Nadere regelgeving:
- Regeling koopsubsidiegrenzen 2008
(vervallen)
- Regeling
koopsubsidiegrenzen 2009 (vervallen)
- Regeling
koopsubsidiegrenzen 2010 (vervallen)
- Regeling
koopsubsidiegrenzen 2011
(vervallen)
- Regeling
koopsubsidiegrenzen 2012 (vervallen)
- Regeling
koopsubsidiegrenzen 2013
WET van 11 december 2000, houdende nieuwe
regels over het toekennen van bijdragen aan lagere inkomensgroepen ten
behoeve van het verkrijgen en kunnen blijven bewonen van een eigen
woning (Wet bevordering eigenwoningbezit)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te
stellen omtrent het aan mensen in lagere inkomensgroepen toekennen van
een bijdrage ten behoeve van het verkrijgen en kunnen blijven bewonen
van een eigen woning;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
§ 1. Definities
Artikel 1. Definities
1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. bestaande woning: woning die al voor de eigendomsoverdracht
werd bewoond;
b. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van
de gemeente waarin de woning is gelegen waarop de
eigenwoningbijdrage betrekking heeft;
c. bijdragejaar: jaar dat begint met de eerste volle
kalendermaand waarin degene die de eigenwoningbijdrage aanvraagt
de woning in eigendom heeft verkregen en loopt tot en met de elfde
daaropvolgende kalendermaand, en de direct daarop aansluitende
jaren;
d. eigenaar-bewoner: natuurlijke persoon die, alleen of
gezamenlijk met een persoon als bedoeld inartikel 2, eerste lid,
onder a of b, een woning volledig in eigendom verkrijgt en daarin
zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben;
e. eigenwoningbijdrage: financiële bijdrage krachtens deze
wet;
f. financieringslast: te betalen bedrag aan rente over en
aflossing van de hypothecaire lening, blijkens de
geldleningsovereenkomst;
g. financieringslastnorm: gedeelte van de financieringslast dat
per maand ten minste voor rekening van de eigenaar-bewoner blijft,
uitgedrukt in een percentage van het toetsinkomen;
h. fiscaal effect: naar een maandbedrag herrekend jaarlijks
terugkerend belastingvoordeel dat een huishouden met een eigen
woning heeft ten opzichte van andere huishoudens, gebaseerd op
aftrekbaarheid van het blijkens de geldleningsovereenkomst te
betalen bedrag aan rente over de hypothecaire lening enerzijds, en
bijtelling van het eigenwoningforfait anderzijds;
i. nieuwbouwwoning: woning die voor de eigendomsoverdracht
nooit bewoond is geweest;
j. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen, Wijken en
Integratie;
k. opslagpercentage: percentage waarmee de
financieringslastnorm ten hoogste kan worden vermeerderd;
l. peildatum: eerste dag van het vijfjaarstijdvak,
respectievelijk in artikel 40, eerste dag die volgt op het derde
vijfjaarstijdvak;
m. peiljaar: kalenderjaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar;
n. primaire toekenning: toekenning van de eigenwoningbijdrage
voor het eerste vijfjaarstijdvak;
o. toetsinkomen: toetsinkomen, bepaald volgensartikel 3;
p. toetsrente: rentetarief waartegen een hypothecaire lening
kan worden afgesloten;
q. toetsvermogen: toetsvermogen, bedoeld in artikel 4;
r. vijfjaarstijdvak: aaneengesloten periode van vijf
bijdragejaren;
s. woning: gebouwde onroerende zaak voor zover deze bestemd is
om als zelfstandige woonruimte te worden gebruikt alsmede de
onroerende aanhorigheden.
2.In deze wet, behoudens artikel 20, en de daarop berustende
bepalingen wordt onder bestaande woning, nieuwbouwwoning en woning
mede verstaan de daarbij behorende grond.
Artikel 1a [Vervallen per 01-07-2006]
§ 2. Overige begripsomschrijvingen
Artikel 2. Bewoningssituatie
1. Degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner,
bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, zijn de
eigenaar-bewoner en:
a. zijn niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of
geregistreerde partner, of
b. degene die gezamenlijk met de eigenaar-bewoner de woning
bewoont en daarin met hem een gezamenlijke huishouding voert, niet
zijnde een bloed- of aanverwant van de eigenaar-bewoner of een
pleegkind.
2. Naast de eigenaar-bewoner kan slechts één andere persoon tot
diens huishouden behoren.
