WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge additioneel
artikel IV van de Grondwet naar de tekst van 1983 (additioneel artikel X
van de Grondwet naar de tekst van 1972) de daarin vervatte regeling van
kracht blijft, totdat bij wettelijke regeling een voorziening zal zijn
getroffen; dat op 18 mei 1981 tussen de Staat en een aantal
kerkgenootschappen een overeenkomst is gesloten, strekkende tot
beëindiging van de in voornoemd Grondwetsartikel vastgelegde
financiële verhouding tussen Staat en Kerk; dat Wij thans kunnen
overgaan tot vaststelling van de hiervoor bedoelde wettelijke regeling,
welke met name inhoudt de goedkeuring van genoemde overeenkomst;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
De als bijlage bij deze wet gevoegde overeenkomst van 18 mei 1981,
gesloten tussen de Staat, vertegenwoordigd door Onze Minister van
Financiën, en de in de aanhef van die overeenkomst genoemde
kerkgenootschappen, wordt goedgekeurd.
Artikel 2
De aanspraken ingevolge additioneel artikel IV van de Grondwet naar
de tekst van 1983 (additioneel artikel X van de Grondwet naar de tekst
van 1972) van godsdienstige gezindheden en hun leraren vervallen.
Artikel 3
1. In afwijking van het bepaalde in artikel D1, onder e,
van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1979, 679) komt
niet als diensttijd in aanmerking de tijd doorgebracht in kerkelijke
betrekkingen na 31 december 1983.
2. Degene, die voor 1 januari 1984 ingevolge de Algemene
burgerlijke pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet (Stb. 1979, 680)
of de Algemene militaire pensioenwet (Stb. 1979, 305) recht of
uitzicht op pensioen heeft verkregen met toepassing van de in het vorige
lid bedoelde bepaling, behoudt dat recht of uitzicht.
3. Tijd voor 1 januari 1984 doorgebracht in kerkelijke
betrekkingen komt als diensttijd in aanmerking onder de voorwaarden
gesteld in artikel D2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet,
onderscheidenlijk artikel D2 van de Algemene militaire pensioenwet, met
dien verstande, dat voor de toepassing van het bepaalde in artikel F1,
derde lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk in
artikel D2, tweede lid, onder b, van de Algemene militaire
pensioenwet, tijd na 31 december 1983 doorgebracht in kerkelijke
betrekkingen wordt geacht geen onderbreking te vormen.
Artikel 4
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 5
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1984, met
uitzondering van artikel 4, dat in werking treedt met ingang van 1
januari 1994.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 7 december 1983
BEATRIX
De Minister van Financiën,
O. Ruding
Uitgegeven de negenentwintigste december 1983
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Bijlage
De Minister van Financiën, vertegenwoordigend de staat enerzijds, en
prof. mr. I. A. Diepenhorst en mr. F. H. M. van Spaendonck, voorzitter,
respectievelijk secretaris van het Interkerkelijk Contact in
Overheidszaken, blijkens de aan deze overeenkomst gehechte onderhandse
volmachten optredende als gemachtigden van de volgende
kerkgenootschappen anderzijds:
de. Algemene Doopsgezinde Sociëteit;
de. Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland;
de. Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden;
de. Gereformeerde Kerken in Nederland;
de. Nederlands Gereformeerde Kerken;
de. Nederlandse Hervormde Kerk;
het. Nederlands-Israëlietisch Kerkgenootschap;
de. Oud-Katholieke Kerk van Nederland;
het. Portugees-Israelietisch Kerkgenootschap;
de. Remonstrantse Broederschap;
de. Rooms-Katholieke Kerkprovincie in Nederland;
het. Verbond van Liberaal-Religieuze Joden in Nederland.
Overwegende
a. dat bij Koninklijk besluit van 21 mei 1946, nr. 46, een
Staatscommissie voor de Zaken van de Erediensten werd ingesteld met
als opdracht te onderzoeken of en in hoeverre de bestaande praktijk
met betrekking tot de financiële verhouding van de staat en de
godsdienstige gezindheden bestendiging, herziening dan wel gehele of
gedeeltelijke liquidatie behoeft;
b. dat de Staatscommissie, de z.g. commissie-Van Walsum, in
februari 1967 aan de Minister van Financiën haar rapport uitbracht,
waarin werd geconcludeerd dat artikel 185 van de Grondwet diende te
vervallen en in plaats daarvan een wet diende te komen die alle
kerken op gelijke voet behandelde en voorzag in een jaarlijkse
algemene uitkering aan de kerken, waarvoor de commissie een bedrag
van f 50 000 000 per jaar voorstelde;
c. dat op 19 februari 1969 het rapport openbaar werd gemaakt door
de Minister van Financiën, die in een begeleidend schrijven een
afwijzend standpunt van het toenmalige kabinet met betrekking tot de
voorstellen van de Staatscommissie bekend maakte (zitting 1968-1969,
Tweede Kamer, stuk 10 030, nr. 1-2);
d. dat het kabinet van oordeel was dat de voorstellen niet
dienden te worden overgenomen, maar dat als enige aanvaardbare
oplossing in aanmerking kwam een regeling tot afkoop van de
uitkeringen aan de kerken en ambtsdragers;
e. dat daartoe bij beschikking van 7 juli 1970 de Adviescommissie
Afkoopregeling Aanspraken ex artikel 185 Grondwet, de z.g.
