| |
|
|
|
|
vorige
WET
ARBEID VREEMDELINGEN (Wav)
Tekst zoals deze geldt op
17 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen
- Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen
- UWV
beleidsregels
uitvoering Wav'
WET van 21 december 1994 tot
vaststelling van de Wet arbeid vreemdelingen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe
regels te stellen met betrekking tot de tewerkstelling van
vreemdelingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ I. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. werkgever:
1°. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of
bedrijf een ander arbeid laat verrichten;
2°. de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of
persoonlijke diensten laat verrichten;
c. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
Vreemdelingenwet 2000;
d. niet eerder toegelaten vreemdeling: een vreemdeling die niet
eerder over een voor het verrichten van arbeid geldige vergunning
tot verblijf heeft beschikt, dan wel een vreemdeling die, na over
een zodanige vergunning te hebben beschikt, zijn hoofdverblijf weer
buiten Nederland heeft gevestigd dan wel buiten Nederland heeft
voortgezet;
e. tewerkstellingsvergunning: een vergunning als bedoeld in
artikel 2;
f. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in hoofdstuk 5
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
g. prioriteitgenietend aanbod: aanbod van de zijde van
Nederlanders en vreemdelingen als bedoeld in de artikelen 3, eerste
lid, onder a, en 4, eerste lid.
§ II. Tewerkstelling van vreemdelingen
Artikel 2
1.Het is een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid
te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing met
betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie tevens een ander
als werkgever optreedt, indien die ander beschikt over een voor de
desbetreffende arbeid geldige tewerkstellingsvergunning.
Artikel 3
1.Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, is niet van
toepassing met betrekking tot:
a. een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen,
vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij
een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden
verlangd;
b. een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de
Vreemdelingenwet 2000 voor het verrichten van arbeid als
zelfstandige, voor zover deze vreemdeling arbeid verricht als
zelfstandige;
c. een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen categorie, dan wel bij een algemene
maatregel van bestuur aangewezen categorie van werkzaamheden
verricht.
2.Van de bepalingen, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt door
Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 4
1.Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, is evenmin van
toepassing met betrekking tot een vreemdeling die beschikt over een
krachtens de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven vergunning, welke is
voorzien van een aantekening van Onze Minister van Justitie waaruit
blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het
verrichten van arbeid.
2.Een zodanige aantekening wordt afgegeven aan een vreemdeling:
a. die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van
artikel 8, onder b of d, van de Vreemdelingenwet 2000;
b. die gedurende een ononderbroken tijdvak van drie jaar heeft
beschikt over een voor het verrichten van arbeid geldige
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14
van de Vreemdelingenwet 2000 en die nadien zijn hoofdverblijf niet
buiten Nederland heeft gevestigd;
c. die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen categorie.
Artikel 5
1.Onze Minister is bevoegd tot het afgeven, verlengen en intrekken
van tewerkstellingsvergunningen.
2.Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden
delegeren aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Artikel 6
1.Een tewerkstellingsvergunning wordt aangevraagd door de
werkgever.
2.Op een aanvraag wordt binnen vijf weken na ontvangst beslist.
Artikel 7
De tewerkstellingsvergunning vermeldt de naam en de plaats van
vestiging van de werkgever, de persoonsgegevens van de vreemdeling, de
geldigheidsduur van de tewerkstellingsvergunning, alsmede een
omschrijving van de aard en de plaats van de door de vreemdeling te
verrichten arbeid.
Artikel 8
1.Een tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd:
a. indien voor de desbetreffende arbeidsplaats
prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt beschikbaar is;
b. indien het een arbeidsplaats betreft waarvan de
beschikbaarheid niet ten minste vijf weken vóór het indienen van
de aanvraag aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
is gemeld;
c. indien het een vreemdeling betreft:
1°. die niet beschikt over een voor het verrichten van
arbeid geldige vergunning tot verblijf, noch een zodanige
vergunning heeft aangevraagd, noch, voor zover ter verkrijging
van een dergelijke vergunning vereist, een machtiging tot
voorlopig verblijf heeft aangevraagd, dan wel
2°. aan wie een vergunning tot verblijf is geweigerd of
wiens vergunning tot verblijf is ingetrokken;
d. indien het een niet eerder toegelaten vreemdeling betreft,
die met de desbetreffende arbeid over een periode van een maand
niet ten minste een bedrag verdient gelijk aan het minimumloon,
bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag;
e. indien het een arbeidsplaats betreft die behoort tot een bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van
werkzaamheden, waarvan het niet in het Nederlands belang is deze
door vreemdelingen te laten verrichten.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald, dat een vreemdeling die de toegang tot Nederland niet is
geweigerd en door wie of ten behoeve van wie een asielaanvraag is
ingediend en die ten bewijze daarvan door Onze Minister van Justitie
in het bezit is gesteld van een daartoe aangewezen document, dan wel
houder is van een al dan niet voorwaardelijke vergunning tot verblijf
en niet beschikt over een aantekening als bedoeld in artikel 4, eerste
lid, van de wet, gelet op de verbetering van de kwaliteit van het
verblijf van die vreemdeling arbeid mag verrichten, waarbij kan worden
afgeweken van het eerste lid, onderdelen a, b en d.