3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. eenpersoonshuishouden: het huishouden van een
eigenaar-bewoner die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet had
bereikt op de datum van de offerte voor een hypothecaire lening
ter verkrijging van de onder auspiciën van de Stichting
Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nationale Hypotheek
Garantie, en waartoe geen persoon behoort als bedoeld in het
eerste lid, onder a en b;
b. tweepersoonshuishouden: het huishouden van een
eigenaar-bewoner waartoe een persoon behoort als bedoeld in het
eerste lid, onder a en b, als het aandeel in het toetsinkomen,
afkomstig van degenen die op de datum van de offerte voor een
hypothecaire lening ter verkrijging van de onder auspiciën van de
Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nationale
Hypotheek Garantie de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hadden
bereikt, de helft of minder bedraagt;
c. eenpersoonsouderenhuishouden: het huishouden van een
eigenaar-bewoner die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, had bereikt
op de datum van de offerte voor een hypothecaire lening ter
verkrijging van de onder auspiciën van de Stichting Waarborgfonds
Eigen Woningen ontwikkelde Nationale Hypotheek Garantie, en
waartoe geen persoon behoort als bedoeld in het eerste lid, onder
a en b;
d. tweepersoonsouderenhuishouden: het huishouden van een
eigenaar-bewoner waartoe een persoon behoort als bedoeld in het
eerste lid, onder a en b, als het aandeel in het toetsinkomen,
afkomstig van degenen die op de datum van de offerte voor een
hypothecaire lening ter verkrijging van de onder auspiciën van de
Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nationale
Hypotheek Garantie de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hadden
bereikt, meer dan de helft bedraagt.
Artikel 3. Toetsinkomen
1.Het toetsinkomen, bedoeld in deze wet en de daarop berustende
bepalingen, is de ten aanzien van degenen die behoren tot het
huishouden van de eigenaar-bewoner berekende som van de toetsinkomens
in de zin van de voorwaarden en normen voor de onder auspiciën van de
Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nationale Hypotheek
Garantie, zoals deze jaarlijks in de Staatscourant worden
gepubliceerd.
2.Bij de bepaling van de som volgens het eerste lid wordt elk
toetsinkomen dat negatief is, op nul gesteld.
3.Met betrekking tot de controle van het toetsinkomen maakt Onze
Minister gebruik van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21,
onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 4. Toetsvermogen
1.Het toetsvermogen, bedoeld in deze wet en de daarop berustende
bepalingen, is het gezamenlijk vermogen van degenen die behoren tot
het huishouden van de eigenaar-bewoner in het peiljaar.
2.Onder vermogen wordt verstaan: de gemiddelde rendementsgrondslag,
bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien
verstande dat die grondslag wordt bepaald zonder rekening te houden
met de vrijstelling maatschappelijke beleggingen, bedoeld in afdeling
5.3 van die wet en de vrijstelling beleggingen in durfkapitaal,
bedoeld in afdeling 5.3a van die wet.
3.De inspecteur, onder wie de eigenaar-bewoner of degene die tot
diens huishouden behoort krachtens artikel 3, tweede lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteert voor de heffing van
de inkomstenbelasting, verstrekt op verzoek van Onze Minister over het
kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin die
eigenaar-bewoner de eigenwoningbijdrage heeft aangevraagd, het
vermogen, bedoeld in het tweede lid, van de desbetreffende
eigenaar-bewoner of degene die tot diens huishouden behoort, aan Onze
Minister.
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2007]
Hoofdstuk 2. Het recht op de eigenwoningbijdrage voor het in eigendom
verkrijgen en vervolgens kunnen blijven bewonen van een woning
§ 1. Het recht op de eigenwoningbijdrage
Artikel 6. Omschrijving recht
1.Als aan deze wet wordt voldaan, kent Onze Minister, ter
tegemoetkoming in de kosten van het in eigendom verkrijgen en
vervolgens kunnen blijven bewonen van een woning, op aanvraag aan de
eigenaar-bewoner:
a. drie maal een eigenwoningbijdrage toe over drie
achtereenvolgende vijfjaarstijdvakken, en vervolgens
b. een maal een eigenwoningbijdrage toe over ten hoogste de 15
bijdragejaren die direct volgen op het derde vijfjaarstijdvak,
overeenkomstig hoofdstuk 5.
2.Ten aanzien van een bepaalde eigenaar-bewoner kan slechts één
maal van een primaire toekenning sprake zijn.
3.Een eigenwoningbijdrage wordt slechts toegekend ten behoeve van
het in eigendom verkrijgen en vervolgens kunnen blijven bewonen van
een woning.
4.Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is, met uitzondering
van afdeling 4.2.2 van die titel, niet van toepassing op
eigenwoningbijdragen krachtens deze wet.
5.De hoofdstukken 2 en 3 van deze wet zijn uitsluitend van
toepassing op eigenwoningbijdragen als bedoeld in het eerste lid,
onder a, tenzij hoofdstuk 5 van deze wet anders bepaalt.
6.Bij ministeriële regeling:
a. kan een bedrag worden vastgesteld, dat gedurende een
kalenderjaar ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van
eigenwoningbijdragen krachtens deze wet,
b. kan worden bepaald dat, indien een zodanig bedrag in een
kalenderjaar niet geheel aan die verstrekking wordt besteed, het
niet bestede bedrag wordt toegevoegd aan het bedrag voor het
direct daaropvolgende kalenderjaar, en
c. kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de loting van
gelijktijdig ingediende aanvragen om toekenning van een
eigenwoningbijdrage.
Onze Minister maakt het voor het einde van een kalenderjaar geheel
aan die verstrekking besteed zijn van het bedrag voor dat kalenderjaar
onverwijld bekend in de Staatscourant.
§ 2. Eisen die gelden voor elke toekenning
Artikel 7. Inschrijving gba
1.Behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 13 wordt een
eigenwoningbijdrage slechts toegekend als degenen die tot het
huishouden van de eigenaar-bewoner behoren, zich op de peildatum
hebben ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens, op het adres van de woning in verband met welke de
eigenwoningbijdrage is aangevraagd.
2.In afwijking van het eerste lid kan een eigenwoningbijdrage
worden toegekend als de onjuiste inschrijving in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens niet aan de eigenaar-bewoner kan
worden toegerekend.
3.Behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 13, eerste lid,
wordt een eigenwoningbijdrage slechts toegekend als de
eigenaar-bewoner op de peildatum woont in de woning in verband met
welke de eigenwoningbijdrage is aangevraagd.
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 9. Maximaal toegestaan toetsvermogen
Een eigenwoningbijdrage wordt niet toegekend als het toetsvermogen
voor een eenpersoonshuishouden of een eenpersoonsouderenhuishouden meer
bedraagt dan het bedrag, genoemd in artikel 5.5, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, en voor een tweepersoonshuishouden of een
tweepersoonsouderenhuishouden meer bedraagt dan het bedrag, genoemd in
artikel 5.5, tweede lid, van die wet.
Artikel 10. Hypotheekgarantie
1.Een eigenwoningbijdrage wordt slechts toegekend als, tot
zekerheid van de nakoming door de eigenaar-bewoner van de
verplichtingen uit hetzij de hypothecaire lening hetzij een
daaropvolgende lening of daaropvolgend krediet in rekening-courant ter
financiering van het in eigendom verkrijgen van een woning met als
zekerheid hypotheek op die woning, voor die lening of dat krediet een
garantie is afgegeven door de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen.
2.De af te geven garantie is de garantie, bedoeld in artikel 3,
eerste lid. De in dat artikellid bedoelde voorwaarden en normen voor
die garantie zijn van toepassing, tenzij deze wet anders bepaalt.
§ 3. Eisen die slechts gelden voor primaire toekenningen
3.1. Eisen aan degenen die behoren tot het huishouden van de
eigenaar-bewoner
Artikel 11. Leeftijdsgrens
Voor een primaire toekenning is vereist dat de eigenaar-bewoner op de
peildatum 18 jaar of ouder is.
Artikel 12. Eigenaar-bewoner geen eigenaar voor eigendomsoverdracht
Voor een primaire toekenning is vereist dat de eigenaar-bewoner
gedurende een tijdvak van ten minste drie jaar tot de datum van
eigendomsoverdracht geen eigenaar is geweest van een woning waar hij
zijn hoofdverblijf had.
Artikel 13. Latere inschrijving gba/bewoning
1.Op een primaire toekenning is artikel 7 niet van toepassing,
voorzover de bewoning of de inschrijving in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens is uitgesteld:
a. omdat een nieuwbouwwoning nog niet bewoonbaar is;
b. omdat een bestaande woning nog door de vorige bewoner wordt
bewoond, of
c. omdat in een bestaande woning achterstallig onderhoud wordt
verricht.
2.In een geval als bedoeld in het eerste lid kan de
eigenwoningbijdrage worden ingetrokken als de inschrijving of de
bewoning niet heeft plaatsgevonden bij een situatie als bedoeld in
onderdeel a van dat artikellid binnen negen maanden na de
gereedgemelde woning of bij een situatie als bedoeld in de onderdelen
b en c van dat artikellid binnen negen maanden na de peildatum. De
intrekking vindt plaats met ingang van de eerste dag van de
kalendermaand die volgt na de afloop van die termijn van negen
maanden.
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2007]
3.2. Eisen aan de woning
Artikel 15. Maximale koopsom, maximale hypothecaire lening
1. Voor een primaire toekenning is vereist dat:
a. de koopsom van de woning niet hoger is dan€172.750, en
b. het bedrag van de hypothecaire lening niet hoger is dan het
bedrag, genoemd onder a, vermeerderd met 8 procent.
2. Het in het eerste lid, onder a, genoemde bedrag wordt met ingang
van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 41.
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 17 [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 20. Bestaande woning niet op ernstig verontreinigde grond
Voor een primaire toekenning ten behoeve van een bestaande woning is
vereist dat deze zich niet bevindt op bodem, waarvan ingevolge de Wet
bodembescherming is vastgesteld dat deze ernstig verontreinigd is.
Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2007]
3.3. Overige eisen
Artikel 22 [Vervallen per 02-09-2008]
Artikel 23. Nadere eisen met betrekking tot de hypothecaire lening
Voor een primaire toekenning is vereist dat de hypothecaire lening
wordt afgesloten voor een bij ministeriële regeling te bepalen
rentevaste periode.
§ 3a. Eisen die slechts gelden voor toekenningen na het tweede
vijfjaarstijdvak
Artikel 23a. Vereisten voor ewb na 10 jaar
Op een toekenning van een eigenwoningbijdrage na het tweede
vijfjaarstijdvak is artikel 23 van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Hardheid, overgang ewb bij verlies eigendom
Artikel 24. Hardheid
1.Onze Minister kan ambtshalve of op verzoek van de
eigenaar-bewoner, als in een bepaald geval de onverkorte toepassing
van de desbetreffende bepalingen, gelet op het belang dat deze wet
beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou
leiden:
a. bij de toepassing van de artikelen 3, eerste lid, en 4,
eerste lid, een persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onder a en b, buiten beschouwing laten;
b. bij de toepassing van artikel 4, tweede lid, bepaalde
inkomsten of vermogensbestanddelen geheel of gedeeltelijk buiten
beschouwing laten.
2.Een daling van het inkomen, of een daling van het vermogen na het
peiljaar, kan niet leiden tot toepassing van het eerste lid.
Artikel 25. Overgang ewb bij verlies eigendom
1.Als de eigenaar-bewoner in de loop van het vijfjaarstijdvak de
eigendom van de woning verliest, wordt de eigenwoningbijdrage op naam
gesteld van diens echtgenoot, geregistreerde partner of bloed- of
aanverwant in de eerste of tweede graad, als deze:
a. ten minste voor de helft eigenaar van die woning blijft of
wordt, dan wel een beperkt recht op die woning verkrijgt;
b. die woning op het tijdstip van het verlies van de eigendom,
bedoeld in de aanhef, bewoonde en
c. die woning blijft bewonen.
2.Bij een verlies van de eigendom van de woning als bedoeld in het
eerste lid zonder dat daarvoor de eigendom van een andere woning in de
plaats komt, en waarbij voorts niet wordt voldaan aan onderdeel a, b
of c van dat lid, is artikel 50, eerste lid, van toepassing.
Hoofdstuk 3. De hoogte van de eigenwoningbijdrage
Artikel 26. Bepaling toetsrente
1.Het percentage van de toetsrente wordt bij ministeriële regeling
vastgesteld, met inachtneming van het rentetarief dat wordt gehanteerd
bij het verstrekken van een hypothecaire lening afgesloten in de vorm
van een annuïteitenhypotheek.
2.Het percentage, bedoeld in het eerste lid, kan bij ministeriële
regeling worden gewijzigd als daartoe aanleiding bestaat als gevolg
van de ontwikkeling van het rentetarief, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 27. Berekening fiscaal effect
1.Het fiscaal effect wordt verkregen door de tot een bedrag
herleide financieringslastnorm te vermenigvuldigen met:
a. voor eenpersoonshuishoudens en tweepersoonshuishoudens,
indien het toetsinkomen minder bedraagt dan of gelijk is aan het
laagste bedrag, genoemd in de tabel onder II bij artikel 2.10 van
de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dit luidt in het
bijdragejaar: 0,29;
b. voor eenpersoonshuishoudens en tweepersoonshuishoudens,
indien het toetsinkomen meer bedraagt dan het laagste bedrag,
genoemd in de tabel onder II bij artikel 2.10 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, zoals dit luidt in het bijdragejaar:
0,33;
c. voor eenpersoonsouderenhuishoudens en
tweepersoonsouderenhuishoudens, indien het toetsinkomen minder
bedraagt dan of gelijk is aan het laagste bedrag, genoemd in de
tabel onder II bij artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting
2001, zoals dit luidt in het bijdragejaar: 0,13, en
d. voor eenpersoonsouderenhuishoudens en
tweepersoonsouderenhuishoudens, indien het toetsinkomen meer
bedraagt dan het laagste bedrag, genoemd in de tabel onder II bij
artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dit luidt
in het bijdragejaar: 0,16.
2.De in het eerste lid genoemde factoren kunnen worden gewijzigd
overeenkomstig artikel 41.
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 29. Bepaling financieringslastnorm en opslagpercentage
1. De financieringslastnorm wordt bij ministeriële regeling
vastgesteld.
2. Bij ministeriële regeling wordt een opslagpercentage
vastgesteld. Dat percentage wordt:
a. bij toetsinkomens van€32.525 of meer zodanig vastgesteld
dat met gebruikmaking daarvan een hypothecaire lening in de vorm
van een annuïteitenhypotheek kan worden afgesloten ter hoogte van
het bedrag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder b, dan wel
b. bij toetsinkomens van minder dan€ 32.525 zodanig
vastgesteld dat dit percentage overeenkomt met het ingevolge
onderdeel a vastgestelde percentage dat geldt bij een toetsinkomen
van€ 32.525.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde percentages kunnen bij
ministeriële regeling worden gewijzigd als daartoe aanleiding bestaat
als gevolg van de ontwikkeling van het rentetarief, bedoeld in artikel
26, eerste lid.
4. Het in het tweede lid genoemde bedrag wordt met ingang van 1
januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 41.
5. Met het oog op de uitvoering van het eerste en tweede lid worden
bij ministeriële regeling de toetsinkomens in inkomensklassen
verdeeld, waarbij de toetsrente, de maximale hypothecaire lening, de
daarbij behorende financieringslastnorm en het daarbij behorende
percentage, bedoeld in het tweede lid, worden vermeld.
6. De toetsinkomens in een zelfde inkomensklasse mogen ten hoogste€
500 van elkaar verschillen.
7. Bij ministeriële regeling wordt elk jaar, met ingang van 1
januari, de indeling in inkomensklassen herzien.
Artikel 30. Berekening hoogte ewb
1.De eigenwoningbijdrage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder
a, bestaat uit een maandelijkse tegemoetkoming in de
financieringslast.
2.De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, bedraagt de
uitkomst van de formule:

in welke formule voorstelt:
H: het bedrag van het toetsinkomen;
Rx: de uitkomst van de berekening van de financieringslast die uit
de hypothecaire lening volgt bij toepassing van de voorwaarden en
normen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, uitgedrukt in een
percentage;
Ro: het percentage, bedoeld in artikel 29, eerste lid;
f: de van toepassing zijnde factor, bedoeld in artikel 27, die
geldt op de peildatum.
3.Er wordt slechts een eigenwoningbijdrage als bedoeld in artikel
6, eerste lid, onder a, toegekend als de uitkomst van de formule,
bedoeld in het tweede lid, een positief bedrag is en het verschil
tussen Rx en Ro als bedoeld in het tweede lid niet groter is dan het
opslagpercentage.
4.De overeenkomstig het tweede lid berekende tegemoetkoming wordt
naar boven afgerond op hele eurocenten.
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 32 [Vervallen per 26-03-2004]
Hoofdstuk 4 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 34 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 36 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 37 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2007]
Hoofdstuk 5. Het recht op de eigenwoningbijdrage na het derde
vijfjaarstijdvak
Artikel 39. Vereisten voor ewb na 15 jaar
1.Bij ministeriële regeling kan een rentevaste periode worden
bepaald, waarvoor de lening of het krediet in rekening-courant ter
financiering van het in eigendom verkrijgen van een woning met als
zekerheid hypotheek op die woning dient te zijn afgesloten, om in
aanmerking te komen voor een eigenwoningbijdrage als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder b.
2.Op een toekenning van een eigenwoningbijdrage als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder b, zijn de artikelen 6, derde, vierde en
zesde lid, 7, 9,23, 24 tot en met 27 en 29 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 40. Berekening hoogte van de ewb na 15 jaar
1.De eigenwoningbijdrage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder
b, bestaat uit:
a. een maandelijkse tegemoetkoming in de financieringslast, en
b. een tegemoetkoming in verband met het financieel risico voor
de eigenaar-bewoner bij een stijging van het percentage, bedoeld
inartikel 26, eerste lid.
2.De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt
berekend met gebruikmaking van de formule, bedoeld in artikel 30,
tweede lid, met dien verstande dat in die formule wordt verstaan
onder:
H: het bedrag van het toetsinkomen op de peildatum, gewijzigd met
de ontwikkeling van de consumentenprijzen (alle huishoudens), zoals
die naar redelijke verwachting zal plaatsvinden;
Rx: de uitkomst van de berekening van de op de peildatum geldende
financieringslast die uit de hypothecaire lening volgt bij toepassing
van de voorwaarden en normen, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
uitgedrukt in een percentage;
Ro: het percentage, bedoeld in artikel 29, eerste lid, dat geldt op
de peildatum.
3.Er wordt slechts een eigenwoningbijdrage als bedoeld in artikel
6, eerste lid, onder b, toegekend als de uitkomst van de formule,
bedoeld in het tweede lid, voor het 16e bijdragejaar een positief
bedrag is en het verschil tussen Rx en Ro als bedoeld in het tweede
lid niet groter is dan het opslagpercentage.
4.De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onder b, bedraagt
de uitkomst van de formule:

in welke formule voorstelt:
H: het bedrag van het toetsinkomen dat geldt op de peildatum;
Rx: de uitkomst van de berekening van de op de peildatum geldende
financieringslast die uit de hypothecaire lening volgt bij toepassing
van de voorwaarden en normen, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
uitgedrukt in een percentage;
Ro: het percentage, bedoeld in artikel 29, eerste lid;
f: de van toepassing zijnde factor, bedoeld in artikel 27, die
geldt op de peildatum.
5.De eigenwoningbijdrage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder
b, is de helft van de netto contante waarde van de bedragen die
overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid zijn berekend over
die bijdragejaren met betrekking tot welke de uitkomst van de formule,
bedoeld in het tweede lid, een positief bedrag is.
