Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 25 november 1965, houdende
maatregelen ten aanzien van pensioenen, toegekend krachtens de Wet van
25 mei 1962, Stb. 1962, 196
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
maatregelen te treffen ten aanzien van pensioenen toegekend krachtens de
Wet van 25 mei 1962, Stb. 1962, 196, in verband met de interimregeling
voor uit hoofde van invaliditeit gepensioneerde ambtenaren en in verband
met de maatregelen tot aanpassing van de overheidspensioenen aan de
algemene wijzigingen van het bezoldigingspeil, alsmede nieuwe regelen
vast te stellen ten aanzien van de invloed op een pensioen krachtens de
Wet van 25 mei 1962, Stb. 1962, 196, van een pensioen krachtens de
Algemene Ouderdomswet of een pensioen dan wel uitkering krachtens de
Algemene Weduwen- en Wezenwet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Eerste Afdeling. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. pensioen: een pensioen, toegekend of geacht mede te zijn
toegekend krachtens de wet van 25 mei 1962, Stb. 196,
houdende instelling van een Bijstandkorps van burgerlijke
rijksambtenaren, dat bestemd is voor dienst in
Nederlands-Nieuw-Guinea;
b. pensioenreglement: het pensioenreglement, bedoeld in artikel
15 van de onder a genoemde wet;
c. eigen pensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 8 van het
pensioenreglement;
d. weduwenpensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 10 van
het pensioenreglement;
e. wezenpensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 11 van het
pensioenreglement.
Tweede Afdeling. Toekenning van invaliditeitstoeslagen
Artikel 2 [Vervallen per 25-04-1997]
Artikel 3 [Vervallen per 25-04-1997]
Artikel 4 [Vervallen per 25-04-1997]
Artikel 5 [Vervallen per 25-04-1997]
Derde Afdeling. Vervallen
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 6a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2002]
Vierde Afdeling. Samenloop van pensioen met een bodempensioen
Eerste hoofdstuk
Artikel 9
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. pensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 1, onder a
, met inbegrip van de daarop verleende toeslagen;
b. ander pensioen: een pensioen, als bedoeld in artikel 16,
tweede lid jo. vierde lid, van het pensioenreglement.
c. algemeen ouderdomspensioen: een bruto ouderdomspensioen als
bedoeld in de Algemene Ouderdomswet met inbegrip van de daarbij
behorende vakantie-uitkering voorzover deze niet behoren tot de
overlijdensuitkering krachtens die wet;
d. algemeen weduwenpensioen en algemeen wezenpensioen: een
weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering onderscheidenlijk
een wezenpensioen, als bedoeld in de Algemene Weduwen- en Wezenwet
zoals die wet laatstelijk luidde.
e. «algemene nabestaandenuitkering», «algemene
halfwezenuitkering» en «algemene wezenuitkering»: uitkering op
grond van de Algemene nabestaandenwet.
Artikel 9a
Voor de toepassing van deze wet wordt onder het algemeen
ouderdomspensioen van een rechthebbende die de 65-jarige leeftijd reeds
heeft bereikt mede begrepen het algemeen ouderdomspensioen waarop zijn
echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft.
Artikel 10
Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling geldt het
volgende.
a. Een pensioen wordt geacht te zijn berekend naar 8/5 maal de
pensioendiensttijd, die voor de berekening van het pensioen in
aanmerking is genomen, tot een maximum van veertig jaren.
b. Indien in een pensioen een invaliditeitstoeslag, als bedoeld
in de Tweede Afdeling is begrepen, wordt het pensioen geacht te zijn
berekend naar 8/5 maal een met de som van pensioen en
invaliditeitstoeslag overeenkomende pensioendiensttijd, tot een
maximum van veertig jaren. De voorgaande volzin vindt
overeenkomstige toepassing ten aanzien van weduwen- en
wezenpensioenen, waarop krachtens artikel 6, tweede lid, of artikel
6, vierde lid, een toeslag is verleend.
c. Een vol algemeen ouderdomspensioen wordt geacht betrekking te
hebben op het tijdvak, liggende tussen de tijdstippen, waarop de
rechthebbende op een eigen pensioen, dan wel degene aan wiens
overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de leeftijd van 15
jaren heeft bereikt en die van 65 jaren heeft of zou hebben bereikt.
