| |
|
|
|
|
vorige
WET
BESCHERMING PERSOONSGEGEVENS (Wbp)
Tekst zoals deze geldt op
17 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Beleidsregels Protocollaire
Basisadministratie
- Besluit gebruik sofinummer Wbp
- Vrijstellingsbesluit Wbp
WET van 6 juli 2000, houdende regels
inzake de bescherming van persoonsgegevens (Wet bescherming
persoonsgegevens)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de
Richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 23 november 1995 betreffende de bescherming van
natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens
en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281) te
implementeren;
Gelet op artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een
geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;
b. verwerking van persoonsgegevens: elke handeling
of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens,
waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen,
bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken,
verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige
andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in
verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen
van gegevens;
c. bestand: elk gestructureerd geheel van
persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens
gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch
bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en
betrekking heeft op verschillende personen;
d. verantwoordelijke: de natuurlijke persoon,
rechtspersoon of ieder ander die of het bestuursorgaan dat, alleen
of te zamen met anderen, het doel van en de middelen voor de
verwerking van persoonsgegevens vaststelt;
e. bewerker: degene die ten behoeve van de
verantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt, zonder aan zijn
rechtstreeks gezag te zijn onderworpen;
f. betrokkene: degene op wie een persoonsgegeven
betrekking heeft;
g. derde: ieder, niet zijnde de betrokkene, de
verantwoordelijke, de bewerker, of enig persoon die onder
rechtstreeks gezag van de verantwoordelijke of de bewerker
gemachtigd is om persoonsgegevens te verwerken;
h. ontvanger: degene aan wie de persoonsgegevens
worden verstrekt;
i. toestemming van de betrokkene: elke vrije,
specifieke en op informatie berustende wilsuiting waarmee de
betrokkene aanvaardt dat hem betreffende persoonsgegevens worden
verwerkt;
j. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
k. het College bescherming persoonsgegevens of het
College: het College als bedoeld in artikel 51;
l. functionaris: de functionaris voor de
gegevensbescherming als bedoeld in artikel 62;
m. voorafgaand onderzoek: een onderzoek als
bedoeld in artikel 31;
n. verstrekken van persoonsgegevens: het bekend
maken of ter beschikking stellen van persoonsgegevens;
o. verzamelen van persoonsgegevens: het verkrijgen
van persoonsgegevens.
Artikel 2
1.Deze wet is van toepassing op de geheel of
gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede
de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een
bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden
opgenomen.
2.Deze wet is niet van toepassing op verwerking van
persoonsgegevens:
a. ten behoeve van activiteiten met uitsluitend
persoonlijke of huishoudelijke doeleinden;
b. door of ten behoeve van de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten, bedoeld in de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002;
c. 2. ten behoeve van de uitvoering van de
politietaak, bedoeld in de artikelen 2 en 6, eerste lid, van de
Politiewet 1993;
d. die is geregeld bij of krachtens de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;
e. ten behoeve van de uitvoering van de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens en
f. ten behoeve van de uitvoering van de Kieswet.
3.Deze wet is niet van toepassing op verwerking van
persoonsgegevens door de krijgsmacht indien Onze Minister van Defensie
daartoe beslist met het oog op de inzet of het ter beschikking stellen
van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale
rechtsorde. Van de beslissing wordt zo spoedig mogelijk mededeling
gedaan aan het College.
Artikel 3
1.Deze wet is niet van toepassing op de verwerking
van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke, artistieke of
literaire doeleinden, behoudens de overige bepalingen van dit
hoofdstuk, alsmede de artikelen 6 tot en met 11, 13 tot en met 15, 25
en 49.
2.Het verbod om persoonsgegevens als bedoeld in
artikel 16 te verwerken is niet van toepassing voor zover dit
noodzakelijk is voor de doeleinden als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4
1.Deze wet is van toepassing op de verwerking van
persoonsgegevens in het kader van activiteiten van een vestiging van
een verantwoordelijke in Nederland.
2.Deze wet is van toepassing op de verwerking van
persoonsgegevens door of ten behoeve van een verantwoordelijke die
geen vestiging heeft in de Europese Unie, waarbij gebruik wordt
gemaakt van al dan niet geautomatiseerde middelen die zich in
Nederland bevinden, tenzij deze middelen slechts worden gebruikt voor
de doorvoer van persoonsgegevens.
3.Het is een verantwoordelijke als bedoeld in het
tweede lid, verboden persoonsgegevens te verwerken, tenzij hij in
Nederland een persoon of instantie aanwijst die namens hem handelt
overeenkomstig de bepalingen van deze wet. Voor de toepassing van deze
wet en de daarop berustende bepalingen, wordt hij aangemerkt als de
verantwoordelijke.
Artikel 5
1.Indien de betrokkene minderjarig is en de leeftijd
van zestien jaren nog niet heeft bereikt, of onder curatele is
gesteld, dan wel ten behoeve van de betrokkene een mentorschap is
ingesteld, is in de plaats van de toestemming van de betrokkene die
van zijn wettelijk vertegenwoordiger vereist.
2.Een toestemming kan door de betrokkene of zijn
wettelijk vertegenwoordiger te allen tijde worden ingetrokken.
Hoofdstuk 2. Voorwaarden voor de rechtmatigheid van de
verwerking van persoonsgegevens
Paragraaf 1. De verwerking van persoonsgegevens in het
algemeen
Artikel 6
Persoonsgegevens worden in overeenstemming met de wet
en op behoorlijke en zorgvuldige wijze verwerkt.
Artikel 7
Persoonsgegevens worden voor welbepaalde,
uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden verzameld.
Artikel 8
Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien:
a. de betrokkene voor de verwerking zijn
ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;
b. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de
uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of
voor het nemen van precontractuele maatregelen naar aanleiding van
een verzoek van de betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het
sluiten van een overeenkomst;
c. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een
wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke
onderworpen is;
d. de gegevensverwerking noodzakelijk is ter
vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene;
e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de
goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het
desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de
gegevens worden verstrekt, of
f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de
behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke
of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het
belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in
het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke
levenssfeer, prevaleert.
Artikel 9
1.Persoonsgegevens worden niet verder verwerkt op
een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn
verkregen.
2.Bij de beoordeling of een verwerking onverenigbaar
is als bedoeld in het eerste lid, houdt de verantwoordelijke in elk
geval rekening met:
a. de verwantschap tussen het doel van de
beoogde verwerking en het doel waarvoor de gegevens zijn
verkregen;
b. de aard van de betreffende gegevens;
c. de gevolgen van de beoogde verwerking voor de
betrokkene;
d. de wijze waarop de gegevens zijn verkregen en
e. de mate waarin jegens de betrokkene wordt
voorzien in passende waarborgen.
3.Verdere verwerking van de gegevens voor
historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, wordt niet
als onverenigbaar beschouwd, indien de verantwoordelijke de nodige
voorzieningen heeft getroffen ten einde te verzekeren dat de verdere
verwerking uitsluitend geschiedt ten behoeve van deze specifieke
doeleinden.
4.De verwerking van persoonsgegevens blijft
achterwege voor zover een geheimhoudingsplicht uit hoofde van ambt,
beroep of wettelijk voorschrift daaraan in de weg staat.
Artikel 10
1.Persoonsgegevens worden niet langer bewaard in een
vorm die het mogelijk maakt de betrokkene te identificeren, dan
noodzakelijk is voor de verwerkelijking van de doeleinden waarvoor zij
worden verzameld of vervolgens worden verwerkt.
2.Persoonsgegevens mogen langer worden bewaard dan
bepaald in het eerste lid voor zover ze voor historische, statistische
of wetenschappelijke doeleinden worden bewaard, en de
verantwoordelijke de nodige voorzieningen heeft getroffen ten einde te
verzekeren dat de desbetreffende gegevens uitsluitend voor deze
specifieke doeleinden worden gebruikt.