3.In door Onze Minister te bepalen gevallen kan:
1°. in buitengewone omstandigheden worden afgeweken van het
eerste lid, onder b;
2°. ten behoeve van de bevordering van internationale
handelscontacten worden afgeweken van het eerste lid, onder a en
b;
3°. in het kader van scholing, opleiding, internationale
uitwisseling en andere internationale culturele contacten alsmede
ten behoeve van vreemdelingen die beschikken over een voor het
verrichten van arbeid geldige vergunning tot verblijf, worden
afgeweken van het eerste lid, onder a, b en d.
4.De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overlegd.
Artikel 9
1. Een tewerkstellingsvergunning kan worden geweigerd:
a. indien de werkgever niet kan aantonen voldoende inspanningen
te hebben gepleegd de arbeidsplaats door prioriteitgenietend op de
arbeidsmarkt beschikbaar aanbod te vervullen;
b. indien van de te vervullen arbeidsplaats de
arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen of arbeidsomstandigheden
beneden het niveau liggen dat wettelijk is vereist of in
desbetreffende bedrijfstak gebruikelijk is;
c. indien voorzienbaar is dat binnen een redelijke termijn voor
de desbetreffende arbeidsplaats prioriteitgenietend aanbod op de
arbeidsmarkt beschikbaar zal komen;
d. indien het een niet eerder toegelaten vreemdeling betreft,
wiens leeftijd niet valt binnen bij ministeriële regeling
gestelde leeftijdsgrenzen;
e. ingevolge het niet in acht nemen van een beperking waaronder
een eerdere vergunning is verleend of wegens het niet naleven van
een daaraan verbonden voorschrift;
f. indien geen passende huisvesting voor de vreemdeling
beschikbaar is;
g. indien het een eerder toegelaten vreemdeling betreft voor
wie op grond van artikel 11, vierde lid, een niet-verlengbare
tijdelijke tewerkstellingsvergunning is verleend en die daarna
zijn hoofdverblijf niet ten minste één jaar buiten Nederland
heeft verplaatst;
h. indien de werving niet heeft plaatsgevonden op een wijze die
voor de desbetreffende sector is overeengekomen bij een convenant
dat voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde eisen;
i. indien door de werkgever anderszins belemmeringen zijn
opgeworpen waardoor de arbeidsplaats niet overeenkomstig het bij
of krachtens deze wet bepaalde door aanbod op de arbeidsmarkt
vervuld kon worden.
2. In de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel h, wordt met betrekking tot de eisen waaraan de convenanten
moeten voldoen, in ieder geval opgenomen dat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen:
a. partij is bij het convenant;
b. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in kennis
stelt van het voornemen inzake het tot stand brengen van een
convenant;
c. het convenant in de Staatscourant publiceert nadat het tot
stand is gekomen.
Artikel 10
Aan een tewerkstellingsvergunning kunnen voorschriften worden
verbonden welke ertoe strekken:
a. dat de werkgever inspanningen pleegt arbeidsplaatsen door
prioriteitgenietend op de arbeidsmarkt beschikbaar aanbod te doen
vervullen;
b. dat in de onderneming in de arbeidsvoorwaarden,
arbeidsverhoudingen of arbeidsomstandigheden voor de vervulling van
arbeidsplaatsen door prioriteitgenietend aanbod gelegen beletselen,
worden opgeheven;
c. dat de overeenkomst tot het verrichten van arbeid met een niet
eerder toegelaten vreemdeling schriftelijk wordt aangegaan en dat
daarvan een afschrift ter beschikking wordt gesteld aan de
vergunning verlenende instantie;
d. dat de werkgever geheel of gedeeltelijk door opleiding of
scholing voorziet in het in de toekomst aanwezig zijn van een voor
zijn arbeidsorganisatie geschikt aanbod.
Artikel 11
1. Een tewerkstellingsvergunning wordt voor ten hoogste drie jaar
verleend.
2. Een tewerkstellingsvergunning die is verleend met toepassing van
artikel 8, tweede lid, is niet vatbaar voor verlenging.
3. Ten behoeve van tijdelijk werk wordt een
tewerkstellingsvergunning voor ten hoogste vier en twintig weken
verleend, indien de desbetreffende arbeid wordt verricht door een niet
eerder toegelaten vreemdeling. Deze vreemdeling mag gedurende een
periode van acht en twintig weken direct voorafgaande aan de
tewerkstellingsvergunning niet over een voor het verrichten van arbeid
geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel
14 van de Vreemdelingenwet 2000 hebben beschikt. Deze
tewerkstellingsvergunning is niet vatbaar voor verlenging.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald, dat voor andere categorieën van vreemdelingen of
categorieën van werkzaamheden, dan die bedoeld in het tweede of derde
lid, een tewerkstellingsvergunning die voor minder dan drie jaar is
verleend, niet wordt verlengd.
Artikel 12
1.Een tewerkstellingsvergunning wordt ingetrokken:
a. indien de voor verkrijging verstrekte gegevens zodanig
onjuist of onvolledig blijken te zijn geweest, dat op de aanvraag
een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling
daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
b. indien gebleken is dat aan de vreemdeling verblijf in
Nederland is geweigerd;
c. indien van de tewerkstellingsvergunning geen gebruik wordt
gemaakt.
2.Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Justitie, ten
aanzien van een vreemdeling als bedoeld in artikel 8, onder h, van de
Vreemdelingenwet 2000 afwijken van het eerste lid onder b.
Artikel 12a [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Een tewerkstellingsvergunning kan worden ingetrokken:
a. indien de werkgever geen erkende referent is als bedoeld in
artikel 1, onderdeel t, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat zijn
erkenning is ingetrokken of geschorst of omdat zijn aanvraag tot
erkenning is afgewezen, of
b. indien de werkgever een referent is als bedoeld in artikel 1,
onderdeel s, van de Vreemdelingenwet 2000 of een erkende referent
als bedoeld in artikel 1, onderdeel t, van die wet en hem op grond
van artikel 55a van die wet binnen een periode van vijf jaar direct
voorafgaande aan de aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning een
bestuurlijke boete is opgelegd of indien hij in die periode is
gestraft op grond van artikel 108 van die wet.
Artikel 13
Onverminderd de artikelen 11, tweede lid, en 12, eerste lid kan
weigering van verlenging of intrekking van een tewerkstellingsvergunning
slechts geschieden ingevolge:
a. het niet in acht nemen van een beperking waaronder de
tewerkstellingsvergunning is verleend, of
b. het niet naleven van een aan de tewerkstellingsvergunning
verbonden voorschrift.
§ III. Toezicht
Artikel 14
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister
aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 15
1.Indien de werkgever door een vreemdeling arbeid laat verrichten
waarbij die arbeid feitelijk worden verricht bij een andere werkgever,
draagt de eerstgenoemde werkgever er bij aanvang van de arbeid door de
vreemdeling onverwijld zorg voor dat de andere werkgever een afschrift
van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en
met 3°, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling
ontvangt.
2.De werkgever die het afschrift van het document, bedoeld in het
eerste lid, ontvangt, stelt de identiteit van de vreemdeling vast aan
de hand van het genoemde document en neemt het afschrift op in de
administratie.
3.De werkgever, bedoeld in het tweede lid, bewaart het afschrift
tot tenminste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de
arbeid door de vreemdeling is beëindigd.
4.De vreemdeling verstrekt een op hem betrekking hebbend document
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de
Wet op de identificatieplicht aan de werkgever, die het afschrift van
het document, bedoeld in het eerste lid, ontvangt, en stelt die
werkgever in de gelegenheid een afschrift van dit document te maken.
Artikel 16
1.De door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel
14, zijn bevoegd bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik te
maken van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer.
2.Bestuursorganen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht
desgevraagd aan de door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld
in artikel 14, kosteloos alle gegevens en inlichtingen te verstrekken
die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens deze wet. Bestuursorganen kunnen daarbij
gebruik maken van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer, voor zover zij daartoe gerechtigd
zijn.
3.De door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel
14, verstrekken andere bestuursorganen kosteloos gegevens welke zij
behoeven ter uitvoering van hun taak. De laatste volzin van het tweede
lid is van overeenkomstige toepassing.
4.De in het tweede en derde lid bedoelde gegevensverstrekking vindt
niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene
daardoor onevenredig wordt geschaad.
5.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens
dienen te worden verstrekt.
6.Voor de toepassing van dit artikel worden met bestuursorganen
gelijkgesteld instellingsbesturen van uit de openbare kas bekostigde
instellingen en bevoegde gezagsorganen van uit de openbare kas
bekostigde scholen en instellingen.
Artikel 17
De toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de
bewoner indien sprake is van een redelijk vermoeden van een overtreding
als bedoeld in artikel 18 of van een strafbaar feit als bedoeld in
artikel 19c.
Artikel 17a
De toezichthouder is te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van
daarvoor vatbare voorwerpen. Hij kan daartoe de uitlevering vorderen
tegen een door hem afgegeven schriftelijk bewijs. Zodra het belang van
onderzoek omtrent de overtreding zulks toelaat wordt het in beslag
genomen voorwerp teruggegeven aan degene bij wie het in beslag is
genomen.
§ IV. Bestuursrechtelijke handhaving
Artikel 18
1. Als overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de
artikelen 2, eerste lid, en 15.
2. Als overtreding wordt tevens aangemerkt het door de werkgever
niet naleven van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht voor
zover het betreft het door de toezichthouder uitoefenen van
bevoegdheden ter vaststelling van de identiteit van degene die voor de
werkgever arbeid verricht of heeft verricht.
Artikel 18a [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 18b
1. Onverminderd artikel 5:48, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht vermeldt het rapport in ieder geval:
a. de bij de overtreding betrokken persoon of personen;
b. het officiële nummer waaronder het betreffende
vervoermiddel is geregistreerd, voor zover in verband met de
overtreding van belang.
2. Het rapport wordt toegezonden aan de op grond van artikel 19a,
eerste lid, aangewezen ambtenaar.
Artikel 19 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 19a
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem
ressorterende ambtenaar legt namens hem de bestuurlijke boete op aan
degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze
wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een
overtreding.
2. De terzake van deze wet gestelde overtredingen, gelden ten
opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een overtreding
is begaan.
Artikel 19b
Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien een gedraging die in
strijd is met het bepaalde bij of krachtens deze wet, tevens een
strafbaar feit als bedoeld in artikel 19c oplevert.
Artikel 19c
Een overtreding wordt aangemerkt als een strafbaar feit, indien
tweemaal binnen een aan de dag van het constateren van die overtreding
voorafgaande periode van 48 maanden, met respectievelijke tussenliggende
perioden van ten hoogste 24 maanden, voor een overtreding bestaande uit
het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting een bestuurlijke
boete is opgelegd die onherroepelijk is geworden.
Artikel 19d
1. De hoogte van de bestuurlijke boete, die voor een overtreding
kan worden opgelegd, is, indien begaan door:
a. een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten
hoogste € 11 250,
b. een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste €
45 000.
2. Onverminderd het eerste lid verhoogt de aangewezen ambtenaar,
bedoeld in het eerste lid, de op te leggen bestuurlijke boete met 50%,
indien op de dag van het constateren van de overtreding nog geen 24
maanden zijn verstreken nadat een eerdere overtreding bestaande uit
het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting is
geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding
onherroepelijk is geworden.
3. Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin de boetebedragen
voor de overtredingen worden vastgesteld. Artikel 5:53 van de Algemene
wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel gesteld bij of
krachtens deze wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden
opgelegd, niet is nageleefd.
4. In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht
kan de rechter in beroep of hoger beroep de hoogte van de bestuurlijke
boete ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen.
Artikel 19e [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 19f
Indien een bestuurlijke boete ten onrechte is opgelegd, wordt deze
binnen zes weken nadat is vastgesteld dat de bestuurlijke boete ten
onrechte is opgelegd, aan de rechthebbende terugbetaald.
Artikel 19g [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 19h [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 19i [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 19j [Vervallen per 01-07-2009]
§ V. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 20
Een tewerkstellingsvergunning anders dan die bedoeld in artikel 11,
tweede en derde lid, behoudt haar geldigheid, totdat de termijn voor het
instellen van beroep tegen een beschikking, inhoudende de intrekking van
die vergunning is verstreken, of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist.
Artikel 21
Artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 is van toepassing ten aanzien
van beroepen tegen besluiten, gegeven op grond van deze wet, met
uitzondering van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete.
Artikel 22
Onze Minister stelt nadere regels ter bevordering van een goede
uitvoering van deze wet.
Artikel 23
Indien een werkgever een vreemdeling arbeid doet verrichten in strijd
met artikel 2, wordt de vreemdeling vermoed gedurende ten minste zes
maanden werkzaam te zijn voor die werkgever tegen een beloning en een
arbeidsduur die in de betreffende bedrijfstak gebruikelijk is.
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 25
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 26
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 27
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 28
De Wet arbeid buitenlandse werknemers wordt ingetrokken.
Artikel 29
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 30
Deze wet wordt aangehaald als: Wet arbeid vreemdelingen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 21 december 1994
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.W.P. Melkert
Uitgegeven de negenentwintigste december 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|