Nadere regelgeving:
- Besluit arbeidsbemiddeling
WET van 14 mei 1998, houdende regels voor
de niet-openbare arbeidsbemiddeling en het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten (Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
wettelijke regulering betreffende de niet-openbare arbeidsbemiddeling in
een aparte wet onder te brengen, omdat dit niet meer past bij de
regulering in de Arbeidsvoorzieningswet 1996, en dat de algemene
vergunningsplicht voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten
wordt afgeschaft, maar dat wel enige regulering op het terrein van het
ter beschikking stellen van arbeidskrachten dient te worden vastgelegd;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. arbeidsbemiddeling: dienstverlening in de uitoefening van
beroep of bedrijf ten behoeve van een werkgever, een werkzoekende,
dan wel beiden, inhoudende het behulpzaam zijn bij het zoeken van
arbeidskrachten onderscheidenlijk arbeidsgelegenheid, waarbij de
totstandkoming van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht
dan wel een aanstelling tot ambtenaar wordt beoogd;
c. ter beschikking stellen van arbeidskrachten: het tegen
vergoeding ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een
ander voor het onder diens toezicht en leiding, anders dan
krachtens een met deze gesloten arbeidsovereenkomst, verrichten
van arbeid;
d. onderneming: de onderneming, bedoeld in de Wet op de
ondernemingsraden;
e. collectieve arbeidsovereenkomst: de collectieve
arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet
op de collectieve arbeidsovereenkomst;
f. erkende certificerende instelling: een door de Raad voor
Accreditatie erkende instelling die een onderneming of
rechtspersoon als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, certificeert,
overeenkomstig bij regeling van Onze Minister in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën aan te wijzen normen.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt onder
arbeidsbemiddeling niet verstaan: het openbaar maken van gegevens
betreffende werkzoekenden of arbeidsplaatsen door middel van drukpers,
radio, televisie of een ander communicatiemedium.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, wordt onder ter
beschikking stellen van arbeidskrachten niet verstaan:
a. het ten behoeve van een geleverde zaak of tot stand gebracht
werk ter beschikking stellen van arbeidskrachten;
b. het bij wijze van hulpbetoon zonder winstoogmerk ter
beschikking stellen van arbeidskrachten, die bij degene, die hen
ter beschikking stelt, ten behoeve van arbeid in diens onderneming
in dienst zijn;
c. het ter beschikking stellen van arbeidskrachten voor het
verrichten van arbeid in een onderneming, die door dezelfde
ondernemer in stand wordt gehouden als die de arbeidskrachten ter
beschikking stelt.
4. Voor de toepassing van artikel 14b wordt in afwijking van het
derde lid, onderdeel a, onder ter beschikking stellen van
arbeidskrachten mede verstaan ter beschikking stellen van
arbeidskrachten ten behoeve van een geleverde zaak of tot stand
gebracht werk.
Artikel 1a. Uitbreiding Toepassingsgebied [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing
op arbeid die geheel of ten dele buiten Nederland wordt verricht door
personen, werkzaam aan boord van zeeschepen die op grond van Nederlandse
rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren.
Hoofdstuk 2. Arbeidsbemiddeling
Artikel 2 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 3. Verplichtingen arbeidsbemiddeling
1.Bij het verrichten van arbeidsbemiddeling wordt geen
tegenprestatie van de werkzoekende bedongen.
2.Degene die arbeidsbemiddeling verricht en bekend is of
redelijkerwijs bekend kan zijn, dat in een bedrijf of onderneming, of
een gedeelte daarvan, een werkstaking, uitsluiting of
bedrijfsbezetting bestaat, bemiddelt niet in het plaatsen van
werkzoekenden in dat bedrijf of die onderneming, of het gedeelte
daarvan, waar de werkstaking, uitsluiting of bedrijfsbezetting heerst.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in afwijking van het
eerste lid regels gesteld worden met betrekking tot bepaalde
categorieën werkzoekenden of werkgevers.
Artikel 4. Regels voor bepaalde categorieën werkzoekenden en
werkgevers
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld voor arbeidsbemiddeling van bepaalde categorieën van
werkzoekenden of werkgevers.
Artikel 5 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 6 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 7 [Vervallen per 01-09-2003]
Hoofdstuk 3. Ter beschikking stellen van arbeidskrachten
Artikel 7a. Verbod ter beschikking stellen zonder registratie
1. Het is een ieder verboden in Nederland arbeidskrachten ter
beschikking te stellen anders dan door middel van een onderneming of
rechtspersoon die in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de
Handelsregisterwet 2007, is ingeschreven of waarvan is opgenomen dat
deze de activiteit van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten
uitoefent of mede uitoefent.
