| |
|
|
|
|
vorige
WEGENWET
Tekst zoals deze geldt op
17 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Wegenleggerbesluit
WET van 31 juli 1930, houdende
vaststelling van voorschriften omtrent openbare wegen
WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is
voorschriften vast te stellen omtrent openbare wegen, hetgeen ingevolge
artikel 190 der Grondwet bij de wet zal moeten geschieden;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen
Artikel 1
1. Deze wet is uitsluitend van
toepassing op openbare wegen.
2. Onder wegen worden in deze wet mede verstaan:
I. voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen,
kerkwegen en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik;
II. bruggen.
Artikel 2
Onder waterschappen worden in deze wet begrepen veenschappen en
veenpolders.
Artikel 3
Onder rechthebbende wordt in deze wet verstaan de rechthebbende
krachtens burgerlijk recht.
Hoofdstuk II. De openbaarheid
Artikel 4
1. Een weg is openbaar:
I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in
werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren
voor een ieder toegankelijk is geweest;
II. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in
werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren
voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd
is onderhouden door het Rijk, eene provincie, eene gemeente of een
waterschap;
III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren
weg heeft gegeven.
2. Het onder I en II bepaalde lijdt uitzondering wanneer,
loopende den termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak
van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de
weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.
3. Dit kenbaar maken kan geschieden door het stellen van
opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en
soortgelijke, of door andere kenteekenen.
Artikel 5
1. Na de inwerkingtreding dezer wet kan de onder III van het
eerste lid van het voorgaande artikel bedoelde bestemming slechts
worden gegeven met medewerking van den raad der gemeente, waarin de
weg is gelegen.
2. Deze medewerking wordt niet vereischt wanneer die bestemming
gegeven wordt door het Rijk, door eene provincie of door een waterschap.
3. Op een verzoek tot medewerking wordt door den Raad binnen
zestig dagen beslist. Die termijn kan bij een besluit van den Raad
éénmaal voor gelijken tijd worden verlengd; dit besluit wordt
onverwijld ter kennis gebracht van hem, die de medewerking heeft
verzocht.
4. Bij weigering van deze medewerking van een gemeente staat aan
hem, die de medewerking heeft verzocht beroep op Gedeputeerde Staten
open.
5. Van een besluit tot medewerking als bedoeld in dit artikel
wordt, indien dit wordt genomen door de gemeenteraad, mededeling gedaan
aan gedeputeerde staten door toezending van een afschrift ervan.
Artikel 6
Het bestaan van eene beperking in het gebruik, anders dan krachtens
een wettelijk voorschrift tot regeling van het verkeer, mag mede worden
aangenomen op grond van de gesteldheid van den weg en van het gebruik,
dat van den weg pleegt gemaakt te worden.
Artikel 7
Een weg heeft opgehouden openbaar te zijn:
I. wanneer hij gedurende dertig achtereenvolgende jaren niet voor
een ieder toegankelijk is geweest;
II. wanneer hij door het bevoegd gezag aan het openbaar verkeer
is onttrokken.
Artikel 8
1. Een weg, welke door het Rijk wordt onderhouden, kan aan het
openbaar verkeer worden onttrokken bij een door Ons te nemen besluit.
2. Een weg, welke door eene provincie wordt onderhouden of door
een waterschap, en een weg, niet vallende onder de hiervoren genoemde,
waarop een waterschap krachtens zijn inrichting of zijn reglement heeft
toe te zien, kunnen aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een
besluit van de Provinciale Staten.
Artikel 9
1. Een weg, niet behoorende tot de in artikel 8 bedoelde, kan
aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van den
raad der gemeente, waarin de weg is gelegen.
2. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt meegedeeld aan
Gedeputeerde Staten.
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 11
1. Ieder belanghebbende bij een weg, niet
behoorende tot de in artikel 8 bedoelde, heeft het recht aan den raad
der gemeente, waarin de weg is gelegen ten opzichte van dien weg
toepassing van artikel 9 te verzoeken.
2. Op de voorbereiding van de beslissing op het verzoek is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
3. Weigert de raad aan het verzoek te voldoen, dan staat aan den
verzoeker beroep op Gedeputeerde Staten open.
Artikel 11a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 12
Een afschrift van een uitspraak in beroep waarbij een weg aan het
openbaar verkeer wordt onttrokken wordt door Burgemeester en Wethouders
van de gemeente waarin de weg is gelegen gedurende tenminste twee weken
voor een ieder ter gemeentesecretarie ter inzage gelegd, nadat van die
terinzagelegging vooraf op de in die gemeente gebruikelijke wijze
mededeling is gedaan.