Commissie-Verdam, werd ingesteld, die in augustus 1971 een
interimnota uitbracht, welke op 11 november 1971 door de
Staatssecretaris van Financiën werd aangeboden aan de voorzitter
van de Tweede Kamer (zitting 1971-1972, Tweede Kamer, stuk 11 608,
nrs. 1-2);
f. dat na een uitvoerige parlementaire behandeling in 1972 tot
stand kwam de Wet van 10 februari 1972, Stb. 108, houdende
verandering in de Grondwet, strekkende tot het doen vervallen van
artikel 185 van de Grondwet onder opneming van het Additioneel
Artikel X, dat luidt:
"1. Totdat ter zake bij een wettelijke regeling een voorziening
zal zijn getroffen, blijft de volgende regeling van kracht:
2. De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welke aard
ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver
leraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd;
3. Aan de leraars, welke tot nog toe uit 's lands kas geen, of een
niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of
het bestaande vermeerderd worden.";
g. dat de kerken, die rechten hebben in de zin van Additioneel
Artikel X van de Grondwet, de uitgangspunten en voorstellen van de
Commissie-Verdam niet konden aanvaarden en in 1974 in kerkelijke
kring een aanvang hebben gemaakt met een onderzoek naar een
alternatieve afkoopregeling, welke gerealiseerd zou kunnen worden
middels bijdragen in de pensioensfeer;
h. dat dit heeft geleid tot een nota, inzake een afkoopregeling
in de pensioensfeer, die door de kerkgenootschappen, die deelnemen
aan het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken, werd goedgekeurd
en aangeboden bij een schrijven d.d. 18 februari 1977 aan de
toenmalige Minister van Financiën;
i. dat bedoelde nota een afkoopregeling in de pensioensfeer
voorstelde, die naar het oordeel van de kerkgenootschappen recht zou
doen aan de historische en sociale betekenis van de financiële
verhoudingen tussen de staat en de kerken;
j. dat een regeling in de pensioensfeer aansluit bij de
historische strekking van de oude regelingen, waarbij dan tevens kan
worden tegemoet gekomen aan de rechtsgelijkheid van de
kerkgenootschappen;
k. dat zo'n regeling sociale betekenis heeft, omdat deze de
kerkgenootschappen in staat zal stellen de eigen
pensioenvoorzieningen aan te passen;
l. dat mede in het licht van de ernstige bezwaren van de
rechthebbende kerken tegen de voorstellen van de Interimnota van de
Commissie-Verdam en vanwege de algemeen onderkende juridische en
organisatorische complicaties een oplossing van pragmatische aard
dient te worden nagestreefd, die ook recht doet aan de
uitdrukkelijke wens van de wetgever om de oude financiële
verhoudingen tussen de staat en de kerken te beëindigen.
Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1
In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
a. "kerkgenootschap":
1. een ex Additioneel Artikel X van de Grondwet rechthebbend
kerkgenootschap;
2. een kerkgenootschap, dat geacht kan worden door afsplitsing
of afscheiding onmiddellijk, dan wel middellijk te zijn
voortgekomen uit een onder a.1 bedoeld kerkgenootschap;
b. "ambtsdrager":
1. degene, die als leraar van een kerkgenootschap in de zin van
Additioneel Artikel X van de Grondwet een openbare bediening
bekleedt of heeft bekleed en als zodanig is aangemeld en
ingeschreven bij het Ministerie van Financiën;
2. degene, die zou kunnen zijn aangemeld en ingeschreven bij
het Ministerie van Financiën, indien het kerkgenootschap, waarin
hij die bediening bekleedt of heeft bekleed, rechthebbende zou
zijn geweest op grond van Additioneel Artikel X van de Grondwet;
in beide gevallen, mits het desbetreffende kerkgenootschap aan hem
een honorering, inclusief oudedagsvoorziening, verstrekt of laat
verstrekken;
c. "kerkelijk dienstjaar":
een jaar, dat door een ambtsdrager in een openbare bediening is
doorgebracht, voor zover aan het bekleden daarvan uitzicht op pensioen
als bedoeld in Additioneel Artikel X van de Grondwet was verbonden of
zou zijn verbonden geweest, indien het een ambtsdrager betreft als
bedoeld onder b.2 van dit artikel.
Artikel 2
1. De staat stelt aan de gezamenlijke kerkgenootschappen een bedrag
van f 250 000 000 ter beschikking, te betalen ineens bij het van kracht
worden van deze overeenkomst dan wel naar keuze van de staat te betalen
in twintig jaarlijkse bedragen vast te stellen op annuïteitsbasis,
waarvan de eerste vervalt bij het van kracht worden van deze
overeenkomst, berekend naar een rentevoet, welke voor de staat bij het
van kracht worden van deze overeenkomst geldt of zou hebben gegolden
voor het opnemen van gelden op de onderhandse kapitaalmarkt, zulks door
de staat en de hierna bedoelde stichting in onderling overleg vast te
stellen.