Artikel 11
1.Persoonsgegevens worden slechts verwerkt voor
zover zij, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of
vervolgens worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet
bovenmatig zijn.
2.De verantwoordelijke treft de nodige maatregelen
opdat persoonsgegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden
verzameld of vervolgens worden verwerkt, juist en nauwkeurig zijn.
Artikel 12
1.Een ieder die handelt onder het gezag van de
verantwoordelijke of van de bewerker, alsmede de bewerker zelf, voor
zover deze toegang hebben tot persoonsgegevens, verwerkt deze slechts
in opdracht van de verantwoordelijke, behoudens afwijkende wettelijke
verplichtingen.
2.De personen, bedoeld in het eerste lid, voor wie
niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift een
geheimhoudingsplicht geldt, zijn verplicht tot geheimhouding van de
persoonsgegevens waarvan zij kennis nemen, behoudens voor zover enig
wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de
noodzaak tot mededeling voortvloeit. Artikel 272, tweede lid, van het
Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing.
Artikel 13
De verantwoordelijke legt passende technische en
organisatorische maatregelen ten uitvoer om persoonsgegevens te
beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige
verwerking. Deze maatregelen garanderen, rekening houdend met de stand
van de techniek en de kosten van de tenuitvoerlegging, een passend
beveiligingsniveau gelet op de risico's die de verwerking en de aard van
te beschermen gegevens met zich meebrengen. De maatregelen zijn er mede
op gericht onnodige verzameling en verdere verwerking van
persoonsgegevens te voorkomen.
Artikel 14
1.Indien de verantwoordelijke persoonsgegevens te
zijnen behoeve laat verwerken door een bewerker, draagt hij zorg dat
deze voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de technische en
organisatorische beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de te
verrichten verwerkingen. De verantwoordelijke ziet toe op de naleving
van die maatregelen.
2.De uitvoering van verwerkingen door een bewerker
wordt geregeld in een overeenkomst of krachtens een andere
rechtshandeling waardoor een verbintenis ontstaat tussen de bewerker
en de verantwoordelijke.
3.De verantwoordelijke draagt zorg dat de bewerker
a. de persoonsgegevens verwerkt in
overeenstemming met artikel 12, eerste lid en
b. de verplichtingen nakomt die op de
verantwoordelijke rusten ingevolge artikel 13.
4.Is de bewerker gevestigd in een ander land van de
Europese Unie, dan draagt de verantwoordelijke zorg dat de bewerker
het recht van dat andere land nakomt, in afwijking van het derde lid,
onder b.
5.Met het oog op het bewaren van het bewijs worden
de onderdelen van de overeenkomst of de rechtshandeling die betrekking
hebben op de bescherming van persoonsgegevens, alsmede de
beveiligingsmaatregelen als bedoeld in artikel 13 schriftelijk of in
een andere, gelijkwaardige vorm vastgelegd.
Artikel 15
De verantwoordelijke draagt zorg voor de naleving van
de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6 tot en met 12 en 14, tweede
en vijfde lid van dit hoofdstuk.
Paragraaf 2. De verwerking van bijzondere
persoonsgegevens
Artikel 16
De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands
godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid,
seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap
van een vakvereniging is verboden behoudens het bepaalde in deze
paragraaf. Hetzelfde geldt voor strafrechtelijke persoonsgegevens en
persoonsgegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met
een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag.
Artikel 17
1.Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands
godsdienst of levensovertuiging te verwerken als bedoeld in artikel
16, is niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door:
a. kerkgenootschappen, zelfstandige onderdelen
daarvan of andere genootschappen op geestelijke grondslag voor
zover het gaat om gegevens van daartoe behorende personen;
b. instellingen op godsdienstige of
levensbeschouwelijke grondslag, voor zover dit gelet op het doel
van de instelling en voor de verwezenlijking van haar grondslag
noodzakelijk is, of
c. andere instellingen voor zover dit
noodzakelijk is met het oog op de geestelijke verzorging van de
betrokkene, tenzij deze daartegen schriftelijk bezwaar heeft
gemaakt.
2.In de gevallen als bedoeld in het eerste lid,
onder a, is het verbod tevens niet van toepassing op persoonsgegevens
betreffende godsdienst of levensovertuiging van de gezinsleden van de
betrokkene voor zover:
a. het betreffende genootschap met die
gezinsleden uit hoofde van haar doelstelling regelmatige contacten
onderhoudt en
b. die gezinsleden daartegen geen schriftelijk
bezwaar hebben gemaakt.
3.In de gevallen als bedoeld in het eerste en tweede
lid worden geen persoonsgegevens aan derden verstrekt zonder
toestemming van de betrokkene.
Artikel 18
Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands ras
te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de
verwerking geschiedt:
a. met het oog op de identificatie van de
betrokkene en slechts voor zover dit voor dit doel onvermijdelijk
is;
b. met het doel personen van een bepaalde etnische
of culturele minderheidsgroep een bevoorrechte positie toe te kennen
ten einde feitelijke nadelen verband houdende met de grond ras op te
heffen of te verminderen en slechts indien:
1°. dit voor dat doel noodzakelijk is;
2°. de gegevens slechts betrekking hebben op
het geboorteland van de betrokkene, van diens ouders of
grootouders, dan wel op andere, bij wet vastgestelde criteria,
op grond waarvan op objectieve wijze vastgesteld kan worden of
iemand tot een minderheidsgroep als bedoeld in de aanhef van
onderdeel b behoort, en
3°. de betrokkene daartegen geen schriftelijk
bezwaar heeft gemaakt.
Artikel 19
1.Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands
politieke gezindheid te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet
van toepassing indien de verwerking geschiedt:
a. door instellingen op politieke grondslag
betreffende hun leden of hun werknemers dan wel andere tot de
instelling behorende personen, voor zover dit gelet op het doel
van de instelling noodzakelijk is voor de verwezenlijking van haar
grondslag, of
b. met het oog op de eisen die met betrekking
tot politieke gezindheid in redelijkheid kunnen worden gesteld in
verband met de vervulling van functies in bestuursorganen en
adviescolleges.
2.In het geval als bedoeld in het eerste lid, onder
a, worden geen persoonsgegevens aan derden verstrekt zonder
toestemming van de betrokkene.
Artikel 20
1.Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands
lidmaatschap van een vakbond te verwerken als bedoeld in artikel 16,
is niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door de
betreffende vakbond of de vakcentrale waarvan die bond een onderdeel
vormt, voor zover dat gelet op de doelstelling van de vakbond of
centrale noodzakelijk is.
2.In het geval als bedoeld in het eerste lid worden
geen persoonsgegevens aan derden verstrekt zonder toestemming van de
betrokkene.
