WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
wettelijke regels te stellen inzake de gezamenlijke inspanning van de
overheden, om in samenwerking met het particulier initiatief en andere
betrokkenen activiteiten op het terrein van het welzijnsbeleid te
realiseren, te ontwikkelen en te verbeteren en voorts dat het wenselijk
is het welzijnsbeleid van het Rijk eenmaal per vier jaar in een nota
vast te leggen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. welzijnsbeleid: de gezamenlijke inspanning van de overheden op
maatschappelijk en sociaal-cultureel terrein, die tot doel heeft, in
samenwerking met het particulier initiatief en andere betrokkenen:
1°. de ontplooiingsmogelijkheden van mensen te vergroten en
hun zelfredzaamheid alsmede hun deelname aan de samenleving te
stimuleren mede om te voorkomen dat mensen in een
achterstandspositie geraken;
2°. de personen die in een achterstandspositie zijn geraakt
mogelijkheden te bieden hun positie te verbeteren;
3°. het welbevinden van personen in de samenleving op andere
wijze te bevorderen;
c. uitvoerend werk: het geheel van maatschappelijke en
sociaal-culturele activiteiten, rechtstreeks gericht op personen of
groepen van personen in de samenleving;
d. steunfunctiewerk: het geheel van de activiteiten die het
uitvoerend werk ondersteunen;
e. landelijke functie:
1°. het volgen, signaleren en analyseren van ontwikkelingen in
de samenleving;
2°. het stimuleren van nieuw beleid, nieuwe voorzieningen en
activiteiten;
3°. het zorgdragen voor innovatieve projecten met een
landelijke betekenis;
4°. het zorgdragen voor internationale uitwisselingen van
informatie;
5°. het zorgdragen voor een landelijke infrastructuur
waaronder landelijke organisaties.
Artikel 2
Deze wet is van toepassing op de volgende terreinen van het
welzijnsbeleid:
a. welzijn jeugd, behoudens voor zover de Wet op de jeugdzorg van
toepassing is;
b. kinderopvang;
c. maatschappelijke dienstverlening;
d. maatschappelijke opvang, waaronder sociale pensions en
vrouwenopvang;
e. verslavingsbeleid, behoudens voor zover de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten van toepassing is;
f. sociaal-cultureel werk;
g. emancipatie;
h. sport;
i. welzijn ouderen, behoudens voor zover de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten van toepassing is;
j. welzijn gehandicapten;
k. welzijn etnische minderheden en groepen personen die in een
met etnische minderheden vergelijkbare positie verkeren, behoudens
voor zover de Wet inburgering nieuwkomers van toepassing is.
l. dienstverlening ten behoeve van door de Tweede Wereldoorlog
getroffenen;
m. activiteiten in het kader van de viering van de bevrijding, de
voorlichting over en herdenking van de gebeurtenissen gedurende de
Tweede Wereldoorlog.
Artikel 3
1. Onze Minister, de provinciale besturen en de
gemeentebesturen bevorderen een goede samenwerking tussen de betrokken
overheidsniveaus, het particulier initiatief op het terrein van het
welzijnsbeleid en andere betrokkenen in alle gevallen waarin een goede
samenwerking nodig is om de doelstellingen van het welzijnsbeleid op
een doelmatige en doeltreffende wijze te realiseren.
2. Onze Minister, de provinciale besturen en de gemeentebesturen
houden bij het voeren van welzijnsbeleid zoveel mogelijk rekening met de
pluriformiteit van de samenleving en bevorderen daarbij, met
inachtneming van waarborgen voor deugdelijkheid, doelmatigheid en
democratisch functioneren, eigen initiatief en verantwoordelijkheid van
de burgers.
3. Onze Minister, de provinciale besturen en de gemeentebesturen
bevorderen dat het door hen gesubsidieerde particulier initiatief op het
terrein van het welzijnsbeleid rekening houdt met de pluriformiteit van
de samenleving.