Buiten beschouwing wordt gelaten dat deel van vorenbedoeld tijdvak
waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben
het bedrag van het algemeen ouderdomspensioen waarop aanspraak is
verkregen door vrijwillige premiebetaling op grond van de Algemene
Ouderdomswet.
d. De uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet wordt
geacht betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de
tijdstippen waarop degene, aan wiens overlijden het recht op
pensioen wordt ontleend, de leeftijd van 15 jaren heeft bereikt en
die van 65 jaren heeft of zou hebben bereikt. Buiten beschouwing
wordt gelaten dat deel van vorenbedoeld tijdvak waarover vrijwillige
premiebetaling krachtens artikel 63 van de Algemene nabestaandenwet
heeft plaatsgevonden.
e. Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de
diensttijd gelegen tussen de tijdstippen waarop de rechthebbende op
een eigen pensioen, dan wel degene aan wiens overlijden het recht op
pensioen wordt ontleend, de leeftijd van 15 jaren heeft bereikt en
die van 65 jaren heeft of zou hebben bereikt.
f. Diensttijd, waarnaar een pensioen geacht wordt te zijn
berekend en die niet daadwerkelijk in dienstverhouding is
doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van de
dienstverhouding waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor
zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip
waarop de leeftijd van 65 jaar is of zou worden bereikt wordt die
diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te zijn
doorgebracht, voor zoveel mogelijk gedurende tijdvakken van
onderbreking van de daadwerkelijk in dienstverhouding doorgebrachte
tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de
diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.
g. De vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet
en de Algemene nabestaandenwet, worden geacht op overeenkomstige
wijze als het ouderdomspensioen, de uitkering op grond van de
Algemene nabestaandenwet in termijnen te worden uitbetaald.
Tweede hoofdstuk. Samenloop van pensioen met algemeen
ouderdomspensioen
Artikel 11
1. Indien een tijdvak, waarop het algemeen ouderdomspensioen
moet worden geacht betrekking te hebben, geheel of gedeeltelijk
samenvalt met een tijdvak, gedurende hetwelk wordt geacht te zijn
vervuld diensttijd, waarnaar een pensioen wordt geacht te zijn
berekend, wordt voor iedere maand gedurende welke aanspraak bestaat op
algemeen ouderdomspensioen en op pensioen, de uitbetaling van het
pensioen beperkt.
2. De beperking wordt gesteld op een bedrag gelijk aan het bedrag
van het algemeen ouderdomspensioen dat geacht kan worden betrekking te
hebben op het tijdvak, gedurende hetwelk wordt geacht te zijn vervuld
diensttijd, waarnaar een pensioen wordt geacht te zijn berekend, met
dien verstande, dat:
a. indien een gehuwde vrouw die niet duurzaam gescheiden leeft van
haar echtgenoot aanspraak heeft op een eigen pensioen, wordt uitgegaan
van het algemeen ouderdomspensioen voor een ongehuwde, dan wel van het
algemeen ouderdomspensioen voor een gehuwde als dit laatste pensioen
minder bedraagt;
b. indien het algemeen ouderdomspensioen is toegekend aan een
ongehuwde die een kind heeft jonger dan 18 jaar, dat niet als eigen
kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander
behoort en voor wie op grond van de Kinderbijslagwet kinderbijslag is
ontvangen, wordt uitgegaan van een algemeen ouderdomspensioen van een
ongehuwde pensioengerechtigde;
c. de overlijdensuitkering die op grond van de Algemene
Ouderdomswet is uitbetaald, buiten beschouwing wordt gelaten.
3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
kan nadere regels stellen met betrekking tot de in de vorige leden
bedoelde beperking te hanteren bedragen.
Artikel 12
1. Indien het bedrag, dat tot grondslag heeft gestrekt voor de
berekening van het eigen pensioen, dan wel, indien het pensioen is
afgeleid van een eigen pensioen, het bedrag dat tot grondslag heeft
gestrekt voor de berekening van dat eigen pensioen, vermeerderd met
een percentage gelijk aan het percentage van de op dat pensioen bij of
krachtens deze wet toegekende aanpassingstoeslag, lager is dan 7/66
maal het normbedrag bedoeld in het tweede lid, wordt het met
toepassing van artikel 11 berekende bedrag van de beperking
vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller het eerstbedoelde
vermeerderde bedrag is en de noemer 7/66 maal het normbedrag. De
uitkomst van deze vermenigvuldiging vormt in dat geval het bedrag van
de beperking van het pensioen.
