Nadere regelgeving:
- Beleidsregels integriteit en uitsluiting bij aanbestedingen in Bibob-sectoren
(vervallen)
- Beleidsregel toetsing
vergunningen personenvervoer aan de Wet Bibob
- Besluit Bibob
WET van 20 juni 2002, houdende regels
inzake de bevordering van integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur met betrekking tot beschikkingen of overheidsopdrachten (Wet
bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat
bestuursorganen over de mogelijkheid beschikken om bepaalde subsidies of
vergunningen te weigeren of in te trekken indien er sprake is van gevaar
dat strafbare feiten zullen worden gepleegd of van het vermoeden dat
strafbare feiten zijn gepleegd, alsook om bepaalde overheidsopdrachten
niet te gunnen of een overeenkomst terzake te ontbinden indien door
bedrijven niet of niet meer wordt voldaan aan de vereisten inzake
betrouwbaarheid, en dat bestuursorganen zich bij het nemen van die
beslissingen daaromtrent kunnen laten adviseren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Paragraaf 1.1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. aanbestedende dienst: de Staat, een provincie, een gemeente,
een waterschap, een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8,
eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, een
politieregio, een openbaar lichaam voor beroep en bedrijf dan wel
een ander openbaar lichaam als bedoeld in artikel 134 van de
Grondwet, of een zelfstandig bestuursorgaan als bedoeld in het
tweede lid;
b. advies: het advies, bedoeld in artikel 9;
c. beschikking: een beschikking terzake van een subsidie,
alsmede een beschikking terzake van een vergunning, toekenning of
ontheffing als bedoeld in:
1°. artikel 7;
2°. artikel 3 van de Drank- en Horecawet;
3°. artikel 6 van de Opiumwet;
4°. artikel 3, eerste lid, van de marktverordening voor
het wegvervoer, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet wegvervoer
goederen en artikel 7.1, eerste lid, van de Wet wegvervoer
goederen;
5°. de artikelen 4 en 82b, vijfde lid, van de Wet
personenvervoer 2000;
6°. artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht en het eerste lid, onder e, van dat
artikel voor zover dat betrekking heeft op een inrichting als
bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet;
7°. artikel 70l van de Woningwet;
8°. artikel 4.3, derde lid, onderdeel b, van de
Telecommunicatiewet;
d. bestand: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens als
bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet bescherming
persoonsgegevens;
e. betrokkene: de aanvrager van een beschikking, de
subsidie-ontvanger, de vergunninghouder, de gegadigde, de partij
aan wie een overheidsopdracht is gegund, of de onderaannemer;
f. Bureau: het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen
door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8;
g. gegadigde: degene die zich heeft gemeld voor een
aanbestedingsprocedure teneinde een aanbieding te doen, of heeft
ingeschreven op een aanbestedingsprocedure dan wel in
onderhandeling is getreden met een aanbestedende dienst;
h. onderaannemer: een derde aan wie een deel van de
overheidsopdracht in onderaanneming is of zal worden gegeven door
degene aan wie de overheidsopdracht is of zal worden gegund;
i. Onze Ministers: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Justitie;
j. overheidsopdracht:
1°. een opdracht die wordt verstrekt op basis van een
schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel die is
gesloten tussen enerzijds een aannemer, leverancier of
dienstverlener en anderzijds een aanbestedende dienst, en die
betrekking heeft op:
a. de uitvoering dan wel het ontwerp alsmede de uitvoering
van werken in het kader van beroepswerkzaamheden die zijn
gebaseerd op de algemene systematische bedrijfsindeling, dan
wel op het laten uitvoeren met welke middelen dan ook van een
werk dat aan de door de aanbestedende dienst vastgestelde
eisen voldoet,
b. de aankoop, leasing, huur of huurkoop, met of zonder
koopoptie, van producten, met dien verstande dat dit tevens de
nodige werkzaamheden kan omvatten voor het aanbrengen en
installeren van die producten bij de levering daarvan, of
c. de uitvoering van diensten in de meest ruime zin;
2°. het geheel van afspraken dat vastgelegd is in een
schriftelijke overeenkomst tussen enerzijds een aanbestedende
dienst en anderzijds een of meer private partijen, over de
uitvoering van werken of diensten geheel of ten dele voor
rekening en risico van een of meer van die private partijen;
k. sector: een terrein van economische bedrijvigheid waarop
overheidsopdrachten verstrekt kunnen worden;
l. verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk
geheel van handelingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van
de Wet bescherming persoonsgegevens;
m. sociaal-fiscaalnummer: het nummer, bedoeld in artikel 2,
derde lid, onderdeel k, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen;
n. burgerservicenummer: het nummer, bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer.
