Nadere regelgeving:
- Besluit wijziging grens tussen
de gemeenten Meppel en Staphorst, tevens provinciegrens tussen
Drenthe en Overijssel
- Besluit wijziging grens tussen
de gemeente Rotterdam en niet-ingedeeld gebied in de Noordzee,
tevens provinciegrens van Zuid-Holland
WET van 24 oktober 1984, houdende
algemene regelen in verband met wijziging van de gemeentelijke indeling
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is algemene
regelen te stellen die bij wijziging van de gemeentelijke indeling van
toepassing zijn;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
b. wijziging van de gemeentelijke indeling: instelling en
opheffing van gemeenten alsmede wijziging van gemeentegrenzen die
naar verwachting het inwonertal van tenminste één van de
betrokken gemeenten met 10% of meer zal doen toe- of afnemen;
c. wijziging van de provinciale indeling: instelling en
opheffing van provincies alsmede wijziging van provinciegrenzen
waardoor naar verwachting 10% of meer van het aantal inwoners van
een gemeente deel gaat uitmaken van een andere provincie en
wijziging van provinciegrenzen met niet provinciaal ingedeeld
gebied;
d. grenscorrectie: een wijziging van een gemeentegrens die naar
verwachting het inwonertal van geen van de betrokken gemeenten met
10% of meer zal doen toe- of afnemen;
e. herindelingsadvies: een met toepassing van deze wet
voorbereid advies aan Onze Minister over wijziging van
gemeentelijke en van provinciale grenzen;
f. herindelingsregeling: een wet, een algemene maatregel van
bestuur of een besluit als bedoeld in de artikelen 3 en 13 tot
wijziging van de gemeentelijke of de provinciale indeling of tot
grenscorrectie alsmede een samenstel van gelijkluidende besluiten
als bedoeld in artikel 3 tot het vaststellen van een
grenscorrectie;
g. herindelingsontwerp: een ontwerp van een herindelingsadvies
of van een herindelingsregeling;
h. datum van herindeling: 1 januari volgend op de dag van
inwerkingtreding van de herindelingsregeling;
i. overgaand dan wel toegevoegd gebied: gebied dat krachtens
een herindelingsregeling deel gaat uitmaken onderscheidenlijk deel
is gaan uitmaken van een andere gemeente of provincie.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onder b, c en d, wordt
uitgegaan van het aantal inwoners van het desbetreffende grondgebied
op het tijdstip dat:
a. het herindelingsadvies dan wel de herindelingsregeling wordt
vastgesteld, indien het betreft een herindelingsadvies dan wel
herindelingsregeling waarvan de voorbereiding geschiedt door
gemeenten of door een of meer provincies;
b. het voorstel voor een herindelingsregeling aan de
ministerraad wordt gezonden, indien het betreft een
herindelingsregeling waarvan de voorbereiding geschiedt door de
minister.
Artikel 2
1. Bij een herindelingsontwerp, een herindelingsadvies en een
herindelingsregeling zijn een of meer kaarten gevoegd waarop de
wijzigingen van de provincie- of gemeentegrenzen zijn aangegeven.
2. Uiterlijk twee maanden na de vaststelling van de
herindelingsregeling stellen gedeputeerde staten een beschrijving vast
van de grenzen die zijn aangegeven op de bij de herindelingsregeling
gevoegde kaart of kaarten. De beschrijving geschiedt met behulp van
kadastrale kenmerken en indien dat niet mogelijk is met behulp van
coördinaten van het verschoven stelsel van rijksdriehoeksmeting.
3. De inwerkingtreding van de herindelingsregeling wordt bepaald op
een tijdstip gelegen na de vaststelling van de grensbeschrijving.
Hoofdstuk II. Wijziging van de gemeentelijke indeling en
grenscorrecties
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 3
1. Een wijziging van de gemeentelijke indeling geschiedt bij wet.
2. Een grenscorrectie geschiedt:
a. bij gelijkluidende besluiten van de raden van de betrokken
gemeenten;
b. bij besluit van provinciale staten;
c. bij algemene maatregel van bestuur of bij wet.
3. Een grenscorrectie die gepaard gaat met een wijziging van een
provinciegrens geschiedt:
a. bij gelijkluidende besluiten van provinciale staten van de
betrokken provincies;
b. bij algemene maatregel van bestuur of bij wet.
Artikel 4
1. Een herindelingsadvies met betrekking tot een wijziging van de
gemeentelijke indeling wordt door provinciale staten vastgesteld.
2. Een herindelingsadvies met betrekking tot een wijziging van de
gemeentelijke indeling kan door de raden van de betrokken gemeenten
worden vastgesteld.
3. Indien de besturen van de betrokken provincies van oordeel
verschillen over de wenselijkheid van een grenscorrectie die gepaard
gaat met een wijziging van de provinciegrens kunnen provinciale staten
van één provincie een herindelingsadvies vaststellen.
Paragraaf 2. Voorbereidingen door gemeenten
Artikel 5
1. Bij de voorbereiding van een herindelingsregeling tot
grenscorrectie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, of van
een herindelingsadvies met betrekking tot een wijziging van de
gemeentelijke indeling als bedoeld in artikel 4, tweede lid, stellen
de raden van de betrokken gemeenten gezamenlijk een
herindelingsontwerp vast en zenden dit aan gedeputeerde staten.
2. Burgemeester en wethouders leggen het herindelingsontwerp
gedurende acht weken ter inzage op de gemeentesecretarie. De
terinzagelegging wordt bekendgemaakt. Gedurende de termijn van
terinzagelegging kan een ieder zijn zienswijze over het ontwerp
kenbaar maken aan het college van burgemeester en wethouders.
3. Het herindelingsadvies wordt door gedeputeerde staten aan Onze
Minister gezonden tezamen met de zienswijze van gedeputeerde staten.
4. Een gemeentebestuur treft op grond van dit artikel geen
voorbereidingen voor een wijziging van de grenzen van de gemeente na
het tijdstip waarop gedeputeerde staten of Onze Minister hebben
medegedeeld dat door hen werkzaamheden ter hand zijn genomen in
verband met de voorbereiding van een wijziging van de grenzen van de
gemeente.
Artikel 6
Indien Onze Minister besluit op basis van een herindelingsadvies een
voorstel voor een herindelingsregeling te doen, zendt hij het voorstel
aan de ministerraad binnen vier maanden na ontvangst van het
herindelingsadvies.
Paragraaf 3. Voorbereidingen door provincies
Artikel 7
De voorbereiding van een herindelingsregeling tot grenscorrectie als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, of van een herindelingsadvies
met betrekking tot een wijziging van de gemeentelijke indeling als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, geschiedt met toepassing van artikel
8.
Artikel 8
1. Gedeputeerde staten stellen burgemeester en wethouders van de
betrokken gemeenten in de gelegenheid met hen overleg te voeren over
de wens tot grenscorrectie of tot wijziging van de gemeentelijke
indeling. Het overleg duurt ten hoogste zes maanden.
2. Uiterlijk drie maanden na afloop van het overleg stellen
gedeputeerde staten een herindelingsontwerp vast en zenden dit tezamen
met een verslag van het gevoerde overleg aan de gemeenteraden en aan
Onze Minister.
3. Burgemeester en wethouders leggen het herindelingsontwerp binnen
twee weken na ontvangst gedurende acht weken ter inzage op de
gemeentesecretarie. De terinzagelegging wordt bekendgemaakt. Gedurende
de termijn van terinzagelegging kan een ieder zijn zienswijze over het
ontwerp kenbaar maken aan gedeputeerde staten.
4. De gemeenteraden kunnen tot uiterlijk drie maanden na ontvangst
van het herindelingsontwerp hun zienswijze kenbaar maken aan
gedeputeerde staten.
5. De herindelingsregeling of het herindelingsadvies wordt
vastgesteld uiterlijk vier maanden na afloop van de termijn, bedoeld
in het vierde lid. Een vastgesteld herindelingsadvies wordt aan Onze
Minister gezonden. Van de vaststelling van een herindelingsregeling
wordt aan Onze Minister mededeling gedaan.
Artikel 9
1. De voorbereiding van een herindelingsregeling tot een
grenscorrectie die gepaard gaat met een wijziging van een
provinciegrens als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, of van
een daartoe strekkend herindelingsadvies als bedoeld in artikel 4,
derde lid, geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 8, met
dien verstande dat:
a. tevens gedeputeerde staten van de andere betrokken provincie
of provincies in de gelegenheid worden gesteld tot het voeren van
het overleg bedoeld in artikel 8, eerste lid; en
b. het herindelingsontwerp tevens aan provinciale staten van de
andere betrokken provincie of provincies wordt gezonden. Zij
kunnen tot uiterlijk drie maanden na ontvangst van het
herindelingsontwerp hun zienswijze over het ontwerp kenbaar maken
aan de gedeputeerde staten die het voorstel hebben gedaan.
2. Het herindelingsontwerp wordt tevens toegezonden aan de
betrokken waterschapsbesturen.
Artikel 10
Gedeputeerde staten treffen op grond van de artikelen 8 en 9 geen
voorbereidingen voor een wijziging van de grenzen van een gemeente na
het tijdstip waarop Onze Minister heeft medegedeeld dat door hem
werkzaamheden ter hand zijn genomen in verband met de voorbereiding van
een wijziging van de grenzen van de gemeente.
Artikel 11
Indien Onze Minister besluit op basis van een herindelingsadvies een
voorstel voor een herindelingsregeling te doen, zendt hij het voorstel
aan de ministerraad binnen vier maanden na ontvangst van het
herindelingsadvies.
Paragraaf 4. Voorbereidingen door de minister
Artikel 12
1. De voorbereiding van een herindelingsregeling door Onze Minister
geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 8, eerste tot en
met vierde lid, met dien verstande dat:
a. Onze Minister in de plaats treedt van gedeputeerde staten;
b. tevens gedeputeerde staten van de betrokken provincie of van
de betrokken provincies in de gelegenheid worden gesteld tot het
voeren van het overleg, bedoeld in artikel 8, eerste lid; en
c. het herindelingsontwerp tevens aan gedeputeerde staten van
de betrokken provincie wordt gezonden dan wel aan de provinciale
staten van de betrokken provincies indien het betreft een
grenscorrectie die gepaard gaat met een wijziging van een
provinciegrens. Zij kunnen tot uiterlijk drie maanden na ontvangst
van het herindelingsontwerp hun zienswijze over het ontwerp
kenbaar maken aan Onze Minister.
2. Indien door gedeputeerde staten met betrekking tot gemeenten
voorbereidingen zijn getroffen als bedoeld in de artikelen 8 en 9 voor
een herindelingsadvies of een herindelingsregeling en Onze Minister
met toepassing van het eerste lid de voorbereiding van een
herindelingsregeling ten aanzien van die gemeenten ter hand neemt,
kunnen de door gedeputeerde staten getroffen voorbereidingen door Onze
Minister worden aangemerkt als door hem getroffen voorbereidingen.
Hoofdstuk III. Wijziging van de provinciale indeling
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 13
1. Een wijziging van de provinciale indeling geschiedt bij wet.
2. Een wijziging van de provinciale indeling die betreft een
wijziging van provinciegrenzen met niet provinciaal ingedeeld gebied
kan geschieden bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 14
1. Een herindelingsadvies met betrekking tot een wijziging van de
provinciale indeling wordt vastgesteld door de provinciale staten van
de betrokken provincies gezamenlijk.
2. Indien de besturen van de betrokken provincies van oordeel
verschillen over de wenselijkheid van een wijziging van de provinciale
indeling kunnen provinciale staten van één provincie een
herindelingsadvies vaststellen.
3. Een herindelingsadvies met betrekking tot een wijziging van de
provinciale indeling die één provincie betreft en geschiedt zonder
wijziging van grenzen van een andere provincie, wordt vastgesteld door
provinciale staten.
Paragraaf 2. Voorbereidingen door provincies
Artikel 15
1. Ten behoeve van de voorbereiding van een herindelingsadvies met
betrekking tot een wijziging van de provinciale indeling als bedoeld
in artikel 14, eerste lid, stellen provinciale staten van de betrokken
provincies een commissie in die is samengesteld uit leden van
gedeputeerde staten van de betrokken provincies.
2. De voorbereiding van het herindelingsadvies geschiedt met
overeenkomstige toepassing van artikel 8, met dien verstande dat de
commissie in de plaats treedt van gedeputeerde staten.
Artikel 16
De voorbereiding van een herindelingsadvies met betrekking tot een
wijziging van de provinciale indeling als bedoeld in artikel 14, tweede
lid, geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 8, met dien
verstande dat:
a. tevens gedeputeerde staten van de andere betrokken provincie
of provincies in de gelegenheid worden gesteld tot het voeren van
het overleg, bedoeld in artikel 8, eerste lid; en
b. gedeputeerde staten het herindelingsontwerp tevens aan
provinciale staten van de andere betrokken provincie of provincies
zenden. Zij kunnen tot uiterlijk drie maanden na ontvangst van het
herindelingsontwerp hun zienswijze kenbaar maken aan de gedeputeerde
staten die het voorstel hebben gedaan.
Artikel 17
De voorbereiding van een herindelingsadvies met betrekking tot een
wijziging van de provinciale indeling als bedoeld in artikel 14, derde
lid, geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 8.
Artikel 18
Indien Onze Minister besluit op basis van een herindelingsadvies een
voorstel voor een herindelingsregeling te doen, zendt hij het voorstel
aan de ministerraad binnen vier maanden na ontvangst van het
herindelingsadvies.
Paragraaf 3. Voorbereidingen door de minister
Artikel 19
1. De voorbereiding van een herindelingsregeling door Onze Minister
geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 8, eerste tot en
met vierde lid, met dien verstande dat:
a. Onze Minister in de plaats treedt van gedeputeerde staten;
b. tevens gedeputeerde staten van de betrokken provincie of
provincies in de gelegenheid worden gesteld tot het voeren van het
overleg, bedoeld in artikel 8, eerste lid; en
c. het herindelingsontwerp tevens aan provinciale staten van de
betrokken provincie of provincies wordt gezonden. Deze kunnen tot
uiterlijk drie maanden na ontvangst van het herindelingsontwerp
hun zienswijze over het ontwerp kenbaar maken aan Onze Minister.
2. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien door gedeputeerde staten of een commissie als bedoeld in
artikel 15, eerste lid, met betrekking tot een wijziging van de
provinciegrenzen voorbereidingen zijn getroffen als bedoeld in de
artikelen 15 tot en met 17 voor een herindelingsadvies of een
herindelingsregeling en Onze Minister met toepassing van het eerste
lid de voorbereiding van een herindelingsregeling ten aanzien van die
provinciegrenzen ter hand neemt, kunnen de door gedeputeerde staten of
de commissie getroffen voorbereidingen door Onze Minister worden
aangemerkt als door hem getroffen voorbereidingen.
Paragraaf 4. Slotbepaling
Artikel 20
Een herindelingsontwerp vastgesteld met toepassing van dit hoofdstuk
wordt tevens toegezonden aan de betrokken waterschapsbesturen.
Hoofdstuk IV. Financieel toezicht
Artikel 21
1. Met ingang van de dag waarop een gemeente blijkens een
herindelingsontwerp, een herindelingsadvies of een voorstel van wet in
aanmerking komt om te worden opgeheven, behoeven de door gedeputeerde
staten aangewezen besluiten van de raden en de colleges van
burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten de goedkeuring
van gedeputeerde staten.
2. Aangewezen kunnen worden categorieën van besluiten die kunnen
leiden tot nieuwe uitgaven, tot verhoging van bestaande uitgaven dan
wel tot verlaging van bestaande inkomsten of tot vermindering van
vermogen.
3. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het
financieel belang van de gemeente of gemeenten waarvan het gebied van
de betrokken gemeente na herindeling deel zal gaan uitmaken.
4. Het toezicht dat is aangevangen op grond van het eerste lid
blijft van kracht tot de datum van herindeling of de datum waarop Onze
Minister bepaalt dat het toezicht is vervallen.
Artikel 22 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 23 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 24 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 25 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 26 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 27 [Vervallen per 21-02-2001]
Hoofdstuk V. Rechtskracht voorschriften en uitoefening bevoegdheden
Artikel 28
De op de dag, voorafgaande aan de datum van herindeling, voor een
overgaand gebied geldende gemeentelijke voorschriften behouden gedurende
twee jaren na die datum voor dat gebied hun rechtskracht, voor zover het
bevoegde gezag van de gemeente waaraan dat gebied is toegevoegd, deze
voorschriften niet eerder vervallen verklaart.
Artikel 29
1. Het bevoegde gezag van een nieuwe gemeente kan vóór afloop van
de in artikel 28 bedoelde termijn een voorschrift als in dat artikel
bedoeld voor het gehele gebied der gemeente geldend verklaren.
2. Op gelijke wijze maakt het bestuur van de nieuwe gemeente tijdig
vóór afloop van de in artikel 28 bedoelde termijn bekend welke
overige in dat artikel bedoelde voorschriften na afloop van die
termijn voor het gehele gebied der gemeente zullen gelden.
Artikel 30
1. De op de dag, voorafgaande aan de datum van herindeling, in een
gemeente van kracht zijnde gemeentelijke voorschriften gelden
gedurende twee jaren na die datum niet voor aan die gemeente
toegevoegd gebied, voor zover het bevoegde gezag van die gemeente deze
voorschriften niet eerder voor dat gebied geldend verklaart.
2. Het college van burgemeester en wethouders maakt tijdig vóór
afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn bekend welke in dat
lid bedoelde voorschriften na afloop van die termijn voor het
toegevoegde gebied zullen gelden.
Artikel 31
De op de dag, voorafgaande aan de datum van herindeling, geldende
besluiten tot instelling van commissies als bedoeld in Hoofdstuk V van
de Gemeentewet (Stb. 1992, 96) van gemeenten waarin een raadsverkiezing
als bedoeld in artikel 52 is gehouden, vervallen op die datum. Zij
kunnen binnen een maand na die datum door het op grond van hoofdstuk V
van de Gemeentewet bevoegde orgaan tot instelling van de commissies
geheel of ten dele wederom geldend worden verklaard.
Artikel 32
1. Het bepaalde in de artikelen 28-30 is niet van toepassing op
belastingverordeningen op voet van artikel 220 van de Gemeentewet. Ten
aanzien van overgaand gebied houden deze verordeningen op te gelden
met ingang van de datum van herindeling, doch zij behouden, met
inachtneming van het bepaalde in artikel 39, hun rechtskracht voor de
belastingjaren welke vóór die datum zijn aangevangen.
2. De raad van een nieuwe gemeente kan binnen drie maanden na de
datum van herindeling ingevolge het bepaalde in artikel 216 van de
Gemeentewet besluiten tot vaststelling van een nieuwe verordening die
met ingang van genoemde datum zal gelden voor de gemeente.
3. Voor gebied dat overgaat naar een andere dan een nieuwe gemeente
is met ingang van de datum van herindeling van toepassing de
verordening van de gemeente waaraan dat gebied is toegevoegd. Voor
zover de herindeling zulks noodzakelijk maakt, is de raad van de
gemeente waaraan het gebied is toegevoegd, bevoegd binnen 3 maanden na
de datum van herindeling te besluiten tot aanpassing van de
verordening. De aangepaste verordening geldt met ingang van genoemde
datum voor het gehele gebied der gemeente.
4. Het bepaalde in de artikelen 28-30 is evenmin van toepassing op
besluiten inzake de baatbelasting die zijn vastgesteld op de voet van
artikel 222 van de Gemeentewet en op besluiten als bedoeld in de
artikelen XV, derde tot en met vijfde lid, van de Invoeringswet van de
wet materiële belastingbepalingen Gemeentewet. Deze besluiten worden
aangemerkt als besluiten van de gemeente waaraan het gebied is
toegevoegd.
Artikel 32a [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 33
De artikelen 28 tot en met 30 en 32 zijn van overeenkomstige
toepassing op besluiten tot vaststelling, wijziging of intrekking van
belastingverordeningen die zijn genomen vóór de datum van herindeling
en die op of na die datum in werking treden.
Artikel 34
1. In afwijking van het bepaalde in artikel 28 worden de vóór de
datum van herindeling vastgestelde structuurvisies,
bestemmingsplannen, beheersverordeningen en exploitatieplannen als
bedoeld in respectievelijk artikel 2.1, 3.1, 3.38 en 6.12 van de Wet
ruimtelijke ordening en besluiten waarbij gronden worden aangewezen
tot gebied waarop een voorkeursrecht rust als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten, met betrekking tot
overgaand gebied geacht te zijn vastgesteld door het bevoegde gezag
van de gemeente waaraan dat gebied is toegevoegd en behouden zij hun
rechtskracht zolang het bevoegde gezag niet anders bepaalt.
2. Evenzo wordt een vóór de datum van herindeling genomen
voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet
ruimtelijke ordening met betrekking tot overgaand gebied geacht te
zijn genomen door de raad van de gemeente waaraan dat gebied is
toegevoegd.
Artikel 35
Bij wijziging van een provinciegrens is het bepaalde in de artikelen
28 en 30 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van provinciale
voorschriften zomede het bevoegde gezag van de betrokken provincies.
Artikel 36
1. Voor de secretaris en de griffier van een nieuwe gemeente gelden
de instructies van de in de betrokken herindelingsregeling aan te
wijzen gemeente totdat zij door andere zijn vervangen.
2. Voor de vergaderingen van de raad en van burgemeester en
wethouders van een nieuwe gemeente gelden de reglementen van orde van
de in de betrokken herindelingswet aan te wijzen gemeente totdat zij
door andere zijn vervangen.
Artikel 37
Met ingang van de datum van herindeling en zolang de in artikel 28
bedoelde voorschriften blijven gelden, oefenen in toegevoegd gebied de
in de gemeente waarnaar dat gebied is overgegaan, bevoegde organen en
ambtenaren de bevoegdheden uit welke bij die voorschriften aan
overeenkomstige organen en ambtenaren zijn toegekend.
Artikel 38
1. Bij wijziging van een provinciegrens is het bepaalde in artikel
37 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bevoegdheden van
de organen en de ambtenaren van de provincie.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het
toezicht op de bij de wijziging van de provinciale grens betrokken
waterschappen uitgeoefend door de organen die daarmede op de dag,
voorafgaande aan de datum van herindeling, belast waren, totdat bij
reglementswijziging in de gevolgen van de betrokken
herindelingsregeling is voorzien. Indien tussen de betrokken
gedeputeerde staten niet binnen een jaar omtrent de
reglementswijziging overeenstemming is bereikt, is het bepaalde in
artikel 4 van de Waterstaatswet 1900 van toepassing.
Artikel 39
1. De bevoegdheid tot het heffen en invorderen van gemeentelijke
belastingen in toegevoegd gebied over een belastingjaar dat vóór de
datum van herindeling is aangevangen, blijft voorbehouden aan de
organen en ambtenaren van de gemeente waartoe dat gebied vóór die
datum behoorde.
2. Ingeval de in het eerste lid bedoelde gemeente bij een
herindelingswet wordt opgeheven, komt de in dat lid genoemde
bevoegdheid toe aan de organen en ambtenaren van de in die wet aan te
wijzen gemeente.
Artikel 40
Onverminderd artikel 226 van de Provinciewet en artikel 228 van de
Provinciewet is bij wijziging van een provinciegrens artikel 39, eerste
lid, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van provinciale
belastingen.
Artikel 41
1. Gemeenschappelijke regelingen waaraan uitsluitend wordt
deelgenomen door gemeenten welker gebied in zijn geheel tot een en
dezelfde gemeente komt te behoren, vervallen met ingang van de datum
van herindeling. Het bestuur van die gemeente treft in verband
hiermede de nodige voorzieningen.
2. In een herindelingsregeling kan het bepaalde in het eerste lid
van overeenkomstige toepassing worden verklaard ten aanzien van
gemeenschappelijke regelingen waaraan uitsluitend wordt deelgenomen
door gemeenten welker gebied grotendeels tot een en dezelfde gemeente
komt te behoren.
3. De overige gemeenschappelijke regelingen waaraan bij een
wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken gemeenten deelnemen,
blijven ongewijzigd van kracht, met dien verstande dat de betrokken
herindelingsregeling de gemeente of gemeenten aanwijst die, zolang nog
geen uitvoering is gegeven aan het vierde of vijfde lid van dit
artikel, voor de toepassing van de regeling in de plaats treedt
onderscheidenlijk treden van op te heffen gemeenten.
4. De deelnemers aan een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in
het derde lid treffen, voor zoveel nodig, binnen zes maanden na de
datum van herindeling met toepassing van de Wet gemeenschappelijke
regelingen de uit de gewijzigde gemeentelijke indeling voortvloeiende
voorzieningen. Zij kunnen daarbij afwijken van de bepalingen van de
gemeenschappelijke regeling met betrekking tot wijziging en opheffing
van de regeling en het toe- en uittreden van deelnemers. De in de
eerste volzin genoemde termijn kan door gedeputeerde staten van de
betrokken provincie of, zo de regeling uitsluitend tussen
burgemeesters is aangegaan, door de commissaris van de Koning in die
provincie met ten hoogste zes maanden worden verlengd.
5. Indien de voorzieningen, bedoeld in het vierde lid, niet binnen
de daarvoor gestelde termijn zijn getroffen, kan dit geschieden door
gedeputeerde staten of, zo de regeling uitsluitend tussen
burgemeesters is aangegaan, door de commissaris van de Koning.
6. De leden van bij gemeenschappelijke regeling ingestelde organen,
aangewezen door de vóór de datum van herindeling bevoegde
gemeentebesturen, blijven in deze organen zitting hebben totdat de na
de datum van herindeling bevoegde gemeentebesturen, zo nodig met
afwijking van hetgeen in de gemeenschappelijke regeling ten aanzien
van de zittingsduur is bepaald, in de aanwijzing hebben voorzien.
7. De voorgaande leden zijn niet van toepassing ten aanzien van
gemeenschappelijke regelingen die van kracht zijn voor een gebied
waarvan de omvang bij of krachtens wet dan wel bij koninklijk besluit
is vastgesteld.
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 43
Voor zover aan een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel
41, derde lid, wordt deelgenomen door een provincie en die regeling mede
betrekking heeft op gebied dat ingevolge een herindelingsregeling naar
een andere provincie overgaat, is het bepaalde in dat en het vierde,
zesde en zevende lid van artikel 41 van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de betrokken provincies.
Artikel 43a
1. In afwijking van artikel 81p van de Gemeentewet kan de raad van
een nieuwe gemeente op uiterlijk 15 januari van het jaar waarin de
gemeente is ingesteld, de behandeling van verzoekschriften als bedoeld
in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
opdragen aan een gemeentelijke ombudsman of ombudscommissie, dan wel
een gezamenlijke ombudsman of ombudscommissie. Het besluit werkt terug
tot 1 januari van het jaar waarin het is genomen.
2. Indien de raad een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt,
zendt hij dit binnen een week aan de Nationale ombudsman.
Hoofdstuk VI. Overgang rechten en verplichtingen
Artikel 44
1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid en in de artikelen
45 en 48 gaan op de datum van herindeling alle rechten en
verplichtingen van een op te heffen gemeente over op de gemeente
waaraan haar gebied wordt toegevoegd, dan wel, wanneer het gebied naar
meer dan één gemeente overgaat, naar de in de betrokken
herindelingsregeling aan te wijzen gemeente, zonder dat daarvoor een
nadere akte wordt gevorderd.
2. Alle rechten en verplichtingen van een gemeente, betrekking
hebbende op van die gemeente overgaand gebied, gaan op de datum van
herindeling over op de gemeente waaraan dat gebied wordt toegevoegd,
zonder dat daarvoor een nadere akte wordt gevorderd.
3. Wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij een gemeente,
van welke gebied overgaat, betrokken is, worden met ingang van de
datum van herindeling voortgezet door of tegen de gemeente waaraan dat
gebied wordt toegevoegd, voor zover krachtens het in het eerste en
tweede lid bepaalde de in deze leden bedoelde rechten en
verplichtingen op die gemeente overgaan. Ten aanzien van de
rechtsgedingen is de elfde afdeling van de tweede titel van het eerste
boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing.
4. Gedeputeerde staten van de betrokken provincie doen, ingeval op
grond van het bepaalde in het eerste en tweede lid registergoederen
overgaan, de overgang van de betrokken registergoederen onverwijld
inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel
1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
Artikel 45
1. Met betrekking tot de voorziening van drinkwater, elektriciteit
en gas blijft toegevoegd gebied deel uitmaken van het
voorzieningsgebied van de bedrijven die daarin voorzagen of gerechtigd
waren te voorzien op de dag, voorafgaande aan de datum van
herindeling, voor zover de betrokken partijen ter zake geen nadere
regeling treffen.
2. Bij opheffing van een gemeente treedt ten aanzien van de rechten
en verplichtingen die verband houden met de in het eerste lid bedoelde
voorzieningen de in de betrokken herindelingswet aan te wijzen
gemeente voor die gemeente in de plaats, zonder dat daarvoor een
nadere akte wordt gevorderd.
Artikel 46
Bij wijziging van een provinciegrens is het bepaalde in de artikelen
44 en 45 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van rechten en
verplichtingen van een provincie.
Artikel 47
1. Ten behoeve van de voortzetting van het comptabel beheer in
verband met de overgang van gebied kunnen gedeputeerde staten, de
colleges van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten
gehoord, aanwijzingen geven, welke door die colleges in acht moeten
worden genomen.
2. Voor het tijdvak waarin voor een nieuwe gemeente nog geen
begroting is vastgesteld, zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot
het doen van uitgaven, voor zover daartegen bij gedeputeerde staten
geen bezwaar bestaat.
Artikel 48
1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid worden de uitkeringen
die door onderscheidenlijk aan het Rijk, de provincie of gemeenten
over de vóór de datum van herindeling aangevangen
boekingstijdvakken, dienstjaren of uitkeringsjaren met betrekking tot
overgaand gebied van een gemeente verschuldigd zijn, gedaan aan
onderscheidenlijk door de gemeente waartoe dat gebied vóór die datum
behoorde.
2. Wanneer het een op te heffen gemeente betreft, geschieden de in
het eerste lid bedoelde uitkeringen aan onderscheidenlijk door de
gemeente waaraan het gebied van de op te heffen gemeente wordt
toegevoegd of zo dit gebied naar meer dan één gemeente overgaat, de
in de betrokken herindelingswet aan te wijzen gemeente.
Artikel 49
Bij wijziging van een provinciegrens is het bepaalde in artikel 48
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van door onderscheidenlijk
aan het Rijk of gemeenten met betrekking tot overgaand gebied van een
provincie verschuldigde uitkeringen.
Artikel 50
1. Indien in verband met het bepaalde in de artikelen 39, 41, 44,
45 en 48 een verrekening tussen gemeenten dient plaats te vinden
worden, de besturen van die gemeenten gehoord, het bedrag en, zo
nodig, de wijze van betaling vastgesteld:
a. door gedeputeerde staten van de betrokken provincie indien
de desbetreffende wijziging van de gemeentelijke indeling dan wel
grenscorrectie niet gepaard gaat met wijziging van de
provinciegrens;
b. door de colleges van gedeputeerde staten van de betrokken
provincies in onderling overleg indien de desbetreffende wijziging
van de gemeentelijke indeling dan wel grenscorrectie gepaard gaat
met wijziging van de provinciegrens;
c. bij koninklijk besluit, de besturen van de betrokken
provincies gehoord, bij gebreke van overeenstemming tussen de
colleges, bedoeld onder b.
2. Bij het vaststellen van het bedrag van de verrekening, bedoeld
in het eerste lid, kunnen reserves en voorzieningen worden betrokken.
3. Op een verzoek om verrekening als bedoeld in het eerste lid
beslissen gedeputeerde staten niet afwijzend dan na de besturen van de
in dat lid bedoelde gemeenten te hebben gehoord.
Artikel 51
1. Indien bij een wijziging van een provinciegrens in verband met
het bepaalde in de artikelen 40, 43, 46 en 49 een verrekening tussen
provincies dient plaats te vinden, worden het bedrag en de wijze van
betaling daarvan vastgesteld:
a. door de colleges van gedeputeerde staten van de betrokken
provincies in onderling overleg;
b. bij koninklijk besluit, de besturen van de betrokken
provincies gehoord, bij gebreke van overeenstemming tussen de
colleges, bedoeld onder a.
2. Bij het vaststellen van het bedrag van de verrekening, bedoeld
in het eerste lid, kunnen reserves en voorzieningen worden betrokken.
Hoofdstuk VII. Verkiezing vertegenwoordigend lichaam
Artikel 52
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een tussentijdse
raadsverkiezing die krachtens een herindelingsregeling plaatsvindt.
Bij de vorming van een nieuwe gemeente wijst die regeling de gemeente
aan die met de voorbereiding daarvan belast is.
2. Een verkiezing als bedoeld in het eerste lid wordt in elk geval
voorgeschreven indien:
a. bij een herindelingswet een nieuwe gemeente wordt ingesteld;
b. als gevolg van een wijziging van de gemeentelijke indeling
te verwachten is dat het inwonertal van een gemeente met 10% of
meer zal toe- dan wel afnemen;
c. de verwachte verschuiving in het inwonertal weliswaar minder
dan 10% beloopt maar de gemeente wat het aantal raadszetels
betreft ingevolge het bepaalde in artikel 8 van de Gemeentewet
vermoedelijk tot een andere categorie zal komen te behoren.
