Nadere regelgeving:
- Regeling melding ongevallen en voorvallen op zee 2005
WET van 12 maart 1992, houdende
aanvullende regels met betrekking tot het voorkomen, beperken of
ongedaan maken van schadelijke gevolgen van ongevallen op de Noordzee
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bescherming van de
belangen van Nederland als kuststaat, alsook met het oog op de
toepassing van het op 29 november 1969 te Brussel tot stand gekomen
Verdrag inzake optreden in volle zee bij ongevallen die verontreiniging
door olie kunnen veroorzaken (met Bijlage) (Trb. 1970, 197) en
van het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Protocol inzake
optreden in volle zee bij ongevallen die verontreiniging door andere
stoffen dan olie kunnen veroorzaken (Trb. 1977, 162), wenselijk
is aanvullende regelen te stellen met betrekking tot het voorkomen,
beperken of ongedaan maken van schadelijke gevolgen van ongevallen op de
Noordzee;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. schip: elke zaak, geen luchtvaartuig zijnde, die blijkens
zijn constructie bestemd is om te drijven en drijft of heeft
gedreven;
c. kapitein: degene die het gezag heeft over het schip;
d. ongeval: een aanvaring, een stranding of een ander incident
met een schip bij de navigatie, dan wel een ander voorval aan
boord van het schip of daarbuiten, dat materiële schade aan het
schip of aan zaken aan boord daarvan veroorzaakt of dreigt te
veroorzaken.
2.Indien het schip toebehoort aan een rederij die een boekhouder
heeft aangesteld, of indien er sprake is van rompbevrachting, treedt
de boekhouder, onderscheidenlijk de rompbevrachter voor de toepassing
van deze wet en de daarop berustende bepalingen in de plaats van de
scheepseigenaar.
3.Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt onder het verlenen van hulp aan een schip mede
verstaan het verlenen van hulp aan zaken die zich aan boord daarvan
bevinden of aan van dat schip afkomstige driftige, of gezonken zaken.
4.Onverminderd het bepaalde in het zesde lid, is het bij of
krachtens deze wet ten aanzien van een schip bepaalde van
overeenkomstige toepassing op:
a. elke installatie;
b. elke andere zaak in drijvende of gezonken staat.
5.Het bij of krachtens deze wet ten aanzien van de kapitein
bepaalde is van overeenkomstige toepassing op degene die ter plaatse
de leiding of het opzicht heeft over een installatie of een andere
zaak, bedoeld in het vierde lid.
6.Van de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
zijn uitgezonderd:
a. mijnbouwinstallaties als bedoeld in artikel 1, onderdeel o,
van de Mijnbouwwet;
b. installaties of schepen, die tot opsporing of winning van
delfstoffen in gebruik zijn op een ander dan het Nederlandse deel
van het continentaal plat.
Artikel 2
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder de
Noordzee verstaan de Nederlandse territoriale zee, alsmede het
gedeelte van de volle zee dat daarop aansluit en zich uitstrekt in het
noorden tot de breedtegraad van 56° noorderbreedte, en in het zuiden
tot de breedtegraad van 51°10' noorderbreedte.
2.Voor de toepassingen van het bepaalde in deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt onder de Nederlandse territoriale zee mede
verstaan het gedeelte van de Westerschelde, dat is gelegen tussen de
territoriale zee en de lengtegraad van 3°35' oosterlengte.
Artikel 3
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder
schadelijke gevolgen van een ongeval begrepen:
a. een ernstig en dreigend gevaar vanuit de Noordzee voor de
Nederlandse kust of voor daarmee samenhangende belangen van
Nederland door verontreiniging of dreigende verontreiniging, welk
gevaar ontstaat als gevolg van een ongeval of van daarmee verband
houdende handelingen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen
dat zij zeer ernstige schade tot gevolg zullen hebben;
b. een ernstige belemmering van de scheepvaart in de
Nederlandse territoriale zee, die ontstaat of dreigt te ontstaan
als gevolg van een ongeval of van daarmee verband houdende
handelingen;
c. een ernstige schade vanuit de Noordzee aan:
1°. zeeweringen aan de Nederlandse kust, of
2°. andere waterstaatswerken die in de Nederlandse
territoriale zee zijn gelegen of installaties die zijn
opgericht op de bodem van de Nederlandse territoriale zee,
die ontstaat of dreigt te ontstaan als gevolg van een ongeval of
daarmee verband houdende handelingen, waarbij het schip niet is
vastgeraakt op of in een zeewering of een ander waterstaatswerk, als
bedoeld onder 1° en 2°.
