Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 16 september 1954, houdende
administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen
te geven omtrent het beroep tegen besluiten en handelingen van
publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Titel I. Algemene bepaling
Artikel 1
Voor de toepassing van deze wet worden onder lichamen verstaan de
Sociaal-Economische Raad, de bedrijfslichamen, bedoeld in artikel 66,
vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie, en de lichamen,
ingesteld ter gemeenschappelijke behartiging van belangen, bedoeld in
artikel 110 van die wet.
Titel II. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven
Artikel 2
Er is een College van Beroep voor het bedrijfsleven, verder te noemen
het College, gevestigd te 's-Gravenhage.
Artikel 3
1. Bij het College zijn werkzaam:
a. leden met rechtspraak belast, en
b. gerechtsambtenaren.
2. De leden met rechtspraak belast, werkzaam bij het College zijn:
a. senior raadsheren;
b. raadsheren;
c. raadsheren-plaatsvervangers.
Artikel 4
Het bij en krachtens de afdelingen 1, 1A, 2 en 6 van hoofdstuk 2 van
de Wet op de rechterlijke organisatie bepaalde is, met uitzondering van
de artikelen 2, 3, 9, 11, 20 en 21, van overeenkomstige toepassing op
het College, met dien verstande dat:
a. het bestuur bestaat uit een voorzitter, een niet-rechterlijk
lid en ten hoogste vier andere leden met rechtspraak belast van het
College als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a en b;
b. de voorzitter onderscheidenlijk de andere leden met
rechtspraak belast, bedoeld in onderdeel a, in verband met het
verrichten van de werkzaamheden als voorzitter onderscheidenlijk lid
van het bestuur een toelage ontvangen op het salaris dat zij
overeenkomstig de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
genieten, waarvan het bedrag gelijk is aan het verschil tussen dat
salaris en de bij algemene maatregel van bestuur voor de functie van
lid van het bestuur vast te stellen salarishoogte;
c. de voorzitter onderscheidenlijk de andere leden met
rechtspraak belast, bedoeld in onderdeel a, na het verstrijken van
een benoemingsduur van ten minste zes aaneengesloten jaren, met
ingang van de datum waarop hij zijn werkzaamheden als zodanig
beëindigt, gedurende drie jaren een toelage ontvangt op het salaris
dat hij overeenkomstig de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
geniet, waarvan het bedrag gelijk is aan het verschil tussen dat
salaris en de bij algemene maatregel van bestuur voor de functie van
voorzitter onderscheidenlijk lid van het bestuur vast te stellen
salarishoogte;
d. bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden
gesteld over de onkostenvergoeding van de voorzitter en de andere
leden met rechtspraak belast, bedoeld in onderdeel a, en de
bezoldiging van het niet-rechterlijk lid;
e. een lid van het bestuur, niet zijnde voorzitter of
niet-rechterlijk lid, wordt ontslagen onderscheidenlijk geschorst
als lid van het bestuur indien hij als lid met rechtspraak belast
wordt ontslagen onderscheidenlijk geschorst;
f. een lid van het bestuur, niet zijnde voorzitter of
niet-rechterlijk lid, op eigen verzoek wordt ontslagen;
g. de voorzitter en de andere leden, niet zijnde niet-rechterlijk
lid, tevens staatsraad of staatsraad in buitengewone dienst kunnen
zijn;
h. ten aanzien van een lid van het bestuur, niet zijnde
voorzitter of niet-rechterlijk lid, de bij en krachtens de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren aan het bestuur toegekende
bevoegdheden worden uitgeoefend door het bestuur uitgezonderd dat
lid;
i. het bestuur bevoegd is organisatorische eenheden in te stellen
die belast worden met het behandelen en beslissen van de soorten
zaken die door het bestuur aan die eenheden worden opgedragen.
Artikel 5
1. Op de leden met rechtspraak belast is de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren, voor zover betrekking hebbend op rechterlijke
ambtenaren met rechtspraak belast, met uitzondering van de artikelen
5a, 5b, 5c, vierde tot en met zesde lid, en 5g, tweede lid, onderdeel
a, en vierde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat:
a. het bestuur wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit;
b. zij met betrekking tot hun benoeming en salaris worden
gelijkgesteld met degenen die hetzelfde ambt vervullen bij een
gerechtshof;
c. het bestuur de lijst van aanbeveling opmaakt bij het
openvallen van een plaats van senior raadsheer, raadsheer of
raadsheer-plaatsvervanger en de Raad voor de rechtspraak deze
lijst telkens, onder medezending van een advies hierover, aan Onze
Minister van Justitie doorzendt met het oog op een voordracht voor
benoeming overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren;
d. zij voor de overeenkomstige toepassing van de artikelen 6,
45 en 46 worden gelijkgesteld met bij een gerechtshof of rechtbank
werkzame rechterlijke ambtenaren;
e. zij voor de overeenkomstige toepassing van artikel 13 worden
gelijkgesteld met rechterlijke ambtenaren van wie de eerste
benoeming een ambt bij een gerechtshof of rechtbank betreft;
f. het bestuur de werkzaamheden van de leden met rechtspraak
belast verdeelt; en
g. het lid met rechtspraak belast, dat tevens president is van
het College, ten aanzien van hen bevoegd is tot het opleggen van
de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing, en het
doen van een verzoek aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad,
bedoeld in artikel 46o, tweede lid.
