Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 24 februari 2005, houdende
wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet inkomstenbelasting
2001, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Wet arbeid en zorg en
van enige andere wetten (Wet aanpassing fiscale behandeling
VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
maatregelen te treffen om de arbeidsparticipatie van ouderen te
bevorderen door middel van aanpassing van de fiscale behandeling van
VUT- en prepensioenregelingen in samenhang met het bevorderen van de
combinatie van arbeid en andere activiteiten door middel van een
levensloopregeling;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964]
Artikel II
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964]
Artikel III
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001]
Artikel IV
[Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969]
Artikel V [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel VI
[Wijzigt de Wet arbeid en zorg]
Artikel VII
[Wijzigt de Wet verplichte deelneming in een
bedrijfstakpensioenfonds]
Artikel VIII
[Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet]
Artikel IX
[Wijzigt de Wet werk en bijstand]
Artikel X
[Wijzigt de Wijzigingswet Wet inkomstenbelasting 2001, enz.
(Belastingplan 2003 Deel I)]
Artikel XI
[Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling]
Artikel XII
[Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet]
Artikel XIII
A. [Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964]
B. [Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964]
C. Voor zover een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 3.53,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een
voorziening samenhangt met een regeling voor vervroegde uittreding
waarop artikel 38c van de Wet op de loonbelasting 1964 van toepassing
is, blijft artikel 8, zevende lid, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 buiten toepassing.
D. In afwijking in zoverre van artikel 19g, eerste lid, van de
Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel op 1 januari 2006 luidt,
kunnen voor werknemers die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar
maar niet de leeftijd van 56 jaar hebben bereikt, in het kalenderjaar
meer aanspraken ontstaan dan overeenkomt met 12 procent van het loon van
het jaar, voor zover de totale aanspraken aan het einde van het
kalenderjaar door de in het kalenderjaar opgebouwde aanspraken een
periode van extra verlof van 2,1 jaar niet te boven gaan.
E. In afwijking in zoverre van artikel 19g, eerste lid, van de
Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel op 1
januari
2006 luidt, kunnen voor werknemers die in een kalenderjaar
pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 19b, vijfde lid, afkopen, in
dat kalenderjaar meer aanspraken ontstaan dan overeenkomt met 12 procent
van het loon van het jaar, voor zover zulks het gevolg is van de
aanwending van de afkoop van de pensioenaanspraken voor het opbouwen van
een voorziening ingevolge een levensloopregeling met dien verstande dat
de totale aanspraken aan het einde van het kalenderjaar door de in het
kalenderjaar opgebouwde aanspraken een periode van extra verlof van 2,1
jaar niet te boven gaan.
Artikel XIV
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën binnen vier jaar na de
inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de
levensloopregeling, bedoeld in artikel 19g van de Wet op de
loonbelasting 1964, en de ouderschapsverlofkorting, bedoeld in artikel
8.14b van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel XV
Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanpassing fiscale behandeling
VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling.
Artikel XVI
1. Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke
referendumwet treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari
2005.
2. Artikel 10, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964,
zoals dat komt te luiden ingevolge artikel I, onderdeel A, werkt terug
tot en met 16 september 2004 voor uitkeringen die worden genoten als
gevolg van afkoop, vervreemding of het formeel of feitelijk onderwerp
van zekerheid worden van de aanspraak, anders dan ten behoeve van
uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de
Invorderingswet 1990.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 24 februari 2005
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
J.G. Wijn
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de tiende maart 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|