Nadere regelgeving:
- Beschikking grondbankstelsel
- Besluit grondbankstelsel
- Besluit omschrijving en aanduiding gebied ex artikel 3 Wet agrarisch grondverkeer
- Regeling beheer en vervreemding in landinrichtingsgebieden in
uitvoering
- Regeling
inrichting landelijk gebied
- Regeling uitgiftevoorwaarden grondbankstelsel
- Uitvoeringsbesluit
pacht
- Uitvoeringsregeling
pacht
WET van 26 maart 1981, houdende regeling
van het agrarisch grondverkeer
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen
te stellen met betrekking tot een toetsing bij de vervreemding van
landbouwgronden en natuurterreinen ter bevordering van een evenwichtige
prijsontwikkeling, alsmede met betrekking tot de totstandkoming van een
voorkeursrecht voor het bureau beheer landbouwgronden bij de verwerving
van landbouwgronden en natuurterreinen.
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Titel I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
landbouw: akkerbouw, veehouderij -
daaronder begrepen intensieve veehouderij -, tuinbouw - daaronder
begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen
-, bosbouw en elke andere vorm van bodemcultuur;
land: landbouwgrond en
natuurterreinen;
landbouwgrond: grond, waarop enige
vorm van landbouw wordt of onmiddellijk kan worden uitgeoefend;
natuurterreinen: heidevelden,
hoogveenterrein, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders,
schorren, gorzen, slikken, riet- en ruigtlanden, laagveenmoerassen,
voor zover het geen landbouwgrond is;
beperkt recht: het recht van
erfpacht, opstal, beklemming of vruchtgebruik;
vervreemding: de overdracht in
eigendom of de toedeling van een onroerende zaak alsmede de
overdracht of toedeling dan wel vestiging van een beperkt recht
waaraan een onroerende zaak is onderworpen;
vervreemder: de eigenaar van een
onroerende zaak of de rechthebbende op een beperkt recht waaraan een
onroerende zaak is onderworpen, die tot vervreemding wenst over te
gaan, alsmede degene die bij ontbinding van een gemeenschap met de
vereffening is belast en tot vervreemding wenst over te gaan;
bedrijf: een complex, bestaande uit
een of meer gebouwen of gedeelten daarvan en de daarbij behorende
landbouwgrond dienende tot uitoefening van de landbouw;
bedrijfsleider: de natuurlijke
persoon die leiding geeft aan een in de vorm van een
privaatrechtelijke rechtspersoon gedreven bedrijf;
bureau: bureau beheer landbouwgronden
als bedoeld in artikel 28;
hoofdberoep: het beroep, waaruit een
persoon in overwegende mate zijn inkomsten trekt.
Artikel 2 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De inschrijving in de in
afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek
bedoelde openbare registers van een akte van levering, vereist
voor de vervreemding, vindt alleen plaats indien onder de akte of
een ander ter inschrijving aan te bieden stuk een notariële
verklaring is opgenomen, dat bij de vervreemding voldaan is aan
het bepaalde bij of krachtens deze wet.
2. Voldaan is aan het bepaalde bij
of krachtens deze wet indien:
a. de onroerende zaak waarop de
vervreemding betrekking heeft, gelegen is in een op grond van
artikel 3 omschreven gebied;
b. de grondkamer verklaart dat
de overeenkomst is goedgekeurd dan wel de toestemming als
bedoeld in artikel 18 is verleend, overeenkomstig het bepaalde
bij of krachtens de Titels II of III, en tevens dat het
betreft een vervreemding van land dat niet is opgenomen in een
aanwijzing als bedoeld in artikel 37, derde lid, dan wel dat
de vervreemding geschiedt met inachtneming van het
voorkeursrecht van het bureau;
c. de grondkamer verklaart dat
de onroerende zaak waarop de vervreemding betrekking heeft,
geen land is.
3. In geval artikel 60 van
toepassing is, wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens
deze wet, indien de in het eerste lid bedoelde notariële
verklaring van de toepassing van artikel 60 melding maakt, en
tevens inhoudt dat de vervreemding betreft een onroerende zaak die
niet is opgenomen in een aanwijzing als bedoeld in artikel 37,
derde lid, dan wel dat de vervreemding geschiedt met inachtneming
van het voorkeursrecht van het bureau.
4. De in dit artikel bedoelde
verklaringen vermelden de kadastrale aanduiding van de onroerende
zaak, waarop de vervreemding betrekking heeft. Zij hebben een
geldigheidsduur van zes maanden.
Artikel 3
1. De verklaring van de grondkamer
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder c, is niet vereist ten
aanzien van een vervreemding met betrekking tot een onroerende
zaak die gelegen is in een gebied waarvan bij besluit van
burgemeester en wethouders is verklaard, dat daarin uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend gelegen zijn onroerende zaken, die duurzaam
voor andere dan landbouwkundige doeleinden worden gebruikt en die
niet als natuurterrein dienen te worden aangemerkt.
2. Op de voorbereiding van het in
het eerste lid bedoelde besluit is afdeling 3.4 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing.
3. Het besluit vermeldt, onder
verwijzing naar een bijgevoegde kadastrale kaart, de kadastrale
aanduiding van de binnen dit gebied liggende onroerende zaken.
4. Burgemeester en wethouders
verstrekken een exemplaar van het besluit en de bijbehorende
kadastrale kaart aan het desbetreffende kantoor van de Dienst voor
het kadaster en de openbare registers.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven
met betrekking tot de omschrijving en de aanduiding van het
gebied.
Artikel 4
Voor de toepassing van artikel 2,
eerste lid, wordt met de daar bedoelde notariële verklaring
gelijkgesteld de verklaring van een persoon die een onderhandse akte
tot levering heeft opgesteld en daartoe krachtens artikel 91 van de
Overgangswet van het nieuwe Burgerlijk Wetboek bevoegd was.
Artikel 5
Na de inschrijving van een akte kan
de nietigheid wegens niet inachtneming van het bepaalde bij of
krachtens deze wet niet meer worden ingeroepen.
Titel II. Overdracht van land en
vestiging of overdracht van een beperkt recht op land
Artikel 6
1. Een overeenkomst tot
vervreemding van land behoeft de goedkeuring van de grondkamer.
2. Een overeenkomst tot
vervreemding van land wordt goedgekeurd, indien het betreft:
a. een overeenkomst tussen
bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of met een pleegkind.
