WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge artikel 37,
vierde lid, van de Grondwet (Stb. 1987, 458), de wet dient te
bepalen de wijze waarop de regent de eed of belofte aflegt;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut
voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. De regent legt in de in artikel 37, vierde lid, van de
Grondwet bedoelde verenigde vergadering van de Staten-Generaal de
volgende eed of belofte af:
"Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning; ik zweer (beloof) dat ik
in de uitoefening van het koninklijk gezag, zolang de Koning de leeftijd
van achttien jaar niet heeft bereikt, (zolang een nog niet geboren kind
tot het koningschap geroepen kan zijn of: zolang de Koning buiten staat
is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen, dan wel: zolang de
Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft
neergelegd) het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet steeds zal
onderhouden en handhaven.
Ik zweer (beloof) dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied van
het Koninkrijk met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de
vrijheid en de rechten van alle Nederlanders en alle ingezetenen zal
beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de welvaart alle
middelen zal aanwenden, welke de wetten mij ter beschikking stellen,
zoals een goed en getrouw regent schuldig is te doen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!"
(Dat beloof ik!"
2. Indien de regent het koninklijk gezag uitoefent in het geval
als bedoeld bij artikel 37, eerste lid, onder e van de Grondwet
luidt, in afwijking van het in het eerste lid bepaalde, de eerste volzin
van de eed of belofte:
"Ik zweer (beloof) dat ik in de uitoefening van het koninklijk
gezag het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet steeds zal
onderhouden en handhaven."
Artikel 2
Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de dertigste dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 3
Deze rijkswet kan worden aangehaald als Wet beëdiging van de regent.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, het Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen en het Afkondigingsblad van Aruba
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 25 maart 1994
BEATRIX
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
R.F.M. Lubbers
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E. van Thijn
De Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken a.i.,
W. Kok
Uitgegeven de veertiende april 1994
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin