeerd over de laatste
ontwikkelingen;
f. de beschikbaarheid van een
persoon of personen, die in het bezit is of zijn van een tegen
betaling van een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld tarief
door die dienst afgegeven bewijs dat zij de inartikel 132k,
eerste lid, bedoelde werkzaamheden mogen verrichten;
g. de aan-en afmelding bij de
Dienst Wegverkeer van de personen die bevoegd zijn tot het
inbouwen, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het
onderhouden, het vervangen of het verwijderen van
alcoholsloten, en de daarmee samenhangende werkzaamheden.
3. De bij ministeriële regeling
gestelde eisen, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking
hebben op de op de voor de werkzaamheden benodigde apparatuur.
4. Bij het inbouwen, het uitlezen,
het testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen of het
verwijderen van het alcoholslot worden de bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur aangegeven gegevens vastgelegd in
het in artikel 129a bedoelde register.
5. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanvraag van
een erkenning.
6. De erkenning wordt geweigerd
indien een reeds aan de aanvrager verleende erkenning is
ingetrokken op grond van artikel 132n, tweede lid, is ingetrokken
binnen een direct aan de datum van indiening van de aanvraag
voorafgaande periode van twaalf weken, dan wel zes maanden ingeval
reeds twee of meermalen een dergelijke aan de aanvrager verleende
erkenning is ingetrokken.
Artikel 132m
1. Met het toezicht op de naleving
van de uit de erkenning, bedoeld in artikel 132k, eerste lid,
voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de
Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
2. Tot het in het eerste lid
bedoelde toezicht kan behoren het periodiek controleren van de
organisatie van de erkenninghouder, alsmede het uitvoeren van
steekproeven op de wijze waarop de erkenninghouder, alsmede de bij
hem in dienst zijnde personen die overeenkomstig artikel 132l zijn
belast met de uitvoering van de werkzaamheden als bedoeld
inartikel 132k, eerste lid, die taken uitvoeren.
3. De eigenaar of houder van een
motorrijtuig dat voorwerp is van het in het tweede lid bedoelde
toezicht is verplicht het motorrijtuig beschikbaar te houden op de
plaats waar de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden
uitgevoerd. Deze verplichting geldt tot ten hoogste 90 minuten
nadat de erkenninghouder de daarvoor in aanmerking komende
gegevens heeft geregistreerd in het in artikel 129abedoelde
register.
4. Het derde lid en het zesde lid,
eerste volzin, zijn van overeenkomstige toepassing in geval het
toezicht door de Dienst Wegverkeer plaatsvindt op grond van
artikel 158.
5. De erkenninghouder is gehouden
tot betaling, op door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van
het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht
vastgestelde tarief.
6. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze
waarop het toezicht wordt gehouden en de wijze waarop de
steekproef wordt georganiseerd. Deze regels kunnen inhouden dat
een verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt
gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning
voortvloeiende de verplichtingen en op welke wijze dat verscherpte
toezicht dan plaatsvindt.
7. De kennisgeving van het
verscherpen van het toezicht kan plaatsvinden door middel van
datacommunicatie. In dat geval wordt de kennisgeving na daartoe
strekkend verzoek van de belanghebbende in een beschikking
vastgelegd.
Artikel 132n
1. De Dienst Wegverkeer trekt een
erkenning als bedoeld in artikel 132k, eerste lid in:
a. indien degene aan wie de
erkenning is verleend, daarom verzoekt;
b. indien de erkenning, bedoeld
in artikel 132f, eerste lid, wordt ingetrokken.
2. De Dienst Wegverkeer kan een
erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning
is verleend niet meer voldoet aan de aan de erkenning gestelde
eisen of voorschriften.
3. De Dienst Wegverkeer kan in een
geval als bedoeld in het tweede lid een erkenning schorsen voor
een door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste
twaalf weken bedraagt.
