Nadere regelgeving:
- Regeling ammoniak en veehouderij
WET van 31 januari 2002, houdende regels
inzake ammoniakemissie uit tot veehouderijen behorende dierenverblijven
(Wet ammoniak en veehouderij)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te
stellen met betrekking tot beslissingen inzake vergunningen krachtens de
Wet milieubeheer, voorzover het betreft de ammoniakemissie uit
dierenverblijven van veehouderijen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
ammoniakemissie: emissie van ammoniak, uitgedrukt in kg NH3 per
jaar;
beste beschikbare technieken: beste beschikbare technieken als
bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
dierenverblijf: al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren
worden gehouden;
dierplaats: deel van een huisvestingssysteem, bestemd voor het
houden van één dier;
ecologische hoofdstructuur: ecologische hoofdstructuur, als bedoeld
in het Natuurbeleidsplan (Kamerstukken II 1989/90, 21 149, nrs. 2–3),
zoals deze is begrensd door het provinciaal bestuur, of, voorzover
deze begrenzing nog niet heeft plaatsgevonden, zoals deze is
aangegeven in een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.3 van de Wet
ruimtelijke ordening, dan wel bij of krachtens een algemene maatregel
van bestuur als bedoeld in artikel 4.3 van die wet;
emissiefactor: bij ministeriële regeling vastgestelde
ammoniakemissie per dierplaats, behorende bij een daarbij aangewezen
diercategorie en huisvestingssysteem;
gpbv-installatie: installatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht;
huisvestingssysteem: gedeelte van een dierenverblijf, waarin dieren
van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden;
maximale emissiewaarde: ammoniakemissie per dierplaats, die
ingevolge een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.40 van de Wet
milieubeheer bij een diercategorie ten hoogste mag plaatsvinden;
melkrundvee:
1°. melkvee met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat overwegend
wordt gehouden voor de melkproductie, met inbegrip van dieren die
in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden
gemest dan wel zijn drooggezet en worden afgemest, en
2°. vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar met bijbehorend
vrouwelijk jongvee, dat op een met melkvee vergelijkbare manier
wordt gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen
van kalveren;
melkrundveehouderij: veehouderij die uitsluitend of in hoofdzaak is
bestemd voor het bedrijfsmatig houden van melkrundvee;
omgevingsvergunning: vergunning voor een activiteit met betrekking
tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e,
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
richtlijn (EEG) nr. 92/43: richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding
van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);
veehouderij: inrichting, die tot een krachtens artikel 1.1, derde
lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is
bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen
of wegen van dieren;
voor verzuring gevoelig gebied: gebied dat onmiddellijk voorafgaand
aan het tijdstip van het vervallen van de Interimwet ammoniak en
veehouderij als voor verzuring gevoelig was aangemerkt krachtens
artikel 1, tweede lid, van die wet, met dien verstande dat:
a. een gebied dat op grond van artikel 2, eerste lid, onder b,
van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij als voor
verzuring gevoelig gebied was aangewezen bij een verordening die
tegelijk met voornoemde wet is vervallen, niet als voor verzuring
gevoelig wordt aangemerkt, en
b. een gebied waarop voor 1 januari 2002 een convenant als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de
Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij van toepassing was,
niet als voor verzuring gevoelig wordt aangemerkt.
2. Voor de berekening van de ammoniakemissie van een veehouderij
wordt het aantal dieren dat in de veehouderij aanwezig mag zijn,
vermenigvuldigd met de emissiefactoren.
3. Totdat een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40
van de Wet milieubeheer, waarbij maximale emissiewaarden zijn
vastgesteld, van kracht is, geldt voor de toepassing van deze wet als
maximale emissiewaarde de waarde die als zodanig is vastgesteld bij
ministeriële regeling. Voor een diercategorie waarvoor geen maximale
emissiewaarde is vastgesteld, geldt als maximale emissiewaarde de
emissiefactor behorende bij het betrokken huisvestingssysteem.
Artikel 2
1.Provinciale staten wijzen de gebieden aan die als zeer kwetsbaar
gebied worden aangemerkt.
2.Alleen voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, die
zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur kunnen als zeer
kwetsbaar gebied worden aangewezen.
3.Provinciale staten wijzen, onverminderd het tweede lid, alle voor
verzuring gevoelige gebieden binnen een beschermd gebied als bedoeld
in artikel 10, eerste lid, of artikel 10a, eerste lid, van de
Natuurbeschermingswet 1998 dan wel binnen een gebied dat op grond van
artikel 4 van richtlijn (EEG) nr. 92/43 van communautair belang is
verklaard, aan als zeer kwetsbaar gebied.
