Nadere regelgeving:
- Besluit bedragen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
- Besluit
kennisgevingen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
- Besluit vaststelling verzekeringsbewijs niet-kentekenplichtige
motorrijtuigen en regels vrijstellingsbewijs
- Uitvoeringsbesluit artikel 3, derde lid, Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
WET van 30 mei 1963, betreffende
verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid inzake
motorrijtuigen
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met het op
7 januari 1955 te Brussel tussen Nederland, België en Luxemburg
gesloten verdrag betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering
in zake motorrijtuigen (Trb. 1955, nr. 16), en de aanvullende
overeenkomst hierop van 3 juli 1956 (Trb. 1956, nr. 75)
noodzakelijk, en ook overigens wenselijk is, een regeling te treffen
omtrent de verplichte verzekering tegen burgerrechtelijke
aansprakelijkheid waartoe motorrijtuigen aanleiding kunnen geven;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze wet worden verstaan onder
motorrijtuigen: alle rij- of voertuigen, bestemd om anders dan langs
spoorstaven over de grond te worden voortbewogen uitsluitend of mede
door een mechanische kracht, op of aan het rij- of voertuig zelf
aanwezig dan wel door electrische tractie met stroomtoevoer van elders;
als een deel daarvan wordt aangemerkt al hetgeen aan het rij- of
voertuig is gekoppeld of na koppeling daarvan is losgemaakt of
losgeraakt, zolang het nog niet buiten het verkeer tot stilstand is
gekomen;
verzekerden: zij wier aansprakelijkheid overeenkomstig de bepalingen
van deze wet is gedekt;
benadeelden: zij die schade hebben geleden welke grond oplevert voor
toepassing van deze wet, alsmede hun rechtverkrijgenden;
vergunning: een vergunning die een schadeverzekeraar ingevolge de Wet
op het financieel toezicht behoeft voor de uitoefening van de branche
Aansprakelijkheid motorrijtuigen;
verzekeraar: een schadeverzekeraar die ingevolge de Wet op het
financieel toezicht in Nederland zijn bedrijf in de branche
Aansprakelijkheid motorrijtuigen mag uitoefenen, en het bureau, bedoeld
in artikel 2, zesde lid, dat is belast met de afwikkeling van de schade
welke in Nederland is veroorzaakt door motorrijtuigen die gewoonlijk in
het buitenland zijn gestald, en van de afwikkeling van de schade welke
in een van de krachtens artikel 3, derde lid, aangewezen landen is
veroorzaakt door motorrijtuigen die gewoonlijk in Nederland zijn
gestald;
weg: een weg waarop de omschrijving van het begrip "wegen"
in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 van
toepassing is; onder "weg" wordt mede verstaan een vaartuig
dat wordt gebruikt bij de uitoefening van een veerdienst;
terrein: een terrein dat toegankelijk is voor het publiek of voor een
zeker aantal personen die het recht hebben daar te komen;
kenteken: een kenteken als bedoeld in artikel 36 van de
Wegenverkeerswet 1994;
kentekenbewijs: een kentekenbewijs als bedoeld in artikel 36 van de
Wegenverkeerswet 1994.
Waarborgfonds Motorverkeer en fonds: de krachtens artikel 23, eerste
lid, aangewezen rechtspersoon;
gevaarlijke stof: een stof als bedoeld in artikel 1210, onderdeel a,
van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
gebeurtenis: een gebeurtenis als bedoeld in artikel 1210, onderdeel
d, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
exploitant: een exploitant als bedoeld in artikel 1210, onderdeel e,
van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie;
Informatiecentrum: de krachtens artikel 27b, eerste lid, aangewezen
rechtspersoon;
Schadevergoedingsorgaan: de krachtens artikel 27k, eerste lid,
aangewezen rechtspersoon;
schaderegelaar: een schaderegelaar als bedoeld in artikel 4:70,
tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 2
1.De bezitter van een motorrijtuig en degene aan wie het kenteken
voor een motorrijtuig is opgegeven, zijn verplicht voor het
motorrijtuig een verzekering te sluiten en in stand te houden welke
aan de bij en krachtens deze wet gestelde bepalingen voldoet, indien
dat motorrijtuig op een weg wordt geplaatst of daarmee op een weg
wordt gereden, indien buiten een weg met dat motorrijtuig op een
terrein aan het verkeer wordt deelgenomen of indien voor dat
motorrijtuig een kentekenbewijs is afgegeven.
2.In afwijking van het vorige lid rust de verplichting tot
verzekering niet op de bezitter, maar op de houder die:
a. het motorrijtuig op grond van een overeenkomst van huurkoop
onder zich heeft, of
b. het motorrijtuig in vruchtgebruik heeft, of
c. anderszins het motorrijtuig, anders dan als bezitter, tot
duurzaam gebruik onder zich heeft.
3.De verplichting tot verzekering met betrekking tot een
motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven, wordt
opgeheven, indien het motorrijtuig buiten gebruik wordt gesteld en
gehouden door plaatsing daarvan buiten een weg, gevolgd door een door
de verzekeraar overeenkomstig artikel 13 aan de Dienst Wegverkeer,
bedoeld in artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994, gedane
kennisgeving van schorsing van de verzekering wegens
buitengebruikstelling van het motorrijtuig. De in de vorige zin
bedoelde opheffing van de verzekeringsplicht eindigt, zodra de
verzekeraar overeenkomstig artikel 13 aan de Dienst Wegverkeer kennis
heeft gegeven van de beëindiging van de schorsing, zodra het
motorrijtuig zich op een weg bevindt of zodra het deelneemt aan het
verkeer op een terrein. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen omtrent het in dit lid bepaalde nadere regels en
voorwaarden worden gesteld. De in dit lid bedoelde opheffing van de
verzekeringsplicht vindt slechts plaats, indien de geldigheid van het
voor het desbetreffende motorrijtuig afgegeven kentekenbewijs is
geschorst overeenkomstig artikel 67 van de Wegenverkeerswet 1994.
4.De verplichting tot verzekering is geschorst, zolang een door een
ander gesloten verzekering overeenkomstig de bepalingen van deze wet
met betrekking tot het motorrijtuig van kracht is. De verplichting tot
verzekering is echter niet geschorst gedurende de in artikel 13,
vierde lid, en de in artikel 13a, zevende lid, tweede volzin, bedoelde
periode. Hetzelfde geldt voor de periode die voortvloeit uit artikel
13a, zesde lid, tweede volzin.
5.De verzekering moet zijn gesloten bij een schadeverzekeraar die
ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland zijn bedrijf
in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen mag uitoefenen.
6.Het eerste lid is niet van toepassing op motorrijtuigen die
gewoonlijk in het buitenland zijn gestald, mits een voor dat doel door
Onze Minister van Financiën erkend bureau, dat rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid is, of groep van verzekeraars, dan wel
een, bij algemene maatregel van bestuur daartoe erkende, in Nederland
gevestigde buitenlandse instantie tegenover de benadeelden de
verplichting op zich heeft genomen de schade, door die motorrijtuigen
veroorzaakt, overeenkomstig de bepalingen van deze wet te vergoeden.
7.Voor de toepassing van deze wet worden geacht gewoonlijk in
Nederland te zijn gestald:
a. motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken, ongeacht
of het een permanent of tijdelijk kenteken betreft;
b. motorrijtuigen die ten onrechte niet zijn voorzien van een
kenteken dan wel van een buitenlands kenteken, of zijn voorzien
van een kenteken dan wel van een buitenlands kenteken dat niet
overeenkomt of niet langer overeenkomt met het motorrijtuig, die
in Nederland betrokken raken bij een ongeval, uitsluitend met het
oog op het afwikkelen van een vordering door het bureau, bedoeld
in het zesde lid, of het Waarborgfonds Motorverkeer;
c. motorrijtuigen, die vanuit een andere lidstaat naar
Nederland worden verzonden, vanaf de aanvaarding van de levering
door de koper, gedurende een periode van maximaal 30 dagen, zelfs
indien het motorrijtuig niet officieel in Nederland is
geregistreerd.
Voor de toepassing van deze wet worden geacht gewoonlijk in het
buitenland te zijn gestald:
d. motorrijtuigen waarvoor een bijzonder kenteken met beperkte
geldigheidsduur overeenkomstig een door Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat vastgesteld model is opgegeven;
e. motorrijtuigen die van de toepassing van artikel 36, eerste
lid, van de Wegenverkeerswet 1994 zijn uitgezonderd en waarvoor
een militair registratienummer is opgegeven;
f. motorrijtuigen die in een ander land krachtens de aldaar
geldende wettelijke regeling zijn geregistreerd of van een
verzekeringsplaat of ander onderscheidingsteken zijn voorzien.
8.Tot de motorrijtuigen met betrekking waartoe het bureau de in het
zesde lid bedoelde verplichting op zich neemt, behoren in ieder geval
de motorrijtuigen, welke gewoonlijk zijn gestald in een land dat ter
uitvoering van deze bepaling bij algemene maatregel van bestuur is
aangewezen, voor zover bij die maatregel daarvoor geen uitzondering is
gemaakt.
9.De schadeverzekeraars die ingevolge de Wet op het financieel
toezicht in Nederland hun bedrijf in de branche Aansprakelijkheid
motorrijtuigen mogen uitoefenen, betalen jaarlijks aan het bureau,
bedoeld in het zesde lid, de door het bureau te bepalen bijdragen,
berekend op basis van de in Nederland geboekte premie of het aantal en
de aard van de door ieder van hen in Nederland verzekerde
motorrijtuigen.
Artikel 3
1.De verzekering moet tegen betaling van één enkele premie,
gedurende de gehele looptijd van de verzekering, met inbegrip van de
perioden waarin het motorrijtuig zich op het grondgebied van een
andere lidstaat bevindt, dekken de burgerrechtelijke
aansprakelijkheid, waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding
kan geven, van iedere bezitter, houder en bestuurder van het
verzekerde motorrijtuig, alsmede van degenen die daarmede worden
vervoerd, zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke
aansprakelijkheid van hen die zich na het sluiten van de verzekering
door diefstal of geweldpleging de macht over het motorrijtuig hebben
verschaft en van hen die, dit wetende, dat motorrijtuig zonder geldige
reden gebruiken.
2.De verzekering moet de schade omvatten, welke aan personen en aan
zaken wordt toegebracht door feiten die zijn voorgevallen op het
grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte van toepassing is. Hierin is begrepen de schade, toegebracht
aan personen die onder welke titel ook, worden vervoerd door het
motorrijtuig, dat de schade veroorzaakt; de zaken, door dat
motorrijtuig vervoerd, kunnen van de verzekering worden uitgesloten,
behoudens wanneer het betreft zaken, toebehorende aan personen,
vervoerd krachtens een ingevolge de Wet personenvervoer 2000 geldige
vergunning. (Stb. 1987, 175)
3.De verzekering moet voorts de schade omvatten welke aan personen
en zaken wordt toegebracht door feiten, voorgevallen in bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen landen. De hoogte van de dekking van
de schade, die bedoeld in het tweede lid daaronder begrepen, wordt
bepaald door de wetgeving van het land waar het feit is voorgevallen
dan wel door de wetgeving van het land waar het motorrijtuig
gewoonlijk is gestald, indien in laatstbedoeld land de dekking hoger
is. Indien het bureau, bedoeld in artikel 2 zesde lid, een zodanige
schade heeft verrekend, heeft het voor het betaalde bedrag verhaal op
degene op wie de verplichting tot verzekering rust, voor zover deze
verplichting niet overeenkomstig het bepaalde in dit lid is nagekomen.
4.In afwijking van het bepaalde in het derde lid moet ten aanzien
van motorrijtuigen, als bedoeld in artikel 6 van de Richtlijn van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 april 1972 inzake de
onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de
verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming
aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle
op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (Pb. EG, 2 mei 1972, L
103), gewijzigd bij de Richtlijn van de Raad van 19 december 1972 (Pb.
EG, 28 december 1972, L 291, rectificatie Pb. EG, 23 maart 1973, L75),
de verzekering de schade omvatten welke aan personen en zaken wordt
toegebracht door feiten, voorgevallen op het grondgebied waar de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing
is.
5.De verzekering moet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor
de door het motorrijtuig veroorzaakte schade dekken zoals die
aansprakelijkheid voortvloeit uit de toepasselijke wet.
Artikel 3a
1.Indien het een motorrijtuig betreft waarvan het maximaal
toelaatbare gewicht hoger is dan 3500 kilogram, dient de verzekering
voorts te dekken de aansprakelijkheid van de exploitant waartoe een
gevaarlijke stof, aan boord van dat motorrijtuig, aanleiding kan geven
en die is gebaseerd op de eerste afdeling van de veertiende titel van
Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek.
2.De in het eerste lid bedoelde dekking moet zich uitstrekken tot
de aansprakelijkheid voor de schade, bedoeld in artikel 1210,
onderdeel b, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, welke wordt
toegebracht door gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op het
grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte van toepassing is. Hierin is begrepen de schade, toegebracht
aan personen die onder welke titel ook, worden vervoerd door het
motorrijtuig dat de schade veroorzaakt; de zaken, door dat
motorrijtuig vervoerd, kunnen van de verzekering worden uitgesloten.
3.Dekking moet zich voorts uitstrekken tot de aansprakelijkheid
voor de schade welke wordt toegebracht door gebeurtenissen die hebben
plaatsgevonden in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
landen. De hoogte van de dekking van de schade, die bedoeld in het
tweede lid daaronder begrepen, wordt bepaald door de wetgeving van het
land waar de gebeurtenis heeft plaatsgevonden dan wel door de
wetgeving van het land waar het motorrijtuig gewoonlijk is gestald,
indien in laatstbedoeld land de dekking hoger is. Indien het bureau,
bedoeld in artikel 2, zesde lid, een zodanige schade heeft verrekend,
heeft het voor het betaalde bedrag verhaal op degene op wie de
verplichting tot verzekering rust, voor zover deze verplichting niet
overeenkomstig het bepaalde in dit lid is nagekomen.
4.In afwijking van het bepaalde in het derde lid moet ten aanzien
van motorrijtuigen, als bedoeld in het eerste lid en als bedoeld in
artikel 6 van de Richtlijn nr. 72/166/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van
de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de
wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van
motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering
tegen deze aansprakelijkheid (PbEG L 103), gewijzigd bij Richtlijn,
nr. 72/430/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19
december 1972 (PbEG L 291, rectificatie PbEG 1973, L 75), nadien
gewijzigd bij Richtlijn, nr. 84/5/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 30 december 1983, (PbEG 1984, L 8), de verzekering
de schade omvatten welke wordt toegebracht door gebeurtenissen die
hebben plaatsgevonden op het grondgebied waarop de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is.
5.De dekking moet zich uitstrekken tot de aansprakelijkheid voor de
schade, bedoeld in artikel 1210, onderdeel b, van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek, veroorzaakt door de gevaarlijke stof aan boord van
het in het eerste lid bedoelde motorrijtuig, zoals die
aansprakelijkheid voortvloeit uit de toepasselijke wet.
Artikel 4
1. De verzekering behoeft niet te dekken de aansprakelijkheid voor
schade toegebracht aan de bestuurder van het motorrijtuig dat het
ongeval veroorzaakt.
2. Indien het een verzekering als bedoeld in artikel 3a betreft,
dient de verzekering tevens te dekken de aansprakelijkheid, bedoeld in
de eerste afdeling van de veertiende titel van Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek, voor schade, toegebracht aan de bestuurder van het
motorrijtuig aan boord waarvan zich de gevaarlijke stof bevindt die de
gebeurtenis heeft veroorzaakt, indien die bestuurder uit hoofde van
een arbeidsverhouding met de verzekeringsplichtige het motorrijtuig
bestuurde, tenzij de verzekeringsplichtige een vennootschap onder
firma, een besloten vennootschap of een naamloze vennootschap is
waaraan de bestuurder van het motorrijtuig zelf leiding geeft.
3. Van de verzekering kan worden uitgesloten de schade die
voortvloeit uit het deelnemen van het motorrijtuig aan snelheids-,
regelmatigheids- of behendigheidsritten en -wedstrijden, waarvoor de
in artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994 bedoelde ontheffing is
verleend.
Artikel 5
Indien de overeenkomst een beding inhoudt dat de verzekerde
persoonlijk voor een deel in de vergoeding van de schade zal bijdragen,
blijft de verzekeraar niettemin jegens de benadeelde gehouden tot
betaling van de schadeloosstelling die krachtens de overeenkomst ten
laste van de verzekerde blijft.
Artikel 5a
De verzekeringnemer heeft te allen tijde het recht van de verzekeraar
een verklaring te verzoeken omtrent de ingediende schadevorderingen of
het ontbreken daarvan ten aanzien van het door de verzekering gedekte
motorrijtuig of de gedekte motorrijtuigen gedurende ten minste de
laatste 5 voorafgaande jaren van de looptijd van de verzekering. De
verzekeraar verstrekt deze verklaring binnen 15 dagen na indiening van
het verzoek.
Artikel 6
1. De benadeelde heeft jegens de verzekeraar door wie de
aansprakelijkheid volgens deze wet is gedekt, een eigen recht op
schadevergoeding. Dit eigen recht kan evenwel niet worden uitgeoefend
indien een fonds of fondsen zijn gevormd overeenkomstig artikel 1220
van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. Het tenietgaan van zijn schuld
aan de verzekerde bevrijdt de verzekeraar niet jegens de benadeelde,
tenzij deze is schadeloos gesteld.