2. Op voordracht van Onze Ministers kunnen bij algemene maatregel
van bestuur zelfstandige bestuursorganen worden aangewezen als
aanbestedende dienst.
3. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 2
Ten aanzien van een subsidie wordt in deze wet onder intrekking
tevens begrepen de vaststelling van de subsidie op een lager bedrag dan
bij de verlening is bepaald, alsmede de wijziging van de
subsidieverstrekking ten nadele van de subsidie-ontvanger.
Paragraaf 1.2. Weigerings- en intrekkingsgrond inzake beschikkingen
Artikel 3
1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de
bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde
beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien
ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen,
op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
b. strafbare feiten te plegen.
2. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid,
aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar
vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs
doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare
feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.
3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid,
aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar
vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs
doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare
feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of
samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt
aangevraagd dan wel is gegeven,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld
in het tweede en derde lid, indien:
a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,
b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven
aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen
verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin
van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare
feiten heeft begaan, of
c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze
persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven
aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen
verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een
zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.
5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid,
vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van het gevaar en
b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als
bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en
omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter
verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een
strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt
slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van
vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.
7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als
bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van
gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften
zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.
Artikel 4
1. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 30, derde lid, wordt
de weigering van de betrokkene, niet zijnde de partij aan wie een
overheidsopdracht is gegund of de onderaannemer, om een formulier als
bedoeld in artikel 30, eerste lid, volledig in te vullen, aangemerkt
als ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien de
betrokkene, niet zijnde de gegadigde, de partij aan wie een
overheidsopdracht is gegund of de onderaannemer, weigert aanvullende
gegevens te verschaffen in het geval, bedoeld in artikel 12, derde
lid.
Hoofdstuk 2. Aanbestedingen, subsidies, vergunningen en ontheffingen
Artikel 5
1. Een gegadigde voor een overheidsopdracht waarop de richtlijnen,
bedoeld in artikel 9, tweede lid, niet van toepassing zijn en die
wordt gegund binnen de krachtens het tweede lid aangewezen sector, kan
van de gunning van die opdracht worden uitgesloten met inachtneming
van de criteria voor de kwalitatieve selectie in de zin van de
richtlijnen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a.
2. Op voordracht van Onze Ministers, gedaan in overeenstemming met
Onze Ministers wie het mede aangaat, worden bij algemene maatregel van
bestuur de sectoren aangewezen ten aanzien waarvan het wenselijk is
dat, voordat een beslissing wordt genomen inzake de gunning van een
overheidsopdracht of de ontbinding van een overeenkomst met de partij
aan wie een overheidsopdracht is gegund, door het Bureau een advies
kan worden uitgebracht. De voordracht voor een krachtens dit lid vast
te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan
vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
3. De aanbestedende dienst kan het Bureau om een advies vragen:
a. voordat een beslissing wordt genomen inzake de gunning van
een overheidsopdracht die valt binnen een krachtens het tweede lid
aangewezen sector;
b. in het geval die dienst bij overeenkomst heeft bedongen dat
de overeenkomst ontbonden wordt, indien zich een van de situaties,
bedoeld in artikel 9, tweede lid, voordoet en de bij overeenkomst
verstrekte overheidsopdracht binnen een krachtens het tweede lid
aangewezen sector valt, alvorens zich op die ontbindende
voorwaarde te beroepen;
c. ten aanzien van een onderaannemer, uitsluitend met het oog
op diens acceptatie als zodanig, indien de aanbestedende dienst in
het bestek als voorwaarde heeft gesteld dat onderaannemers niet
zonder toestemming van die dienst worden gecontracteerd en in het
kader van die voorwaarde zich het recht heeft voorbehouden aan het
Bureau een advies te vragen.
