Nadere regelgeving:
- Besluit
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994
- Besluit buitengebruikstelling voertuigen
WET van 3 juli 1989, houdende
administratiefrechtelijke afdoening van inbreuken op bepaalde
verkeersvoorschriften
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels
vast te stellen om op zichzelf niet ernstige gedragingen in strijd met
verkeersvoorschriften, gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet en
enkele andere wetten, in plaats van op strafrechtelijke wijze op
administratiefrechtelijke wijze af te kunnen doen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
aanhangwagen, motorrijtuig, kenteken en rijbewijs: hetgeen
daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de
Wegenverkeerswet 1994;
bestuurder: alle weggebruikers behalve voetgangers;
kentekenregister: het register, bedoeld in artikel 42 van de
Wegenverkeerswet 1994;
gedraging: een gedraging als bedoeld in artikel 2, eerste lid;
administratieve sanctie: de aan de Staat te betalen geldsom,
bedoeld in artikel 2;
adres: aanduiding van straatnaam, huisnummer, plaatsnaam en
postcode van het woonhuis van de betrokkene.
2. In deze wet wordt mede verstaan onder:
bestuurder: degene die wordt geacht een motorrijtuig onder zijn
onmiddellijk toezicht te doen besturen;
kenteken: het kenteken waaronder een motorrijtuig in het buitenland
is geregistreerd, het registratienummer, vermeld op het
registratiebewijs, afgegeven voor een motorrijtuig gebezigd ten
behoeve van de strijdkrachten, alsmede enig ander registratienummer
waaronder een motorrijtuig in Nederland mag worden geregistreerd;
kentekenregister: een buitenlands register betreffende aldaar
geregistreerde motorrijtuigen, de registratie betreffende
motorrijtuigen gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten, bijgehouden
door Onze Minister van Defensie, alsmede enig andere registratie
betreffende motorrijtuigen, waarvan de houder gerechtigd is deze in
Nederland te voeren;
rijbewijs: een door het bevoegde gezag in het buitenland afgegeven
rijbewijs, alsmede een door het militaire gezag afgegeven rijbewijs.
Hoofdstuk II. Toepassingsgebied van de wet
Artikel 2
1. Ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven
gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende
voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, de Provinciewet of
de Gemeentewet, kunnen op de wijze bij deze wet bepaald
administratieve sancties worden opgelegd. Ingeval een
administratiefrechtelijke sanctie wordt opgelegd zijn voorzieningen
van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard uitgesloten.
2. Als gedragingen in de zin van het eerste lid worden niet
beschouwd die gedragingen waarbij letsel aan personen is ontstaan of
schade aan goederen is toegebracht.
3. Voor elke gedraging bepaalt de in het eerste lid bedoelde
bijlage de aan de Staat te betalen geldsom. Deze geldsom kan per
gedraging niet meer zijn dan het bedrag van de geldboete van de eerste
categorie.
4. De in het derde lid bedoelde geldsom wordt voor personen die ten
tijde van de gedraging nog geen zestien jaar oud waren, gehalveerd.
5. De in het eerste lid bedoelde bijlage kan bij algemene maatregel
van bestuur worden gewijzigd. De voordracht van deze algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat
het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
6. Een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in het vijfde
lid, wordt vastgesteld op voordracht van Onze Minister en Onze
Minister van Infrastructuur en Milieu.
Artikel 2a
De titels 4.4, 5.1 en 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet
van toepassing op het opleggen en de inning van een administratieve
sanctie en de administratiekosten op grond van deze wet.
Hoofdstuk III. Administratieve sanctie
Artikel 3
1.Met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid,
bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen ambtenaren.
2.De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het
opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of
op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de
leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt.
3.De officier van justitie in het arrondissement waar de in het
eerste lid bedoelde ambtenaren optreden, houdt toezicht op de wijze
waarop zij van de hun verleende bevoegdheid gebruik maken. Hij kan
daaromtrent beleidsregels vaststellen. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld omtrent het toezicht op de wijze waarop
de in het eerste lid bedoelde ambtenaren van de hun verleende
bevoegdheid gebruik maken en de intrekking van die bevoegdheid.
4.Het College van procureurs-generaal houdt toezicht op de bij deze
wet geregelde handhaving van verkeersvoorschriften. Het geeft daartoe
bevelen aan de hoofden van de arrondissementsparketten.
Artikel 4
1.De administratieve sanctie wordt opgelegd bij een gedagtekende
beschikking. De beschikking bevat een korte omschrijving, onder
verwijzing naar de aanduiding in de bijlage, van de gedraging ter zake
waarvan zij is gegeven en het voor die gedraging bepaalde bedrag van
de administratieve sanctie, de datum en het tijdstip waarop, alsmede
de plaats waar de gedraging is geconstateerd. Bij ministeriële
regeling worden het model van de beschikking en dat van de
aankondiging van de beschikking vastgesteld, of de eisen waaraan het
model moet voldoen.
2.Zo mogelijk wordt aanstonds een aankondiging van de beschikking
uitgereikt aan degene tot wie zij zich richt, of wordt deze
achtergelaten in of aan het motorrijtuig. De bekendmaking van de
beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft
plaatsgevonden, door toezending van de beschikking aan het adres dat
betrokkene heeft opgegeven of, indien dat niet mogelijk is en de
gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig
waarvoor een kenteken is opgegeven, aan het adres dat is opgenomen in
het kentekenregister. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn,
wordt de beschikking gezonden naar het in de basisadministratie
persoonsgegevens vermelde adres, tenzij dit hetzelfde is als hetgeen
is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief ook op het in de
basisadministratie persoonsgegevens opgenomen adres onbestelbaar
blijkt te zijn, wordt de beschikking geacht aan de betrokkene bekend
te zijn.
3.In een geval als bedoeld in artikel 31, eerste lid, geschiedt de
bekendmaking door uitreiking van de beschikking aan betrokkene. De
weigering de beschikking in ontvangst te nemen, schort de bekendmaking
daarvan niet op.