Onder pleegkind wordt verstaan degene, die duurzaam als een
eigen kind is verzorgd en opgevoed;
b. een overeenkomst tot
vervreemding van land aan het bureau of aan door Ons aan te
wijzen in het algemeen belang werkzame rechtspersonen;
c. een overeenkomst tot
vervreemding van land, voor zover het betreft overhoeken,
waarvan de vervreemding plaatsvindt als onderdeel van een
overeenkomst als bedoeld in onderdeel j;
d. een overeenkomst tussen
pachter en verpachter ter uitoefening van het voorkeursrecht
van de pachter als bedoeld in afdeling 11 van titel 5 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek;
e. een ruilverkaveling bij
overeenkomst als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Wet
inrichting landelijk gebied, welke voldoet aan door Onze
Minister te stellen eisen;
f. een overeenkomst tot
vervreemding van land, waarvan de oppervlakte 50 are niet te
boven gaat, dat een eenheid vormt met een opstal, welke niet
dient ter uitoefening van de landbouw. Indien de opstal
doorgaans dient ter uitoefening van de landbouw, dient de
verwerver aannemelijk te maken dat hij de opstal voor andere
dan landbouwkundige doeleinden zal gebruiken;
g. een overeenkomst, waarbij de
verwerver aannemelijk maakt, dat hij landbouwgrond voor andere
dan landbouwkundige doeleinden zal gebruiken of doen
gebruiken, en uit een verklaring van burgemeester en
wethouders blijkt, dat die doeleinden niet in strijd zijn met
een geldend of een in ontwerp ter inzage gelegd
bestemmingsplan;
h. een overeenkomst van
verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap, een
ontbonden gemeenschap van een geregistreerd partnerschap of
een nalatenschap;
i. vervreemding ingevolge een
uiterste wilsbeschikking;
j. een overeenkomst tot
vervreemding van land aan de Staat, een provincie, een
gemeente, een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als
bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Stb. 1950, K
120), een waterschap, een veenschap of een veenpolder;
k. een overeenkomst tot
vervreemding van land door het bureau aan de Staat, een
provincie, een gemeente, een rechtspersoonlijkheid bezittend
lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen,
een waterschap, een veenschap, een veenpolder of aan een door
Ons aan te wijzen in het algemeen belang werkzame
rechtspersoon.
3. Een overeenkomst tot
vervreemding van land tussen bloed- of aanverwanten in de zijlijn
tot de tweede graad wordt goedgekeurd, indien voldaan wordt aan de
vereisten als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, of
artikel 9, onder c.
4. Wij kunnen voorschriften
verbinden aan een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid, onder
b. Deze voorschriften kunnen beperkingen inhouden. De aanwijzing
wordt door Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakt.
5. Burgemeester en wethouders
beslissen binnen dertig dagen na de indiening van een aanvraag tot
het verkrijgen van een verklaring als bedoeld in het tweede lid,
onder g. Indien burgemeester en wethouders binnen de gestelde
termijn geen beslissing hebben genomen, kan de afgifte van een
verklaring worden gevraagd aan gedeputeerde staten die binnen
dertig dagen nadien beslissen.
6. De in het tweede lid, onder g,
bedoelde verklaringen zijn geldig gedurende zes maanden na de
dagtekening, tenzij het college, dat de verklaring afgeeft daarop
een kortere geldigheidsduur vermeldt.
7. Het bepaalde in het tweede lid,
onder j, vindt slechts toepassing indien het betreft landbouwgrond
gelegen in een bestemmingsplan waar een niet-agrarische bestemming
geldt of waarvan de betrokken overheid verklaart dat het gebruik
anders dan landbouwkundig zal zijn. Omtrent deze verklaring kunnen
bij algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld.
8. Indien het betreft landbouwgrond
waarvoor geen verklaring als bedoeld in het vorige lid wordt
overgelegd, wordt de overeenkomst goedgekeurd, indien een
goedgekeurde overeenkomst of ontwerp-overeenkomst wordt
overgelegd, waarbij de betrokken overheid wederom tot vervreemding
van de landbouwgrond overgaat.
Artikel 7
1. Een overeenkomst tot
vervreemding van een landgoed wordt door de grondkamer
goedgekeurd, indien het aannemelijk is, dat de verwerver het
landgoed als eenheid in stand zal houden.
2. Onder een landgoed wordt
verstaan:
a. een complex, aangemerkt als
landgoed in de zin van artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928
(Stb. 63);
b. andere geheel of
gedeeltelijk met bos of andere houtopstanden bezette
terreinen, waarvan het voortbestaan uit oogpunt van
maatschappelijk belang wenselijk is, en die door Onze Minister
zijn aangewezen als landgoed in de zin van deze wet.
3. Een aanwijzing, als bedoeld in
het vorige lid, onder b, geschiedt op verzoek van de eigenaar of
op verzoek van meerdere eigenaren gezamenlijk.
4. Een aanwijzing, als bedoeld in
het tweede lid, onder b, heeft ten gevolge dat het land voor twee
jaren, te rekenen vanaf de dagtekening van de beschikking wordt
aangemerkt als een landgoed.
5. Tegen de weigering van een
aanwijzing als bedoeld in het tweede lid, onder b, staat beroep
open op de Centrale Grondkamer.
Artikel 8
1. Onverminderd het bepaalde in de
artikelen 6, tweede lid, 7 en 37, eerste lid, verleent de
grondkamer haar goedkeuring aan een overeenkomst tot vervreemding
van land, indien wordt voldaan aan vereisten, welke bij algemene
maatregel van bestuur kunnen worden gesteld. Deze vereisten kunnen
verschillen naar gelang de produktierichting van de bedrijven die
bij de vervreemding betrokken zijn en naar gelang het gebied
waarin het land gelegen is.
2. Voor zover het landbouwgrond
betreft kunnen de in het vorige lid bedoelde vereisten uitsluitend
betrekking hebben op:
a. de opleiding, de ervaring of
het hoofdberoep van de verwerver, voor zover deze een
natuurlijk persoon is;
b. indien het betreft de
vervreemding van een geheel bedrijf, dat niet wordt toegevoegd
aan een ander bedrijf: de verkaveling van de landbouwgrond;
c. indien het betreft de
vervreemding van een bedrijf ter toevoeging aan een ander
bedrijf: de maximale bedrijfsoppervlakte na toevoeging en de
verkaveling van de toe te voegen landbouwgrond, mede ten
opzichte van het bedrijf van de verwerver;
d. indien het betreft de
vervreemding van losse landbouwgrond: de maximale
bedrijfsoppervlakte na toevoeging, de verkaveling van de toe
te voegen landbouwgrond, mede ten opzichte van het bedrijf van
de verwerver.
3. Voor zover het natuurterreinen
betreft kunnen in de in het eerste lid bedoelde vereisten
uitsluitend betrekking hebben op:
a. de hoedanigheid van de
verwerver;
b. het tegengaan van
versnippering van natuurterrein;
c. de garanties, die de
verwerver moet bieden voor de instandhouding van het
natuurterrein.
4. Ten aanzien van overeenkomsten
tot vervreemding van landbouwgrond gelegen binnen gebieden, waarin
de uitoefening van de landbouw mede gericht dient te zijn op
doeleinden van natuur- of landschapsbehoud, dan wel gelegen binnen
gebieden, waarin het beheer in de toekomst uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend gericht zal zijn op doeleinden van natuur- of
landschapsbehoud, kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere
vereisten worden gesteld. Deze vereisten kunnen afwijkingen
inhouden van de vereisten bedoeld in het tweede lid. De nadere
vereisten kunnen niet de verplichting inhouden tot het afsluiten
van een beheersovereenkomst, dan wel betrekking hebben op
specifieke ervaring met landbouw, zoals in deze gebieden wordt
nagestreefd.
5. Een krachtens het eerste lid
vastgestelde maatregel wordt aan de beide Kamers der
Staten-Generaal overgelegd. Binnen 30 dagen na de overlegging kan
door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van
één der Kamers de wens te kennen worden gegeven dat het in de
maatregel te regelen onderwerp bij de wet wordt geregeld. Indien
zodanige wens te kennen is gegeven, dienen wij zo spoedig mogelijk
een desbetreffend wetsontwerp in. De maatregel treedt in werking
met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip, dat niet eerder
gelegen zal zijn dan nadat dertig dagen na de overlegging zijn
verstreken, indien gedurende die termijn niet door of namens één
der Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk
aantal leden van één der Kamers de wens wordt te kennen gegeven,
dat de inwerkingtreding van de maatregel bij de wet zal worden
geregeld.