Artikel 6
1. Een subsidie aan een rechtspersoon of aan een natuurlijke
persoon kan worden geweigerd dan wel worden ingetrokken in het geval
en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, indien dit in de
desbetreffende subsidieregeling is bepaald.
2. Voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt
genomen, kan het bestuursorgaan dat tot die beslissing bevoegd is, het
Bureau om een advies vragen.
3. Een subsidieregeling waarin is bepaald dat artikel 3 van deze
wet van toepassing is en die niet bij wet of algemene maatregel van
bestuur is geregeld, behoeft de goedkeuring van Onze Ministers, welke
goedkeuring slechts kan worden onthouden wegens strijd met het recht
of wegens onevenredigheid tussen enerzijds het belang dat moet worden
gehecht aan de desbetreffende subsidie of subsidies en anderzijds de
inbreuk op de persoonlijke levenssfeer ten gevolge van het aanvragen
van een advies.
Artikel 7
1. Een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening
verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, kan door het
college van burgemeester en wethouders respectievelijk de
burgemeester, voorzover het een krachtens het tweede lid aangewezen
inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in
het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.
2. Op voordracht van Onze Ministers worden bij algemene maatregel
van bestuur inrichtingen of bedrijven aangewezen ten aanzien waarvan
het wenselijk is dat, voordat een beslissing als bedoeld in het eerste
lid wordt genomen, door het Bureau een advies kan worden uitgebracht.
De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat
het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
3. Voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt
genomen, kan het college van burgemeester en wethouders
respectievelijk de burgemeester het Bureau om een advies vragen.
4. Het eerste tot en met het derde lid is van overeenkomstige
toepassing op een gemeentelijke ontheffing.
Hoofdstuk 3. Het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door
het openbaar bestuur
Paragraaf 3.1. Instelling en taak van het Bureau
Artikel 8
Er is een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur.
Artikel 9
1. Het Bureau heeft tot taak aan bestuursorganen, voorzover deze
bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het Bureau
daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate
van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of over de ernst van de
feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 3, zesde lid.
2. Voorzover het gaat om een overheidsopdracht binnen een sector
die is aangewezen ingevolge artikel 5, tweede lid, heeft het Bureau
voorts tot taak aanbestedende diensten desgevraagd advies uit te
brengen over:
a. feiten en omstandigheden die grond kunnen opleveren voor de
toepassing ten aanzien van een gegadigde of, voorzover het gaat om
diens acceptatie als bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel c,
een onderaannemer van:
1°. artikel 29 van de richtlijn nr. 92/50/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992, betreffende
de coördinatie voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor
dienstverlening (Pb EG L 209/1),
2°. artikel 20 van de richtlijn nr. 93/36/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993, betreffende
de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van
overheidsopdrachten voor leveringen (Pb EG L 199/1), of
3°. artikel 24 van de richtlijn nr. 93/37/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993, betreffende
de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van
overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (Pb EG L
199/54);
b. feiten en omstandigheden die grond kunnen opleveren voor de
overeenkomstige toepassing ten aanzien van een gegadigde of,
voorzover het gaat om diens acceptatie als bedoeld in artikel 5,
derde lid, onderdeel c, een onderaannemer van de in onderdeel a
genoemde bepalingen, indien de richtlijn nr. 93/38/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993, betreffende de
coördinatie van de procedures voor het plaatsen van
overheidsopdrachten in de sectoren water- en energievoorziening,
vervoer en telecommunicatie (Pb. EG L 199/84) op de aanbesteding
van toepassing is;
c. de mogelijkheid dat een gegadigde of onderaannemer wordt
gefinancierd met uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te
verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen;
d. de mate van gevaar dat een gegadigde, indien de
overheidsopdracht aan hem zou worden gegund, of de onderaannemer
bij de uitvoering van die opdracht strafbare feiten zal plegen.
Artikel 10
Het Bureau heeft voorts tot taak bestuursorganen desgevraagd te
informeren omtrent de in deze wet en in andere algemeen verbindende
voorschriften neergelegde weigerings- en intrekkingsgronden inzake
subsidies, vergunningen en ontheffingen.
Artikel 11
Het Bureau kan indien daartoe aanleiding bestaat de officier van
justitie, met het oog op diens bevoegdheid ingevolge artikel 26,
berichten over het advies, indien daarin wordt aangegeven dat er sprake
is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of feiten en
omstandigheden als bedoeld in artikel 3, zesde lid, onderscheidenlijk
dat er reden is tot toepassing of overeenkomstige toepassing van een
bepaling als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a.
Paragraaf 3.2. Werkwijze van het Bureau
Artikel 12
1. Het Bureau verzamelt en analyseert persoonsgegevens uitsluitend
ten behoeve van het advies.
2. Het verzamelen van persoonsgegevens wordt beperkt tot:
a. persoonsgegevens uit openbare registers,
b. persoonsgegevens die overeenkomstig artikel 8, aanhef en
onderdeel e, van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn
verkregen, en
c. persoonsgegevens die op grond van artikel 13 of 27 zijn
verstrekt.
3. Het Bureau kan bij het verzamelen van gegevens als bedoeld in
het tweede lid, gebruik maken van het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
4. In afwijking van het tweede lid kan het Bureau in het geval dat
het door de betrokkene ingevulde formulier, bedoeld in artikel 30,
onvoldoende informatie verschaft voor het onderzoek ten behoeve van
het advies, dan wel de gegevens die door middel van dat formulier en
uit de verschillende bestanden of registraties zijn verkregen niet
gelijkluidend zijn, de betrokkene verzoeken om nadere gegevens over:
a. de vertegenwoordigingsbevoegdheid van degene die het
formulier heeft ingevuld;
b. de identiteit en vertegenwoordigingsbevoegdheid van personen
die direct of indirect leiding geven;
c. de identiteit van personen die direct of indirect
zeggenschap uitoefenen;
d. de identiteit van personen die direct of indirect vermogen
verschaffen;
e. de wijze van financiering.
Artikel 13
1. Het Bureau kan ten behoeve van de uitvoering van de taak,
bedoeld in artikel 9, de terzake bevoegde autoriteiten in het
buitenland verzoeken na te gaan of aldaar strafrechtelijke gegevens
bekend zijn van personen tot wie het onderzoek naar feiten en
omstandigheden als bedoeld in de artikelen 3, tweede, derde en zesde
lid, en 9, tweede lid, zich uitstrekt.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend door
tussenkomst van de officier van justitie tot de bevoegde autoriteit
gericht.
Artikel 14
1. Het Bureau neemt in het advies geen gegevens op waarvan:
a. de verstrekker heeft aangegeven dat deze, gelet op het
karakter van die gegevens, niet aan de desbetreffende persoon ter
kennis mogen worden gebracht, of
b. de officier van justitie, bedoeld in het tweede lid, heeft
aangegeven dat deze niet mogen worden gebruikt in verband met een
zwaarwegend strafvorderlijk belang.
2. Het College van Procureurs-Generaal wijst de officier van
justitie aan, aan wie het advies, voordat dit wordt toegezonden aan
het bestuursorgaan dat of de aanbestedende dienst die om advies hebben
gevraagd, wordt voorgelegd met het oog op de beoordeling of daarin
gegevens zijn opgenomen waarvan het gebruik een zwaarwegend
strafvorderlijk belang schaadt.
Artikel 15
1. Het advies wordt zo spoedig mogelijk gegeven, maar in ieder
geval binnen een termijn van vier weken nadat het bestuursorgaan of de
aanbestedende dienst een advies heeft aangevraagd.
2. De in het eerste lid bedoelde termijn wordt opgeschort met
ingang van de dag waarop het bestuursorgaan of de aanbestedende dienst
is verzocht om gegevens die bij de aanvraag ontbreken of om
aanvullende gegevens die noodzakelijk zijn voor het advies, tot de dag
waarop die gegevens zijn ontvangen.
3. Indien het advies niet binnen vier weken kan worden gegeven,
stelt het Bureau het bestuursorgaan of de aanbestedende dienst daarvan
in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen het advies wel
tegemoet kan worden gezien. Deze termijn bedraagt niet meer dan vier
weken.
Artikel 16
1. Het Bureau brengt een bijdrage in de kosten van het advies in
rekening bij het bestuursorgaan dat of de aanbestedende dienst die het
advies heeft gevraagd.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, gegeven op
voordracht van Onze Ministers, worden regels gegeven over de wijze
waarop de in het eerste lid bedoelde bijdrage wordt vastgesteld.
Artikel 17
Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gegeven
over de werkwijze van het Bureau, alsmede over de totstandkoming en
inrichting van het advies.
Paragraaf 3.3. De verwerking van gegevens door het Bureau
Artikel 18
Het Bureau registreert geen persoonsgegevens waarvan de verstrekker
heeft aangegeven dat deze, gelet op het karakter van die gegevens, niet
aan de desbetreffende persoon ter kennis mogen worden gebracht.
Artikel 19
Het Bureau kan persoonsgegevens die zijn verzameld of verkregen met
het oog op de behandeling van een verzoek om advies, gedurende twee
jaren verwerken in verband met een ander verzoek.
Artikel 20
1. Voor zoveel nodig in afwijking van hetgeen in de Wet
openbaarheid van bestuur en andere wetten is bepaald ten aanzien van
verstrekking van gegevens, verstrekt het Bureau aan derden geen
persoonsgegevens die het heeft verkregen in het kader van zijn taak,
bedoeld in artikel 9.
2. Onder derden als bedoeld in het eerste lid worden mede begrepen
andere dienstonderdelen van het Ministerie van Justitie en andere
overheidsdiensten en -instellingen.
3. In afwijking van het eerste lid kunnen in de volgende gevallen
persoonsgegevens worden verstrekt:
a. voorzover persoonsgegevens in het advies dienen te worden
opgenomen in verband met de noodzakelijke motivering daarvan;
b. in de berichtgeving, bedoeld in artikel 11;
c. ten behoeve van de uitoefening van de controlerende of
toezichthoudende bevoegdheid van:
1°. de Algemene Rekenkamer;
2°. de Nationale ombudsman;
3°. het College bescherming persoonsgegevens;
d. indien toepassing wordt gegeven aan:
1°. artikel 125i of 126a van het Wetboek van
Strafvordering, of
2°. artikel 17 van de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten;
e. desgevraagd, ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek en
statistiek, met dien verstande dat de resultaten daarvan geen
persoonsgegevens mogen bevatten en voorzover de persoonlijke
levenssfeer van de geregistreerde daardoor niet onevenredig wordt
geschaad.
Paragraaf 3.4. Beheer van het Bureau
Artikel 21
1. De algemene leiding, de organisatie en het beheer van het Bureau
berusten bij Onze Minister van Justitie.
2. De dagelijkse leiding berust bij de directeur van het Bureau.
3. De directeur van het Bureau rapporteert, gevraagd en ongevraagd,
rechtstreeks aan Onze Minister van Justitie al hetgeen van belang kan
zijn.
Artikel 22
Benoeming, schorsing en ontslag van de directeur van het Bureau
geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Ministers.
Artikel 23
Onze Minister van Justitie bepaalt in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het budget en de
formatie van het Bureau.
Artikel 24
Onze Ministers brengen jaarlijks voor 1 mei aan beide kamers der
Staten-Generaal een openbaar verslag uit van de wijze waarop het Bureau
zijn taken in het afgelopen kalenderjaar heeft verricht.
Paragraaf 3.5. Begeleidingscommissie
Artikel 25
1. Er is een begeleidingscommissie, die geregeld overleg voert met
de directeur van het Bureau over de wijze waarop het Bureau zijn taak
vervult.