2. Het is een ieder verboden om als inlener arbeidskrachten, die
ter beschikking zijn gesteld in strijd met het eerste lid, arbeid te
laten verrichten.
3. Onder inlener wordt verstaan wat daaronder wordt verstaan in
artikel 34, eerste en tweede lid, van de Invorderingswet 1990.
Artikel 7b. Verplichtingen arbeidsbemiddeling en het ter
beschikkingstellen van arbeidskrachten
Degene die arbeidsbemiddeling verricht of arbeidskrachten ter
beschikking stelt is verplicht tot naleving van de voorschriften en
verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van artikel 4,
onderscheidenlijk artikel 12, eerste of tweede lid, vastgestelde
algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of
krachtens deze maatregel is bepaald.
Artikel 8. Gelijke behandeling
1. De ter beschikking gestelde arbeidskracht heeft recht op ten
minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die welke gelden voor
werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst
van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt:
a. met betrekking tot het loon en overige vergoedingen;
b. op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst of andere
niet wettelijke bepalingen van algemene strekking die van kracht
zijn binnen de onderneming waar de terbeschikkingstelling
plaatsvindt, met betrekking tot de arbeidstijden, daaronder
begrepen overwerk, rusttijden, arbeid in nachtdienst, pauzes, de
duur van vakantie en het werken op feestdagen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot:
a. de voorschriften ter bescherming van zwangere werknemers,
van werknemers die een borstkind voeden, kinderen en jeugdige
werknemers en ter bevordering van de gelijke behandeling van
mannen en vrouwen; en
b. de maatregelen ter bestrijding van discriminatie op grond
van geslacht, ras, godsdienst of levensovertuiging, handicap,
leeftijd of hetero- of homoseksuele gerichtheid,
die gelden op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst of
andere niet wettelijke bepalingen van algemene strekking die van
kracht zijn binnen de onderneming waar de terbeschikkingstelling
plaatsvindt.
3. Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan worden afgeweken van het
eerste en tweede lid, mits:
a. indien de periode gedurende welke wordt afgeweken in duur is
beperkt, die overeenkomst voorziet in een regeling op grond
waarvan misbruik door elkaar opvolgende perioden van
terbeschikkingstelling wordt voorkomen; en
b. indien het een collectieve overeenkomst betreft die van
toepassing is op de onderneming waar de terbeschikkingstelling
plaatsvindt, die overeenkomst bepalingen bevat op grond waarvan
een werkgever zich ervan moet verzekeren dat de aan zijn
onderneming ter beschikking gestelde arbeidskrachten de arbeid
verrichten tegen de arbeidsvoorwaarden, genoemd in het eerste lid,
die voor deze arbeidskrachten bij die overeenkomst zijn
voorgeschreven.
Artikel 8a. Toegang tot bedrijfsvoorzieningen of diensten in de
inlenende onderneming
Degene aan wie arbeidskrachten ter beschikking zijn gesteld, zorgt er
voor dat de aan hem ter beschikking gestelde arbeidskrachten gelijke
toegang hebben tot de bedrijfsvoorzieningen of diensten in zijn
onderneming, met name kantines, kinderopvang- en vervoersfaciliteiten,
als de werknemers, die in dienst van zijn onderneming werkzaam zijn in
gelijke of gelijkwaardige functies, tenzij het verschil in behandeling
om objectieve redenen gerechtvaardigd is.
Artikel 8b. Vacaturemelding
Degene aan wie arbeidskrachten ter beschikking zijn gesteld, zorgt er
voor dat binnen zijn onderneming ontstane vacatures tijdig en duidelijk
ter kennis worden gebracht aan de hem ter beschikking gestelde
arbeidskrachten, opdat zij dezelfde kansen op een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd hebben als de werknemers van die onderneming.
Artikel 9. Verbod tegenprestatie arbeidskracht
Bij het ter beschikking stellen van arbeidskrachten wordt voor de
terbeschikkingstelling geen tegenprestatie bedongen van de
arbeidskracht, die ter beschikking wordt gesteld.
Artikel 9a. Belemmeringsverbod
1. Degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt legt geen
belemmeringen in de weg voor de totstandkoming van een
arbeidsovereenkomst na afloop van de terbeschikkingstelling tussen de
ter beschikking gestelde arbeidskracht en degene aan wie hij ter
beschikking is gesteld.
2. Elk beding in strijd met het eerste lid is nietig, met
uitzondering van een beding op grond waarvan door degene aan wie de
arbeidskracht ter beschikking is gesteld een redelijke vergoeding
verschuldigd is aan degene die de arbeidskracht ter beschikking heeft
gesteld voor de door deze verleende diensten in verband met de
terbeschikkingstelling, werving of opleiding van de desbetreffende
arbeidskracht.
Artikel 10. Verbod ter beschikking stellen bij arbeidsconflict
Degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt, stelt, voor zover
hem bekend is of redelijkerwijze bekend kan zijn dat in een bedrijf of
onderneming, of een gedeelte daarvan, een werkstaking, uitsluiting of
bedrijfsbezetting bestaat, geen arbeidskrachten ter beschikking voor het
verrichten van werkzaamheden in dat bedrijf of die onderneming of wel
dat gedeelte daarvan, waar de werkstaking, uitsluiting of
bedrijfsbezetting heerst.
Artikel 11. Informatie veiligheid
Degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt verschaft aan degene
die ter beschikking wordt gesteld, informatie over de verlangde
beroepskwalificatie en verstrekt aan die persoon de beschrijving,
bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet,
voordat de terbeschikkingstelling een aanvang neemt.
Artikel 12. Speciaal regime
1.Indien het belang van goede verhoudingen op de arbeidsmarkt of
het belang van de betrokken arbeidskrachten bescherming behoeven,
worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor een of
meer bepaalde sectoren van het bedrijfsleven of segmenten van de
arbeidsmarkt regels gesteld voor het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten.
2.Ter bescherming van in het eerste lid genoemde belangen kan bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald worden, dat het
ter beschikking stellen van arbeidskrachten in een of meer bepaalde
sectoren van het bedrijfsleven of segmenten van de arbeidsmarkt
slechts is toegestaan met vergunning van Onze Minister.
Hoofdstuk 4. Onderzoek en toezicht
Artikel 13. Aanwijzing toezichthouders
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaren.
2.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 14. Bevoegdheden toezichthouders
De toezichthouders zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de
bewoner. Zij beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de
artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 14a. Gegevensuitwisseling met bestuursorganen
1. Bestuursorganen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht
desgevraagd aan de door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld
in artikel 13, eerste lid, kosteloos alle gegevens en inlichtingen te
verstrekken die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens deze wet.
2. Onze Minister en de ambtenaren, bedoeld in artikel 13, eerste
lid, verstrekken andere bestuursorganen kosteloos alle gegevens en
inlichtingen, die zijn verkregen door de uitvoering of het toezicht op
de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, welke
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taak en dit
noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee
of meer van de voornoemde instanties.
3. Onze Minister, bestuursorganen en de ambtenaren, bedoeld in
artikel 13, eerste kunnen bij het verwerken van persoonsgegevens
gebruik maken van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
4. De gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid,
vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene
daardoor onevenredig wordt geschaad.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder
geval gegevens worden verstrekt.
Artikel 14b. Verstrekken van gegevens aan erkende certificerende
instellingen
1. De door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel
13, eerste lid, van deze wet, artikel 14, eerste lid, van de Wet
arbeid vreemdelingen en artikel 18a, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, verstrekken kosteloos aan een
erkende certificerende instelling het gegeven dat een bestuurlijke
boete is opgelegd voor het niet naleven van:
a. artikel 7a, eerste lid;
b. artikel 2, eerste lid, of 15 van de Wet arbeid
vreemdelingen;
c. artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht; of
d. artikel 7, 15 of 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag.
2. In geval zich een of meer van de volgende omstandigheden
voordoet, meldt de rijksbelastingdienst dit kosteloos aan een erkende
certificerende instelling:
a. de omstandigheid dat niet tijdig aangifte is gedaan door een
onderneming of rechtspersoon als bedoeld in artikel 7a, eerste
lid, voor de omzetbelasting, de loonbelasting, de premie voor de
volksverzekeringen, de premies voor de werknemersverzekeringen of
de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet;
b. de omstandigheid dat een onderneming of rechtspersoon als
bedoeld in artikel 7a, eerste lid, niet tijdig de aangegeven
omzetbelasting, loonbelasting, premie voor de volksverzekeringen,
premies voor de werknemersverzekeringen of de inkomensafhankelijke
bijdrage voor de Zorgverzekeringswet heeft voldaan of afgedragen;
c. de omstandigheid dat aan de onderneming of rechtspersoon,
bedoeld in artikel 7a, eerste lid, een naheffingsaanslag
omzetbelasting, loonbelasting, premie voor de volksverzekeringen,
premies voor de werknemersverzekeringen of de inkomensafhankelijke
bijdrage voor de Zorgverzekeringswet is opgelegd waarbij tevens
een vergrijpboete op grond van artikel 67f van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen is opgelegd of waarover de ambtenaar,
bedoeld in artikel 84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
contact heeft met het openbaar ministerie in het kader van de
vervolging en berechting van bij de belastingwet strafbaar
gestelde feiten.