Artikel 9
Een overeenkomst tot vervreemding van
landbouwgrond, gelegen binnen een gebied waarvoor op grond van
artikel 8 vereisten ten aanzien van landbouwgrond zijn gesteld,
wordt door de grondkamer goedgekeurd, indien de verwerver
aannemelijk maakt, dat hij de landbouwgrond zal gebruiken voor een
produktierichting, waarvoor op grond van artikel 8 geen vereisten
zijn gesteld, of ter uitoefening van een bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen beroep, en indien:
a. de aard en de omvang van de te
vervreemden landbouwgrond, en de eventueel daarop aanwezige
opstallen, geschikt zijn voor het opgegeven gebruik;
b. de verwerver voldoende
garanties biedt, dat het opgegeven gebruik zal worden
verwezenlijkt;
c. de verwerver, indien deze een
natuurlijke persoon is, voldoet aan vereisten met betrekking tot
opleiding, ervaring of hoofdberoep die bij algemene maatregel
van bestuur kunnen worden gesteld.
Artikel 10
1. Een overeenkomst tot
vervreemding van landbouwgrond aan een natuurlijke persoon wordt
door de grondkamer goedgekeurd, indien een goedgekeurde
pachtovereenkomst of ontwerp-pachtovereenkomst met betrekking tot
de te vervreemden landbouwgrond wordt overgelegd.
2. De artikelen 14, eerste lid,
onder a en c, en tweede lid, 15, 16, 17, zijn in geval van een
goedkeuring als bedoeld in het vorige lid van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat voor "toestemming"
telkens "goedkeuring" moet worden gelezen.
Artikel 11
Indien de grondkamer haar goedkeuring
aan een overeenkomst onthoudt, verklaart zij deze nietig.
Titel III. Vervreemding aan
rechtspersonen; de ontbinding van rechtspersonen
Artikel 12
Onverminderd het bepaalde in de
artikelen 6, tweede lid, 7 en 37, eerste lid, wordt een overeenkomst
tot vervreemding van landbouwgrond aan een rechtspersoon
goedgekeurd, indien:
a. de grondkamer de rechtspersoon
toestemming verleent tot het sluiten van een zodanige
overeenkomst;
b. voldaan wordt, hetzij aan het
bepaalde bij of krachtens artikel 8, tweede of vierde lid,
hetzij aan het bepaalde bij of krachtens artikel 9.
Artikel 13
De verzoeker dient ten behoeve van de
toestemming als bedoeld in artikel 12, onder a, de navolgende
gegevens over te leggen:
a. de rechtsvorm;
b. de naam van de rechtspersoon;
c. de arbeidsovereenkomst met de
bedrijfsleider, dan wel een goedgekeurde pachtovereenkomst of
ontwerp-pachtovereenkomst met betrekking tot de te vervreemden
landbouwgrond;
d. de statuten, voor zover de
rechtspersoon deze heeft.
Artikel 14
1. Toestemming, als bedoeld in
artikel 12, onder a, kan worden geweigerd:
a. indien redelijkerwijs moet
worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in
het verzoek vermelde in overeenstemming zal zijn;
b. indien bij het verzoek een
arbeidsovereenkomst met de bedrijfsleider, die op het bedrijf
werkzaam zal zijn, is overgelegd:
1°. indien niet wordt
aangetoond, dat de bedrijfsleider voldoet aan bij algemene
maatregel van bestuur te stellen vereisten met betrekking
tot opleiding, ervaring of hoofdberoep.
2°. indien redelijkerwijs
moet worden aangenomen, dat de bedrijfsleider niet
duurzaam met de leiding van het bedrijf belast zal zijn;
3°. indien redelijkerwijs
moet worden aangenomen, dat de bedrijfsleider tevens
bedrijfsleider buiten het betrokken bedrijf zal zijn;
c. indien bij het verzoek een
pachtovereenkomst of een ontwerp-pachtovereenkomst met
betrekking tot de te vervreemden landbouwgrond is overgelegd:
1°. indien redelijkerwijs
moet worden aangenomen, dat partijen niet werkelijk
bedoelen de pachtovereenkomst tot stand te brengen, dan
wel de pachtovereenkomst duurzaam in stand te houden;
2°. indien redelijkerwijs
moet worden aangenomen, dat de pachtovereenkomst binnen
afzienbare tijd zal eindigen en niet aanstonds door een
ander zal worden vervangen.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de
weigeringsgronden als omschreven in het vorige lid.
3. Ingeval de toestemming niet
verleend wordt, staat beroep open bij de Centrale Grondkamer.
4. Ingeval de toestemming wordt
verleend, worden de gegevens bedoeld in artikel 13 in afwijking
van artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringswet grondkamers,
onverwijld aan Onze Minister overgelegd.
Artikel 15
1. Indien binnen een tijdvak van
zeven jaren na het tijdstip van de toestemming wijziging optreedt
in de aan de grondkamer overgelegde gegevens, dienen deze
wijzigingen binnen één maand aan de grondkamer te worden gemeld.
2. Voor zover de wijziging betreft
een overeenkomst met een nieuwe bedrijfsleider dan wel met een
nieuwe pachter, behoeft deze wijziging de toestemming van de
grondkamer.
3. De in het vorige lid bedoelde
toestemming wordt verleend, indien voldaan wordt aan het bepaalde
bij of krachtens artikel 14, eerste lid.
4. De in het eerste lid bedoelde
gegevens worden, in afwijking van artikel 6, eerste lid, van de
Uitvoeringswet grondkamers, onverwijld aan Onze Minister
overgelegd, tenzij het tweede lid toepassing vindt. In het laatste
geval worden de gegevens overgelegd nadat de grondkamer heeft
beslist over de aldaar bedoelde toestemming.
Artikel 16
1. Op vordering van of vanwege Onze
Minister kan de toestemming, binnen het tijdvak genoemd in artikel
15, eerste lid, door de grondkamer worden ingetrokken, indien:
a. de te harer verkrijging
verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig zijn, dat op
het verzoek anders beslist zou zijn, als bij de beoordeling
daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren
geweest;
b. de rechtspersoon geen
arbeidsovereenkomst heeft met een bedrijfsleider, dan wel
indien de rechtspersoon niet meer optreedt als verpachter;
c. de verplichtingen, welke
voortvloeien uit artikel 15, eerste lid, niet worden
nagekomen, dan wel indien de toestemming als bedoeld in
artikel 15, tweede lid, niet is verleend.
2. Van de intrekking, als bedoeld
in het vorige lid, staat beroep open bij de Centrale Grondkamer.
Artikel 17
1. Indien een rechtspersoon binnen
het tijdvak genoemd in artikel 15, eerste lid, landbouwgrond, dan
wel een beperkt recht waaraan landbouwgrond is onderworpen, daarop
bezit, waarvoor de grondkamer geen toestemming heeft verleend, dan
wel de toestemming heeft ingetrokken, vordert Onze Minister dat de
rechtspersoon met betrekking tot die landbouwgrond een
pachtovereenkomst sluit met het bureau of met een door hem aan te
wijzen pachter.
2. Een vordering als bedoeld in het
vorige lid wordt niet ingesteld dan nadat zes maanden zijn
verlopen na de datum van de intrekking van de toestemming.