4. Bij de schorsing of de
intrekking van de erkenning in de gevallen, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, en het tweede lid, worden de lopende
verplichtingen van de erkenninghouder betreffende het uitlezen,
het testen, het kalibreren, het onderhouden en het verwijderen van
het alcoholslot, alsmede de daarmee samenhangende
informatieverplichtingen, voortvloeiend uit het bij of krachtens
deze wet bepaalde, verricht door een door erkenninghouder als
bedoeld in artikel 132f, eerste lid, te bepalen natuurlijke
persoon of rechtspersoon of instantie die beschikt over de in
artikel 132k, eerste lid, bedoelde erkenning.
5. Bij intrekking van de erkenning,
bedoeld in artikel 132f, eerste lid, worden de lopende
verplichtingen van de erkenninghouder betreffende het uitlezen,
het testen, het kalibreren, het onderhouden, het vervangen en het
verwijderen van het alcoholslot, alsmede de daarmee samenhangende
informatieverplichtingen, voortvloeiend uit het bij of krachtens
deze wet bepaalde verricht door een daartoe door de Dienst
Wegverkeer aangewezen instantie of instanties. Artikel 132i,
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. De Dienst Wegverkeer kan in de
door de dienst vastgestelde gevallen de inartikel 132e bedoelde
keuringsinstelling in kennis stellen van een opgelegde schorsing
of een ingetrokken erkenning.
7. De Dienst Wegverkeer kan in de
gevallen, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat een wachttijd
geldt voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30
maanden.
8. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden vastgesteld ter uitvoering van dit
artikel.
Artikel 132o
Het is eenieder aan wie niet een
erkenning als bedoeld in artikel 132k is verleend, verboden zich op
zodanige wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk
kan worden gewekt, dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
§ 6. Onderzoeken naar de
rijvaardigheid of geschiktheid
Artikel 133
1. In de inartikel 131, eerste lid,
aanhef en onderdeel c, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in
dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te
onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of
geschiktheid.
2. Het CBR bepaalt de aard van het
onderzoek en bepaalt door welke deskundige of deskundigen het
onderzoek zal worden verricht.
3. Het onderzoek kan in gedeelten
plaatsvinden. Tijd en plaats van het onderzoek dan wel de delen
daarvan worden overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde regels door het CBR vastgesteld.
4. De kosten verbonden aan het
opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid of de
geschiktheid komen ten laste van iedereen aan wie overeenkomstig
het eerste lid de verplichting tot deelname aan zo’n onderzoek
is opgelegd. De hoogte van deze kosten wordt bij ministeriële
regeling vastgelegd. In geval van niet, niet geheel of niet op
aangegeven wijze of binnen de aangegeven termijnen betalen van
deze kosten vaardigt het CBR een dwangbevel uit aan de nalatige.
Voor de toepassing van titel 4.4. van de Algemene wet
bestuursrecht wordt het besluit als bedoeld in artikel 131, eerste
lid, aanhef en onderdeel b, aangemerkt als beschikking als bedoeld
in artikel 4.86 van de Algemene wet bestuursrecht.
5. De kosten verbonden aan de
uitvoering van het onderzoek, waarvan de hoogte bij ministeriële
regeling wordt vastgesteld, komen in de bij ministeriële regeling
bedoelde gevallen ten laste van betrokkene.
6. Het onderzoek vangt zo spoedig
mogelijk aan.
7. De bevindingen van het onderzoek
worden door de deskundige of de deskundigen zo spoedig mogelijk,
doch uiterlijk acht weken na aanvang van het onderzoek, dan wel
van het eerste gedeelte daarvan, schriftelijk meegedeeld aan het
CBR.
8. Het CBR kan in bijzondere
gevallen toestaan dat door de deskundige of de deskundigen van de
in het zesde lid bedoelde termijn wordt afgeweken.
Artikel 134
1. Het CBR stelt zo spoedig
mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de
bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het
onderzoek vast. Van deze uitslag doet het CBR mededeling aan
betrokkene. Indien een of meer deskundigen bij hun bevindingen
hebben aangetekend dat inzage daarvan naar hun oordeel kennelijk
ernstig nadeel voor betrokkene zou opleveren, deelt het CBR de
bevindingen schriftelijk mede aan de door betrokkene aangewezen
vertrouwensarts.
2. Het CBR besluit tot
ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het
onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling
worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.