3. De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden slechts
verstrekt, indien deze gegevens betrekking hebben op een onderneming
of rechtspersoon die over een geldig certificaat beschikt dat door een
erkende certificerende instelling is afgegeven.
4. De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
verstrekt door tussenkomst van een bij regeling van Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën aan te wijzen
stichting. Deze stichting is bewerker in de zin van artikel 14 van de
Wet bescherming persoonsgegevens voor het verwerken van die gegevens.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot:
de inhoud van de gegevens die worden verwerkt, de actualiteit
daarvan, alsmede de periodiciteit van de verstrekking daarvan, alsmede
de bewaartermijn daarvan;
de wijze waarop de verwerking van de gegevens plaatsvindt;
de wijze waarop door passende technische en organisatorische
maatregelen deze gegevens worden beveiligd tegen verlies of
onrechtmatige verwerking;
de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de verwerkte gegevens slechts
worden verwerkt voor de beoordeling van de geldigheid van een
afgegeven certificaat, alsmede hoe daarop wordt toegezien.
6. Een ieder die kennis neemt van de gegevens, die overeenkomstig
het eerste of tweede lid worden verstrekt, is verplicht tot
geheimhouding van die gegevens.
7. In afwijking van het zesde lid geldt de plicht tot geheimhouding
niet:
voor zover een persoon krachtens enig wettelijk voorschrift tot
mededeling is verplicht;
voor de bewerker jegens de erkende certificerende instelling die de
onderneming of de rechtspersoon waarop de gegevens betrekking hebben
heeft gecertificeerd; of
voor de erkende certificerende instelling jegens de onderneming of
rechtspersoon die door die instelling is gecertificeerd voor zover de
gegevens op die onderneming of rechtspersoon betrekking hebben.
Artikel 14c. Bevoegdheid toezichthouder tot inbeslagneming
De toezichthouder is te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van
daarvoor vatbare voorwerpen. Hij kan daartoe de uitlevering vorderen
tegen een door hem afgegeven schriftelijk bewijs. Zodra het belang van
onderzoek omtrent de overtreding zulks toelaat wordt het in beslag
genomen voorwerp teruggegeven aan degene bij wie het in beslag is
genomen.
Artikel 15. Onderzoek op terrein van het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten en arbeidsbemiddeling
1. Indien uit onderzoek naar de naleving van de hoofdstukken 2 of 3
blijkt, dat niet aan de daar genoemde artikelen wordt voldaan,
verstrekt Onze Minister een verslag aan de betrokken arbeidskracht of
werkzoekende, voor zover het diens aanspraken betreft, aan de
betrokken werkgever, aan degene die de arbeidsbemiddeling heeft
verricht, aan de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging en
aan de daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende organisaties
van werkgevers en werknemers. Het verslag bevat geen gegevens waaruit
de identiteit van de in het onderzoek betrokken werknemers of
werkzoekenden kan worden afgeleid.
2. Indien aan een werkgever een boete is opgelegd worden de
daarvoor in aanmerking komende organisaties van werknemers en
werkgevers daarvan in kennis gesteld.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het in het eerste lid genoemde verslag.
Hoofdstuk 5. Bestuursrechtelijke handhaving
Artikel 16. Overtreding
1. Als overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van artikel
7a, eerste of tweede lid.
2. Als overtreding wordt tevens aangemerkt het niet naleven van
artikel 7b, voor zover het niet naleven van de in dat artikel bedoelde
voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur is aangemerkt als overtreding.
Artikel 17. Rapport
1. Onverminderd artikel 5:48, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vermeldt het rapport in ieder geval de bij de
overtreding betrokken persoon of personen.
2. Het rapport wordt toegezonden aan de op grond van artikel 18,
eerste lid, aangewezen ambtenaar.
Artikel 18. Bestuurlijke boete
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem
ressorterende, ambtenaar legt de bestuurlijke boete op aan degene op
wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit deze wet, voor zover
het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.
2. De terzake van deze wet gestelde overtredingen, gelden ten
opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een overtreding
is begaan.