3. Indien een rechtspersoon in
gebreke blijft een pachtovereenkomst, als voorzien in het eerste
lid, te sluiten, vervalt met ingang van de dertigste dag na de
vordering van Onze Minister, dagelijks een dwangsom ten belope van
een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur worden nadere regelen gesteld met betrekking tot de
procedure van aanwijzing van pachters, de voorwaarden waaronder
een pachtovereenkomst als bedoeld in het eerste lid gesloten wordt
en de wijze waarop het bureau de landbouwgrond kan
onderverpachten.
5. In afwijking van het bepaalde in
artikel 355 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek behoeven
onderverpachtingen door het bureau niet de schriftelijke
toestemming van de verpachter.
Artikel 18
In geval van ontbinding van een
rechtspersoon behoeft de overdracht krachtens artikel 23, zesde lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien en voor zover tot het
batig saldo landbouwgrond behoort, de toestemming van de grondkamer.
De toestemming wordt verleend indien de verwerver van de
landbouwgrond voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Titel IV. Ontbinding van
gemeenschappen
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-1992]
Titel V. Het verzoek om goedkeuring
of toestemming: de ontwerp-overeenkomst
Artikel 20
1. Het verzoek om goedkeuring als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, dan wel toestemming als bedoeld
in de artikelen 12, onder a, 15, tweede lid, en 18, wordt
ingediend op een bij de grondkamer verkrijgbaar, volledig ingevuld
formulier en onder overlegging van drie afschriften van de
overeenkomst tot vervreemding van land, alsmede een opgave van de
kadastrale aanduiding van de onroerende zaken waarop die
overeenkomst betrekking heeft, en van de grootte van elk der
desbetreffende percelen en perceelsgedeelten.
2. Het model van het in het vorige
lid bedoelde formulier wordt door Onze Minister vastgesteld.
Artikel 21
1. Het verzoek om goedkeuring dan
wel toestemming moet worden ingediend bij de grondkamer, bedoeld
in artikel 22 van de Uitvoeringswet grondkamers.
2. De grondkamer tekent de datum
van ontvangst van een verzoek om goedkeuring onverwijld daarop
aan.
Artikel 22
1. Zij, die voornemens zijn een
overeenkomst tot vervreemding van land aan te gaan, zijn bevoegd
een ontwerp-overeenkomst ter goedkeuring aan de grondkamer in te
zenden.
2. Het verzoek tot goedkeuring
dient te zijn ondertekend door degenen, die in de
ontwerp-overeenkomst als partijen zijn genoemd of door hun
gemachtigden.
3. Het verzoek om goedkeuring wordt
ingediend op een volledig ingevuld formulier als bedoeld in
artikel 20, eerste lid, onder overlegging van drie afschriften van
de ontwerp-overeenkomst, alsmede een opgave van de kadastrale
aanduiding van de onroerende zaken waarop die ontwerp-overeenkomst
betrekking heeft, en van de grootte van elk der desbetreffende
percelen en perceelsgedeelten.
Artikel 23
1. De grondkamer beoordeelt een
ontwerp-overeenkomst als bedoeld in artikel 22 met toepassing van
de Titels II en III; zij kan haar goedkeuring afhankelijk stellen
van wijzigingen, welke zij nodig oordeelt.
2. Indien binnen twee maanden nadat
de grondkamer of de Centrale Grondkamer een goedgekeurde
ontwerp-overeenkomst aan ieder der partijen heeft verzonden, een
overeenkomst wordt ingezonden, die gelijk is aan de
ontwerp-overeenkomst, zoals deze werd goedgekeurd, is de
grondkamer onverminderd het bepaalde in artikel 37, eerste lid,
tot goedkeuring gehouden.
Titel VI. De behandeling door de
grondkamer en het administratief beroep
Artikel 24
1. De grondkamer of de Centrale
Grondkamer is bevoegd een mondelinge behandeling te gelasten van
het bij haar ingediende verzoek op een door haar te bepalen
zitting.
2. De grondkamer of de Centrale
Grondkamer is op verzoek van één der partijen verplicht een
mondelinge behandeling te gelasten van het bij haar ingediende
verzoek op een door haar te bepalen zitting.
3. De secretaris roept de partijen
op voor de mondelinge behandeling.
Artikel 25
De artikelen 6 tot en met 8, 13, 14,
22, tweede lid tot en met 24, 29 tot en met 32, 34 en 35 van de
Uitvoeringswet grondkamers zijn van overeenkomstige toepassing,
indien ingevolge de bepalingen van deze wet een beslissing van de
grondkamer of de Centrale Grondkamer wordt verlangd.
Artikel 26
1. Indien de grondkamer aan een
overeenkomst of een ontwerp-overeenkomst haar goedkeuring
onthoudt, of weigert een verklaring als bedoeld in artikel 2,
tweede lid, onder c, af te geven, staat de betrokkenen beroep open
op de Centrale Grondkamer.
2. De artikelen 37 tot en met 42
van de Uitvoeringswet grondkamers zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande, dat artikel 37, vierde lid, van de
Uitvoeringswet grondkamers, wordt gelezen als betrekking hebbend
op een overeenkomst of een ontwerp-overeenkomst als bedoeld in
deze wet.
Artikel 27
1. Onze Minister kan in
overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie
tarieven vaststellen voor de uit hoofde van deze wet door de
grondkamer en door de Centrale Grondkamer te verrichten
werkzaamheden.
2. Artikel 44, tweede lid, van de
Uitvoeringswet grondkamers is van overeenkomstige toepassing.
Titel VII. Bureau beheer
landbouwgronden
Artikel 28
1. Er is een bureau beheer
landbouwgronden.
2. Het bureau heeft zijn zetel te
's-Gravenhage.
3. Het bureau is rechtspersoon.
Artikel 29
1. Onverminderd het bepaalde in
deze wet is het bureau belast met de uitvoering van de door Onze
Minister of door Onze bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen Ministers opgedragen, op het verkrijgen, tijdelijk beheren
of vervreemden van onroerende zaken betrekking hebbende op
daarmede verwante werkzaamheden.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regelen gesteld betreffende het tijdelijk beheer
van landbouwgrond, verworven ingevolge artikel 53 en betreffende
de wijze waarop zodanige landbouwgrond door het bureau wederom
vervreemd dient te worden.
3. Voor zover het betreft land,
verworven in het kader van het voorkeursrecht dan wel land
verworven uit anderen hoofde stelt Onze Minister in
overeenstemming met Onze medebetrokken Ministers regelen
betreffende het tijdelijk beheer en de wijze waarop zodanig land
door het bureau wederom vervreemd dient te worden.
Artikel 30
1. Er is een commissie beheer
landbouwgronden. De commissie heeft tot taak:
a. het geven van de algemene
leiding aan het bureau en het houden van toezicht op de
werkzaamheden van het bureau;
b. te beslissen omtrent
aanvragen als bedoeld in artikel 59;
c. het verrichten van andere
door Onze Minister of door Onze bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen Ministers opgedragen werkzaamheden.
2. De commissie brengt jaarlijks
verslag uit aan Onze Minister en Onze bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen Ministers over de werkzaamheden van het
bureau. Onze Minister regelt de wijze en het tijdstip, waarop het
verslag wordt uitgebracht. Het verslag wordt door Onze Minister
aan de Staten-Generaal medegedeeld.
