Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 19 december 1974, houdende
regelen met betrekking tot de prijzen en de tarieven voor het leveren
van aardgas
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
mogelijkheid te openen minimumprijzen vast te stellen voor de afzet in
het binnen- en buitenland van in Nederland en in het Nederlandse deel
van het continentaal plat gewonnen aardgas, alsmede aanwijzingen te
geven omtrent de tarieven, die bij het leveren van aardgas aan degenen,
die dat in Nederland verbruiken, worden toegepast, ten einde een goede
energievoorziening te bevorderen en de opbrengst uit aardgas voor de
Staat te vergroten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
winner: degene, die aardgas wint krachtens een hem verleende
winningsvergunning als bedoeld in de Mijnbouwwet;
Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken.
2.Voor zover een ander dan de winner gebruik maakt van een hem
toegekende bevoegdheid het door die winner gewonnen aardgas of een
deel daarvan te verkopen, wordt in afwijking van het eerste lid in
plaats van die winner die ander als winner aangemerkt.
Artikel 2
1.Onze Minister kan indien aardgas wordt geleverd tegen een prijs,
die naar zijn oordeel achterblijft bij de waarde daarvan, verbieden
aardgas binnen of buiten Nederland te leveren of te doen leveren tegen
een lagere dan een door hem vastgestelde prijs.
2.Een krachtens het eerste lid gesteld verbod kan uitsluitend
gelden voor het door een winner leveren of doen leveren van al dan
niet door hemzelf gewonnen gas.
3.Onze Minister kan afzonderlijke prijzen vaststellen voor
afzonderlijke categorieën van gevallen.
4.Een krachtens het eerste lid vastgestelde prijs is niet hoger dan
de waarde, die aardgas in de gevallen, waarvoor die prijs zal gelden,
op de energiemarkt in het gebied, waarvoor het gas is bestemd, heeft.
Artikel 3
1.Onze Minister kan op een daartoe strekkend verzoek ontheffing
verlenen van een krachtens artikel 2, eerste lid, gesteld verbod
ingeval degene, die aardgas levert of doet leveren, daarvoor geen
vergoeding ontvangt van degene, aan wie wordt geleverd.
2.Zodanige ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan
een ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.
Artikel 4
Indien een levering van aardgas plaatsvindt, waarop een krachtens
artikel 2, eerste lid, vastgesteld verbod van toepassing is, zonder dat
de afnemer zich heeft verplicht daarvoor tenminste de door Onze Minister
vastgestelde prijs te betalen of indien de afnemer bedoelde verplichting
niet in acht neemt, is Onze Minister bevoegd tot oplegging van een last
onder bestuursdwang om verdere levering te beletten.
Artikel 5 [Vervallen per 10-08-2000]
Artikel 6
1.Alvorens een prijs krachtens artikel 2, eerste lid, vast te
stellen doet Onze Minister van de prijs, die hij voornemens is vast te
stellen, mededeling aan degenen, aan wie een zodanige prijs ten minste
zal moeten worden betaald, en aan degenen, die een zodanige prijs ten
minste zullen moeten betalen, dan wel aan organisaties van de
betrokkenen. Hij kan hen in de gelegenheid stellen van hun gevoelen te
doen blijken.
2.Een regeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, treedt niet
eerder in werking dan twee maanden nadat zij in de Staatscourant is
bekendgemaakt.
Artikel 7
De Staat is niet aansprakelijk voor schade, welke voortvloeit uit
toepassing van deze wet.
Artikel 8 [Vervallen per 10-08-2000]
Artikel 9 [Vervallen per 10-08-2000]
Artikel 10
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet aardgasprijzen.
Artikel 11
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 19 december 1974
JULIANA
De Minister van Economische Zaken,
R.F.M. Lubbers
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
L.J. Brinkhorst
De Minister van Justitie,
Van Agt
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
Polak
Uitgegeven de vierentwintigste december 1974
De Minister van Justitie,
Van Agt
|