Artikel 21
1.Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands
gezondheid te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van
toepassing indien de verwerking geschiedt door:
a. hulpverleners, instellingen of voorzieningen
voor gezondheidszorg of maatschappelijke dienstverlening voor
zover dat met het oog op een goede behandeling of verzorging van
de betrokkene, dan wel het beheer van de betreffende instelling of
beroepspraktijk noodzakelijk is;
b. verzekeraars als bedoeld in artikel 1:1 van
de Wet op het financieel toezicht en financiële dienstverleners
die bemiddelen in verzekeringen als bedoeld in artikel 1:1 van die
wet, voorzover dat noodzakelijk is voor:
1°. de beoordeling van het door de
verzekeraar te verzekeren risico en de betrokkene geen bezwaar
heeft gemaakt; of
2°. de uitvoering van de overeenkomst van
verzekering;
c. scholen voor zover dat met het oog op de
speciale begeleiding van leerlingen of het treffen van bijzondere
voorzieningen in verband met hun gezondheidstoestand noodzakelijk
is;
d. een reclasseringsinstelling, een bijzondere
reclasseringsambtenaar, de raad voor de kinderbescherming of de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg en de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid,
of artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de hun
wettelijk opgedragen taken;
e. Onze Minister van Justitie voor zover dat in
verband met de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of
vrijheidsbenemende maatregelen noodzakelijk is of
f. bestuursorganen, pensioenfondsen, werkgevers
of instellingen die te hunnen behoeve werkzaam zijn voor zover dat
noodzakelijk is voor:
1°. een goede uitvoering van wettelijke
voorschriften, pensioenregelingen of collectieve
arbeidsovereenkomsten die voorzien in aanspraken die
afhankelijk zijn van de gezondheidstoestand van de betrokkene
of
2°. de reïntegratie of begeleiding van
werknemers of uitkeringsgerechtigden in verband met ziekte of
arbeidsongeschiktheid.
2.In de gevallen als bedoeld in het eerste lid
worden de gegevens alleen verwerkt door personen die uit hoofde van
ambt, beroep of wettelijk voorschrift, dan wel krachtens een
overeenkomst tot geheimhouding zijn verplicht. Indien de
verantwoordelijke gegevens persoonlijk verwerkt en op hem niet reeds
uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift een
geheimhoudingsplicht rust, is hij verplicht tot geheimhouding van de
gegevens, behoudens voor zover de wet hem tot mededeling verplicht of
uit zijn taak de noodzaak voortvloeit dat de gegevens worden
meegedeeld aan anderen die krachtens het eerste lid bevoegd zijn tot
verwerking daarvan.
3.Het verbod om andere persoonsgegevens als bedoeld
in artikel 16 te verwerken, is niet van toepassing voor zover dit
noodzakelijk is in aanvulling op de verwerking van persoonsgegevens
betreffende iemands gezondheid als bedoeld in het eerste lid, onder a,
met het oog op een goede behandeling of verzorging van de betrokkene.
4.Persoonsgegevens betreffende erfelijke
eigenschappen mogen slechts worden verwerkt voor zover deze verwerking
plaatsvindt met betrekking tot de betrokkene bij wie de betreffende
gegevens zijn verkregen, tenzij:
a. een zwaarwegend geneeskundig belang
prevaleert of
b. de verwerking noodzakelijk is ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek of statistiek.
In het geval als bedoeld onder b, is artikel 23,
eerste lid, onder a, en tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.
5.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent
de toepassing van het eerste lid, onder b en f, nadere regels worden
gesteld.
Artikel 22
1.Het verbod om strafrechtelijke persoonsgegevens te
verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de
verwerking geschiedt door organen die krachtens de wet zijn belast met
de toepassing van het strafrecht, alsmede door verantwoordelijken die
deze hebben verkregen krachtens de Wet politiegegevens of de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens.
2.Het verbod is niet van toepassing op de
verantwoordelijke die deze gegevens ten eigen behoeve verwerkt ter:
a. beoordeling van een verzoek van betrokkene om
een beslissing over hem te nemen of aan hem een prestatie te
leveren of
b. bescherming van zijn belangen voor zover het
gaat om strafbare feiten die zijn of op grond van feiten en
omstandigheden naar verwachting zullen worden gepleegd jegens hem
of jegens personen die in zijn dienst zijn.
3.De verwerking van deze gegevens over personeel in
dienst van de verantwoordelijke, vindt plaats overeenkomstig regels
die zijn vastgesteld in overeenstemming met de procedure als bedoeld
in de Wet op de ondernemingsraden.
4.Het verbod is niet van toepassing wanneer deze
gegevens ten behoeve van derden worden verwerkt:
a. door verantwoordelijken die optreden
krachtens een vergunning op grond van de Wet particuliere
beveiligingsorganisaties en recherchebureaus of
b. indien deze derde een rechtspersoon betreft
die in dezelfde groep is verbonden als bedoeld in artikel 2:24b
van het Burgerlijk Wetboek, of
c. indien passende en specifieke waarborgen zijn
getroffen en de procedure is gevolgd, bedoeld in artikel 31.
5.Het verbod om andere persoonsgegevens als bedoeld
in artikel 16, te verwerken, is niet van toepassing voor zover dit
noodzakelijk is in aanvulling op de verwerking van strafrechtelijke
gegevens voor de doeleinden waarvoor deze gegevens worden verwerkt.
6.Het tweede tot en met vijfde lid is van
overeenkomstige toepassing op persoonsgegevens betreffende een door de
rechter opgelegd verbod naar aanleiding van onrechtmatig of hinderlijk
gedrag.
7.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de passende en specifieke waarborgen, bedoeld in
het vierde lid, onder c.
Artikel 23
1.Onverminderd de artikelen 17 tot en met 22 is het
verbod om persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16, te verwerken
niet van toepassing voor zover:
a. dit geschiedt met uitdrukkelijke toestemming
van de betrokkene;
b. de gegevens door de betrokkene duidelijk
openbaar zijn gemaakt;
c. dit noodzakelijk is voor de vaststelling, de
uitoefening of de verdediging van een recht in rechte;
d. dit noodzakelijk is ter voldoening aan een
volkenrechtelijke verplichting of
e. dit noodzakelijk is met het oog op een
zwaarwegend algemeen belang, passende waarborgen worden geboden
ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer en dit bij wet
wordt bepaald dan wel het College ontheffing heeft verleend. Het
College kan bij de verlening van ontheffing beperkingen en
voorschriften opleggen.
2.Het verbod om persoonsgegevens als bedoeld in
artikel 16, te verwerken ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of
statistiek is niet van toepassing voor zover:
a. het onderzoek een algemeen belang dient,
b. de verwerking voor het betreffende onderzoek
of de betreffende statistiek noodzakelijk is,
c. het vragen van uitdrukkelijke toestemming
onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost en
d. bij de uitvoering is voorzien in zodanige
waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet
onevenredig wordt geschaad.
3.Verwerkingen als bedoeld in het eerste lid, onder
e, worden bij de Europese Commissie gemeld. Onze Minister wie het
aangaat verricht de melding indien de verwerking bij wet is voorzien.
Het College verricht de melding indien het voor de verwerking
ontheffing heeft verleend.
Artikel 24
1.Een nummer dat ter identificatie van een persoon
bij wet is voorgeschreven, wordt bij de verwerking van
persoonsgegevens slechts gebruikt ter uitvoering van de betreffende
wet dan wel voor doeleinden bij de wet bepaald.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere
dan in het eerste lid bedoelde gevallen worden aangewezen waarin een
daarbij aan te wijzen nummer als bedoeld in het eerste lid, kan worden
gebruikt. Daarbij kunnen nadere regels worden gegeven over het gebruik
van een zodanig nummer.
Hoofdstuk 3. Gedragscodes
Artikel 25
1.De organisatie of organisaties, die voornemens
zijn een gedragscode vast te stellen, kunnen het College verzoeken te
verklaren dat de daarin opgenomen regels, gelet op de bijzondere
kenmerken van de sector of sectoren van de samenleving waarin deze
organisaties werkzaam zijn, een juiste uitwerking vormen van deze wet
of van andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van
persoonsgegevens. Indien een gedragscode voorziet in beslechting van
geschillen over de naleving ervan, kan het College de verklaring
slechts afgeven indien is voorzien in waarborgen met betrekking tot de
onafhankelijkheid.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing
op wijzigingen of verlengingen van bestaande gedragscodes.
3.Het College neemt het verzoek slechts in
behandeling, indien naar zijn oordeel de verzoeker of verzoekers
voldoende representatief zijn en de betrokken sector of de sectoren in
de code voldoende nauwkeurig zijn omschreven.