Artikel 31
1. Wij benoemen en ontslaan de
voorzitter van de commissie.
2. De benoeming en het ontslag van
de overige leden geschiedt door Onze Minister, of Onze bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen Ministers, ieder tot
een bij zodanige maatregel te bepalen aantal.
3. De commissie bestaat uit ten
hoogste 16 leden en is zodanig samengesteld, dat ten minste de
helft van het aantal leden benoemd is op voordracht van bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen organisaties van
belanghebbenden.
4. De directeur van het bureau is
secretaris van de commissie.
5. Onze Minister kan adviserende
leden benoemen.
6. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de
samenstelling, de taak en de werkwijze van de commissie, alsmede
omtrent het tijdvak waarvoor de leden worden benoemd.
Artikel 32
1. De dagelijkse leiding van het
bureau berust bij een door Onze Minister aan te wijzen ambtenaar
van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,
die de functie van directeur vervult.
2. Het bureau wordt in en buiten
rechte vertegenwoordigd door de directeur. Onze Minister stelt
daaromtrent nadere regelen vast bij in de Staatscourant bekend te
maken besluit. Onze Minister kan andere personen machtigen het
bureau in en buiten rechte te vertegenwoordigen.
3. De directeur van het bureau is
verantwoording schuldig aan Onze Minister en is gehouden de
opdrachten uit te voeren en aanwijzingen op te volgen, welke door
Onze Minister of door Onze bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen Ministers worden gegeven.
4. Het bureau heeft geen eigen
personeel. Zijn werkzaamheden worden verricht door personen die
door Onze Minister zijn aangesteld of op arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht in dienst zijn genomen en die deswege
rechtstreeks ten laste van het Ministerie van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie worden bezoldigd of beloond.
Artikel 33
1. Het boekjaar van het bureau is
gelijk aan het kalenderjaar.
2. Jaarlijks, vóór 15 oktober
stelt de directeur een begroting van inkomsten en uitgaven vast
voor het volgende kalenderjaar, welke na goedkeuring door de
commissie aan Onze Minister ter goedkeuring wordt toegezonden.
3. Jaarlijks, vóór 1 juli stelt
de directeur de rekening en verantwoording, welke in ieder geval
bevat een balans en een staat van inkomsten en uitgaven over het
afgelopen kalenderjaar vast, welke na goedkeuring door de
commissie aan Onze Minister ter goedkeuring wordt toegezonden. De
goedkeuring van de rekening strekt tot décharge van de directeur
en de commissie.
4. Het saldo van inkomsten en
uitgaven komt ten gunste dan wel ten laste van de rijksbegroting.
Artikel 34
Maatregelen, welke financiële lasten
ten gevolge hebben, en welke niet als verplichting uit deze wet
voortvloeien, worden door de directeur slechts genomen, voor zover
door Onze Minister of Onze bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen Ministers daartoe kredieten beschikbaar zijn gesteld.
Artikel 35
1. Onze Minister stelt in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën regelen omtrent
de begroting, het beheer der geldmiddelen en de rekening en
verantwoording van het bureau. De regelen worden bekendgemaakt in
de Nederlandse Staatscourant.
2. Aan de door Onze Minister aan te
wijzen ambtenaren wordt desverlangd inzage gegeven van de boeken
en bescheiden van het bureau en aan hen worden alle inlichtingen
verstrekt, welke zij voor een juist inzicht in het financieel
beheer van het bureau nodig achten.
Artikel 36
De Staat waarborgt de financiële
verplichtingen, welke voor het bureau uit de uitoefening van zijn
taak voortvloeien.
Titel VIII. Voorkeursrecht van het
bureau beheer landbouwgronden
Artikel 37
1. Overeenkomsten tot vervreemding
van land, dat is aangewezen op grond van het derde lid, worden
niet ingeschreven in de in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van
het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare registers, dan nadat het
bureau in de gelegenheid is gesteld een zodanige overeenkomst te
sluiten.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen voor een daarbij te bepalen tijdvak gebieden worden
aangewezen, waarbinnen land als bedoeld in het eerste lid is
gelegen. De maatregel bevat overwegingen omtrent de door het
vestigen van een voorkeursrecht in zodanig gebied na te streven
doeleinden. Als zodanige gebieden kunnen geheel of gedeeltelijk
worden aangewezen:
a. landinrichtingsgebieden,
vanaf het moment dat overeenkomstig artikel 18, eerste lid,
van de Wet inrichting landelijk gebied een ontwerp voor een
inrichtingsplan ter inzage wordt gelegd;
b. gebieden welke als reservaat
zijn aangewezen;
c. het gebied Midden-Delfland,
zoals dit is vastgesteld op grond van de Reconstructiewet
Midden-Delfland (Stb. 1977, 233);
d. het gebied Oost-Groningen en
de Gronings-Drentse Veenkoloniën, zoals dit is vastgesteld op
grond van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën (Stb. 1977, 694);
e. gebieden, die bij een
structuurvisie als bedoeld in artikel 2.3, eerste of tweede
lid, van de Wet ruimtelijke ordening na inwerkingtreding van
deze wet zijn aangemerkt als gebieden, die als voorkeursgebied
kunnen worden aangewezen;
f. reconstructiegebieden als
bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet
concentratiegebieden, vanaf het moment dat overeenkomstig
artikel 15, tweede lid, van die wet het ontwerp van het
reconstructieplan ter inzage wordt gelegd.
3. Binnen de op grond van het
tweede lid bepaalde gebieden wijzen Wij de gronden aan, waarop het
eerste lid van toepassing is.
4. De aanwijzing als bedoeld in het
derde lid kan geen gronden omvatten waarop ingevolge de artikelen
2 in samenhang met 3, 4, eerste lid, onder a, of 5 dan wel 6 van
de Wet voorkeursrecht gemeenten de artikelen 10 tot en met 24 en
26 van die wet van toepassing zijn.
5. Het voorkeursrecht van het
bureau op gronden die begrepen zijn in een aanwijzing als bedoeld
in het derde lid vervalt, indien na de totstandkoming van Ons
besluit op die gronden de artikelen 10 tot en met 24 en 26 van de
Wet voorkeursrecht gemeenten van toepassing zijn ingevolge de
artikelen 2 in samenhang met 3, 4, eerste lid, onder a, of 5 dan
wel 6 van die wet.
6. Een aanwijzing als bedoeld in
het derde lid vervalt op het tijdstip waarop met betrekking tot
een gebied, als bedoeld in het tweede lid, onder a, c of d, het
plan van toedeling ter inzage is neergelegd overeenkomstig artikel
199, eerste lid, van de Landinrichtingswet, onderscheidenlijk
artikel 79, tweede lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland,
onderscheidenlijk artikel 83, tweede lid, van de Herinrichtingswet
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën. De aanwijzing
vervalt eveneens één week na het tijdstip waarop niet tot
herinrichting, ruilverkaveling dan wel aanpassingsinrichting is
besloten.
7. Een aanwijzing als bedoeld in
het derde lid vervalt op het tijdstip waarop met betrekking tot
een gebied, als bedoeld in het tweede lid, onder f, het ruilplan
ter inzage is gelegd overeenkomstig artikel 75, eerste lid, van de
Reconstructiewet concentratiegebieden.