6.De volgens het vijfde lid toe te kennen eigenwoningbijdrage wordt
naar boven afgerond op hele eurocenten.
Hoofdstuk 6. Wijziging van bedragen en factoren
Artikel 41. Wijziging
1.Bij ministeriële regeling wordt elk jaar, met ingang van 1
januari, het bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, onder a
(maximale koopsom), gewijzigd met de ontwikkeling van het
prijsindexcijfer voor de bouwkosten.
2.Bij ministeriële regeling wordt elk jaar, met ingang van 1
januari, het bedrag, genoemd in artikel 29, tweede lid, gewijzigd met
de ontwikkeling van de consumentenprijzen (alle huishoudens) in het
jaar voorafgaand aan het peiljaar, als in januari van dat peiljaar in
de Staatscourant bekendgemaakt.
3.Bij ministeriële regeling kunnen de factoren, bedoeld in artikel
27, eerste lid (fiscaal effect), worden gewijzigd als daartoe
aanleiding bestaat vanwege wijziging van de belastingwetgeving.
4.De bedragen en de factoren worden als volgt afgerond:
a. de bedragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
naar boven afgerond op een veelvoud van€ 25;
b. de factoren, bedoeld in het derde lid, worden naar boven
afgerond op twee decimalen.
5.De overeenkomstig het eerste, tweede en derde lid vastgestelde,
vanaf 1 januari geldende bedragen en factoren worden elk jaar
uiterlijk op 1 november in de Staatscourant bekendgemaakt.
6.Bij een volgende wijziging van deze bedragen en deze factoren
wordt uitgegaan van de bedragen en factoren zoals die waren, voordat
zij werden afgerond.
Hoofdstuk 7. Aanvraag, toekenning en betaling
Artikel 42. Aanvraag
1.De aanvraag tot toekenning van een eigenwoningbijdrage wordt
gedaan door middel van een volledig ingevuld formulier. Onze Minister
stelt het formulier vast. Onze Minister, de financier die de offerte
voor een hypothecaire lening heeft uitgebracht die de eigenaar-bewoner
heeft geaccepteerd of andere daartoe door Onze Minister aangewezen
personen of instanties stellen het formulier verkrijgbaar.
2.De aanvraag voor een andere toekenning dan een primaire wordt
ingediend voor de aanvang van het vijfjaarstijdvak waarop die aanvraag
betrekking heeft. Als niet aan de eerste volzin wordt voldaan, kan
geen zodanige aanvraag meer worden ingediend.
3.Als tot het huishouden van de eigenaar-bewoner nog een ander dan
hijzelf behoort, wordt bij de aanvraag een verklaring van die ander
gevoegd, inhoudende:
a. dat de op het aanvraagformulier vermelde, hem betreffende,
gegevens inzake het inkomen juist zijn, en
b. dat ermee wordt ingestemd dat de inspecteur der
rijksbelastingen of Onze Minister terzake van deze gegevens
inlichtingen inwint bij, en informatie verschaft aan, de
eigenaar-bewoner, zo daartoe bij de toepassing van de artikelen 2,
3, 4 en 6 aanleiding mocht zijn.
4.De aanvraag voor een toekenning dient ten minste te vermelden:
a. het huishouden, bedoeld in artikel 2, derde lid;
b. het toetsinkomen, bedoeld inartikel 3, eerste lid;
c. het toetsvermogen, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
5.Bij de aanvraag voor een primaire toekenning worden ten minste
afschriften van de navolgende stukken gevoegd:
a. de koopovereenkomst;
b. de offerte, bedoeld in het eerste lid, waarin is aangegeven
dat de hypothecaire lening wordt verstrekt onder de garantie,
bedoeld in artikel 10;
c. de gegevens betreffende het toetsinkomen in de zin van de
voorwaarden en normen, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
6.Bij de aanvraag voor een andere toekenning dan een primaire
worden ten minste de gegevens, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c,
gevoegd.
7.De aanvraag wordt ingediend bij Onze Minister, bij een aanvraag
voor een primaire toekenning mogelijk door tussenkomst van de
financier, de personen of de instanties, bedoeld in het eerste lid.
Onze Minister stelt die financier, de personen of de instanties
terstond in kennis van de ontvangst van de aanvraag.
8.Een verzoek als bedoeld in artikel 24 maakt deel uit van de
aanvraag, bedoeld in dit artikel.
Artikel 43. Beslistermijnen, aanvulling aanvraag voor een primaire
toekenning
1.Onze Minister neemt een beslissing over:
a. een aanvraag voor een primaire toekenning: binnen twee weken
na de indiening daarvan, en
b. een aanvraag voor een andere toekenning dan een primaire:
binnen vier maanden na de indiening daarvan.
2.Onze Minister beslist op aanvragen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer
de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht
de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de datum waarop
de aanvraag is aangevuld geldt als datum van ontvangst.
3.Als de beslissing een primaire toekenning inhoudt, doet de
eigenaar-bewoner zo spoedig mogelijk aan Onze Minister toekomen:
a. een authentiek afschrift van de akte van levering van de
woning, en
b. een afschrift van de geldleningsovereenkomst.
4.Onze Minister stelt de financier, bedoeld in artikel 42, eerste
lid, terstond in kennis van een beslissing als bedoeld in het derde
lid en van de ontvangst van de stukken, bedoeld onder a en b van dat
lid.
Artikel 44. Uitbetaling
1. De eigenwoningbijdrage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder
a, wordt steeds over een tijdvak van een maand uitbetaald, direct na
afloop van dat tijdvak. De eerste uitbetaling vindt plaats over de
eerste kalendermaand van het vijfjaarstijdvak. Uitbetaling geschiedt
doordat Onze Minister de eigenwoningbijdrage uitbetaalt aan de
eigenaar-bewoner. Met de uitbetaling over het eerste vijfjaarstijdvak
wordt niet begonnen, zolang Onze Minister de bescheiden, genoemd in
artikel 43, derde lid, niet heeft ontvangen. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop
zodanige uitbetaling plaatsvindt.
2. De eigenwoningbijdrage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder
b, wordt ineens uitbetaald aan de financier, bedoeld in artikel 42,
eerste lid, in de maand die volgt op de maand waarin de laatste
betaling volgens het eerste lid is geschied. Onze Minister stelt de
eigenaar-bewoner hiervan schriftelijk in kennis.
Artikel 45. Beschikken over bijdrage
1.De eigenwoningbijdrage is niet vatbaar voor vervreemding,
verpanding, belening, beslag of uitwinning en verhaal, behoudens dat
beslag, verhaal en, in geval van verpanding, uitwinning is toegestaan
met het oog op inning van de hypotheeklast.
2.Elk beding, strijdig met het eerste lid, is nietig.
Hoofdstuk 8. Informatieplicht, verificatie, opschorting, herziening
en terugvordering
Artikel 46. Informatieplicht huishouden eigenaar-bewoner
1.Degenen die tot het huishouden van de eigenaar-bewoner behoren
zijn verplicht uit eigen beweging aan Onze Minister onmiddellijk alle
inlichtingen te verstrekken waarover zij redelijkerwijs kunnen
beschikken, en die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de
vaststelling van het recht op en de hoogte van de eigenwoningbijdrage.
2.De in het eerste lid bedoelde personen zijn verplicht de in dat
lid bedoelde gegevens desgevraagd te verstrekken aan Onze Minister en
aan de door hem daartoe aangewezen ambtenaren.
Artikel 47. Informatieplicht financier
1.De financier, bedoeld in artikel 42, eerste lid, is verplicht aan
Onze Minister op diens verzoek onmiddellijk inlichtingen met
betrekking tot de hypothecaire lening te verstrekken waarover hij
redelijkerwijs kan beschikken, en die redelijkerwijs van belang kunnen
zijn voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de
eigenwoningbijdrage.
2.Onze Minister stelt de eigenaar-bewoner in kennis van elke
gegevensverstrekking als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 48 [Vervallen per 28-12-2005]
Artikel 49. Opschorten
Onze Minister kan de uitbetaling van de eigenwoningbijdrage geheel of
gedeeltelijk opschorten als hij redelijkerwijs kan vermoeden dat ten
onrechte of tot een te hoog bedrag een eigenwoningbijdrage is toegekend
of dat niet langer is voldaan aan een eis voor de primaire toekenning.
Artikel 50. Herzien en terugvorderen
1. Onze Minister kan de toekenning herzien:
a. als niet langer wordt voldaan aan een eis voor de primaire
toekenning;
b. als de toekenning heeft plaatsgevonden in afwijking van deze
wet of de daarop berustende bepalingen, of
c. als artikel 43, derde lid, of 46, tweede lid, niet wordt
nageleefd.
2. Aan een besluit als bedoeld in het eerste lid kan terugwerkende
kracht worden verleend over ten hoogste vijf bijdragejaren,
voorafgaande aan het lopende bijdragejaar:
a. als gegevens die zijn verstrekt door degene die behoort tot
het huishouden van de eigenaar-bewoner zodanig onjuist of
onvolledig blijken te zijn geweest, dat een ander besluit zou zijn
genomen indien de juiste of volledige gegevens bij Onze Minister
bekend zouden zijn geweest;
b. als artikel 43, derde lid, of 46, tweede lid, niet wordt
nageleefd, of
c. als de eigenaar-bewoner redelijkerwijs had kunnen begrijpen
dat de eigenwoningbijdrage ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is toegekend.
3. Als het eerste lid toepassing vindt, is Onze Minister bevoegd
tot terugvordering van de ten onrechte of teveel uitbetaalde
eigenwoningbijdrage van de eigenaar-bewoner, of tot verrekening van
die eigenwoningbijdrage met aanspraken op eigenwoningbijdragen van de
eigenaar-bewoner.