4.De beschikking vermeldt de dag waarop krachtens artikel 23 de
sanctie uiterlijk moet zijn voldaan. Tevens vermeldt de beschikking
dat de sanctie dient te worden voldaan door middel van de toegezonden
acceptgiro dan wel op een in die beschikking aangeduide plaats,
alsmede de verhogingen die krachtens artikel 23, tweede lid, en
artikel 25 op de administratieve sanctie vallen, indien deze niet
tijdig wordt voldaan.
Artikel 5
Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of
door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en
niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt,
onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve
sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de
gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Daarbij wordt hij
gewezen op het bepaalde in artikel 8.
Artikel 5a
Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of
door middel van een motorrijtuig, waarmee een aanhangwagen waarvoor een
kenteken is vereist, wordt voortbewogen, dan wel waaraan een
aanhangwagen waarvoor een kenteken is vereist, is gekoppeld, en niet
aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt,
onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve
sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het
motorrijtuig ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was
ingeschreven. Indien het kenteken van het motorrijtuig niet is
vastgesteld, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid,
de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het
kenteken van de aanhangwagen ten tijde van de gedraging in het
kentekenregister was ingeschreven. In beide gevallen wordt hij gewezen
op het bepaalde in artikel 8.
Artikel 5b
1. Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met
of door middel van een motorrijtuig waarmee een niet-kentekenplichtige
aanhangwagen wordt voortbewogen, dan wel waaraan een
niet-kentekenplichtige aanhangwagen is gekoppeld, en niet aanstonds is
vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het
bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve sanctie
opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het trekkend
motorrijtuig ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was
ingeschreven.
2. Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met
of door middel van een kentekenplichtige aanhangwagen, wordt de
administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken
van de aanhangwagen ten tijde van de gedraging in het kentekenregister
was ingeschreven. Indien het kenteken van de aanhangwagen niet is
vastgesteld, dan wel indien de aanhangwagen niet kentekenplichtig is,
wordt de administratieve sanctie opgelegd aan degene die ten tijde van
de gedraging eigenaar of houder was van de aanhangwagen.
3. Indien sprake is van een geval als bedoeld in het eerste of
tweede lid dan wordt daarbij gewezen op het bepaalde in artikel 8.
Hoofdstuk IV. Administratief beroep en bezwaar bij de officier van
justitie
Artikel 6
1.Tegen de oplegging van de administratieve sanctie kan degene tot
wie de beschikking is gericht, beroep instellen bij de officier van
justitie in het arrondissement waar de gedraging is verricht. Indien
niet kan worden vastgesteld in welk arrondissement de gedraging is
verricht, kan beroep worden ingesteld bij de officier van justitie in
het arrondissement van de woonplaats van de betrokkene.
2.Onverminderd artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht
vermeldt het beroepschrift de geboortedatum, de geboorteplaats en het
geboortejaar van degene die het beroep heeft ingesteld, en het nummer
van zijn giro- of bankrekening, indien hij die heeft.
Artikel 7
1. De artikelen 6:14, tweede lid, 7:16, tweede lid, 7:24, tweede en
vijfde lid, en 7:26, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
zijn niet van toepassing.
2. In afwijking van artikel 7:16, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht stelt de officier van justitie slechts de indiener van
het beroepschrift in de gelegenheid te worden gehoord.
Artikel 8
De officier van justitie vernietigt de beschikking indien, in het
geval van artikel 5 onderscheidenlijk artikel 5a, degene op wiens naam
het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven:
a. aannemelijk maakt dat tegen zijn wil door een ander van het
motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen gebruik is gemaakt en
dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen,
b. een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijk
bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie
ten tijde van de gedraging de huurder van het motorrijtuig
onderscheidenlijk de aanhangwagen was, dan wel
c. een vrijwaringsbewijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van
het Kentekenreglement, of een verklaring als bedoeld in de artikelen
31 tot en met 33 van het Kentekenreglement, overlegt waaruit blijkt
dat hij ten tijde van de gedraging geen eigenaar of houder meer was
van het betrokken motorrijtuig onderscheidenlijk de betrokken
aanhangwagen.
In de onder a, b en c bedoelde gevallen is de officier van justitie
bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie aan degene die
de gedraging heeft verricht of aan degene die de huurder van het
motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen was, dan wel aan degene
aan wie het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen werd
overgedragen. De artikelen 4, 6 en 7 zijn alsdan van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de beschikking uiterlijk binnen acht
maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden wordt bekendgemaakt.
Hoofdstuk V. Beroep bij de kantonrechter van de rechtbank
Artikel 9
1.Tegen de beslissing van de officier van justitie kan degene die
administratief beroep heeft ingesteld, beroep instellen bij de
rechtbank; het beroep wordt behandeld en beslist door de
kantonrechter. In afwijking van artikel 6:4, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, wordt het beroepschrift ingediend bij de
officier van justitie die ingevolge artikel 6, eerste lid, op het
administratief beroep heeft beslist. Hoofdstuk 8 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing.
2.Het beroep kan worden ingesteld ter zake dat:
a. de gedraging niet is verricht of dat, buiten het geval van
artikel 5, degene tot wie de beschikking is gericht, de gestelde
gedraging niet heeft verricht;
b. de officier van justitie had moeten beslissen dat de
omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het
opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel
dat hij, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert,
een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten
vaststellen;
c. de officier van justitie ten onrechte de beschikking niet op
grond van artikel 8 heeft vernietigd.
3. Artikel 6, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
De officier van justitie brengt het beroepschrift en de op de zaak
betrekking hebbende stukken ter kennis van de rechtbank van het
arrondissement waarin de gedraging is verricht, dan wel, in het geval
bedoeld in artikel 6, eerste lid, tweede volzin, bij de rechtbank van
het arrondissement waarin de woonplaats van de betrokkene is gelegen.
Artikel 11
1. Het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken
worden door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis
gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld
voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten, dan wel
nadat de termijn daarvoor is verstreken.