2. Indien er bij een ongeval of een gebeurtenis meer dan een
benadeelde is en het totaalbedrag van de verschuldigde
schadeloosstellingen de verzekerde som overschrijdt, worden de rechten
van de benadeelden tegen de verzekeraar naar evenredigheid
teruggebracht tot het beloop van die som. Niettemin blijft de
verzekeraar die, onbekend met het bestaan van vorderingen van andere
benadeelden, te goeder trouw aan een benadeelde een groter bedrag dan
het aan deze toekomende deel heeft uitgekeerd, jegens die anderen of,
indien een fonds of fondsen zijn gevormd overeenkomstig artikel 1220
van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, jegens degene die dat fonds of
die fondsen heeft gevormd slechts gehouden tot het beloop van het
overblijvende gedeelte van de verzekerde som.
Artikel 7
1. Voor de uitvoering van de bepalingen van deze wet kan de
verzekeraar door de benadeelde worden gedagvaard, hetzij voor de
rechter van de plaats van het feit, waaruit de schade is ontstaan,
hetzij voor de rechter van de woonplaats van de benadeelde, hetzij
voor de rechter van de zetel van de verzekeraar.
2. De aansprakelijke persoon kan door de benadeelde worden
gedagvaard, hetzij voor de rechter van de plaats van het feit, waaruit
de schade is ontstaan, hetzij voor de rechter van de woonplaats van de
benadeelde, hetzij voor de rechter van de woonplaats van de
aansprakelijke persoon.
Artikel 8
De verzekerden moeten van ieder ongeval en iedere gebeurtenis waarvan
zij kennis dragen, mededeling doen aan de verzekeraar, indien bij dat
ongeval of die gebeurtenis het verzekerde motorrijtuig is betrokken en
schade is ontstaan tot welker dekking door verzekering deze wet
verplicht. De verzekeringnemer moet aan de verzekeraar alle door de
verzekeringsovereenkomst voorgeschreven inlichtingen en bescheiden
verschaffen. De overige verzekerden moeten aan de verzekeraar op zijn
verzoek alle nodige inlichtingen en bescheiden verschaffen.
Artikel 9
1. Aan een vonnis gewezen in een geschil ter zake van door een
motorrijtuig veroorzaakte schade, komt tegenover de verzekeraar, de
verzekerde of de benadeelde gezag van gewijsde toe, indien zij in het
geding de positie van een procespartij hebben gehad.
2. Voorts kan het vonnis dat is gewezen in een geschil tussen de
benadeelde en de verzekerde, worden tegengeworpen aan de verzekeraar,
indien is komen vast te staan dat de laatste in feite de leiding van
het geding op zich heeft genomen; aan de verzekeraar staat alsdan geen
tegenbewijs open tegen de bij gewijsde als bewezen aangenomen feiten.
3. De verzekeraar kan de verzekerde in het geding roepen, dat door
de benadeelde tegenover hem wordt ingesteld. De oproeping dient te
geschieden door middel van dagvaarding voor het nemen van de conclusie
van antwoord. De in het geding geroepene heeft de positie van een
procespartij.
Artikel 10
1. Een uit deze wet voortvloeiende rechtsvordering van de
benadeelde tegen de verzekeraar verjaart door verloop van drie jaar te
rekenen van het feit waaruit de schade is ontstaan.
2. In afwijking van het eerste lid verjaart een rechtsvordering tot
vergoeding van schade als bedoeld in artikel 1210, onderdeel b, van
Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, van de benadeelde tegen de
verzekeraar door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag,
volgende op die waarop de benadeelde bekend was of redelijkerwijze
bekend had behoren te zijn met de schade en de daarvoor aansprakelijke
persoon, en in ieder geval door verloop van tien jaren na de
gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan.
3. Indien de gebeurtenis bestond uit een opeenvolging van feiten
met dezelfde oorzaak, loopt de termijn van tien jaren, bedoeld in het
tweede lid, vanaf de dag waarop het laatste van die feiten plaatsvond.
4. Handelingen die de verjaring van de rechtsvordering van een
benadeelde tegen een verzekerde stuiten, stuiten tevens de verjaring
van de rechtsvordering van die benadeelde tegen de verzekeraar.
Handelingen die de verjaring van de rechtsvordering van een benadeelde
tegen de verzekeraar stuiten, stuiten tevens de verjaring van de
rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekerden.
5. De verjaring wordt ten opzichte van een verzekeraar gestuit door
iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de benadeelde. Een
nieuwe termijn van drie jaar begint te lopen te rekenen van het
ogenblik waarop een van de partijen bij deurwaardersexploot of
aangetekende brief aan de andere partij heeft kennisgegeven dat zij de
onderhandelingen afbreekt.
Artikel 11
1. Geen uit de wettelijke bepalingen omtrent de
verzekeringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf voortvloeiende
nietigheid, verweer of verval kan door een verzekeraar aan een
benadeelde worden tegengeworpen. Het bepaalde in de vorige zin geldt
niet met betrekking tot het bedrag, waarmede het van de verzekeraar
gevorderde de krachtens artikel 22 vastgestelde som of sommen
overschrijdt.
2. Het eerste lid is jegens de aansprakelijke persoon van
overeenkomstige toepassing wanneer de verzekeraar wordt verzocht om
een bedrag te voldoen in verband met de vorming van een fonds of
fondsen overeenkomstig artikel 1220 van Boek 8 van het Burgerlijk
Wetboek.
Artikel 12
1.De verzekering met betrekking tot een motorrijtuig dat een
kenteken behoeft, eindigt, wanneer de verplichting tot verzekering op
een ander overgaat. De verzekeringnemer moet binnen acht dagen na de
overgang daarvan mededeling doen aan de verzekeraar. Indien de
overgang het gevolg is van het overlijden van de verzekeringnemer,
rust de verplichting tot mededeling op diens erfgenamen en is de
termijn, binnen welke de mededeling moet zijn verricht, dertig dagen.
2.De verzekering met betrekking tot een motorrijtuig dat geen
kenteken behoeft, eindigt niet, wanneer de verplichting tot
verzekering op een ander overgaat.
3.Van het bepaalde in dit artikel kan bij overeenkomst worden
afgeweken.
Artikel 13
1.De verzekeraar is verplicht ten aanzien van de verzekering
waartoe deze wet verplicht met betrekking tot een motorrijtuig dat een
kenteken behoeft aan de Dienst Wegverkeer, bedoeld in artikel 4a van
de Wegenverkeerswet 1994, kennis te geven van:
a. het sluiten van de verzekering;
b. de beëindiging, de vernietiging en de ontbinding van de
verzekering;
c. de in artikel 2, derde lid, bedoelde schorsing van de
verzekering en de beëindiging van die schorsing;
d. iedere andere schorsing van de verzekering of van de
dekking,
2.De Dienst Wegverkeer houdt een register aan waarin de in het
eerste lid genoemde kennisgevingen worden aangetekend, alsmede de door
de verzekeraars gedane kennisgevingen, bedoeld in artikel 13a, tweede
lid en zesde lid.
3.Geen kennisgeving behoeft echter te geschieden, indien ten
gevolge van het sluiten van een nieuwe verzekering tussen dezelfde
partijen en ten aanzien van hetzelfde motorrijtuig het in artikel 3
bedoelde risico zonder onderbreking blijft gedekt.
4.De verplichtingen van de verzekeraar jegens de benadeelde blijven
bestaan voor ongevallen en gebeurtenissen welke plaats vinden binnen
16 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop volgens de
kennisgeving van de verzekeraar de verzekering is beëindigd,
vernietigd, ontbonden of geschorst of de dekking is geschorst, mits de
kennisgeving binnen 30 dagen na de aanvang van die dag bij de Dienst
Wegverkeer is gedaan. Indien de verzekeraar de kennisgeving niet
binnen de in de vorige zin bedoelde termijn van 30 dagen heeft gedaan,
blijven zijn verplichtingen jegens de benadeelde bestaan voor
ongevallen en gebeurtenissen welke plaats vinden binnen 16 dagen na de
aanvang van de dag, volgende op die waarop de kennisgeving bij de
Dienst Wegverkeer is ingediend. De Algemene termijnenwet is op de in
dit lid genoemde termijnen niet van toepassing.
5.Deze verplichtingen eindigen echter van rechtswege door het van
kracht worden van een nieuwe verzekering welke ten aanzien van
hetzelfde motorrijtuig het in artikel 3 bedoelde risico dekt.