Hoofdstuk III. Bepalingen in het bijzonder betreffende burgerlijke
rechten ten aanzien van wegen
Artikel 13
1. De eigendom van wegen wordt, zoolang en voor zoover niet het
tegendeel blijkt, vermoed te zijn bij de provincie, de gemeente of het
waterschap, door welke of door hetwelk de weg wordt onderhouden.
2. Dit vermoeden werkt niet tegen dengene, van wien wel het
onderhoud is overgenomen doch niet de eigendom.
Artikel 14
1. Behoudens de beperkingen in het gebruik, als bedoeld in
artikel 6 en behoudens het bepaalde bij het volgend lid, hebben de
rechthebbende op en de onderhoudplichtige van een weg alle verkeer
over den weg te dulden.
2. De rechthebbende op en de onderhoudplichtige van een tot den
weg behoorenden berm hebben alle verkeer over den berm te dulden, voor
zoover het door omstandigheden wordt gebillijkt.
3. De rechthebbende op en de onderhoudplichtige van een weg of
een tot den weg behoorenden berm of een tot den weg behoorende bermsloot
hebben bovendien te dulden:
I. de uitvoering van alle werken tot onderhoud of verbetering van
den weg;
II. de uitvoering van alle werken vereischt voor aansluiting van
wegen en uitwegen;
III. het aanwezig zijn, plaatsen en onderhouden van voorwerpen,
boven, op en in den weg, of den daartoe behoorenden berm of de daartoe
behoorende bermsloot ten behoeve van het verkeer over den weg, van de
onder I en II omschreven werken en van de uitvoering daarvan.
4. De rechthebbende op en de onderhoudplichtige van een tot den
weg behoorenden berm of een tot den weg behoorende bermsloot hebben ter
zake, in het voorgaande lid omschreven, recht op schadevergoeding doch,
voor zooveel schade wordt geleden door hetgeen strekt tot onderhoud of
verbetering van den weg, alleen dan, wanneer het recht op den berm of de
bermsloot meer is beperkt, of de onderhoudslast daarvan meer is
verzwaard, dan gebruikelijk was ten opzichte van dien berm of die
bermsloot.
5. Het eerste en tweede lid laten onverlet de heffing van de
mobiliteitstarieven, bedoeld in de Wet bereikbaarheid en mobiliteit.
Hoofdstuk IV. Het onderhoud
Artikel 15
1. Het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap is
verplicht een weg te onderhouden, wanneer dat openbare lichaam dien
tot openbaren weg heeft bestemd.
2. Het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap is
verplicht een weg en een in een weg zich bevindenden duiker te
onderhouden, wanneer dat openbare lichaam dien weg of dien duiker
gedurende tien achtereenvolgende jaren heeft onderhouden, ook al was bij
den aanvang van die tien jaren de weg, welke is onderhouden of waarin de
duiker is gelegen, nog niet openbaar.
3. Tot het onderhoud van een weg als in het eerste en het tweede
lid bedoeld, behoort mede het onderhoud van een tot dien weg behoorenden
berm of een tot dien weg behoorende bermsloot, echter slechts voor
zoover het onderhoud van den berm of de bermsloot dient ten behoeve van
de instandhouding en de bruikbaarheid van den weg en voor zoover het
onderhoud niet, uit welken hoofde ook, tot de verplichting van anderen
behoort.
Artikel 16
De gemeente heeft te zorgen, dat de binnen haar gebied liggende
wegen, met uitzondering van de wegen, welke door het Rijk of eene
provincie worden onderhouden, van die bedoeld in artikel 17 en van die,
waarop door een ander tol wordt geheven, verkeeren in goeden staat.
Artikel 17
Het waterschap heeft te zorgen, dat de wegen welke het onderhoudt, en
die waarop het krachtens zijne inrichting of krachtens zijn reglement
heeft toe te zien, verkeeren in goeden staat.
Artikel 18
De gemeente en het waterschap worden geacht aan het in de artikelen
16 en 17 bepaalde te hebben voldaan:
I. in het geval dat een ander dan de gemeente of het waterschap
tot het onderhouden van den weg verplicht is, wanneer diens
verplichting is nagekomen;
II. in de overige gevallen, wanneer:
de weg goed is onderhouden;
aard, breedte en lengte van de verharding gelijk zijn aan aard,
breedte en lengte van de verharding, zooals die zijn aangegeven op den
in artikel 27 bedoelden legger.