Artikel 53
1. De op de dag, voorafgaande aan de datum van herindeling, zitting
hebbende leden van de raad ener gemeente waarvoor een verkiezing als
bedoeld in artikel 52 wordt gehouden, treden met ingang van die datum
af.
2. Indien op de datum van herindeling niet de goedkeuring van de
geloofsbrieven van meer dan de helft van de leden van de raad
onherroepelijk is geworden, aanvaarden de leden van de raad hun ambt
niet, totdat zulks het geval is. Gedurende deze tijd hebben de leden
van de raad en de wethouders van de ingevolge artikel 52, eerste lid,
aangewezen gemeente zitting als leden van de raad onderscheidenlijk
als wethouders. De raad en het college van burgemeester en wethouders
nemen gedurende deze tijd slechts besluiten welke geen uitstel kunnen
lijden.
Artikel 54
1. Burgemeester en wethouders van een gemeente waarvan gebied
overgaat naar een gemeente waarvoor een verkiezing als bedoeld in
artikel 52 wordt gehouden, zenden op een door gedeputeerde staten van
de provincie waarvan laatstbedoelde gemeente deel uitmaakt of zal
uitmaken, te bepalen datum aan burgemeester en wethouders van deze
gemeente onderscheidenlijk van de op grond van dat artikel aan te
wijzen gemeente een opgave van de op bedoelde datum geregistreerde
kiesgerechtigde personen welke op die datum in het overgaande gebied
werkelijke woonplaats hebben.
2. Indien tussen de in het eerste lid bedoelde datum en de dag van
kandidaatstelling als bedoeld in artikel 55, tweede lid, veranderingen
optreden in de registratie van kiesgerechtigden die werkelijke
woonplaats hebben of verkrijgen in de gemeente of het deel van de
gemeente waarop een opgave als bedoeld in het eerste lid betrekking
heeft, worden deze veranderingen onverwijld ter kennis gebracht van
burgemeester en wethouders aan wie die opgave is gezonden, waarna dit
college deze veranderingen in de opgave aanbrengt.
Artikel 55
1. De raad van een gemeente waarvoor een verkiezing als bedoeld in
artikel 52 wordt gehouden, zal bestaan uit het door gedeputeerde
staten van de betrokken provincie met toepassing van artikel 8 van de
Gemeentewet te bepalen aantal leden. Daartoe wordt het inwonertal van
een gemeente bepaald aan de hand van de door het Centraal Bureau voor
de Statistiek bekend gemaakte gegevens betreffende de
bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar waarin de verkiezing
plaatsvindt.
2. De kandidaatstelling en de eventuele stemming geschieden op de
dagen, door gedeputeerde staten met inachtneming van artikel J1 van de
Kieswet te bepalen, met dien verstande dat de stemming voor de datum
van herindeling plaatsvindt.
3. Gedeputeerde staten kunnen besluiten tot afwijking van de in de
artikelen G 1, achtste lid, G 2, achtste lid, G 3, eerste lid, G 4,
derde lid, en G 5, tweede lid, van de Kieswet bedoelde termijnen
inzake registratie van aanduidingen van politieke groeperingen.
4. Indien het een nieuwe gemeente betreft worden bij de nummering
van de kandidatenlijsten in afwijking van artikel I 14, eerste lid,
eerste volzin, van de Kieswet eerst genummerd de lijsten van politieke
groeperingen wier aanduiding was geplaatst boven een kandidatenlijst
waaraan bij de laatstgehouden verkiezing van de raad van de gemeente
die met de voorbereiding van de verkiezing is belast, een of meer
zetels zijn toegekend.
5. Als kiesgerechtigden worden geacht te zijn geregistreerd degenen
die als zodanig zijn geregistreerd in de in artikel 52 bedoelde
bestaande onderscheidenlijk aan te wijzen gemeente, nadat daaraan zijn
toegevoegd de personen die voorkomen op de ingevolge artikel 54,
eerste lid, ontvangen opgaven zoals deze luiden na toepassing van het
tweede lid van dat artikel, en daarvan zijn afgevoerd de personen die
op de dag van kandidaatstelling als bedoeld in het tweede lid
werkelijke woonplaats hebben in het deel der gemeente dat op de datum
van herindeling naar een andere gemeente overgaat.
6. Het benoemen van de leden en de plaatsvervangende leden van de
hoofdstembureaus en het benoemen van de leden en de plaatsvervangende
leden van de stembureaus geschieden voor een door gedeputeerde staten
te bepalen datum door burgemeester en wethouders van de in artikel 52
bedoelde bestaande onderscheidenlijk aan te wijzen gemeente. De
benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden van de
hoofdstembureaus geschiedt, in afwijking van het bepaalde in artikel
E8 van de Kieswet, voor een periode die eindigt op hetzelfde tijdstip
als de eerste zittingsperiode van de nieuw gekozen raden der
gemeenten.
7. Voor zover ingevolge enig wettelijk voorschrift medewerking moet
worden verleend door de raad, door burgemeester en wethouders of door
de burgemeester, geschiedt dit door de raad, burgemeester en
wethouders of de burgemeester van de in artikel 52 bedoelde bestaande
onderscheidenlijk aan te wijzen gemeente.
Artikel 56
1. Voor de toepassing van artikel 10 van de Gemeentewet ten aanzien
van het lidmaatschap van de raad ener gemeente waarvoor een verkiezing
als bedoeld in artikel 52 wordt gehouden, worden onder ingezetenen
verstaan zij die werkelijke woonplaats hebben in het gebied dat met
ingang van de datum van herindeling het grondgebied van de betrokken
gemeente vormt.
2. Het onderzoek van de geloofsbrieven van de benoemde raadsleden
geschiedt vóór een door gedeputeerde staten van de betrokken
provincie te bepalen datum door de raad van de in artikel 52 bedoelde
bestaande onderscheidenlijk aan te wijzen gemeente.
3. De eerste vergadering van de raad wordt gehouden op de eerste
werkdag, volgende op de datum van herindeling. In deze vergadering
worden de wethouders benoemd. In het geval, bedoeld in artikel 53,
tweede lid, wordt de eerste vergadering van de nieuw gekozen raad
gehouden zo spoedig mogelijk nadat veertien dagen zijn verlopen na de
onherroepelijke goedkeuring van de geloofsbrieven van meer dan de
helft van de leden van de raad.
4. De gewone zittingsperiode van de leden van de ingevolge artikel
52 gekozen raad en van de door die raad benoemde wethouders eindigt
tegelijk met de zittingsperiode van de leden van de raden der overige
gemeenten die zitting hebben op de datum van herindeling.
Hoofdstuk VIII. Rechtspositie van personeel
Artikel 57
1. Met ingang van de datum van herindeling is de secretaris van een
gemeente die wordt opgeheven eervol uit zijn ambt ontslagen.
2. Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de secretaris bepalen
dat hij met ingang van de datum van herindeling in een andere functie
voorlopig overgaat in dienst van de gemeente waaraan het gebied van de
op te heffen gemeente wordt toegevoegd, dan wel, wanneer dat gebied
wordt toegevoegd aan meer dan één gemeente, in dienst van de
krachtens artikel 59, eerste lid, aan te wijzen gemeente. In dit geval
is het bepaalde in de artikelen 59 en 60 op hem van overeenkomstige
toepassing.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op
de griffier.
Artikel 57a [Vervallen per 19-02-2003]
Artikel 58
Op de datum van herindeling gaat het personeel, verbonden aan de in
overgaand gebied gevestigde gemeentelijke basisscholen, gemeentelijke
speciale scholen voor basisonderwijs, gemeentelijke scholen voor
speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, gemeentelijke scholen
of instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel
gemeentelijke scholen voor voortgezet onderwijs, over in dienst van de
gemeente waaraan bedoeld gebied wordt toegevoegd, op dezelfde voet als
waarop en ook overigens in dezelfde rechtstoestand als waarin het op de
dag, voorafgaande aan die datum, werkzaam was.