2. Het normbedrag is het bedrag, bedoeld in artikel J 12 van de
Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die luidde op 31 december 1995,
welk bedrag met ingang van 1 januari 1996 bij ministeriële regeling
wordt aangepast overeenkomstig de aanpassing van de pensioenen voor
overheidswerknemers in de zin van artikel 2 van de Wet privatisering ABP
die werkzaam zijn geweest in de sector Rijk.
Artikel 13 [Vervallen per 01-07-1986]
Artikel 14
1. Indien aanspraak bestaat of wordt
geacht te bestaan op meer dan een pensioen en de tijdvakken, gedurende
welke wordt geacht te zijn vervuld diensttijd, waarnaar die pensioenen
worden geacht te zijn berekend, geheel of gedeeltelijk samenvallen,
overschrijdt het totaal van de volgens de voorgaande artikelen voor elk
pensioen berekende beperking - voor zover deze geacht kan worden
betrekking te hebben op evenbedoelde samenvallende tijdvakken - niet het
bedrag van het algemeen ouderdomspensioen dat geacht kan worden
betrekking te hebben op meerbedoelde samenvallende tijdvakken.
2. Indien een overschrijding als bedoeld in het vorige lid plaats
zou vinden, wordt de voor ieder pensioen volgens de voorgaande artikelen
berekende beperking, voor zover betrekking hebbende op samenvallende
tijdvakken, als bedoeld in het vorige lid, verminderd tot een zodanig
deel van het bedrag van het algemeen ouderdomspensioen, bedoeld aan het
slot van het vorige lid, als elke onverminderde beperking zich verhoudt
tot de som van die beperkingen.
3. Indien het gezamenlijk bedrag van de beperking ook na
toepassing van het vorige lid een bedrag gelijk aan 80 percent van het
volle algemeen ouderdomspensioen overschrijdt wordt deze overschrijding
in mindering gebracht op elk van de beperkingen in de verhouding waarin
het bedrag van elk van die beperkingen staat tot de som dier
beperkingen.
4. Indien aanspraak bestaat of geacht wordt te bestaan op een
pensioen en tevens aanspraak op een ander pensioen bestaat of voor de
toepassing van met dit hoofdstuk overeenkomende bepalingen van de
regeling, waarop dat andere pensioen berust, geacht wordt te bestaan,
vindt het bepaalde in de vorige leden overeenkomstige toepassing met
dien verstande dat indien het betreft pensioenen, toegekend krachtens de
Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marinereserve 1923 of de
Pensioenwet voor het reserve-personeel der landmacht 1923, voor de
toepassing van dit artikel niet als diensttijd geldt de tijd, welke
krachtens de artikelen 15 van genoemde wetten met vier pro mille van de
pensioengrondslag is vergolden.
5. Op aanvraag van degene die aantoont dat aanspraak bestaat op
een of meer pensioenen of andere pensioenen toekomende aan de
echtgenoot wordt dit artikel overeenkomstig toegepast, zulks met
ingang van de dag waarop bedoelde omstandigheid is opgetreden, doch
niet eerder dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de
desbetreffende aanvraag werd ingediend. De aanvraag moet worden
gericht tot de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen.
Artikel 15
1. Op schriftelijk verzoek van degene, die aantoont, dat uit
hoofde van zijn aanspraak op algemeen ouderdomspensioen mede een
vermindering plaats vindt van een andere pensioenuitkering, wordt, voor
zover de tijdvakken, gedurende welke wordt geacht te zijn vervuld de
diensttijd, waarnaar het pensioen en de andere pensioenuitkering worden
geacht te zijn berekend, samenvallen, het bedrag van die vermindering
voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op het bedrag van de
beperking van het pensioen, zulks met ingang van de dag waarop bedoelde
omstandigheid is opgetreden, doch niet vroeger dan een jaar voor de
eerste dag van de maand, waarin het desbetreffende verzoek werd
ingediend.
2. Ten aanzien van de vaststelling van het tijdvak, gedurende
hetwelk wordt geacht te zijn vervuld diensttijd, terzake waarvan een
andere pensioenuitkering is toegekend, is het bepaalde in artikel 10 onder f
van overeenkomstige toepassing. Indien een pensioenuitkering niet of niet
uitsluitend is berekend naar diensttijd, wordt deze geacht te zijn
berekend naar een diensttijd, die zich verhoudt tot veertig jaren, zoals
het bedrag van die pensioenuitkering zich verhoudt tot het bedrag van die
uitkering, indien het zou zijn berekend naar een diensttijd van 40 jaren.