2. Indien de officier van justitie geheel of gedeeltelijk aan de
indiener van het beroepschrift tegemoetgekomen is, kan de in het
eerste lid bedoelde termijn zonodig met vier weken worden verlengd.
3. De zekerheid wordt door de indiener bij het Centraal Justitieel
Incassobureau te Leeuwarden, bedoeld in artikel 1 van het Besluit
Instelling Centraal Justitieel Incassobureau, gesteld, hetzij door
middel van de aan betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij
anderszins door storting op de rekening van het Centraal Justitieel
Incassobureau. De officier van justitie wijst de indiener van het
beroepschrift na de ontvangst ervan op de verplichting tot
zekerheidstelling en deelt hem mee dat de zekerheidstelling dient te
geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van zijn
mededeling. Indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is
geschied, wordt het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk
verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de
indiener in verzuim is geweest.
4. Alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken worden,
indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, nedergelegd ter griffie
van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan
degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn
gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem
door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan
afschriften of uittreksels vragen. Op de voor de verstrekking van
afschriften en uittreksels aan de betrokkene of zijn gemachtigde in
rekening te brengen vergoedingen is het ter zake bepaalde bij of
krachtens de Wet griffierechten burgerlijke zaken van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 12
1.De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de
gelegenheid om op een door de kantonrechter bepaalde dag en uur op een
openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden
daartoe door de griffier opgeroepen. De oproep aan degene die het
beroep heeft ingesteld wordt gericht aan het in het beroepschrift
vermelde adres.
2.Degene die het beroep heeft ingesteld, kan zich ter zitting doen
bijstaan of doen vertegenwoordigen door een advocaat of door een
daartoe schriftelijk door hem gemachtigde.
3.Ter zitting kunnen getuigen en deskundigen worden meegebracht,
ten einde door de kantonrechter te worden gehoord. Deze kan ambtshalve
of op verzoek ook andere personen als getuige of deskundige horen.
4.De kantonrechter kan bevelen, dat getuigen niet zullen worden
gehoord en tolken niet tot de uitoefening van hun taak zullen worden
toegelaten dan na het afleggen van de eed of belofte.
5.Zij leggen in dat geval ten overstaan van hem de eed of belofte
af; de getuigen: dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan
de waarheid; de tolken: dat zij hun plichten als tolk met
nauwkeurigheid zullen vervullen. De deskundigen zijn verplicht hun
taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten.
Artikel 12a
Titel IV van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13
1.Indien de kantonrechter bevindt dat het beroep ontvankelijk is en
dat de beslissing van de officier van justitie niet of niet ten volle
gehandhaafd kan worden, verklaart de kantonrechter het beroep geheel
of gedeeltelijk gegrond en vernietigt of wijzigt het daarbij de
bestreden beslissing.
2.De beslissing van de kantonrechter is met redenen omkleed en
wordt hetzij terstond, hetzij uiterlijk veertien dagen nadien, op een
openbare zitting uitgesproken.
3.De beslissing wordt in het proces-verbaal der zitting
aangetekend. De aantekening bevat de gronden waarop de beslissing
berust. Een afschrift van de aantekening van de beslissing wordt
toegezonden aan partijen.
Artikel 13a
1. De kantonrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te
veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de
behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van
het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De
artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede lid,
eerste volzin, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten
worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van
procesrecht. Het Besluit proceskosten bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
2. In geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van een
partij aan wie ter zake van het beroep op de kantonrechter, het
bezwaar of het administratief beroep een toevoeging is verleend
krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt het bedrag van de kosten
betaald aan de griffier.
3. Indien een partij in verband met de beroepsprocedure een
toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand,
betaalt de griffier de toe te kennen vergoeding aan de
rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de
belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane
eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor
rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het
bestuursorgaan.
4. In geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van de
indiener van het beroepschrift worden de kosten door de Staat der
Nederlanden vergoed.
Artikel 13b
1.In geval van intrekking van het beroep omdat de officier van
justitie geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift
is tegemoetgekomen, kan de officier van justitie op verzoek van de
indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 13a in
de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de
intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan,
wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek wordt bij
de officier van justitie ingediend.
2.De kantonrechter stelt de verzoeker zo nodig in de gelegenheid
het verzoek schriftelijk toe te lichten en stelt de officier van
justitie in de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Hij stelt
hiervoor termijnen vast. Indien het verzoek mondeling wordt gedaan,
kan de kantonrechter bepalen dat het toelichten van het verzoek en het
voeren van verweer onmiddellijk mondeling geschieden.
3.Indien het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer
mondeling zijn geschied, sluit de kantonrechter het onderzoek.
4.Indien het verzoek schriftelijk wordt toegelicht, nodigt de
kantonrechter partijen uit ter zitting te verschijnen. Indien partijen
daarvoor toestemming hebben gegeven, kan de kantonrechter bepalen dat
het onderzoek ter zitting achterwege blijft. De kantonrechter kan ook
ambtshalve besluiten het verzoek buiten zitting af te doen. De
kantonrechter sluit vervolgens het onderzoek.
Hoofdstuk VI. Hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Artikel 14
1. Degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld, alsmede de
officier van justitie, kunnen tegen de beslissing van de kantonrechter
hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, tenzij
de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing niet meer
bedraagt dan € 70.
2. Eveneens kan degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld
doch daarin met toepassing van het bepaalde in artikel 11, derde lid,
niet-ontvankelijk is verklaard, tegen die beslissing hoger beroep
instellen op de grond dat de kantonrechter ten onrechte heeft
geoordeeld dat de zekerheid niet dan wel niet tijdig is gesteld dan
wel ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de indiener redelijkerwijs
niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
Artikel 15
1. In afwijking van artikel 6:4 van de Algemene wet bestuursrecht
geschiedt het instellen van hoger beroep door het indienen van een
beroepschrift bij de rechtbank van de kantonrechter tegen wiens
beslissing het beroep is gericht.