2. In het eerste lid, onderdeel a, worden onder "daarmee
samenhangende belangen van Nederland" verstaan de belangen van
Nederland als kuststaat, die door schadelijke gevolgen van een ongeval
als bedoeld in die bepaling, rechtstreeks worden getroffen of
bedreigd, zoals:
a. maritieme bedrijvigheid op of voor de kust, in een haven of
zeearm, met inbegrip van de visserij die een hoofdmiddel van
bestaan vormt voor de betrokken personen;
b. toeristische attracties in het betrokken gebied;
c. de gezondheid van de kustbevolking en het welzijn van het
betrokken gebied, met inbegrip van het behoud van de levende
rijkdommen van de zee en van de in het wild levende dieren.
Hoofdstuk 2. Melding van ongevallen en van in verband daarmee vanwege
het schip genomen maatregelen
Artikel 4
1. Indien zich een ongeval heeft voorgedaan ten gevolge waarvan
schadelijke gevolgen ontstaan of, naar redelijkerwijs is te voorzien,
zullen ontstaan en het desbetreffende schip zich in de Nederlandse
territoriale zee bevindt, dient de kapitein van dat ongeval zo spoedig
mogelijk melding te maken aan een daartoe door Onze Minister
aangewezen instantie.
2. In een situatie als bedoeld in het eerste lid zijn de kapitein
en de exploitant van het desbetreffende schip en de eigenaar van
gevaarlijk of verontreinigende stoffen aan boord van het
desbetreffende schip verder verplicht om alle in verband met het
ongeval gevraagde gegevens terstond te verstrekken en om desgevraagd
terstond mededeling te doen van alle maatregelen die vanwege het schip
in verband met het ongeval zijn genomen.
3. Indien zich een ongeval heeft voorgedaan ten gevolge waarvan
schadelijke gevolgen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel
a, ontstaan of, naar redelijkerwijs is te voorzien, zullen ontstaan,
zijn het eerste en tweede lid ook van toepassing als het
desbetreffende schip zich buiten de Nederlandse territoriale zee in de
Noordzee bevindt.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot de inhoud van de melding en van de te verstrekken informatie, en
de wijze waarop de melding geschiedt en de informatie wordt verstrekt.
5. Indien de kapitein in een situatie als bedoeld in het eerste lid
van het ongeval melding heeft gemaakt overeenkomstig de daartoe
geregelde verplichtingen in en krachtens artikel 12 van de Wet
voorkoming verontreiniging door schepen (Stb. 1983, 683), geldt de in
het eerste lid bedoelde verplichting niet.
Hoofdstuk 3. Bestrijding van schadelijke gevolgen van ongevallen
Artikel 5
1.Indien een ongeval heeft plaatsgevonden en naar het oordeel van
Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat door de
maatregelen van de kapitein of de scheepseigenaar schadelijke gevolgen
van het ongeval niet worden voorkomen, niet in voldoende mate worden
beperkt, of niet ongedaan worden gemaakt, kan Onze Minister aan de
kapitein, de scheepseigenaar en degenen die hulp verlenen aan het
desbetreffende schip aanwijzingen geven tot het voorkomen, beperken of
ongedaan maken van de schadelijke gevolgen van het ongeval.
2.De aan de kapitein en de scheepseigenaar te geven aanwijzingen
kunnen betrekking hebben op:
a. de aanwezigheid van het schip en de zaken die zich aan boord
daarvan bevinden op een bepaalde plaats of in een bepaald gebied;
b. het verplaatsen van het schip en de zaken die zich aan boord
daarvan bevinden van of naar een bepaalde plaats of een bepaald
gebied;
c. het verlenen van hulp aan het schip;
d. het aan de grond zetten, tot zinken brengen of vernietigen
van het schip alsmede het onschadelijk maken, verwijderen,
overboord zetten, tot zinken brengen of vernietigen van de zaken
die zich aan boord van het schip bevinden op een bepaalde plaats
of in een bepaald gebied.
3.Aanwijzingen aan degenen die hulp verlenen aan het schip kunnen
slechts een verbod tot het uitvoeren van overeengekomen hulpverlening
of tot het voortzetten van reeds aangevangen hulpverlening inhouden.
4.Aanwijzingen moeten evenredig zijn aan de schadelijke gevolgen
van het ongeval en mogen niet verder gaan dan redelijkerwijs
noodzakelijk is om die schadelijke gevolgen te voorkomen, te beperken
of ongedaan te maken.
5.Aanwijzingen tot het voorkomen, beperken of ongedaan maken van
schadelijke gevolgen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a
, mogen worden gegeven wanneer het desbetreffende schip zich op de
Noordzee bevindt.
6.Aanwijzingen tot het voorkomen, beperken of ongedaan maken van
schadelijke gevolgen van het ongeval, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, onderdeel b of c , mogen alleen worden gegeven, wanneer het
desbetreffende schip zich in de Nederlandse territoriale zee bevindt.
Artikel 6
1. Indien naar het oordeel van Onze Minister en Onze Ministers wie
het mede aangaat door het geven van aanwijzingen ingevolge artikel 5
niet kan worden bereikt of niet wordt bereikt, dat schadelijke
gevolgen van het ongeval worden voorkomen, in voldoende mate worden
beperkt, of ongedaan worden gemaakt, kan Onze Minister maatregelen
nemen tot het voorkomen, beperken of ongedaan maken van schadelijke
gevolgen van het ongeval.
2. De in het eerste lid bedoelde maatregelen kunnen inhouden:
a. het verrichten van datgene, met betrekking waartoe ingevolge
artikel 5 aanwijzingen kunnen worden gegeven;
b. het verrichten van onderzoek naar de toestand van het schip
en de aard en de toestand van de zaken die zich aan boord daarvan
bevinden;
c. het overnemen van het gezag over het schip;
d. het brengen van het schip naar een Nederlandse haven, in
beheer bij het Rijk of een andere openbaar lichaam, indien het
schip een ongeval is overkomen dat schadelijke gevolgen heeft als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a.
3. Bij een maatregel als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d,
kunnen aan de kapitein of de scheepseigenaar met betrekking tot de
toegang van het schip tot of het verblijf van het schip in de haven
beperkende voorschriften worden opgelegd in het belang van de openbare
veiligheid van het gebied waarin de haven is gelegen.
4. Ten aanzien van de in het eerste en tweede lid bedoelde
maatregelen is artikel 5, vierde, vijfde en zesde lid, van
overeenkomstige toepassing.
5. Ingeval van maatregelen tot het voorkomen, beperken of ongedaan
maken van schadelijke gevolgen van het ongeval, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel b, waarbij het schip is gestrand, gezonken of
aan de grond geraakt, zijn de artikelen 5 tot en met 10 van de
Wrakkenwet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
1. Onze Minister oefent zijn bevoegdheid om op grond van artikel 5
aanwijzingen te geven of om op grond van artikel 6 maatregelen te
nemen niet uit dan na overleg met de scheepseigenaar en, indien
hulpverlening is aangevangen of overeengekomen, na overleg met de
hulpverlener, tenzij zich een situatie voordoet die onmiddellijk
ingrijpen noodzakelijk maakt.
2. Onze Minister oefent zijn bevoegdheid om op grond van artikel 5
aanwijzingen te geven of om op grond van artikel 6 maatregelen te
nemen niet uit ten aanzien van een schip onder buitenlandse vlag dan
nadat met de vlaggestaat overleg is gepleegd, tenzij zich een situatie
voordoet die onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maakt.