3. Bij toepassing van het eerste lid wordt, ingeval aanspraak
bestaat of wordt geacht te bestaan op meer dan een pensioen, het bedrag van
de in dat lid bedoelde vermindering op de overeenkomstig de voorgaande
artikelen berekende beperkingen dier pensioenen in mindering gebracht naar
verhouding van de bedragen dier beperkingen.
4. Indien de beperking van het pensioen reeds is verminderd
krachtens het bepaalde in artikel 12, vindt het eerste lid slechts toepassing
voor zover zulks nodig is om te voorkomen, dat de som van evenbedoelde
beperking en de vermindering, bedoeld in het eerste lid, zou overschrijden het
bedrag van de beperking, indien artikel 12 geen toepassing zou hebben
gevonden. De voorgaande volzin is van overeenkomstige toepassing in het geval
bedoeld in het derde lid.
5. Indien de som van het bedrag, waarmee de uitbetaling van een
pensioen ingevolge deze wet zou dienen te worden beperkt en het bedrag van de
vermindering van een andere pensioenuitkering een bedrag gelijk aan 80 percent
van het volle algemeen ouderdomspensioen zou overschrijden, wordt van deze
overschrijding een deel in mindering gebracht op het bedrag van de beperking
en wel in de verhouding waarin de diensttijd, waarnaar het pensioen wordt
geacht te zijn berekend, staat tot het totaal van de diensttijden.
6. Het eerste tot en met het vijfde lid is van overeenkomstige
toepassing indien uit hoofde van aanspraak op algemeen ouderdomspensioen een
vermindering plaatsvindt van een andere pensioenuitkering toekomend aan de
echtgenoot van degene voor wie aanspraak bestaat of geacht wordt te bestaan op
pensioen.
Derde hoofdstuk. Samenloop van weduwe- of wezenpensioen met een
uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
Artikel 16
Het wezenpensioen, waarop twee of meer volle wezen aanspraak hebben,
wordt, indien het wezenpensioen als een eenheid is toegekend, voor de
toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk geacht aan ieder van
genoemde wezen te zijn toegekend tot een bedrag, gelijk aan dat
wezenpensioen gedeeld door hun aantal.
Artikel 17
1. Bij gelijktijdige aanspraak op een weduwepensioen,
onderscheidenlijk een wezenpensioen en een algemene nabestaandenuitkering, een
algemene halfwezenuitkering onderscheidenlijk een algemene wezenuitkering wordt,
voor zover de tijdvakken, waarop het pensioen en de algemene uitkering geacht
worden betrekking te hebben, samenvallen, de betaling van het weduwepensioen,
onderscheidenlijk het wezenpensioen iedere maand beperkt naar reden van 2
percent van de algemene nabestaandenuitkering, de algemene halfwezenuitkering
onderscheidenlijk de algemene wezenuitkering per samenvallend jaar.
2. Indien aanspraak bestaat op een algemene nabestaandenuitkering
op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene
nabestaandenwet of een algemene halfwezenuitkering op grond van artikel 22,
eerste lid, onderdeel a, van die wet, doch geen van de in evengenoemde
bepalingen bedoelde kinderen recht heeft op een wezenpensioen, wordt de
beperking berekend naar de algemene nabestaandenuitkering onderscheidenlijk de
algemene halfwezenuitkering die geldt voor degenen op wie artikel 17, eerste
lid, onderscheidenlijk artikel 25, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet
toepassing vindt.
3. Het bepaalde in artikel 12 is van overeenkomstige toepassing.
4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
kan nadere regels stellen met betrekking tot de in de vorige leden bedoelde
beperking te hanteren bedragen.
Artikel 18
Indien aanspraak bestaat op een weduwenpensioen of een wezenpensioen
en tevens aanspraak bestaat op een ander pensioen of op een andere
pensioenuitkering vindt het bepaalde in de artikelen 14 en 15
overeenkomstige toepassing.
Artikel 19
Op schriftelijk verzoek van de weduwe, die aantoont, dat een rente of
uitkering, als bedoeld in artikel 19, onder 2e der Ongevallenwet 1921,
artikel 40, onder 2e der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922,
onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, der Zeeongevallenwet 1919,
daaronder begrepen de daarop verleende toe- en bijslagen anders dan
ingevolge de Wet compensatie premie Algemene Ouderdomswet
ongevallenrentetrekkers, is beperkt wegens samenloop met een algemene
nabestaandenuitkering of een algemene halfwezenuitkering wordt het
bedrag van die beperking in mindering gebracht op het bedrag van de
beperking van het weduwenpensioen.