4.Een beslissing op een verzoek als bedoeld in het
eerste lid, geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht. Op de voorbereiding ervan is afdeling 3.4 van die wet
van toepassing.
5.De verklaring geldt voor de termijn waarvoor de
gedragscode zal gaan gelden echter niet voor langer dan vijf jaar na
het tijdstip waarop de verklaring is bekend gemaakt. Wordt de
verklaring gevraagd voor een wijziging van een gedragscode waarvoor
reeds eerder een verklaring is afgegeven, dan geldt deze voor de duur
van de eerder afgegeven verklaring.
6.De verklaring wordt, tezamen met de gedragscode
waarop zij betrekking heeft, door de zorg van het College in de
Staatscourant geplaatst.
Artikel 26
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een
bepaalde sector nadere regels worden gesteld inzake de in de artikelen
6 tot en met 11 en 13 geregelde onderwerpen.
2.Het College geeft in zijn jaarverslag aan in
hoeverre naar zijn oordeel toepassing van het eerste lid wenselijk is.
Hoofdstuk 4. Melding en voorafgaand onderzoek
Paragraaf 1. De melding
Artikel 27
1.Een geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde
verwerking van persoonsgegevens die voor de verwezenlijking van een
doeleinde of van verscheidene samenhangende doeleinden bestemd is,
wordt alvorens met de verwerking wordt aangevangen gemeld bij het
College of de functionaris.
2.Een niet geautomatiseerde verwerking van
persoonsgegevens die voor de verwezenlijking van een doeleinde of van
verscheidene samenhangende doeleinden bestemd is, wordt gemeld indien
deze is onderworpen aan voorafgaand onderzoek.
Artikel 28
1.De melding behelst een opgave van:
a. de naam en het adres van de
verantwoordelijke;
b. het doel of de doeleinden van de verwerking;
c. een beschrijving van de categorieën van
betrokkenen en van de gegevens of categorieën van gegevens die
daarop betrekking hebben;
d. de ontvangers of categorieën van ontvangers
aan wie de gegevens kunnen worden verstrekt;
e. de voorgenomen doorgiften van gegevens naar
landen buiten de Europese Unie;
f. een algemene beschrijving om een voorlopig
oordeel te kunnen geven over de gepastheid van de voorgenomen
maatregelen om, ter toepassing van artikel 13 en 14, de
beveiliging van de verwerking te waarborgen.
2.De melding behelst het doel of de doeleinden
waarvoor de gegevens of de categorieën van gegevens zijn of worden
verzameld.
3.Een wijziging in de naam of het adres van de
verantwoordelijke wordt binnen een week gemeld. Wijzigingen in de
opgave die betrekking hebben op de onderdelen b tot en met f van het
eerste lid, worden telkens binnen een jaar na de voorafgaande melding
gemeld voor zover zij blijken van meer dan incidentele aard te zijn.
4.Een verwerking die afwijkt van hetgeen
overeenkomstig het eerste lid, onder b tot en met f, is gemeld, wordt
vastgelegd en bewaard gedurende ten minste drie jaren.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop de melding
dient te geschieden.
Artikel 29
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat daarbij aan te geven verwerkingen van gegevens waarbij de
inbreuk op de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene
onwaarschijnlijk is, zijn vrijgesteld van de melding, bedoeld in
artikel 27.
2.Daarbij worden vastgesteld:
a. de doeleinden van de verwerking,
b. de verwerkte gegevens of categorieën van
verwerkte gegevens,
c. de categorieën van betrokkenen,
d. de ontvangers of categorieën ontvangers aan
wie de gegevens worden verstrekt, en
e. de periode gedurende welke de gegevens worden
bewaard.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald, indien dit noodzakelijk is met het oog op de opsporing van
strafbare feiten in een bepaald geval, dat daarbij aan te geven
verwerkingen van gegevens door verantwoordelijken die krachtens de wet
met opsporing zijn belast, worden vrijgesteld van de melding. Daarbij
kunnen compenserende waarborgen ter bescherming van persoonsgegevens
worden vastgesteld. De verwerkte gegevens kunnen slechts worden
gebruikt voor de doeleinden die bij die algemene maatregel van bestuur
uitdrukkelijk zijn vermeld.
4.De verplichting tot melding is niet van toepassing
op openbare registers die bij de wet zijn ingesteld alsmede op
verstrekkingen aan een bestuursorgaan ingevolge een wettelijke
verplichting.
Artikel 30
1.Zowel het College als de functionaris houden een
register bij van de bij hen aangemelde gegevensverwerkingen. Het
register bevat ten minste de inlichtingen die zijn opgegeven krachtens
artikel 28, eerste lid, onder a tot en met e.
2.Het register kan door een ieder kosteloos worden
geraadpleegd.
3.De verantwoordelijke verstrekt een ieder die
daarom verzoekt de inlichtingen als bedoeld in artikel 28, eerste lid,
onder a tot en met e, omtrent de van de aanmelding vrijgestelde
gegevensverwerkingen.
4.Het derde lid is niet van toepassing op:
a. een gegevensverwerking die is vrijgesteld
krachtens artikel 29, derde lid;
b. openbare registers die bij de wet zijn
ingesteld.
Paragraaf 2. Voorafgaand onderzoek
Artikel 31
1.Het College stelt voorafgaand aan een verwerking
een onderzoek in indien de verantwoordelijke:
a. een nummer ter identificatie van personen
voornemens is te verwerken voor een ander doeleinde dan waarvoor
het nummer specifiek bestemd is teneinde gegevens in verband te
kunnen brengen met gegevens die worden verwerkt door een andere
verantwoordelijke, tenzij het gebruik van het nummer geschiedt
voor de gevallen als omschreven in artikel 24;
b. voornemens is gegevens vast te leggen op
grond van eigen waarneming zonder de betrokkene daarvan op de
hoogte te stellen, of
c. anders dan krachtens een vergunning op grond
van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en
recherchebureaus voornemens is strafrechtelijke gegevens of
gegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag te verwerken ten
behoeve van derden.
2.Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing op
openbare registers die bij de wet zijn ingesteld.
3.Bij wet of algemene maatregel van bestuur kunnen
andere gegevensverwerkingen die een bijzonder risico inhouden voor de
persoonlijke rechten en vrijheden van de betrokkene worden aangewezen
waarop het eerste lid van toepassing is. Het College geeft in zijn
jaarverslag aan in hoeverre naar zijn oordeel een dergelijke
aanwijzing wenselijk is.
4.Het College meldt een verwerking als bedoeld in
het eerste lid, onder c, bij de Europese Commissie.
Artikel 32
1.Een gegevensverwerking waarop artikel 31, eerste
lid, van toepassing is, wordt als zodanig door de verantwoordelijke
bij het College gemeld.
2.De melding van een zodanige gegevensverwerking
verplicht de verantwoordelijke de verwerking die hij voornemens is te
verrichten, op te schorten totdat het onderzoek van het College is
afgerond dan wel hij een bericht heeft ontvangen dat niet tot nader
onderzoek wordt overgegaan.
3.In geval van een melding van een
gegevensverwerking waarop artikel 31, eerste lid, van toepassing is,
besluit het College schriftelijk binnen vier weken na de melding of
het tot nader onderzoek overgaat.
4.In het besluit tot nader onderzoek over te gaan
geeft het College aan binnen welke termijn het voornemens is dit
onderzoek te verrichten. Deze termijn bedraagt niet langer dan twintig
weken.
5.Het nader onderzoek, bedoeld in het vierde lid,
leidt tot een verklaring omtrent de rechtmatigheid van de
gegevensverwerking.
6.De verklaring van het College geldt als een
besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Op de
voorbereiding ervan is afdeling 3.4 van die wet van toepassing.
