Nadere regelgeving:
- Besluit bodemkwaliteit
- Besluit vrijstelling energiebelasting op elektriciteit bij
convenanten
- Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag
- Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag
WET van 23 december 1994, houdende
vaststelling van de Wet belastingen op milieugrondslag
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
belastingen op grondwater, afvalstoffen en uranium-235 in te stellen en
deze tezamen met de in de Wet milieubeheer opgenomen
verbruiksbelastingen van brandstoffen te vervatten in één wet
belastingen op milieugrondslag;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven:
a. een belasting op leidingwater;
b. een belasting op kolen;
c. een energiebelasting;
d. een verpakkingenbelasting.
Artikel 2
1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
b. [vervallen;]
c. GN-code: een code als bedoeld in verordening (EEG) nr.
2658/87van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1987
met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het
gemeenschappelijk douanetarief (PbEG L 256), zoals deze luidt op 1
januari 2002.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen de GN-codes, genoemd in
artikel 32, onderdeel a, en artikel 47, eerste lid, onderdelen m en n,
worden aangepast indien de overeenkomstige GN-codes zoals opgenomen in
de richtlijn nr. 2003/96/EG van de Raad van de Europese Unie van 27
oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor
de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEU L 283), in
overeenstemming met artikel 2, lid vijf, van die richtlijn zijn
aangepast. In dat geval kan bij regeling van Onze Minister eveneens de
datum in het eerste lid, onderdeel c, worden vervangen door de datum
van de versie van de in dat onderdeel bedoelde verordening die aan de
wijziging van de GN-codes ten grondslag heeft gelegen.
Hoofdstuk II [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 1 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 2 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 3 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 4 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 5 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 6 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk III. Belasting op leidingwater
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 12
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. leidingwater: water dat door een drinkwaterbedrijf of een
afzonderlijke watervoorziening aan derden ter beschikking wordt
gesteld, al dan niet van drinkwaterkwaliteit;
b. drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Drinkwaterwet;
c. afzonderlijke watervoorziening: landgebonden voorziening, niet
zijnde een drinkwaterbedrijf, voor de winning of behandeling van
water, dat met behulp van een leiding of distributienet als
leidingwater ter beschikking wordt gesteld;
d. aansluiting: een aansluiting van een in Nederland gelegen
onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met
e, van de Wet waardering onroerende zaken, op het distributienet van
een drinkwaterbedrijf of van een afzonderlijke watervoorziening,
waaruit leidingwater aan de verbruiker wordt geleverd; een
aansluiting kan bestaan uit een of meer leveringspunten;
e. particuliere installatie voor centrale watervoorziening:
installatie voor de levering van water aan meer dan een onroerende
zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de
Wet waardering onroerende zaken, welke installatie permanent is
aangesloten op het distributienet van een drinkwaterbedrijf of van
een afzonderlijke watervoorziening.
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Artikel 13
Onder de naam belasting op leidingwater wordt een belasting geheven
op leidingwater.
Artikel 14
1.De belasting wordt geheven ter zake van de levering van
leidingwater via een aansluiting aan de verbruiker, met dien verstande
dat de belasting wordt geheven over een hoeveelheid van maximaal 300
kubieke meter per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting.
2.Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden
wordt de in het eerste lid genoemde hoeveelheidsgrens naar
evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.
3.Bij de levering van leidingwater aan een particuliere installatie
voor centrale watervoorziening wordt, in afwijking in zoverre van het
eerste lid, de belasting geheven over de totale hoeveelheid geleverd
water, met dien verstande dat, indien de exploitant van de installatie
aan degene die het leidingwater heeft geleverd een verklaring heeft
overgelegd waarin opgaaf wordt gedaan van het aantal onroerende zaken,
bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet
waardering onroerende zaken dat door de installatie van water wordt
voorzien, ten hoogste wordt geheven over een hoeveelheid van 300
kubieke meter vermenigvuldigd met dat aantal.
4.Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten
behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 15
De belasting wordt geheven van degene die de levering verricht.
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Artikel 16
1.De belasting wordt geheven per eenheid leidingwater, gemeten in
kubieke meter.
2.Ingeval de hoeveelheid geleverd leidingwater niet in kubieke
meter bekend is, wordt de belasting geheven over een hoeveelheid die
wordt berekend door het bedrag dat ter zake van de levering van water
in rekening wordt gebracht, te verminderen met het vastrecht dat door
de leverancier aan huishoudelijke verbruikers in rekening wordt
gebracht indien wel een meter aanwezig is, en de uitkomst te delen
door de prijs per kubieke meter die de leverancier in rekening brengt
aan die verbruikers.
Artikel 17
1.De belasting wordt verschuldigd:
a. in gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of,
indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag
wordt ontvangen:
1°. op het tijdstip waarop een voorschotnota wordt
uitgereikt onderscheidenlijk een voorschotbedrag wordt
ontvangen; alsmede
2°. op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur
over een verbruiksperiode;
b. in gevallen waarin geen voorschotnota wordt uitgereikt en
geen voorschotbedrag wordt ontvangen, op het tijdstip van de
uitreiking van de factuur;
c. in overige gevallen op het tijdstip waarop de levering
plaatsvindt.
2.Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, in
samenhang met artikel 14, eerste lid, wordt de hoeveelheid
leidingwater, waarop de voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is
gebaseerd, aangemerkt als geleverde hoeveelheid.
3.In gevallen waarin per verbruiksperiode van twaalf maanden meer
dan 300 kubieke meter leidingwater via een aansluiting aan een
verbruiker wordt geleverd en ter zake van die levering voorschotnota’s
worden uitgereikt of voorschotbedragen worden ontvangen, wordt bij de
berekening van de op de verbruiksperiode betrekking hebbende
voorschotbedragen naar evenredigheid rekening gehouden met de
belasting die overeenkomstigartikel 14, eerste lid, ter zake van de
hoeveelheid van 300 kubieke meter verschuldigd is.
4.Onder de in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde
eindfactuur wordt verstaan de factuur die wordt opgemaakt na afloop
van een verbruiksperiode en waarin verrekening plaatsvindt met de op
deze verbruiksperiode betrekking hebbende voorschotbedragen.
5.Indien de in het vierde lid bedoelde verrekening leidt tot een
lager bedrag dan over de verbruiksperiode aan belasting is voldaan,
wordt het verschil in mindering gebracht op de aangifte over het
tijdvak waarin de eindfactuur is uitgereikt.
Afdeling 4. Tarief
Artikel 18
Het tarief bedraagt €0,161 per kubieke meter leidingwater.
Afdeling 5. Vrijstellingen
Artikel 19
Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering
van leidingwater door middel van noodvoorzieningen, waaronder worden
verstaan brandkranen, sprinklerinstallaties en dergelijke, indien deze
uitsluitend worden gebruikt in buitengewone omstandigheden.
Afdeling 6. Teruggaaf
Artikel 20
1.Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor zover
de belasting over de hoeveelheden leidingwater die door een verbruiker
in een verbruiksperiode van twaalf maanden van verschillende
leveranciers zijn betrokken, hoger is dan de belasting die zou zijn
verschuldigd indien sprake was van één leverancier.
2.De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend aan de
verbruiker.
3.Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
indiening van het verzoek en de wijze waarop kan worden aangetoond dat
aan de voorwaarden voor teruggaaf wordt voldaan.
4.Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten
behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Artikel 21
1.De in artikel 15 bedoelde belastingplichtige voert een
administratie waaruit duidelijk alle gegevens blijken die voor de
heffing van de belasting van belang kunnen zijn.
2.Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld
omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichting
wordt voldaan.
Hoofdstuk IV [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 1 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 2 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 3 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 4 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 28a [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 5* [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 6* [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 30 [Vervallen per 01-01-2012]
Afdeling 7* [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk V. Kolenbelasting
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 32
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. kolen: producten van de GN-codes 2701, 2702 en 2704;
b. brandstof: stof – met inbegrip van alle daaraan toegevoegde
stoffen – dienende voor de verbranding met het doel de daarbij
ontstane energie te benutten;
c. duaal gebruik: aanwenden van kolen zowel als
verwarmingsbrandstof als voor andere doeleinden dan als motor- of
verwarmingsbrandstof;
d. vervaardigen van kolen: elk handelen waarbij of waardoor kolen
ontstaan;
e. inrichting: iedere plaats waar op grond van de bepalingen van
dit hoofdstuk kolen onder schorsing van belasting mogen worden
vervaardigd, mogen worden verwerkt, voorhanden mogen zijn, mogen
worden ontvangen en mogen worden verzonden;
f. plaats voor tijdelijke opslag: plaats die als zodanig is
goedgekeurd krachtens artikel 51, eerste lid, van het Communautair
douanewetboek;
g. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie;
h. derde land: elke staat of elk grondgebied waarop het Verdrag
tot oprichting van de Europese Gemeenschap niet van toepassing is;
i. communautaire douaneregeling: de communautaire regelingen met
betrekking tot douanevervoer, entrepots, actieve veredeling,
behandeling onder douanetoezicht, tijdelijke invoer, passieve
veredeling en uitvoer naar een derde land (wederuitvoer daaronder
begrepen);
j. schorsing van belasting: stelsel waarin van kolen die worden
vervaardigd, worden verwerkt, voorhanden zijn of worden vervoerd, op
grond van de bepalingen van deze wet de belasting nog niet is
geheven;
k. ondernemer: ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op
de omzetbelasting 1968;
l. uitslag: brengen van kolen buiten een plaats die voor kolen
als inrichting is aangewezen;
m. invoer: vanuit een derde land brengen van kolen in Nederland.
Artikel 33
1.Als uitslag wordt mede aangemerkt het gebruik van kolen als
brandstof binnen een inrichting.
2.Als uitslag wordt mede aangemerkt het voorhanden hebben van kolen
waarvan de belasting niet is geheven, door:
a. een ondernemer in het kader van zijn onderneming, anders dan
in een inrichting;
b. een publiekrechtelijk lichaam, anders dan als ondernemer;
c. een natuurlijk persoon voor andere doeleinden dan voor
persoonlijk gebruik.
3.Het tweede lid is, onder bij op voordracht van Onze Minister vast
te stellen algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, niet
van toepassing met betrekking tot kolen die worden vervoerd naar:
a. een inrichting;
b. een andere lidstaat via Nederland;
c. een derde land.
4.Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot
de verplichtingen waaraan de in het tweede lid bedoelde personen of
lichamen voor de toepassing van dit hoofdstuk moeten voldoen.
5.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 34
1.Als uitslag wordt niet aangemerkt het brengen van kolen vanuit
een inrichting naar:
a. een andere inrichting;
b. een ondernemer dan wel een publiekrechtelijk lichaam, anders
dan als ondernemer, in een andere lidstaat;
c. een derde land.
2.Als uitslag wordt niet aangemerkt het gebruik van kolen voor het
vervaardigen van kolen, aardgas als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
onderdeel m, producten die op grond van artikel 48, tweede lid, als
aardgas worden aangemerkt, of minerale oliën als bedoeld in artikel
25 van de Wet op de accijns.
3.Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld waaronder het
eerste en tweede lid toepassing vinden.
4.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 35
1.Als invoer wordt mede aangemerkt:
a. het in Nederland beëindigen van een communautaire
douaneregeling waaronder kolen zijn geplaatst, anders dan door
plaatsing onder een andere communautaire douaneregeling;
b. het in Nederland onttrekken van kolen aan een communautaire
douaneregeling;
c. het eigen gebruik als brandstof in Nederland van kolen die
onder een communautaire douaneregeling zijn geplaatst of binnen
een plaats voor tijdelijke opslag.
2.Als invoer wordt niet aangemerkt het, met inachtneming van bij op
voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van
bestuur te stellen voorwaarden:
a. brengen van kolen vanuit een derde land naar een inrichting
of naar een plaats voor tijdelijke opslag;
b. in Nederland plaatsen onder een communautaire douaneregeling
van vanuit een derde land binnengebrachte kolen;
c. brengen van kolen die zijn geplaatst onder een communautaire
douaneregeling naar een inrichting;
d. brengen van kolen vanuit een plaats voor tijdelijke opslag
naar een inrichting;
e. onder ambtelijk toezicht vernietigen van kolen die onder een
communautaire douaneregeling zijn geplaatst.
3.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Afdeling 2. Grondslag, belastingplicht en verschuldigdheid
Artikel 36
Onder de naam kolenbelasting wordt een belasting geheven ter zake van
de uitslag en de invoer van kolen.
Artikel 37
1.Ter zake van uitslag wordt de belasting geheven van de
vergunninghouder van de inrichting.
2.In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing
van artikel 33, tweede lid, geheven van degene die de kolen voorhanden
heeft.
Artikel 38
1.Een plaats kan alleen als inrichting worden gebruikt indien
daartoe een vergunning is verstrekt door de inspecteur.
2.Als inrichting kan worden aangemerkt:
a. een plaats waar kolen worden vervaardigd;
b. een plaats waar geen kolen worden vervaardigd maar die dient
voor de opslag van kolen, indien de hoeveelheid kolen die
gemiddeld over een jaar voorhanden is meer bedraagt dan een bij
regeling van Onze Minister vast te stellen hoeveelheid.
Artikel 39
1.Degene die een vergunning voor een inrichting wil verkrijgen,
dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.
2.Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de gegevens die het verzoek dient te bevatten.
3.In afwijking van artikel 38, tweede lid, kan, indien degene die
een vergunning voor een inrichting wil verkrijgen niet beschikt over
een plaats waar kolen worden vervaardigd dan wel opgeslagen, een
verzoek om een vergunning voor een inrichting door de inspecteur
worden toegewezen, indien deze persoon in Nederland is gevestigd en in
de uitoefening van zijn onderneming optreedt als:
a. handelaar in kolen, maar de door hem gekochte kolen niet
zelf in opslag neemt, of
b. tussenpersoon die de kolen niet zelf in opslag neemt.
4.De artikelen 43 tot en met 50 van de Wet op de accijns zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 40
1.Ter zake van uitslag wordt de belasting verschuldigd op het
tijdstip van de uitslag.
2.In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing
van artikel 33, tweede lid, verschuldigd op het tijdstip van de
aanvang van het voorhanden hebben van de kolen.
Artikel 41
Ter zake van de belasting bij invoer zijn de wettelijke bepalingen,
bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene Douanewet,
met uitzondering van artikel 868 van de toepassingsverordening
Communautair douanewetboek, van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Maatstaf van heffing
Artikel 42
De belasting wordt berekend over het gewicht van de kolen, uitgedrukt
in kilogram.
Afdeling 4. Tarief
Artikel 43
Het tarief bedraagt per 1000 kilogram kolen€13,73.
Afdeling 5. Vrijstellingen
Artikel 44
1.Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de
uitslag en de invoer van kolen die worden gebruikt anders dan als
brandstof.
2.Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de
uitslag en de invoer van kolen die worden gebruikt als brandstof voor
het opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch
rendement van minimaal 30 percent. Als installatie met een elektrisch
rendement van minimaal 30 percent wordt aangemerkt een installatie met
een gemiddeld verbruik van maximaal 12 megajoule per opgewekt kWh.
3.Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de
uitslag en de invoer van kolen die duaal worden gebruikt.
4.Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld
waaronder de vrijstellingen, bedoeld in het eerste tot en met derde
lid, worden verleend.
5.Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten
behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Afdeling 6. Teruggaaf
Artikel 45
1.Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met
betrekking tot kolen die worden gebruikt op een in artikel 44, eerste
tot en met derde lid, bedoelde wijze.
2.Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met
betrekking tot kolen die – anders dan vanuit een inrichting – zijn
gebracht naar een andere lidstaat dan wel een derde land.
3.Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot
de indiening van het verzoek en de wijze waarop kan worden aangetoond
dat aan de voorwaarden voor teruggaaf wordt voldaan.
4.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Afdeling 6a. Overige bepalingen
Artikel 45a
De artikelen 2, vijfde, zesde, zevende en tiende lid, en 83 van de
Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Artikel 46
1.De belastingplichtige voert een administratie waaruit, voor zover
dat voor de heffing van belang kan zijn, de gegevens betreffende het
vervaardigen, invoeren, uitslaan en gebruik van kolen duidelijk
blijken.
2.Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing van de
belasting, regels worden gesteld met betrekking tot:
a. het vervoer van kolen;
b. het leveren van kolen;
c. het voorhanden hebben van kolen buiten een inrichting.
3.Het tweede lid is niet van toepassing op kolen die zijn geplaatst
onder een communautaire douaneregeling.
4.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Hoofdstuk VI. Energiebelasting
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 47
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. motorrijtuig: hetgeen ingevolge artikel 27, vijfde lid, van
de Wet op de accijns onder dit begrip wordt verstaan;
b. elektriciteitsbeurs: beurs als bedoeld in artikel 86e van de
Elektriciteitswet 1998;
c. gasbeurs: beurs als bedoeld in artikel 66b van de Gaswet;
d. verbruiksperiode:
1°. in gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt
of, indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een
voorschotbedrag wordt ontvangen: tijdvak waarop de eindfactuur
betrekking heeft;
2°. in overige gevallen: kalenderjaar;
e. eindfactuur: definitieve factuur waarin verrekening
plaatsvindt met de voorschotnota’s of voorschotbedragen die
betrekking hebben op het tijdvak waarop de factuur ziet;
f. aansluiting: een aansluiting van een in Nederland gelegen
onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met
e, van de Wet waardering onroerende zaken op een Nederlands
distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker
wordt geleverd; een aansluiting kan bestaan uit een of meer
leveringspunten;
g. installatie voor warmtekrachtkoppeling: een installatie
waarin aardgas wordt verstookt voor de gecombineerde opwekking van
warmte en kracht met een totaal energetisch rendement van minimaal
60%, gebaseerd op de calorische onderwaarde van het gas. Onder het
totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het
rendement van de elektriciteitsopwekking en tweederde deel van het
rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte,
berekend op de onderste verbrandingswaarde van aardgas;
h. installatie voor blokverwarming: een gemeenschappelijke
voorziening voor de verwarming van meer dan een onroerende zaak
als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet
waardering onroerende zaken;
i. hernieuwbare energiebronnen: wind, zonne-energie,
aardwarmte, golfenergie, getijdenenergie, waterkracht, biomassa,
stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;
j. biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten,
afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van
plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante
bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van
industrieel en huishoudelijk afval;
k. zuivere biomassa: producten, afvalstoffen en residuen van de
landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de
bosbouw en aanverwante bedrijfstakken die geheel biologisch
afbreekbaar zijn, alsmede industrieel en huishoudelijk afval dat
geheel biologisch afbreekbaar is;
l. Nm3: een normaalkubiekemeter;
m. aardgas: producten van de GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00;
n. elektriciteit: elektrische energie van de GN-code 2716;
o. brandstof: stof – met inbegrip van alle daaraan
toegevoegde stoffen – dienende voor verbranding met het doel de
daarbij ontstane energie te benutten;
p. energie-intensief bedrijf: een zakelijke eenheid als bedoeld
in onderdeel t, waar de kosten van de aankoop van energieproducten
en elektriciteit ten minste 3,0% van de productiewaarde uitmaken,
of waar de verschuldigde energiebelasting en accijns op minerale
oliën ten minste 0,5% van de toegevoegde waarde bedraagt;
q. kosten van de aankoop van energieproducten en elektriciteit,
productiewaarde en toegevoegde waarde: hetgeen ingevolge artikel
17, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn nr. 2003/96/EG van de
Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2003 tot herstructurering
van de communautaire regeling voor de belasting van
energieproducten en elektriciteit (PbEU L 283) onder deze
begrippen wordt verstaan;
r. CNG: aardgas dat na compressie geschikt is voor de
aanwending in motorrijtuigen;
s. CNG-vulstation: een rechtstreeks op het distributienet van
aardgas aangesloten inrichting waar uitsluitend aardgas wordt
samengeperst tot CNG, dat wordt afgeleverd aan motorrijtuigen;
t. zakelijk verbruik: verbruik door een zakelijke eenheid die
zelfstandig, op ongeacht welke plaats, leveringen van goederen en
diensten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die
economische activiteiten. Economische activiteiten omvatten alle
werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of verrichter van
diensten, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw
en de uitoefening van vrije of daarmee gelijkgestelde beroepen.
Rijks-,regionale en lokale overheden, alsmede andere
publiekrechtelijke lichamen worden als zakelijke eenheid
aangemerkt voor zover zij werkzaamheden of transacties verrichten
die bij een behandeling als niet-zakelijke eenheid tot
concurrentieverstoring van enige betekenis zouden leiden;
u. niet-zakelijk verbruik: verbruik anders dan het zakelijk
verbruik, bedoeld in onderdeel t.
2. Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Infrastructuur en Milieu worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de inhoud van het begrip zuivere biomassa.
3. Met betrekking tot elektriciteit wordt onder distributienet
verstaan een net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i,
van de Elektriciteitswet 1998, met uitzondering van een net als
bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid, onderdeel
p.
5. Met betrekking tot aardgas wordt onder distributienet verstaan
een gastransportnet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d,
van de Gaswet.
6. Indien in een tijdvak van 18 maanden een of meerdere
voorschotnota’s worden uitgereikt dan wel een of meerdere
voorschotbedragen worden ontvangen en uiterlijk binnen 13 weken na
afloop van dat tijdvak geen eindfactuur wordt uitgereikt, wordt dat
tijdvak van 18 maanden aangemerkt als verbruiksperiode.
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Artikel 48
1. Onder de naam energiebelasting wordt een belasting geheven op
aardgas en elektriciteit.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen wordt als aardgas mede aangemerkt elk product dat direct of
indirect is bestemd voor gebruik, wordt aangeboden voor verkoop of
wordt gebruikt als aardgas.
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 50
1. Met betrekking tot aardgas en elektriciteit wordt de belasting
geheven ter zake van de levering via een aansluiting aan de
verbruiker, alsmede ter zake van de levering van aardgas via een
aansluiting aan een CNG-vulstation.
2. Indien de verbruiker, bedoeld in het eerste lid, via een
aansluiting elektriciteit op het distributienet heeft ingevoed ter
zake waarvan artikel 31c dan wel artikel 95c, derde lid, van de
Elektriciteitswet 1998 wordt toegepast, is het eerste lid van
toepassing op het positieve saldo van de via de aansluiting geleverde
elektriciteit minus de via de aansluiting ingevoede elektriciteit.
3. Indien een levering van aardgas of elektriciteit via een
aansluiting wordt verricht aan een organisatorische eenheid die zich
bezighoudt met het leveren van aardgas of elektriciteit dan wel aan
een verbruiker die op zijn beurt het geleverde product geheel of
gedeeltelijk via een aansluiting levert aan een verbruiker, wordt
eerstgenoemde levering niet aangemerkt als een levering als bedoeld in
het eerste lid.
4. Als een levering als bedoeld in het eerste lid wordt mede
aangemerkt het verbruik van aardgas en elektriciteit, indien:
a. deze producten op andere wijze zijn verkregen dan door een
levering als bedoeld in het eerste lid;
b. deze producten zijn verkregen door tussenkomst van een
gasbeurs of een elektriciteitsbeurs;
c. het verbruik betreft door degene die leveringen via een
aansluiting aan de verbruiker verricht.
5. Het vierde lid is niet van toepassing met betrekking tot de
verbruiker die:
a. elektriciteit heeft opgewekt door middel van hernieuwbare
energiebronnen, met uitzondering van elektriciteit uit biomassa
die niet als zuivere biomassa wordt aangemerkt;
b. elektriciteit heeft opgewekt door middel van een
noodinstallatie in geval van storingen bij de levering via het
distributienet;
c. stortgas, rioolwaterzuiveringsgas of biogas heeft gewonnen;
d. elektriciteit heeft opgewekt door middel van een installatie
voor warmtekrachtkoppeling.
6. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten
behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 51
1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden
en beperkingen wordt als levering niet aangemerkt het verbruik van
aardgas voor de vervaardiging van aardgas en minerale oliën als
bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet op de accijns, in
dezelfde inrichting waarin dat aardgas is ontstaan.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 52 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 53
1. Met betrekking tot aardgas en elektriciteit wordt de belasting
geheven van degene die de levering verricht.
2. In afwijking van het eerste lid wordt bij toepassing van artikel
50, vierde lid, de belasting geheven van degene van wie het verbruik
op grond van artikel 50, vierde lid, is aangemerkt als een levering
als bedoeld in artikel 50, eerste lid.
3. Hetgeen is bepaald in het tweede lid is niet van toepassing
indien het aardgas betreft dat op andere wijze dan via een aansluiting
aan een CNG-vulstation als CNG wordt afgeleverd.
Artikel 54
1. Voor de toepassing van artikel 53, eerste lid, stelt degene die
de levering aan de verbruiker verricht, indien hij niet in Nederland
is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft, een fiscaal
vertegenwoordiger aan. De fiscaal vertegenwoordiger treedt namens hem
op en treedt in zijn plaats met betrekking tot alle rechten en
verplichtingen die hij heeft inzake de belasting.
2. De fiscaal vertegenwoordiger is in het bezit van een daartoe
door de inspecteur verstrekte vergunning.
3. Degene die een vergunning als fiscaal vertegenwoordiger wil
verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.
4. Bij het verzoek, bedoeld in het derde lid, wordt een verklaring
overgelegd van degene die de levering aan de verbruiker verricht
waaruit blijkt dat deze degene die het verzoek indient, machtigt op te
treden als zijn fiscaal vertegenwoordiger.
5. Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot
de gegevens die het verzoek, bedoeld in het derde lid, moet bevatten
alsmede met betrekking tot voorwaarden waaronder de vergunning wordt
verleend, gewijzigd en ingetrokken.
6. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten
behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Artikel 55
De belasting wordt voor aardgas berekend per eenheid brandstof,
uitgedrukt in kubieke meter, en voor elektriciteit per eenheid
energie-inhoud, uitgedrukt in kWh.
Artikel 56
1. De belasting met betrekking tot de levering van aardgas en de
levering van elektriciteit wordt verschuldigd:
a. in gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of,
indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag
wordt ontvangen:
1°. op het tijdstip waarop een voorschotnota wordt
uitgereikt onderscheidenlijk een voorschotbedrag wordt
ontvangen; alsmede
2°. op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur
over een verbruiksperiode, dan wel, bij toepassing van artikel
47, zesde lid, op de laatste dag van het aldaar bedoelde
tijdvak van 18 maanden;
b. in andere gevallen op het tijdstip van de uitreiking van de
factuur.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°,
worden de hoeveelheden aardgas en elektriciteit, waarop de
voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is gebaseerd, aangemerkt als
geleverde hoeveelheden.
3. In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij
toepassing van artikel 50, vierde lid, verschuldigd op het tijdstip
waarop het verbruik plaatsvindt.
4. Indien de verrekening, bedoeld in artikel 47, eerste lid,
onderdeel e, leidt tot een lager bedrag dan over de verbruiksperiode
aan belasting is voldaan, wordt het verschil in mindering gebracht op
de aangifte over het tijdvak waarin de eindfactuur is uitgereikt.
Artikel 57
Indien in een verbruiksperiode ten aanzien van degene van wie op
grond vanartikel 53, tweede lid, de belasting wordt geheven zowel sprake
is van door hem op grond van artikel 53, tweede lid, verschuldigde
belasting als van aan hem in rekening gebrachte belasting ter zake van
aan hem geleverde hoeveelheden aardgas of elektriciteit, wordt in totaal
niet meer belasting geheven dan de belasting die zou zijn verschuldigd
indien de totale hoeveelheid aardgas of elektriciteit was betrokken van
één leverancier, met dien verstande dat de belasting primair wordt
geheven van degene, bedoeld in artikel 53, eerste lid.
Afdeling 4. Tarief
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 59
1. Het tarief bedraagt voor:
a. aardgas, met uitzondering van aardgas als bedoeld in
onderdeel b, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17
megajoule per Nm3 voor dat gedeelte van de geleverde hoeveelheid
per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting dat:
– niet hoger is dan 5000 kubieke meter, per kubieke meter
€0,1667;
– hoger is dan 5000 kubieke meter, maar niet hoger dan
170 000 kubieke meter, per kubieke meter€0,1443;
– hoger is dan 170 000 kubieke meter, maar niet hoger dan
1 000 000 kubieke meter, per kubieke meter€0,0400;
– hoger is dan 1 000 000 kubieke meter, maar niet hoger
dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter€ 0,0127;
– hoger is dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke
meter €0,0119 voor niet-zakelijk verbruik en per kubieke
meter €0,0083 voor zakelijk verbruik;
b. aardgas, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17
megajoule per Nm3, dat wordt geleverd aan een CNG-vulstation €0,0639
per kubieke meter;
c. elektriciteit voor dat gedeelte van de geleverde hoeveelheid
per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting dat:
– niet hoger is dan 10 000 kWh, per kWh €0,1140;
– hoger is dan 10 000 kWh, maar niet hoger dan 50 000
kWh, per kWh€0,0415;
– hoger is dan 50 000 kWh, maar niet hoger dan 10 000 000
kWh, per kWh€0,0111;
– hoger is dan 10 000 000 kWh, per kWh€0,0010 voor
niet-zakelijk verbruik en per kWh €0,0005 voor zakelijk
verbruik.
2. Bij aardgas met een bovenste verbrandingswaarde die lager of
hoger is dan 35,17 megajoule per Nm3, worden de in het eerste lid,
onderdelen a en b, genoemde tarieven naar evenredigheid verlaagd,
onderscheidenlijk verhoogd alsmede de hoeveelheidsgrenzen naar
evenredigheid verhoogd onderscheidenlijk verlaagd.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt het
tarief voor aardgas €0,1667 per kubieke meter voor de totale
hoeveelheid aardgas die wordt geleverd aan een verbruiker die dat
aardgas gebruikt voor een installatie voor blokverwarming niet zijnde
een installatie voor stadsverwarming waarbij grotendeels gebruik wordt
gemaakt van restwarmte.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedragen de
tarieven nihil voor in artikel 48, tweede lid, als aardgas aangemerkte
producten voor zover deze als brandstof worden gebruikt in de
inrichting waarin zij zijn ontstaan.
5. Indien bij een aansluiting sprake is van zowel zakelijk verbruik
als niet-zakelijk verbruik, worden de tarieven, genoemd in het eerste
lid, voor verbruik boven 10 000 000 kubieke meter respectievelijk 10
000 000 kWh toegepast naar evenredigheid van elk type verbruik. Indien
het verbruik nagenoeg geheel bestaat uit zakelijk verbruik of
niet-zakelijk verbruik, wordt het volledige verbruik als zodanig
aangemerkt.
6. Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ten behoeve van de
toepassing van het eerste en derde lid.
7. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld ten behoeve van de toepassing van het eerste lid.
Artikel 60
1. In afwijking van artikel 59, eerste lid, onderdeel a, bedraagt
het tarief voor aardgas voor verwarming ter bevordering van het
groeiproces van tuinbouwproducten als bedoeld in post a 32 van de bij
de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I voor aardgas met
een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule per Nm3, voor dat
gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van twaalf
maanden per aansluiting dat:
– niet hoger is dan 5000 kubieke meter, per kubieke meter €0,01519
– hoger is dan 5000 kubieke meter, maar niet hoger dan 170
000 kubieke meter, per kubieke meter€0,02416;
– hoger is dan 170 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 1
000 000 kubieke meter, per kubieke meter€0,02023;
– hoger is dan 1 000 000 kubieke meter, maar niet hoger dan
10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter€ 0,0127;
– hoger is dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter€0,0083.
2. Indien behalve voor het in het eerste lid vermelde doel mede
aardgas wordt toegepast in één of meerdere woonhuizen, wordt per
verbruiksperiode van twaalf maanden per woonhuis een geleverde
hoeveelheid van 5000 kubieke meter in de heffing betrokken naar het
tarief, bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, tenzij de
geleverde hoeveelheden voor de verschillende toepassingen en de
verschillende woonhuizen afzonderlijk worden gemeten.
3. Bij aardgas met een bovenste verbrandingswaarde die lager of
hoger is dan 35,17 megajoule per Nm3, worden de in het eerste lid
genoemde tarieven naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk
verhoogd alsmede de hoeveelheidsgrenzen naar evenredigheid verhoogd
onderscheidenlijk verlaagd.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 61
Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden
worden de hoeveelheidsgrenzen, genoemd in artikel 59, eerste lid, 60,
eerste en tweede lid, 67, eerste lid, en 68, tweede lid, naar
evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.
Artikel 62
Indien op basis van een contract tussen de belastingplichtige en de
verbruiker de geleverde hoeveelheid aardgas gemeten wordt in Nm3, worden
de tarieven toegepast, zoals die met betrekking tot aardgas in artikel
59, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, en artikel 60, eerste lid,
worden toegepast per kubieke meter.
Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen
Artikel 63
1. Op de ter zake van de levering van elektriciteit, bedoeld in
artikel 50, eerste lid, verschuldigde belasting wordt een vermindering
toegepast. De vermindering bedraagt:
a. € 318,62 per verbruiksperiode van twaalf maanden per
elektriciteitsaansluiting met betrekking tot onroerende zaken die
op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken welke
kunnen dienen als woning of ten behoeve van de uitoefening van een
bedrijf of beroep of anderszins een verblijfsfunctie hebben;
b. € 119,62 per verbruiksperiode van twaalf maanden per
andere elektriciteitsaansluiting dan die bedoeld in onderdeel a en
niet zijnde een elektriciteitsaansluiting met een doorlaatwaarde
tot en met 1x6A op het geschakeld net.
2. Indien het bedrag van de over de verbruiksperiode verschuldigde
belasting lager is dan het bedrag van de vermindering, bedoeld in het
eerste lid, wordt het verschil aan de verbruiker terugbetaald.
3. In de gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of,
indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt
ontvangen, wordt bij de berekening van het voorschotbedrag naar
evenredigheid rekening gehouden met de belastingvermindering, bedoeld
in het eerste lid.
4. Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf
maanden worden de in het eerste lid genoemde bedragen naar
evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.
5. Bij toepassing van artikel 50, vierde lid, zijn het eerste en
vierde lid van overeenkomstige toepassing.
6. Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld
waaronder de belastingvermindering, bedoeld in het eerste lid, wordt
verleend.
7. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten
behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 64
1. Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de
levering van aardgas en elektriciteit die worden gebruikt voor het
opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch
rendement van minimaal 30 percent dan wel in een installatie met
behulp waarvan elektriciteit wordt opgewekt uitsluitend door middel
van hernieuwbare energiebronnen en elektriciteit.
2. Als installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30
percent wordt aangemerkt een installatie met een gemiddeld gebruik van
maximaal 0,38 Nm3 aardgas per opgewekt kWh.
3. Vrijstelling van belasting wordt verleend ter zake van de
levering van elektriciteit die wordt gebruikt voor chemische reductie
en elektrolytische en metallurgische procedés.
Als metallurgische procedés worden aangemerkt:
a. de vervaardiging van metalen in primaire vorm;
b. smeden, persen, stampen en profielwalsen van metaal;
c. oppervlaktebehandeling bestaande uit harden of
warmtebehandeling van metalen.
De vrijstelling voor metallurgische procedés geldt alleen voor
bedrijven die volgens de Standaard Bedrijfsindeling van 21 juli 2008
van het Centraal Bureau voor de Statistiek behoren tot code 24 of 25.
4. Vrijstelling van belasting wordt verleend ter zake van de
levering van aardgas dat wordt gebruikt anders dan als brandstof dan
wel aardgas dat wordt gebruikt als additief of als vulstof in
producten die direct of indirect zijn bestemd voor verbruik, worden
aangeboden voor verkoop of worden verbruikt als aardgas.
5. Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld
waaronder de vrijstellingen, bedoeld in het eerste, derde en vierde
lid, worden verleend.
6. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten
behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 65
1. Bij op voordracht van Onze Minister, mede namens Onze Minister
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu, vast te stellen algemene maatregel van
bestuur wordt voorzien in een regeling op grond waarvan, onder daarbij
te stellen voorwaarden, vrijstelling van de belasting wordt verleend
ter zake van de levering van elektriciteit ten behoeve van zakelijk
verbruik voor zover het zakelijk verbruik, na aftrek van het gedeelte
van het zakelijk verbruik dat reeds is vrijgesteld op grond van
artikel 64, eerste of derde lid, hoger is dan 10 000 000 kWh per
verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting. De vrijstelling
wordt verleend indien de verbruiker in het kader van met Onze Minister
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie of Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu gemaakte afspraken verplichtingen op zich
heeft genomen ter verbetering van de energie-efficiëntie en hij als
energie-intensief bedrijf wordt aangemerkt.
2. Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf
maanden wordt de in het eerste lid genoemde hoeveelheidsgrens naar
evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Afdeling 6. Teruggaven
Artikel 66 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 67
1.Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor aardgas
dat is belast naar het tarief, bedoeld in artikel 59, eerste lid,
onderdeel a, voor het verbruik niet hoger dan 5000 kubieke meter, voor
zover het verbruik van warmte in een onroerende zaak als bedoeld in
artikel 16, onderdeel a tot en met e, van de Wet waardering onroerende
zaken die door een installatie voor blokverwarming wordt verwarmd,
hoger is dan 158 000 megajoule per verbruiksperiode van twaalf
maanden.
2.De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend aan de
gebruiker van de in het eerste lid bedoelde onroerende zaak. De
teruggaaf bedraagt het verschil tussen het bedrag van de belasting dat
volgt uit toepassing van het tarief, bedoeld in artikel 59, eerste
lid, onderdeel a, voor het verbruik niet hoger dan 5000 kubieke meter
en het bedrag van de belasting dat volgt uit toepassing van artikel
59, eerste lid, onderdeel a, als aan de gebruiker een hoeveelheid
aardgas geleverd zou zijn die correspondeert met de verbruikte warmte.
3.Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld
waaronder de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.
4.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 68
1.Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting
verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, voor zover de
belasting over de hoeveelheden aardgas en elektriciteit die door de
verbruiker in een kalenderjaar van verschillende leveranciers zijn
betrokken, hoger is dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien
sprake was van één leverancier.
2.Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting
verleend voor zover met betrekking tot zakelijk verbruik van aardgas
boven de 10 000 000 kubieke meter of elektriciteit boven de 10 000 000
kWh per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting het tarief
voor niet-zakelijk verbruik in rekening is gebracht.
3.Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld
waaronder de teruggaven, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
verleend.
4.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 69
1. Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met
betrekking tot aardgas en elektriciteit, verbruikt in een onroerende
zaak die in hoofdzaak is bestemd voor de openbare eredienst of voor
het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van
levensbeschouwelijke aard.
2. Op verzoek wordt teruggaaf verleend met betrekking tot aardgas
en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die hoofdzakelijk
in gebruik is bij een algemeen nut beogende instelling of bij een
instelling die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5c,
onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, mits:
a. de in de aanhef bedoelde instellingen niet of slechts in
beperkte mate werkzaam zijn op het gebied van sport,
gezondheidszorg of onderwijs;
b. de in de aanhef bedoelde instellingen geen publiekrechtelijk
lichaam zijn;
c. de in de aanhef bedoelde instellingen beschikken over een
eigen aansluiting;
d. de werkzaamheden van de in de aanhef bedoelde een instelling
geheel of nagenoeg geheel worden verricht door natuurlijke
personen om niet of naar een loon dat in belangrijke mate lager is
dan hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is.
3. Op verzoek wordt teruggaaf verleend met betrekking tot aardgas
en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die hoofdzakelijk
in gebruik is bij meer dan één instelling die een algemeen nut
beogende instelling is of die een instelling is die voldoet aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 5c, onderdelen a en b, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, en het tweede lid, onderdeel d, mits:
a. de in de aanhef bedoelde instellingen niet of slechts in
beperkte mate werkzaam zijn op het gebied van sport,
gezondheidszorg of onderwijs;
b. de in de aanhef bedoelde instelling beschikt over notarieel
verleden statuten waaruit de een sociaal belang behartigende
doelstelling blijkt, dan wel, voor zover het gaat om verenigingen
als bedoeld in artikel 26 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
die niet beschikken over notarieel verleden statuten, over door
die verenigingen verstrekte verklaringen waaruit de een sociaal
belang behartigende doelstelling blijkt;
c. de instelling die de desbetreffende onroerende zaak beheert
en exploiteert, beschikt over notarieel verleden statuten waaruit
blijkt dat de instelling zich ten doel stelt de onroerende zaak te
beheren en exploiteren ten nutte van instellingen als bedoeld in
de aanhef;
d. de feitelijke werkzaamheden van de instelling, bedoeld in
onderdeel c, overeenkomen met de doelstelling;
e. de instelling, bedoeld in onderdeel c, niet aan
vennootschapsbelasting is onderworpen dan wel daarvan is
vrijgesteld;
f. de in de aanhef bedoelde instellingen en de instelling,
bedoeld in onderdeel c, geen publiekrechtelijk lichaam zijn, en
g. de instelling, bedoeld in onderdeel c, beschikt over een
eigen aansluiting.
4. Voor de toepassing van dit artikel en de op dit artikel
berustende bepalingen wordt een statuut als bedoeld in artikel 2,
tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gelijkgesteld met
notarieel verleden statuten indien dit statuut schriftelijk is
vastgelegd.
5. De teruggaven, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
verleend aan de gebruiker van de desbetreffende onroerende zaak en
bedragen 50 percent van de aan hem in rekening gebrachte belasting.
6. De teruggaaf, bedoeld in het derde lid, wordt verleend aan de
instelling die de desbetreffende onroerende zaak beheert en
exploiteert en bedraagt 50 percent van de aan haar in rekening
gebrachte belasting.
7. Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld
waaronder de teruggaven, bedoeld in dit artikel, worden verleend.
8. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 70
1.Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting
verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit die worden
gebruikt op een in artikel 64, eerste lid, bedoelde wijze.
2.Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting
verleend met betrekking tot elektriciteit die wordt gebruikt op een in
artikel 64, derde lid, bedoelde wijze.
3.Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting
verleend met betrekking tot aardgas dat wordt gebruikt op een in
artikel 64, vierde lid, bedoelde wijze.
4.Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld
waaronder de teruggaven, bedoeld in het eerste tot en met derde lid,
worden verleend.
5.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Artikel 71
1. De belastingplichtigen, bedoeld in artikel 53, eerste en tweede
lid, voeren een administratie waaruit duidelijk alle gegevens blijken
die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de
wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt
voldaan.
3. Bij regeling van Onze Minister worden voorwaarden gesteld aan de
administratie van een installatie waarin zuivere biomassa zodanig
wordt verwerkt dat daaruit elektriciteit wordt opgewekt of waarin
stortgas, rioolwaterzuiveringsgas of biogas wordt gewonnen.
Hoofdstuk VII [Vervallen per 30-12-2009]
Afdeling 1 [Vervallen per 30-12-2009]
Artikel 72 [Vervallen per 30-12-2009]
Afdeling 2 [Vervallen per 30-12-2009]
Artikel 73 [Vervallen per 30-12-2009]
Artikel 74 [Vervallen per 30-12-2009]
Afdeling 3 [Vervallen per 30-12-2009]
Artikel 75 [Vervallen per 30-12-2009]
Artikel 76 [Vervallen per 30-12-2009]
Afdeling 4 [Vervallen per 30-12-2009]
Artikel 77 [Vervallen per 30-12-2009]
Afdeling 5 [Vervallen per 30-12-2009]
Artikel 78 [Vervallen per 30-12-2009]
Afdeling 6 [Vervallen per 30-12-2009]
Artikel 79 [Vervallen per 30-12-2009]
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 80
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. verpakkingen: alle producten, vervaardigd van materiaal van
welke aard ook, die kunnen worden gebruikt voor het insluiten,
beschermen, verladen, afleveren en aanbieden van andere producten,
van grondstoffen tot afgewerkte producten, over het gehele traject
van producent tot gebruiker of consument, wegwerpartikelen die voor
dit doel worden gebruikt daaronder begrepen, waarbij verpakkingen
uitsluitend omvatten verkoop- of primaire verpakkingen, verzamel- of
secundaire verpakkingen en verzend- of tertiaire verpakkingen en:
1°. waarbij producten als verpakking worden beschouwd indien
zij aan het vorenstaande voldoen, ongeacht andere functies die
de verpakking ook kan vervullen, tenzij het product integraal
deel uitmaakt van een ander product en het nodig is om dat
product tijdens zijn levensduur te bevatten, te ondersteunen of
te bewaren en alle elementen bedoeld zijn om samen gebruikt,
verbruikt of verwijderd te worden;
2°. waarbij producten die ontworpen en bedoeld zijn om op
het verkooppunt te worden gevuld alsmede wegwerpartikelen die in
gevulde toestand worden verkocht of die ontworpen en bedoeld
zijn om op het verkooppunt te worden gevuld, slechts als
verpakking worden beschouwd indien zij een verpakkingsfunctie
hebben;
3°. waarbij de componenten van een verpakking en de
bijbehorende in de verpakking verwerkte elementen worden
beschouwd als deel van de verpakking waarin ze verwerkt zijn en
waarbij de bijbehorende elementen die aan een verpakt product
hangen of bevestigd zijn en die een verpakkingsfunctie hebben,
als verpakking worden beschouwd, tenzij zij integraal deel
uitmaken van dit product en alle elementen bedoeld zijn om samen
verbruikt of verwijderd te worden; en
4°. met uitzondering van bij ministeriële regeling aan te
wijzen logistieke hulpmiddelen en producten die wel voldoen aan
de definitie van verpakking, maar die naar hun aard
hoofdzakelijk een andere functie dan een verpakkingsfunctie
hebben, en mitsdien niet als verpakking worden beschouwd. De
aanwijzing kan zowel individuele producten als groepen van
producten betreffen. Ter zake kunnen eisen worden gesteld aan
afmetingen dan wel inhoud;
b. verkoop- of primaire verpakking: verpakking die zo is
ontworpen dat zij voor de eindgebruiker of consument op het
verkooppunt een verkoopeenheid vormt;
c. verzamel- of secundaire verpakking: verpakking die zo is
ontworpen dat zij op het verkooppunt een verzameling van een aantal
verkoopeenheden vormt, ongeacht of deze als dusdanig aan de
eindgebruiker of consument wordt verkocht, dan wel alleen dient om
de rekken op het verkooppunt bij te vullen en die van het product
kan worden verwijderd zonder dat dit de kenmerken ervan beïnvloedt;
d. verzend- of tertiaire verpakking: verpakking die zo is
ontworpen dat het verladen en het vervoer van verkoopeenheden of
verzamelverpakkingen wordt vergemakkelijkt om fysieke schade door
verlading of transport te voorkomen, weg-, spoor-, scheeps- of
vliegcontainers niet daaronder begrepen;
e. producent: de ondernemer die in de uitoefening van zijn
bedrijf of beroep:
1°. producten in een verpakking aan een ander ter
beschikking stelt; of
2°. producten tezamen met verpakkingen aan een ander ter
beschikking stelt;
f. importeur: de ondernemer voor wie bestemd zijn de verpakte
producten:
1°. die worden ingevoerd in de zin van artikel 18 van de Wet
op de omzetbelasting 1968;
2°. die vanuit een andere lidstaat van de Europese Unie in
Nederland worden gebracht,
en die over deze verpakte producten in het kader van de
uitoefening van zijn bedrijf of beroep de beschikking verkrijgt;
g. concern: de fiscale eenheid, bedoeld in artikel 7, vierde lid,
van de Wet op de omzetbelasting 1968;
h. ondernemer: ondernemer in de zin van artikel 7, eerste en
tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 die in Nederland is
gevestigd dan wel aldaar een vaste inrichting heeft;
i. biokunststof: kunststof die is gecertificeerd volgens de
Europese norm EN 13 432 voor terugwinbaarheid door compostering en
biodegradatie;
j. logistieke hulpmiddelen: verpakkingen waarvan de
transportfunctie de voornaamste functie is en die overigens veelal
een zelfstandige functie hebben;
k. loonverpakker: de ondernemer die in opdracht van een ander
bedrijf producten herpakt, verpakt of ontpakt, die hij niet zelf
heeft vervaardigd en waarvan hij niet de eigendom verkrijgt;
l. drank: vloeistof bestemd voor menselijke consumptie en primair
bedoeld om te worden gedronken;
m. buitenlandse ondernemer: ondernemer in de zin van artikel 7,
eerste en tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 die niet
in Nederland is gevestigd en aldaar ook niet een vaste inrichting
heeft.
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Artikel 81
Onder de naam verpakkingenbelasting wordt een belasting geheven op
verpakkingen.
Artikel 82
1. De belasting wordt geheven ter zake van:
a. de verpakking van ter beschikking gestelde producten, voor
zover die verpakte producten voor het eerst door een producent in
Nederland ter beschikking worden gesteld aan een ander;
b. de verpakking van producten, ingeval de importeur van de
verpakte producten zich van die verpakking ontdoet of laat
ontdoen;
c. de verpakking die tezamen met een product dan wel producten
ter beschikking wordt gesteld, voor zover deze voor het eerst door
een producent in Nederland ter beschikking worden gesteld aan een
ander.
2. Het eerste lid, onderdelen a en c, is niet van toepassing indien
het verpakte product onderscheidenlijk de verpakkingen:
a. zich nog niet in het vrije verkeer van de Europese
Gemeenschap bevinden; of
b. bij de terbeschikkingstelling buiten Nederland worden
gebracht.
Artikel 83
1.De belasting wordt geheven:
a. indienartikel 82, eerste lid, onderdeel a of c, toepassing
vindt: van de producent;
b. indien artikel 82, eerste lid, onderdeel b, toepassing
vindt: van de importeur; of
c. indien zowel onderdeel a als onderdeel b toepassing vindt:
van de producent/importeur.
2.Ingeval een in het eerste lid, onderdeel a, b of c, bedoelde
producent, importeur onderscheidenlijk producent/importeur, deel
uitmaakt van een concern, wordt de belasting, in afwijking van het
eerste lid, geheven van het concern.
3.Ingeval een producent als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
een loonverpakker is, wordt de belasting geheven van degene in wiens
opdracht hij de producten herpakt, verpakt of ontpakt, tenzij de
opdrachtgever in het buitenland is gevestigd. In dat laatste geval
wordt de belasting geheven van de afnemer van de opdrachtgever die wel
in Nederland is gevestigd.
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Artikel 84
1.De belasting wordt berekend over het gewicht van de in de
verpakking verwerkte materiaalsoorten, gemeten in kilogrammen.
2.De componenten van een verpakking en de bijbehorende in de
verpakking verwerkte elementen, bedoeld in artikel 80, onderdeel a,
onder 3°, hoeven niet afzonderlijk in de heffing te worden betrokken,
maar mogen worden meegewogen met de materiaalsoort van de verpakking
waarin ze zijn verwerkt.
Artikel 84a
1. De producent kan voor de verpakkingen van de verpakte producten
die hij voor het eerst in Nederland ter beschikking stelt aan een
ander en die hij niet zelf heeft toegevoegd, de inspecteur verzoeken
een aan de omzet, de inkoopkosten of andere bedrijfsgegevens
gerelateerd verhoudingsgetal in kilogrammen verpakking per
materiaalsoort (forfait) vast te stellen. Het forfait benadert de
werkelijkheid. Indien een uitsplitsing naar materiaalsoorten niet
anders dan met buitengewoon bezwaar mogelijk is, wordt het forfait
voor het totaal aantal kilogrammen verpakking vastgesteld. Het forfait
kan alleen worden vastgesteld voor in de toekomst liggende
kalenderjaren.
2. De beschikking waarin het forfait wordt vastgesteld, werkt voor
een in de beschikking aan te geven periode van maximaal vijf
aaneengesloten kalenderjaren.
3. Voor de producent, bedoeld in het eerste lid, die voor de eerste
keer een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indient, kan het
forfait ook worden vastgesteld over het kalenderjaar waarin hij de
aanvraag doet.
4. De producent, bedoeld in het eerste lid, aan wie een beschikking
is gegeven waarbij het forfait, bedoeld in het eerste lid, is
vastgesteld, dient, zo hij de vaststelling van het forfait via de weg
van de voor bezwaar vatbare beschikking wil continueren, een nieuw
verzoek in te dienen, uiterlijk 31 maart van het laatste kalenderjaar
waarvoor de eerdere beschikking van toepassing is. Ingeval de
producent een nieuw verzoek als bedoeld in de eerste volzin op een
later tijdstip doet dan is aangegeven in de eerste volzin, kan het
forfait slechts betrekking hebben op de kalenderjaren die liggen na
het kalenderjaar waarin de dagtekening ligt van de beschikking waarin
het forfait wordt vastgesteld.
5. Indien de omstandigheden die uitgangspunt waren bij de
vaststelling van het forfait zijn gewijzigd, waardoor het forfait niet
meer de werkelijkheid benadert, meldt de producent, bedoeld in het
eerste lid, dit aan de inspecteur. De inspecteur wijzigt de
beschikking, bedoeld in het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare
beschikking. De wijziging kan alleen worden toegepast voor in de
toekomst liggende kalenderjaren. Het tweede lid is van overeenkomstige
toepassing.
6. Indien de omstandigheden die uitgangspunt waren bij de
vaststelling van het forfait zijn gewijzigd, waardoor het forfait niet
meer de werkelijkheid benadert, en de producent de melding, bedoeld in
het vijfde lid, niet doet, kan de inspecteur de beschikking, bedoeld
in het eerste lid, ambtshalve wijzigen met terugwerkende kracht tot en
met het eerste kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de
omstandigheden zijn gewijzigd. De inspecteur wijzigt de eerdere
beschikking bij voor bezwaar vatbare beschikking. Het tweede lid is
van overeenkomstige toepassing.
7. De inspecteur kan de beschikking, bedoeld in het eerste lid,
voorts ambtshalve wijzigen met terugwerkende kracht tot en met het
eerste kalenderjaar waarvoor het forfait is vastgesteld indien de
producent onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt bij het
vaststellen van het forfait. De inspecteur wijzigt de eerdere
beschikking bij voor bezwaar vatbare beschikking. Het tweede lid is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 85
De belasting wordt verschuldigd:
a. indien artikel 82, eerste lid, onderdeel a, toepassing vindt:
op het tijdstip waarop het verpakte product ter beschikking wordt
gesteld;
b. indienartikel 82, eerste lid, onderdeel b, toepassing vindt:
op het tijdstip waarop de importeur zich van de verpakking ontdoet
of laat ontdoen;
c. indien artikel 82, eerste lid, onderdeel c, toepassing vindt:
op het tijdstip waarop de verpakking ter beschikking wordt gesteld.
Afdeling 4. Tarief
Artikel 86
1. Het tarief per kilogram bedraagt voor
in een verpakking verwerkte materiaalsoorten van:
|
a. aluminium en legeringen van
aluminium: |
€0,9726 |
|
b. kunststof: |
€0,4813 |
|
c. overige metalen: |
€0,1622 |
|
d. biokunststof: |
€0,0814 |
|
e. papier en karton: |
€0,0814 |
|
f. glas: |
€0,0734 |
|
g. hout: |
€0,0215 |
|
h. een andere materiaalsoort: |
€0,1796 |
2. Indien een verpakking een fles
voor drank betreft waarvoor op grond van een publiekrechtelijk
voorschrift een op de consument gerichte statiegeldregeling
geldt, bedraagt, in afwijking in zoverre van het eerste lid,
voor een dergelijke verpakking het tarief per kilogram, een bij
ministeriële regeling vastgesteld percentage van het tarief,
genoemd in het eerste lid.
3. Indien een uitsplitsing naar materiaalsoorten niet anders dan met
buitengewoon bezwaar mogelijk is, bedraagt het tarief per kilogram
verpakking: €0,52 (algemeen tarief).
4. Indien het algemeen tarief van toepassing is, en de
belastingplichtige, de materiaalsoorten op volgorde van tariefhoogte,
bedoeld in het eerste lid, in aanmerking nemend, aannemelijk maakt dat
de materiaalsoort«aluminium en legeringen van aluminium» en eventuele
volgende materiaalsoorten niet in de verpakkingen zijn verwerkt, geldt
het tarief, genoemd in het eerste lid, dat hoort bij de eerstvolgende
materiaalsoort dat wel in de verpakkingen is verwerkt.
5. De belastingplichtige die in aanmerking wil komen voor toepassing
van het algemeen tarief, al dan niet verlaagd op grond van het vierde
lid, dient hiertoe een verzoek in bij de inspecteur.
Afdeling 5. Belastingvermindering
Artikel 87
1. Op het bedrag van de belasting die in een tijdvak verschuldigd
is geworden door een belastingplichtige als bedoeld in artikel 83,
eerste lid, onderdeel a, b of c, dan wel tweede lid, wordt een
vermindering toegepast tot ten hoogste het bedrag van die
verschuldigde belasting.
2. In geval de verschuldigde belasting betrekking heeft op één
materiaalsoort als bedoeld in artikel 86, is het bedrag van de
vermindering: 50 000 vermenigvuldigd met het voor die materiaalsoort
geldende tarief, bedoeld in artikel 86, eerste, tweede, derde of
vierde lid.
3. In geval de verschuldigde belasting betrekking heeft op twee of
meer van de materiaalsoorten, bedoeld in artikel 86, is het bedrag van
de vermindering de optelsom van de verminderingen per materiaalsoort,
waarbij de vermindering per materiaalsoort bedraagt: 50 000
vermenigvuldigd met het gewichtsaandeel van die materiaalsoort in het
totaalgewicht van al die materiaalsoorten samen, vermenigvuldigd met
het voor de betreffende materiaalsoort geldende tarief, bedoeld in
artikel 86, eerste, tweede, derde of vierde lid.
4. Voor de toepassing van dit artikel:
a. worden de materiaalsoorten waarvoor in artikel 86, eerste en
tweede lid, een tarief is bepaald als afzonderlijke
materiaalsoorten aangemerkt;
b. worden, indien artikel 86, derde of vierde lid, is
toegepast, de ongesplitste materiaalsoorten als één
materiaalsoort aangemerkt.
Afdeling 5a. Exportvermindering
Artikel 87a
1. Een belastingplichtige als bedoeld in artikel 83 mag op het
bedrag van de belasting die in een tijdvak verschuldigd is geworden na
toepassing vanartikel 87 een bedrag in mindering brengen voor de
verpakking van de producten die hij als zodanig verpakt ter
beschikking gesteld heeft gekregen van een producent en voor zover hij
die op zijn beurt in dat tijdvak ter beschikking stelt en bij deze
terbeschikkingstelling de producten voor het eerst buiten Nederland
worden gebracht (exportvermindering). De exportvermindering geldt niet
voor de verpakking waarvan de belastingplichtige weet of
redelijkerwijs kan weten dat er geen verpakkingenbelasting over is
betaald.
2. De hoogte van het bedrag van de exportvermindering wordt
berekend door het gewicht van de in de verpakking, bedoeld in het
eerste lid, verwerkte materiaalsoorten, gemeten in kilogrammen, te
vermenigvuldigen met de tarieven per materiaalsoort, genoemd in
artikel 86, eerste of tweede lid.
3. Op het bedrag van de exportvermindering wordt een vermindering
toegepast tot ten hoogste het bedrag van de exportvermindering.
4. Ingeval de exportvermindering betrekking heeft op één
materiaalsoort als bedoeld in artikel 86, is het bedrag van de
vermindering, bedoeld in het derde lid: 50 000 vermenigvuldigd met het
voor die materiaalsoort geldende tarief, bedoeld in artikel 86, eerste
of tweede lid.
5. Ingeval de exportvermindering betrekking heeft op twee of meer
van de materiaalsoorten, bedoeld in artikel 86, is het bedrag van de
vermindering, bedoeld in het derde lid, de optelsom van de
verminderingen per materiaalsoort, waarbij de vermindering per
materiaalsoort bedraagt: 50 000 vermenigvuldigd met het
gewichtsaandeel van die materiaalsoort in het totaalgewicht van al die
materiaalsoorten samen, vermenigvuldigd met het voor de betreffende
materiaalsoort geldende tarief, bedoeld in artikel 86, eerste of
tweede lid.
6. Voor de toepassing van dit artikel worden de materiaalsoorten
waarvoor inartikel 86, eerste en tweede lid, een tarief is bepaald als
afzonderlijke materiaalsoorten aangemerkt.
Artikel 87b
1. Ingeval na toepassing van artikel 87a een negatief bedrag
resteert, wordt dit bedrag op verzoek van de belastingplichtige
uitbetaald.
2. Het verzoek om uitbetaling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt
bij de aangifte over het betreffende tijdvak. In gevallen waarin geen
aangifte moet worden ingediend, geschiedt het verzoek door het doen
van aangifte.
Artikel 87c
1. Voor de ondernemer die geen belastingplichtige is in de zin van
artikel 83, maar die wel verpakte producten die hij verpakt ter
beschikking gesteld heeft gekregen van een producent die hij op zijn
beurt in een tijdvak ter beschikking stelt en bij deze
terbeschikkingstelling buiten Nederland brengt, zijn de artikelen 87a
en 87b van overeenkomstige toepassing.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor de
buitenlandse ondernemer.
Artikel 87d
1. De ondernemer, bedoeld in artikel 87c, is gehouden een
administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en
andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen
tijde zijn rechten ter zake van de verpakkingenbelasting hieruit
duidelijk blijken.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
buitenlandse ondernemer.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de wijze waarop de ondernemer en de buitenlandse
ondernemer, bedoeld in artikel 87c, een administratie moeten voeren
voor de toepassing van de verpakkingenbelasting.
Afdeling 6. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Artikel 88
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de wijze waarop de belastingplichtige een administratie moet
voeren voor de toepassing van de verpakkingenbelasting.
Afdeling 7. Bijzondere regelingen
Artikel 88a
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de heffing van de verpakkingenbelasting.
Hierbij kunnen regels worden gesteld inzake het verleggen van de
belastingplicht, het al dan niet van toepassing zijn van de vermindering
bij indirecte export, bedoeld in afdeling 5a, en het bij de
belastingplicht direct verdisconteren van deze exportvermindering,
resulterende in een lager aantal aan te geven kilogrammen verpakking.
Artikel 88b
1. In afwijking van de artikelen 82, 83, 87 en 87a kunnen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de heffing van de belasting van een
vertegenwoordiger van een groep belastingplichtigen.
2. Bij toepassing van het voorgaande lid kan worden afgeweken van
artikel 82, tweede lid, onderdeel b.
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Wijze van heffing
Artikel 89
1. De in een tijdvak verschuldigd geworden belasting moet op
aangifte worden voldaan.
2. Bij toepassing van artikel 40, tweede lid, dient in afwijking in
zoverre van artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, de belasting uiterlijk op de dag na het in artikel
40, tweede lid, bedoelde tijdstip op aangifte te worden voldaan.
3. In afwijking van het tweede lid kan de inspecteur, bij
toepassing vanartikel 33, tweede lid, op verzoek toestemming verlenen
om de verschuldigd geworden belasting in een door hem te bepalen
tijdvak uiterlijk binnen één maand na het einde van dat tijdvak op
aangifte te voldoen. Het door de inspecteur te bepalen tijdvak
bedraagt maximaal één kwartaal.
4. Bij toepassing van hoofdstuk VIII dient in afwijking in zoverre
van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, de belasting binnen één kwartaal na het einde van
het tijdvak op aangifte te worden voldaan.
5. In afwijking van het vierde lid dient bij toepassing van artikel
84a de belasting op aangifte te worden voldaan binnen één kwartaal
volgend op het kwartaal waarbinnen de dagtekening ligt van de
beschikking waarbij het forfait wordt vastgesteld, tenzij deze
beschikking is gegeven in een kalenderjaar voorafgaande aan of in een
kalenderjaar waarop het forfait mede betrekking heeft. In dat laatste
geval geldt het vierde lid.
6. Bij toepassing van artikel 84a zijn de artikelen 20, 67c en 67f
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van overeenkomstige
toepassing, indien de belastingplichtige niet heeft voldaan aan de
meldingsplicht, bedoeld in artikel 84a, vijfde lid, of onjuiste of
onvolledige informatie heeft verstrekt bij de vaststelling van het
forfait.
7. Indien de berekening van de verschuldigde belasting leidt tot
een negatief bedrag verleent de inspecteur op verzoek van de
belastingplichtige teruggaaf van dit bedrag.
Afdeling 2. Aanvullende regelingen
Artikel 90
De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van
overeenkomstige toepassing op de in deartikelen 18, 43, 59, eerste en
derde lid, 60, eerste lid, en 86, vermelde bedragen.
Artikel 91
1. De inspecteur beslist op het verzoek, bedoeld in de artikelen
20, eerste lid, 45, eerste en tweede lid, 54, derde lid, 67, eerste
lid, 68, eerste en tweede lid, 69, eerste tot en met derde lid, 70,
eerste tot en met derde lid, 84a, eerste en vierde lid, 86, vijfde
lid, 87b, eerste lid, 89, derde en zevende lid, en 92, eerste lid, bij
een voor bezwaar vatbare beschikking.
2. Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek geeft de
inspecteur een beschikking op dat verzoek, dan wel zendt hij de in het
derde lid bedoelde kennisgeving. In afwijking van de eerste volzin
bedraagt de beslistermijn voor het verzoek, bedoeld in artikel 84a,
eerste en vierde lid, een jaar na ontvangst van het verzoek. In geval
tevens een verzoek als bedoeld in artikel 86, vijfde lid, wordt
gedaan, wordt de beslissing op dit laatste verzoek, in afwijking van
de eerste volzin, tegelijk genomen met de beslissing op het verzoek,
bedoeld in de tweede volzin.
3. Indien de inspecteur de beschikking niet binnen de in het tweede
lid genoemde termijn kan geven, stelt hij de belanghebbende daarvan
onder opgaaf van redenen in kennis en noemt hij de termijn waarop de
beschikking wel zal worden gegeven.
4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing op:
a. verzoeken aan de inspecteur tot aanwijzing van een
teruggaaftijdvak op grond van bepalingen krachtens artikel 45,
derde lid;
b. verzoeken aan de inspecteur tot aanwijzing van een
teruggaaftijdvak op grond van bepalingen krachtens artikel 70,
vierde lid.
Artikel 92
1. Op verzoek wordt teruggaaf verleend van belasting op
leidingwater en energiebelasting, voor zover de door de
belastingplichtige ter zake te ontvangen bedragen niet zijn en niet
zullen worden ontvangen.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ten
behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 93
1.Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene
maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing
van de wet regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet
geregelde onderwerpen.
2.Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ten
behoeve van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur.
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Artikel 94
De inwerkingtreding van deze wet wordt bij wet geregeld.
Artikel 95
Deze wet wordt aangehaald als: Wet belastingen op milieugrondslag.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 december 1994
BEATRIX
De Minister van Financiën,
G. Zalm
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
M. de Boer
De Staatssecretaris van Financiën,
W.A.F.G. Vermeend
Uitgegeven de negenentwintigste december 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|