2. De leden van de begeleidingscommissie worden door Onze Ministers
benoemd op zodanige wijze dat de in artikel 27, eerste lid, genoemde
overheidsdiensten en -instellingen, alsmede de bestuursorganen en
aanbestedende diensten zich in de commissie vertegenwoordigd kunnen
weten.
3. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gegeven over de
wijze waarop en de frequentie waarmee de directeur overleg voert met
de begeleidingscommissie.
Hoofdstuk 4. Bevoegdheden, verplichtingen en procedurele bepalingen
Paragraaf 4.1. Bevoegdheid officier van justitie
Artikel 26
De officier van justitie die beschikt over gegevens die er op duiden
dat een betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die reeds
gepleegd zijn of, naar redelijkerwijs op grond van feiten of
omstandigheden kan worden vermoed, gepleegd zullen worden, kan het
bestuursorgaan of de aanbestedende dienst wijzen op de wenselijkheid het
Bureau om een advies te vragen.
Paragraaf 4.2. Verplichting tot medewerking
Artikel 27
1. De volgende bestuursorganen verstrekken, voorzover het
persoonsgegevens betreft voor de verwerking waarvan zij de
verantwoordelijke zijn in de zin van de Wet bescherming
persoonsgegevens dan wel de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens of de Wet politiegegevens, het Bureau desgevraagd alle
persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak,
bedoeld in artikel 9:
a. Onze Minister van Financiën, voorzover het bestanden
betreft waarvan de gegevens worden verwerkt door:
1°. de Belastingdienst FIOD-ECD;
2°. de rijksbelastingdienst;
b. Onze Minister van Justitie, voorzover het bestanden betreft
waarvan de gegevens worden verwerkt door:
1°. de Centrale Justitiële Documentatie;
2°. de Immigratie- en Naturalisatiedienst;
3°. het Meldpunt ongebruikelijke transacties en die
ingevolge artikel 14, derde lid, van de Wet ter voorkoming van
witwassen en financieren van terrorisme kunnen worden
verstrekt;
4°. het openbaar ministerie;
5°. de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van
de Wet controle op rechtspersonen;
c. Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
voorzover het bestanden betreft waarvan de gegevens worden
verwerkt door de Algemene Inspectiedienst;
d. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
voorzover het bestanden betreft waarvan de gegevens worden
verwerkt door de Arbeidsinspectie of de Sociale Inlichtingen- en
Opsporingsdienst;
e. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, voorzover het bestanden betreft waarvan de gegevens
worden verwerkt door de VROM inlichtingen- en opsporingsdienst;
f. de in artikel 1, onderdeel f, van de Wet politiegegevens
bedoelde bestuursorganen, voorzover het een politieregister
betreft;
g. het college van burgemeester en wethouders van een gemeente,
voor zover het de verwerking van gegevens betreft voor de
uitvoering van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
h. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de
Sociale verzekeringsbank;
i. op voordracht van Onze Ministers, gedaan in overeenstemming
met Onze Ministers wie het mede aangaat, bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen bestuursorganen. De voordracht voor een
krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan
beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
2. De persoonsgegevens, bedoeld in het eerste lid, worden niet
verstrekt indien:
a. zij zijn opgenomen in een bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen bestand,
b. een zwaarwegend belang van de verstrekkende dienst of
instelling aan de verstrekking in de weg staat, of
c. bij opsporingsgegevens naar het oordeel van de officier van
justitie, in overleg met een daartoe door het College van
Procureurs-Generaal aangewezen officier van justitie, een
zwaarwegend strafvorderlijk belang aan de verstrekking in de weg
staat.
3. Indien persoonsgegevens niet worden verstrekt op grond van het
tweede lid, onderdeel b of c, wordt de weigering die gegevens te
verstrekken nader gemotiveerd door de verantwoordelijke, bedoeld in
het eerste lid, onderscheidenlijk de officier van justitie.
4. De gegevensverstrekking ingevolge het eerste lid geschiedt
kosteloos, voorzover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald.