2. Op de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs is de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren, voor zover betrekking hebbend
op senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs, met uitzondering van
artikel 5b, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. het bestuur wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit;
b. zij voor de overeenkomstige toepassing van de artikelen 6,
45 en 46 worden gelijkgesteld met rechterlijke ambtenaren die
werkzaam zijn bij een gerechtshof of rechtbank;
c. het bestuur de werkzaamheden van de senior-gerechtsauditeurs
en gerechtsauditeurs verdeelt; en
d. zij voor de overeenkomstige toepassing van artikel 13 worden
gelijkgesteld met rechterlijke ambtenaren van wie de eerste
benoeming een ambt bij een gerechtshof of rechtbank betreft.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de overeenkomstige toepassing van het
krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde ten
aanzien van de in het eerste en tweede lid genoemde leden met
rechtspraak belast, senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs.
Artikel 6
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over
de werkwijze van het College.
Artikel 7
De rechtbanken en de presidenten geven inlichtingen wanneer die door
de president van het College voor de behandeling van een zaak
noodzakelijk worden geacht.
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2002]
TITEL III. BEROEP EN HOGER BEROEP BIJ HET COLLEGE
HOOFDSTUK I. BEROEP
Artikel 18
1. Het College oordeelt, bij uitsluiting, in eerste aanleg tevens
in hoogste ressort over het beroep, door een belanghebbende ingesteld
tegen:
a. een besluit van een lichaam, met uitzondering van een
besluit op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, en
b. een andere handeling, door een lichaam ten aanzien van hem
ter uitvoering van zijn bestuurstaak verricht, met uitzondering
van een privaatrechtelijke rechtshandeling.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de wet het
beroep tegen bepaalde besluiten of andere handelingen anders regelt.
3. Het College is voorts, bij uitsluiting, belast met de
behandeling in eerste aanleg tevens in hoogste ressort van de bij de
wet aan het College opgedragen geschillen.
4. Op de bevoegdheid van het College zijn de artikelen 8:1, derde
lid, 8:2, 8:3, 8:4, aanhef en onderdeel j, en 8:6, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 19
1. Ten aanzien van besluiten en andere handelingen is hoofdstuk 8
van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van afdeling 8.1.1
en de artikelen 8:10, 8:13 en 8:51a, eerste lid, van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat artikel 8:86, eerste lid, slechts
kan worden toegepast indien partijen daarvoor toestemming hebben
gegeven. Ook hierop worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in
artikel 8:83, eerste lid, gewezen.
2. De zaken die bij het College aanhangig worden gemaakt, worden in
behandeling genomen door een meervoudige kamer.
3. Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer
geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze
verwijzen naar een enkelvoudige kamer.
4. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer
ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze
naar een meervoudige kamer.
5. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een
verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
6. Het College kan het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het
bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige
volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als
partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden
benadeeld.
HOOFDSTUK II. HOGER BEROEP
Artikel 20
1. Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen bij het College
hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als
bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht en tegen
een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld
in artikel 8:86 van die wet, inzake een besluit, genomen op grond van
een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze
wet behoort.
2. Bij een wijziging van de bijlage blijft de bijlage zoals deze
luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van
toepassing ten aanzien van de mogelijkheid om hoger beroep in te
stellen tegen een uitspraak die voor dat tijdstip is gedaan.
3. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen:
a. een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel
8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
b. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54a
van die wet,
c. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55,
vijfde lid, van die wet,
d. een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in
artikel 8:84, tweede lid, van die wet, en
e. een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in
artikel 8:75a, eerste lid, in verband met artikel 8:84, vierde
lid, van die wet.
4. Tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de in het eerste lid
bedoelde uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegen:
a. een tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de
Algemene wet bestuursrecht; of
b. een andere beslissing van de rechtbank.
Artikel 21
1.De griffier doet van het ingestelde hoger beroep zo spoedig
mogelijk mededeling aan de griffier van de rechtbank die de uitspraak
heeft gedaan.