Artikel 19. Hoogte bestuurlijke boete
1. De bestuurlijke boete die voor een overtreding kan worden
opgelegd bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie,
bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. Onverminderd het eerste lid verhoogt de op grond van artikel 18,
eerste lid, aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke boete
met 100 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van het
zesde lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de
dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding,
bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting
of verbod of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen en verboden, is
geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding
onherroepelijk is geworden.
3. De verhoging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het tweede
lid, bedraagt 200 procent indien zowel de overtreding als de eerdere
overtreding, bedoeld in dat lid, bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur zijn aangewezen als ernstige overtredingen.
4. Onverminderd het eerste lid verhoogt de op grond van artikel 18,
eerste lid, aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke boete
met 200 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van het
zesde lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de
dag van constatering van de overtreding twee maal een eerdere
overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke
verplichting of verbod of het niet naleven van bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke
verplichtingen en verboden, is geconstateerd en de bestuurlijke boeten
wegens de eerdere overtredingen onherroepelijk zijn geworden.
5. In afwijking van het tweede en vierde lid is het tijdvak van
vijf jaar in die leden tien jaar indien de onherroepelijke boetes,
bedoeld in die leden, zijn opgelegd wegens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aangewezen ernstige overtredingen.
6. Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin de boetebedragen
voor de overtredingen worden vastgesteld. Artikel 5.53 van de Algemene
wet bestuursrecht is van toepassing, indien een artikel gesteld bij of
krachtens deze wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden
opgelegd niet is nageleefd.
7. In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de rechter in beroep of hoger beroep de hoogte van de bestuurlijke
boete ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen.
Artikel 20. Inlichtingenplicht jegens boeteoplegger
Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, verstrekt
desgevraagd aan de daartoe op grond van artikel 18, eerste lid,
aangewezen ambtenaar de inlichtingen die redelijkerwijs voor de
tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete nodig zijn.
Artikel 21. Ten onrechte opgelegde boete
Indien een bestuurlijke boete ten onrechte is opgelegd, wordt deze
binnen zes weken nadat is vastgesteld dat de bestuurlijke boete ten
onrechte is opgelegd, aan de rechthebbende terugbetaald.
Artikel 22. Bevel stillegging van werk in verband met recidive
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem
ressorterende ambtenaar kan, nadat een overtreding van een voorschrift
of verbod bij of krachtens deze wet is geconstateerd die bestuurlijk
beboetbaar is gesteld, aan de overtreder een schriftelijke
waarschuwing geven dat bij herhaling van de overtreding of bij een
latere overtreding van eenzelfde in de waarschuwing aangegeven
wettelijke verplichting of verbod of bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen of
verboden, door hem een bevel kan worden opgelegd dat door hem
aangewezen werkzaamheden voor ten hoogste drie maanden worden gestaakt
dan wel niet mogen worden aangevangen.
2. Indien een waarschuwing als bedoeld in het eerste lid is gegeven
en herhaling van de overtreding of een latere overtreding als bedoeld
in het eerste lid is geconstateerd, kan door de ambtenaar, bedoeld in
het eerste lid, aan de overtreder bij beschikking een bevel als
bedoeld in het eerste lid worden opgelegd dat wordt opgevolgd met
ingang van het in de beschikking aangeven tijdstip. Deze beschikking
wordt niet gegeven zolang wegens de eerste overtreding, bedoeld in het
eerste lid, nog niet een bestuurlijke boete is opgelegd of een
proces-verbaal is opgemaakt.
3. De constatering van de overtreding, bedoeld in het eerste of
tweede lid, wordt vastgelegd in een boeterapport.
4. De waarschuwing, bedoeld in het eerste lid, vervalt indien na de
dagtekening van de waarschuwing vijf jaren zijn verstreken. Artikel
5:34, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
5. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd met
betrekking tot het bevel, bedoeld in het tweede lid, met inbegrip van
de oplegging van een last onder bestuursdwang, de nodige maatregelen
te treffen, de nodige aanwijzingen te geven en de hulp van de sterke
arm in te roepen.
6. Ieder wie zulks aangaat is verplicht zich te gedragen
overeenkomstig een bevel als bedoeld in het tweede lid en een
maatregel of aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Artikel 23*. Mandaat
Een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als bedoeld
in de artikelen 18, derde lid, en 22, eerste lid, wordt genomen namens
Onze Minister.
Hoofdstuk 6. Overige en slotbepalingen
Artikel 23. Evaluatie
Onze Minister zendt binnen 3 jaar na de inwerkingtreding van deze
wet, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 24. Tijdstip inwerkingtreding
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 25 [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 26. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet allocatie arbeidskrachten door
intermediairs.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 14 mei 1998
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de vierde juni 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|