6.Een kennisgeving overeenkomstig het eerste lid wordt mede gedaan
ten aanzien van verzekeringen waartoe deze wet verplicht met
betrekking tot motorrijtuigen die voor herstel of bewerking ter
beschikking zijn gesteld van een natuurlijke persoon of een
rechtspersoon en die zijn voorzien van een kenteken dat niet voor een
bepaald voertuig is opgegeven, overeenkomstig het bepaalde bij of
krachtens artikel 37, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994.
7.De verzekeraar die als zodanig in het register wordt aangewezen,
kan de benadeelde niet tegenwerpen dat hij niet de in de eerste zin
van het eerste lid van artikel 6 bedoelde verzekeraar is, tenzij hij
aantoont dat de registratie ten onrechte is geschied of dat zijn
verplichtingen op grond van een kennisgeving overeenkomstig het eerste
lid, onder b, c of d, niettemin jegens de benadeelde zijn geëindigd.
8.Voor de uitvoering van dit artikel en van artikel 13a worden bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld.
alsmede van het einde van die schorsing.
Artikel 13a
1.Een kennisgeving als bedoeld in artikel 13, eerste lid, wordt
mede gedaan ten aanzien van verzekeringen tot het dekken van de
burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe in het verkeer aanleiding
wordt gegeven door motorrijtuigen die behoren tot de bedrijfsvoorraad
van een overeenkomstig artikel 62 van de Wegenverkeerswet 1994 erkende
natuurlijke persoon of rechtspersoon.
2.De verzekeraar is verplicht aan de Dienst Wegverkeer kennis te
geven van het sluiten van een verzekering als bedoeld in het eerste
lid door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon als bedoeld in
artikel 62 van de Wegenverkeerswet 1994.
3.De natuurlijke persoon of rechtspersoon, bedoeld in artikel 62
van de Wegenverkeerswet 1994, is verplicht aan de Dienst Wegverkeer
kennis te geven van het opnemen van het motorrijtuig in de
bedrijfsvoorraad. De Dienst Wegverkeer bevestigt deze kennisgeving
voor ontvangst.
4.De kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, geldt tezamen met de
voor ontvangst bevestigde kennisgeving, bedoeld in het derde lid, als
de kennisgeving, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a.
5.De voor ontvangst door de Dienst Wegverkeer bevestigde mededeling
waaruit blijkt dat het motorrijtuig de bedrijfsvoorraad verlaat, geldt
als de kennisgeving door de verzekeraar van het einde van de dekking
met betrekking tot het motorrijtuig.
6.De verzekeraar is verplicht aan de Dienst Wegverkeer kennis te
geven van de beëindiging, de vernietiging, de ontbinding en de
schorsing van de verzekering. Artikel 13, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
7.De dekking met betrekking tot het motorrijtuig eindigt van
rechtswege doordat de mededeling aan de Dienst Wegverkeer waaruit
blijkt dat het motorrijtuig de bedrijfsvoorraad verlaat door de Dienst
Wegverkeer voor ontvangst wordt bevestigd. De verplichtingen van de
verzekeraar jegens de benadeelde blijven echter bestaan voor
ongevallen welke plaatsvinden binnen 16 dagen na de aanvang van de
dag, volgende op die waarop de mededeling aan de Dienst Wegverkeer
waaruit blijkt dat het motorrijtuig de bedrijfsvoorraad verlaat, door
de Dienst Wegverkeer voor ontvangst is bevestigd.
Artikel 14
1.De bestuurder van een motorrijtuig dat geen kenteken behoeft,
alsmede de bestuurder van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 2,
zevende lid, onder d en e, moet, tenzij bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur anders is bepaald, bij zich hebben een bij of
krachtens die maatregel voorgeschreven bewijs van verzekering. De
bestuurder van een motorrijtuig die bij een ongeval of een gebeurtenis
is betrokken, is verplicht, wanneer hij ingevolge het bepaalde in dit
lid een document bij zich moet hebben, dit behoorlijk ter inzage te
verstrekken aan degenen die eveneens bij dat ongeval of die
gebeurtenis zijn betrokken.
2.De verplichtingen van de verzekeraar die een bewijs van
verzekering heeft uitgereikt, eindigen slechts door het verloop van
een termijn van 16 dagen na afloop van de periode waarvoor het bewijs
is afgegeven. De Algemene termijnenwet is op deze termijn niet van
toepassing.
3.Deze verplichtingen eindigen echter van rechtswege na het van
kracht worden van een nieuwe verzekering welke ten aanzien van
hetzelfde motorrijtuig het in artikel 3 bedoelde risico dekt.
4.In afwijking van het tweede lid eindigen de verplichtingen van
het bureau bedoeld in artikel 2, zesde lid, door verloop van de
geldigheidsduur van het, voor het motorrijtuig afgegeven,
internationale verzekeringsbewijs, indien die verplichtingen uit de
afgifte van dat bewijs voortvloeien.
Artikel 15
1.De verzekeraar die ingevolge deze wet de schade van een
benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid
voor die schade niet door een met hem gesloten verzekering was gedekt,
heeft voor het bedrag der schadevergoeding verhaal op de
aansprakelijke persoon. Het bepaalde in de vorige zin geldt niet ten
aanzien van de aansprakelijke persoon, die niet is de
verzekeringnemer, tenzij hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat
zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.
2.De verzekeraar kan zich bovendien voor de gevallen waarin hij
volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst gerechtigd mocht zijn de
uitkering te weigeren of te verminderen, een recht van verhaal
voorbehouden tegen de verzekeringnemer, en indien daartoe grond
bestaat, tegen de verzekerde die niet is de verzekeringnemer.
Artikel 16
Van een bepaling van deze wet kan slechts worden afgeweken, indien de
bevoegdheid daartoe uit de bepaling zelve blijkt.
Hoofdstuk 2. Vrijstellingen
Artikel 17
1.De Staat is vrijgesteld van de verplichting tot het sluiten van
een verzekering. Indien een motorrijtuig waarvoor de vrijstelling
geldt, aanleiding geeft tot burgerrechtelijke aansprakelijkheid, heeft
de benadeelde jegens de Staat de rechten welke hij overeenkomstig deze
wet anders tegenover de verzekeraar zou hebben, terwijl de bepaling
van artikel 7 van overeenkomstige toepassing is. In de gevallen
genoemd in artikel 4, eerste lid, komt de benadeelde echter niet op
grond van het bepaalde in de vorige zin voor een uitkering in
aanmerking.
2.De bestuurder van een motorrijtuig, waarvan de Staat de bezitter
of de houder, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, is, moet een
bewijs bij zich hebben, waaruit van de vrijstelling blijkt. Het model
van dit bewijs wordt vastgesteld door Onze Minister van Financiën, na
overleg met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
3.Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur
vrijstelling van de verplichting tot het sluiten van een verzekering
te verlenen met betrekking tot bepaalde soorten van motorrijtuigen
welke nauwelijks gevaar opleveren.
Artikel 18
1.Van de verplichting tot het sluiten van een verzekering kunnen,
op een daartoe aan Onze Minister van Financiën gedaan verzoek, worden
vrijgesteld de in artikel 2, eerste en tweede lid, bedoelde personen
die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering.
Rechtspersonen kunnen van de in de vorige zin bedoelde verplichting
worden vrijgesteld, indien natuurlijke personen die bij die
rechtspersonen betrokken zijn gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten
van een verzekering. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent
het in de vorige zin bepaalde nadere regels worden gesteld. Het
bepaalde in de tweede en derde zin van het eerste lid van het vorige
artikel is, ingeval een vrijstelling is verleend, van overeenkomstige
toepassing.
2.Het verzoek geschiedt door indiening bij Onze Minister van
Financiën van een door de verzoeker ondertekende verklaring, waarvan
het model door Onze genoemde Minister wordt vastgesteld. Uit de
verklaring moet blijken dat de verzoeker overwegende gemoedsbezwaren
heeft tegen elke verzekering, welke ook, en dat hij mitsdien noch
zichzelf noch iemand anders noch hem toebehorende goederen heeft
verzekerd.
Artikel 19
1.Indien de in artikel 18 tweede lid bedoelde verklaring naar het
oordeel van Onze Minister van Financiën overeenkomstig de waarheid
is, verleent hij de verzoeker de gevraagde vrijstelling. Ten bewijze
van de vrijstelling reikt hij voor elk van de motorrijtuigen waarvan
de vrijgestelde de bezitter, degene, aan wie het kenteken voor het
motorrijtuig is opgegeven, dan wel de in artikel 2, tweede lid,
bedoelde houder is, tegen betaling een bewijs uit, dat ten hoogste een
jaar geldig is. De bestuurders van deze motorrijtuigen moeten een
geldig bewijs van vrijstelling bij zich hebben. Zolang de vrijstelling
geldt, wordt het bewijs op verzoek van de vrijgestelde tegen betaling
van jaar tot jaar vernieuwd. Het model van dit bewijs wordt
vastgesteld door Onze voornoemde Minister.
