WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor de
geldelijke aansprakelijkheid van het Rijk voor het beheer van de
Stichting Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling bij de wet een
regeling te treffen, als bedoeld in artikel 89a van de
Comptabiliteitswet 1927 (Stb. 1927, 259) en de oprichting van de
Stichting bij akte van 19 Juni 1947 te bekrachtigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Wordt bekrachtigd de oprichting door Onze Ministers van Verkeer en
Waterstaat, van Financiën, van Oorlog, van Marine, van Economische
Zaken en van Overzeese Gebiedsdelen van de Stichting Nederlands
Instituut voor Vliegtuigontwikkeling, gevestigd te 's-Gravenhage, welke
Stichting wordt geregeerd volgens de in afschrift bij deze wet gevoegde
statuten.
Artikel 2
1. Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Financiën en
van Economische Zaken worden gemachtigd voor en namens het Rijk met
het Bestuur der Stichting een overeenkomst aan te gaan volgens het bij
deze wet gevoegde ontwerp, in welke overeenkomst de verhouding tussen
het Rijk en de Stichting wordt geregeld.
2. Onze in het vorige lid genoemde Ministers worden gemachtigd
overeenkomsten tot wijziging van de in dat lid bedoelde overeenkomst met
de Stichting aan te gaan. Wijzigingen van deze overeenkomst zullen
onverwijld door de zorg van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan
de Staten-Generaal worden medegedeeld.
Artikel 3
1. Gerekend met ingang van 4 Juli 1946 komt ten laste van het
Rijk een jaarlijkse bijdrage aan de Stichting, tot een zodanig bedrag
als nodig is om, rekening gehouden met bijdragen van derden, een
sluitende exploitatie te verkrijgen.
2. Uitgaven ten behoeve van de Stichting in oprichting gedaan,
worden beschouwd als bijdrage aan de Stichting.
Artikel 4
Aan de door Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van
Financiën aan te wijzen ambtenaren zal, telkens wanneer zulks wordt
verlangd, inzage in de boekhouding der Stichting worden gegeven en
zullen alle daaromtrent gevraagde inlichtingen worden verstrekt.
Artikel 5
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad, waarin zij is geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 24 Februari 1955
JULIANA
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J. Algera
De Minister van Financiën,
Van de Kieft
De Minister van Oorlog en van Marine,
C. Staf
De Minister van Economische Zaken,
J. Zijlstra
Uitgegeven de negen en twintigste Maart 1955
De Minister van Justitie,
L.A. Donker
Bijlage I van de wet
Ontwerp-overeenkomst inzake de verhouding tussen het Rijk en de
Stichting Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling
De Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Financiën en van
Economische Zaken, hieronder verder aangeduid als "de
Ministers" vertegenwoordigende het Rijk, partij ter ene zijde
en
de Stichting Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling
gevestigd te 's-Gravenhage, hieronder verder aangeduid als "de
Stichting", in deze krachtens Bestuursbesluit van vertegenwoordigd
door het Dagelijks Bestuur, partij ter andere zijde,
zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1
Het Bestuur der Stichting is voor de uitvoering van zijn taak, als
omschreven in de Stichtingsacte, verantwoordelijk tegenover de
Ministers.
Het beheer der Stichting wordt gevoerd overeenkomstig een door het
Bestuur vast te stellen reglement, dat de voorafgaande goedkeuring der
Ministers behoeft.
Artikel 2
1. Het Bestuur der Stichting dient jaarlijks uiterlijk de 1ste Maart
bij de Minister van Verkeer en Waterstaat een ontwerpbegroting van baten
en lasten voor het daarop volgende jaar in en een ontwerp-werkplan voor
dat jaar.
2. Afschrift van deze stukken zendt het Bestuur aan de Ministers van
Financiën en van Economische Zaken.
3. Uit de begroting moet blijken of en tot welk bedrag voor het
desbetreffende jaar een tekort wordt verwacht.
4. Het Bestuur verstrekt de inlichtingen, welke met betrekking tot
deze stukken door of vanwege de Ministers van Verkeer en Waterstaat, van
Financiën en van Economische Zaken worden gevraagd.
5. Na ontvangst van bericht van de Minister van Verkeer en
Waterstaat, op welk bedrag aan subsidie ten hoogste kan worden gerekend,
stelt het Bestuur de begroting van baten en lasten vast, waarbij de
aanwijzingen in acht worden genomen, welke door die Minister met
betrekking tot de begroting en het werkplan worden gegeven.
6. Afschrift van de vastgestelde begroting zendt het Bestuur toe aan
de beide Kamers der Staten-Generaal, aan de Algemene Rekenkamer en aan
de Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Financiën en van
Economische Zaken.
7. Zo nodig wordt een gedeelte van het subsidie aan de Stichting bij
wijze van voorschot uitgekeerd.
Artikel 3
Het Bestuur verstrekt jaarlijks uiterlijk de 1ste Juli aan de
Ministers en aan de Algemene Rekenkamer een ontwerp-balans per 31
December van het afgelopen jaar en een ontwerp-verlies- en
winstrekening, benevens een verslag omtrent de verrichte werkzaamheden
en de bereikte resultaten over dat jaar.
Afschrift van deze stukken zendt het Bestuur aan de Ministers, die in
het Bestuur vertegenwoordigd zijn.
Nadat deze stukken zijn onderzocht, ontvangt het Bestuur van de
Minister van Verkeer en Waterstaat mededeling betreffende de goedkeuring
van deze stukken door de Ministers en omtrent de uiteindelijke
vaststelling van het subsidie over het betreffende jaar.
Goedkeuring van de balans, de verlies- en winstrekening en het
jaarverslag door de Minister van Verkeer en Waterstaat strekt het
Bestuur tot décharge.
Het Bestuur stelt na de goedkeuring, bedoeld in het vorige lid, de
balans en de verlies- en winstrekening vast.
Afschrift van deze stukken zendt het Bestuur aan de beide Kamers der
Staten-Generaal, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Ministers van
Financiën en van Economische Zaken.
Artikel 4
Het Bestuur brengt ten minste eenmaal per kwartaal verslag uit aan de
Minister van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot de verrichte
werkzaamheden, de aangegane verplichtingen, de inkomsten en de uitgaven
van de Stichting.
Artikel 5
Het Bestuur zal zonder de voorafgaande goedkeuring van de Minister
van Verkeer en Waterstaat niet overgaan tot de stichting van gebouwen en
vaste installaties of tot het aangaan van andere belangrijke
verplichtingen, welke niet in het werkplan zijn voorzien.
Artikel 6
Het Bestuur stelt een instructie vast voor alle personen, die bij de
Stichting al of niet in dienstverband, werkzaamheden verrichten. In deze
instructie zullen niet ontbreken bepalingen, welke voor zover nodig,
geheimhouding waarborgen met betrekking tot hetgeen bij de Stichting ter
kennis gekomen is van de bij de Stichting werkzame personen.
Artikel 7
Deze overeenkomst werkt terug tot en met 4 Juli 1946 en is aangegaan
voor onbepaalde tijd.
De Ministers hebben evenwel het recht de overeenkomst te allen tijde
te doen eindigen na overleg met de overige in het Bestuur
vertegenwoordigde Ministers en instellingen; zulks echter onverminderd
de verplichting van het Rijk om de Stichting in staat te stellen de
verbintenissen, die zij met inachtneming van het in deze overeenkomst
bepaalde heeft aangegaan, na te komen.
Het Bestuur kan de overeenkomst doen eindigen met een opzegtermijn
van zes maanden.
De kosten op deze overeenkomst vallende komen ten laste van de
Stichting.
Aldus in tweevoud opgemaakt en getekend te 's-Gravenhage,
de 195