Artikel 18a
1. Overdracht eener verplichting tot onderhoud van een weg door
een gemeente of waterschap aan een gemeente of waterschap vereischt de
goedkeuring van Gedeputeerde Staten der provincie, waarin de weg is
gelegen.
2. In het geval dat een gemeente haar verplichting tot onderhoud
van een weg aan een andere gemeente overdraagt, is in afwijking van het
eerste lid geen goedkeuring vereist. De overeenkomst tot overdracht
wordt aan gedeputeerde staten medegedeeld.
Artikel 19
1. De Gedeputeerde Staten kunnen het onderhoud van een weg,
welke door de provincie wordt onderhouden, brengen ten laste van de
gemeente, waarin de weg is gelegen.
2. Bij dit besluit zal de provincie zich verbinden tot eene
afkoopbare jaarlijksche uitkeering aan de gemeente, die met onderhoud
wordt belast, welke uitkeering niet lager mag worden gesteld dan hetgeen
per jaar voor behoorlijk onderhoud werd vereischt.
3. Het bestuur van een waterschap kan onder goedkeuring van
Gedeputeerde Staten het onderhoud van een weg, waarop het krachtens
zijne inrichting of zijn reglement heeft toe te zien, ten laste van het
waterschap brengen, voor zoover de bevoegdheid daartoe uitdrukkelijk bij
het reglement der instelling is toegekend.
4. Bij het besluit van het waterschapsbestuur, als in het derde
lid bedoeld, kunnen zij, die van het onderhoud of het geven van
bijdragen tot het onderhoud worden bevrijd, worden verplicht tot
afkoopbare jaarlijksche uitkeeringen, welke gezamenlijk niet hooger
mogen worden gesteld dan hetgeen per jaar voor behoorlijk onderhoud werd
vereischt.
5. Indien echter voor het gebruik van den weg tol wordt geheven,
wordt wegens het gemis van de opbrengst der tolheffing eene
schadevergoeding toegekend, welke in het besluit van het
waterschapsbestuur, in het derde lid bedoeld, wordt opgenomen.
Artikel 20
1. Burgemeester en wethouders kunnen het onderhoud van een
binnen de gemeente liggenden weg ten laste van de gemeente brengen.
Het besluit van burgemeester en wethouders wordt aan Gedeputeerde
Staten meegedeeld.
2. Deze bepaling is niet van toepassing op wegen, welke door het
Rijk of eene provincie worden onderhouden, en op wegen, welke door een
waterschap worden onderhouden of waarop een waterschap krachtens zijne
inrichting of zijn reglement heeft toe te zien.
3. Bij het besluit van burgemeester en wethouders als in het
eerste lid bedoeld kunnen zij, die van het onderhoud of het geven van
bijdragen tot het onderhoud worden bevrijd worden verplicht tot
afkoopbare jaarlijksche uitkeeringen, welke gezamenlijk niet hooger
mogen worden gesteld, dan hetgeen per jaar voor behoorlijk onderhoud
werd vereischt.
4. Indien echter voor het gebruik van den weg tol wordt geheven,
wordt behoudens het geval dat ingevolge artikel 54 schadevergoeding
wordt gegeven, wegens het gemis van de opbrengst der tolheffing eene
schadevergoeding toegekend, welke in het besluit van burgemeester en
wethouders in het eerste lid bedoeld, wordt opgenomen.
Artikel 20a
Het in artikel 19, tweede, vierde en vijfde lid en het in artikel 20,
derde en vierde lid, bepaalde is alleen van toepassing, indien omtrent
de overneming geen overeenstemming is verkregen.
Artikel 21
1. Het voorstel tot het nemen van een besluit, als bedoeld in
artikel 19, eerste en tweede lid, en het besluit zelf worden
medegedeeld aan burgemeester en wethouders van de gemeente ten laste
van welke het onderhoud wordt gebracht; het voorstel tot het nemen van
een besluit als bedoeld in artikel 19, derde, vierde en vijfde lid, en
artikel 20 en het besluit zelf worden medegedeeld aan hen, die van
onderhoud worden bevrijd en aan degenen, die ingevolge artikel 19,
vierde lid, en artikel 20, derde lid, verplicht worden tot afkoopbare
jaarlijksche uitkeeringen.
2. De mededeeling aan bijzondere personen geschiedt bij
aangeteekenden brief.