2.De griffier van de rechtbank, bedoeld in het eerste lid, zendt de
gedingstukken met vier afschriften van het proces-verbaal van de
zitting, voor zover dit op de zaak betrekking heeft, en vier
afschriften van de uitspraak binnen een week na ontvangst van de in
het eerste lid bedoelde mededeling aan de griffier van het College.
Artikel 22
1. Op het hoger beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet
bestuursrecht, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en de artikelen
8:10, 8:13, 8:41, 8:51a, eerste lid, 8:74 en 8:82, van overeenkomstige
toepassing, voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald.
Artikel 8:86, eerste lid, kan slechts worden toegepast indien een
enkelvoudige kamer van de rechtbank uitspraak op het beroep heeft
gedaan.
2. De zaken die bij het College aanhangig worden gemaakt, worden in
behandeling genomen door een meervoudige kamer.
3. Indien een zaak die door een enkelvoudige kamer van de rechtbank
is behandeld naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is
voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen
naar een enkelvoudige kamer.
4. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer
ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze
naar een meervoudige kamer.
5. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een
verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
6. Het College kan het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het
bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige
volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als
partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden
benadeeld.
Artikel 23
1.In geval van intrekking van het hoger beroep door het
bestuursorgaan kan het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij
afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in de kosten worden
veroordeeld. Indien het hoger beroep mondeling wordt ingetrokken,
wordt het verzoek door de partij die daarbij aanwezig is mondeling
gedaan tegelijk met de intrekking van het hoger beroep. Indien aan dit
vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk
verklaard. Indien het hoger beroep schriftelijk wordt ingetrokken,
wordt het verzoek schriftelijk gedaan. De artikelen 6:5 tot en met
6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Artikel 8:73a, tweede en derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een
griffierecht geheven. Indien de uitspraak van de rechtbank, voor zover
daartegen hoger beroep is ingesteld, betrekking heeft op meer dan
één besluit of indien het een gezamenlijk beroepschrift van twee of
meer indieners ter zake van dezelfde uitspraak betreft, is eenmaal
griffierecht verschuldigd. In die gevallen bedraagt het griffierecht
het hoogste op grond van het tweede lid ter zake van een van de
besluiten onderscheidenlijk door een van de indieners verschuldigde
griffierecht.
2. Het griffierecht bedraagt:
a. € 232 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is
ingesteld, tenzij bij de wet anders is bepaald, en
b. € 466 indien anders dan door een natuurlijke persoon hoger
beroep is ingesteld.
3. Indien het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld en de
uitspraak van de rechtbank wordt in stand gelaten, wordt van de
desbetreffende rechtspersoon een griffierecht geheven van € 466.
4. De griffier wijst de indiener van het beroepschrift op de
verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het
verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van
zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van het
College dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag
niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het hoger
beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan
worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
5. Indien het hoger beroep wordt ingetrokken omdat het
bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het
beroepschrift is tegemoetgekomen, wordt het door de indiener betaalde
griffierecht aan hem vergoed door de desbetreffende rechtspersoon. In
de overige gevallen kan de desbetreffende rechtspersoon, indien het
hoger beroep wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of
gedeeltelijk vergoeden.
6. De in het tweede en derde lid genoemde bedragen kunnen bij
algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de
consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om
herziening.
Artikel 25
1.Van de verzoeker om een voorlopige voorziening wordt door de
griffier een griffierecht geheven. Artikel 24, eerste lid, tweede en
derde volzin, tweede en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.Artikel 24, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of
storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee
weken bedraagt. De president kan een kortere termijn stellen.
3.Indien het verzoek wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan,
onderscheidenlijk de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is
gericht, aan de president schriftelijk heeft medegedeeld de uitvoering
van het bestreden besluit hangende de procedure met betrekking tot de
hoofdzaak op te schorten dan wel de gevraagde voorlopige maatregelen
te zullen nemen, wordt het betaalde griffierecht door de griffier
terugbetaald. In de overige gevallen kan de desbetreffende
rechtspersoon, indien het verzoek wordt ingetrokken, het betaalde
griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.
4.De uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht door de
door de president aangewezen rechtspersoon geheel of gedeeltelijk
wordt vergoed.
5.Indien het verzoek is gedaan door het bestuursorgaan en het
verzoek geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, kan de uitspraak
inhouden dat het betaalde griffierecht door de griffier aan de
desbetreffende rechtspersoon wordt terugbetaald.
6.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om
voorlopige voorziening dat wordt gedaan nadat een verzoek om
herziening is gedaan.
Artikel 26
Het College bevestigt de uitspraak van de rechtbank, hetzij met
overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele
of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank zou
behoren te doen.