2. Nadat de termijn voor het instellen van hoger beroep is
verstreken, zendt de griffier van de rechtbank het ingekomen
beroepschrift met de stukken van het geding en een afschrift van de
beslissing onverwijld ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden in.
Artikel 16
1.Het gerechtshof beslist, behoudens het bepaalde in het tweede
lid, in enkelvoudige kamers.
2.De oudste in rang van de voorzitters van de meervoudige kamers
regelt de verdeling van de werkzaamheden over de kamers. Indien de
voorzitter de zaak niet vatbaar acht voor afdoening door een
enkelvoudige kamer, wijst hij voor de behandeling van de zaak de
meervoudige kamer aan.
3.De voorzitter is bevoegd een reeds door een meervoudige kamer in
behandeling genomen zaak op voordracht van die kamer te verwijzen naar
een enkelvoudige kamer.
4.Een enkelvoudige kamer kan een zaak in iedere stand van het
geding naar een meervoudige kamer verwijzen.
Artikel 17
De artikelen 512 tot en met 518 van het Wetboek van Strafvordering
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17a [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 18
1. Nadat het hoger beroep is ingesteld treedt de advocaat-generaal
bij het ressortsparket als partij in de plaats van de officier van
justitie.
2. De officier van justitie verstrekt de advocaat-generaal bij het
ressortsparket de nodige inlichtingen.
Artikel 19
1. De griffier van het gerechtshof zendt een door hem voor
eensluidend getekend afschrift van het beroepschrift onverwijld toe
aan degene, die mede tot het instellen van hoger beroep gerechtigd
was.
2. Deze kan binnen vier weken nadat het afschrift is verzonden, bij
het gerechtshof een ondertekend verweerschrift indienen.
3. De griffier van het gerechtshof zendt een door hem voor
eensluidend getekend verweerschrift onverwijld aan degene die hoger
beroep heeft ingesteld. Deze kan binnen twee weken nadat het afschrift
van het verweerschrift is verzonden schriftelijk een nadere
toelichting geven op zijn beroep. Indien een nadere toelichting
gegeven wordt, stelt het gerechtshof de in het eerste lid bedoelde
persoon in de gelegenheid hierop eveneens binnen twee weken te
reageren.
4. Partijen kunnen afschriften van of uittreksels uit door hen
omschreven stukken verkrijgen. Op de voor de verstrekking van
afschriften of uittreksels in rekening te brengen vergoedingen is het
bij of krachtens de Wet griffierechten burgerlijke zaken bepaalde van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
Het gerechtshof kan partijen en zonodig getuigen en deskundigen
opdragen binnen een bepaalde termijn schriftelijk inlichtingen te geven
of onder hen berustende stukken in te zenden.
Artikel 20a
1.Een partij kan schriftelijk verzoeken om een behandeling ter
zitting. Zodanig verzoek wordt ingediend bij het beroepschrift of,
indien een verweerschrift is ingediend, uiterlijk binnen twee weken na
verzending daarvan door het gerechtshof aan de wederpartij.
2.De voorzitter van de kamer die de zaak in behandeling heeft
bepaalt dag en uur van de behandeling ter zitting.
3.De zitting is openbaar.
Artikel 20b
Indien de zaak op een zitting zal worden behandeld worden de stukken
van het geding neergelegd ter griffie van het gerechtshof. Hiervan wordt
door de griffier mededeling gedaan aan partijen, onder vermelding van de
termijn waarbinnen deze stukken aldaar kunnen worden ingezien en dat
daarvan afschriften of uittreksels kunnen worden gevraagd. Op de voor de
verstrekking van afschriften of uittreksels in rekening te brengen
vergoedingen is het bij of krachtens de Wet griffierechten burgerlijke
zaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20c
1.Indien de zaak op een zitting zal worden behandeld worden
partijen uitgenodigd ter zitting. De oproep aan degene die hoger
beroep heeft ingesteld wordt gericht aan het adres opgegeven in het
beroepschrift in hoger beroep dan wel, in geval de officier van
justitie hoger beroep heeft ingesteld, aan het door de betrokkene in
het verweerschrift of in het beroepschrift bij de rechtbank opgegeven
adres.
2.Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, kan zich
ter zitting laten bijstaan of zich door een gemachtigde laten
vertegenwoordigen.
3.Ter zitting kunnen getuigen of deskundigen worden meegebracht ten
einde door het gerechtshof te worden gehoord. Het gerechtshof kan
ambtshalve of op verzoek ook andere personen als getuige of deskundige
horen.
4.Het gerechtshof kan bevelen dat getuigen niet zullen worden
gehoord en tolken niet tot de uitoefening van hun taak zullen worden
toegelaten dan na het afleggen van de eed of belofte.
5.Ze leggen in dat geval ten overstaan van de voorzitter de eed of
belofte af;
de getuigen: dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan
de waarheid;
de tolken: dat zij hun plichten als tolk met nauwkeurigheid zullen
vervullen.
De deskundigen zijn verplicht hun taak onpartijdig en naar beste
weten te vervullen.
6.Van het verhandelde ter zitting wordt proces-verbaal opgemaakt,
hetwelk door de voorzitter en de griffier wordt vastgesteld en
ondertekend.
Artikel 20d
1.Indien het gerechtshof het beroepschrift ontvankelijk acht,
bevestigt het gerechtshof de beslissing van de kantonrechter, hetzij
met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet het,
met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing
van de kantonrechter, hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen.
2.Indien de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd
op de in artikel 14, tweede lid, genoemde grond wijst het gerechtshof
de zaak terug naar de rechtbank, tenzij door betrokkene de behandeling
van het beroep door het gerechtshof zelf is verlangd. In geval van
terugwijzing doet de kantonrechter recht met inachtneming van het
arrest van het gerechtshof.