4. Onze Minister kan, als de herziening haar grond vindt in het
feit dat het aanvraagformulier niet naar waarheid is ingevuld, dan wel
artikel 46 niet is nageleefd, het terug te vorderen bedrag verhogen
met 25 procent, met dien verstande dat deze verhoging niet meer mag
bedragen dan € 225 per bijdragejaar, waarover ten onrechte een
eigenwoningbijdrage werd genoten. De verhoging kan worden betrokken
bij een verrekening als bedoeld in het derde lid.
Artikel 51. Invorderen
1. Een bedrag als bedoeld in artikel 50, derde en vierde lid, wordt
ingevorderd door Onze Minister.
2. Als de eigenaar-bewoner in gebreke blijft, kan de invordering
van het verschuldigde bedrag, vermeerderd met de kosten van
invordering, geschieden bij dwangbevel.
3. De betekening en tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden
door de ontvanger van de belastingen, bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990, en door de
belastingdeurwaarder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel j,
van die wet, met toepassing van de artikelen 13 en 14 van die wet.
4. Zolang de ontvanger met de zorg voor de invordering is belast,
kan hij een vordering doen op grond van artikel 19 van de
Invorderingswet 1990, alsmede verrekenen op grond van artikel 24 van
die wet.
5. Met betrekking tot het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het
dwangbevel is artikel 17 van de Invorderingswet 1990 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in dat artikel in
plaats van «de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd»
telkens moet worden gelezen: de met de tenuitvoerlegging van het
dwangbevel belaste ontvanger.
6. Met betrekking tot de kosten van aanmaning en verdere
invordering zijn de artikelen 6 en 7 van de Invorderingswet 1990 van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 9. Bestuurlijke informatieverschaffing, toezicht op de
naleving en voorlichting
Artikel 52. Informatieverstrekking algemeen
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de bij die maatregel
aangewezen personen en instanties, met uitzondering van degenen die tot
het huishouden van de eigenaar-bewoner behoren, worden verplicht
kosteloos gegevens en afschriften van stukken te verstrekken aan
burgemeester en wethouders en Onze Minister, voorzover die verstrekking
noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet. Bij die maatregel
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot die verstrekking.
Artikel 53. Informatie door b&w
Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister
de gegevens over de uitvoering van deze wet, alsmede inzage in de
stukken daarover, op de wijze als door Onze Minister bepaald.
Artikel 54. Burgerservicenummer
In de administratie over de uitvoering van deze wet wordt het
burgerservicenummer opgenomen van degenen die tot het huishouden van de
eigenaar-bewoner behoren. Bij de verstrekking van gegevens over de
uitvoering van deze wet wordt gebruik gemaakt van dit
burgerservicenummer. Onder burgerservicenummer wordt verstaan: het
nummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer.
Artikel 55. Toezicht op de naleving
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaren.
2.De in het eerste lid bedoelde ambtenaren beschikken niet over de
bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:15, 5:18 en 5:19 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 56 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 57. Voorlichting
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent de voorlichting over deze wet.
Hoofdstuk 10. Wijziging andere wetten, overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Wijziging andere wetten
Artikel 58. Wijziging Huursubsidiewet
[Wijzigt de Huursubsidiewet.]
Artikel 59. Wijziging Algemene bijstandswet
[Wijzigt de Algemene bijstandswet.]
Artikel 60 [Vervallen per 01-01-2001]
§ 2. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 61 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 62 [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 63. Overgangsrecht
Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet worden geen
koopgewenningssubsidies vastgesteld op voet van enige daarop betrekking
hebbende regeling van Onze Minister.
Artikel 63a [Vervallen per 28-12-2005]
Artikel 64. Evaluatie
1. Onze Minister brengt jaarlijks verslag uit aan de
Staten-Generaal over de werking van deze wet.
2. Onverminderd het eerste lid zendt Onze Minister binnen vier jaar
na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens driejaarlijks, aan
de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
van deze wet in de praktijk.
Artikel 65. Inwerkingtreding
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
2. Met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze wet worden,
als die dag 1 juli 2000 of een latere datum is, gewijzigd:
a. de bedragen, genoemd in de artikelen 8, eerste lid, en 9,
eerste lid, onderdelen a, c en d: overeenkomstig de wijzigingen
die op 1 juli 2000 en nadien hebben plaatsgevonden of plaatsvinden
ingevolge artikel 27 van de Huursubsidiewet, en
b. de bedragen, genoemd in de artikelen 15, eerste lid, 29,
eerste lid, formule, en 31, eerste lid: overeenkomstig artikel 41,
met als uitgangspunt dat de laatste wijziging daarvan per 1
januari 2000 heeft plaatsgevonden.
Artikel 66. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet bevordering eigenwoningbezit.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 11 december 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.W. Remkes
De Staatssecretaris van Financiën,
W.J. Bos
Uitgegeven de eenentwintigste december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|