3. Wanneer een schip op grond van een aanwijzing als bedoeld in
artikel 5 naar een Nederlandse haven wordt gebracht, kan Onze Minister
de exploitant, agent of kapitein van het schip verzoeken een
verzekeringsbewijs met betrekking tot een verzekering tegen maritieme
vorderingen over te leggen.
4. Een verzoek tot overlegging van een verzekeringsbewijs leidt
niet tot vertraging bij de opvang van een schip dat bijstand behoeft.
5. Het ontbreken van een verzekeringsbewijs is geen grond voor een
weigering een aanwijzing te geven of een maatregel te treffen gericht
op de opvang van een schip dat bijstand behoeft op een daarvoor
geschikte locatie.
Artikel 8
Onze Minister oefent zijn bevoegdheid om op grond van artikel 5
aanwijzingen te geven en om op grond van artikel 6 maatregelen te nemen
niet uit dan in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat,
tenzij zich een situatie voordoet die onmiddellijk ingrijpen
noodzakelijk maakt.
Artikel 9
1. Indien zich schadelijke gevolgen van een ongeval voordoen die
van invloed zijn voor het gebied van een gemeente, verstrekt Onze
Minister de nodige inlichtingen aan de burgemeester, aan de
commissaris van de Koning en, in geval van een situatie als bedoeld in
artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s, aan de voorzitter van de
veiligheidsregio.
2. Indien de tenuitvoerlegging van de ingevolge artikel 5 gegeven
aanwijzingen of de uitvoering van de ingevolge artikel 6 genomen
maatregelen van invloed zal zijn voor het gebied van de gemeente,
dient over de gevolgen van de aanwijzingen of maatregelen vooraf
overleg te worden gevoerd met de burgemeester, dan wel, in geval van
een situatie als bedoeld in artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s,
de voorzitter van de veiligheidsregio, tenzij zich een situatie
voordoet die onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maakt. In dat geval
wordt dit overleg zo spoedig mogelijk gevoerd. Onze Minister verstrekt
de commissaris van de Koning de nodige inlichtingen.
Artikel 10
1.Indien, nadat een ongeval heeft plaatsgevonden, Onze Minister
ingevolge artikel 6, tweede lid, onderdeel d , het desbetreffende
schip naar een Nederlandse haven, in beheer bij het Rijk of een ander
openbaar lichaam, doet brengen, dient het daartoe bevoegde gezag het
schip in de aangewezen haven toe te laten.
2.De in het eerste lid bedoelde maatregel mag slechts worden
genomen na overleg met het in het eerste lid bedoelde gezag.
Artikel 11
1. Ten behoeve van de goede uitvoering van de artikelen 5, 6 en 8
worden bij besluit van Onze Minister handelend in overeenstemming met
Onze Ministers wie het mede aangaat regels gesteld inzake de
organisatie en de coördinatie van de bestrijding van schadelijke
gevolgen van ongevallen.
2. Met het toezicht op de naleving van de aanwijzingen, gegeven
krachtens artikel 5, zijn belast de bij besluit van Onze Minister
aangewezen ambtenaren. Zij zijn tevens belast met het uitvoeren van
maatregelen, genomen krachtens artikel 6.
3. De krachtens het tweede lid aangewezen ambtenaren zijn bevoegd
een schip te betreden, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de
uitoefening van de in het tweede lid bedoelde taken.
4. Zij gebruiken zo nodig de hulp van de sterke arm voor het
betreden van het schip en voor het aan boord uitvoeren van
maatregelen, genomen ingevolge artikel 6.
5. Bij toepassing van het derde lid legitimeren de daarin bedoelde
ambtenaren zich desgevraagd en doen zij mededeling van het doel van
het betreden van het schip.
6. De krachtens het tweede lid aangewezen ambtenaren kunnen zich
bij toepassing van het derde lid door bepaalde door hen aan te wijzen
personen doen vergezellen.
Hoofdstuk 4. Vergoeding van kosten
Artikel 12
Indien, nadat een ongeval heeft plaatsgevonden, het desbetreffende
schip ingevolge artikel 6, tweede lid, onderdeel d , naar een
Nederlandse haven, in beheer bij het Rijk of een ander openbaar lichaam,
wordt gebracht, vergoedt het Rijk de redelijke kosten van die
maatregelen van het daartoe bevoegde gezag, die redelijkerwijs
noodzakelijk zijn om het gevaar verbonden aan het brengen van het schip
naar en het verblijf in de haven, te voorkomen, te beperken of ongedaan
te maken.
Artikel 13
1.Indien een persoon, nadat een ongeval heeft plaatsgevonden, hulp
heeft verleend aan het desbetreffende schip en als gevolg van
aanwijzingen, gegeven ingevolge artikel 5, of maatregelen, genomen
ingevolge artikel 6 bij de hulpverlening schade heeft geleden die hij
niet kan verhalen op de eigenaar van dat schip of de rechthebbende op
de zaken als bedoeld in artikel 1, derde lid, dan wel op een andere
persoon, kent Onze Minister de hulpverlener op diens verzoek een
billijke tegemoetkoming in die schade toe.
2.Een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd
of kan slechts gedeeltelijk worden toegekend, indien de door de
hulpverlener geleden schade geheel respectievelijk gedeeltelijk is te
wijten aan diens schuld of de schuld van degenen voor wie hij
aansprakelijk is.
3.Onze Minister neemt bij de toepassing van het eerste lid bij de
bepaling van de door de hulpverlener geleden schade in het bijzonder
in aanmerking:
a. de bij de hulpverlening gemaakte kosten;
b. het verlies of de beschadiging van het bij de hulpverlening
ingezet materieel of gebruikte materialen;
c. de bij de hulpverlening gelopen risico's;
d. het gederfde hulploon.
Artikel 14
1.De hulpverlener kan tegen een beschikking van Onze Minister,
genomen op een verzoek om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel
13, eerste lid, binnen zes weken na de bekendmaking beroep instellen
bij de rechtbank te Rotterdam.
2.Het beroep wordt ingesteld door indiening van een verzoekschrift
bij de rechtbank te Rotterdam.
Hoofdstuk 5. Verplichting inzake te nemen maatregelen
Artikel 15
De kapitein of de scheepseigenaar neemt, nadat een ongeval heeft
plaatsgevonden, de nodige maatregelen om schadelijke gevolgen van het
ongeval als bedoeld in artikel 3, eerste lid, te voorkomen, te beperken
of ongedaan te maken.
Artikel 16 [Vervallen per 01-10-1994]
Hoofdstuk 6. Overige bepalingen
Artikel 17
1.Deze wet is niet van toepassing op buitenlandse oorlogsschepen en
buitenlandse militaire luchtvaartuigen, alsmede buitenlandse schepen
of buitenlandse luchtvaartuigen, die eigendom zijn van of in beheer
zijn bij een Staat ten tijde dat zij uitsluitend worden gebruikt in
dienst van de overheid voor andere dan handelsdoeleinden.
2.Deze wet is, behoudens het bepaalde in het derde lid van dit
artikel, niet van toepassing op Nederlandse oorlogsschepen en
Nederlandse militaire luchtvaartuigen.
3.Onze Minister van Defensie treft na overleg met Onze Minister en
Onze Ministers wie het mede aangaat ten aanzien van Nederlandse
oorlogsschepen en Nederlandse militaire luchtvaartuigen de maatregelen
die zijn geboden om de schadelijke gevolgen van ongevallen met deze
schepen of luchtvaartuigen te voorkomen, te beperken of ongedaan te
maken.
Artikel 18
De Wrakkenwet (Stb. 1934, 401) is niet van toepassing in de
Nederlandse territoriale zee met betrekking tot een ongeval dat
schadelijke gevolgen heeft als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdelen a en b.
Artikel 19
De toepasselijkheid van deze wet wordt beperkt door de in het
volkenrecht erkende uitzonderingen.
Artikel 20
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 21
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet bestrijding ongevallen
Noordzee.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 12 maart 1992
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de zevende mei 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|