Artikel 19a
1. Indien recht is ontstaan op weduwepensioen of een
wezenpensioen na 31 december 2000 heeft de weduwe die de leeftijd van
65 jaar nog niet heeft bereikt, onderscheidenlijk de wees, in
afwijking van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen, recht op
een toeslag ter grootte van 1,9% van dat pensioen, met een maximum van
€ 791,85 per jaar.
2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt de toeslag krachtens dit artikel niet onder pensioen of uitkering
begrepen.
Artikel 19b
1. Indien ter zake van het overlijden van een gepensioneerde
recht op een weduwepensioen ontstaat, heeft de weduwe, recht op een toeslag voor
de tijd die bij de berekening van het pensioen in aanmerking is genomen indien
en voor zolang recht bestaat op een nabestaandenuitkering krachtens de Algemene
nabestaandenwet, die wordt verminderd wegens inkomen uit of in verband met
arbeid als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet.
2. De toeslag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per
pensioentellend jaar 2,5% van het verschil tussen 75% van de krachtens de
artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde
nabestaandenuitkering en het bedrag van de nabestaandenuitkering, zoals deze na
toepassing van de vermindering, bedoeld in artikel 18 van de Algemene
nabestaandenwet is vastgesteld. De toeslag bedraagt niet meer dan 75% van de
krachtens de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde
nabestaandenuitkering en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt telkens nader
vastgesteld:
a. aan de hand van de ontwikkelingen van de bedragen van de
Algemene nabestaandenwet;
b. bij iedere nadere vaststelling van de hiervoor bedoelde
nabestaandenuitkering krachtens artikel 18 van de Algemene
nabestaandenwet.
3. Het recht op toeslag, bedoeld in het eerste lid, gaat in met
ingang van de maand waarin wordt voldaan aan de voorwaarden voor dat recht.
4. Het recht op de toeslag, bedoeld in het eerste lid, vervalt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de weduwe de
65-jarige leeftijd bereikt;
b. met ingang van de maand volgende op die waarin de weduwe
hertrouwt, als partner wordt geregistreerd of aangemerkt, of als
ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet wordt
aangemerkt.
5. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt de toeslag krachtens dit artikel niet onder pensioen of uitkering
begrepen.
Artikel 19c
1. Indien ter zake van het overlijden van een gepensioneerde
recht op een weduwepensioen als bedoeld in deze regeling ontstaat, heeft de
weduwe die op 1 januari 1998 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt in afwijking
van artikel 19b recht op een toeslag voor de tijd die bij de berekening van het
pensioen in aanmerking is genomen. Dit recht bestaat indien en voor zolang recht
bestaat op een nabestaandenuitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet, die
krachtens artikel 67, derde of negende lid, van de Algemene nabestaandenwet
vanaf 1 januari 1998 wordt verminderd wegens de omstandigheid dat de weduwe
vanaf een tijdstip voor 1 juli 1996 met dezelfde persoon ononderbroken ongehuwd
samenwoont.
2. De toeslag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per
pensioentellend jaar 2,5% van het verschil tussen 75 % van de krachtens de
artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde
nabestaandenuitkering en de krachtens artikel 67, derde of negende lid, van de
Algemene nabestaandenwet verminderde nabestaandenuitkering. De toeslag bedraagt
niet meer dan 75% van de krachtens de artikelen 14 en 30 van de Algemene
nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering. De toeslag wordt
vanaf 1 januari 1998 vastgesteld met inachtneming van de bedragen vanaf die
datum en wordt vervolgens telkens nader vastgesteld aan de hand van de
ontwikkelingen van de bedragen van de Algemene nabestaandenwet.
3. Het recht op de toeslag, bedoeld in het eerste lid vervalt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de weduwe de
65-jarige leeftijd bereikt;
b. met ingang van de maand volgend op die waarin de weduwe trouwt
of als partner wordt geregistreerd of aangemerkt;
c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de vermindering
van de nabestaandenuitkering, bedoeld in het eerste lid, ongedaan
wordt gemaakt.