Hoofdstuk 5. Informatieverstrekking aan de betrokkene
Artikel 33
1.Indien persoonsgegevens worden verkregen bij de
betrokkene, deelt de verantwoordelijke vóór het moment van de
verkrijging de betrokkene de informatie mede, bedoeld in het tweede en
derde lid, tenzij de betrokkene daarvan reeds op de hoogte is.
2.De verantwoordelijke deelt de betrokkene zijn
identiteit en de doeleinden van de verwerking waarvoor de gegevens
zijn bestemd, mede.
3.De verantwoordelijke verstrekt nadere informatie
voor zover dat gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden
waaronder zij worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt,
nodig is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en zorgvuldige
verwerking te waarborgen.
Artikel 34
1.Indien persoonsgegevens worden verkregen op een
andere wijze dan bedoeld in artikel 33, deelt de verantwoordelijke de
betrokkene de informatie mede, bedoeld in het tweede en derde lid,
tenzij deze reeds daarvan op de hoogte is:
a. op het moment van vastlegging van hem
betreffende gegevens, of
b. wanneer de gegevens bestemd zijn om te worden
verstrekt aan een derde, uiterlijk op het moment van de eerste
verstrekking.
2.De verantwoordelijke deelt de betrokkene zijn
identiteit en de doeleinden van de verwerking mede.
3.De verantwoordelijke verstrekt nadere informatie
voor zover dat gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden
waaronder zij worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt,
nodig is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en zorgvuldige
verwerking te waarborgen.
4.Het eerste lid is niet van toepassing indien
mededeling van de informatie aan de betrokkene onmogelijk blijkt of
een onevenredige inspanning kost. In dat geval legt de
verantwoordelijke de herkomst van de gegevens vast.
5.Het eerste lid is evenmin van toepassing indien de
vastlegging of de verstrekking bij of krachtens de wet is
voorgeschreven. In dat geval dient de verantwoordelijke de betrokkene
op diens verzoek te informeren over het wettelijk voorschrift dat tot
de vastlegging of verstrekking van de hem betreffende gegevens heeft
geleid.
Hoofdstuk 6. Rechten van de betrokkene
Artikel 35
1.De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en
met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het
verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden
verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen
vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.
2.Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de
mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een
omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de
categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de
ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare
informatie over de herkomst van de gegevens.
3.Voordat een verantwoordelijke een mededeling doet
als bedoeld in het eerste lid, waartegen een derde naar verwachting
bedenkingen zal hebben, stelt hij die derde in de gelegenheid zijn
zienswijze naar voren te brengen indien de mededeling gegevens bevat
die hem betreffen, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige
inspanning kost.
4.Desgevraagd doet de verantwoordelijke mededelingen
omtrent de logica die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde
verwerking van hem betreffende gegevens.
Artikel 36
1.Degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is
gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke
verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te
schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de
doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn
dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden
verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
2.De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen
vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in
hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.
3.De verantwoordelijke draagt zorg dat een
beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo
spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.
4.Indien de persoonsgegevens zijn vastgelegd op een
gegevensdrager waarin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht, dan
treft hij de voorzieningen die nodig zijn om de gebruiker van de
gegevens te informeren over de onmogelijkheid van verbetering,
aanvulling, verwijdering of afscherming ondanks het feit dat er grond
is voor aanpassing van de gegevens op grond van dit artikel.
5.Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid
is niet van toepassing op bij de wet ingestelde openbare registers,
indien in die wet een bijzondere procedure voor de verbetering,
aanvulling, verwijdering of afscherming van gegevens is opgenomen.
Artikel 37
1.Indien een gewichtig belang van de verzoeker dit
eist, voldoet de verantwoordelijke aan een verzoek als bedoeld in de
artikelen 35 en 36, in een andere dan schriftelijke vorm, die aan dat
belang is aangepast.
2.De verantwoordelijke draagt zorg voor een
deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker.
3.De verzoeken, bedoeld in de artikelen 35 en 36,
worden ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren
nog niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder curatele gestelden
gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers. De betrokken mededeling
geschiedt eveneens aan de wettelijke vertegenwoordigers.
Artikel 38
1.De verantwoordelijke die naar aanleiding van een
verzoek op grond van artikel 36 persoonsgegevens heeft verbeterd,
aangevuld, verwijderd of afgeschermd, is verplicht om aan derden aan
wie de gegevens daaraan voorafgaand zijn verstrekt, zo spoedig
mogelijk kennis te geven van de verbetering, aanvulling, verwijdering
of afscherming, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige
inspanning kost.
2.De verantwoordelijke doet aan de verzoeker,
bedoeld in artikel 36, desgevraagd opgave van degenen aan wie hij de
mededeling heeft gedaan.
Artikel 39
1.De verantwoordelijke kan voor een bericht als
bedoeld in artikel 35 een bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur vast te stellen vergoeding van kosten verlangen die ten
hoogste € 5 bedraagt.
2.De vergoeding wordt teruggegeven in geval de
verantwoordelijke op verzoek van de betrokkene, op aanbeveling van het
College of op bevel van de rechter tot verbetering, aanvulling,
verwijdering of afscherming is overgegaan.
3.Het bedrag genoemd in het eerste lid kan in
bijzondere gevallen bij algemene maatregel van bestuur worden
gewijzigd.
Artikel 40
1.Indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking
op grond van artikel 8, onder e en f, kan de betrokkene daartegen bij
de verantwoordelijke te allen tijde verzet aantekenen in verband met
zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden.
2.De verantwoordelijke beoordeelt binnen vier weken
na ontvangst van het verzet of het verzet gerechtvaardigd is. Indien
het verzet gerechtvaardigd is beëindigt hij terstond de verwerking.
3.De verantwoordelijke kan voor het in behandeling
nemen van een verzet een vergoeding van kosten verlangen, die niet
hoger mag zijn dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
vast te stellen bedrag. De vergoeding wordt teruggegeven in geval het
verzet gegrond wordt bevonden.
4.Dit artikel is niet van toepassing op openbare
registers die bij de wet zijn ingesteld.
Artikel 41
1.Indien gegevens worden verwerkt in verband met de
totstandbrenging of de instandhouding van een directe relatie tussen
de verantwoordelijke of een derde en de betrokkene met het oog op
werving voor commerciële of charitatieve doelen, kan de betrokkene
daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde kosteloos verzet
aantekenen.
2.In geval van verzet treft de verantwoordelijke de
maatregelen om deze vorm van verwerking terstond te beëindigen.
3.De verantwoordelijke die voornemens is
persoonsgegevens aan derden te verstrekken of voor rekening van derden
te gebruiken voor het in het eerste lid bedoelde doel, neemt passende
maatregelen om de betrokkenen de mogelijkheden bekend te maken tot het
doen van verzet. De bekendmaking vindt plaats via een of meer dag-,
nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Bij
regelmatige verstrekking aan derden of gebruik voor rekening van
derden vindt de bekendmaking ten minste eens per jaar plaats.
4.De verantwoordelijke die persoonsgegevens verwerkt
voor het in het eerste lid bedoelde doel, draagt zorg dat, indien
daartoe rechtstreeks een boodschap aan de betrokkene wordt
toegezonden, deze daarbij telkens wordt gewezen op de mogelijkheid tot
het doen van verzet.
Artikel 42
1.Niemand kan worden onderworpen aan een besluit
waaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem in
aanmerkelijke mate treft, indien dat besluit alleen wordt genomen op
grond van een geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens bestemd
om een beeld te krijgen van bepaalde aspecten van zijn
persoonlijkheid.
