| |
|
|
|
|
vorige
WET
BEPERKING VAN HET WETTELIJK MINIMUMLOON,
KINDERBIJSLAGEN, EEN AANTAL
SOCIALEZEKERHEIDSUITKERINGEN EN ENIGE ANDERE
UITKERINGEN EN PENSIOENEN
Tekst zoals deze geldt op 20 januari
2006
Vervallen
m.i.v. 10 mei 2006
|
|
WET van 22 december 1983, houdende beperking van het wettelijk
minimumloon, kinderbijslagen, een aantal sociale zekerheidsuitkeringen
en enige andere uitkeringen en pensioenen per 1 januari en 1 juli 1984
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, in
verband met de uit de sociaal-economische situatie voortvloeiende
noodzaak tot beperking van de uitgaven in de collectieve sector, om het
wettelijk minimumloon, de uitkeringen krachtens een aantal sociale
zekerheidswetten en regelingen en een aantal uitkeringen en pensioenen
krachtens enige andere wetten per 1 januari 1984 te verlagen en de
herziening daarvan per 1 juli 1984 achterwege te laten, alsmede om de
basiskinderbijslagbedragen per 1 januari 1984 en 1 juli 1984 te
handhaven op het niveau van 1 juli 1983;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Het wettelijk minimumloon
Artikel 1
In afwijking van het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), alsmede
van het daaromtrent in de wet van 29 juni 1983, Stb. 299,
bepaalde:
a. worden de bedragen van het minimumloon per 1 januari 1984
verlaagd met 3%;
b. worden die bedragen per 1 juli 1984 niet herzien;
c. wordt bij de herziening per 1 januari 1985 uitgegaan van het
procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober
1984 en 30 april 1984.
Hoofdstuk II. Kinderbijslag
Artikel 2
1. Per 1 januari 1984 en per 1 juli 1984 blijft de toepassing
van artikel 13, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (Stb.
1980, 1) achterwege.
2. Voor de eerstvolgende toepassing van artikel 13, tweede lid,
van de Algemene Kinderbijslagwet met ingang van een na 1 juli 1984
gelegen datum, wordt, in afwijking van artikel II, tweede lid, van de
wet van 29 december 1982, Stb. 745 en van artikel II, tweede lid,
van de wet van 29 juni 1983, Stb. 302, onder "het
prijsindexcijfer, waarop de laatste herziening is gebaseerd"
verstaan: het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand
april 1984.
Artikel 3
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 4
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Hoofdstuk III. Sociale zekerheidsuitkeringen
§ 1. Uitkeringen krachtens enige sociale zekerheidswetten
Artikel 5
In afwijking van het bepaalde in
1°. artikel 15, eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1977, 492);
2°. artikel 5a, eerste lid, van de Wet
Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485);
3°. artikel 9a, eerste lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (Stb. 1966, 64);
alsmede van het daaromtrent in de wet van 29 juni 1983, Stb.
299, bepaalde:
a. worden de daarbedoelde daglonen onderscheidenlijk het
daarbedoelde bedrag per 1 januari 1984 en 1 juli 1984 niet herzien;
b. wordt bij de herziening per 1 januari 1985 uitgegaan van het
procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober
1984 en 30 april 1984.
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-1985]
§ 2. Uitkeringen krachtens enkele sociale zekerheidsregelingen
Artikel 7
In afwijking van het bepaalde in
1°. artikel 4, derde lid, van de Rijksgroepsregeling
Gerepatrieerden (Stb. 1969, 483);
2°. artikel 4, derde lid, van de Rijksgroepsregeling Ambonezen (Stb.
1969, 483).
a. worden de daar bedoelde inkomens en bedragen per 1 januari
1984 en 1 juli 1984 niet herzien;
b. wordt bij de herziening per 1 januari 1985 uitgegaan van het
procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31
oktober 1984 en 30 april 1984, alsmede, voor wat betreft de
bedragen, genoemd in artikel 4, tweede lid, onder b, van de
Rijksgroepsregeling Gerepatrieerden en in artikel 4, tweede lid,
onder b, van de Rijksgroepsregeling Ambonezen, van het
overeenkomstige verschil bij het prijsindexcijfer van de
gezinsconsumptie.
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-1985]
Hoofdstuk IV. Wetten voor oorlogsgetroffenen
Artikel 9
1. Per 1 januari 1984 en per
1 juli 1984 blijft de toepassing van:
a. artikel 18, eerste lid, van de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1977, 494);
b. artikel 31a, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen
1940-1945 (Stb. 1977, 493) en
c. artikel 28a, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen
zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. 1977, 495) achterwege.
2. De bedragen genoemd in de artikelen 8, zevende lid, onder a
, 10, eerste lid, onder d en e , en 15, eerste en tweede
lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 zoals deze
golden op 31 december 1983 worden verlaagd met 3%.
3.
a. Met ingang van 1 januari 1984 worden de pensioenbedragen,
grondslagen en maxima, bedoeld in artikel 31b van de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945 en in artikel 28b van de Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers zoals deze golden op
31 december 1983, verlaagd met 3%.
b. De percentages, waarmede het peil der buitengewone pensioenen
wordt aangepast, worden nader vastgesteld als volgt:
1. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag van f
2700,-: 1084,88;
2. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag van f
2990,- of hoger: 961,75, vermeerderd met f 2,54 voor elk procent,
waarnaar het buitengewoon pensioen wordt berekend, en
3. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag
liggende tussen f 2700,- en f 2990,- wordt het peil der buitengewone
pensioenen verhoogd met een percentage liggende tussen 1084,88 en
970,32 en wel zodanig, dat de uitkomst bij een berekeningspercentage
van 100, gelijk is aan f 2700,- verhoogd met een percentage van
1084,88.
c. Indien de pensioengrondslag wordt afgeleid van het inkomen in
1984, wordt voor de toepassing van het bepaalde in artikel 8, zesde lid,
van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en in artikel 35d,
zesde lid, van de Wet buitengewoon pensioen
zeelieden-oorlogsslachtoffers, als rekenfactor aangemerkt het
percentage, waarmede het peil der buitengewone pensioenen in de periode
van 1 juli 1983 tot en met 31 december 1983 wordt aangepast.
4. In afwijking van de in het eerste lid genoemde artikelen wordt bij
de herziening per 1 januari 1985 uitgegaan van het procentuele verschil
tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober 1984 en 30 april 1984.
5. Het bedrag, genoemd in artikel 10, achtste lid, onder a,
van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb.
1984, 94), wordt bepaald op f 2666.
6.
a. Per 1 juli 1984 blijft de toepassing van artikel 25, eerste lid,
van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
achterwege.
b. In afwijking van het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de
Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, wordt bij de
herziening per 1 januari 1985 uitgegaan van het procentuele verschil
tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober 1984 en 30 april 1984.
Hoofdstuk V. Slotbepaling
Artikel 10
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1984.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 22 december 1983
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. de Koning
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
J.P. van der Reijden
Uitgegeven de dertigste december 1983
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|