3.Het arrest van het gerechtshof is met redenen omkleed. Het wordt
op een openbare zitting uitgesproken. Indien de zaak ter zitting is
behandeld wordt het arrest aangetekend in het proces-verbaal van die
zitting en wordt het uiterlijk veertien dagen na de sluiting van het
onderzoek ter zitting uitgesproken. Indien de zaak niet ter zitting is
behandeld wordt het arrest op een door de voorzitter te bepalen dag
uiterlijk zes weken nadat de laatste van de in artikel 19 bedoelde
termijnen is verstreken uitgesproken.
4.De artikelen 13a en 13b zijn van overeenkomstige toepassing, met
uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid.
5.Een afschrift van het arrest wordt toegezonden aan partijen.
Hoofdstuk VII. Vervallen zekerheidstelling
Artikel 21
1.De verplichting tot zekerheidstelling vervalt nadat ten aanzien
van de opgelegde administratieve sanctie een onherroepelijke
beslissing is genomen.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde beslissing inhoudt dat de
opgelegde administratieve sanctie geheel of gedeeltelijk blijft
gehandhaafd, wordt de verschuldigde administratieve sanctie op de
zekerheidstelling verhaald.
Hoofdstuk VIII. De inning van de administratieve sanctie
Artikel 22
1. Met de inning van de administratieve sancties is de officier van
justitie belast.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent
de inning voorschriften gegeven. Deze voorschriften hebben in ieder
geval betrekking op de plaats en wijze van betaling van de
administratieve sanctie, de administratiekosten, de verantwoording van
de ontvangen geldbedragen, alsmede op de kosten van verhaal, de
invorderingskosten daaronder begrepen.
3. Een ieder is verplicht desgevorderd onverwijld aan de officier
van justitie, die met de inning van de administratieve sanctie is
belast, de inlichtingen te verstrekken welke naar het redelijk oordeel
van het openbaar ministerie noodzakelijk zijn ten behoeve van de
toepassing van het eerste lid van dit artikel. De artikelen 217 en 218
van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 23
1. Uiterlijk binnen twee weken nadat een beschikking waarbij een
administratieve sanctie is opgelegd, onherroepelijk is geworden,
moeten de administratieve sanctie en de administratiekosten zijn
voldaan.
2. De sanctie wordt van rechtswege met vijftig procent verhoogd
indien deze niet tijdig geheel wordt voldaan.
Artikel 24
Degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd, is tot
betaling van het ingevolge artikel 23 verhoogde bedrag verplicht binnen
vier weken nadat de officier van justitie hem over de gewone post een
aanmaning heeft toegezonden.
Artikel 25
1. Indien degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd
nalatig blijft de sanctie en de daarop gevallen verhoging geheel te
voldoen binnen de in de aanmaning gestelde termijn van vier weken,
wordt het inmiddels verschuldigde bedrag van rechtswege verder
verhoogd met honderd procent van het bedrag van de sanctie en de
daarop inmiddels gevallen verhoging, en kan door de officier van
justitie verhaal worden genomen op de goederen, de inkomsten en het
vermogen van degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd,
overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 26 en 27.
2. Door de officier van justitie kan verhaal worden genomen
gedurende twee jaar nadat ten aanzien van de administratieve sanctie
een onherroepelijke beslissing is genomen.
3. Het recht om verhaal te nemen vervalt door het overlijden van
degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd.
Artikel 26
1. Verhaal op de goederen van degene aan wie de administratieve
sanctie is opgelegd geschiedt krachtens een dwangbevel, medebrengende
het recht om die goederen zonder vonnis aan te tasten.
2. Het dwangbevel wordt in naam des Konings uitgevaardigd door de
officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland. Het wordt
ten uitvoer gelegd als een vonnis van de burgerlijke rechter.
3. Tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan verzet worden
gedaan, hetwelk niet gericht zal kunnen zijn tegen de beslissing
waarbij de administratieve sanctie werd opgelegd. Verzet wordt gedaan
bij een met redenen omkleed verzetschrift. Het verzetschrift wordt
binnen twee weken na de betekening van het dwangbevel ingediend bij de
rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie
de administratieve sanctie is opgelegd. Wordt binnen twee weken na de
betekening tot inbeslagneming overgegaan, dan wordt het verzetschrift
binnen een week na de dag van inbeslagneming ingediend. Bij het
verzetschrift worden het dwangbevel en een afschrift van het exploit
van betekening van het dwangbevel overgelegd.
4. Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is een
griffierecht verschuldigd. De griffier wijst de indiener van het
verzetschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem
mee dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de dag van
verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de
rekening van de rechtbank dan wel ter griffie te zijn gestort. Indien
het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt
het verzet niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan
worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
5. Indien de in het derde lid bedoelde stukken niet zijn
overgelegd, deelt de griffier de indiener van het verzetschrift mee
dat deze stukken binnen twee weken na de dag van verzending van zijn
mededeling ter griffie dienen te zijn overgelegd. Indien dit laatste
niet binnen deze termijn is geschied, wordt het verzet
niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden
geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
6. De griffier brengt het verzetschrift en de daarop betrekking
hebbende stukken ter kennis van de officier van justitie in het
arrondissement Leeuwarden, ten einde hem in de gelegenheid te stellen
daarover de nodige opmerkingen te maken. De officier van justitie
stelt de betrokken gerechtsdeurwaarder ervan in kennis dat verzet is
gedaan. De kantonrechter geeft zo spoedig mogelijk na afloop van deze
termijn, na zo nodig degene aan wie de administratieve sanctie is
opgelegd te hebben gehoord, althans opgeroepen om te verschijnen, zijn
met redenen omklede beschikking, welke onverwijld aan degene die het
verzet heeft gedaan en aan de officier van justitie in het
arrondissement Noord-Nederland wordt medegedeeld. De artikelen 13a en
13b zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de
laatste volzin van artikel 13b, eerste lid.
7. Indien de kantonrechter het verzet gegrond oordeelt, houdt de
beschikking tevens in dat aan de indiener van het verzetschrift het
door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door de griffier. In de
overige gevallen kan de kantonrechter bepalen dat het betaalde
griffierecht wordt vergoed.
8. Ten aanzien van derden die bij een inbeslagneming van goederen
daarop geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben, zijn de
bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van
toepassing.