Artikel 59
1. De overige ambtenaren, in dienst van een op te heffen gemeente,
gaan op de datum van herindeling voorlopig over in dienst van de
gemeente waaraan het gebied van de op te heffen gemeente wordt
toegevoegd, dan wel, wanneer dat gebied aan meer dan één gemeente
wordt toegevoegd, van de in de betrokken herindelingsregeling aan te
wijzen gemeente in dezelfde rang, op dezelfde voet en ook overigens in
dezelfde rechtstoestand als op de dag, voorafgaande aan die datum,
voor hen golden.
2. De eden en beloften, in verband met hun ambt door de in het
eerste lid bedoelde ambtenaren afgelegd, worden geacht mede op die
voorlopige dienstvervulling betrekking te hebben.
3. Binnen zes maanden na de datum van herindeling neemt het
bevoegde gezag van de gemeente in dienst waarvan de in het eerste lid
bedoelde ambtenaren voorlopig zijn overgegaan, ten aanzien van elk van
die ambtenaren één van de volgende beslissingen:
a. dat en in welke rang en op welke voet hij in dienst van de
gemeente blijft;
b. dat hij eervol wordt ontslagen.
De termijn van zes maanden kan door gedeputeerde staten van de
betrokken provincie met ten hoogste zes maanden worden verlengd.
4. Een beslissing als in het derde lid onder b bedoeld wordt
slechts genomen, indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk
is gebleken de ambtenaar met een in verband met zijn persoonlijkheid
en omstandigheden passende functie te belasten.
5. Het in het derde lid onder b bedoelde ontslag wordt eveneens
verleend aan de ambtenaar die weigert een hem aangeboden functie als
bedoeld in het vierde lid te aanvaarden.
6. Bij de ontslagverlening als bedoeld in het derde lid onder b
wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen.
7. De ingang van het ontslag als bedoeld in het derde lid onder b
kan, indien het mogelijk is de ambtenaar met tijdelijke werkzaamheden
te belasten en het bevoegde gezag van de gemeente in dienst waarvan de
ambtenaar voorlopig is overgegaan, opschorting van de ingangsdatum van
het ontslag in het belang van de dienst acht, met instemming van de
ambtenaar een- of meermalen voor een daarbij overeen te komen duur
worden opgeschort, echter in totaal niet langer dan voor een termijn
van twee jaren.
8. Het in het zevende lid bepaalde is van overeenkomstige
toepassing op de ambtenaar ten aanzien van wie een beslissing als
bedoeld in het derde lid onder b is genomen, indien het mogelijk is
hem in een andere bij dezelfde wijziging van de gemeentelijke indeling
betrokken gemeente met tijdelijke werkzaamheden te belasten en de
ambtenaar daarmee instemt. In dat geval wordt het hem verleende
ontslag geacht te zijn verleend door het bevoegde gezag van die andere
gemeente, die voor de toepassing van deze wet ook overigens te zijnen
aanzien in de plaats treedt van de gemeente in dienst waarvan hij op
de datum van herindeling voorlopig was overgegaan.
9. Indien gedurende de in het zevende lid bedoelde termijn een
functie als bedoeld in het vierde lid beschikbaar komt, neemt het
bevoegde gezag, tenzij de betrokken ambtenaar de hem aangeboden
functie weigert te aanvaarden, onder gelijktijdige intrekking van de
beslissing tot ontslagverlening, te zijnen aanzien de beslissing als
bedoeld in het derde lid onder a.
10. Voor het vaststellen van de bezoldiging van de ambtenaar die
door toepassing van het bepaalde in het derde lid onder a in dienst
van de gemeente blijft, onderscheidenlijk van de ambtenaar die door
toepassing van het bepaalde in het zevende of achtste lid tijdelijk in
dienst van de gemeente blijft, wordt ten minste de salarispositie in
aanmerking genomen die voor de berekening van zijn bezoldiging zou
hebben gegolden in de gemeente in dienst waarvan hij op de dag,
voorafgaande aan de datum van herindeling, werkzaam was.
11. Voor de toepassing van dit artikel worden onder ambtenaren mede
op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzame personen
begrepen.
Artikel 60
1. Het bevoegde gezag van de in artikel 59, derde lid, bedoelde
gemeente stelt, voor zoveel nodig, binnen de in dat lid genoemde -
eventueel krachtens dat lid verlengde - termijn de in de artikelen 125
en 134 van de Ambtenarenwet 1929 bedoelde voorschriften vast.
2. Tot aan de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde
voorschriften blijft voor de in dienst van de in dat lid bedoelde
gemeente werkzame personen de regeling van de rechtstoestand gelden
die voor hen laatstelijk gold in de gemeente in dienst waarvan zij op
de dag, voorafgaande aan de datum van herindeling, hun hoofdbetrekking
vervulden.
3. Ook na de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde
voorschriften en onverminderd het in artikel 59, tiende lid, bepaalde
wordt voor de vaststelling van en wijziging in de bezoldiging van de
in laatstgenoemd lid bedoelde ambtenaar ten minste de salarispositie
in aanmerking genomen die voor hem gegolden zou hebben volgens de
salarisschaal van de bezoldigingsregeling welke op hem van toepassing
was op de dag, voorafgaande aan de datum van herindeling. Het bepaalde
in artikel 59, elfde lid, is ter zake van overeenkomstige toepassing.
Artikel 61
1. Indien een nieuwe gemeente wordt ingesteld, benoemen
gedeputeerde staten met ingang van de datum van herindeling een
tijdelijke secretaris en een tijdelijke griffier.
2. De benoemingen geschieden uiterlijk een maand voor de datum van
herindeling en gelden tot de dag waarop overeenkomstig de Gemeentewet
in de functies van secretaris en griffier is voorzien.
3. Artikel 36, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de
tijdelijke secretaris en de tijdelijke griffier.
Artikel 62
1. De ambtenaar in vaste of in tijdelijke dienst, mits dit laatste
dienstverband ten minste vijf jaren heeft geduurd en de aanstelling
niet is geschied in een betrekking van kennelijk tijdelijke aard, die
ten gevolge van het bepaalde in artikel 57 dan wel artikel 59 is of
wordt ontslagen, heeft recht op wachtgeld, met dien verstande dat:
a. het recht op wachtgeld van de ambtenaar, bedoeld in het
eerste lid van artikel 57, onverminderd het onder b bepaalde, ten
laste komt van de gemeente, waarnaar krachtens het eerste lid van
artikel 44 alle rechten en verplichtingen van de gemeente, in
dienst waarvan de betrokkene tot de datum van herindeling werkzaam
was, overgaan en dat het wachtgeld wordt toegekend overeenkomstig
de voorschriften, die de eerstgenoemde gemeente ingevolge artikel
125 van de Ambtenarenwet 1929 ter zake van wachtgeld heeft
vastgesteld. Tot aan de inwerkingtreding van de in de vorige
volzin bedoelde voorschriften is het in het tweede lid van artikel
60 bepaalde van overeenkomstige toepassing.
b. het recht op wachtgeld van de ambtenaar, bedoeld in artikel
59, en de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid van artikel 57, ten
aanzien van wie gedeputeerde staten gebruik hebben gemaakt van de
in het tweede lid van dat artikel geboden bevoegdheid, ten laste
komt van de gemeente, in dienst waarvan de betrokkene met ingang
van de datum van herindeling voorlopig is overgegaan en dat het
wachtgeld wordt toegekend overeenkomstig de voorschriften, die
deze gemeente ingevolge artikel 125 van de Ambtenarenwet 1929 ter
zake van wachtgeld heeft vastgesteld.
2. De ambtenaar die is benoemd in een tijdelijke functie als
bedoeld in artikel 61 en die tot de datum van herindeling in dienst
was van een bij de betrokken herindelingswet op te heffen gemeente,
heeft met ingang van de dag nadat zijn benoeming in die tijdelijke
functie is vervallen, recht op wachtgeld, met dien verstande dat het
recht op wachtgeld ten laste komt van de gemeente, waarnaar krachtens
het eerste lid van artikel 44 alle rechten en verplichtingen van de
betrokken op te heffen gemeente overgaan en dat het wachtgeld wordt
toegekend overeenkomstig de voorschriften, die de gemeente, waarnaar
krachtens het eerste lid van artikel 44 alle rechten en verplichtingen
van de betrokken op te heffen gemeente overgaan, ingevolge artikel 125
van de Ambtenarenwet 1929 ter zake van wachtgeld heeft vastgesteld.