3. Wanneer degene, aan wien mededeeling moet geschieden, geen
bekende woonplaats binnen het Rijk in Europa heeft, en mede wanneer de
onderhoudsplicht op grondstukken rust, kan met eene openbare
kennisgeving worden volstaan, met dien verstande echter, dat wanneer
degene, die geen bekende woonplaats binnen het Rijk in Europa heeft, een
hier te lande aan het daarbij betrokken bestuur bekenden gemachtigde,
die een aan dat bestuur bekende woonplaats heeft, heeft aangesteld, de
mededeeling aan dien gemachtigde geschiedt.
4. De openbare kennisgeving, als in het vorig lid bedoeld,
geschiedt door aanplakking in de gemeente, waarin de weg is gelegen, en
verder op de in die gemeente gebruikelijke wijze.
Artikel 22
1. Gedeputeerde Staten maken hun besluit op een verzoek om
goedkeuring van een krachtens artikel 19, derde, vierde en vijfde lid,
genomen besluit onverwijld bekend aan het bestuur van het waterschap
of aan burgemeester en wethouders, alsmede aan hen, die volgens het
besluit van het bestuur van het waterschap of het besluit van
burgemeester en wethouders van onderhoud worden bevrijd, en aan
degenen, die volgens dat besluit van het bestuur van het waterschap of
dat besluit van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 19,
vierde lid, verplicht worden tot jaarlijkse afkoopbare uitkeringen.
2. Het tweede, derde en vierde lid van artikel 21 zijn van
toepassing.
Artikel 23
1. De verplichting om een weg te onderhouden is te niet gegaan,
wanneer gedurende twintig achtereenvolgende jaren daaraan door den
verplichte in geenerlei opzicht is voldaan. De werking van deze
bepaling wordt gestuit door een bevel van de bevoegde macht om aan de
verplichting te voldoen, tenzij dat bevel wordt ingetrokken of
ongegrond verklaard.
2. De verplichting om een weg of een duiker in een weg te
onderhouden is te niet gegaan, wanneer gedurende tien achtereenvolgende
jaren daaraan niet is voldaan en tevens gedurende dien tijd de weg of de
duiker is onderhouden door het Rijk, eene provincie, eene gemeente of
een waterschap.
Artikel 24
1. De verplichting om tot het onderhoud van een weg eene
geldsom bij te dragen is te niet gegaan, wanneer gedurende twintig
achtereenvolgende jaren aan die verplichting in geenerlei opzicht is
voldaan.
2. De werking van deze bepaling wordt gestuit door het instellen
van eene vordering tot voldoening, tenzij de vordering niet wordt
toegewezen, alsmede door eene aanmaning aan den verplichte tot
voldoening, uitgebracht bij deurwaardersexploit.
Artikel 25
1. Het verschuldigde uit hoofde van eene op een grondstuk
rustende verplichting om een weg of een deel daarvan te onderhouden of
om tot het onderhoud daarvan bij te dragen kan alleen worden verhaald
op de gronden, waarop de verplichting rust, en op de rechten van
erfpacht, vruchtgebruik en beklemming waaraan deze onderworpen zijn.
2. Indien een grondstuk als in het eerste lid bedoeld, in
eigendom overgaat of aan een recht van erfpacht, vruchtgebruik of
beklemming wordt onderworpen, blijft het verbonden voor al hetgeen over
de laatste twee onderhoudsjaren en het loopende onderhoudsjaar uit
hoofde van eene verplichting, als in het eerste lid bedoeld, is
verschuldigd.
3. Het verschuldigde, als in het eerste en tweede lid bedoeld, is
bevoorrecht op de gronden, waarop de verplichting rust, en op de rechten
van erfpacht, vruchtgebruik en beklemming waaraan deze zijn onderworpen.
Dit voorrecht gaat boven hypotheek en wordt gerangschikt onmiddellijk na
het voorrecht der besturen van waterschappen, omschreven in artikel 68,
vierde lid, van de Waterschapswet. Het strekt zich uit tot het
verschuldigde over de laatste twee onderhoudsjaren en het loopende
onderhoudsjaar.
Artikel 26
1. De verplichting om een weg te onderhouden of tot het
onderhoud daarvan bij te dragen kan worden overgedragen bij een
schriftelijke overeenkomst, goed te keuren door burgemeester en
wethouders van de gemeente of het bestuur van het waterschap, dat
volgens artikel 16 of artikel 17 heeft te zorgen, dat de weg in goeden
staat verkeert, en gaat over op den dag volgende op dien, waarop de
goedkeuring is verleend, of zooveel later als bij de overeenkomst is
bepaald. De verplichting om tot het onderhoud van een weg bij te
dragen, kan worden afgekocht of kwijtgescholden bij een schriftelijke
overeenkomst, welke gelijke goedkeuring behoeft als hiervoren is
aangegeven; zoodanige overeenkomst wordt van kracht op den dag,
volgende op dien, waarop de goedkeuring is verleend.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, wanneer de verplichting
op grondstukken rust of op den weg tol wordt geheven.