9. De kosten van het verhaal krachtens dit artikel worden op
gelijke voet als de administratieve sanctie op degene aan wie deze
sanctie is opgelegd verhaald. Onder de kosten van het verhaal zijn
begrepen de invorderingskosten.
Artikel 26a
1. De officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland,
alsmede degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, kunnen
tegen de beschikking van de kantonrechter binnen twee weken na de
verzending van de mededeling van de beschikking van de kantonrechter
hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het
beroepschrift wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank die de
beschikking heeft gegeven.
2. Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is in
zijn beroep slechts ontvankelijk na voorafgaande zekerheidstelling van
het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten. De zekerheid wordt
gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden,
bedoeld in artikel 1 van het Besluit Instelling Centraal Justitieel
Incassobureau, door storting op de rekening van het Centraal
Justitieel Incassobureau. De griffier van de rechtbank wijst de
indiener van het beroepschrift op de verplichting tot
zekerheidstelling en deelt hem mee dat de zekerheidstelling dient te
geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van zijn
mededeling. Indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is
geschied, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim
is geweest.
3. Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is
eveneens een griffierecht verschuldigd. De griffier van de rechtbank
wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het
griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen twee
weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn
bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie te
zijn gestort. Indien het griffierecht niet binnen deze termijn is
bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk
verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de
indiener in verzuim is geweest.
4. Nadat de zekerheidstelling en de bijschrijving of de storting
van het griffierecht hebben plaatsgevonden of nadat de termijnen voor
het stellen van de zekerheid en de betaling van het griffierecht
ongebruikt zijn verstreken, zendt de griffier van de rechtbank het
beroepschrift met de daarop betrekking hebbende stukken en een
afschrift van de beschikking van de kantonrechter onverwijld ter
griffie van het gerechtshof in.
5. Op de behandeling van het hoger beroep zijn de artikelen 16 tot
en met 20c van overeenkomstige toepassing.
6. Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk. De artikelen 13a en
13b, met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste
lid, en 20d, eerste en derde lid, zijn op de beschikking van
overeenkomstige toepassing.
7. Afschrift van de beschikking wordt door de griffier van het
gerechtshof gezonden aan degenen die tot het instellen van hoger
beroep gerechtigd waren.
Artikel 27
1. Verhaal kan zonder dwangbevel worden genomen op:
a. inkomsten in geld uit arbeid van degene aan wie een
administratieve sanctie is opgelegd;
b. pensioenen, wachtgelden en andere uitkeringen waarop degene
aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, aanspraak heeft;
c. het tegoed van een rekening bij een bank als bedoeld in
artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, waarover degene
aan wie de administratieve sanctie is opgelegd te eigen bate
vermag te beschikken.
2. Verhaal met toepassing van het eerste lid geschiedt door middel
van een schriftelijke kennisgeving van het openbaar ministerie dat met
de inning van de administratieve sanctie is belast. De kennisgeving
bevat een voor de uitoefening van het verhaal voldoende aanduiding van
degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, en vermeldt
welk bedrag uit hoofde van de beschikking nog verschuldigd is, dan wel
bij welke rechterlijke uitspraak de administratieve sanctie is
opgelegd, alsmede de plaats waar de betaling moet geschieden. Zij
wordt verstrekt aan degene onder wie het verhaal wordt genomen, en
betekend aan degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. In
het laatste geval zijn de artikelen 529 tot en met 532 en de artikelen
585 tot en met 588, 589 en 590 van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing.
3. Door de verstrekking van de kennisgeving is degene onder wie het
verhaal wordt genomen, verplicht tot onverwijlde betaling aan de
officier van justitie van het in de kennisgeving bedoelde bedrag voor
zover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd op hem een
opeisbare vordering heeft of verkrijgt. De officier van justitie
bepaalt de termijn waarbinnen de betaling moet geschieden. De
verplichting tot betaling vervalt zodra het uit hoofde van de
beschikking verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijk
wanneer acht weken na de dag van verstrekking van de kennisgeving zijn
verstreken.
4. Degene onder wie het verhaal wordt genomen, kan zich niet
tegenover de officier van justitie beroepen op het tenietgaan of de
vermindering van zijn schuld aan degene aan wie de administratieve
sanctie is opgelegd door betaling of door verrekening met een
tegenvordering dan in de gevallen waarin hij daartoe ook bevoegd zou
zijn geweest bij een op het tijdstip van de betekening overeenkomstig
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelegd beslag onder
derden. Indien een andere schuldeiser op de vordering waarop het
verhaal wordt genomen, beslag heeft gelegd, is artikel 478 van het
Wetboek van overeenkomstige toepassing. Het verhaal wordt voor de
toepassing van de artikelen 33 en 301 van de Faillissementswet met een
beslag onder derden gelijkgesteld.
5. Indien verhaal is genomen op vordering van degene aan wie de
administratieve sanctie is opgelegd als bedoeld in het eerste lid,
onder a en b, zijn de artikelen 475a tot en met 475g, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
6. Iedere belanghebbende kan binnen een week na de betekening van
de in het tweede lid bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed
verzetschrift verzet doen tegen het verhaal. Artikel 26, derde tot en
met negende lid, en artikel 26a zijn van overeenkomstige toepassing.
7. De kosten van het verhaal krachtens dit artikel worden op
gelijke voet als de administratieve sanctie op degene aan wie deze
sanctie is opgelegd verhaald. Onder de kosten van het verhaal zijn
begrepen de invorderingskosten.
Artikel 27a
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de staat
geldbedragen, verkregen uit de tenuitvoerlegging van administratieve
sancties, op een daarbij vast te stellen grondslag en naar daarbij vast
te stellen regelen ten goede laat komen aan een rechtspersoon die
krachtens het publiekrecht is ingesteld.