2. De kerkgenootschappen, die bij deze overeenkomst partij zijn,
aanvaarden dat aanspraken die op grond van Additioneel Artikel X van de
Grondwet zouden kunnen worden geldend gemaakt bij de in artikel 6
bedoelde wet zullen vervallen.
3.De terbeschikkingstelling van in het eerste lid bedoelde bedragen
zal geschieden door overmaking op een rekening bij een in onderling
overleg van de Minister van Financiën en de hierna bedoelde stichting
aan te wijzen Nederlandse bankinstelling ten name van die stichting.
Artikel 3
1. De kerkgenootschappen, die partij zijn bij deze overeenkomst,
verbinden zich tot het oprichten van een stichting, waarvan de statuten
de goedkeuring van de Minister van Financiën behoeven.
2. In de statuten wordt bepaald dat:
a. de stichting de ter beschikking gestelde bedragen op geen
andere wijze zal aanwenden dan ten gunste van de financiering van
pensioenvoorzieningen voor ambtsdragers en hun nabestaanden;
b. tussen de kerkgenootschappen een verdeelsleutel zal gelden,
gebaseerd op de totale aantallen kerkelijke dienstjaren van de
ambtsdragers van elk kerkgenootschap bij het van kracht worden van
deze overeenkomst;
c. de verdeelsleutel door de stichting moet worden vastgesteld
binnen twee jaren na het van kracht worden van deze overeenkomst;
d. de pensioenvoorzieningen voldoende waarborgen dienen in te
houden, opdat de besteding van de middelen ten behoeve van de
ambtsdragers en hun nabestaanden verzekerd zal zijn;
e. in afwijking van het voorstaande door de Minister van
Financiën goed te keuren gedeelten van de bedragen kunnen worden
aangewend voor administratiekosten en zo nodig, indien daartoe een
bevoegd orgaan van de stichting met een meerderheid van twee derden
der uitgebrachte stemmen een voorstel heeft aanvaard, voor door de
Minister van Financiën goed te keuren andere uitgaven;
f. de stichting kerkgenootschappen, die bij deze overeenkomst
geen partij zijn en die voldoen aan de begripsbepaling van artikel
1, onder a, van deze overeenkomst, in geval zij binnen zes
maanden na het van kracht worden van deze overeenkomst de wens
daartoe aan de stichting te kennen geven, door erkenning als zodanig
in de gelegenheid zal stellen tot het aanvaarden van alle uit deze
overeenkomst voortvloeiende rechten en verbintenissen als waren zij
daarbij partij.
3. In de statuten van de in het eerste lid bedoelde stichting zal een
genoegzame regeling worden opgenomen voor de beslechting van geschillen
over besluiten van de stichting betrekking hebbende op het gestelde in
het tweede lid.
Artikel 4
De staat zal het nodige verrichten om te bevorderen dat in de in
artikel 6 bedoelde wet bepalingen van de volgende strekking worden
opgenomen:
1. Alle rechten, welke op artikel D1 onder e van de Algemene
Burgerlijke Pensioenwet zouden kunnen worden gebaseerd, vervallen, voor
zover hierna niet anders wordt bepaald.
2. Aanspraken van ambtenaren, gewezen ambtenaren en gepensioneerde
ambtenaren, alsmede van weduwen en wezen van ambtenaren, gewezen
ambtenaren en gepensioneerde ambtenaren op de medetelling van voor
diensttijd in aanmerking komende tijd, gebaseerd op artikel D1, onder e,
van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet en bestaande op de dag van het
van kracht worden van deze overeenkomst, blijven onverlet.
3. Voor de berekening van de pensioenen van degenen, die nadien de
hoedanigheid van ambtenaar in de zin van de Algemene Burgerlijke
Pensioenwet verkrijgen, worden kerkelijke dienstjaren, vervuld tot de
dag van het van kracht worden van de overeenkomst en als zodanig
geadministreerd door het Ministerie van Financiën medegeteld als voor
diensttijd in aanmerking komende tijd, waarbij in kerkelijke
betrekkingen doorgebrachte tijd ook indien niet ingevolge het
vorenstaande voor medetelling in aanmerking komende, niet geldt als
"onderbreking" in de zin van artikel F1, tweede lid, onder a,
van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet.
Artikel 5
De kerkgenootschappen, die partij zijn bij deze overeenkomst en die
rechthebbenden zijn in de zin van Additioneel Artikel X van de Grondwet,
stemmen ermee in dat de op grond van artikel 29, eerste lid, laatste
volzin van het Postbesluit 1955 (Stb. 457) verleende
portvrijdommen zullen vervallen 10 jaren na de datum van het van kracht
worden van deze overeenkomst.
Artikel 6
Deze overeenkomst wordt aangegaan onder voorbehoud van goedkeuring
bij de wet en is tussen partijen van kracht met ingang van de datum van
het in werking treden van de wet waarbij de goedkeuring wordt verleend.