3. Indien het CBR voornemens is het
rijbewijs ongeldig te verklaren, deelt het dit mede aan de houder,
tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om
binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen. De aan dit
tweede onderzoek verbonden kosten, waarvan de hoogte bij
ministeriële regeling wordt vastgesteld, komen ten laste van
betrokkene. De artikelen 132 en 133 alsmede het eerste en het
vierde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing. De
in de eerste volzin bedoelde mededeling wordt niet gedaan, indien
het rijbewijs van de houder inmiddels op grond van artikel 123b
ongeldig is geworden.
4. Indien het CBR besluit dat het
rijbewijs van de houder ongeldig wordt verklaard, wordt daarbij
bepaald op welk deel van de geldigheidsduur alsmede op welke
categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het
rijbewijs is afgegeven de ongeldigverklaring betrekking heeft.
Artikel 132, vierde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
5. Indien de uitslag van het
onderzoek aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het
rijbewijs van betrokkene, plaatst het CBR, indien dat rijbewijs
zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de
geldigheidsduur, een aantekening in het rijbewijzenregister
waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw
rijbewijs op de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
wijze dient aan te tonen dat hij, al naar gelang de aard van het
onderzoek, beschikt over de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid dan wel de rijvaardigheid die is vereist voor het
besturen van motorrijtuigen van de categorie of categorieën
waarop het onderzoek betrekking had.
6. Indien bij een op grond van het
in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit gevorderd onderzoek
naar de geschiktheid is gebleken dat de resterende geldigheidsduur
van het rijbewijs korter is dan de termijn waarvoor de houder
blijkens de uitslag van het onderzoek naar verwachting geschikt
zal zijn voor het besturen van motorrijtuigen, plaatst het CBR een
aantekening in het rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de
houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij algemene
maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te tonen dat
hij beschikt over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid die
is vereist voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie
of categorieën waarop het onderzoek betrekking heeft.
7. Indien het CBR van oordeel is
dat op grond van de uitslag van het onderzoek betrokkene niet als
niet rijvaardig of ongeschikt moet worden beoordeeld, legt het aan
betrokkene in bij ministeriële regeling vastgestelde gevallen
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde
regels de verplichting op deel te nemen aan een educatieve
maatregel gedrag en verkeer dan wel aan het alcoholslotprogramma.
Indien het CBR besluit tot oplegging van de educatieve maatregel
gedrag en verkeer zijn de artikelen 132 en 132a van
overeenkomstige toepassing. In het geval van oplegging van de
verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma zijn de
artikelen 132b tot en met 132o van overeenkomstige toepassing.
8. Bij ministeriële regeling
worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het derde, het
vierde en het zevende lid.
9. Voor de toepassing van dit
artikel wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs,
afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland,
waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Artikel 134a
Voor zover dit noodzakelijk is voor
de toepassing van deze paragraaf verwerkt het CBR persoonsgegevens
betreffende iemands rijvaardigheid en gezondheid.
Afdeling 10. Bromfietscertificaat
Artikel 135 [Vervallen per
01-10-2006]
Artikel 136 [Vervallen per
01-10-2006]
Artikel 137 [Vervallen per
01-10-2006]
Artikel 138 [Vervallen per
01-10-2006]
Artikel 139 [Vervallen per
01-10-2006]
Artikel 140 [Vervallen per
01-10-2006]
Artikel 141 [Vervallen per
01-10-2006]
Artikel 142
1. De Dienst Wegverkeer houdt een
register betreffende de afgifte van bromfietscertificaten.
2. In het kader van het register
verwerkt de Dienst Wegverkeer gegevens omtrent afgegeven
bromfietscertificaten.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels vastgesteld omtrent de inrichting en het
beheer van het register.
Artikel 143
1. Aan autoriteiten die betrokken
zijn bij de uitvoering van deze wet of die zijn belast met de
handhaving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde
voorschriften, worden op de door de Dienst Wegverkeer te bepalen
wijze uit het register desgevraagd de gegevens verstrekt die zij
voor de uitoefening van hun taak behoeven.
2. De autoriteiten, bedoeld in het
eerste lid, zijn gehou
|