Tot aan de inwerkingtreding van de in de vorige volzin bedoelde
voorschriften is het in het tweede lid van artikel 60 bepaalde van
overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het bepaalde in de tweede volzin van het
achtste lid van artikel 59 komt het recht op wachtgeld van de
ambtenaar, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, aan wie eervol
ontslag is verleend en voor wie de ingangsdatum van het ontslag met
gebruikmaking van de in het achtste lid van genoemd artikel opgenomen
mogelijkheid is opgeschort, ten laste van de gemeente, waarvan het
bevoegd gezag op grond van het derde lid van artikel 59 het ontslag
heeft verleend. Het wachtgeld wordt toegekend overeenkomstig de
voorschriften, die deze gemeente ingevolge artikel 125 van de
Ambtenarenwet 1929 ter zake van wachtgeld heeft vastgesteld.
4. Indien een ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, uit hoofde van
ziekte aanspraak heeft of krijgt op doorbetaling van zijn
laatstgenoten bezoldiging, komt deze bezoldiging voor de duur van de
ziekte ten laste van de gemeente, ten laste waarvan op grond van het
in het eerste lid bepaalde het recht op wachtgeld komt.
5. Indien de ambtenaar, bedoeld in het tweede en het derde lid, uit
hoofde van ziekte aanspraak heeft of krijgt op doorbetaling van zijn
laatstgenoten bezoldiging, komt deze bezoldiging voor de duur van de
ziekte voorzover het de periode na beëindiging van de tijdelijke
functie betreft, ten laste van de gemeente, waarvan op grond van het
in het tweede onderscheidenlijk derde lid bepaalde het recht op
wachtgeld komt.
Artikel 63
1. De ambtenaar in tijdelijke dienst wiens dienstverband minder dan
vijf jaren geeft geduurd dan wel van kennelijk tijdelijke aard was,
alsmede de werknemer in dienst op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
recht, die ten gevolge van het bepaalde in artikel 59 wordt ontslagen
onderscheidenlijk wiens dienstverband dientengevolge wordt beëindigd,
heeft recht op uitkering, met dien verstande dat met betrekking tot
dit recht het in het eerste lid van artikel 62 onder b bepaalde van
overeenkomstige toepassing is en dat de uitkering wordt toegekend
overeenkomstig de voorschriften die de gemeente, ten laste waarvan de
uitkering komt, ingevolge artikel 125 van de Ambtenarenwet 1929 ter
zake van bedoelde uitkeringen heeft vastgesteld.
2. In afwijking van het bepaalde in de tweede volzin van het
achtste lid van artikel 59 komt het recht op uitkering van de
ambtenaar, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, aan wie eervol
ontslag is verleend en voor wie de ingangsdatum van het ontslag met
gebruikmaking van de in het achtste lid van genoemd artikel opgenomen
mogelijkheid is opgeschort, ten laste van de gemeente, waarvan het
bevoegd gezag op grond van het derde lid van artikel 59 het ontslag
heeft verleend. De uitkering wordt toegekend overeenkomstig de
voorschriften, die deze gemeente ingevolge artikel 125 van de
Ambtenarenwet 1929 ter zake van uitkering heeft vastgesteld.
3. Het bepaalde in het vierde lid van artikel 62 is voor de
ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Het bepaalde in het vijfde lid van artikel 62 is voor de
ambtenaar, bedoeld in het tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 64 [Vervallen per 01-07-1991]
Artikel 65
1. Indien een bij een wijziging van de gemeentelijke indeling
betrokken gemeente is aangesloten bij een gemeenschappelijke regeling
"Instituut Ziektekostenvoorziening Ambtenaren", en indien
een ambtenaar, die krachtens artikel 62 onderscheidelijk 63 recht
heeft op wachtgeld of een uitkering, zijn deelnemerschap in het
instituut ontleent aan het dienen van evengenoemde gemeente, komt het
aandeel van deze gemeente voor rekening van de gemeente ten laste
waarvan op grond van de artikelen 62 onderscheidenlijk 63 het recht op
wachtgeld of uitkering komt.
2. Indien een gemeente als bedoeld in het eerste lid niet is
aangesloten bij een gemeenschappelijke regeling "Instituut
Ziektekostenvoorziening Ambtenaren" maar een afzonderlijke
ziektekostenvoorziening heeft getroffen, is het bepaalde in het eerste
lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 66
1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige
toepassing op het personeel, betrokken bij een gemeenschappelijke
regeling die ingevolge het bepaalde in artikel 41, eerste of tweede
lid, vervalt, met dien verstande dat dit personeel voorlopig overgaat
in dienst van de in de tweede volzin van het eerste lid van dat
artikel bedoelde gemeente.
2. Gedeputeerde staten van de betrokken provincie kunnen de
bepalingen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing verklaren
op het personeel, betrokken bij een gemeenschappelijke regeling die
ten gevolge van het bepaalde in artikel 41, vierde of vijfde lid,
wordt opgeheven, met dien verstande dat:
a. bedoeld personeel voorlopig overgaat in dienst van de bij de
goedkeuring van de opheffing aan te wijzen gemeente of gemeenten;
b. de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 59, derde
lid, aanvangt op de dag nadat de opheffing van de regeling is
goedgekeurd;
c. het recht op wachtgeld of uitkering, bedoeld in de artikelen
62 en 63, ten laste komt van de gemeente of gemeenten, bedoeld in
onderdeel a.
3. Gedeputeerde staten van de betrokken provincie kunnen het
bepaalde in de artikelen 62, 63 en 65 van overeenkomstige toepassing
verklaren op het personeel, betrokken bij een gemeenschappelijke
regeling, waarvan het dienstverband als gevolg van de toepassing van
het bepaalde in artikel 41, vierde of vijfde lid, redelijkerwijs niet
kan worden gehandhaafd, met dien verstande dat het recht op wachtgeld
of uitkering, bedoeld in artikel 62 onderscheidenlijk 63, en het
aandeel, bedoeld in artikel 65, ten laste komt van de bij de
goedkeuring van de wijziging van de gemeenschappelijke regeling aan te
wijzen gemeente of gemeenten. Het wachtgeld of de uitkering wordt
toegekend overeenkomstig de voorschriften ter zake, zoals die voor de
betrokken ambtenaar op de dag voor zijn ontslag van toepassing zijn.
Hoofdstuk IX. Voorzieningen in verband met de toepassing van enkele
wetten
Artikel 67
Zij die op de dag, voorafgaande aan de datum van herindeling,
ingeschreven zijn als leerling van een gemeentelijke school, gevestigd
in een bij een wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken
gemeente, worden van genoemde datum af tot die school toegelaten op
dezelfde voorwaarden als voordien golden.
Artikel 68
1. Voor zover ten aanzien van de in overgaand gebied gevestigde
basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor
speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs en scholen of
instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs op de
datum van herindeling voor enig op die datum verstreken kalenderjaar
artikel 144, eerste, zesde en zevende lid, van de Wet op het primair
onderwijs onderscheidenlijk artikel 138, eerste, zesde en zevende lid,
van de Wet op de expertisecentra nog niet zijn toegepast, geschiedt
dit door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeente
waaraan dat gebied wordt toegevoegd.
2. Bij de toepassing van artikel 145, eerste lid, van de Wet op het
primair onderwijs onderscheidenlijk artikel 139, eerste lid, van de
Wet op de expertisecentra is met betrekking tot enig vijfjarig
tijdvak, eindigend vóór de datum van herindeling, het bepaalde in
het eerste lid van overeenkomstige toepassing. Voor het op de datum
van herindeling lopende vijfjarige tijdvak wordt het
overschrijdingsbedrag voor de periode tot het jaar waarin deze datum
valt, voor de in overgaand gebied gevestigde bijzondere scholen of
instellingen bepaald alsof geen herindeling heeft plaatsgevonden.
3. Indien in verband met het bepaalde in de vorige leden een
verrekening tussen gemeenten dient plaats te vinden, is het bepaalde
in artikel 50 ter zake van overeenkomstige toepassing.
Artikel 69
1. Ter bepaling van de uitkering krachtens artikel 89 van de Wet op
het voortgezet onderwijs wordt voor het op de datum van herindeling
lopende vijfjarige tijdvak als bedoeld in artikel 88, tweede lid, van
die wet het overschrijdingsbedrag per leerling over enig op die datum
verstreken of het lopende kalenderjaar berekend als had geen
herindeling plaatsgevonden, en over de overige jaren van dat tijdvak
naar de toestand na laatstbedoeld kalenderjaar.