3. Overdracht, afkoop of kwijtschelding als in het eerste lid
bedoeld, door of aan het Rijk, eene provincie, eene gemeente of een
waterschap kan krachtens deze bepaling niet geschieden.
4. De overeenkomst en het besluit, waarbij deze is goedgekeurd,
worden in afschrift medegedeeld aan Gedeputeerde Staten. Is de
goedkeuring verleend door het bestuur van een waterschap, dan worden die
stukken bovendien in afschrift medegedeeld aan burgemeester en
wethouders van de gemeente, waarin de weg is gelegen.
Hoofdstuk V. De leggers der wegen
§ 1. De inhoud van den legger
Artikel 27
1. In iedere gemeente wordt van de buiten de bebouwde kom, of
kommen gelegen wegen alsmede van de toegangswegen naar stations als
bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Spoorwegwet, ook al zijn
deze binnen een bebouwde kom gelegen, een legger opgemaakt.
2. Gedeputeerde Staten stellen vast, welke voor de toepassing van
deze wet de grenzen van de bebouwde kom of kommen der gemeente zijn.
Artikel 28
Van wegen, welke deels binnen deels buiten de bebouwde kom of kommen
der gemeente zijn gelegen, wordt ook het binnen een bebouwde kom gelegen
deel op den legger gebracht, indien en voorzoover dat deel niet door de
gemeente wordt onderhouden.
Artikel 29
1. Naast elkander gelegen wegen kunnen onder één nommer op
den legger worden gebracht.
2. Bruggen worden alleen dan onder een afzonderlijk nommer op den
legger gebracht, wanneer ze geen deel uitmaken van een op den legger
gebrachten weg.
Artikel 30
1. De legger houdt in:
I. het nommer van den weg;
II. den naam, waaronder de weg bekend staat;
III. de eindpunten en de richting van den weg;
IV. de beperkingen in het gebruik van den weg, als bedoeld in
artikel 6, alsmede de afschuttingen, welke zich op den weg bevinden;
V. de verharding met vermelding van haren aard, breedte en lengte;
VI. de zich in den weg bevindende bruggen en duikers, met
vermelding van hunnen aard, hoofdafmetingen en samenstelling;
VII. de onderhoudsplichtigen van den weg en van de zich daarin
bevindende bruggen en duikers;
VIII. den omvang van den onderhoudsplicht;
IX. degenen, die tot het onderhoud hebben bij te dragen, met
vermelding van de hoegrootheid der bijdrage;
X. het gezag, dat volgens de artikelen 16 of 17 heeft te zorgen,
dat de weg in goeden staat verkeert.
2. Van bruggen, welke onder een afzonderlijk nommer op den legger
worden gebracht, worden aard, hoofdafmetingen en samenstelling onder VI
vermeld.
3. Tot den legger behoort eene overzichtskaart op geen kleinere
schaal dan 1 op 25 000, waarop de wegen met hunne nommers zijn
aangewezen.
Artikel 31
De omvang van een op het Rijk of eene provincie rustenden
onderhoudsplicht wordt met afwijking van het onder VIII van artikel 30
bepaalde in den legger niet omschreven.
Artikel 32
Rust de verplichting om een weg te onderhouden of tot het onderhoud
daarvan bij te dragen op grondstukken, dan worden op den legger in
plaats van de onderhoudsplichtigen of de verplichten tot bijdragen de
kadastrale perceelen of gedeelten van die perceelen vermeld, waarop de
verplichting rust.
Artikel 33
De legger wordt overigens ingericht volgens bij algemeenen maatregel
van bestuur vast te stellen model.
§ 2. Het opmaken en vaststellen van den legger
Artikel 34
1. Het ontwerp van den legger wordt door Burgemeester en
Wethouders opgemaakt.
2. Op de voorbereiding van het ontwerp is afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het opgemaakte ontwerp wordt,
vergezeld van de naar voren gebrachte zienswijzen en van het oordeel van
burgemeester en wethouders daaromtrent, toegezonden aan gedeputeerde
staten.
