Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsregeling balansverkorting geldelijke steun
volkshuisvesting
WET van 31 mei 1995, houdende
balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
voorschriften te geven, strekkend tot structurele wijziging en
vereenvoudiging van verleende geldelijke steun ten behoeve van de
volkshuisvesting;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
a. toegelaten instelling: voor 1 januari 1995 ingevolge artikel
70 van de Woningwet als zodanig aangewezen instelling,
b. woningen: te verhuren of verhuurde woningen,
bejaardenwoningen, wooneenheden in verzorgingstehuizen voor
bejaarden en te verhuren of verhuurde woningen en wooneenheden in
woongebouwen met een bijzonder karakter,
c. bijdrage: ingevolge de desbetreffende regeling of deze wet
te ontvangen jaarlijkse bijdrage of bijdrage ineens,
d. woongelegenheid: woning of bejaardenoord als bedoeld in de
Wet op de bejaardenoorden, zoals die wet luidde voor de intrekking
van die wet,
e. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen, Wijken en
Integratie.
2.Voor de toepassing van deze wet wordt, voor zover niet anders is
bepaald, onder toegelaten instelling mede verstaan een instelling
welke na 1 januari 1995 doch voor 1 januari 1997 ingevolge artikel 70
van de Woningwet als zodanig is aangewezen.
Artikel 2
1.Onze Minister stelt voor elke in een gemeente werkzame toegelaten
instelling afzonderlijk de som vast van de contante waarden op 1
januari 1995 van de, uit hoofde van geldelijke steun aan de gemeente
verleend krachtens artikel 67 van de Woningwet 1962 of artikel 56 van
de Woningwet 1901 met het oog op de toepassing van artikel 60
onderscheidenlijk artikel 51 van die wetten, op of na die datum te
ontvangen bijdragen voor woningen welke op die datum in eigendom zijn
van die toegelaten instelling of die zijn onderworpen aan een recht
van erfpacht dat toebehoort aan die toegelaten instelling.
2.Het in het eerste lid bepaalde geldt mede voor de geldelijke
steun voor woningen die deel uitmaken van het op of na 1 januari 1995
doch voor 1 januari 1997 door een toegelaten instelling als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, van een andere rechtspersoon zonder
winstoogmerk verworven totale bezit aan woningen die deel uitmaakten
van een bejaardenoord als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de
Wet op de bejaardenoorden, zoals die wet luidde voor de intrekking van
die wet.
3.Het eerste lid is voor de gemeente van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van door die gemeente te ontvangen bijdragen voor
woningen, in eigendom van de gemeente zelf.
Artikel 3
1.Onze Minister stelt de in artikel 2 bedoelde som vast op grond
van de hem ter beschikking staande gegevens.
2.Na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, verzoekt Onze
Minister de gemeente en de toegelaten instelling binnen een door hem
gestelde termijn de gegevens en bescheiden te verstrekken die nodig
zijn voor nadere vaststelling van de in artikel 2 bedoelde som.
3.Onze Minister stelt de in artikel 2 bedoelde som nader vast
binnen een jaar na het verstrijken van de door hem krachtens het
tweede lid gestelde termijn doch in elk geval binnen vijf jaar na de
in het eerste lid bedoelde vaststelling.
Artikel 4
1.Voor de toepassing van de artikelen 2 en 3 wordt voor het tijdvak
van de geldigheidsduur van de beschikkingen tot verlening van
bijdragen met een ingangsdatum voor 1 januari 1995 overeenkomstig de
desbetreffende regelingen uitgegaan van de jaarlijkse stijging van de
variabele exploitatiekosten, het rendement over het geïnvesteerd
vermogen en de jaarlijkse stijging van de huur als in die
beschikkingen is vermeld.
2.Voor het tijdvak na het verstrijken van de geldigheidsduur van de
in het eerste lid bedoelde beschikkingen overeenkomstig de
desbetreffende regelingen wordt uitgegaan van:
a. een jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten
met 3 procent,
b. een rendement over het geïnvesteerd vermogen van 7 procent,
en
c. een jaarlijkse stijging van de huur met 5 procent met ingang
van 1 juli 1995.
3.Indien geldelijke steun is verleend met toepassing van de
Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975 of de Regeling
geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem
1986, wordt voorts voor elk tijdvak van tien jaar, ingaande op of na 1
januari 1995, rekening gehouden met een dynamische kostprijshuur als
bedoeld in die regelingen, met dien verstande dat bij de berekening
daarvan wordt uitgegaan van:
a. een jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten
met 0 procent,
b. een rendement over het geïnvesteerd vermogen van 7 procent,
en
c. een jaarlijkse stijging van de huur met 0 procent voor
woningen voor welke op het tijdstip van toekenning van de
geldelijke steun tevens een lening werd verstrekt als bedoeld in
artikel 60, derde lid, onderdeel a, van de Woningwet 1962, en van
5 procent voor andere woningen.
4.Indien geldelijke steun is verleend met toepassing van de
Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, wordt
voorts voor elk tijdvak van tien jaar, ingaande op of na 1 januari
1995, rekening gehouden met een dynamische kostprijshuur als bedoeld
in die regeling, met dien verstande dat bij de berekening daarvan
wordt uitgegaan van:
a. een jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten
met 0 procent,
b. een rendement over het geïnvesteerd vermogen van 7 procent,
en
c. een jaarlijkse stijging van de huur met 0 procent.
5.Onze Minister kan voor de toepassing van daarbij aan te geven
krachtens de Woningwet 1962 of de Woningwet 1901 gegeven ministeriële
regelingen een ander percentage van de jaarlijkse stijging van de huur
vaststellen.
Artikel 5
1.Een ingevolge de artikelen 2 en 3, eerste lid, gegeven
beschikking heeft tot gevolg dat:
a. een verbintenis van het Rijk jegens de gemeente uit hoofde
van geldelijke steun, verleend op grond van artikel 67 van de
Woningwet 1962 of artikel 56 van de Woningwet 1901, teniet gaat,
voor zover deze strekt tot betaling van bijdragen uit hoofde van
verleende geldelijke steun over het tijdvak na de inwerkingtreding
van de beschikking,
b. ten laste van het Rijk een verbintenis ontstaat tot betaling
aan de gemeente van de ingevolge de artikelen 2 en 3, eerste lid,
vastgestelde som,
c. vorderingen van het Rijk uit hoofde van leningen, aan de
gemeente verstrekt krachtens artikel 67 van de Woningwet 1962 of
artikel 56 van de Woningwet 1901 berekend naar de stand op 1
januari 1995, met inbegrip van de verschuldigde rente tot die
datum in hun geheel opeisbaar worden,
d. de verbintenis van de gemeente jegens de toegelaten
instelling uit hoofde van geldelijke steun, verleend op grond van
artikel 60 van de Woningwet 1962 of artikel 51 van de Woningwet
1901, teniet gaat, voor zover deze strekt tot betaling van een of
meer bijdragen over het tijdvak na de inwerkingtreding van de
beschikking,
e. ten laste van de gemeente een verbintenis ontstaat tot
betaling aan de toegelaten instelling van de ingevolge de
artikelen 2 en 3, eerste lid, vastgestelde som,
f. vorderingen van de gemeente uit hoofde van leningen, aan de
toegelaten instelling verstrekt krachtens artikel 60 van de
Woningwet 1962 of artikel 51 van de Woningwet 1901, berekend naar
de stand op 1 januari 1995, met inbegrip van de verschuldigde
rente tot die datum, voor zover deze betrekking hebben op door het
Rijk aan de gemeente verstrekte leningen als bedoeld in onderdeel
c, in hun geheel opeisbaar worden, en
g. het verschuldigde uit hoofde van leningen als bedoeld in de
onderdelen c en f, voor zover de uit het verstrekken van die
leningen ontstane verbintenissen niet ingevolge artikel 8 te niet
gaan, bevrijdend kan worden betaald, zonder dat overeengekomen
boeten of kosten verschuldigd worden.