4. Het derde en vijfde lid van artikel 19b zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 19d
Bij gelijktijdige aanspraak op meerdere pensioenen of uitkeringen
waarop een naar aard en strekking soortgelijke toeslag wordt verleend
als bedoeld in de artikelen 19b en 19c, wordt de in die artikelen
bedoelde toeslag zodanig verminderd, dat het totaal van de toeslagen
gelijk is aan de maximaal op grond van genoemde artikelen toe te kennen
toeslag.
Vierde hoofdstuk. Uitvoeringsbepalingen
Artikel 20
Indien zowel beperking van de uitbetaling van een pensioen krachtens
het bepaalde in deze afdeling als krachtens het bepaalde in artikel 17
van het pensioenreglement moet plaatsvinden, vindt eerst de
laatstgenoemde beperking plaats.
Artikel 21
1. Indien een betrokkene een algemeen ouderdomspensioen, een
algemene nabestaandenuitkering, een algemene halfwezenuitkering of een algemene
wezenuitkering gaat genieten, of indien in het bedrag daarvan een wijziging
wordt aangebracht op grond van persoonlijke omstandigheden van hemzelf, zijn
echtgenoot of zijn kinderen, dan wel het genot van een algemene
nabestaandenuitkering, een algemene halfwezenuitkering of een algemene
wezenuitkering eindigt, is hij gehouden hiervan onverwijld kennis te geven aan
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2. Indien de belanghebbende de in het vorige lid bedoelde
kennisgeving niet onverwijld doet, gaat een vermindering van de beperking niet
vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving
wordt gedaan of waarin ambtshalve vermindering van de beperking plaatsvond.
3. In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties het vorige lid buiten toepassing laten.
Artikel 22
Indien een algemeen ouderdomspensioen, een algemene
nabestaandenuitkering, een algemene halfwezenuitkering of een algemene
wezenuitkering wordt toegekend of herzien over een tijdvak, waarover
reeds een pensioen werd uitbetaald, kan de Sociale verzekeringsbank
hetgeen dientengevolge te veel aan pensioen werd genoten, ten behoeve
van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
inhouden op het algemeen ouderdomspensioen, het algemeen weduwenpensioen
of het algemeen wezenpensioen, voor zover betrekking hebbende op
evengenoemd tijdvak.
Artikel 23
De bepalingen van deze afdeling blijven buiten toepassing ten aanzien
van degenen, die op grond van gemoedsbezwaren hun aanspraak op algemeen
ouderdomspensioen, of een uitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet niet geldig maken.
Vijfde afdeling. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 24
1. Ten aanzien van degene, die op 30 juni 1964 recht had zowel
op pensioen als op algemeen ouderdomspensioen, algemeen weduwenpensioen of
algemeen wezenpensioen en tengevolge van de bepalingen van deze wet minder aan
pensioen inbegrepen de daarop vallende toeslagen zou ontvangen dan hem op 30
juni 1964 zou toekomen indien de voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet geldende bepalingen van kracht waren gebleven, wordt de beperking met een
zodanig bedrag verminderd, dat aan pensioen, inbegrepen de daarop vallende
toeslagen, niet minder wordt ontvangen, dan op 30 juni 1964 het geval was.
2. Ingeval het vorige lid is toegepast wordt voor volgende
berekeningen van de beperking het pensioen geacht te zijn vermeerderd met het
bedrag, waarmede de beperking ingevolge het vorige lid is verminderd.
3. Met ingang van de dag waarop voor belanghebbende na 30 juni
1964 recht op een lager bedrag aan algemeen ouderdomspensioen, algemeen
weduwenpensioen of algemeen wezenpensioen onderscheidenlijk op of na 1 juli 1996
aan een algemene nabestaandenuitkering, een algemene halfwezenuitkering, of een
algemene wezenuitkering ontstaat, wordt het in het vorige lid bedoelde bedrag
zodanig lager gesteld, alsof de omstandigheid die tot wijziging leidde reeds op
30 juni 1964 aanwezig was geweest.
Artikel 25
Indien het bedrag, dat over enig tijdvak aan belanghebbende is
betaald bij wijze van voorschot op het bedrag waarop krachtens deze wet
over dat tijdvak recht bestaat, laatstgenoemd bedrag overtreft, wordt
het meerdere niet teruggevorderd.
Artikel 26
Toeslagen op pensioenen, toegekend bij wijze van voorschot op door
het voormalige gouvernement van Nederlands-Nieuw-Guinea voorgenomen
regelingen vervallen.