2.Onze Minister van Financiën kan de verleende vrijstelling
intrekken:
a. op verzoek van de vrijgestelde;
b. indien de gemoedsbezwaren, op grond waarvan vrijstelling is
verleend, naar zijn oordeel niet langer geacht kunnen worden te
bestaan;
c. indien gedurende een termijn van tenminste één jaar geen
bewijs van vrijstelling is uitgereikt;
d. indien de vrijgestelde in gebreke blijft binnen twee maanden
het bedrag, verschuldigd voor het verkrijgen van een in het eerste
lid bedoeld bewijs, te betalen.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regelen omtrent het in de vorige leden bepaalde worden gesteld.
Artikel 20
Onze Minister van Financiën stelt jaarlijks het bedrag vast dat de
verzoekers zijn verschuldigd voor het verkrijgen van het in het vorig
artikel bedoelde bewijs.
Artikel 21
Onze Minister van Financiën betaalt jaarlijks de uit hoofde van het
vorige artikel ontvangen bedragen aan het fonds.
Hoofdstuk 3. Verzekerde sommen
Artikel 22
De som of sommen, waarvoor de in deze wet bedoelde verzekering ten
minste moet zijn gesloten, worden door Ons bij algemene maatregel van
bestuur bepaald.
Hoofdstuk 4. Het Waarborgfonds Motorverkeer
Artikel 23
1.Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën wijzen
een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid aan, die onder de
naam Waarborgfonds Motorverkeer tot taak heeft in de gevallen, in
artikel 25 genoemd, aan de benadeelden hun schade te vergoeden
overeenkomstig het bepaalde in artikel 26.
2.Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vindt slechts
plaats, indien de rechtspersoon aan de volgende eisen voldoet:
a. hij dient in staat te zijn de in het eerste lid bedoelde
taak naar behoren te vervullen;
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke
vervulling van de in het eerste lid bedoelde taak is gewaarborgd.
3.Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën kunnen
een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid intrekken indien de
rechtspersoon naar hun oordeel niet meer aan de in het tweede lid
vermelde eisen voldoet, dan wel indien de rechtspersoon anderszins
zijn taak niet meer onafhankelijk vervult.
4.Intrekking van een in het eerste lid bedoelde aanwijzing
geschiedt onder gelijktijdige voorziening door Onze Minister van
Justitie en Onze Minister van Financiën in de in het eerste lid
bedoelde taak, waaromtrent zij nadere regels kunnen stellen. De
intrekking heeft de ontbinding van de rechtspersoon ten gevolge en
doet de vermogensbestanddelen daarvan onder algemene titel op de Staat
overgaan.
5.Een aanwijzing en een intrekking van een aanwijzing als bedoeld
in dit artikel worden in de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 23a
Het fonds kan zijn statuten niet wijzigen, tenzij de wijziging de
instemming heeft van Onze Minister van Justitie en Onze Minister van
Financiën. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23b
1.Het fonds verstrekt aan Onze Minister van Justitie en Onze
Minister van Financiën alle gevraagde inlichtingen omtrent de
uitvoering van zijn taak.
2.Het fonds zendt jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het
boekjaar aan Onze Minister van Justitie en Onze Minister van
Financiën de balans en de staat van baten en lasten alsmede het
jaarverslag over het betrokken boekjaar. Deze stukken worden met
inachtneming van artikel 24, derde en vierde lid, opgesteld en gaan
vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgelegd door een
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 24
1.De schadeverzekeraars die ingevolge de Wet op het financieel
toezicht in Nederland hun bedrijf in de branche Aansprakelijkheid
motorrijtuigen mogen uitoefenen, betalen jaarlijks aan het fonds een
door het fonds te bepalen bedrag, berekend op basis van het aantal en
de aard van de door ieder van hen in Nederland verzekerde
motorrijtuigen. Het fonds bepaalt op overeenkomstige wijze jaarlijks
tevens het door de Staat aan het fonds te betalen bedrag. De bepaling
bedoeld in de vorige volzinnen geschiedt uiterlijk op 30 juni van
ieder jaar. De storting moet geschieden binnen een maand na het
besluit tot bepaling van het verschuldigde bedrag.
2.Bij de bepaling van dit bedrag worden in aanmerking genomen de
over het verleden door het fonds verkregen overschotten of geleden
tekorten. Tevens wordt rekening gehouden met de in het komende jaar te
verwachten schadelast.
3.De bedragen bedoeld in artikel 21 worden door het fonds
afzonderlijk geadministreerd en worden uitsluitend aangewend tot
betaling van schade en kosten, waartoe aanleiding wordt gegeven door
motorrijtuigen met betrekking waartoe krachtens artikel 19, eerste
lid, een geldig bewijs van vrijstelling is uitgereikt, en ter dekking
van de kosten verbonden aan de behandeling van de verzoeken om
vrijstelling en aan de uitreiking van de in artikel 19, eerste lid,
bedoelde bewijzen.
4.Echter brengt het fonds van de krachtens artikel 21 ontvangen
bedragen jaarlijks een bedrag over naar zijn algemene middelen; voor
de vaststelling hiervan gelden dezelfde maatstaven als die welke
krachtens het eerste lid worden gebezigd.
Artikel 24a
1.De schadeverzekeraars die ingevolge de Wet op het financieel
toezicht in Nederland hun bedrijf in de branche Aansprakelijkheid
motorrijtuigen mogen uitoefenen, alsmede de Staat, waarborgen, ieder
overeenkomstig het aantal en de aard van de door hen in Nederland
verzekerde motorrijtuigen, onderscheidenlijk overeenkomstig het aantal
en de aard van de motorrijtuigen waarvan de Staat de bezitter of de
houder als bedoeld in artikel 2, tweede lid, is, de verplichtingen van
het fonds.
2.De Staat waarborgt voorts de verplichtingen van het fonds, voor
zover de bedragen in het derde lid van artikel 24 bedoeld, niet
toereikend zijn tot vergoeding van schade, waartoe door de in genoemd
artikellid bedoelde motorrijtuigen aanleiding is gegeven.
Artikel 25
1.Een benadeelde kan, wanneer er een burgerrechtelijke
aansprakelijkheid voor de door een motorrijtuig veroorzaakte schade of
een zodanige aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 3a bestaat, een
recht op schadevergoeding tegen het fonds geldend maken:
a. wanneer niet kan worden vastgesteld wie de aansprakelijke
persoon is, tenzij aannemelijk is, dat de benadeelde niet tot die
vaststelling heeft gedaan, wat redelijkerwijs van hem kon worden
verwacht;
b. wanneer de verplichting tot verzekering niet is nagekomen;
c. wanneer de schade voortvloeit uit een handelen of nalaten
van degene die zich door diefstal of geweldpleging de macht over
het motorrijtuig heeft verschaft of van hem die, dit wetende, dat
motorrijtuig zonder geldige reden gebruikt, en de verzekeraar, de
Staat, of degene, die krachtens artikel 18 is vrijgesteld van de
verzekeringsplicht deswege niet aansprakelijk is;
d. in geval van onvermogen van de verzekeraar;
e. wanneer op grond van een vrijstelling krachtens de artikelen
17, derde lid, of18 een verzekering niet is afgesloten.
2.Het fonds is jegens het bureau, bedoeld in artikel 2 zesde lid,
voorts aansprakelijk voor hetgeen dit bureau heeft betaald ter zake
van de schade, in een van de krachtens artikel 3, derde lid,
aangewezen landen veroorzaakt door een motorrijtuig dat gewoonlijk in
Nederland is gestald en met betrekking waartoe krachtens artikel 19,
eerste lid, een geldig bewijs van vrijstelling is uitgereikt. Op de
aansprakelijkheid van het fonds ingevolge de vorige zin is het
bepaalde in de eerste vijf leden van artikel 26 niet van toepassing.
3.Het fonds geeft in de gevallen bedoeld in het eerste lid aan
degenen die zich tot hem wenden voor vergoeding van de rechtstreeks
door hen geleden schade, aan de hand van de inlichtingen die het op
zijn verzoek van hen heeft verkregen, een met redenen omkleed antwoord
met betrekking tot zijn tussenkomst.
4.Indien het fonds en een verzekeraar het niet eens zijn over de
vraag wie van hen de schade moet vergoeden, dient degene die als
eerste werd aangesproken, tot vergoeding van de schade over te gaan.
Indien mocht blijken dat de ander geheel of gedeeltelijk tot
vergoeding van de schade gehouden is, zal deze tot verrekening
overgaan.
Artikel 26
1.Het fonds is niet aansprakelijk voor schade, voor zover deze de
som of sommen, vastgesteld krachtens artikel 22, overtreft.
2.Het fonds is niet aansprakelijk tegenover de benadeelde die
ingevolge artikel 4, eerste en tweede lid, van het recht op een
uitkering kan worden uitgesloten.
3.Het fonds is niet aansprakelijk voor de schade, bedoeld in
artikel 4, derde lid, noch voor schade aan zaken, door het
motorrijtuig vervoerd.
4.Het fonds is in een geval als bedoeld in artikel 25, eerste lid,
onder a, jegens een benadeelde voor de schade aan diens zaken slechts
aansprakelijk voor zover deze schade meer bedraagt dan een bedrag dat
bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld; met betrekking
tot het deel van de schade dat geringer is dan dit bedrag, ontstaat
voor het fonds geen aansprakelijkheid doordat een andere benadeelde de
vordering tot vergoeding daarvan verkrijgt.
5.Het fonds is slechts aansprakelijk, indien de benadeelde aantoont
dat hij alle bekende als zodanig aansprakelijke personen en, voor
zover de aansprakelijkheid van deze personen volgens deze wet
verzekerd behoort te zijn, hun verzekeraars tot betaling heeft
aangemaand.
6.In afwijking van het vijfde lid kan ingeval van onvermogen van de
verzekeraar de aanmaning achterwege blijven jegens de verzekerde
aansprakelijke persoon; in dat geval is het fonds evenwel slechts
aansprakelijk, voor zover de verplichting tot schadevergoeding van de
verzekeraar door erkenning of bij gewijsde is komen vast te staan.
Voor zover het fonds de vordering van de benadeelde jegens de
verzekeraar heeft voldaan, treedt het fonds in alle rechten, welke de
benadeelde terzake van de vordering heeft.
7.De artikelen 6, tweede lid, 7 en 9 zijn van overeenkomstige
toepassing ten opzichte van het fonds.
8.Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op de
rechtsvordering van de benadeelde tegenover het fonds.
Artikel 27
1.Het fonds heeft een recht van verhaal tegen:
a. alle aansprakelijke personen;
b. degene die zijn verplichting tot verzekering niet is
nagekomen met betrekking tot het motorrijtuig waarmee de schade is
veroorzaakt of met betrekking tot het motorrijtuig aan boord
waarvan de gevaarlijke stof zich bevond waarmee de schade is
veroorzaakt; of
c. de waarborgfondsen van die lidstaten die gebruik maken van
de mogelijkheid om bepaalde typen motorrijtuigen of bepaalde
motorrijtuigen met een speciaal kenteken vrij te stellen van de
verzekeringsplicht.
Het bepaalde onder a en b geldt in het geval van artikel 25, eerste
lid onder d, slechts voor zover aan de verzekeraar een recht van
verhaal zou zijn toegekomen. Het fonds heeft voorts tegenover de
verzekeraars van de aansprakelijke personen de rechten van een
benadeelde.
2.Het fonds heeft overigens tegenover de aansprakelijke personen
dezelfde rechten als een verzekeraar tegenover de verzekerden.
Hoofdstuk 4a. Het Informatiecentrum
Artikel 27a
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. benadeelden: zij die schade hebben geleden, veroorzaakt door
motorrijtuigen die gewoonlijk zijn gestald en verzekerd in een
lidstaat, alsmede hun rechtverkrijgenden;
b. verzekeraar: de verzekeraar die in een lidstaat in het bezit
is van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of artikel 23 van
richtlijn nr. 73/239/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het
directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de
levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PbEG L 228);
c. richtlijn nr. 72/166/EEG: richtlijn nr. 72/166/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 24 april 1972 inzake de
onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende
de verzekering van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de
deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven
en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PbEG
L 103).
Artikel 27b
1.Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën wijzen
een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid aan als
Informatiecentrum dat tot taak heeft informatie te verstrekken aan
benadeelden teneinde hen in staat te stellen een vordering tot
schadevergoeding in te dienen.
2.Een aanwijzing vindt slechts plaats, indien de rechtspersoon aan
de volgende eisen voldoet:
a. hij dient in staat te zijn de in het eerste lid bedoelde
taak naar behoren te vervullen;
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke
vervulling van de in het eerste lid bedoelde taak is gewaarborgd.
3.Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën kunnen
een aanwijzing intrekken indien de rechtspersoon naar hun oordeel niet
meer aan de in het tweede lid vermelde eisen voldoet, dan wel indien
de rechtspersoon anderszins zijn taak niet meer onafhankelijk vervult.
4.Intrekking van een aanwijzing geschiedt onder gelijktijdige
voorziening door Onze Minister van Justitie en Onze Minister van
Financiën in de in het eerste lid bedoelde taak, waaromtrent zij
nadere regels kunnen stellen.
5.Een aanwijzing en een intrekking van een aanwijzing worden in de
Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 27c
Het Informatiecentrum kan zijn statuten niet wijzigen, tenzij de
wijziging door Onze Minister van Justitie en Onze Minister van
Financiën is goedgekeurd.
Artikel 27d
Het Informatiecentrum verstrekt aan Onze Minister van Justitie en
Onze Minister van Financiën alle gevraagde inlichtingen omtrent de
uitvoering van zijn taak.
Artikel 27e
Bij de aanwijzing, bedoeld in artikel 27b, eerste lid, wordt bepaald
op welke wijze de werkzaamheden van het Informatiecentrum ter uitvoering
van zijn taak, worden bekostigd.
Artikel 27f
1.Het Informatiecentrum coördineert ter uitvoering van de hem op
grond van artikel 27b, eerste lid, opgelegde taak de verzameling en
verstrekking van de volgende gegevens:
a. de kentekens van de motorrijtuigen die gewoonlijk in
Nederland zijn gestald;
1°. de polisnummers van de verzekeringen, bedoeld in de
artikelen 3 en 3a en, indien de verzekering is beëindigd,
vernietigd of ontbonden, de datum waarop de dekking is
geëindigd;
2°. het nummer van het internationale verzekeringsbewijs
of van de grensverzekeringspolis dat, onderscheidenlijk die is
afgegeven voor motorrijtuigen waarvoor de in artikel 4, onder
b, van richtlijn 72/166/EEG bepaalde afwijking geldt;
c. de namen en adressen van de verzekeraars en de
schaderegelaars;
d. de lijst van motorrijtuigen waarvoor in een of meer
lidstaten overeenkomstig artikel 4, onder a en b, van richtlijn
nr. 72/166/EEG wordt afgeweken van de verplichte verzekering tegen
burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe deze in het verkeer
aanleiding kunnen geven;
e. met betrekking tot motorrijtuigen als bedoeld onder d:
1°. de naam van de autoriteit of de instantie die
overeenkomstig de tweede alinea van artikel 4, onder a, van
richtlijn nr. 72/166/EEG, is belast met de schadevergoeding
aan de benadeelden, indien de procedure van artikel 2, tweede
lid, eerste streepje van die richtlijn niet van toepassing is
en indien voor het motorrijtuig de afwijking geldt van artikel
4, onder a, van die richtlijn;
2°. de naam van de instantie waaronder het motorrijtuig
ressorteert in de lidstaat waar het gewoonlijk is gestald,
indien voor het motorrijtuig de afwijking geldt van artikel 4,
onder b, van richtlijn nr. 72/166/EEG.
2.De in het eerste lid, onder a, b en c, genoemde gegevens worden
bewaard gedurende zeven jaar na de doorhaling van de inschrijving van
het motorrijtuig in het kentekenregister, bedoeld in artikel 42,
eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 of van de beëindiging van de
dekking.
Artikel 27g
Indien een benadeelde binnen zeven jaar te rekenen van het feit
waaruit de schade is ontstaan, daartoe een verzoek indient, verstrekt
het Informatiecentrum onverwijld de volgende informatie:
a. de naam en het adres van de verzekeraar van het motorrijtuig
waarmee de schade is veroorzaakt;
b. het polisnummer; en
c. de naam en het adres van de schaderegelaar van de verzekeraar,
bedoeld onder a.
Artikel 27h
1.Indien een benadeelde er rechtmatig belang bij heeft, deelt het
Informatiecentrum hem naam en adres van de bezitter, van degene aan
wie het kenteken voor het motorrijtuig is opgegeven of van de houder
van het motorrijtuig mee. Het Informatiecentrum informeert daartoe in
het bijzonder bij:
a. de verzekeraar; of
b. de Dienst Wegverkeer.
2.Indien voor het motorrijtuig de afwijking geldt van artikel 4,
onder a, van richtlijn nr. 72/166/EEG deelt het Informatiecentrum de
benadeelde de naam mee van de autoriteit of de instantie die
overeenkomstig de tweede alinea van artikel 4, onder a, van die
richtlijn is belast met de schadevergoeding aan de benadeelden, indien
de procedure van artikel 2, tweede lid, eerste streepje, van die
richtlijn niet van toepassing is.