2.De schulden als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en e,
worden vermeerderd met een rente van 6,75 procent per jaar, te rekenen
vanaf 1 januari 1995 tot de inwerkingtreding van de beschikking en
vervolgens verminderd met de in onderdeel a, onderscheidenlijk
onderdeel d, bedoelde bijdragen die op of na 1 januari 1995 zijn of
worden betaald, vermeerderd met een rente van 6,75 procent per jaar
over die bijdragen, berekend over het tijdvak van de betaling tot de
inwerkingtreding van de beschikking.
3.De vorderingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en f,
worden vermeerderd met een rente van 6,75 procent per jaar, te rekenen
vanaf 1 januari 1995 tot de inwerkingtreding van de beschikking en
vervolgens verminderd met de daarop op of na 1 januari 1995 betaalde
bedragen, vermeerderd met een rente van 6,75 procent per jaar over die
bedragen, berekend over het tijdvak van de betaling tot de
inwerkingtreding van de beschikking.
Artikel 6
1.Onze Minister verleent aan de toegelaten instelling of gemeente
aan welke een of meer leningen zijn verstrekt op grond van artikel 60,
derde lid, onderdeel a, of artikel 67 voor de toepassing van artikel
61 van de Woningwet 1962 of op grond van artikel 56 van de Woningwet
1901 een rentebijdrage op een aanvraag ingediend binnen zes maanden na
de inwerkingtreding van de beschikking tot vaststelling, bedoeld in de
artikelen 2 en 3, eerste lid.
2.De rentebijdrage is gelijk aan:
a. de som van de per jaar berekende contante waarden op 1
november 1993 van de rente die over het tijdvak vanaf de
vervroegde aflossing of de inwerkingtreding van een ingevolge de
artikelen 2 en 3, eerste lid, gegeven beschikking tot de datum van
de eerste renteherziening van de in het eerste lid bedoelde
leningen verschuldigd is of zou zijn, indien op de kapitaalmarkt
of bij een gemeente ter vervanging van die leningen een of meer
leningen zijn of zouden zijn gesloten met een gelijke hoofdsom en
met gelijke aflossingsvoorwaarden, verminderd met
b. de som van de per jaar berekende contante waarden op 1
november 1993 van de rente die over de in het eerste lid bedoelde
leningen verschuldigd zou zijn, over het in onderdeel a bedoelde
tijdvak indien die leningen niet vervroegd zouden zijn afgelost of
die leningen niet opeisbaar zouden zijn geworden, en vermeerderd
met de contante waarde op 1 november 1993 van de kosten die de
toegelaten instelling aan het Waarborgfonds sociale woningbouw of
aan een gemeente verschuldigd is voor borgstelling terzake van de
in onderdeel a bedoelde vervangende leningen tot ten hoogste 0,75
procent van de hoofdsom van die leningen, mits deze leningen zijn
gesloten binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de
beschikking tot vaststelling bedoeld in artikel 3, eerste lid.
3.Indien een gemeente of toegelaten instelling geen vervangende
lening heeft gesloten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is
het rentepercentage het op de datum van de vervroegde aflossing
geldende gemiddelde effectief rendement van staatsobligaties met een
resterende looptijd van vijf tot acht jaar, zoals dit door het
Centraal Bureau voor de Statistiek op die datum wordt bekend gemaakt,
dan wel het dagrendement zoals laatstelijk voor die datum
bekendgemaakt, verhoogd met het door Onze Minister vastgestelde
gemiddelde verschil tussen genoemd rendement en het rendement van
leningen zoals aangeboden aan gemeenten en andere openbare lichamen,
met een looptijd van 10 jaren, een vast rentepercentage en aflossing
ineens, een en ander naar boven op 0,125 procent afgerond.
4.Het eerste lid is niet van toepassing op leningen die voor 1
november 1993 zijn afgelost of voor die datum door de gemeente bij
Onze Minister voor vervroegde aflossing zijn aangemeld.
5.Een beschikking krachtens het eerste lid wordt gegeven binnen een
jaar na ontvangst van de aanvraag.
6.Over schulden, voortvloeiend uit beschikkingen gegeven krachtens
het eerste lid, is een rente verschuldigd van 6,75 procent, te rekenen
vanaf 1 november 1993.
7.Geen rente is verschuldigd met ingang van de dag waarop Onze
Minister de gemeente of toegelaten instelling uitnodigt de aanvraag
aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de
daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Artikel 7
1.Onze Minister verleent aan elke gemeente en aan elke in een
gemeente werkzame toegelaten instelling, die aan de in het tweede lid
gestelde eis omtrent eerder verleende geldelijke steun voldoet, een
aanvullende bijdrage voor woningen die:
a. op 1 januari 1995 in eigendom aan een gemeente of toegelaten
instelling toebehoorden, dan wel op 1 januari 1997 aan een
toegelaten instelling in eigendom toebehoorden en die overgenomen
zijn van een rechtspersoon, als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
waarvoor het in dat lid bepaalde van toepassing is,
b. zijn tot stand gekomen met geldelijke steun, verleend met
toepassing van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975,
de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten
normkostensysteem 1986 of de Regeling geldelijke steun
huurwoningen normkostensysteem 1988 en
c. op 1 januari 1993 in eigendom toebehoorden aan een gemeente
of een toegelaten instelling, dan wel aan een rechtspersoon, als
bedoeld in artikel 2, tweede lid.
2.De aanvullende bijdrage wordt verleend, indien van het totaal van
de woningen die op 1 januari 1993 aan de gemeente of de toegelaten
instelling dan wel de rechtspersoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid,
in eigendom toebehoorden, 40 procent of meer tot stand is gekomen met
geldelijke steun, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
3.Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden in
afwijking in zoverre van die leden op een vóór een door Onze
Minister te bepalen tijdstip in te dienen aanvraag mede in aanmerking
genomen alle woningen die op 1 januari 1993:
a. in eigendom aan een toegelaten instelling of gemeente
toebehoorden, en
b. door de gemeente of toegelaten instelling die de aanvraag
indient voor haar risico en rekening werden beheerd als ware zij
eigenaar van die woningen.
Daarbij worden in afwijking van de eerste volzin niet in aanmerking
genomen woningen:
1°. die op 1 januari 1993 in eigendom toebehoorden aan de
aanvrager, maar op die datum voor risico en rekening van een derde
werden beheerd als ware die derde eigenaar van de woningen, of
2°. waarvoor de gemeente niet vóór 1 januari 1993,
vooruitlopend op de overdracht in eigendom door de gemeente of een
toegelaten instelling aan de toegelaten instelling die de aanvraag
indient, aan laatstbedoelde instelling de geldelijke steun,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft verleend, of
3°. waarvoor op grond van het eerste lid aan een ander een
aanvullende bijdrage is of kan worden verleend, voor zover die
ander niet schriftelijk aan Onze Minister te kennen heeft gegeven
geen bezwaar te hebben tegen herziening van het bij hem in
aanmerking te nemen percentage woningen met geldelijke steun,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voor de aan de aanvrager
ingevolge dit lid toe te rekenen woningen.
4.In afwijking van het eerste lid, onderdeel cverleent Onze
Minister een aanvullende bijdrage:
a. voor woningen van een toegelaten instelling indien deze die
woningen na 1 januari 1993 doch voor 1 januari 1995 op verzoek van
Onze Minister van een te saneren instelling in eigendom heeft
verkregen,
b. voor woningen van een toegelaten instelling indien deze die
woningen na 1 januari 1993 doch voor 1 januari 1997 van een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, tweede lid, in eigendom
heeft verkregen,
c. voor woningen van een toegelaten instelling indien deze na 1
januari 1993 doch voor 1 januari 1995 als zodanig ingevolge
artikel 70 van de Woningwet is aangewezen.
5.Voor de toepassing van het eerste en tweede lid, worden mede in
aanmerking genomen
a. woningen die zijn onderworpen aan een recht van erfpacht dat
toebehoort aan een gemeente of een toegelaten instelling, en
b. woningen die op 1 januari 1993 nog niet in eigendom van een
gemeente of toegelaten instelling waren, maar waarvoor aan die
gemeente of toegelaten instelling voor 1 januari 1993 geldelijke
steun overeenkomstig de Regeling geldelijke steun huurwoningen
normkostensysteem 1988 was verleend en nadien is vastgesteld voor
zover die woningen voor 1 januari 1995 zijn tot stand gekomen.
6.De aanvullende bijdrage is gelijk aan het verschil tussen:
a. de som, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 2 en 3,
eerste of derde lid, en
b. de som, zoals die overeenkomstig de artikelen 2 en 3, eerste
of derde lid, zou zijn vastgesteld indien daarbij zou zijn
uitgegaan van een jaarlijkse stijging van de huur met het
percentage, vermeld in de bijlage bij deze wet, in plaats van met
5 procent,
telkens voor zover die som betrekking heeft op woningen als bedoeld
in het eerste lid.
7.Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat voor een vaststelling met toepassing van het derde lid een
aanvraag vereist is.
8.Artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdelen b en e, is van
overeenkomstige toepassing.
9.Over schulden als bedoeld in het eerste lid is een rente
verschuldigd van 6,75 procent, te rekenen vanaf 1 januari 1995 tot de
inwerkingtreding van de beschikking.
Artikel 8
1.De verbintenissen van het Rijk jegens de gemeente als bedoeld in
de artikelen 5, eerste lid, onderdeel b, 6 en 7, en de verbintenis van
de gemeente jegens het Rijk als bedoeld in artikel 5, eerste lid,
onderdeel c, gaan tot hun gemeenschappelijk beloop teniet.
2.De verbintenissen van de gemeente jegens de toegelaten instelling
als bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, onderdeel e, en 7, achtste
lid, en de verbintenis van de toegelaten instelling jegens de gemeente
als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel f, gaan tot hun
gemeenschappelijk beloop teniet.
Artikel 9
1.Indien de overeenkomstig de artikelen 2 en 3, derde lid,
vastgestelde som hoger is dan de overeenkomstig de artikelen 2 en 3,
eerste lid, vastgestelde som, heeft de nadere vaststelling bedoeld in
de artikelen 2 en 3, derde lid, tot gevolg dat ten laste van het Rijk
onderscheidenlijk de gemeente een verbintenis ontstaat tot betaling
aan de gemeente onderscheidenlijk de toegelaten instelling van het
verschil tussen beide sommen.
2.Indien de overeenkomstig de artikelen 2 en 3, derde lid,
vastgestelde som lager is dan de overeenkomstig de artikelen 2 en 3,
eerste lid, vastgestelde som, heeft de nadere vaststelling, bedoeld in
de artikelen 2 en 3, derde lid, tot gevolg dat ten laste van de
gemeente onderscheidenlijk de toegelaten instelling een verbintenis
ontstaat tot betaling aan het Rijk onderscheidenlijk de gemeente van
het verschil tussen beide sommen.
3.Indien de met overeenkomstige toepassing van artikel 3, derde
lid, verleende bijdrage, bedoeld in artikel 7, hoger is dan de met
overeenkomstige toepassing van artikel 3, eerste lid, verleende
bijdrage, ontstaat ten laste van het Rijk onderscheidenlijk de
gemeente een verbintenis tot betaling aan de gemeente
onderscheidenlijk de toegelaten instelling van het verschil tussen
beide bijdragen.
4.Indien de met overeenkomstige toepassing van artikel 3, derde
lid, verleende bijdrage, bedoeld in artikel 7, lager is dan de met
overeenkomstige toepassing van artikel 3, eerste lid, verleende
bijdrage, ontstaat ten laste van de gemeente onderscheidenlijk de
toegelaten instelling een verbintenis tot betaling aan het Rijk
onderscheidenlijk de gemeente van het verschil tussen beide bijdragen.
5.Over schulden als bedoeld in het eerste, tweede, derde of vierde
lid is een rente verschuldigd van 6,75 procent, te rekenen vanaf 1
januari 1995 tot de inwerkingtreding van de beschikking.
Artikel 10
Voor de toepassing van deze wet wordt de contante waarde berekend met
een rentepercentage van 6,75 procent en met dien verstande dat wordt
uitgegaan van maanden van dertig dagen en jaren van driehonderdzestig
dagen.
Artikel 11
Een krachtens deze wet gegeven beschikking treedt in werking dertien
weken na de bekendmaking daarvan.
Artikel 12
1.Een ingevolge de artikelen 2 en 3, derde lid, 6 of 7 gegeven
beschikking kan worden ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende
worden gewijzigd:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister
bij de vaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en
op grond waarvan het in de beschikking genoemde bedrag lager zou
zijn vastgesteld, of
b. indien de vaststelling onjuist was en belanghebbende dit
wist of behoorde te weten.
2.Een in het eerste lid bedoelde beschikking kan niet meer worden
ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende worden gewijzigd
indien sedert de dag waarop zij is bekendgemaakt vijf jaren zijn
verstreken.
Artikel 13 [Vervallen per 24-04-1998]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 15
Een ieder is verplicht aan Onze Minister gegevens en bescheiden te
verstrekken voor zover dat voor de uitvoering van deze wet
redelijkerwijs nodig is.
Artikel 16
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de uitvoering van deze wet welke regels in elk geval betrekking
kunnen hebben op:
a. de wijze van indiening van aanvragen, de daarbij over te
leggen gegevens en bescheiden alsmede het vaststellen van daarvoor
te gebruiken formulieren,
b. de vaststelling van de in artikel 2 bedoelde te ontvangen
bijdragen op grond van gegevens, verstrekt door een gemeente of
toegelaten instelling ingevolge de op voet van de Woningwet 1962
gegeven van toepassing zijnde regelingen tot het verlenen van
geldelijke steun,
c. de vaststelling van de in artikel 2 bedoelde te ontvangen
bijdragen indien de ingevolge de Woningwet 1962 gegeven van
toepassing zijnde regelingen tot het verlenen van geldelijke steun
niet of slechts beperkt uitgaan van een genormeerde
woningexploitatie,
d. de wijze van berekening van de in artikel 6 bedoelde
rentebijdrage,
e. het verlenen van een aanvullende bijdrage als bedoeld in
artikel 7, vierde lid, onderdeel a,
f. het verlenen van een aanvullende bijdrage als bedoeld in
artikel 7, vierde lid, onderdeel c.
Artikel 17
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 18
Onze Minister zendt één jaar na de inwerkingtreding van deze wet,
en vervolgens ieder jaar tot het jaar volgend op de definitieve
afwikkeling van de op grond van deze wet aan toegelaten instellingen uit
te keren bijdragen, aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. In het
verslag wordt in ieder geval aandacht besteed aan de aanwending door de
toegelaten instellingen van de op grond van artikel 7 verleende
aanvullende bijdragen ten behoeve van huurmatiging alsmede aan de
voortgang van de financiële afwikkeling.
Artikel 19
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 20
Deze wet wordt aangehaald als: Wet balansverkorting geldelijke steun
volkshuisvesting.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 31 mei 1995
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
D.K.J. Tommel
Uitgegeven de tweeëntwintigste juni 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage bij de Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting
Schaal van de
huurstijgingspercentages bedoeld in artikel 7
|
Bij een
percentage van het aantal woningen van: |
is het
huurstijgingspercentage: |
|
40 procent |
5,00 procent |
|
41 procent |
4,96 procent |
|
42 procent |
4,92 procent |
|
43 procent |
4,88 procent |
|
44 procent |
4,84 procent |
|
45 procent |
4,80 procent |
|
46 procent |
4,76 procent |
|
47 procent |
4,72 procent |
|
48 procent |
4,68 procent |
|
49 procent |
4,64 procent |
|
50 procent |
4,60 procent |
|
51 procent |
4,57 procent |
|
52 procent |
4,54 procent |
|
53 procent |
4,51 procent |
|
54 procent |
4,48 procent |
|
55 procent |
4,45 procent |
|
56 procent |
4,43 procent |
|
57 procent |
4,41 procent |
|
58 procent |
4,38 procent |
|
59 procent |
4,36 procent |
|
60 procent |
4,34 procent |
|
61 procent |
4,32 procent |
|
62 procent |
4,30 procent |
|
63 procent |
4,28 procent |
|
64 procent |
4,26 procent |
|
65 procent |
4,24 procent |
|
66 procent |
4,22 procent |
|
67 procent |
4,20 procent |
|
68 procent |
4,18 procent |
|
69 procent |
4,16 procent |
|
70 procent |
4,14 procent |
|
71 procent |
4,12 procent |
|
72 procent |
4,10 procent |
|
73 procent |
4,08 procent |
|
74 procent |
4,06 procent |
|
75 procent |
4,05 procent |
|
76 procent |
4,04 procent |
|
77 procent |
4,03 procent |
|
78 procent |
4,02 procent |
|
79 procent |
4,01 procent |
|
80 procent |
4,00 procent |
|
81 procent |
3,99 procent |
|
82 procent |
3,98 procent |
|
83 procent |
3,97 procent |
|
84 procent |
3,96 procent |
|
85 procent |
3,95 procent |
|
86 procent |
3,94 procent |
|
87 procent |
3,93 procent |
|
88 procent |
3,92 procent |
|
89 procent |
3,91 procent |
|
90 procent |
3,90 procent |
|
91 procent |
3,89 procent |
|
92 procent |
3,88 procent |
|
93 procent |
3,87 procent |
|
94 procent |
3,86 procent |
|
95 procent |
3,85 procent |
|
96 procent |
3,84 procent |
|
97 procent |
3,83 procent |
|
98 procent |
3,82 procent |
|
99 procent |
3,81 procent |
|
100 procent |
3,80 procent |
Toepassing van de schaal:
A
Voor de bepaling van het aantal woningen dat op 1 januari 1993 in
eigendom toebehoorde aan een gemeente of toegelaten instelling dan wel
het aantal woningen bedoeld in artikel 7, vierde lid, onderdeel b,
wordt:
- een woning als één eenheid geteld,
- een wooneenheid (zogenaamde huisvesting alleenstaanden en
tweepersoons huishoudens; HAT) als één eenheid geteld,
- een zogenaamde duplex-eenheid, gebouwd onder de
nieuwbouwregelingen t/m 1967, als een halve eenheid geteld,
- een eenheid in een verzorgingstehuis voor bejaarden als een
halve eenheid geteld.
B
Voor de bepaling van het aantal woningen dat tot stand is gekomen met
geldelijke steun, verleend met toepassing van de Beschikking geldelijke
steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in
proefgemeenten normkostensysteem 1986 of de Regeling geldelijke steun
huurwoningen normkostensysteem 1988, wordt:
- een woning als één eenheid geteld,
- een wooneenheid (zogenaamde huisvesting alleenstaanden en
tweepersoons huishoudens; HAT) als één eenheid geteld,
- een eenheid in een verzorgingstehuis voor bejaarden als een
halve eenheid geteld.
Het percentage van de woningvoorraad is het totale bezit onder B
gedeeld door het totale bezit onder A, beide aantallen zoals bedoeld in
artikel 7, eerste, tweede en vierde lid. Het percentage wordt op de
gebruikelijke wijze afgerond waarbij 40,5 procent wordt 41 procent enz.
|