Hoofdstuk II. Verantwoordelijkheidstoedeling
Artikel 4
1. Tot de verantwoordelijkheid van de gemeenten behoort het
beleid inzake het uitvoerend werk, met uitzondering van de
kinderopvang, waarop de Wet kinderopvang van toepassing is.
2. Tot de verantwoordelijkheid van de provincies behoort het
beleid inzake het steunfunctiewerk.
3. Tot de verantwoordelijkheid van het Rijk behoort het beleid
inzake de landelijke functie, met uitzondering van de kinderopvang,
waarop de Wet kinderopvang van toepassing is.
4. Een gemeente of provincie kan beleid voeren ter zake van
onderdelen van steunfunctiewerk, onderscheidenlijk uitvoerend werk, die
niet op grond van het eerste of tweede lid dan wel artikel 5 tot haar
verantwoordelijkheid behoren, mits dit geschiedt in overeenstemming met
de betrokken provincie, onderscheidenlijk de betrokken gemeenten.
Artikel 5
1. Indien om redenen van doelmatigheid en doeltreffendheid een
onderdeel van het beleid inzake uitvoerend werk tot de
verantwoordelijkheid van de provincies of het Rijk dan wel een
onderdeel van het beleid inzake steunfunctiewerk tot de
verantwoordelijkheid van het Rijk behoort te worden gerekend, kan de
verantwoordelijkheid voor het desbetreffende beleidsonderdeel in
afwijking van artikel 4 bij algemene maatregel van bestuur worden
toegedeeld aan de provincies onderscheidenlijk het Rijk.
2. Alvorens de voordracht voor een maatregel als bedoeld in het
eerste lid wordt gedaan, voert Onze Minister overleg met
vertegenwoordigende organisaties van de gemeenten, onderscheidenlijk de
provincies.
Artikel 6
1. De gemeenten Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage en Utrecht
worden voor de toepassing van artikel 4, tweede lid, en het bepaalde
krachtens artikel 5, eerste lid, gelijkgesteld met een provincie.
2. De in het eerste lid genoemde gemeenten worden ten aanzien van
het beleid inzake steunfunctiewerk voor minderheden niet gelijk gesteld
met een provincie.
Hoofdstuk III. Kwaliteit van uitvoerend werk of steunfunctiewerk
Artikel 7
1. Degene die subsidie ontvangt in de kosten van uitvoerend
werk of steunfunctiewerk op het terrein van het welzijnsbeleid draagt
er zorg voor dat dit werk van verantwoorde kwaliteit is. Onder
uitvoerend werk of steunfunctiewerk van verantwoorde kwaliteit wordt
verstaan werk dat in ieder geval doeltreffend, doelmatig en
cliėntgericht wordt verricht.
2. Ter voldoening aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid,
wordt in ieder geval het in het eerste lid bedoelde werk op zodanige
wijze georganiseerd, zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van
personeel en materieel voorzien, en zorggedragen voor een zodanige
verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs
moet leiden tot uitvoerend werk en steunfunctiewerk van verantwoorde
kwaliteit.
3. Het uitvoeren van het tweede lid omvat mede de systematische
bewaking van de kwaliteit van het desbetreffende werk, alsmede
maatregelen en onderzoek naar beheersing en verbetering daarvan.
4. Aan een subsidie als bedoeld in het eerste lid kunnen door de
subsidieverlener verplichtingen met betrekking tot de kwaliteit worden
verbonden, tenzij de subsidie-ontvanger deelneemt aan een door middel
van zelfregulering tot stand gekomen landelijk kwaliteitssysteem.
Omtrent een landelijk kwaliteitssysteem als bedoeld in de eerste volzin
dient overeenstemming te bestaan met vertegenwoordigende organisaties
van de subsidiėrende overheid dan wel met Onze Minister, indien de
subsidie door hem wordt verstrekt.
Hoofdstuk IV. Welzijnsnota
Artikel 8
1. Onze Minister legt eenmaal per vier jaar aan beide Kamers
der Staten-Generaal een welzijnsnota over.