Artikel 26a
1. Indien terzake van het genot van een eigen pensioen,
toegekend met toepassing van artikel 8, eerste lid, sub IV of V van
het pensioenreglement, een weduwenpensioen of een wezenonderstand
premie wordt geheven krachtens de Algemene Ouderdomswet en de de[Tekstcorrectie:
“de de” moet zijn ”de”] Algemene nabestaandenwet, wordt
aan de rechthebbende daarvoor een vergoeding verleend.
2. De in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor de periode
1 januari 1986 tot 1 januari 1990 vastgesteld op het bedrag van de
premie die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en
Wezenwet wordt geheven over de som van het eigen pensioen,
weduwenpensioen of wezenonderstand en de vergoeding.
3. De in het eerste lid bedoelde vergoeding bedraagt vanaf 1
januari 1990, 13,636% van het bruto pensioen. Bij elke wijziging van het
inhoudingspercentage dient het vergoedingspercentage steeds te worden aangepast
door middel van vermenigvuldiging met een breuk waarvan de teller het nieuwe
inhoudingspercentage is en de noemer 15,55 is.
4. Indien terzake van het genot van een eigen pensioen, niet
toegekend met toepassing van artikel 8, eerste lid, sub IV of V van het
pensioenreglement, premie wordt geheven krachtens de Algemene
Ouderdomswet en de de[Tekstcorrectie: “de de” moet zijn ”de”]
Algemene nabestaandenwet is het bepaalde in het vorige lid van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de vergoeding wordt
vastgesteld op 69,6% van de bedoelde premie.
5. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van personen, aan wie vrijstelling van premie-betaling ingevolge
de Algemene Ouderdomswet of ingevolge de de[Tekstcorrectie: “de de”
moet zijn ”de”] Algemene nabestaandenwet is verleend.
Artikel 27
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is
bevoegd in bijzondere gevallen, waarin de toepassing van deze wet tot
een naar zijn oordeel onredelijke uitkomst leidt, ten gunste van de
belanghebbende een beslissing te nemen, die met de strekking van deze
wet overeenkomt.
Artikel 27a
1. Indien degene die recht heeft op een pensioen, ingevolge het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 6 en 13 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de kosten van zorg, is Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bevoegd het pensioen en
de daarop verleende toeslagen tot ten hoogste het bedrag van die bijdrage in de
plaats van aan de rechthebbende zonder diens machtiging uit te betalen aan het
College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet.
2. Artikel 10 van de wet van 25 mei 1962 (Stb. 196) is
niet van toepassing op een ingevolge het vorige lid genomen beslissing.
Artikel 28
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 29
1. Door de leden van het Bijstandkorps dient tenzij bij
algemene maatregel van bestuur anders wordt bepaald, 8,5 % van 87,5 % van de
onverminderde maandelijke inkomsten, niet inbegrepen de kindertoelage, waarop
zij als zodanig aanspraak hebben, aan 's Rijks Kas te worden bijgedragen, met
dien verstande dat 2,5 % geldt als bijdrage voor het eigen pensioen en 6 % als
bijdrage voor de weduwen- en wezenpensioenen.
2. Ingeval inhouding van de in het eerste lid bedoelde bijdrage
op de maandelijkse inkomsten van het lid van het Bijstandkorps niet mogelijk is,
vindt verhaal daarvan plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van het
pensioenreglement, met dien verstande dat de bijdrage voor de weduwen- en
wezenpensioenen tevens verhaalbaar is op het eigen pensioen.
Artikel 30
1. Voor de toepassing van artikel 16, derde lid, van het
pensioenreglement wordt na 31 december 1962 geen rekening gehouden met een
beperking van de uitbetaling van een pensioen krachtens het bepaalde in de
vierde afdeling.
2. Met ingang van 1 januari 1995 wordt geen toepassing gegeven
aan artikel 17 van het pensioenreglement.
Artikel 31
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 32
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden
gesteld voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 33
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet aanpassing
pensioenvoorzieningen Bijstandkorps.
Artikel 34
1. Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na
die van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt,
behoudens het bepaalde in het volgende lid, terug tot 1 januari 1963.
2. Artikel 28 werkt terug tot 1 oktober 1962; de artikelen 7 en 29
werken terug tot 1 januari 1964.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 25 november 1965
JULIANA
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Smallenbroek
De Minister van Financiën,
A. Vondeling
Uitgegeven de eenentwintigste december 1965
De Minister van Justitie,
Samkalden
|