4.Bij de aanwijzing van gebieden, anders dan bedoeld in het derde
lid, als zeer kwetsbaar gebied houden provinciale staten uitsluitend
rekening met de volgende aspecten:
a. de gevoeligheid van het voor verzuring gevoelige gebied voor
de effecten van ammoniak;
b. de in het voor verzuring gevoelige gebied aanwezige
natuurwaarden;
c. de ecologische samenhang binnen het voor verzuring gevoelige
gebied of van dat gebied met een of meer andere gebieden die als
zeer kwetsbaar gebied worden aangewezen;
d. de grootte van het voor verzuring gevoelige gebied;
e. de gevolgen van de aanwijzing voor bestaande veehouderijen,
voorzover de ecologische samenhang tussen de zeer kwetsbare
gebieden daardoor niet wordt aangetast en geen verlies van
bijzondere natuurwaarden optreedt.
5.Aanwijzing van een gebied als bedoeld in het vierde lid, kleiner
dan 50 ha vindt slechts plaats indien het een gebied met zeer grote
natuurwaarden betreft.
6.Een gebied kan slechts worden aangemerkt als gebied met zeer
grote natuurwaarden als bedoeld in het vijfde lid indien:
a. in het gebied meer dan een soort aanwezig is die is
opgenomen in bijlage II van richtlijn (EEG) nr. 92/43 of in de
bijlage bij het Besluit Rode Lijsten flora en fauna en deze
soorten of hun leefomgeving zeer gevoelig zijn voor de effecten
van ammoniak;
b. het gebied is aangewezen als beschermde leefomgeving
krachtens artikel 19 van de Flora- en faunawet en deze
leefomgeving zeer gevoelig is voor de effecten van ammoniak, of
c. het gebied door gedeputeerde staten, in overeenstemming met
de lokale en regionale organisaties op het terrein van natuur en
landbouw die naar het oordeel van gedeputeerde staten
representatief zijn alsmede met de colleges van burgemeester en
wethouders van de gemeenten waartoe het betreffende gebied
behoort, is voorgesteld om als zodanig te worden aangemerkt.
Artikel 2a
1.Een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt
voorbereid door gedeputeerde staten met toepassing van de in afdeling
3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure.
2.Bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, plegen gedeputeerde staten in ieder geval overleg met de
lokale en regionale organisaties op het terrein van natuur en landbouw
die naar het oordeel van gedeputeerde staten representatief zijn
alsmede met de colleges van burgemeester en wethouders van de
gemeenten waartoe het gebied waarop het besluit betrekking heeft,
behoort.
3.Een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, gaat vergezeld
van een of meer kaarten waarop de begrenzing van de zeer kwetsbare
gebieden nauwkeurig wordt aangegeven.
4.Een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, behoeft de
goedkeuring van Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit.
5.Tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, staat
beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Het besluit tot goedkeuring, bedoeld in het vierde lid, maakt
voor de toepassing van het vijfde lid deel uit van het daaraan ten
grondslag liggende besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid.
7.Indien de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur of van een
beschermd gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid, of artikel
10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 wordt gewijzigd,
wijzigen provinciale staten het in artikel 2, eerste lid, bedoelde
besluit, voorzover dat noodzakelijk is om te voldoen aan artikel 2. Op
de wijziging van het besluit zijn het eerste tot en met derde en het
vijfde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3
1. Bij beslissingen inzake de omgevingsvergunning voor de
oprichting of verandering van een veehouderij betrekt het bevoegd
gezag de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij
behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven
bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.
2. Het eerste lid geldt niet voor de gevolgen voor het milieu die
veroorzaakt worden door directe opname uit de lucht van ammoniak door
planten en bomen.
3. Het eerste lid geldt evenmin voor het stellen van voorschriften
met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.22, tweede
of derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel
1.3c of 8.40 van de Wet milieubeheer en het weigeren van de
omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.14 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht. Daarbij geldt dat de
vergunningverlening wordt beoordeeld naar de overeenstemming van de
som van de ammoniakemissies uit de tot de inrichting behorende
dierenverblijven met de som van de ammoniakemissies die zijn
toegestaan bij een beoordeling per afzonderlijk huisvestingssysteem,
met dien verstande dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007
nog niet in de veehouderij aanwezig was, afzonderlijk aan de
voorschriften voldoet. Voorzover de voorschriften betrekking hebben op
gpbv-installaties wordt de vergunning eveneens geweigerd indien niet
kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische
kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de
plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld, maar die niet
met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare
technieken kunnen worden gerealiseerd.
4. Het eerste lid geldt – onverminderd artikel 7 – evenmin bij
het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 7.35 van de Wet
milieubeheer met betrekking tot een veehouderij, bij de voorbereiding
waarvan krachtens hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer een
milieueffectrapport dient te worden gemaakt.
Artikel 4
Een omgevingsvergunning voor het oprichten van een veehouderij wordt
geweigerd, indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel
of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een
zone van 250 meter rond een zodanig gebied.
Artikel 5
1. In afwijking van artikel 4 wordt een omgevingsvergunning niet
geweigerd met het oog op de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij
behorende dierenverblijven, indien de veehouderij al was opgericht en
onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht
onder de werking van een algemene maatregel van bestuur krachtens
artikel 8.40 van de Wet milieubeheer viel, en:
a. het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan
overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur
onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht
aanwezig mocht zijn,
b. het aantal dieren van een of meer diercategorieën hoger is
dan het aantal, bedoeld onder a, maar de ammoniakemissie niet meer
bedraagt dan de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij
behorende dierenverblijven die de veehouderij onmiddellijk
voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht zou mogen
veroorzaken, indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan
de maximale emissiewaarde,
c. de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen
van de Interimwet ammoniak en veehouderij een melkrundveehouderij
was, van uitsluitend melkrundvee het aantal dieren hoger is dan
het aantal bedoeld onder a, en de ammoniakemissie na de
uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een
melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk
jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de
ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale
emissiewaarde,
d. het aantal schapen of paarden hoger is dan bedoeld onder a,
e. het aantal dieren dat wordt gehouden overeenkomstig de
regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn
gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, hoger is
dan bedoeld onder a, of
f. het aantal dieren dat wordt gehouden uitsluitend of in
hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer, hoger is dan bedoeld onder
a.
2. In afwijking van artikel 4, eerste lid, wordt een
omgevingsvergunning eveneens niet geweigerd, indien in de veehouderij
dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van
natuurbeheer.
Artikel 6
Een omgevingsvergunning voor het veranderen van een veehouderij wordt
geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van
het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de
veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in
een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een
zodanig gebied.
Artikel 7
1. In afwijking van artikel 6 wordt de omgevingsvergunning niet
geweigerd, voorzover:
a. de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding
niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij
voorafgaand aan de uitbreiding:
1°. zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats
gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of
2°. op grond van eerder verleende nog geldende
vergunningen mocht veroorzaken, indien deze lager is dan de
ammoniakemissie, als bedoeld onder 1°, of
b. in de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen
van de Interimwet ammoniak en veehouderij melkrundvee werd
gehouden, de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en de
ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de
ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee
en 140 stuks vrouwelijk jongvee zou veroorzaken, indien de
ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale
emissiewaarde,
c. de uitbreiding schapen of paarden betreft,
d. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden
overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de
Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische
productiemethoden, of
e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden
uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.
2. Voor het bepalen van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven
die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen
veroorzaken, wordt de ammoniakemissie van de dieren waarvoor eerder
omgevingsvergunning is verleend met toepassing van het eerste lid,
onder b tot en met e, dan wel artikel 5, eerste lid, onder c tot en
met f, niet meegerekend.
Artikel 8
Artikel 3.10, derde lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht is niet van toepassing op het veranderen van een
veehouderij, indien het veranderen betrekking heeft op een uitbreiding
van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de
veehouderij behorend dierenverblijf na de uitbreiding geheel of
gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een
zone van 250 meter rond een zodanig gebied.
Artikel 9
Een ministeriële regeling krachtens deze wet wordt vastgesteld door
Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij.
Artikel 10
Indien de aanvraag van een vergunning voor een veehouderij is
ingediend voor 8 december 2000 blijft het voor dat tijdstip geldende
recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de
aanvraag onherroepelijk is geworden.
Artikel 11
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 12
Deze wet wordt aangehaald als: Wet ammoniak en veehouderij.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad wordt geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 31 januari 2002
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.P. Pronk
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst
Uitgegeven de eenentwintigste februari 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|