Artikel 28
1. De officier van justitie bij het arrondissementsparket
Noord-Nederland kan, indien niet of niet volledig verhaal
overeenkomstig de artikelen 26 en 27 heeft plaatsgevonden, bij de
kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waar het adres
is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd een
vordering instellen om te worden gemachtigd om per gedraging waarvoor
een administratieve sanctie is opgelegd het dwangmiddel gijzeling toe
te passen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd,
voor ten hoogste één week. Indien degene aan wie de administratieve
sanctie is opgelegd ingeschreven staat op een in de basisadministratie
persoonsgegevens opgenomen adres, maar niet op dat adres woonachtig
is, dan wel indien degene aan wie de administratieve sanctie is
opgelegd geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft,
geschiedt de instelling van de bovenbedoelde vordering door bij de
rechtbank Noord-Nederland door de officier van justitie bij het
arrondissementsparket Noord-Nederland. Een verleende machtiging om
gijzeling toe te passen kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde
administratieve sanctie onherroepelijk is geworden, worden uitgevoerd.
2. Op de vordering wordt niet beslist dan nadat degene aan wie de
sanctie is opgelegd door de kantonrechter is gehoord, althans
behoorlijk is opgeroepen. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel
open.
3. De officier van justitie bij het arrondissementsparket
Noord-Nederland of de ambtenaar die door hem is belast met de
toepassing van de gijzeling heeft voor het in gijzeling stellen van de
betrokkene toegang tot elke plaats.
4. De toepassing van het dwangmiddel wordt gestaakt, zodra het
verschuldigde bedrag aan de instantie, belast met deze toepassing, is
betaald. De toepassing van het dwangmiddel heft de verschuldigdheid
niet op.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent
de tenuitvoerlegging van de gijzeling als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 28a
Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26
en 27 heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie bij het
arrondissementsparket Noord-Nederland het rijbewijs innemen van degene
aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. De officier kan tot
uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie
onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. De
inneming van het rijbewijs duurt ten hoogste vier weken.
Artikel 28b
Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26
en 27 heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie bij het
arrondissementsparket Noord-Nederland het voertuig waarmee de gedraging
heeft plaatsgevonden buiten gebruik stellen of, indien dit voertuig niet
wordt aangetroffen, een soortgelijk voertuig waarover degene aan wie de
administratieve sanctie is opgelegd, vermag te beschikken. De officier
kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie
onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. De
buitengebruikstelling duurt ten hoogste vier weken.
Artikel 29
1. Indien degene wiens voertuig buiten gebruik kan worden gesteld
door de officier van justitie bij het arrondissementsparket
Noord-Nederland niet terstond voldoet aan het overeenkomstig artikel
23, tweede lid, en artikel 25 verhoogde bedrag van de administratieve
sanctie, is de officier van justitie bevoegd het voertuig op kosten
van de betrokkene naar een door hem aangewezen plaats te doen
overbrengen en in bewaring te doen stellen. Het voertuig wordt
tussentijds aan de rechthebbende teruggegeven tegen betaling van het
bedrag van de administratieve sanctie en de daarop gevallen
verhogingen, alsmede van de kosten van overbrenging en bewaring.
2. De officier van justitie is tevens bevoegd om in het in het
eerste lid bedoelde geval aan het voertuig een mechanisch hulpmiddel
te doen aanbrengen, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt
weggereden. Het mechanisch hulpmiddel wordt tussentijds niet
verwijderd dan nadat het bedrag van de administratieve sanctie en de
daarop gevallen verhogingen, alsmede de kosten van het aanbrengen en
van het verwijderen ervan zijn voldaan.
3. Indien twaalf weken na de aanvang van de buitengebruikstelling
de rechthebbende zijn voertuig niet heeft afgehaald, wordt hij geacht
zijn recht op de zaak te hebben opgegeven en is de officier van
justitie bevoegd het voertuig om niet aan een derde in eigendom te
doen overdragen, te doen verkopen of te doen vernietigen. Gelijke
bevoegdheid bestaat ook binnen de bedoelde termijn, zodra het
gezamenlijke bedrag van de opgelegde administratieve sanctie, de
daarop gevallen verhoging, de kosten van het aanbrengen en het
verwijderen, alsmede de kosten van overbrenging en bewaring,
vermeerderd met de voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of
de vernietiging geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van het
voertuig naar zijn oordeel onevenredig hoog zou worden.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de overbrenging, bewaring,
eigendomsoverdracht om niet, verkoop, vernietiging, de berekening van
de kosten van overbrenging en bewaring, alsmede omtrent hetgeen verder
voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijk is.
Artikel 30
1. Degene wiens rijbewijs kan worden ingenomen door de officier van
justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland, is verplicht
op eerste vordering van de officier van justitie het rijbewijs in te
leveren op een door de officier van justitie te bepalen tijdstip en
aan te wijzen plaats.
2. De termijn, bedoeld in artikel 28a, vangt aan op het tijdstip
waarop de inlevering van het rijbewijs heeft plaatsgevonden.
3. Indien aan de verplichting tot inlevering van het rijbewijs niet
wordt voldaan, is de officier van justitie bevoegd dat rijbewijs op
kosten van de in het eerste lid bedoelde persoon te doen inleveren.
Afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
4. De officier van justitie doet van het tijdstip, bedoeld in het
eerste en in het tweede lid, onverwijld mededeling aan de beheerder
van het rijbewijzenregister in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. De
officier van justitie doet op gelijke wijze mededeling van het
tijdstip waarop het rijbewijs is teruggegeven.
Hoofdstuk IX. Voorlopige maatregelen
Artikel 31
1. Indien de in artikel 3, eerste lid, bedoelde ambtenaren bij de
uitoefening van de in artikel 3, eerste lid, omschreven bevoegdheid
bevinden dat de bestuurder geen bekende woon- of verblijfplaats in
Nederland heeft, dan wel geregistreerd staat voor het niet voldoen van
een hem eerder overeenkomstig de bepalingen van deze wet opgelegde
administratieve sanctie, kunnen zij vorderen dat het bedrag van de
opgelegde en van de reeds verschuldigde administratieve sanctie en van
de administratiekosten terstond zal worden voldaan dan wel dat
zekerheid wordt gesteld dat het bedrag van de bedoelde sanctie tijdig
zal worden voldaan.