Artikel 38
De aanwijzingen, bedoeld in artikel
37, tweede en derde lid, worden bekendgemaakt door nederlegging van
een afschrift hiervan ter kosteloze inzage van een ieder ter
secretarie van de gemeenten, waarin het voorkeursgebied is gelegen.
De nederlegging wordt door Onze Minister bekendgemaakt in de
Nederlandse Staatscourant, in één of meer dag- of nieuwsbladen,
die in de gemeenten verspreid worden, en voorts op de aldaar
gebruikelijke wijze.
Artikel 39
1. De aanwijzing, bedoeld in
artikel 37, derde lid, vermeldt, onder verwijzing naar een
bijgevoegde kadastrale kaart, ten aanzien van de onroerende zaken
waarop zij betrekking heeft, de kadastrale aanduiding daarvan, de
grootte van elk der desbetreffende percelen volgens de
basisregistratie kadaster en, indien een in de aanwijzing
opgenomen onroerende zaak een gedeelte van een perceel uitmaakt,
bovendien de grootte van dat gedeelte.
2. Het bureau zendt een
kennisgeving van de aanwijzing bedoeld in artikel 37, derde lid,
aan iedere eigenaar van de in de aanwijzing begrepen gronden,
alsmede aan iedere rechthebbende op een beperkt recht waaraan die
gronden zijn onderworpen. Deze kennisgeving bevat een beschrijving
van de betekenis van de aanwijzing. Indien de gronden niet langer
begrepen zijn in een aanwijzing als bedoeld in artikel 37, derde
lid, dan wel indien het bepaalde in artikel 37, vijfde of zesde
lid, zich voordoet, geeft het bureau hiervan op overeenkomstige
wijze kennis.
3. De aanwijzing als bedoeld in
artikel 37, derde lid, treedt in werking na verloop van een week
na dagtekening van de bekendmaking in de Nederlandse
Staatscourant.
Artikel 40
Het bepaalde in artikel 37, eerste
lid, is niet van toepassing, voor zover het betreft overeenkomsten
als genoemd in artikel 6, tweede lid, onder a, d, e en h.
Artikel 41
1. Ter voldoening aan het bepaalde
in artikel 37, eerste lid, verstrekt de vervreemder een
schriftelijke opgave aan het bureau van het land waarop de
overeenkomst tot vervreemding betrekking heeft, zomede van de
kadastrale aanduiding en van de oppervlakte van het land.
2. Indien de overeenkomst tot
vervreemding van land betrekking heeft op gronden die slechts ten
dele in de aanwijzing bedoeld in artikel 37, derde lid, zijn
opgenomen, maar een samenhangend geheel vormen, kan de vervreemder
eisen, dat dit geheel van onroerende zaken wordt betrokken bij de
vervreemding aan het bureau.
3. Indien de overeenkomst
betrekking heeft op een bedrijf, als onderdeel waarvan de
onroerende zaken die zijn opgenomen in de aanwijzing bedoeld in
artikel 37, derde lid, worden geëxploiteerd, kan de vervreemder
eisen, dat het gehele bedrijf wordt betrokken bij de vervreemding
aan het bureau. Desgevraagd maakt hij aannemelijk, dat anders de
bestaansgrondslag aan het bedrijf zou komen te ontvallen.
4. Het bureau bevestigt ten
spoedigste schriftelijk de ontvangst van de opgave.
Artikel 42
1. Binnen twee maanden na de
ontvangst van de in artikel 41, eerste lid, bedoelde opgave
beslist het bureau of het in beginsel het land of het beperkte
recht wenst te verwerven.
2. Het bureau doet binnen de in het
eerste lid genoemde termijn mededeling van zijn beschikking aan
degene die tot vervreemding wenst over te gaan. Indien het bureau
te kennen geeft een overeenkomst te willen sluiten, houdt de
mededeling een bod in op de te vervreemden zaken.
3. Indien het bureau binnen de in
het eerste lid bedoelde termijn heeft bericht, dat het het land of
het beperkte recht niet wenst te verwerven, heeft de vervreemder
gedurende het tijdvak van één jaar na ontvangst van dat bericht
de vrijheid om, onverminderd het bepaalde in de Titels II en III,
met derden een overeenkomst tot vervreemding aan te gaan, in dier
voege dat de vervreemding moet betreffen al het in zijn opgave
vermelde land of beperkte rechten, met inbegrip van het gedeelte
van het bedrijf, waarvan de vervreemder bij het verstrekken van
die opgave, ingevolge artikel 41, tweede en derde lid, heeft
geëist, dat het mede bij de vervreemding zou worden betrokken.
4. Bij overschrijding door het
bureau van de in het eerste lid genoemde termijn is het bepaalde
in het vorige lid van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande, dat het aldaar genoemde tijdvak van één jaar aanvangt
na verloop van die termijn.
Artikel 43
1. Indien het bureau in
onderhandeling is getreden over het aangaan van een overeenkomst
tot vervreemding, kan de vervreemder het bureau de wens te kennen
geven, dat over de prijs advies zal worden uitgebracht door
deskundigen, te benoemen door de rechtbank binnen welks
rechtsgebied het desbetreffende land geheel of grotendeels is
gelegen. Binnen twee weken na ontvangst van het desbetreffende
schriftelijke verzoek van de vervreemder, verzoekt het bureau de
rechtbank één of meer deskundigen te benoemen, ten einde het
bedoelde advies uit te brengen.
2. Bij overschrijding door het
bureau van de in het vorige lid bedoelde termijn is artikel 42,
derde lid, van overeenkomstige toepassing.
3. Bij het verzoekschrift legt het
bureau een gewaarmerkt afschrift van het verzoek van de
vervreemder over.
4. De rechtbank benoemt één of
meer deskundigen die zo spoedig mogelijk een met redenen omkleed
schriftelijk advies uitbrengen. De deskundigen stellen hun advies
vast met overeenkomstige toepassing van de artikelen 40b-40f van
de onteigeningswet.
5. De kosten van het verzoek en van
het advies van deskundigen komen ten laste van het bureau.
Artikel 44
1. Binnen een maand na dagtekening
van het in artikel 43 bedoelde advies kan het bureau met redenen
omkleed de rechtbank verzoeken een oordeel over de prijs te geven,
of aan de vervreemder berichten, dat het zich met het advies kan
verenigen.
2. Ingeval het bureau binnen de in
het eerste lid gestelde termijn aan de vervreemder heeft bericht,
dat het zich met het advies van de deskundigen kan verenigen, is
het bureau behoudens het bepaalde in het volgende lid tot
uiterlijk drie maanden na dagtekening van het bericht tegenover de
vervreemder daaraan gebonden. Tot het einde van die termijn kan de
vervreemder de rechtbank met redenen omkleed verzoeken, een
oordeel over de prijs te geven, of aan het bureau berichten dat
hij zich met het advies kan verenigen, dan wel, dat hij afziet van
de sluiting van een overeenkomst tot vervreemding. Indien de
vervreemder niet vóór afloop van die termijn aan het bureau
heeft bericht dat hij zich met het advies kan verenigen, kan hij
zich tegenover hem niet meer beroepen op het bericht bedoeld in de
eerste zin van dit lid.
3. Ingeval de vervreemder binnen de
in het vorige lid gestelde termijn van drie maanden het aldaar
bedoelde verzoek aan de rechtbank heeft gedaan, kan het bureau hem
binnen veertien dagen na dagtekening van dat verzoek berichten dat
het bureau alsnog van de aankoop afziet. Bij gebreke aan zodanig
bericht geldt na afloop van laatstgenoemde termijn artikel 48.