Artikel 35
1. Gedeputeerde Staten stellen den legger vast al dan niet met
afwijking van het door Burgemeester en Wethouders opgemaakte ontwerp.
2. Indien gedeputeerde staten voornemens zijn af te wijken van
het in artikel 34, tweede lid, bedoelde ontwerp, dan is op de
vaststelling van de legger afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing.
Artikel 36 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 37 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 38
De legger wordt opgemaakt in twee exemplaren. Een exemplaar wordt
bewaard in het archief van de provincie en het ander in het archief van
de gemeente.
§ 3. Het wijzigen van den legger
Artikel 39
1. De legger wordt door Gedeputeerde Staten gewijzigd in geval
van:
I. het onttrokken worden van een weg aan het openbaar verkeer
krachtens een besluit als bedoeld in Hoofdstuk II;
II. afkoop en kwijtschelding van de verplichting om bij te dragen
tot onderhoud van den weg;
III. het krachtens eene wet, een besluit, als bedoeld bij de
artikelen 19 of 20 dezer wet of bij artikel 2 der Waterstaatswet 1900,
of een bij een besluit als bedoeld in de artikelen 18a of 26
dezer wet goedgekeurde of toegezonden overeenkomst overgaan van de
verplichting om een weg te onderhouden;
IV. het in gewijsde gaan van een vonnis, als bedoeld in paragraaf 4
van dit hoofdstuk;
V. de overgang van onderhoudsplicht als bedoeld in art. 54, voor
zoover deze nog niet onder de overige bepalingen van dit artikel mocht
zijn begrepen;
VI. de wijziging of overgang van onderhoudsplicht, als gevolg van
het in werking treden van een besluit tot vaststelling of wijziging
van eene provinciale verordening, het reglement van een waterschap,
eene gemeenteverordening of een waterschapsverordening, waarbij
onderhoudsplicht van wegen wordt opgelegd, aan onderhoudsplichtigen
van wegen verplichtingen worden opgelegd of de verplichtingen van
onderhoudsplichtigen van wegen worden vastgesteld;
VII. het inwerking treden van een besluit tot vaststelling of
wijziging van het reglement van een waterschap, waardoor een ander
gezag, dan het in den legger vermelde, wordt aangewezen als het gezag,
dat volgens de artikelen 16 of 17 heeft te zorgen, dat de weg in
goeden staat verkeert.
2. Voor zoover dit niet reeds ingevolge de overige bepalingen
dezer wet moet geschieden, deelen burgemeester en wethouders en
waterschapsbesturen vanwege de gemeente of het waterschap genomen
besluiten en vastgestelde verordeningen, waarvan wijziging of overgang
van onderhoudsplicht als in het eerste lid onder V of VI bedoeld, het
gevolg is, in afschrift aan Gedeputeerde Staten mede.
Artikel 40
1. In andere gevallen, dan de in het vorig artikel bedoelde,
wordt de legger door Gedeputeerde Staten gewijzigd met inachtneming
van het bepaalde in artikel 41.
2. Tot afvoering van een weg van den legger en tot wijziging van
hetgeen de legger ter voldoening aan het onder III, IV, V, VII, VIII, IX
of X van artikel 30 bepaalde reeds inhoudt, wordt door hen slechts
overgegaan op grond dat een weg heeft opgehouden openbaar te zijn
krachtens het bepaalde onder I van artikel 7, dat de verplichting om een
weg of duiker te onderhouden krachtens het bepaalde in artikel 23, of
die om tot het onderhoud van een weg bij te dragen krachtens het
bepaalde in artikel 24 is te niet gegaan of in het algemeen, op grond
van een feit, dat na de vaststelling van hetgeen gewijzigd wordt, heeft
plaats gehad, of eindelijk naar aanleiding van een gewijsde, als bedoeld
in paragraaf 4 van dit hoofdstuk, dat eene verdere wijziging van den
legger noodig maakt.
Artikel 41
1. Betreft de in het vorig artikel bedoelde, door Gedeputeerde
Staten voorgenomen, wijziging van den legger uitsluitend hetgeen de
legger ter voldoening aan het onder I, II of VI van artikel 30
bepaalde inhoudt, dan wordt enkel het advies van Burgemeester en
Wethouders der gemeente of het bestuur van het waterschap, bedoeld in
de artikelen 16 en 17 ingewonnen.
2. In alle overige gevallen, in het vorig artikel bedoeld, vinden
ten aanzien van de behandeling van de wijziging van den legger de
artikelen 34 en 35 overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat
voor wijziging van den legger het ontwerp in artikel 34 bedoeld ook door
Gedeputeerde Staten kan worden opgemaakt en daarvoor ook in de plaats
kan treden een verzoek van belanghebbenden aan Gedeputeerde Staten tot
wijziging van den legger om redenen als in artikel 40, tweede lid,
bedoeld, waarbij duidelijk de reden, de aard en de strekking van de
beoogde wijziging wordt omschreven.
Artikel 42
De wijzigingen welke de legger heeft ondergaan, worden door
Gedeputeerde Staten in beide exemplaren van dien legger aangeteekend.
Aan ieder dier exemplaren wordt een afschrift of uittreksel van de wet,
het besluit, de overeenkomst of het vonnis gehecht.
§ 4. Het beroep op den rechter
Artikel 43
Wijziging van den legger kan worden gevorderd op grond:
I. dat de legger ten onrechte aangeeft:
a. dat een weg of een deel daarvan is openbaar;
b. dat het gebruik van den weg, als bedoeld in artikel 6, niet
is beperkt of op andere wijze is beperkt dan in werkelijkheid het
geval is;
c. dat iemand verplicht is een weg of duiker te onderhouden of
tot het onderhoud daarvan bij te dragen;
II. dat de omvang van den onderhoudsplicht, zooals die op den
legger is aangegeven, anders, of de geldsom, die volgens den legger
tot het onderhoud moet worden bijgedragen, grooter is dan in
werkelijkheid het geval is.
Artikel 44
1. De rechtsvordering, bedoeld in artikel 43, staat ter
kennisneming van de rechtbank, binnen wier gebied de gemeente is
gelegen, waarvoor de legger geldt.
2. De wettelijke voorschriften omtrent twistgedingen over
burgerlijke rechten zijn, voor zoover daarvan niet bij deze wet is
afgeweken, van toepassing.
3. In kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken, welke
wijzigingen van den legger tengevolge kunnen hebben, worden door den
Griffier van het betrokken rechtscollege in afschrift aan Gedeputeerde
Staten medegedeeld.
Artikel 45
1. Wijziging op de in artikel 43 onder I, a en b
vermelde gronden kan alleen worden gevorderd door den eigenaar,
erfpachter, vruchtgebruiker en beklemden meier van den weg of van den
tot den weg behoorenden berm en door hem, die bij den legger is
aangewezen als onderhoudsplichtige of als belast met het bijdragen van
eene geldsom tot het onderhoud van den weg.
2. Wijziging op de in artikel 43 onder I, c en II vermelde
gronden kan alleen worden gevorderd door hem, die bij den legger is
aangewezen als onderhoudsplichtige of als belast met het bijdragen van
eene geldsom tot het onderhoud.
Artikel 46
1. De rechtsvordering, bedoeld in artikel 43, wordt ingesteld
tegen de provincie.
2. Onze Commissaris is verplicht onmiddellijk een afschrift van
de dagvaarding te doen toekomen aan burgemeester en wethouders van de
gemeente, binnen wier gebied de weg is gelegen, en aan het bestuur van
het waterschap dat heeft te zorgen, dat de weg in goeden staat verkeert.
3. De gemeente en het waterschap kunnen zonder vormelijke
toelating in het geding als gevoegde of tusschenkomende partij optreden.
Artikel 47
De rechtsvordering tot wijziging in de gevallen in artikel 43 vermeld
vervalt, voor zooveel zij niet steunt op feiten, die na de vaststelling
van de betrokken bepalingen van den legger hebben plaats gevonden,
indien zij niet is ingesteld binnen één jaar, nadat de bepaling van
den legger, tegen welke men opkomt, bij eindbeslissing is vastgesteld of
gehandhaafd.
Artikel 48
De gemeente, waarin de weg is gelegen, vergoedt aan de provincie de
kosten van het geding, waarin deze mocht zijn veroordeeld, indien en
voor zoover de vermelding op den legger, die ingevolge het vonnis op de
in artikel 43 genoemde gronden is gewijzigd, door Gedeputeerde Staten
overeenkomstig het door Burgemeester en Wethouders opgemaakte ontwerp
van den legger of ontwerp tot wijziging van den legger - voor zoover
door Burgemeester en Wethouders volgens artikel 34 of artikel 41 advies
is uitgebracht, met inachtneming van dat advies - was vastgesteld.
§ 5. De kracht van den legger
Artikel 49
Een weg, welke op den legger voorkomt, wordt aangemerkt als te zijn
openbaar onder geen andere dan de uit den legger blijkende beperkingen
in het gebruik, tenzij bewezen mocht worden dat na de vaststelling van
den legger of na de wijziging, waarbij de weg op den legger is gebracht,
de weg heeft opgehouden openbaar te zijn.