2. Het bepaalde in artikel 68, derde lid, is ter zake van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 70
1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid en in artikel 71
gaan op de datum van herindeling de archiefbescheiden van een gemeente
die wordt opgeheven, over naar de gemeente waaraan het gebied van de
op te heffen gemeente wordt toegevoegd, dan wel, wanneer dat gebied
aan meer dan één gemeente wordt toegevoegd, naar de in de betrokken
herindelingsregeling aan te wijzen gemeente.
2. Eveneens onverminderd het bepaalde in artikel 71 gaan op de
datum van herindeling alle gemeentelijke archiefbescheiden,
uitsluitend betrekking hebbend op overgaand gebied, over naar de
gemeente waaraan dat gebied wordt toegevoegd, met dien verstande dat
de overbrenging als bedoeld in artikel 12 van de Archiefwet 1995 (Stb.
276) ten aanzien van deze bescheiden geschiedt als had geen
herindeling plaatsgevonden. Van de overgang wordt een verklaring
opgemaakt volgens de krachtens artikel 9 van genoemde wet voor
vervreemding van archiefbescheiden gestelde regels.
3. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders
waaraan gebied is toegevoegd, heeft van de datum van herindeling af
het recht te allen tijde kosteloos inzage te nemen van de
archiefbescheiden der gemeente waartoe dat gebied voor die datum
behoorde, dan wel der gemeente waarnaar die archiefbescheiden
krachtens het bepaalde in het eerste lid zijn overgegaan, en op kosten
van zijn gemeente afschriften van of uittreksels uit die
archiefbescheiden te vorderen, voor zover deze mede betrekking hebben
op het toegevoegde gebied.
4. Bij wijziging van een provinciegrens is het bepaalde in het
tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
overgang van provinciale archiefbescheiden.
Artikel 71
1. De personen die op de datum van herindeling als ingezetene zijn
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
met een adres in overgaand gebied, worden door burgemeester en
wethouders van de gemeente waarin dit gebied gelegen is, uitgeschreven
uit de basisadministratie persoonsgegevens van die gemeente en door
burgemeester en wethouders van de gemeente waaraan dat gebied wordt
toegevoegd, ingeschreven in de desbetreffende basisadministratie.
2. Als datum van uitschrijving en van inschrijving geldt de datum
van herindeling.
3. Onverminderd het eerste lid wordt op de datum van herindeling de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente die
wordt opgeheven, door burgemeester en wethouders van deze gemeente
overgedragen aan de gemeente waaraan het gebied van de op te heffen
gemeente wordt toegevoegd, dan wel, indien dat gebied aan meer dan
één gemeente wordt toegevoegd, aan de in de betrokken
herindelingsregeling aan te wijzen gemeente.
Artikel 71a
Het persoonsregister en het archiefregister, waarvoor burgemeester en
wethouders van een gemeente die wordt opgeheven zorg dragen ter
uitvoering van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens,
worden door burgemeester en wethouders van deze gemeente overgedragen
aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waaraan
het gebied van de op te heffen gemeente wordt toegevoegd, dan wel,
indien dat gebied aan meer dan één gemeente wordt toegevoegd, naar de
op grond van artikel 71, derde lid, aan te wijzen gemeente.
Artikel 72
Kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 40 en 42 van de Wet
werk en bijstand en kosten van ondersteuning bij arbeidsinschakeling,
bedoeld in artikel 10 van die wet ten behoeve van personen die op of
voor de datum van herindeling woonachtig zijn of geweest zijn in
overgaand gebied, komen met ingang van bedoelde datum ten laste van de
gemeente waaraan dat gebied is toegevoegd.
Artikel 73
Met betrekking tot zaken, de dienstplicht, met inbegrip van de
mobilisatie-uitkeringen, alsmede de noodwachtplicht betreffende, vinden
de voorschriften, door of namens Onze Minister van Defensie
onderscheidenlijk bij koninklijk besluit dan wel door of namens Onze
Minister gegeven ter zake van verhuizing, overeenkomstige toepassing ten
aanzien van personen die krachtens een herindelingsregeling van een
gemeente naar een andere gemeente overgaan.
Artikel 74
1. Van de wegen onderscheidenlijk gedeelten van wegen, gelegen in
aan een nieuwe gemeente toegevoegd gebied, wordt een nieuwe
wegenlegger opgemaakt met inachtneming van de artikelen 34-38 van de
Wegenwet, met dien verstande dat het ontwerp van de legger ook kan
worden opgemaakt door gedeputeerde staten van de betrokken provincie.
Zolang deze nieuwe legger niet is vastgesteld, blijven de bestaande
wegenleggers van kracht.
2. Voor zover het niet aan een nieuwe gemeente toegevoegd gebied
betreft, voeren gedeputeerde staten de daarvoor in aanmerking komende
wegen af van de wegenlegger der gemeente waartoe het betrokken gebied
voor de datum van herindeling behoorde, en brengen zij die over naar
de wegenlegger der gemeente waaraan dat gebied is toegevoegd, een en
ander met toepassing, voor zoveel nodig, van de artikelen 39-42 van de
Wegenwet.
3. In geval van een wijziging van de gemeentelijke indeling of een
grenscorrectie levert de desbetreffende provincie binnen twee maanden
na inwerkingtreding van de herindelingsregeling aan de Minister van
Financiën de relevante basisgegevens, bedoeld in artikel 29, eerste
lid, van de Wet herverdeling wegenbeheer.
4. Indien een gemeente wordt opgeheven en als gevolg daarvan de
uitkering, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Wet herverdeling
wegenbeheer niet meer kan verstrekken aan andere onderhoudsplichtigen,
wordt in de herindelingsregeling een andere gemeente in dit verband
als rechtsopvolger aangewezen.
Artikel 75
Een herindelingsregeling is niet van invloed op de bevoegdheid van de
rechter of op die van partijen met betrekking tot zaken, op de dag,
voorafgaande aan de datum van herindeling, voor enig gerecht aanhangig.
Artikel 76
Een herindelingsregeling heeft geen beperking ten gevolge van het
gebied waarbinnen vóór de datum van herindeling benoemde notarissen
hun ambtsbediening uitoefenen.
Artikel 77 [Vervallen per 21-02-2001]
Artikel 78 [Vervallen per 21-02-2001]
Hoofdstuk X. Voorbereiding van de overgang
Artikel 79
1. De besturen van de vóór de datum van herindeling bij een
wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken gemeenten dragen er
in onderling overleg zorg voor dat de met het oog op de gewijzigde
indeling met ingang van die datum te treffen voorzieningen tijdig
worden voorbereid. Voorzieningen, de voorbereiding van de overgang van
ambtenaren betreffende, zijn onderwerp van georganiseerd overleg met
de centrales van verenigingen van ambtenaren en van overleg met de
ondernemingsraden van de betrokken gemeenten.
2. Gedeputeerde staten bevorderen de totstandkoming van het in het
eerste lid bedoelde onderling overleg tussen de gemeenten.
Hoofdstuk XI. Kernbepalingen met betrekking tot wijziging van de
gemeentelijke indeling en grenscorrectie
Artikel 80 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 81 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 82 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 83 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 84 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 85 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 86 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk XII. Kernbepalingen met betrekking tot wijziging van de
provinciale indeling
Artikel 87 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 88 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 89 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 90 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 91 [Vervallen per 01-01-1994]
Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen
Artikel 92
1. Binnen twee jaar na de datum van herindeling bericht een bij een
wijziging van de gemeentelijke indeling betrokken gemeente aan
gedeputeerde staten gemotiveerd of en, zo ja, op welke wijze
uitvoering is gegeven aan het bepaalde in Hoofdstuk V van de
Gemeentewet.
2. Van het gestelde in het eerste lid kan Onze Minister ontheffing
verlenen.
Artikel 93 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 94 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 95
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 96
1. Indien het voorstel van wet, houdende nieuwe bepalingen met
betrekking tot gemeenten (Gemeentewet, Kamerstuk 19 403) tot wet wordt
verheven en in werking treedt, vervalt hoofdstuk XI van de Wet
algemene regels herindeling. Onze Minister past in verband daarmee de
aanhalingen van artikelen in die wet aan.
2. Indien het voorstel van wet, houdende nieuwe bepalingen met
betrekking tot provincies (Provinciewet, Kamerstuk 19 836) tot wet
wordt verheven en in werking treedt, vervalt hoofdstuk XII van de Wet
algemene regels herindeling. Onze Minister past in verband daarmee de
aanhaling van artikelen in die wet aan.
Artikel 97
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 98
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet algemene regels herindeling.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 24 oktober 1984
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Rietkerk
Uitgegeven de dertigste oktober 1984.
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|