2.Het eerste lid is niet van toepassing, indien het
daar bedoelde besluit:
a. wordt genomen in het kader van het sluiten of
uitvoeren van een overeenkomst en
1°. aan het verzoek van de betrokkene is
voldaan of
2°. passende maatregelen zijn genomen ter
bescherming van zijn gerechtvaardigd belang, of
b. zijn grondslag vindt in een wet waarin
maatregelen zijn vastgelegd die strekken tot bescherming van het
gerechtvaardigde belang van de betrokkene.
3.Een passende maatregel als bedoeld in het tweede
lid, onder a, is getroffen indien de betrokkene in de gelegenheid is
gesteld omtrent het besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn
zienswijze naar voren te brengen.
4.In het geval, bedoeld in het tweede lid, deelt de
verantwoordelijke de betrokkene de logica mee die ten grondslag ligt
aan de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens.
Hoofdstuk 7. Uitzonderingen en beperkingen
Artikel 43
De verantwoordelijke kan de artikelen 9, eerste lid,
30, derde lid, 33, 34 en 35 buiten toepassing laten voor zover dit
noodzakelijk is in het belang van:
a. de veiligheid van de staat;
b. de voorkoming, opsporing en vervolging van
strafbare feiten;
c. gewichtige economische en financiële belangen
van de staat en andere openbare lichamen;
d. het toezicht op de naleving van wettelijke
voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld
onder b en c, of
e. de bescherming van de betrokkene of van de
rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 44
1.Indien een verwerking plaatsvindt door
instellingen of diensten voor wetenschappelijk onderzoek of
statistiek, en de nodige voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren
dat de persoonsgegevens uitsluitend voor statistische en
wetenschappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt, kan de
verantwoordelijke een mededeling als bedoeld in artikel 34 achterwege
laten en weigeren aan een verzoek als bedoeld in artikel 35 te
voldoen.
2.Indien een verwerking plaatsvindt van
persoonsgegevens die deel uitmaken van archiefbescheiden die ingevolge
de artikelen 12 of 13 van de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar
een archiefbewaarplaats, kan de verantwoordelijke een mededeling als
bedoeld in artikel 34 achterwege laten.
Hoofdstuk 8. Rechtsbescherming
Artikel 45
Een beslissing op een verzoek als bedoeld in de
artikelen 30, derde lid, 35, 36 en 38, tweede lid, alsmede een
beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in
de artikelen 40 of 41 gelden voor zover deze is genomen door een
bestuursorgaan als een besluit in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht.
Artikel 46
1.Indien een beslissing als bedoeld in artikel 45 is
genomen door een ander dan een bestuursorgaan, kan de belanghebbende
zich tot de rechtbank wenden met het schriftelijk verzoek, de
verantwoordelijke te bevelen alsnog een verzoek als bedoeld in de
artikelen 30, derde lid, 35, 36 of 38, tweede lid, toe of af te wijzen
dan wel een verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 al dan niet te
honoreren.
2.Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen
zes weken na ontvangst van het antwoord van de verantwoordelijke.
Indien de verantwoordelijke niet binnen de gestelde termijn heeft
geantwoord, moet het verzoekschrift worden ingediend binnen zes weken
na afloop van die termijn.
3.De rechtbank wijst het verzoek toe, voor zover zij
dit gegrond oordeelt. Alvorens de rechtbank beslist, stelt zij zo
nodig de belanghebbenden in de gelegenheid hun zienswijze naar voren
te brengen.
4.De indiening van het verzoekschrift behoeft niet
door een advocaat te geschieden.
5.De derde afdeling van de vijfde titel van het
Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van
overeenkomstige toepassing.
6.De rechtbank kan partijen en anderen verzoeken
binnen een door haar te bepalen termijn schriftelijke inlichtingen te
geven en onder hen berustende stukken in te zenden. De
verantwoordelijke en belanghebbende zijn verplicht aan dit verzoek te
voldoen. De artikelen 8:45, tweede en derde lid, en 8:29 van de
Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 47
1.De belanghebbende kan zich ook binnen de termijn
bepaald voor het beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht,
dan wel die, bedoeld in artikel 46, tweede lid, tot het College wenden
met het verzoek te bemiddelen of te adviseren in zijn geschil met de
verantwoordelijke, dan wel gebruik maken van een
geschillenbeslechtingsregeling op grond van een gedragscode ten
aanzien waarvan een verklaring is afgegeven als bedoeld in artikel 25,
eerste lid. In dat geval kan in afwijking van artikel 6:7 van de
Algemene wet bestuursrecht het beroep nog worden ingesteld, dan wel de
procedure ingevolge artikel 46 nog aanhangig worden gemaakt nadat de
belanghebbende van het College of ingevolge een
geschillenbeslechtingsregeling op grond van een gedragscode ten
aanzien waarvan een verklaring is afgegeven als bedoeld in artikel 25,
eerste lid, bericht heeft ontvangen dat de behandeling van de zaak is
beëindigd, doch uiterlijk zes weken na dat tijdstip.
2.Tijdens de behandeling van het beroep en de
procedure, bedoeld in het eerste lid, kunnen de instanties die zijn
belast met de behandeling van het geschil, het advies van het College
inwinnen.
Artikel 48
De instanties die zijn belast met de behandeling van
het geschil, zenden afschrift van hun uitspraak aan het College.
Artikel 49
1.Indien iemand schade lijdt doordat ten opzichte
van hem in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens deze wet
gegeven voorschriften zijn de volgende leden van toepassing,
onverminderd de aanspraken op grond van andere wettelijke regels.
2.Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat,
heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen
schadevergoeding.
3.De verantwoordelijke is aansprakelijk voor de
schade of het nadeel, voortvloeiende uit het niet-nakomen van de in
het eerste lid bedoelde voorschriften. De bewerker is aansprakelijk
voor die schade of dat nadeel, voor zover ontstaan door zijn
werkzaamheid.
4.De verantwoordelijke of de bewerker kan geheel of
gedeeltelijk worden ontheven van deze aansprakelijkheid, indien hij
bewijst dat de schade hem niet kan worden toegerekend.
Artikel 50
1.Indien de verantwoordelijke of de bewerker handelt
in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde en een ander
daardoor schade lijdt of dreigt te lijden, kan de rechter hem op
vordering van die ander zodanig gedrag verbieden en hem bevelen
maatregelen te treffen tot herstel van de gevolgen van dat gedrag.
2.Een verwerking kan niet ten grondslag worden
gelegd aan een vordering van een rechtspersoon als bedoeld in artikel
1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht of artikel 3:305a
van het Burgerlijk Wetboek, voor zover degene die door deze verwerking
wordt getroffen, daartegen bezwaar heeft.
Hoofdstuk 9. Toezicht
Paragraaf 1. Het College bescherming persoonsgegevens
Artikel 51
1.Er is een College bescherming persoonsgegevens dat
tot taak heeft toe te zien op de verwerking van persoonsgegevens
overeenkomstig het bij en krachtens de wet bepaalde. Tevens houdt het
College toezicht op de verwerking van persoonsgegevens in Nederland,
wanneer de verwerking plaatsvindt overeenkomstig het recht van een
ander land van de Europese Unie.
2.Het College wordt om advies gevraagd over
voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur
die geheel of voor een belangrijk deel betrekking hebben op de
verwerking van persoonsgegevens.
Artikel 52
1.Het College vervult overigens de taken, hem bij
wet en ingevolge verdrag opgedragen.
2.Het College vervult zijn taken in
onafhankelijkheid.
Artikel 53
1. Het College bestaat uit een voorzitter en twee
andere leden. Bij het College kunnen voorts buitengewone leden worden
benoemd. Bij de benoeming van buitengewone leden wordt spreiding over
de onderscheidene sectoren van de maatschappij nagestreefd.
2. De voorzitter moet voldoen aan de bij of
krachtens artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
gestelde vereisten voor benoembaarheid tot rechter in een rechtbank.
3. De voorzitter wordt bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister, benoemd voor een tijdvak van zes jaar.
De andere twee leden en de buitengewone leden worden bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister, benoemd voor een tijdvak van
vier jaar. De leden kunnen terstond worden herbenoemd. Op eigen
verzoek worden zij door Onze Minister ontslagen.
4. Er is een Raad van advies die het College
adviseert over algemene aspecten van de bescherming van
persoonsgegevens. De leden zijn afkomstig uit de onderscheidene
sectoren van de maatschappij en worden benoemd door Onze Minister op
voordracht van het College. De leden worden benoemd voor ten hoogste
vier jaar. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier
jaar plaatsvinden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
wordt de vergoeding van de kosten aan de leden vastgesteld.
Artikel 54
1.Aan een lid wordt bij koninklijk besluit, op
voordracht van Onze Minister, ontslag verleend met ingang van de
eerste maand volgend op die waarin hij de leeftijd van vijfenzestig
jaar bereikt.
2.De artikelen 46c, 46d, tweede lid, 46f, 46g, 46i,
met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste en
derde lid, 46m, 46n, 46o en 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat:
a. de disciplinaire maatregel als bedoeld in
artikel 46c, eerste lid, ten aanzien van de leden van het College
door de voorzitter van het College wordt opgelegd;
b. het in artikel 46c, eerste lid, onderdeel b,
genoemde verbod zich in een onderhoud of een gesprek in te laten
met partijen of haar advocaten of gemachtigden of een bijzondere
inlichting of schriftelijk stuk van hen aan te nemen niet op de
leden van het College van toepassing is.
Artikel 55
1.De voorzitter en de andere twee leden genieten een
bezoldiging voor hun werkzaamheden. De buitengewone leden genieten een
zittingsgeld. Hun rechtspositie wordt nader geregeld bij algemene
maatregel van bestuur.
2.De voorzitter en de andere twee leden mogen zonder
toestemming van Onze Minister geen andere werkzaamheden verrichten
waarvoor een beloning wordt genoten indien deze werkzaamheden door hun
aard of omvang onverenigbaar zijn met hun werkzaamheden voor het
College.
Artikel 56
1.Het College heeft een secretariaat, waarvan de
ambtenaren door Onze Minister, op voordracht van de voorzitter, worden
benoemd, geschorst en ontslagen.
2.De voorzitter geeft leiding aan de werkzaamheden
van het College en van het secretariaat.
3.Het College stelt een bestuursreglement vast. Dit
bevat in ieder geval regels over het financiële beheer en de
administratieve organisatie, alsmede over werkwijzen en procedures met
het oog op een goede en zorgvuldige uitoefening van de verschillende
taken. Daarbij wordt voorzien in waarborgen tegen vermenging van de
toezichthoudende, adviserende en sanctionerende taak van het College.
Tevens kan het een nadere regeling geven van de Raad van advies, als
bedoeld in artikel 53, vierde lid.
4.Het reglement alsmede elke wijziging daarvan wordt
zo spoedig mogelijk gezonden aan Onze Minister en behoeft diens
goedkeuring.
Artikel 57
1.Het College wordt vertegenwoordigd door de
voorzitter en de twee andere leden, dan wel door een van hen.
2.De leden stellen een verdeling van taken vast en
betrekken hierbij zoveel mogelijk de buitengewone leden.
Artikel 58
Het College stelt jaarlijks vóór 1 september een
verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en
de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkwijze in het bijzonder
in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister en
aan de functionarissen voor de gegevensbescherming als bedoeld in
artikel 62 toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
Artikel 59
1.Het College verstrekt desgevraagd aan Onze
Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen.
Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en
bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.
2.Het eerste lid is niet van toepassing indien het
College de informatie van derden heeft verkregen onder de voorwaarde
dat het geheime karakter daarvan wordt gehandhaafd.
Artikel 60
1.Het College kan ambtshalve of op verzoek van een
belanghebbende, een onderzoek instellen naar de wijze waarop ten
aanzien van gegevensverwerking toepassing wordt gegeven aan het
bepaalde bij of krachtens de wet.
2.Het College brengt zijn voorlopige bevindingen ter
kennis van de verantwoordelijke of de groep van verantwoordelijken die
bij het onderzoek zijn betrokken en stelt hen in de gelegenheid hun
zienswijze daarop te geven. Houden de voorlopige bevindingen verband
met de uitvoering van enige wet, dan brengt het College deze tevens
ter kennis van Onze Minister die het aangaat.
3.In geval van een onderzoek, ingesteld op verzoek
van een belanghebbende, doet het College aan deze mededeling van zijn
bevindingen, tenzij zodanige mededeling onverenigbaar is met het doel
van de gegevensverwerking of de aard van de persoonsgegevens, dan wel
gewichtige belangen van anderen dan de verzoeker, de verantwoordelijke
daaronder begrepen, daardoor onevenredig zouden worden geschaad.
Indien het mededeling van zijn bevindingen achterwege laat, zendt het
de belanghebbende zodanig bericht als hem geraden voorkomt.
Artikel 61
1. Met het toezicht op de naleving als bedoeld in
artikel 51, eerste lid zijn belast de leden en buitengewone leden van
het College, de ambtenaren van het secretariaat van het College,
alsmede de bij besluit van het College aangewezen personen.
2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn
bevoegd een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.
3. De in het eerste lid bedoelde personen behoeven
voor de uitoefening van de in het tweede lid omschreven bevoegdheid de
uitdrukkelijke en bijzondere volmacht van het College, onverminderd
het bepaalde in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden.
4. Het College is bevoegd tot oplegging van een last
onder bestuursdwang ter handhaving van artikel 5:20, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het betreft de verplichting
tot het verlenen van medewerking aan een bij of krachtens het eerste
lid aangewezen ambtenaar.
5. Geen beroep is mogelijk op een
geheimhoudingsplicht, voor zover inlichtingen of medewerking wordt
verlangd in verband met de eigen betrokkenheid bij de verwerking van
persoonsgegevens.
6. Het College is desgevraagd verplicht aan de
toezichthoudende autoriteiten van de andere lidstaten van de Europese
Unie alle medewerking te verlenen voor zover dat noodzakelijk is voor
de uitvoering van hun taken.
Paragraaf 2. De functionaris voor de
gegevensbescherming
Artikel 62
Een verantwoordelijke of een organisatie waarbij
verantwoordelijken zijn aangesloten kan een eigen functionaris voor de
gegevensbescherming benoemen, onverminderd de bevoegdheden van het
College ingevolge hoofdstuk 9 en 10 van deze wet.
Artikel 63
1.Als functionaris kan slechts worden benoemd een
natuurlijke persoon die voor de vervulling van zijn taak over
toereikende kennis beschikt en voldoende betrouwbaar kan worden
geacht.
2.De functionaris kan wat betreft de uitoefening van
zijn functie geen aanwijzingen ontvangen van de verantwoordelijke of
van de organisatie die hem heeft benoemd. Hij ondervindt geen nadeel
van de uitoefening van zijn taak. De verantwoordelijke stelt de
functionaris in de gelegenheid zijn taak naar behoren te vervullen. De
functionaris kan de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de
verantwoordelijke gevolg dient te geven aan hetgeen in de tweede
volzin is bepaald.
3.De functionaris oefent zijn taken eerst uit nadat
de verantwoordelijke of de organisatie die hem heeft benoemd, hem
heeft aangemeld bij het College. Het College houdt een lijst bij van
aangemelde functionarissen.
4.De functionaris is verplicht tot geheimhouding van
hetgeen hem op grond van een klacht of een verzoek van betrokkene is
bekend geworden, tenzij de betrokkene in bekendmaking toestemt.
5.De functionaris stelt jaarlijks een verslag op van
zijn werkzaamheden en bevindingen.
Artikel 64
1. De functionaris ziet toe op de verwerking van
persoonsgegevens overeenkomstig het bij en krachtens de wet bepaalde.
Het toezicht strekt zich uit tot de verwerking van persoonsgegevens
door de verantwoordelijke die hem heeft benoemd of door de
verantwoordelijken die zijn aangesloten bij de organisatie die hem
heeft benoemd.
2. Indien op de verwerking een krachtens artikel 25
vastgestelde gedragscode van toepassing is, strekt het toezicht mede
uit tot de naleving van deze code.
3. De verantwoordelijke of de organisatie als
bedoeld in het eerste lid draagt zorg dat de functionaris ter
vervulling van zijn taak over bevoegdheden beschikt die gelijkwaardig
zijn aan de bevoegdheden zoals geregeld in Titel 5.2 van de Algemene
wet bestuursrecht.
4. De functionaris kan aanbevelingen doen aan de
verantwoordelijke die strekken tot een betere bescherming van de
gegevens die worden verwerkt. In gevallen van twijfel overlegt hij met
het College.
Hoofdstuk 10. Sancties
Paragraaf 1. Bestuursdwang
Artikel 65
Het College is bevoegd tot oplegging van een last
onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet
gestelde verplichtingen.
Paragraaf 2. Bestuurlijke boeten
Artikel 66
Het College kan aan de verantwoordelijke een
bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste EUR 4 500 ter zake van
overtreding van het bij of krachtens artikel 27, 28 of 79, eerste lid,
bepaalde.
Artikel 67 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 68 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 69 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 70 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 71
De werking van de beschikking tot oplegging van de
bestuurlijk boete wordt opgeschort totdat de bezwaartermijn is
verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.
Artikel 72 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 73 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 74
Onze Minister kan beleidsregels vaststellen over de
uitoefening van de bevoegdheid van het College tot de oplegging van
boeten.
Paragraaf 3. Strafrechtelijke sancties
Artikel 75
1. De verantwoordelijke die in strijd handelt met
hetgeen bij of krachtens artikel 4, derde lid, 27, 28 of 78, tweede
lid, onder a, is bepaald, wordt gestraft met geldboete van de tweede
categorie.
2. De verantwoordelijke die een feit als bedoeld in
het eerste lid, opzettelijk begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten
zijn overtredingen. De in het tweede lid strafbaar gestelde feiten
zijn misdrijven.
4. Met de opsporing van de in dit artikel omschreven
feiten zijn behalve de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek
van Strafvordering aangewezen ambtenaren belast de door Onze Minister
daartoe aangewezen ambtenaren van het secretariaat van het College.
Hoofdstuk 11. Gegevensverkeer met landen buiten de
Europese Unie
Artikel 76
1.Persoonsgegevens die aan een verwerking worden
onderworpen of die bestemd zijn om na hun doorgifte te worden
verwerkt, worden slechts naar een land buiten de Europese Unie
doorgegeven indien, onverminderd de naleving van de wet, dat land een
passend beschermingsniveau waarborgt.
2.Het passend karakter van het beschermingsniveau
wordt beoordeeld gelet op de omstandigheden die op de doorgifte van
gegevens of op een categorie gegevensdoorgiften van invloed zijn. In
het bijzonder wordt rekening gehouden met de aard van de gegevens, met
het doeleinde of de doeleinden en met de duur van de voorgenomen
verwerking of verwerkingen, het land van herkomst en het land van
eindbestemming, de algemene en sectoriële rechtsregels die in het
betrokken derde land gelden, alsmede de regels van het beroepsleven en
de veiligheidsmaatregelen die in die landen worden nageleefd.
Artikel 77
1.In afwijking van artikel 76 kan een doorgifte of
een categorie van doorgiften van persoonsgegevens naar een derde land
dat geen waarborgen biedt voor een passend beschermingsniveau,
plaatsvinden indien:
a. de betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige
toestemming heeft gegeven;
b. de doorgifte noodzakelijk is voor de
uitvoering van een overeenkomst tussen de betrokkene en de
verantwoordelijke, of voor het nemen van precontractuele
maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene en
die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een overeenkomst;
c. de doorgifte noodzakelijk is voor de sluiting
of uitvoering van een in het belang van de betrokkene tussen de
verantwoordelijke en een derde gesloten of te sluiten
overeenkomst;
d. de doorgifte noodzakelijk is vanwege een
zwaarwegend algemeen belang, of voor de vaststelling, de
uitvoering of de verdediging in rechte van enig recht;
e. de doorgifte noodzakelijk is ter vrijwaring
van een vitaal belang van de betrokkene, of
f. de doorgifte geschiedt vanuit een register
dat bij wettelijk voorschrift is ingesteld en dat door een ieder
dan wel door iedere persoon die zich op een gerechtvaardigd belang
kan beroepen, kan worden geraadpleegd, voor zover in het betrokken
geval is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor raadpleging.
2.In afwijking van het eerste lid, kan Onze
Minister, gehoord het College, een vergunning geven voor een doorgifte
of een categorie doorgiften van persoonsgegevens naar een derde land
dat geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau biedt. Aan de
vergunning worden de nadere voorschriften verbonden die nodig zijn om
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de fundamentele
rechten en vrijheden van personen, alsmede de uitoefening van de
daarmee verband houdende rechten te waarborgen.
Artikel 78
1.Onze Minister stelt de Commissie van de Europese
Gemeenschappen in kennis van:
a. de gevallen waarin, naar zijn oordeel, een
derde land geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau
biedt in de zin van artikel 76, eerste lid, en
b. van een vergunning als bedoeld in artikel 77,
tweede lid.
2.Indien zulks voortvloeit uit een besluit van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Raad van de Europese
Unie, bepaalt Onze Minister bij ministeriële regeling of bij
beschikking dat:
a. de doorgifte naar een land buiten de Europese
Unie is verboden;
b. een land buiten de unie geacht wordt een
passend beschermingsniveau te waarborgen, of
c. een op grond van artikel 77, tweede lid,
verleende vergunning wordt ingetrokken of gewijzigd.
3.De in het eerste lid, onder a en b, bedoelde
kennisgevingen worden gepubliceerd in de Staatscourant.
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 79
1.Binnen een jaar na inwerkingtreding van deze wet
worden de gegevensverwerkingen die op dat tijdstip reeds plaatsvonden,
in overeenstemming gebracht met deze wet en worden deze gemeld als
bedoeld in artikel 27 bij het College of de functionaris. Bij algemene
maatregel van bestuur kan de termijn, bedoeld in de eerste volzin,
worden verlengd tot ten hoogste drie jaren voor wat betreft de
verplichting tot melding.
2.Voor de aanpassing van de verwerking van
bijzondere gegevens aan paragraaf 2 van hoofdstuk 2 geldt een termijn
van drie jaren met dien verstande dat voor verwerkingen die al
plaatsvonden en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
overeenkomsten tot stand gekomen voor het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, niet opnieuw toestemming behoeft te
worden gevraagd als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder a.
3.Artikel 32, tweede lid, is niet van toepassing op
de verwerkingen als bedoeld in artikel 31, eerste en derde lid, die
reeds plaatsvonden op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet,
onderscheidenlijk van de wet of de algemene maatregel van bestuur
waarbij zij zijn aangewezen.
Artikel 80
Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties zenden binnen vijf jaren na de inwerkingtreding
van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid
en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 81
De Wet persoonsregistraties wordt ingetrokken.
Artikel 82
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 83
Deze wet wordt aangehaald als: Wet bescherming
persoonsgegevens.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 6 juli 2000
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid,
R.H.L.M. van Boxtel
Uitgegeven de twintigste juli 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|