WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op de noodzaak
van beperking van de collectieve uitgaven wenselijk is de aanspraak van
het overheidspersoneel op het bedrag per kind in de vakantie-uitkering
te doen vervallen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Belanghebbenden in de zin van deze wet zijn:
a. personen voor wie de vaststelling der arbeidsvoorwaarden
geschiedt bij wet of krachtens wet door Ons, dan wel onder Onze
goedkeuring, en overige personen in overheidsdienst;
b. personen in dienst van een onderwijsinstelling, als bedoeld in
artikel B 2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb.
1979, 679).
Artikel 2
Voor de toepassing van deze wet wordt onder bedrag per kind in de
vakantie-uitkering verstaan het bedrag van de vermeerdering van de
vakantie-uitkering voor elk kind waarvoor de ambtenaar kinderbijslag
geniet, bedoeld in artikel 31a van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement (Stb. 1931, 248), dan wel hetgeen
hiermede overeenkomt in de op een belanghebbende van toepassing zijnde
rechtspositie- of bezoldigingsregeling.
Artikel 3
Bepalingen krachtens welke een belanghebbende aanspraak heeft op het
bedrag per kind in de vakantie-uitkering vervallen.
Artikel 4
De berekening van een aan een belanghebbende toe te kennen
financiële vergoeding, gratificatie of andere uitkering, waarbij
ingevolge de ter zake van toepassing zijnde bepalingen het bedrag per
kind in de vakantie-uitkering mede in aanmerking dient te worden
genomen, geschiedt met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.
Artikel 5
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste kalendermaand na
de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 22 december 1982
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Rietkerk
De Staatssecretaris van Defensie,
W.K. Hoekzema
Uitgegeven de achtentwintigste december 1982
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes