| |
|
|
|
|
vorige
WET
BODEMBESCHERMING (Wbb)
Tekst zoals deze geldt op
17 januari 2012
|
|
Nadere regelgeving:
- Aanwijzingsbesluit Wet
kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken
- Besluit bodemkwaliteit
- Besluit financiële bepalingen bodemsanering
- Besluit gebruik meststoffen
- Besluit glastuinbouw
- Besluit lozing afvalwater huishoudens
- Besluit uniforme saneringen
- Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen
- Lozingenbesluit bodembescherming
- Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006
- Regeling
lozing afvalwater huishoudens'
- Regeling
uniforme saneringen'
- Stortbesluit bodembescherming
- Uitvoeringsregeling
Lozingenbesluit bodembescherming'
- Uitvoeringsregeling
Meststoffenwet
WET van 3 juli 1986, houdende regelen
inzake bescherming van de bodem
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in het
belang van de bescherming van het milieu regels te stellen ten einde de
bodem te beschermen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen
ambtenaar;
bodem: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende
vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen;
belang van de bescherming van de bodem: het belang van het voorkomen,
beperken of ongedaan maken van veranderingen van hoedanigheden van de
bodem, die een vermindering of bedreiging betekenen van de functionele
eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft;
geval van verontreiniging: geval van verontreiniging of dreigende
verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die
vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in
technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen;
oriënterend onderzoek: onderzoek naar aanleiding van een vermoeden
dat sprake is van een geval van verontreiniging;
nader onderzoek: onderzoek met betrekking tot de vraag of een geval
van verontreiniging een geval van ernstige verontreiniging is;
onderzoeksgeval: geval waarin oriënterend of nader onderzoek zal
plaatsvinden of plaatsvindt;
saneren: het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van
verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreigende
verontreiniging van de bodem;
geval van ernstige verontreiniging: geval van verontreiniging waarbij
de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de
functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft,
ernstig zijn of dreigen te worden verminderd;
saneringsonderzoek: inventarisatie van de mogelijke wijzen van
sanering, inhoudende een beschrijving van hun milieuhygiënische,
technische en financiële aspecten, alsmede van de kwaliteit van de
bodem die met de op die wijzen uitgevoerde sanering zal worden bereikt,
uitmondend in een keuze van de wijze van sanering;
beheerder: beheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet;
provinciaal milieuprogramma: provinciaal milieuprogramma, bedoeld in
artikel 4.14 van de Wet milieubeheer, voor zover dat betrekking heeft op
gevallen als bedoeld in het tweede lid, onder a, onder 1°, van dat
artikel.
Hoofdstuk II. Technische commissie bodem
Artikel 2
Er is een Technische commissie bodem.
Artikel 2a
1.De commissie heeft tot taak Onze Minister desgevraagd te
adviseren over de uitvoering van wettelijke voorschriften en beleid,
voor zover deze betrekking hebben op aangelegenheden van technische
aard op het gebied van de bodembescherming.
2.Een verzoek om advies omtrent een aangelegenheid die niet in de
eerste plaats tot de verantwoordelijkheid van Onze Minister behoort,
wordt door deze gedaan in overeenstemming met Onze Minister wie die
aangelegenheid in het bijzonder aangaat.
3.Een advies omtrent een aangelegenheid als bedoeld in het tweede
lid wordt door de commissie mede toegezonden aan Onze Minister wie
deze aangelegenheid in het bijzonder aangaat.
Artikel 2b
Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat, dragen er zorg
voor dat de commissie op de hoogte wordt gehouden ten aanzien van het
beleid op het gebied van de bodembescherming.
Artikel 2c
Telkens binnen een termijn van vier jaren brengt de commissie een
rapport uit aan Onze Minister, waarin ten minste de taak, de
samenstelling, de inrichting en werkwijze van de commissie aan een
onderzoek worden onderworpen. Onze Minister zendt dit rapport, voorzien
van zijn standpunt, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 3
1.De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste elf andere
leden.
2.De voorzitter en de andere leden van de commissie worden benoemd
op grond van hun deskundigheid op het gebied van de bodembescherming.
Artikel 3a
1.De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door
Onze Minister benoemd. Onze Minister hoort de commissie alvorens hij
de voorzitter benoemt.
2.De voorzitter en de leden worden voor de tijd van vier jaren
benoemd. Zij zijn terstond weer benoembaar.
3.De voorzitter en de leden kunnen te allen tijde hun functie
neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister.
4.In bijzondere gevallen kunnen de voorzitter en de leden door Onze
Minister in hun functie worden geschorst en uit hun functie worden
ontslagen.
Artikel 3b
1.De commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend
voorzitter aan.
2.De plaatsvervangend voorzitter kan te allen tijde zijn functie
neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter.
3.In bijzondere gevallen kan de commissie de plaatsvervangend
voorzitter in zijn functie schorsen en uit zijn functie ontslaan.
Artikel 4
1.De commissie wordt bijgestaan door een secretaris.
2.De secretaris wordt door Onze Minister benoemd, in zijn functie
geschorst en uit zijn functie ontslagen, de commissie gehoord.
3.De secretaris is geen lid van de commissie.
4.De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend
verantwoording schuldig aan de commissie.
5.Onze Minister kan voorzien in een bureau voor de commissie, dat
onder leiding staat van de secretaris.
Artikel 5
1.De commissie kan zich bij haar werkzaamheden doen bijstaan door
personen die geen lid zijn van de commissie.
2.Onze Minister kan ambtenaren aanwijzen, die bevoegd zijn tot het
bijwonen van de door de commissie te houden vergaderingen, met dien
verstande dat in de vergaderingen van de commissie ten hoogste één
van die ambtenaren aanwezig is.
Artikel 5a
1.De vergaderingen van de commissie zijn openbaar.
2.Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in
gevallen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet
openbaarheid van bestuur en in gevallen waarin het belang van
openbaarheid niet opweegt tegen de in artikel 10, tweede lid, van die
wet genoemde belangen.
Artikel 5b
1.De adviezen van de commissie worden uitgebracht overeenkomstig
het gevoelen van de meerderheid van de vergadering.
2.Ter vergadering ingebrachte minderheidsstandpunten worden in of
bij de adviezen vermeld.
Artikel 5c
De commissie houdt de op de door haar uitgebrachte adviezen
betrekking hebbende voorbereidende stukken ter beschikking van Onze
Minister.
Artikel 5d
1.De voorzitter van de commissie pleegt ten minste eenmaal per jaar
overleg met Onze Minister over de door de commissie voorgenomen
werkzaamheden voor de komende twaalf maanden. De commissie stelt
vervolgens het programma van haar werkzaamheden vast en zendt dit aan
Onze Minister.
2.Ten behoeve van de voorbereiding van het in het eerste lid
bedoelde overleg stelt de commissie een overzicht van de door haar
voorgenomen werkzaamheden op en legt dit tijdig aan Onze Minister
voor. De commissie voegt bij het overzicht een raming van de met de
uitvoering van de werkzaamheden gepaard gaande kosten.
3.De commissie oefent haar werkzaamheden uit binnen het raam van de
middelen welke haar jaarlijks ingevolge de begrotingswet ter
beschikking worden gesteld.
Artikel 5e
De commissie stelt nadere regels betreffende haar werkwijze en zendt
deze aan Onze Minister.
Hoofdstuk III. Algemene bepalingen ter bescherming van de bodem
Artikel 6
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het
belang van de bescherming van de bodem regels worden gesteld met
betrekking tot het verrichten van handelingen waarbij stoffen die de
bodem kunnen verontreinigen of aantasten, op of in de bodem worden
gebracht, ten einde deze aldaar te laten.
2.Hiertoe kunnen behoren regels met betrekking tot:
a. het ter bewaring opslaan van bij die maatregel aan te geven
stoffen op of in de bodem;
b. het brengen van afvalstoffen op of in de bodem;
c. het op of in de bodem doen uitstromen van verontreinigd
water of slib;
d. het begraven van stoffelijke resten;
e. het op de bodem verspreiden van as, afkomstig van de
verbranding van stoffelijke resten.
Artikel 7
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het
belang van de bescherming van de bodem regels worden gesteld met
betrekking tot het verrichten van handelingen waarbij stoffen die de
bodem kunnen verontreinigen of aantasten, aan de bodem worden
toegevoegd, ten einde de structuur of de kwaliteit van de bodem te
beïnvloeden.
2.Hiertoe kunnen behoren regels met betrekking tot:
a. het op of in de bodem brengen van stoffen die de draagkracht
van de bodem beïnvloeden;
b. het op of in de bodem brengen van meststoffen.
Artikel 8
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het
belang van de bescherming van de bodem regels worden gesteld met
betrekking tot het uitvoeren of gebruik maken van werken op of in de
bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt,
die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten.
2. Hiertoe kunnen behoren regels met betrekking tot:
a. grond- en funderingswerken;
b. bodemonderzoek;
c. de aanleg van pijpleidingen of andere leidingen;
d. het aanbrengen van opslagtanks of reservoirs;
e. ontginningen, ontgrondingen of ontgravingen;
f. diepe grondbewerking;
g. werken in het kader van ontwatering, bronnering of
grondwaterwinning;
h. werken ten behoeve van een bodemenergiesysteem.
3. Ten aanzien van werken als bedoeld in het tweede lid, onder h,
kunnen de in het eerste lid bedoelde regels ook worden gesteld in het
belang van een doelmatig gebruik van bodemenergie.
Artikel 9
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de
bescherming van de bodem regels worden gesteld met betrekking tot het
transporteren van bij die maatregel aan te geven stoffen die de bodem
kunnen verontreinigen of aantasten.
2.Hiertoe kunnen behoren regels met betrekking tot:
a. het transporteren van zodanige stoffen met behulp van
pijpleidingen of andere leidingen;
b. het verrichten van overslaghandelingen met zodanige stoffen;
c. het transporteren van zodanige stoffen met behulp van
voertuigen.
Artikel 10
1.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de
bescherming van de bodem regels worden gesteld met betrekking tot het
verrichten van handelingen waarbij als nevengevolg stoffen die de
bodem kunnen verontreinigen of aantasten, op of in de bodem geraken.
2.Hiertoe kunnen behoren regels met betrekking tot:
a. het toepassen van gladheidsbestrijdingsmiddelen;
b. het met bij die maatregel aan te geven stoffen behandelen
van voorwerpen, ten einde oppervlaktelagen daarop aan te brengen
of daarvan te verwijderen;
c. het bewerken van voorwerpen, waarbij bij die maatregel aan
te geven stoffen vrijkomen.
Artikel 11
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de
bescherming van de bodem regels worden gesteld met betrekking tot het
verrichten van niet onder de artikelen 6 tot en met 10 vallende
handelingen die erosie, verdichting of verzilting van de bodem tot
gevolg kunnen hebben.
Artikel 12
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van het
infiltreren van water, bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet, regels
gesteld waarin wordt aangegeven:
a. in welke gevallen sprake is van gevaar voor verontreiniging
van het grondwater, als bedoeld in artikel 6.26, tweede lid, van
die wet;
b. welke voorschriften ter bescherming van het grondwater
moeten worden verbonden aan een vergunning voor dat infiltreren
van water.
2. Bij de maatregel kunnen ook anderszins regels ter bescherming
van de bodem worden gesteld.
3. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de daarbij gestelde
regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
4. Bij de maatregel kan voorts worden bepaald in hoeverre
gedeputeerde staten of het dagelijks bestuur van het waterschap met
betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen van bij de maatregel
gestelde regels kunnen afwijken, hetzij in het algemeen, hetzij in bij
de maatregel aangegeven categorieën van gevallen.
Artikel 12a
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het
belang van de bescherming van de bodem voor daarbij aangegeven
categorieën van bodem regels worden gesteld ten aanzien van het
toepassen van grond en baggerspecie op of in de bodem.
2.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bij
besluit van een daarin aangewezen bestuursorgaan, grond of
baggerspecie kan worden toegepast in andere gevallen dan die ingevolge
de regels bedoeld in het eerste lid, mits dit geen onaanvaardbare
risico’s oplevert voor de volksgezondheid en geen bedreiging vormt
van de functionele eigenschappen van water, bodem en lucht voor mens,
plant en dier. Een bestuursorgaan dat van deze mogelijkheid gebruik
maakt stelt in het daartoe strekkend besluit de nodige eisen aan de
kwaliteit, waaronder de samenstelling, van grond of baggerspecie.
3.Tot de in het eerste lid bedoelde regels kunnen in elk geval
behoren regels ten aanzien van de kwaliteit, waaronder de
samenstelling en emissie, van grond of baggerspecie en de wijze van
toetsing aan de kwaliteit en het gebruik van de bodem waarop of waarin
grond of baggerspecie wordt toegepast.
4.Bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kan worden bepaald in
welke gevallen de in het tweede lid bedoelde afwijking moet voldoen
aan de krachtens artikel 36 en 37, eerste en zevende lid, van de Wet
bodembescherming gestelde regels.
5.Bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kan worden bepaald
dat het aangewezen bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, een
kaart vaststelt met gegevens over de kwaliteit en functie van de
bodem.
Artikel 12b
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat van bij
of krachtens de artikelen 6 tot en met 12a gestelde regels mag worden
afgeweken
a. voor zover die regels betrekking hebben op in die artikelen
bedoelde werkzaamheden waarbij bouwstoffen, grond of baggerspecie
op of in de bodem worden toegepast, en
b. door Onze Minister is vastgesteld dat anders dan door
toepassing van die regels ten minste eenzelfde mate van
bescherming van de bodem is gewaarborgd als is beoogd met die
regels.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld voor de toepassing van het eerste lid.
Artikel 13
Ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de
artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen
vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of
aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van
hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te
voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich
voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen
daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de
verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval,
worden de maatregelen onverwijld genomen.
Artikel 13a [Vervallen per 15-05-1994]
Artikel 14 [Vervallen per 15-04-1997]
Artikel 15
1. Tot de krachtens de artikelen 6 tot en met 12a bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen regels kunnen behoren
regels, inhoudende:
a. een verbod een werkzaamheid als daar bedoeld te verrichten
indien daarbij niet voldaan wordt aan bij of krachtens die
maatregel gestelde eisen met betrekking tot de in het kader van
die werkzaamheid te gebruiken stoffen of voorwerpen;
b. een verbod zodanige werkzaamheid te verrichten anders dan
overeenkomstig bij of krachtens die maatregel aan te geven eisen
met betrekking tot de wijze waarop, de omstandigheden waaronder of
de plaats waar die werkzaamheid mag worden verricht;
c. een verbod zodanige werkzaamheid te verrichten zonder dat
bij een onderzoek op een bij of krachtens die maatregel aan te
geven wijze is aangetoond dat daardoor geen verontreiniging of
aantasting van de bodem zal optreden, dan wel geen verontreiniging
of aantasting die een bepaalde waarde overschrijdt;
d. een verbod een zodanige werkzaamheid te verrichten zonder
dat daarvan een melding is gedaan op een bij of krachtens die
maatregel aan te geven wijze aan een daarbij aan te geven
bestuursorgaan onder vermelding van bij of krachtens die maatregel
aan te geven gegevens;
e. de verplichting te voldoen aan een bevel van een bij de
maatregel aangewezen bestuursorgaan om het gebruik van een
bodemenergiesysteem binnen een bij dat besluit aangegeven termijn
te staken of te beperken in het belang van het doelmatig gebruik
van bodemenergie.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde regels kan tevens een verbod
behoren in het kader van een werkzaamheid als daar bedoeld een bij of
krachtens die maatregel aan te geven voorwerp bestemd voor het opslaan
of transporteren van daarbij aan te geven stoffen, te gebruiken indien
dat voorwerp:
a. niet op een bij of krachtens die maatregel aan te geven
wijze is goedgekeurd;
b. niet behoort tot een type dat bij een keuring verricht aan
de hand van bij of krachtens die maatregel daartoe vastgestelde
voorschriften, is goedgekeurd.
3. Indien van een werkzaamheid als bedoeld in de artikelen 6 tot en
met 12 een ernstige verontreiniging of aantasting van de bodem het
gevolg kan zijn, kunnen de krachtens die artikelen bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen regels een algeheel verbod
inhouden zodanige werkzaamheid te verrichten.
Artikel 16
1. De krachtens de artikelen 6 tot en met 12 bij algemene maatregel
van bestuur vast te stellen regels kunnen de verplichting inhouden dat
met betrekking tot werkzaamheden, behorende tot een daarbij aangewezen
categorie die ernstige verontreiniging of aantasting van de bodem
kunnen veroorzaken, degene die zodanige werkzaamheden verricht of doet
verrichten, anders dan als ondergeschikte:
a. financiële zekerheid stelt voor het nakomen van krachtens
de maatregel voor hem geldende regels;
b. financiële zekerheid stelt ter dekking van zijn
aansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit door de
werkzaamheden veroorzaakte verontreiniging of aantasting van de
bodem.
2. Bij de maatregel worden nadere regels gesteld met betrekking tot
die verplichting. Daarbij worden in ieder geval het bedrag waarvoor en
de termijn gedurende welke de zekerheid ten hoogste moet worden in
stand gehouden, aangegeven, alsmede de voorwaarden waaraan moet worden
voldaan alvorens de verplichting kan komen te vervallen. Tevens kan
daarbij nader worden geregeld op welke van de in het eerste lid
bedoelde personen de verplichting rust. Bij de maatregel wordt het
bestuursorgaan aangewezen, dat bevoegd is bij het niet nakomen van een
regel waarvoor financiële zekerheid is gesteld, te bepalen tot welk
bedrag het verhaal zal nemen op de gestelde zekerheid. Bij de
maatregel kan worden bepaald dat het bevoegde bestuursorgaan het te
verhalen bedrag kan invorderen bij dwangbevel. Bij de maatregel kunnen
regels worden gesteld voor gevallen waarin aan de verplichting
uitvoering wordt gegeven door het sluiten en in stand houden van een
verzekering; daarbij wordt rekening gehouden met hetgeen
redelijkerwijs door verzekering kan worden gedekt.
Artikel 16a
1.Tot de krachtens de artikelen 6 tot en met 12 bij algemene
maatregel van bestuur te geven regels kunnen behoren regels met
betrekking tot voorwerpen die bij het verrichten van een werkzaamheid
als in die artikelen bedoeld, op of in de bodem worden gebracht.
2.De krachtens de artikelen 6 tot en met 12 bij algemene maatregel
van bestuur te geven regels kunnen tevens de verplichting inhouden de
bodem na beëindiging van een werkzaamheid als in die artikelen
bedoeld, in een daarbij aan te geven toestand te brengen. Daarbij
kunnen regels worden gegeven omtrent de wijze waarop die verplichting
dient te worden nageleefd.
Artikel 17
1. De krachtens de artikelen 6 tot en met 12a bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels kunnen de
verplichting inhouden bij of krachtens die maatregel aan te geven
metingen, registraties of controles te verrichten ten einde gegevens
te verkrijgen met betrekking tot een in de bodem gebrachte, geraakte
of getransporteerde stof dan wel met betrekking tot de invloed van die
stof op de bodem. Daarbij kunnen tevens eisen worden gesteld met
betrekking tot de wijze waarop de metingen, registraties of controles
dienen te worden verricht en de door middel daarvan verkregen gegevens
aan een bij of krachtens die maatregel aan te geven bestuursorgaan
dienen te worden overgelegd.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot bodemenergiesystemen als bedoeld in artikel 8, derde lid, en het
invloedsgebied van een dergelijk systeem buiten het perceel waar het
is geïnstalleerd.
3. De krachtens de artikelen 6 tot en met 12 bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels kunnen voorts de
verplichting inhouden te voldoen aan door bij of krachtens die
maatregel aan te geven bestuursorganen, omtrent daarbij vermelde
onderwerpen, aan de betrokkene gestelde nadere eisen. In een
beschikking waarbij een nadere eis wordt gesteld of gewijzigd, wordt
tevens een termijn, aanvangende op het tijdstip waarop die beschikking
in werking is getreden, vastgesteld, eerst bij het verstrijken waarvan
de in de beschikking vervatte eis van toepassing wordt.
Artikel 18
1. Bij een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens de
artikelen 6 tot en met 12, kan worden bepaald dat bij die maatregel
gestelde regels slechts gelden in gebieden behorende tot een daarbij
met het oog op het karakter van de bodem aangegeven categorie.
2. Bij een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens de
artikelen 6 tot en met 12, kan worden bepaald dat bij die maatregel
gestelde regels slechts gelden in gebieden die daartoe bij of
krachtens provinciale verordening zijn aangewezen.
3. Bij een maatregel krachtens artikel 8, eerste lid, kan met
betrekking tot bodemenergiesystemen worden bepaald dat bij provinciale
of gemeentelijke verordening gebieden worden aangewezen, waarin de bij
die maatregel gestelde regels van toepassing zijn.
Artikel 19
Bij een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens de
artikelen 6 tot en met 12, kan worden bepaald dat het gezag dat bevoegd
is een omgevingsvergunning voor activiteiten met betrekking tot een
inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht te verlenen, bij het verlenen of
wijzigen van de vergunning met betrekking tot daarbij aangegeven
onderwerpen in de beperkingen waaronder de vergunning wordt verleend, of
in de daaraan verbonden voorschriften van bij de maatregel gestelde
regels kan afwijken. In dat geval wordt bij de maatregel aangegeven in
hoeverre het bevoegd gezag van de regels kan afwijken. Bij de maatregel
kan tevens worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken slechts geldt
in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
Artikel 19a [Vervallen per 15-05-1994]
Artikel 19b [Vervallen per 15-05-1994]
Artikel 20
Indien een onmiddellijke voorziening geboden is, kan Onze Minister in
het belang van de bescherming van de bodem een besluit nemen met
betrekking tot een werkzaamheid als bedoeld in de artikelen 6 tot en met
11. Een zodanige ministeriële regeling vervalt zes maanden nadat zij in
werking is getreden of, indien binnen die termijn een algemene maatregel
van bestuur ter vervanging van die regeling in werking is getreden, op
het tijdstip van die inwerkingtreding. De termijn kan bij ministeriële
regeling eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verlengd.
Artikel 20a [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 20b [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 20c [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 20d [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 20e [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 20f [Vervallen per 01-01-1995]
Hoofdstuk IV. Algemene bepalingen in geval van verontreiniging van de
bodem
§ 1. Algemeen
Artikel 21 [Vervallen per 12-10-2005]
Artikel 22 [Vervallen per 12-10-2005]
Artikel 22a [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 23 [Vervallen per 12-10-2005]
Artikel 24 [Vervallen per 12-10-2005]
Artikel 25 [Vervallen per 12-10-2005]
Artikel 26 [Vervallen per 12-10-2005]
Artikel 27
1.Degene die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in
de artikelen 6 tot en met 11 en daarbij kennis neemt van een
verontreiniging of aantasting van de bodem die door die handelingen
wordt veroorzaakt, maakt zo spoedig mogelijk melding van de
verontreiniging of de aantasting bij gedeputeerde staten van de
provincie waar zij plaatsvindt, en geeft daarbij aan welke van de in
artikel 13 bedoelde maatregelen hij voornemens is te treffen of reeds
heeft getroffen.
2.In een geval als bedoeld in het eerste lid kunnen gedeputeerde
staten aanwijzingen geven met betrekking tot de te nemen maatregelen.
Gedeputeerde staten kunnen tevens een aanwijzing geven tot het laten
beoordelen van de reinigbaarheid van de verontreinigde grond op een
bij die aanwijzing te bepalen wijze. Tenzij de geboden spoed zich
daartegen verzet, geven gedeputeerde staten geen aanwijzing tot het
afgraven van verontreinigde bodem, dan nadat zij kennis hebben genomen
van het resultaat van de beoordeling van de reinigbaarheid van die
bodem.
3.Degene die bij de handelingen is betrokken, maakt terstond
melding van de verontreiniging of de aantasting bij degene die de
handelingen verricht, dan wel bij gedeputeerde staten van de provincie
waar zij plaatsvindt.
4.Gedeputeerde staten stellen zo spoedig mogelijk burgemeester en
wethouders van de gemeente waar zich de verontreiniging of de
aantasting voordoet, op de hoogte van de meldingen die bij hen
overeenkomstig het eerste of het derde lid zijn gedaan.
Artikel 27a [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27a-1 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27a-2 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27a-3 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27b [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27b-1 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27c [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27c-1 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27d [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27d-1 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27d-2 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27d-3 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27d-4 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27e [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27f [Vervallen per 15-05-1994]
Artikel 27g [Vervallen per 15-05-1994]
Artikel 27h [Vervallen per 15-05-1994]
Artikel 27m [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27n [Vervallen per 15-05-1994]
Artikel 27o [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27o-1 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27p [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27q [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27r [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27s [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27t [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27u [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27v [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 27w [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 28
1.Degene die voornemens is de bodem te saneren dan wel handelingen
te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem
wordt verminderd of verplaatst, doet van dat voornemen melding bij
gedeputeerde staten van de betrokken provincie.
2.Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende
gegevens verstrekt:
a. de resultaten van onderzoek met betrekking tot de kwaliteit
van de bodem;
b. de resultaten van nader onderzoek, indien dat is uitgevoerd;
c. het tijdstip waarop met de handelingen, bedoeld in het
eerste lid, zal worden aangevangen;
d. indien verontreinigd grondwater zal worden onttrokken, de
bestemming van dat grondwater;
e. indien verontreinigde bodem zal worden afgegraven, de
bestemming van de grond en of de verontreinigde grond zal worden
gereinigd;
f. indien de verontreinigde bodem geheel of gedeeltelijk niet
zal worden gereinigd, wordt tevens een beoordeling van de
reinigbaarheid van de verontreinigde grond overgelegd.
3.Een melding als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven,
indien de betrokkene redelijkerwijs kan aannemen dat de sanering of de
handeling waarop zijn voornemen betrekking heeft geen geval van
ernstige verontreiniging betreft en tevens vaststaat:
1°. dat de betreffende hoeveelheid verontreinigde grond of
verontreinigd grondwater 50 kubieke meter onderscheidenlijk 1000
kubieke meter niet te boven gaat, of
2°. dat uit de aard van de in het eerste lid bedoelde
handelingen volgt dat de grond slechts tijdelijk wordt verplaatst
en na verplaatsing wordt teruggebracht.
4.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke
andere gevallen dan die, genoemd in het derde lid, een melding als
bedoeld in het eerste lid achterwege kan blijven, mits het niet
gevallen van ernstige verontreiniging betreft.
5.Gedeputeerde staten stellen, indien het niet hun voornemen
betreft, burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente op de
hoogte van een ingevolge het eerste lid gedane melding. Tegelijkertijd
doen zij daarvan kennisgeving in één of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huis-bladen.
6.Dit artikel is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in de
artikelen 27, 30, eerste lid, en 43.
Artikel 28a
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent:
a. de beoordeling van de reinigbaarheid van verontreinigde grond,
bedoeld in de artikelen 27 en 28 van deze wet of in een algemene
maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet
milieubeheer;
b. de wijze van indeling in partijen van de verontreinigde bodem
op de te ontgraven locatie.
Artikel 29
1.Gedeputeerde staten stellen in een beschikking vast of sprake is
van een geval van ernstige verontreiniging:
a. naar aanleiding van een nader onderzoek of
b. naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28,
eerste lid.
2.Zij beslissen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vijftien
weken na ontvangst van het nader onderzoek of de melding.
3.Degene die een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid,
heeft gedaan, gaat niet over tot de in dat lid bedoelde handelingen
dan:
a. nadat een beschikking als bedoeld in het eerste lid, onder
b, is gegeven, dan wel
b. indien binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, geen
beschikking is gegeven als bedoeld in het eerste lid, onder b:
nadat die termijn is verstreken.
§ 2. Bevoegdheden bij ernstige verontreiniging of aantasting van de
bodem ten gevolge van een ongewoon voorval
Artikel 30
1.Indien ten gevolge van een ongewoon voorval een geval van
ernstige verontreiniging ontstaat of de bodem ernstig is of dreigt te
worden aangetast, nemen gedeputeerde staten onverwijld de naar hun
oordeel noodzakelijke maatregelen ten einde de oorzaak van de
verontreiniging of aantasting weg te nemen en de verontreiniging of de
aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel
mogelijk ongedaan te maken.
2.Met betrekking tot degene die een handeling verricht, die naar
het oordeel van gedeputeerde staten de oorzaak of mede de oorzaak is
van de verontreiniging of aantasting, kunnen de in het eerste lid
bedoelde maatregelen inhouden:
a. een bevel die handeling te staken;
b. een bevel die handeling te staken indien niet voldaan wordt
aan door gedeputeerde staten te stellen eisen.
3.Met betrekking tot degene op wiens grondgebied de oorzaak van de
verontreiniging of de aantasting zich bevindt, dan wel de
verontreiniging, de aantasting of de directe gevolgen zich voordoen,
kunnen de in het eerste lid bedoelde maatregelen een bevel inhouden
daarbij aan te geven personen op zijn grondgebied toe te laten en in
de gelegenheid te stellen, zonodig met gebruik van hulpmiddelen:
a. ter plaatse een onderzoek in te stellen naar de oorzaak en
de omvang van de verontreiniging, de aantasting of de directe
gevolgen;
b. de oorzaak van de verontreiniging of de aantasting weg te
nemen dan wel de verontreiniging of de aantasting en de directe
gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.
4.Met betrekking tot degene op wiens grondgebied maatregelen moeten
worden getroffen om op een in de directe omgeving gelegen grondgebied
van een ander de verontreiniging of de aantasting en de directe
gevolgen daarvan te kunnen beperken en zoveel mogelijk ongedaan te
maken, kunnen de in het eerste lid bedoelde maatregelen een bevel
inhouden daarbij aan te geven personen op zijn grondgebied toe te
laten en in de gelegenheid te stellen de daarbij aan te geven
maatregelen uit te voeren.
Artikel 31
Indien Onze commissaris in de provincie waar een verontreiniging of
aantasting als bedoeld in artikel 30 zich voordoet, van oordeel is dat
deze een zodanig gevaar voor het milieu oplevert, dan wel daarvan een
zodanige schade aan goederen te duchten is dat onverwijld handelen
noodzakelijk is, worden de in artikel 30 bedoelde maatregelen, zolang
deze toestand voortduurt en totdat gedeputeerde staten van hun
bevoegdheden gebruik maken, door hem genomen.
Artikel 32
1.Gedeputeerde staten en Onze commissaris geven aan artikel 30
onderscheidenlijk artikel 31 geen toepassing - tenzij de geboden spoed
zich daartegen verzet - zonder aan de inspecteur en de burgemeester
van de gemeente waar de verontreiniging, de aantasting of de directe
gevolgen daarvan zich voordoen, de gelegenheid te hebben geboden hen
terzake van advies te dienen.
2.Zij geven aan genoemde artikelen evenmin toepassing - tenzij de
geboden spoed zich daartegen verzet - zonder aan de betrokkene de
gelegenheid te hebben geboden binnen een daartoe te stellen termijn de
verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te
beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Daarbij kunnen zij
aanwijzingen geven met betrekking tot de wijze waarop zulks dient te
geschieden.
3.Bij de beschikking waarbij een maatregel wordt genomen als
bedoeld in artikel 30, wordt door gedeputeerde staten
onderscheidenlijk Onze commissaris een termijn van ten hoogste een
jaar gesteld, na het verstrijken waarvan de maatregel vervalt.
Gedeputeerde staten kunnen zodanige termijn telkenmale voor ten
hoogste een jaar verlengen indien naar hun oordeel de ernst van de
verontreiniging, de aantasting of de gevolgen niet of niet in
voldoende mate is verminderd.
Artikel 33
1.De burgemeester van een gemeente waar zich een verontreiniging of
een aantasting als bedoeld in artikel 30 voordoet dan wel de directe
gevolgen daarvan zich voordoen, en de inspecteur kunnen gedeputeerde
staten onderscheidenlijk Onze commissaris verzoeken aan de in artikel
30 bedoelde maatregelen toepassing te geven.
2.Van de beschikking, houdende de beslissing op zodanig verzoek,
wordt tevens mededeling gedaan aan de andere in het eerste lid
genoemde instantie die kan verzoeken toepassing aan de in artikel 30
bedoelde maatregelen te geven.
Artikel 34
Een ingevolge artikel 30 of 31 genomen beschikking wordt onverwijld
aan de betrokkene bekendgemaakt alsmede medegedeeld aan de burgemeester
van de gemeente waar de verontreiniging, de aantasting of de directe
gevolgen daarvan zich voordoen en de provinciale milieucommissie,
bedoeld in artikel 2.41 van de Wet milieubeheer.
Artikel 35 [Vervallen per 22-12-2009]
§ 3. Sanering
Artikel 36
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in
welke gevallen de functionele eigenschappen die de bodem voor mens,
plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd.
Artikel 37
1.Gedeputeerde staten stellen in een beschikking als bedoeld in
artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van
een geval van ernstige verontreiniging, tevens vast of het huidige dan
wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van
de verontreiniging leiden tot zodanige risico's voor mens, plant of
dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
2.Indien gedeputeerde staten vaststellen dat van risico's sprake is
als bedoeld in het eerste lid, bepalen zij dat met de sanering dient
te worden begonnen voor een door hen vast te stellen tijdstip dat ligt
zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van de beschikking, bedoeld
in het eerste lid. Bij de beschikking kunnen gedeputeerde staten het
uiterste tijdstip van indienen van het saneringsplan, bedoeld in
artikel 39, aangeven.
3.Bij de beschikking kunnen gedeputeerde staten aangeven welke
tijdelijke beveiligingsmaatregelen aan de sanering vooraf dienen te
gaan en op welke wijze en tijdstippen aan hen verslag wordt gedaan van
de uitvoering van die maatregelen.
4.Indien gedeputeerde staten vaststellen dat geen sprake is van
risico’s als bedoeld in het eerste lid, kunnen gedeputeerde staten
bij de beschikking aangeven welke maatregelen in het belang van de
bescherming van de bodem genomen moeten worden en op welke wijze en
tijdstippen aan hen verslag wordt gedaan van de uitvoering van die
maatregelen. Tevens kan worden aangegeven welke beperkingen in het
gebruik van de bodem door de eigenaar, erfpachter of gebruiker van het
grondgebied waar sprake is van ernstige verontreiniging, in acht
worden genomen.
5.Bij de beschikking geven gedeputeerde staten aan welke
wijzigingen van het gebruik van de bodem aan hen dienen te worden
gemeld.
6.Gedeputeerde staten kunnen naar aanleiding van een verslag als
bedoeld in het derde en vierde lid, een melding als bedoeld in het
vijfde lid, of een wijziging van omstandigheden de risico's, bedoeld
in het eerste lid, anders vaststellen of het tijdstip van de sanering
of van het indienen van het saneringsplan, bedoeld in het tweede lid,
vaststellen of anders vaststellen.
7.Bij de maatregel, bedoeld in artikel 36, kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste, tweede en
zesde lid.
Artikel 38
1. Degene die de bodem saneert, voert de sanering zodanig uit dat:
a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie
die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant
of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel
mogelijk wordt beperkt;
b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen
zoveel mogelijk wordt beperkt;
c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in
het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39d zoveel
mogelijk wordt beperkt.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met
betrekking tot het bepaalde in het eerste lid nadere regels worden
gesteld.
3. Indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen
niet verzet, kunnen gedeputeerde staten op verzoek van degene die de
bodem saneert, bepalen dat de sanering in fasen wordt uitgevoerd. Zij
geven daarbij aan:
a. voor de uitvoering van welke fasen vooraf een melding aan
hen wordt gedaan en welke gegevens daarbij worden overgelegd;
b. in welke fase welke tijdelijke beveiligingsmaatregelen
dienen te worden getroffen;
c. op welke wijze en op welke tijdstippen aan hen verslag wordt
gedaan van de uitvoering van de tijdelijke beveiligingsmaatregelen
en
d. welke wijzigingen van het gebruik van de bodem aan hen
dienen te worden gemeld.
4. Naar aanleiding van een melding als bedoeld in het derde lid,
onder a of d, of een verslag als bedoeld in het derde lid, onder c,
kunnen gedeputeerde staten aanwijzingen geven omtrent de verdere
uitvoering van de sanering, die een wijziging inhouden van onderdelen
van het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd.
Artikel 39
1.Indien een geval van ernstige verontreiniging wordt vermoed gaat
de melding, bedoeld in artikel 28, voor zover dit niet reeds ingevolge
dat artikel is vereist, tevens vergezeld van de resultaten van het
nader onderzoek alsmede, indien het voornemen bestaat de bodem te
saneren, van de resultaten van het saneringsonderzoek en van een
saneringsplan, dat in ieder geval inhoudt:
a. een nadere beschrijving van de wijze waarop de sanering zal
worden uitgevoerd, waarbij is aangegeven hoe aan artikel 38,
eerste lid, zal worden voldaan;
b. een beschrijving van de effecten die met de te treffen
saneringsmaatregelen worden beoogd, waaronder mede begrepen een
nadere beschrijving van de kwaliteit van de bodem die met de
sanering zal worden bereikt;
c. indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig
blijft: een beschrijving van beperkingen in het gebruik van de
bodem of maatregelen die naar verwachting nodig zijn in het belang
van de bescherming van de bodem, alsmede een indicatie van de
kosten van die maatregelen;
d. een begroting van de kosten van de sanering en een overzicht
van de daarvoor beschikbare middelen;
e. indien de verontreinigde grond zal worden afgegraven of het
verontreinigde grondwater zal worden onttrokken, de bestemming van
die grond onderscheidenlijk dat grondwater;
f. indien verontreinigde grond binnen het geval van de
verontreiniging wordt verplaatst, een beschrijving van de
omstandigheden waaronder dit gebeurt;
g. het tijdstip waarop de sanering naar verwachting zal zijn
uitgevoerd;
h. indien de verontreiniging zich kan verspreiden en de
saneringsmaatregelen zich uitstrekken over een periode van drie
jaar of meer:
1°. een overzicht van de tussentijds beoogde effecten, en
de tijdstippen waarop gedeputeerde staten schriftelijk worden
geïnformeerd omtrent de effecten van de getroffen maatregelen
en in hoeverre deze overeenstemmen met de beoogde effecten;
2°. een beschrijving van een andere methode om de beoogde
effecten, bedoeld onder b, te bereiken, voor het geval de in
het saneringsplan opgenomen methode niet tot die effecten zou
leiden.
Provinciale staten kunnen nadere regels stellen omtrent de gegevens
die in het saneringsplan worden opgenomen.
2.Het saneringsplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten,
die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven
sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens
artikel 38 bepaalde. Zij beslissen hierover binnen vijftien weken na
de indiening van het saneringsplan. Zij kunnen deze termijn binnen zes
weken na de datum van ontvangst van de melding verlengen met ten
hoogste vijftien weken. Met de uitvoering van het saneringsplan kan
worden begonnen nadat gedeputeerde staten met dat plan hebben
ingestemd of die instemming van rechtswege is verleend. Aan de
instemming kunnen voorschriften worden verbonden. De instemming is van
rechtswege verleend, indien gedeputeerde staten niet binnen de
instemmingstermijn van vijftien weken of voor de afloop van de termijn
waarmee is verlengd een beslissing hebben genomen. Een instemming van
rechtswege wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3
van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Indien het voornemen, bedoeld in artikel 28, eerste lid, inhoudt
dat de sanering niet onmiddellijk wordt uitgevoerd nadat de
beschikking, bedoeld in artikel 29, eerste lid, is gegeven, kunnen
gedeputeerde staten bepalen dat de in het eerste lid bedoelde stukken
niet reeds bij de melding behoeven te worden ingediend.
4.Degene die de bodem saneert, meldt wijzigingen van het
saneringsplan, waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd,
uiterlijk twee weken voorafgaand aan de uitvoering daarvan aan
gedeputeerde staten. Provinciale staten kunnen nadere regels stellen
omtrent de gegevens die bij de melding worden verstrekt. Artikel 28,
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.Gedeputeerde staten kunnen naar aanleiding van de melding,
bedoeld in het vierde lid, aanwijzingen geven omtrent de verdere
uitvoering van de sanering, die een wijziging inhouden van onderdelen
van het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd.
Artikel 39a
Degene die de bodem saneert, alsmede degene die de sanering feitelijk
uitvoert, voeren de sanering uit overeenkomstig het saneringsplan
waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, en overeenkomstig de
voorschriften die aan de instemming zijn verbonden. Indien gedeputeerde
staten aanwijzingen als bedoeld in artikel 39, vijfde lid, hebben
gegeven, wordt bij de uitvoering van de sanering overeenkomstig die
aanwijzingen gehandeld.
Artikel 39b
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot bij ministeriële regeling aan te
wijzen categorieën van uniforme saneringen bestaande uit eenvoudige,
gelijksoortige saneringen van korte duur. De sanering kan betrekking
hebben op slechts een gedeelte van het geval van verontreiniging.
2. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste
lid, bevat in ieder geval regels omtrent:
a. het onderzoek dat aan de sanering vooraf gaat;
b. de gegevens die bij de melding, bedoeld in het derde lid,
moeten worden verstrekt, alsmede de wijze waarop die gegevens
worden verstrekt;
c. de gegevens die degene die saneert tijdens de sanering aan
gedeputeerde staten moet verstrekken en de wijze en het tijdstip
waarop dat gebeurt;
d. de aanpak en wijze van sanering waaronder begrepen aanvang,
duur en afronding van de sanering.
3. Degene die voornemens is te saneren dan wel handelingen te
verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt
verminderd of verplaatst overeenkomstig de regels gesteld krachtens
het eerste lid, doet van dat voornemen melding bij gedeputeerde staten
van de betrokken provincie. Gedeputeerde staten stellen, indien het
niet hun voornemen betreft, burgemeester en wethouders van de
betrokken gemeente op de hoogte van de gedane melding. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze en
het tijdstip waarop de kennisgeving van de melding in één of meer
dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen plaatsvindt en kan worden
bepaald in welke gevallen een dergelijke kennisgeving achterwege kan
worden gelaten.
4. Met de sanering kan met inachtneming van de regels gesteld
krachtens het eerste lid worden begonnen nadat vijf weken zijn
verstreken vanaf de datum van ontvangst van de melding, bedoeld in het
derde lid, door gedeputeerde staten. In bij algemene maatregel van
bestuur aangegeven omstandigheden kan bij die maatregel een kortere
termijn dan vijf weken worden gesteld. De melding vervalt indien niet
met de sanering wordt begonnen binnen een bij algemene maatregel van
bestuur gestelde termijn.
5. De artikelen 28,29, 37, 39, 39a, 39c, 39d en 40 zijn niet van
toepassing indien de sanering wordt gemeld en vervolgens wordt
uitgevoerd overeenkomstig de regels gesteld bij of krachtens het
eerste, derde en vierde lid.
6. Na de uitvoering van de sanering doet degene die de bodem heeft
gesaneerd daarvan schriftelijk verslag aan gedeputeerde staten. Het
verslag behoeft de instemming van gedeputeerde staten die slechts met
het verslag instemmen indien is gesaneerd overeenkomstig de regels
gesteld bij of krachtens het eerste, derde en vierde lid. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
omtrent de gegevens die bij het verslag moeten worden verstrekt, de
wijze waarop die gegevens worden verstrekt, en het tijdstip waarop dat
gebeurt en de termijn waarbinnen de instemming met het verslag
plaatsvindt.
7. Dit artikel is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in de
artikelen 27, 30, eerste lid, en43.
Artikel 39c
1.Na de uitvoering van de sanering of een fase van de sanering als
bedoeld in artikel 38, derde lid, doet degene die de bodem heeft
gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd, daarvan
zo spoedig mogelijk schriftelijk verslag aan gedeputeerde staten. Het
verslag houdt ten minste in:
a. een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen;
b. een beschrijving van de kwaliteit van de bodem na het
uitvoeren van de sanering, waaronder mede begrepen een
beschrijving van de aard en omvang van de verontreiniging indien
na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven;
c. indien de verontreinigde grond is afgegraven of het
verontreinigde grondwater aan de bodem is onttrokken, de
hoeveelheid, de kwaliteit en de bestemming van die grond
onderscheidenlijk dat grondwater;
d. indien ten behoeve van de sanering grond is aangevoerd de
hoeveelheid, de kwaliteit en de herkomst van de aangevoerde grond;
e. een evaluatie van de mate waarin de effecten van de
getroffen saneringsmaatregelen overeenstemmen met de beoogde
effecten, bedoeld in artikel 39, eerste lid, onder b;
f. indien na de sanering nog verontreiniging in de bodem
aanwezig is, het aangeven van de noodzaak van beperkingen in het
gebruik van de bodem, of maatregelen in het belang van de
bescherming van de bodem.
2.Het verslag behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die
slechts met het verslag instemmen indien gesaneerd is overeenkomstig
het bepaalde bij of krachtens artikel 38. Artikel 28, vijfde lid, is
van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de instemming met het
verslag.
3.Provinciale staten kunnen nadere regels stellen omtrent de
gegevens die in het verslag worden opgenomen.
Artikel 39d
1.Indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is
gebleven en in het verslag, bedoeld in artikel 39c is aangegeven dat
beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen als bedoeld in
artikel 39c, eerste lid, onder f, noodzakelijk zijn, wordt tegelijk
met of zo spoedig mogelijk na de toezending van dat verslag door
degene die de bodem heeft gesaneerd een nazorgplan ingediend waarin
die beperkingen in het gebruik of die maatregelen worden beschreven.
Het nazorgplan bevat tevens een begroting van de kosten van de
maatregelen.
2.De maatregelen kunnen onder meer inhouden:
a. het regelmatig inspecteren van de voorzieningen die ter
uitvoering van de sanering zijn aangebracht en de tijdstippen
waarop hierover tussentijds aan het bevoegd gezag verslag wordt
gedaan;
b. het in stand houden en onderhouden alsmede waar nodig het
herstellen, verbeteren of vervangen van die voorzieningen.
3.Het nazorgplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die
slechts met het nazorgplan instemmen indien de daarin opgenomen
beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen naar hun
oordeel voldoende zijn om er voor te zorgen dat de verontreiniging die
na de sanering is achtergebleven niet zal leiden tot een vermindering
van de kwaliteit van de bodem zoals beschreven in het verslag op grond
van artikel 39c, eerste lid, onder b. Met de uitvoering van het
nazorgplan kan worden begonnen nadat gedeputeerde staten met dat plan
hebben ingestemd of die instemming van rechtswege is verleend. Aan de
instemming kunnen voorschriften worden verbonden. De instemming is van
rechtswege verleend, indien gedeputeerde staten niet binnen de termijn
van zes maanden na ontvangst van het nazorgplan een beslissing hebben
genomen. Een instemming van rechtswege wordt aangemerkt als een
besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 28, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing voor wat
betreft de instemming met het nazorgplan.
4.Bij de beschikking tot instemming met het nazorgplan kunnen
gedeputeerde staten aangeven welke wijzigingen in het gebruik van de
bodem aan hen dienen te worden gemeld. Naar aanleiding van die melding
kunnen gedeputeerde staten bepalen dat een aanvullende sanering moet
plaatsvinden.
5.Provinciale staten kunnen nadere regels stellen omtrent de
gegevens die in het nazorgplan worden opgenomen.
Artikel 39e
1.De eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied waar
sprake is van verontreiniging als bedoeld in artikel 39d, neemt de
beperkingen in het gebruik van de bodem in acht die zijn beschreven in
het nazorgplan, bedoeld in het eerste lid van dat artikel.
2.Met de uitvoering van de maatregelen die zijn beschreven in het
nazorgplan, is belast degene die de bodem heeft gesaneerd, dan wel
degene die daartoe is aangewezen in het nazorgplan, waarmee
gedeputeerde staten hebben ingestemd. De uitvoering geschiedt
overeenkomstig het nazorgplan waarmee door gedeputeerde staten is
ingestemd, en overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming
zijn verbonden.
Artikel 39f
1. Gedeputeerde staten kunnen aan de instemming met een
saneringsplan, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderscheidenlijk de
instemming met een nazorgplan, bedoeld in artikel 39d, derde lid,
voorschriften verbinden tot het stellen van financiële zekerheid door
degene die de bodem saneert voor het treffen van maatregelen ter
uitvoering van het saneringsplan, onderscheidenlijk van maatregelen
als bedoeld in artikel 39d, eerste lid. Daarbij wordt in ieder geval
aangegeven het bedrag waarvoor de zekerheid ten hoogste in stand wordt
gehouden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop financiële zekerheid
zal worden gesteld, alsmede omtrent het instandhouden van de
financiële zekerheidstelling. Bij de maatregel kan worden bepaald dat
gedeputeerde staten het bij het niet nakomen van de verplichtingen
waarvoor financiële zekerheid is gesteld te verhalen bedrag kunnen
invorderen bij dwangbevel.
Artikel 40
1.Indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen
niet verzet, kunnen gedeputeerde staten, in afwijking van de artikelen
28 en 39, toestaan bij een melding als bedoeld in artikel 28, die een
voornemen betreft om een handeling te verrichten ten gevolge waarvan
slechts een gedeelte van de verontreiniging van de bodem wordt
verplaatst, te volstaan met het verstrekken van:
a. de resultaten van een nader onderzoek van het betrokken
gedeelte en
b. een saneringsplan voor het betrokken gedeelte.
2.De stukken, bedoeld in het eerste lid, behoeven de instemming van
gedeputeerde staten. Artikel 39, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 41
Burgemeester en wethouders doen aan gedeputeerde staten opgave van de
hun bekende en binnen het grondgebied van hun gemeente gelegen
onderzoeksgevallen en gevallen van ernstige verontreiniging.
Burgemeester en wethouders stellen degene op wiens grondgebied zich een
geval voordoet als bedoeld in de eerste volzin daarvan zo spoedig
mogelijk op de hoogte.
Artikel 42
Indien:
a. binnen het grondgebied van een geval van ernstige
verontreiniging een ander geval van ernstige verontreiniging is
gelegen dan wel
b. zich gevallen van ernstige verontreiniging binnen aan elkaar
grenzende grondgebieden voordoen en
naar het oordeel van gedeputeerde staten binnen de groep van
gevallen, bedoeld onder a onderscheidenlijk onder b, met het oog op de
aanpak van de verontreiniging voldoende samenhang bestaat, bepalen
gedeputeerde staten dat met de sanering van beide gevallen tezelfdertijd
wordt begonnen.
Artikel 43
1.Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot het grondgebied
waarop de verontreiniging zich bevindt of de directe gevolgen daarvan
zich voordoen:
a. bij een onderzoeksgeval bevelen op de daarbij aangegeven
wijze nader onderzoek te verrichten of
b. bij een geval van ernstige verontreiniging bevelen
tijdelijke beveiligingsmaatregelen te treffen.
2.De in het eerste lid bedoelde bevelen kunnen slechts worden
gegeven aan degene die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op dat
grondgebied en het tevens in gebruik heeft of heeft gehad in de
uitoefening van een bedrijf.