4. Ingeval het bureau binnen de in
het eerste lid genoemde termijn van een maand of binnen de in het
derde lid gestelde termijn van veertien dagen aan de vervreemder
heeft bericht, dat het bureau van de koop afziet, is artikel 42,
derde lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Bij overschrijding door het
bureau van de in het eerste lid gestelde termijn, is artikel 42,
vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 45
1. Indien een verzoek als bedoeld
in artikel 44 aan de rechtbank wordt gedaan, benoemt deze één
van haar leden als commissaris om, te zamen met de ingevolge
artikel 43 benoemde deskundigen en vergezeld van een griffier, een
onderzoek in te stellen om te dien einde de ligging en gesteldheid
van het land op te nemen. De tijd en plaats van opneming worden
door de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk bepaald en door de
griffier medegedeeld aan de deskundigen, zomede aan de partijen
die bij de opneming aanwezig kunnen zijn.
2. Van de opneming maakt de
griffier een door de rechter-commissaris en door hemzelf te
ondertekenen proces-verbaal op. De rechter-commissaris draagt aan
de deskundigen op een nader advies over de prijs uit te brengen en
stelt de dag vast, waarop dit advies ter griffie van de rechtbank
zal worden neergelegd. Deze dag zal niet later worden bepaald dan
uiterlijk drie maanden na de dag van opneming. In het
proces-verbaal wordt de dag van de nederlegging vermeld.
Artikel 46
In de eerste voor de behandeling van
burgerlijke zaken bestemde terechtzitting, welke plaats heeft na
afloop van één maand na de in artikel 45, tweede lid, bedoelde
nederlegging, kunnen beide partijen hun belangen bij pleidooi
bepleiten. De griffier roept partijen, zomede de deskundigen, op om
ter terechtzitting aanwezig te zijn. Uiterlijk vier weken na de
terechtzitting doet de rechtbank bij beschikking uitspraak over de
prijs. Artikel 43, vierde lid, derde en vierde zin, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 47
1. Binnen een maand na dagtekening
van de beschikking van de rechtbank bericht het bureau aan de
vervreemder, dat het zich met de daarin bepaalde prijs verenigt,
of dat het van verwerving afziet.
2. Ingeval het bureau binnen de in
het vorige lid gestelde termijn aan de vervreemder heeft bericht,
dat het zich met de aldaar bedoelde prijs kan verenigen, is het
tot uiterlijk drie maanden na dagtekening van het bericht
tegenover de vervreemder daaraan gebonden. Indien de vervreemder
niet vóór de afloop van die termijn aan het bureau heeft
bericht, dat hij zich met de prijs kan verenigen, kan hij zich
tegenover het bureau niet meer beroepen op het bericht, bedoeld in
de vorige zin.
3. Ingeval het bureau binnen de in
het eerste lid gestelde termijn aan de vervreemder heeft bericht,
dat het bureau van verwerking afziet, is artikel 42, derde lid,
van overeenkomstige toepassing.
4. Bij overschrijding door het
bureau van de in het eerste lid gestelde termijn is artikel 42,
vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 48
Gedurende drie maanden na dagtekening
van de beschikking van de rechtbank als bedoeld in artikel 46, is
het bureau, indien de vervreemder zulks verlangt, verplicht zijn
medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een akte tot
levering aan hem van het betrokken land of beperkte recht tegen
betaling aan de vervreemder van de door de rechtbank bij haar
beschikking bepaalde prijs.
Artikel 49
De beschikking, bedoeld in artikel 46
is niet vatbaar voor beroep of cassatie.
Artikel 50
1. De kosten van de in artikel 44
en 45 omschreven procedures, de kosten van het in artikel 43
bedoelde advies van de deskundigen, de kosten van het nader
advies, bedoeld in artikel 45, tweede lid, de kosten van de
deskundigen, verbonden aan het bijwonen van de in artikel 46
bedoelde terechtzitting, alsmede de redelijkerwijze door de
vervreemder voor rechtsbijstand en andere deskundige bijstand
gemaakte kosten, komen ten laste van het bureau, met dien
verstande echter dat de rechtbank, indien zij daartoe termen vindt
in de omstandigheden van het geval, bevoegd is de kosten geheel of
gedeeltelijk te compenseren.
2. De beschikking van de rechtbank
is, voor zover het betreft de daarin opgenomen kostenveroordeling,
vatbaar voor tenuitvoerlegging.
Artikel 51
1. Onze Minister kan de nietigheid
inroepen:
a. van de overdracht of
uitgifte van aandelen of certificaten van aandelen in besloten
en naamloze vennootschappen tenzij van deze vennootschappen de
aandelen of certificaten van aandelen zijn toegelaten tot de
handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale
handelsfaciliteit, als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op
het financieel toezicht of een met een gereglementeerde markt
of multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit
een staat die geen lidstaat is als bedoeld in artikel 1:1 van
de Wet op het financieel toezicht, dan wel van de
totstandbrenging of de overdracht van lidmaatschaps- of andere
rechten in andere rechtspersonen ofwel van niet niet tot de
handel op een zodanige markt toegelaten certificaatrechten of
dergelijke deelnemingsrechten op land of beperkte rechten
waaraan land is onderworpen, een en ander indien de
vennootschappen of rechtspersonen onmiddellijk of middellijk
eigenaar zijn van land of rechthebbende zijn op beperkte
rechten waaraan dat land is onderworpen, dan wel
certificaatrechten betrekking hebben op land of zulke beperkte
rechten, en indien dat land is opgenomen in een besluit, als
bedoeld in artikel 37, derde lid;
b. van de toedeling van onder a
bedoelde aandelen, certificaten of rechten, in geval van
ontbinding van enige gemeenschap met uitzondering van de
huwelijksgemeenschap, de gemeenschap van een geregistreerd
partnerschap of een nalatenschap.
2. De nietigheid kan volgens het
vorige lid worden ingeroepen op grond dat de overdracht, uitgifte
of toedeling plaats vond met de kennelijke strekking, afbreuk te
doen aan het belang van het bureau bij haar in deze wet geregelde
voorkeurspositie.
3. Het verzoek moet worden gedaan
binnen twee maanden nadat de overdracht, uitgifte of toedeling ter
kennis van Onze Minister is gekomen bij de rechtbank van het
arrondissement binnen welker ressort het betreffende land is
gelegen, de rechtspersoon haar woonplaats heeft dan wel de
vennootschap of maatschappij is gevestigd. Onze Minister is niet
ontvankelijk in zijn verzoek indien het bureau met de overdracht,
uitgifte of toedeling schriftelijk heeft ingestemd.
4. De vorige leden zijn van
overeenkomstige toepassing in geval van een verkoop krachtens de
Eerste Afdeling A of Eerste Afdeling B van de Tweede Titel van het
Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dan
wel ingevolge artikel 248 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 52
Schriftelijke opgaven, verzoeken en
beschikkingen op grond van deze titel, dienen aangetekend te worden
verzonden.
Titel IX. Koopplicht in het kader van
de toetsing
Artikel 53
1. Een ieder die wil overgaan tot
overdracht in eigendom van land of tot overdracht van een recht
van beklemming daarop kan de rechtbank bedoeld in artikel 43,
eerste lid, verzoeken te bepalen, dat het bureau gehouden is
medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een akte
houdende een overeenkomst tot overdracht in eigendom van land of
tot overdracht van een recht van beklemming daarop aan het bureau
tegen betaling aan de vervreemder van de door de rechtbank bij
beschikking te bepalen prijs.