5. Op voordracht van Onze Ministers worden bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur regels gegeven over de termijn
waarbinnen de verstrekking van gegevens dient plaats te vinden en
kunnen regels worden gegeven over de wijze van verstrekken van
gegevens door de bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 4.3. Geheimhoudingsplicht
Artikel 28
1. Een ieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over
gegevens met betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding
daarvan, behoudens voorzover een bij deze wet gegeven voorschrift
mededelingen toelaat.
2. Het bestuursorgaan dat of de aanbestedende dienst die een advies
ontvangt, geeft de daarin opgenomen gegevens niet door, behoudens aan:
a. de aanvrager, dan wel de subsidie-ontvanger of
vergunninghouder, uitsluitend voorzover dit noodzakelijk is ter
motivering van de door deze gevraagde beschikking,
onderscheidenlijk van de beschikking tot intrekking van de
subsidie of vergunning;
b. de gegadigde of de partij aan wie een overheidsopdracht is
gegund, uitsluitend voorzover dit noodzakelijk is ter motivering
van de weigering van de gunning van de overheidsopdracht of van de
toestemming als bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel c,
onderscheidenlijk van de beslissing tot ontbinding van de
overeenkomst inzake die overheidsopdracht;
c. de derde die in de motivering, bedoeld in de onderdelen a en
b, wordt vermeld, uitsluitend voorzover de in die motivering
opgenomen gegevens hem betreffen;
d. de Algemene Rekenkamer;
e. de Nationale ombudsman;
f. het College bescherming persoonsgegevens;
g. de rechter.
3. Indien de betrokkene gebruik wenst te maken van de in artikel
33, eerste, tweede en derde lid, bedoelde mogelijkheid om zijn
zienswijze kenbaar te maken, wordt hem door het bestuursorgaan,
onderscheidenlijk de aanbestedende dienst, de gelegenheid geboden het
advies in te zien.
4. Indien de betrokkene een beschikking dan wel de intrekking van
een subsidie of vergunning, onderscheidenlijk de weigering van een
overheidsopdracht of de ontbinding van een overeenkomst inzake een
dergelijke opdracht, in rechte aanvecht, is hij bevoegd de in het
eerste lid bedoelde gegevens bekend te maken aan de rechter.
Artikel 29
Het bestuursorgaan dat of de aanbestedende dienst die een advies
ontvangt, kan dat advies gedurende twee jaren gebruiken in verband met
een andere beslissing.
Paragraaf 4.4. Overige bepalingen
Artikel 30
1. In de formulieren die dienen voor het aanvragen van een
beschikking of die worden gebruikt in het kader van een aanbesteding,
worden vragen opgenomen die erop gericht zijn het Bureau in staat te
stellen het onderzoek naar feiten en omstandigheden als bedoeld in
artikel 3, tweede, derde en zesde lid, ofartikel 9, tweede lid,
respectievelijk artikel 9, tweede lid, onder a. en b. uit te voeren
alsmede onderzoek te verrichten naar de aspecten, bedoeld in artikel
9, tweede lid, onder c. en d.
2. De in het eerste lid bedoelde vragen omvatten in ieder geval die
naar:
a. de naam, het adres en de woonplaats of plaats van vestiging
van de aanvrager of gegadigde;
b. de naam, het adres en de woonplaats van de persoon die het
formulier namens de aanvrager of gegadigde invult;
c. het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer van de persoon, bedoeld in de onderdelen a
en b;
d. het nummer van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en
Fabrieken;
e. de rechtsvorm van de aanvrager of gegadigde;
f. de handelsnaam of handelsnamen waarvan de aanvrager of
gegadigde gebruik maakt of heeft gemaakt;
g. de natuurlijke personen of rechtspersonen die, voorzover van
toepassing:
1°. direct of indirect leiding geven of hebben gegeven aan
betrokkene;
2°. direct of indirect zeggenschap hebben of hebben gehad
over betrokkene;
3°. direct of indirect vermogen verschaffen of hebben
verschaft aan betrokkene;
4°. onderaannemer van betrokkene zijn;
h. de wijze van financiering.
3. Het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanbestedende dienst,
verzoekt de betrokkene tevens om invulling van de in het eerste lid
bedoelde formulieren, indien om advies wordt gevraagd met het oog op
een beslissing terzake van de intrekking van een subsidie of
vergunning, onderscheidenlijk de ontbinding van een overeenkomst
inzake een overheidsopdracht.
Artikel 31
Indien het bestuursorgaan een advies aanvraagt, wordt de wettelijke
termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort
voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies is
aangevraagd en eindigt met de dag waarop dat advies is ontvangen, met
dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de in artikel
15, eerste en tweede lid, bedoelde termijn, vermeerderd met de duur van
de eenmalige verlenging, bedoeld in artikel 15, derde lid.
Artikel 32
Het bestuursorgaan of de aanbestedende dienst informeert de
betrokkene dat het Bureau om advies is verzocht.
Artikel 33
1. Voordat een bestuursorgaan aan een beschikking voorschriften
verbindt als bedoeld in artikel 3, zevende lid, en voordat een
bestuursorgaan een voor de betrokkene negatieve beslissing neemt op
grond van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, dan wel
op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 3, zesde
lid, stelt het de betrokkene in de gelegenheid zijn zienswijze naar
voren te brengen.
2. Indien een bestuursorgaan een beschikking geeft, is in elk geval
de persoon die in de beschikking wordt genoemd een belanghebbende in
de zin van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op
de aanbestedende dienst die een besluit neemt terzake van de gunning
van een overheidsopdracht, onderscheidenlijk inzake de toestemming,
bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel c, of de ontbinding van de
overeenkomst met de partij aan wie de overheidsopdracht is gegund.
4. Voor de toepassing van het eerste en derde lid zijn de artikelen
4:9 tot en met 4:12 van de Algemene wet bestuursrecht van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 5. Wijziging van andere wetten
Paragraaf 5.1. Persoonsregistraties
Artikel 34
[Wijzigt de Wet politieregisters]
Artikel 35
[Wijzigt de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen
omtrent het gedrag]
Paragraaf 5.2. Vergunningen
Artikel 36
[Wijzigt de Drank- en Horecawet]
Artikel 37 [Vervallen per 15-09-2004]
Artikel 38
[Wijzigt de Wet goederenvervoer over de weg]
Artikel 39
[Wijzigt de Wet personenvervoer 2000]
Artikel 40
[Wijzigt de Wet milieubeheer]
Artikel 41
[Wijzigt de Woningwet]
Artikel 42
[Wijzigt de Wet op de economische delicten]
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 43
De bepalingen van de in hoofdstuk 5 genoemde wetten, zoals zij luiden
na de inwerkingtreding van deze wet, zijn niet van toepassing op de
aanvraag van een beschikking die voor die datum is ingediend,
onderscheidenlijk de aanbestedingsprocedure of onderhandeling waarmee
voor die datum een aanvang is gemaakt.
Artikel 44
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen Onze Ministers
tijdelijk van een of meer bij of krachtens deze wet gegeven
voorschriften afwijken of een zodanige afwijking toestaan.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, worden in
ieder geval bepaald:
a. de wijze waarop tot een keuze voor een afwijking als bedoeld
in het eerste lid, wordt gekomen,
b. de voorschriften waarvan tijdelijk kan worden afgeweken,
alsmede in welke zin van die voorschriften kan worden afgeweken,
c. de ten hoogste toegestane tijdsduur van een afwijking als
bedoeld in het eerste lid, en
d. de wijze waarop tot de vaststelling wordt gekomen of de
tijdelijke afwijking als bedoeld in het eerste lid zodanig
geslaagd is dat het wettelijk voorschrift waarvan tijdelijk is
afgeweken, zou moeten worden gewijzigd.
Artikel 45
Onze Ministers zenden binnen drie jaar na de inwerkingtreding van
deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en
de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 46
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 47
Deze wet wordt aangehaald als: Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 20 juni 2002
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de vierde juli 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|