Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 16 augustus 1951 tot openstelling van rechterlijke
betrekkingen advocatuur en notariaat voor bepaalde groepen van Indische
juristen, notarissen en candidaat-notarissen
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
voorziening te treffen met betrekking tot hen, die hun studie in het
Indisch recht of het Indonesische notariaat voltooid hebben en die in
verband met de souvereiniteitsoverdracht hun loopbaan in Indonesië niet
hebben kunnen voortzetten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Personen, die met goed gevolg het doctoraal examen, genoemd in
artikel 4, paragraaf 58, van het academisch statuut, of een daaraan
gelijkwaardig examen aan de Rechtshogeschool of de Universiteit van
Indonesië hebben afgelegd en die een verklaring van Onze Minister voor
Uniezaken en Overzeese Rijksdelen kunnen overleggen, dat zij nadien
tussen 1 Januari 1939 en 1 Januari 1950 in Indonesië zijn werkzaam
geweest, kunnen, indien het op grond van hun loopbaan in Indonesië
waarschijnlijk is, dat zij de geschiktheid tot het vervullen van hierna
bedoelde ambten of beroepen bezitten, voor zover betreft het vereiste
van een academische graad of hoedanigheid:
a. voor zoveel nodig in afwijking van het bepaalde in de
artikelen 3, eerste lid, 35, 37, 48 en 64 van de Wet op de
rechterlijke organisatie en het beleid der justitie worden benoemd
tot de in die artikelen vermelde ambten;
b. in afwijking van het bepaalde bij of krachtens artikel 34 van
de Beroepswet worden benoemd tot de in dat artikel vermelde ambten;
c. in afwijking van het bepaalde in artikel 119 van het Besluit
Herstel Rechtsverkeer worden benoemd tot de in dat artikel vermelde
ambten;
d. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 75 en 83, derde
lid, van de Pachtwet worden benoemd tot secretaris of
plaatsvervangend secretaris van een grondkamer dan wel tot griffier
van de Centrale Grondkamer.
e. van Onze Minister van Justitie schriftelijke toestemming
verkrijgen om in afwijking van de op dit stuk bestaande bepalingen
inschrijving en beëdiging als advocaat te verzoeken.
Artikel 2
[1.] Personen, die het examen bedoeld in artikel 13 van het
Reglement op het Notarisambt in Indonesië met goed gevolg hebben
afgelegd of de in dat artikel bedoelde hoedanigheid van
candidaat-notaris hebben verworven en een verklaring van Onze Minister
voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen kunnen overleggen, dat zij
nadien tussen 1 Januari 1939 en 1 Januari 1950 in Indonesië zijn
werkzaam geweest, zijn candidaat-notaris in de zin van artikel 20a
van de Wet van 9 Juli 1842 (Staatsblad n°. 20) op het
Notarisambt.
[2.] Bij de kennisgeving bedoeld in artikel 20b van
genoemde wet wordt overgelegd het getuigschrift van het afgelegd examen
benevens de hierboven genoemde verklaring van Onze Minister voor
Uniezaken en Overzeese Rijksdelen. Indien overlegging van een
getuigschrift van het afgelegd examen niet mogelijk is, wordt in de
plaats daarvan overgelegd een verklaring van Onze Minister voor
Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, dat hem is gebleken dat betrokkene
het examen bedoeld in artikel 13 van het Reglement op het Notarisambt in
Indonesië met goed gevolg heeft afgelegd of de in dat artikel bedoelde
hoedanigheid van candidaat-notaris heeft verworven.
[3.] In afwijking van het bepaalde in artikel 10 sub 4° en 5°
van de Wet op het Notarisambt zijn de in het eerste lid bedoelde
personen tot notaris benoembaar, indien zij op een of meer
notariskantoren hier te lande een werktijd hebben volbracht van twee
jaren, met dien verstande, dat deze werktijd tezamen met de werktijd op
een of meer notariskantoren in Indonesië volbracht niet minder dan drie
jaren mag bedragen.
Artikel 3
[1.] Indien personen als bedoeld in het eerste lid van artikel
2 vóór het in werking treden van deze wet op een of meer
notariskantoren in Nederland werkzaam zijn geweest, mag de tijd van
deze werkzaamheden worden medegeteld voor de berekening van de
werktijd bedoeld in het laatste lid van artikel 2, mits zij binnen
één maand na het in werking treden van deze wet hiervan kennis geven
aan de Kamer van Toezicht, tot welker ressort de standplaats van de
notaris behoort, onder overlegging van de bescheiden vermeld in het
tweede lid van artikel 2.
[2.] Het bepaalde in artikel 20b, tweede en vierde lid,
der wet op het Notarisambt is van overeenkomstige toepassing op deze
kennisgeving.
[3.] Het ingevolge het eerste lid bij de kennisgeving overgelegde
getuigschrift of de daarvoor in de plaats tredende verklaring wordt aan
de inzender teruggezonden, nadat daarop een door de Voorzitter van de
Kamer van Toezicht ondertekende verklaring is gesteld betreffende de
duur van de voor het in werking treden van deze wet volbrachte werktijd.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 16 Augustus 1951
JULIANA
De Minister van Justitie a.i.,
J.H. van Maarseveen
Uitgegeven de acht en twintigste Augustus 1951
De Minister van Justitie a.i.,
J.H. van Maarseveen
|