2. De artikelen 43, eerste, derde,
vierde lid, eerste volzin en vijfde lid, 44, eerste en tweede lid,
45 en 46 zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande,
dat de verkeerswaarde als agrarische grond wordt gehanteerd als
grondslag voor het bepalen van de prijs. Indien het land betreft
waarop bosbouw wordt uitgeoefend, wordt de verkeerswaarde als
bosgrond als prijsgrondslag gehanteerd. Indien het natuurterreinen
betreft, wordt de desbetreffende verkeerswaarde gehanteerd.
3. Het verzoek als bedoeld in het
eerste lid kan, in geval van een executoriale verkoop, op verzoek
van de executant worden gedaan door degene te wiens overstaan de
openbare verkoop geschiedt, binnen veertien dagen na het
plaatsvinden van zodanige verkoop.
Artikel 54
1. Indien krachtens de Titels II of
III geen vereisten met betrekking tot overeenkomsten tot
vervreemding van land zijn gesteld is artikel 53 niet van
toepassing.
2. Indien de nadere vereisten met
betrekking tot de vervreemding van land zich beperken tot de
vereisten gesteld krachtens artikel 8, tweede lid, onder a, of
artikel 14, eerste lid, onder b, sub 1°, is artikel 53 niet van
toepassing.
3. De Staat, een provincie, een
gemeente, een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, als bedoeld
in de Wet gemeenschappelijke regelingen, een waterschap, een
veenschap of een veenpolder kunnen geen toepassing van artikel 53
verzoeken.
Artikel 55
Een verzoek als bedoeld in artikel 53
wordt door de rechtbank afgewezen, indien onaannemelijk is, dat een
beroep op dat artikel noodzakelijk is ten gevolge van de krachtens
de Titels II of III gestelde vereisten.
Artikel 56
1. De kosten van de in artikel 45
omschreven procedure, de kosten van het advies bedoeld in artikel
45, tweede lid, de kosten van de deskundigen, verbonden aan het
bijwonen van de in artikel 46 bedoelde terechtzitting, alsmede de
redelijkerwijze door de vervreemder voor rechtsbijstand en andere
deskundige bijstand gemaakte kosten, komen ten laste van het
bureau, met dien verstande echter dat de rechtbank, indien zij
daartoe termen vindt in de omstandigheden van het geval, bevoegd
is de kosten geheel of gedeeltelijk te compenseren.
2. Artikel 50, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Titel X. Grondbankstelsel
Artikel 57
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het bureau kan
overgaan tot de uitgifte in erfpacht van landbouwgrond aan een
ondernemer in de landbouw, in bij zodanige maatregel te bepalen
gevallen.
2. Na afloop van het tijdvak
waarvoor de landbouwgrond in erfpacht is uitgegeven, heeft de
erfpachter de mogelijkheid de landbouwgrond te kopen tegen de
werkelijke waarde als omschreven in artikel 43, vierde lid, derde
en vierde zin.
3. De erfpachter heeft de in het
tweede lid omschreven mogelijkheid, indien hij een daartoe
strekkend verzoek ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar
voor het tijdstip waarop de erfpacht eindigt, bij het bureau heeft
ingediend.
4. Indien met het bureau geen
overeenstemming over de prijs wordt verkregen, kan de erfpachter
een verzoek richten tot de rechtbank binnen welks rechtsgebied het
desbetreffende land geheel of grotendeels is gelegen. De artikelen
45 en 46 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 58
Onze Minister stelt nadere regelen
vast omtrent de uitgifte alsmede omtrent de bij uitgifte te stellen
voorwaarden.
Artikel 59
1. Op aanvragen tot de uitgifte in
erfpacht van landbouwgrond wordt beslist door de commissie beheer
landbouwgronden.
2. Onze Minister stelt regelen met
betrekking tot de bij een beschikking te volgen werkwijze.
3. Tegen beschikkingen van de
commissie beheer landbouwgronden staat beroep open bij Onze
Minister.
Titel XI. Overgangs- en
slotbepalingen
Artikel 60
Indien voor een provincie geen
regelen zijn gesteld krachtens artikel 8 treden voor die provincie
de artikelen 2-19, met uitzondering van het bepaalde bedoeld in
artikel 2, eerste, derde en vierde lid, buiten werking.
Artikel 61
Het is verboden onjuiste of
onvolledige opgaven te doen met het oog op het verkrijgen van de
goedkeuring van een overeenkomst tot vervreemding van land.
Artikel 62
1. Met het toezicht op de naleving
van het bepaalde bij of krachtens deze wet, zijn belast de bij
besluit van Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in
het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
3. De toezichthouder beschikt niet
over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:15, 5:18 en 5:19
van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 63 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 64
1. Onze Minister verleent op
aanvraag ontheffing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen
8, 9 en 14, eerste lid, onder b, sub 1°, indien naar zijn oordeel
sprake is van een bijzondere omstandigheid en gewichtige belangen
tot het verlenen van een ontheffing aanleiding geven.
2. In afwijking van het bepaalde in
het eerste lid verleent Onze Minister ontheffing van het bepaalde
krachtens artikel 8, derde lid.
3. Een ontheffing kan onder
beperkingen worden verleend; aan de ontheffing kunnen
voorschriften worden verbonden.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regelen gesteld met betrekking tot de
procedure die bij het aanvragen van een ontheffing moet worden
gevolgd, alsmede met betrekking tot de beslissing omtrent de
aanvraag.
5. Tegen een beschikking van Onze
Minister omtrent de verlening, de weigering, de verlenging of de
intrekking van een ontheffing staat beroep open bij de Centrale
Grondkamer.
Artikel 65
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 66 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 67
De rechten, lasten, verplichtingen en
bezittingen van de Stichting "Beheer Landbouwgronden" gaan
bij haar opheffing over op het bureau.
Artikel 68
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 69 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. Deze wet is niet van toepassing
ten aanzien van overeenkomsten, waarvan een akte is opgemaakt,
welke voor de dag van inwerkingtreding van deze wet, een zekere
dagtekening heeft verkregen.
2. Artikel 66 is niet van
toepassing op zaken, die op het tijdstip van het in werking treden
van de wet aanhangig zijn bij de grondkamers, de Centrale
Grondkamer, de pachtkamers van de kantongerechten of de pachtkamer
van het gerechtshof te Arnhem.
3. De in deze wet opgenomen
bepalingen inhoudende de wijziging van de Pachtwet zijn niet van
toepassing op pachtovereenkomsten, aangegaan voor het in werking
treden van deze wet en waarvan een schriftelijke pachtovereenkomst
of een vonnis tot schriftelijke vastlegging aan de Grondkamer ter
goedkeuring ingezonden wordt binnen één jaar na het in werking
treden van deze wet.
Artikel 70
1. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet agrarisch grondverkeer.
2. Zij treedt in werking met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip,
dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend
kan zijn.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Lage Vuursche, 26 maart 1981
BEATRIX
De Minister van Landbouw en Visserij,
G.J.M. Braks
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
Beelaerts van Blokland
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
De Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,
G.C. Wallis de Vries
De Minister van Financiën,
Van der Stee
Uitgegeven de negentiende mei 1981
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
|