Artikel 27
1.Indien het College de uitspraak van de rechtbank geheel of
gedeeltelijk vernietigt, houdt de uitspraak tevens in dat aan de
indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht door
de door het College aangewezen rechtspersoon wordt vergoed.
2.In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde
griffierecht door de door het College aangewezen rechtspersoon geheel
of gedeeltelijk wordt vergoed.
Artikel 28
1.Het College wijst de zaak terug naar de rechtbank die deze in
eerste aanleg heeft behandeld, indien:
a. de rechtbank haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid
van het beroep heeft uitgesproken en het College deze uitspraak
vernietigt met bevoegdverklaring van de rechtbank
onderscheidenlijk ontvankelijkverklaring van het beroep, of
b. het College om andere redenen dan bedoeld in onderdeel a van
oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden
behandeld.
2.De griffier zendt de gedingstukken, onder medezending van een
afschrift van de uitspraak, zo spoedig mogelijk aan de griffier van de
rechtbank.
Artikel 29
In de gevallen, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, kan
het College de zaak zonder terugwijzing afdoen, indien zij naar zijn
oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft.
Artikel 30
Indien het College van oordeel is dat de uitspraak is gedaan door een
andere rechtbank dan de bevoegde, kan het de onbevoegdheid voor gedekt
verklaren en de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aanmerken.
Titel IV. Citeertitel
Artikel 31
Deze wet wordt aangehaald als: Wet bestuursrechtspraak
bedrijfsorganisatie.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 16 September 1954
JULIANA
De Minister van Justitie,
L.A. Donker
De Minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie,
A.C. de Bruijn
De Minister van Economische Zaken,
J. Zijlstra
De Staatssecretaris van Sociale Zaken,
A.A. van Rhijn
De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening,
Mansholt
De Minister van Financiën,
Van de Kieft
De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting,
H. Witte
Uitgegeven de acht en twintigste September 1954
De Minister van Justitie,
L.A. Donker
Bijlage bij de Wet bestuursrechtspraak
bedrijfsorganisatie
1. Mededingingswet;
2. Postwet 2009;
3. Telecommunicatiewet;
4. Overgangswet
elektriciteitsproductiesector;
5. Tabakswet;
6. De artikelen 56, eerste lid, 59, eerste
lid, 94, eerste lid, en 96, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000;
7. De artikelen 11, vijfde lid, 16, 60ac en
60ad van de Gaswet;
7. Warenwet;
8. [vervallen;]
9. [vervallen;]
10. [vervallen;]
11. de Wet inzake de
geldtransactiekantoren;
12. [vervallen;]
13. de Wet financiële betrekkingen
buitenland 1994;
12. De Pensioenwet en Invoerings- en
aanpassingswet Pensioenwet;
13. Wet verplichte deelneming in een
bedrijfstakpensioenfonds 2000;
14. Wet verplichte beroepspensioenregeling;
15. Artikel VIII van de wet van 22 december
1999, (Stb. 592) tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en
enkele andere wetten onder meer met het oog op verbetering van het
toezicht op de uitvoering van aanvullende pensioenregelingen, invoering
van een verbod op uitstelfinanciering van pensioenaanspraken en
verduidelijking van de regels inzake waarde-overdracht van pensioen en
aanspraken op pensioen (wijziging PSW in verband met toezicht, verbod op
uitstelfinanciering en waardeoverdracht);
16. De Wet toezicht
accountantsorganisaties;
16. De artikelen 1.72, eerste lid, en 2.28,
eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
16. de Wet toezicht trustkantoren;
16. De Spoorwegwet;
17. de Wet marktordening gezondheidszorg,
voor zover het betreft beschikkingen van de Nederlandse Zorgautoriteit als
bedoeld in paragraaf 4 van hoofdstuk 6 van die wet;
17. De artikelen 77h en 77i van de
Elektriciteitswet 1998;
17. Artikel 51 van de Meststoffenwet;
17. Artikel 8.25f, eerste lid, en artikel
8.25g, eerste lid, van de Wet luchtvaart;
18. De Loodsenwet, met uitzondering van
artikel 27f;
18. De Wet handhaving
consumentenbescherming;
18. de Wet toezicht financiële
verslaggeving;
18. de Wet op het financieel toezicht;
18. Artikel 90, eerste lid, van de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
19. Artikel 120b, eerste lid, van de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
19. Hoofdstuk 3 van de Wet aanwijzing
nationale accreditatie-instantie;
19. Artikelen 14 tot en met 16 van de Wet
implementatie rechtsbeschermingsrichtlijnen aanbesteden;
19. de Wet aansprakelijkheid
olietankschepen;
19. de artikelen 63d, 156 en 266 van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek;
20. de Wet schadefonds olietankschepen;
21. afdeling 5 van titel 6 van Boek 8 van
het Burgerlijk Wetboek.
|