Artikel 50
Hij, die door den legger wordt aangewezen als onderhoudsplichtige van
een weg of van een duiker of als verplichte om tot het onderhoud eene
geldsom bij te dragen, is onderhoudsplichtig of verplicht om tot het
onderhoud bij te dragen in voege als bij den legger is bepaald, voor
zoover hij niet bewijst, dat na de vaststelling van den legger of na de
wijziging, waarbij de aanwijzing als onderhoudsplichtige of als
verplichte om tot onderhoud bij te dragen heeft plaats gehad, de
verplichting om te onderhouden of om tot het onderhoud bij te dragen is
te niet gegaan of gewijzigd.
Hoofdstuk VI. Onteigening van wegen, bruggen, bermen, bermslooten en
onteigening voor aanleg en verbetering van wegen en bruggen
Artikel 51
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk VII. Tolheffing
Artikel 52
1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn op tolheffingen op eene
brug slechts van toepassing, voor zoover die heffingen geschieden voor
het verkeer over de brug.
2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op
tolheffingen krachtens een in een tolrecht of een brugrecht omgezet
veerrecht.
Artikel 53
[Vervallen.]
Artikel 54
1. De bij concessie of octrooi of anderszins verleende rechten
tot tolheffing kunnen bij een besluit van Ons of bij een besluit van
de Staten der provincie of van den raad der gemeente, waarbinnen de
weg, waarop de tol wordt geheven, is gelegen, worden vervallen
verklaard.
2. Een zoodanig besluit is niet van kracht, dan nadat
overeenkomstig de bestaande wettelijke bepalingen te dezen, het
onderhoud van den weg waarop de tol wordt geheven, onderscheidenlijk ten
laste van het Rijk, de provincie of de gemeente is gebracht.
3. Degene, wiens recht tot tolheffing wordt vervallen verklaard,
heeft recht op schadevergoeding van het Rijk, de provincie of de
gemeente, al naar gelang het vervallen verklaren geschiedt bij een
besluit van Ons, van de Staten der provincie of van de raad der
gemeente. Het bedrag der schadevergoeding wordt, tenzij bij minnelijke
schikking daaromtrent is overeengekomen, door den bevoegden rechter
bepaald.
4. De bepalingen van de voorgaande leden van dit artikel doen
niet te kort aan de bestaande bepalingen krachtens welke rechten tot
tolheffing, als in het eerste lid bedoeld, eindigen of kunnen worden
beëindigd, terwijl het bepaalde in het derde lid alsdan niet van
toepassing is.
Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 55
1. Binnen 25 jaar en 3 maanden, te rekenen van af de dag van
inwerkingtreding van deze wet, moeten de in artikel 27 bedoelde
leggers zijn vastgesteld.
2. Voor zoover voor het einde van dien termijn de leggers nog
niet zijn vastgesteld blijven de bij de inwerkingtreding dezer wet uit
anderen hoofde vastgestelde leggers en de daarop betrekking hebbende
bepalingen, alsmede de verdere bepalingen betreffende openbaarheid en
onderhoudsplicht van wegen, van kracht, met dien verstande echter, dat
hierdoor niet wordt belet dat de artikelen 6 tot en met 11, 11a,12
tot en met 17, 18a en 19 tot en met 26 van deze wet aanstonds bij
de inwerkingtreding van kracht zijn.
Artikel 56
Artikel 25 dezer wet geldt niet ten aanzien van hetgeen op het
oogenblik van het in werking treden dezer wet reeds verschuldigd is uit
hoofde van eene op een grondstuk rustende verplichting om een weg of een
deel daarvan te onderhouden of om tot het onderhoud daarvan bij te
dragen.
Artikel 57
Bij provinciale en gemeentelijke verordeningen, alsmede bij
verordeningen van waterschappen, kunnen met inachtneming van de overige
te dien opzichte bestaande wettelijke bepalingen regelen worden gesteld
omtrent punten, waarin bij deze wet niet is voorzien.
Artikel 58
Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.
Artikel 59
Deze wet kan worden aangehaald onder den titel "Wegenwet".
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Soestdijk, den 31sten Juli 1930
WILHELMINA
De Minister van Waterstaat,
P.J. Reymer
Uitgegeven den een en twintigsten Augustus 1930
De Minister van Justitie,
J. Donner
|
|
|