2. De welzijnsnota bevat in ieder geval een verslag van
activiteiten op het terrein van het welzijnsbeleid alsmede van de
belangrijkste ontwikkelingen daarin. Het verslag gaat vergezeld van een
globaal overzicht van de ten behoeve van het welzijnsbeleid bestede en
aangewezen rijksbegrotingsmiddelen gedurende de verslagperiode.
3. De welzijnsnota bevat tevens een beschrijving van de
hoofdlijnen van het welzijnsbeleid van het Rijk in de daarop volgende
periode van vier jaren alsmede van de te verwachten belangrijke
ontwikkelingen die van invloed zijn op het maatschappelijke en
sociaal-culturele leven in Nederland.
4. Bij tussentijdse wijziging van de hoofdlijnen van het
welzijnsbeleid van het Rijk doet Onze Minister daarvan mededeling aan
beide Kamers der Staten-Generaal.
Hoofdstuk V. Rijkssubsidies
Artikel 9
Onze Minister kan subsidies waaronder specifieke uitkeringen
verstrekken ten behoeve van activiteiten op beleidsterreinen die op
grond van de artikelen 4, derde lid, en 5 tot de verantwoordelijkheid
van het Rijk behoren.
Artikel 9a
Onze Minister verstrekt slechts subsidie op grond van een algemene
maatregel van bestuur of een ministeriėle regeling als bedoeld in
artikel 10 tenzij het een subsidie betreft:
a. als bedoeld in artikel 4: 23 , derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht of
b. waarvan de voorgenomen strekking tevoren schriftelijk is
meegedeeld aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 10
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij
regeling van Onze Minister kunnen de activiteiten waarvoor subsidie
kan worden verstrekt nader worden bepaald alsmede andere criteria voor
die verstrekking worden vastgesteld.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval
betrekking op:
a. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag
wordt bepaald;
b. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;
c. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;
d. de vaststelling van de subsidie;
e. de intrekking of wijziging van de beschikking tot verlening en
vaststelling van een specifieke uitkering;
f. de betaling en terugvordering van de subsidie alsmede het
verlenen van voorschotten op de subsidie.
g. delegatie van de bevoegdheid besluiten te nemen met betrekking
tot de subsidie.
3. Uiterlijk een maand voordat de voordracht voor een maatregel
als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan, laat Onze Minister het
ontwerp daarvan plaatsen in de Staatscourant.
4. Onze Minister kan aan een subsidie als bedoeld in artikel 9
verplichtingen verbinden met inachtneming van het bij of krachtens de
maatregel, bedoeld in het eerste lid, bepaalde.
5. Bij algemene maatregel van bestuur of de ministeriėle
regeling, bedoeld in het eerste lid, kan worden voorzien in de
vaststelling van subsidieplafonds voor het verstrekken van subsidies
bedoeld in artikel 9, anders dan specifieke uitkeringen, en in de
regeling van de wijze van verdeling daarvan.
6. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen mede strekken tot
de bevordering van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
overheidsdoelstellingen van algemene aard.
Artikel 10a
1. Onze Minister kan aan bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen gemeenten een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve
van beleid op het terrein van maatschappelijke opvang, vrouwenopvang
daaronder niet begrepen, en op het terrein van verslavingsbeleid.
2. Onze Minister kan aan bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen gemeenten een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve
van beleid op het terrein van vrouwenopvang.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ten aanzien van:
a. het bedrag van de uitkering dan wel de wijze waarop dit bedrag
wordt bepaald;
b. de aanvraag van een uitkering en de besluitvorming daarover;
c. de vaststelling van de uitkering;
d. de intrekking of wijziging van de beschikking tot verlening en
vaststelling van de uitkering;
e. de betaling, de terugvordering van de uitkering alsmede het
verlenen van voorschotten op de uitkering.
In de maatregel kan het stellen van nadere regels aan Onze Minister
worden opgedragen.
4. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente
waaraan een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt
verstrekt en die daartoe financiėle middelen verstrekt aan
instellingen, draagt er zorg voor dat die instellingen overeenkomstig
door Onze Minister bij ministeriėle regeling te stellen regels hun
werkzaamheden registreren en de geregistreerde gegevens verstrekken aan
een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling.
5. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente
waaraan een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt
verstrekt, werkt mee aan door Onze Minister ingestelde onderzoeken,
gericht op het verkrijgen van inzicht in het beleid van gemeentebesturen
inzake maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid
overeenkomstig bij ministeriėle regeling te stellen regels.
6. De voordracht voor een krachtens het eerste, tweede en derde
lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan
nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd
en sedert die overlegging vier weken zijn verstreken.
Hoofdstuk VI. Bijzondere bepalingen
Artikel 11
Burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten die subsidie
verstrekken voor activiteiten op de in artikel 2 genoemde terreinen
dragen er zorg voor dat de subsidie-ontvanger desgevraagd meewerkt aan
door of namens Onze Minister ingestelde onderzoeken die er op zijn
gericht Onze Minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de
uitvoering van de landelijke functie.
Artikel 11a
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet voorzover betrekking hebbend op de tot de bemoeiing
van het Rijk behorende voorzieningen, zijn belast de bij besluit van
Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet voorzover betrekking hebbend op de tot de bemoeiing
van de provincies of van de gemeenten behorende voorzieningen, zijn
belast de bij besluit van gedeputeerde staten respectievelijk bij
besluit van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.
3. De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden,
genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 12
1. Burgemeester en wethouders van een gemeente die op grond van
artikel 10a een uitkering ontvangt, overleggen over de besteding van
die uitkering met de burgemeester en wethouders van de omringende
gemeenten.
2. De door burgemeester en wethouders bekostigde voorzieningen op
het terrein van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid zijn
toegankelijk voor iedereen die in Nederland woont.
Hoofdstuk VII. Wijziging van enkele wetten
Artikel 13
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 14
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 15
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 16
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 17
Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit subsidiėring
en stimulering voorzieningen van maatschappelijk en sociaal-cultureel
welzijn op artikel 10, eerste lid, van deze wet.
Artikel 18
Burgemeester en wethouders verstrekken aan de verhuurder van woningen
aan wie voor 1986 door Onze Minister een subsidie is toegekend op grond
van artikel 2 van het Interimbesluit woontussenvoorzieningen, subsidie
in de kosten van voorzieningen die gericht zijn op het handhaven en
bevorderen van de mogelijkheden voor ouderen om zo lang mogelijk
zelfstandig te blijven wonen, voor zover het bewoners betreft ten
behoeve van wie in 1986 door Onze Minister subsidie is verstrekt. Het
subsidie is zodanig dat de verhuurder ten behoeve van deze bewoners de
bedoelde voorzieningen op gelijke voet als in 1986 kan blijven
aanbieden.
In afwijking van artikel
7, vierde lid, worden bij gemeentelijke verordening regels gesteld met
betrekking tot de kwaliteit van bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen vormen van kinderopvang, anders dan de kinderopvang, waarop
de Wet kinderopvang van toepassing is, alsmede het toezicht op de
naleving daarvan. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald
welke kwaliteitsvoorschriften in ieder geval in de gemeentelijke
verordening worden opgenomen.
2. De in het eerste lid bedoelde verordening is van toepassing op
zowel de gesubsidieerde kinderopvang als de niet-gesubsidieerde
kinderopvang.
3. Uiterlijk acht weken voordat de voordracht voor een maatregel
als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan, laat Onze Minister het
ontwerp daarvan plaatsen in de Staatscourant.
Artikel 21
[Bevat wijzigingen in deze regelgeving.]
Artikel 22
1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1994.
Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt
uitgegeven na 31 december 1993, treedt zij in werking met ingang van
de dag na de datum van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 1994.
2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel 12 in werking
op het tijdstip waarop de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing
vervalt.
3. Artikel 20 treedt in afwijking van het eerste lid in werking
op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 23
Deze wet kan worden aangehaald als: Welzijnswet met vermelding van
het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 2 juni 1994
BEATRIX
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H. dAncona
Uitgegeven de achtentwintigste juni 1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto