WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de
rechtszekerheid wenselijk is regelen te stellen omtrent de
rechtsgevolgen van maatregelen, genomen in het tussen 14 mei 1940 en 5
mei 1945 bezet gehouden Nederlands gebied met betrekking tot de
rechtstoestand van militairen der Koninklijke Landmacht;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Groot verlof, nonactiviteit, alsmede ontslag uit de militaire dienst
anders dan in verband met opheffing van de betrekking, in het tussen 14
mei 1940 en 5 mei 1945 bezet gehouden Nederlandse gebied verleend aan
een militair van de Koninklijke Landmacht, worden aangemerkt als te zijn
verleend door het bevoegde Nederlandse gezag.
Artikel 2
De besluiten, genomen ter uitvoering van het bevel van de bezetter
tot "Demobil-machen" van de Nederlandse strijdmacht en gericht
op het in verband met opheffing van hun betrekking verlenen van ontslag
uit de militaire dienst aan beroepsmilitairen der Koninklijke Landmacht
beneden de rang van tweede luitenant, hebben geleid tot nonactiviteit.
Artikel 3
1. Aan de militair, ten aanzien van wie een besluit is genomen
als bedoeld in artikel 2 en die na 4 mei 1945 geen militaire dienst
heeft verricht of die na 4 mei 1945 wel militaire dienst heeft
verricht, doch wiens dienstvervulling nadien is beëindigd zonder dat
hij als beroepsmilitair is ontslagen, wordt alsnog op een door hem
binnen twee maanden na de inwerkingtreding van deze wet bij Onze
Minister van Oorlog in te dienen verzoekschrift eervol ontslag
verleend.
2. Het in het eerste lid bedoelde ontslag wordt aan de in dat lid
bedoelde militair verleend:
a. met ingang van de datum, waarop hij de leeftijd van 60 jaren
heeft bereikt, indien deze datum valt vóór 1 januari 1947;
b. met ingang van de datum, waarop hij, hoewel de leeftijd van 60
jaren nog niet volbracht hebbende - mits geen hoofdopzichter of
opzichter van fortificatiën zijnde -, een werkelijke dienst van 40
jaren in de zin der Pensioenwet voor de landmacht 1922 heeft kunnen
doen gelden, indien deze datum valt vóór 1 januari 1947;
c. in andere gevallen dan die, bedoeld onder a en b,
met ingang van 1 januari 1947.
3. Onze Minister van Oorlog is bevoegd aan de in het eerste lid
bedoelde militair op zijn verzoek eervol ontslag te verlenen met ingang
van een datum, vallende vóór die, welke in het tweede lid te zijnen
aanzien is aangegeven.
4. De in het eerste lid bedoelde militair, die nalaat een verzoek
als in dat lid bedoeld in te dienen, wordt geacht door Onze Minister van
Oorlog eervol te zijn ontslagen met ingang van de in het tweede lid te
zijnen aanzien aangegeven datum, zulks behoudens in geval van eerder
overlijden.
5. Ontslag ingevolge dit artikel anders dan met ingang van een
datum als bedoeld in het tweede lid onder a of b wordt
geacht te zijn verleend wegens opheffing van de betrekking.
Artikel 4
Vorderingen van geldelijke aard of aanspraken op bevordering met
ingang van een datum, vallende vóór 1 januari 1947, doet deze wet niet
ontstaan.
Artikel 5
De aan een militair als gevolg van een in artikel 2 bedoeld besluit
ten laste van het Rijk toegekende uitkeringen worden voor de duur van de
in dat artikel bedoelde nonactiviteit aangemerkt als diens
nonactiviteitsbezoldiging.
Artikel 6
Na het ontslag ingevolge artikel 3 anders dan met ingang van een
datum als bedoeld in het tweede lid onder a of b heeft de
gewezen militair aanspraak op wachtgeld ten laste van het Rijk
uitsluitend voor zoveel en voor zover hij op de datum van ingang van dat
ontslag nog aanspraak kon doen gelden op de uitkering, welke hem als
gevolg van een in artikel 2 bedoeld besluit bij wijze van wachtgeld ten
laste van het Rijk is toegekend.
Artikel 7
De pensioenen, welke zijn verleend met inachtneming van dan wel zijn
herzien krachtens de wet van 8 april 1948, Staatsblad I 141,
worden aangemerkt als te zijn verleend overeenkomstig de Pensioenwet
voor de landmacht 1922 dan wel de Militaire Weduwenwet 1922 en wel met
ingang van dezelfde datum als met ingang waarvan zij destijds werden
verleend dan wel werden herzien.
Artikel 8
1. De artikelen 2 tot en met 7 van deze wet zijn niet van
toepassing op hem, die krachtens het Zuiveringsbesluit 1945 uit de
militaire dienst is ontslagen dan wel naar het oordeel van onze
Minister van Oorlog na 4 mei 1945 op grond van zijn gedragingen
tijdens de bezetting van Nederlands gebied niet voor dienstvervulling
bij de Koninklijke Landmacht in aanmerking had kunnen komen.
2. Bij het vormen van een oordeel als bedoeld in het eerste lid
doet Onze Minister van Oorlog zich voorlichten door een door hem in te
stellen commissie van advies.
Artikel 9
De wet van 8 april 1948, Staatsblad I 141, wordt ingetrokken.
Artikel 10
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 8 maart 1956
JULIANA
De Minister van Oorlog,
C. Staf
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Beel
De Minister van Financiën,
Van de Kieft
Uitgegeven de zesde april 1956
De Minister van Justitie,
J.C. van Oven