3.Indien voor het motorrijtuig de afwijking geldt van artikel 4,
onder b, van richtlijn nr. 72/166/EEG deelt het Informatiecentrum de
benadeelde de naam mee van de instantie waaronder het motorrijtuig
ressorteert in de lidstaat waar het gewoonlijk is gestald.
Artikel 27i
Het Informatiecentrum werkt samen met de informatiecentra die in de
andere lidstaten zijn aangewezen.
Hoofdstuk 4b. Het Schadevergoedingsorgaan
Artikel 27j
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. schade: schade ten gevolge van feiten, veroorzaakt door
deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen die gewoonlijk zijn
gestald en verzekerd in een andere lidstaat dan Nederland en die
zich ofwel hebben voorgedaan in een andere lidstaat dan die van de
woonplaats van de benadeelde, ofwel in een staat buiten de Europese
Unie waar een bureau, groep van verzekeraars of instantie werkzaam
is dat onderscheidenlijk die overeenkomt met het bureau, bedoeld in
artikel 2, zesde lid;
b. benadeelden: personen met woonplaats in Nederland die schade
als bedoeld in onderdeel a hebben geleden, alsmede hun
rechtverkrijgenden, evenwel met uitsluiting van verzekeraars,
uitvoeringsinstellingen als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, en andere instanties die
door vergoeding van de schade in de rechten van deze personen zijn
getreden;
c. verzekeraar: de verzekeraar die in een lidstaat in het bezit
is van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of artikel 23 van
richtlijn 73/239/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het
directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de
levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PbEG L 228).
Artikel 27k
1.Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën wijzen
een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid aan als
Schadevergoedingsorgaan dat tot taak heeft in de gevallen, genoemd in
artikel 27o, eerste lid, schade te vergoeden aan benadeelden.
2.Een aanwijzing vindt slechts plaats, indien de rechtspersoon aan
de volgende eisen voldoet:
a. hij dient in staat te zijn de in het eerste lid bedoelde
taak naar behoren te vervullen;
b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige
besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke
vervulling van de in het eerste lid bedoelde taak is gewaarborgd.
3.Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën kunnen
een aanwijzing intrekken, indien de rechtspersoon naar hun oordeel
niet meer aan de in het tweede lid vermelde eisen voldoet, dan wel
indien de rechtspersoon anderszins zijn taak niet meer onafhankelijk
vervult.
4.Intrekking van een aanwijzing geschiedt onder gelijktijdige
voorziening door Onze Minister van Justitie en Onze Minister van
Financiën in de in het eerste lid bedoelde taak, waaromtrent zij
nadere regels kunnen stellen.
5.Een aanwijzing en een intrekking van een aanwijzing worden in de
Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 27l
Het Schadevergoedingsorgaan kan zijn statuten niet wijzigen, tenzij
de wijziging door Onze Minister van Justitie en Onze Minister van
Financiën is goedgekeurd.
Artikel 27m
1.Het Schadevergoedingsorgaan verstrekt aan Onze Minister van
Justitie en Onze Minister van Financiën alle gevraagde inlichtingen
omtrent de uitvoering van zijn taak.
2.Het Schadevergoedingsorgaan zendt jaarlijks binnen zes maanden na
afloop van het boekjaar aan Onze Minister van Justitie en Onze
Minister van Financiën de balans en de staat van baten en lasten
alsmede het jaarverslag over het betrokken boekjaar. Deze stukken gaan
vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgelegd door een
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 27n
Bij de aanwijzing, bedoeld in artikel 27k, eerste lid, wordt bepaald
op welke wijze de vergoeding door het Schadevergoedingsorgaan van schade
als bedoeld in artikel 27r, wordt bekostigd.
Artikel 27o
1.Een benadeelde kan, wanneer er een burgerrechtelijke
aansprakelijkheid voor schade bestaat, een verzoek schadevergoeding
indienen bij het Schadevergoedingsorgaan, indien:
a. binnen drie maanden na de datum waarop hij zijn verzoek tot
schadevergoeding heeft ingediend bij de verzekeraar van het
motorrijtuig waarmee de schade is veroorzaakt, of bij diens
schaderegelaar in Nederland, die verzekeraar of die schaderegelaar
hem geen met redenen omkleed antwoord op het verzoek heeft
verstrekt;
b. de verzekeraar heeft nagelaten om in Nederland een
schaderegelaar aan te stellen;
c. de verzekeraar niet kan worden geïdentificeerd binnen twee
maanden na het voorvallen van het feit waaruit de schade is
ontstaan; of
d. het motorrijtuig niet kan worden geïdentificeerd.
2.Een benadeelde kan geen verzoek tot schadevergoeding indienen bij
het Schadevergoedingsorgaan:
a. in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, indien
hij zijn verzoek tot schadevergoeding rechtstreeks heeft ingediend
bij de verzekeraar en hij binnen drie maanden na de indiening van
het verzoek een met redenen omkleed antwoord heeft ontvangen; of
b. indien hij rechtstreeks tegen de verzekeraar een
rechtsvordering heeft ingesteld.
Artikel 27p
1.Het Schadevergoedingsorgaan neemt het verzoek tot
schadevergoeding in behandeling binnen twee maanden nadat de
benadeelde het verzoek heeft ingediend.
2.Het Schadevergoedingsorgaan beëindigt de behandeling van het
verzoek zodra de verzekeraar of diens schaderegelaar in Nederland
binnen de in het eerste lid genoemde periode van twee maanden alsnog
een met redenen omkleed antwoord op het verzoek heeft gegeven.
Artikel 27q
Het Schadevergoedingsorgaan stelt de navolgende partijen onmiddellijk
in kennis van het bij hem ingediende verzoek tot schadevergoeding met de
mededeling dat het verzoek binnen twee maanden na de indiening ervan in
behandeling wordt genomen:
a. de verzekeraar van het motorrijtuig waarmee de schade is
veroorzaakt, of diens schaderegelaar;
b. het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van vestiging van
de verzekeraar, bedoeld in onderdeel a; en
c. indien deze bekend is, de persoon die de schade heeft
veroorzaakt.
Artikel 27r
Het Schadevergoedingsorgaan gaat slechts over tot vergoeding van
schade, indien de benadeelde aantoont dat hij alle bekende als zodanig
aansprakelijke personen en, voor zover de aansprakelijkheid van deze
personen behoort te zijn verzekerd volgens de desbetreffende wetgeving
van de lidstaat waar het motorrijtuig waarmee de schade is veroorzaakt,
gewoonlijk is gestald, hun verzekeraars of hun schaderegelaars in
Nederland tot betaling heeft aangemaand.
Artikel 27s
Het Schadevergoedingsorgaan vergoedt geen schade, hoger dan de
wettelijk vastgelegde bedragen in de lidstaat waar het feit heeft
plaatsgevonden waaruit de schade is ontstaan, dan wel in de lidstaat
waar het motorrijtuig gewoonlijk is gestald, indien in laatstbedoelde
lidstaat de dekking hoger is.
Artikel 27t
1.Na vergoeding van schade aan een benadeelde heeft het
Schadevergoedingsorgaan recht van verhaal:
a. in de in artikel 27o, eerste lid, onderdelen a en b genoemde
gevallen op het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van
vestiging van de verzekeraar van het motorrijtuig waarmee de
schade is veroorzaakt;
b. in het in artikel 27o, eerste lid, onderdeel c genoemde
geval op het nationale waarborgfonds in de lidstaat waar het
motorrijtuig waarmee de schade is veroorzaakt gewoonlijk is
gestald, dat overeenkomt met het Waarborgfonds Motorverkeer;
c. in het in artikel 27o, eerste lid, onderdeel d genoemde
geval op het nationale waarborgfonds in de lidstaat waar het feit
heeft plaatsgevonden waaruit de schade is ontstaan, dat
overeenkomt met het Waarborgfonds Motorverkeer;
d. indien het ongeval is veroorzaakt door een motorrijtuig uit
een staat buiten de Europese Unie, waar een bureau, groep van
verzekeraars of instantie werkzaam is dat, onderscheidenlijk die
overeenkomt met het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, en
waarvan de verzekeraar binnen twee maanden na het ongeval niet kan
worden geïdentificeerd, op het nationale waarborgfonds in de
lidstaat waar het feit heeft plaatsgevonden waaruit de schade is
ontstaan, dat overeenkomt met het Waarborgfonds Motorverkeer.
2.Indien een schadevergoedingsorgaan uit een andere lidstaat een
persoon in diens lidstaat schade heeft vergoed op basis van wetgeving
die overeenkomt met artikel 27o en daarna verhaal zoekt op het
Schadevergoedingsorgaan, restitueert het Schadevergoedingsorgaan de
door het schadevergoedingsorgaan uit die andere lidstaat betaalde
bedrag. Het Schadevergoedingsorgaan meldt de naam van de betrokken
verzekeraar aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
3.Indien op het Schadevergoedingsorgaan verhaal is genomen door een
schadevergoedingsorgaan uit een andere lidstaat, heeft het voor het
betaalde bedrag verhaal op degene die burgerrechtelijk aansprakelijk
is of op diens verzekeraar.
Hoofdstuk 5. Gevolgen van het intrekken van de vergunning of het
opleggen van een verbod ter zake van acquisitie
Artikel 28
1.De artikelen 5 tot en met 15 blijven van toepassing op een
schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht met betrekking tot de schade tengevolge van een
ongeval of een gebeurtenis dat heeft plaatsgehad voor of binnen 30
dagen na de intrekking van de vergunning dan wel de intrekking van een
overeenkomstige vergunning indien het een verzekeraar met zetel in een
andere lidstaat betreft, of het besluit als bedoeld in artikel 1:58,
tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht. De Algemene
Termijnenwet is op deze termijn niet van toepassing.
2.Degene die met een verzekeraar die niet of niet meer in het bezit
is van een vergunning dan wel een overeenkomstige vergunning indien
het een verzekeraar met zetel in een andere lidstaat betreft, of ten
aanzien van wie een besluit is genomen als bedoeld in artikel 1:58,
tweede lid,van de Wet op het financieel toezicht, een verzekering
heeft gesloten waartoe deze wet verplicht, kan deze verzekering door
opzegging beëindigen; de verzekeraar geeft alsdan de vooruitbetaalde
premie terug voor het gedeelte dat evenredig is aan het op de datum
van de ontvangst der opzegging nog niet verstreken gedeelte van de
termijn, waarvoor de premie werd betaald, onder aftrek van een door de
Nederlandsche Bank N.V. te bepalen percentage van het terug te betalen
bedrag aan onkosten.
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk 6. Verbods- en strafbepalingen
Artikel 30
1. Hij, die als bezitter, dan wel als degene aan wie het kenteken
is opgegeven, dan wel als houder in de zin van artikel 2, tweede lid,
een motorrijtuig op een weg doet rijden of laat staan of toelaat dat
daarmede op een weg wordt gereden of gestaan, of buiten een weg met
een motorrijtuig deelneemt of toelaat dat daarmede wordt deelgenomen
aan het verkeer op een terrein zonder dat hij voor dat motorrijtuig
een verzekering overeenkomstig deze wet heeft gesloten en in stand
gehouden, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of
geldboete van de tweede categorie.
2. De in het vorige lid genoemde personen worden met gelijke straf
gestraft, indien zij voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs
is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig deze wet hebben
gesloten en in stand gehouden.
3. De in het eerste lid genoemde personen zijn niet strafbaar,
indien op hen de verplichting tot verzekering niet rust.
4. De bestuurder van een motorrijtuig die daarmede op een weg rijdt
of staat of buiten een weg met een motorrijtuig deelneemt aan het
verkeer op een terrein zonder dat er voor dat motorrijtuig een
verzekering overeenkomstig deze wet is gesloten en in stand gehouden,
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete
van de tweede categorie.
5. De in het vorige lid bedoelde bestuurder is niet strafbaar
indien:
a. met betrekking tot het motorrijtuig vrijstelling van de
verplichting tot verzekering is verleend en een geldig bewijs van
die vrijstelling is uitgereikt;
b. een in artikel 2, zesde lid, bedoeld bureau, groep van
verzekeraars of buitenlandse instantie de verplichting op zich
heeft genomen de door het motorrijtuig veroorzaakte schade
overeenkomstig de bepalingen van deze wet te vergoeden.
6. Bij veroordeling wegens een strafbaar feit, omschreven in het
eerste, tweede of vierde lid, kan de schuldige de bevoegdheid worden
ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de tijd van ten hoogste één
jaar en ingeval tijdens het plegen van het strafbare feit nog geen
vijf jaar zijn verlopen na het einde van de tijdsduur, waarvoor bij
een vroegere onherroepelijke veroordeling de schuldige de bevoegdheid
motorrijtuigen te besturen is ontzegd, voor de tijd van ten hoogste
vijf jaren. Met een veroordeling wordt een strafbeschikking
gelijkgesteld. Onder vroegere onherroepelijke veroordeling wordt mede
verstaan een vroegere onherroepelijke veroordeling door een
strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie. Overigens
zijn de bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994, betreffende de
bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen
te besturen van overeenkomstige toepassing.
7. Bij veroordeling wegens een strafbaar feit, omschreven in het
eerste, tweede of vierde lid, kan de rechter tevens de schuldige de
bijkomende straf van betaling van een bedrag van ten hoogste € 2723
aan het Waarborgfonds Motorverkeer opleggen. De artikelen 24a-24c van
het Wetboek van Strafrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
8. De in het vorige lid bedoelde bijkomende straf wordt ten uitvoer
gelegd met overeenkomstige toepassing van de artikelen 561, eerste,
tweede en derde lid, 572, eerste, tweede en vierde lid, 573, 575 en
576 van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie draagt
er zorg voor, dat de geïnde bedragen tegen kwijting aan het
Waarborgfonds Motorverkeer worden uitgekeerd.
Artikel 31
Op de eerste vordering van de personen, belast met de opsporing van
de in deze wet strafbaar gestelde feiten is de bestuurder van een
motorrijtuig verplicht het rijtuig te doen stilhouden en indien hij
ingevolge artikel 14 eerste lid, artikel 17 tweede lid of artikel 19
eerste lid een document bij zich moet hebben, dit behoorlijk ter inzage
af te geven.
Artikel 32
De houder van een bewijs als bedoeld in artikel 19 eerste lid is
verplicht dit, wanneer het ongeldig is geworden, op eerste aanmaning bij
het bevoegde gezag in te leveren.
Artikel 33
Handelen in strijd met de artikelen 31 en 32 wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van de tweede
categorie.
Artikel 34
1.Indien uit het door de Dienst Wegverkeer aangehouden register
niet blijkt dat ten aanzien van een motorrijtuig met betrekking
waartoe gedurende een bepaald tijdvak een verplichting tot verzekering
bestaat of heeft bestaan, gedurende dat tijdvak is voldaan aan de
verzekeringsplicht uit hoofde van deze wet, kan een ambtenaar als
bedoeld in artikel 37 van degene, aan wie het kenteken voor dat
motorrijtuig is opgegeven, vorderen dat hij aantoont dat niettemin aan
de verzekeringsplicht gedurende dat tijdvak voldaan is.
2.Degene tot wie de vordering is gericht, kan daaraan voldoen door
binnen een nader door de in het eerste lid bedoelde ambtenaar te
bepalen termijn, welke echter niet korter mag zijn dan veertien dagen,
een van een verzekeraar afkomstig geschrift op een hem opgegeven
plaats ter inzage te verstrekken. Uit het geschrift moet blijken dat
gedurende het tijdvak de aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig
aanleiding kan geven, was gedekt door een verzekering overeenkomstig
deze wet. De verzekeraar is gehouden een zodanig geschrift af te geven
zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen tien dagen, nadat hem
een daartoe strekkend verzoek heeft bereikt.
3.Degene die niet aan de in het eerste lid bedoelde vordering
voldoet, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden
of geldboete van de tweede categorie. Het zesde tot en met het achtste
lid van artikel 30 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 35
Overtreding van het bepaalde bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur, voor zover die overtreding uitdrukkelijk als strafbaar feit is
aangemerkt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of
geldboete van de tweede categorie.
Artikel 36
De bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Artikel 37
Met de opsporing van de strafbare feiten, bedoeld in dit hoofdstuk,
zijn, behalve de ambtenaren bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering, belast de ambtenaren, die krachtens artikel 159 van de
Wegenverkeerswet 1994 zijn aangewezen tot opsporing van strafbare
feiten.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 38
1.Voor de uitvoering van deze wet kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regelen worden gesteld.
2.Inlichtingen omtrent de nakoming van de verplichting tot
verzekering worden op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst
Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst
vastgestelde tarief door deze dienst verstrekt. Bij algemene maatregel
van bestuur wordt vastgesteld wie tot betaling van het tarief is
gehouden. Artikel 4q, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 39
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 41
De bepalingen van deze wet treden in werking op door Ons te bepalen
tijdstippen.
Artikel 42
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 30 mei 1963
JULIANA
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
De Minister van Financiën a.i.,
J.W. de Pous
De Minister van Verkeer en Waterstaat a.i.,
J. van Aartsen
Uitgegeven de achttiende juni 1963
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|