2. Indien de in artikel 3, eerste lid, bedoelde ambtenaren hebben
vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel
van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet
aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is en waarvan
aannemelijk is dat de kentekenhouder geen bekende woon- of
verblijfplaats in Nederland heeft, dan wel dat de kentekenhouder
geregistreerd staat voor het niet voldoen van een hem eerder
overeenkomstig de bepalingen van deze wet opgelegde sanctie, zijn zij
bevoegd bij wijze van voorlopige maatregel het voertuig naar een door
hen aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te stellen,
dan wel aan het voertuig een mechanisch hulpmiddel te doen aanbrengen,
waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden. Zij
kunnen vorderen dat, alvorens het voertuig aan de bestuurder wordt
teruggegeven, naast de kosten van overbrenging en bewaring, eveneens
het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie en de
administratiekosten en van de eerder overeenkomstig de bepalingen van
deze wet opgelegde en inmiddels verschuldigde administratieve sanctie
en de administratiekosten zal worden voldaan.
3. Voldoening van het bedrag van de opgelegde administratieve
sanctie en van de administratiekosten laat de bevoegdheid tegen de
beschikking van de ambtenaar beroep in te stellen als omschreven in de
artikelen 6 en 9 onverlet. Wordt het beroep gegrond verklaard, dan
wordt het bedrag van de administratieve sanctie en van de
administratiekosten teruggegeven. Artikel 29, derde en vierde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32
Indien aan de in artikel 31, eerste lid, bedoelde vordering niet
wordt voldaan, is de ambtenaar bevoegd bij wijze van voorlopige
maatregel het voertuig in bewaring te stellen, totdat het bedrag van de
opgelegde en van de reeds verschuldigde administratieve sanctie en van
de administratiekosten, alsmede de inmiddels daarop gevallen kosten van
de inbewaringstelling zijn voldaan. Daartoe kan hij op kosten van de
bestuurder het voertuig naar een door hem aangewezen nabijgelegen plaats
overbrengen of doen overbrengen en aldaar in bewaring doen stellen. Zo
nodig roept hij hierbij de hulp van de sterke arm in. Artikel 29, derde
en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33
1. Van iedere inbewaringstelling maakt de betrokken ambtenaar
proces-verbaal op. Hij zendt dit proces-verbaal binnen vierentwintig
uur aan de officier van justitie in het arrondissement waar de
inbewaringstelling is geschied. Een afschrift van het proces-verbaal
wordt gelijktijdig uitgereikt of toegezonden aan de bestuurder,
alsmede aan degene aan wie het kenteken van het motorrijtuig is
opgegeven. Daarbij wordt hij gewezen op het bepaalde in artikel 29,
derde lid.
2. Tegen een inbewaringstelling kan elke belanghebbende beroep
instellen bij de rechtbank op grond dat
a. de inbewaringstelling met een algemeen verbindend
voorschrift strijdt;
b. de ambtenaar van zijn in artikel 32 omschreven bevoegdheid
op een kennelijk onredelijke wijze heeft gebruik gemaakt.
3. Het beroepschrift wordt ingediend bij de officier van justitie
in het arrondissement waar de inbewaringstelling is geschied. De
officier van justitie brengt het beroepschrift en de op de zaak
betrekking hebbende stukken ter kennis van de rechtbank van het
arrondissement waar de inbewaringstelling is geschied.
4. Het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken
worden door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis
gebracht binnen vier dagen nadat de indiener zekerheid heeft gesteld
voor de betaling van de sanctie, dan wel nadat de termijn daarvoor is
verstreken.
5. De kantonrechter beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
binnen vier weken na de dag waarop het beroepschrift bij de officier
van justitie is ingediend. Ten aanzien van de behandeling van het
beroepschrift en de uitspraak zijn de artikelen 11, tweede, derde en
vierde lid, 12, 13, 13a en 13b van overeenkomstige toepassing.
6. Indien de kantonrechter het beroepschrift gegrond acht, gelast
hij de onmiddellijke teruggave van het voertuig.
7. Het instellen van beroep schorst de bevoegdheid van de officier
van justitie, bedoeld in artikel 29, derde lid, tot de dag na die
waarop de kantonrechter zijn beslissing heeft gegeven.
Hoofdstuk X. Overige bepalingen
Artikel 34
1.Met geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
a. hij die niet voldoet aan vordering van een krachtens artikel
3, eerste lid, aangewezen toezichthouder;
b. hij die de gegevens waarop de in het eerste lid bedoelde
vordering betrekking heeft, onjuist opgeeft;
c. hij die niet voldoet aan de in artikel 30 omschreven
verplichting.
2.Het strafbare feit is een overtreding.
Artikel 35
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
gegeven omtrent hetgeen verder ter uitvoering van deze wet nodig is.
Artikel 36
1. Behoudens in geval van een verzetschrift als bedoeld in artikel
26, derde lid, een beroepschrift bedoeld in artikel 26a en een
verzetschrift als bedoeld in artikel 27, zesde lid, is op grond van
deze wet geen recht verschuldigd in de zin van de Wet griffierechten
burgerlijke zaken.
2. Indien het verzetschrift wordt ingetrokken omdat de officier van
justitie geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzetschrift
is tegemoetgekomen wordt het door de indiener betaalde griffierecht
aan hem vergoed door de desbetreffende officier van justitie. In de
overige gevallen kan de desbetreffende officier van justitie, indien
het verzet wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of
gedeeltelijk vergoeden.
Hoofdstuk XI. Slotbepalingen
Artikel 37 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 44
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet administratiefrechtelijke
handhaving verkeersvoorschriften.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 3 juli 1989
BEATRIX
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
Uitgegeven de zevenentwintigste juli 1989
De Minister van Justitie a.i.,
G.J.M. Braks
BIJLAGE
bij de Wahv (pdf-bestand)
|