3.Gedeputeerde staten kunnen tevens:
a. degene door wiens handelen een onderzoeksgeval of geval van
ernstige verontreiniging is veroorzaakt, dan wel
b. de eigenaar of de erfpachter van het grondgebied waarop zich
bij zodanige gevallen de verontreiniging bevindt of de directe
gevolgen daarvan zich voordoen,
bevelen op de daarbij aangegeven wijze nader onderzoek te
verrichten dan wel, ingeval het een geval van ernstige verontreiniging
betreft, saneringsonderzoek te verrichten of de bodem te saneren
indien in een beschikking als bedoeld in artikel 37, eerste lid, is
vastgesteld dat spoedige sanering noodzakelijk is, dan wel de
maatregelen te treffen die zijn aangegeven overeenkomstig artikel 37,
vierde lid.
4.Het bevel de bodem te saneren, bedoeld in het derde lid, kan
onder meer strekken tot het treffen van tijdelijke
beveiligingsmaatregelen of tot het opstellen van een saneringsplan.
5.Het bevel de bodem te saneren, bedoeld in het derde lid, kan niet
worden gegeven indien ten aanzien van het betrokken geval van
verontreiniging is gesaneerd overeenkomstig artikel 38, eerste lid.
Artikel 44 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 44a [Vervallen per 15-05-1994]
Artikel 45
1.Indien gedeputeerde staten overwegen krachtens artikel 43 een
bevel te geven naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel
28, doen zij degene die de melding heeft gedaan, daarvan mededeling.
2.Gedeputeerde staten gaan tot het geven van een bevel krachtens
artikel 43 niet over dan na burgemeester en wethouders van de
betrokken gemeente en de inspecteur de gelegenheid te hebben geboden
hen terzake van advies te dienen.
3.Gedeputeerde staten gaan evenmin over tot het geven van een bevel
krachtens artikel 43 zonder aan de betrokkene de gelegenheid te hebben
geboden binnen een daartoe, na overleg met de betrokkene, te stellen
termijn nader onderzoek of saneringsonderzoek te verrichten, de bodem
te saneren, tijdelijke beveiligingsmaatregelen te treffen, een
saneringsplan op te stellen of de maatregelen te treffen die zijn
aangegeven overeenkomstig artikel 37, vierde lid.
4.In een geval als bedoeld in het derde lid kunnen gedeputeerde
staten aanwijzingen geven met betrekking tot de wijze waarop zulks
dient te geschieden.
5.Indien gedeputeerde staten van een andere provincie eveneens
voornemens zijn een bevel te geven aan de betrokkene, betrekken
gedeputeerde staten op verzoek van de betrokkene ook gedeputeerde
staten van die andere provincie bij het overleg, bedoeld in het derde
lid, en bij de vaststelling van de periode waarin het betrokken geval
krachtens een te geven bevel moet worden onderzocht of gesaneerd.
6.Indien gedeputeerde staten een bevel geven op grond van artikel
43 met betrekking tot een onderzoeksgeval of geval van ernstige
verontreiniging, niet gelegen op het grondgebied van degene aan wie
het bevel wordt gegeven, gaan zij daartoe bovendien niet over dan na
overleg met degene op wiens grondgebied dat onderzoeksgeval of geval
van ernstige verontreiniging zich voordoet.
Artikel 46
1.Een bevel tot sanering als bedoeld in artikel 43, derde lid,
wordt, tenzij het tijdelijke beveiligingsmaatregelen betreft, niet
gegeven aan de eigenaar of de erfpachter van het grondgebied, indien
deze ter gelegenheid van het ingevolge artikel 45, derde lid, met hem
gevoerde overleg aantoont dat hij:
a. gedurende de periode waarin de verontreiniging is
veroorzaakt geen duurzame rechtsbetrekking heeft gehad met de
veroorzaker of veroorzakers;
b. geen directe of indirecte betrokkenheid heeft gehad bij de
veroorzaking van de verontreiniging, en
c. op het moment van de verkrijging van het recht op het
grondgebied niet op de hoogte was dan wel redelijkerwijs niet op
de hoogte had kunnen zijn van de verontreiniging.
2.Indien een eigenaar of erfpachter:
a. niet voldoet aan het eerste lid, onder a, doch de
veroorzaker niet in overwegende mate is betrokken bij de
veroorzaking van de verontreiniging of
b. niet voldoet aan het eerste lid, onder b, doch niet in
overwegende mate is betrokken bij de veroorzaking van de
verontreiniging,
doch overigens voldoet aan het eerste lid, geven gedeputeerde
staten hem geen bevel, indien zij met hem overeenkomen dat hij aan hen
een bedrag betaalt dat overeenkomt met de kosten van de sanering van
het deel van de verontreiniging waarbij de veroorzaker
onderscheidenlijk hij is betrokken.
3.Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op degene door
wiens handelen een geval van ernstige verontreiniging mede is
ontstaan, doch die niet in overwegende mate is betrokken bij de
veroorzaking van de verontreiniging.
Artikel 47
1.Van een beschikking krachtens artikel 43 wordt mededeling gedaan
aan burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente en de
inspecteur.
2.In een geval als bedoeld in artikel 45, zesde lid, wordt
bovendien van de beschikking mededeling gedaan aan degene op wiens
grondgebied dat onderzoeksgeval of geval van ernstige verontreiniging
zich voordoet.
Artikel 48
Gedeputeerde staten zijn belast met het oriënterend onderzoek en het
nader onderzoek in hun provincie alsmede met het saneringsonderzoek en
de sanering van in hun provincie gelegen gevallen van ernstige
verontreiniging voor zover daarin niet is voorzien op de wijze, bedoeld
in de artikelen 13, 27, 28, 43 tot en met 47 of 72.
Artikel 49
1.Gedeputeerde staten kunnen, indien dat noodzakelijk is om nader
onderzoek, saneringsonderzoek, sanering of de uitvoering van de
maatregelen, bedoeld in artikel 39e, tweede lid, mogelijk te maken,
maatregelen nemen als bedoeld in artikel 30, tweede, derde en vierde
lid.
2.Ten behoeve van het verrichten van oriënterend onderzoek kunnen
gedeputeerde staten voorts een maatregel nemen als bedoeld in artikel
30, derde lid, onder a , met betrekking tot degene op wiens
grondgebied dat onderzoek moet geschieden.
3.Met betrekking tot gevallen als bedoeld in het eerste en tweede
lid, waarvan het onderzoek of de sanering wordt uitgevoerd door
burgemeester en wethouders, komen de overeenkomstig die leden aan
gedeputeerde staten toekomende bevoegdheden toe aan burgemeester en
wethouders. Artikel 55 is van overeenkomstige toepassing op
burgemeester en wethouders.
4.Artikel 47, eerste lid, is met betrekking tot de uitoefening van
de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde bevoegdheden van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 49a [Vervallen per 15-05-1994]
Artikel 50
1. Onze Minister kan, indien dat noodzakelijk is om de sanering van
een geval van ernstige verontreiniging mogelijk te maken, op verzoek
van gedeputeerde staten ten behoeve van een bij dat verzoek aangewezen
openbaar lichaam vorderen:
a. de eigendom of het gebruik van onroerende zaken, gelegen
binnen het grondgebied waarop zich in dat geval de oorzaak van de
verontreiniging bevindt, dan wel de verontreiniging of de directe
gevolgen daarvan zich voordoen;
b. beperkte rechten, waaraan zaken als bedoeld onder a
onderworpen zijn, dan wel het gebruik daarvan.
2. Alvorens gedeputeerde staten een verzoek doen als bedoeld in het
eerste lid, trachten zij hetgeen gevorderd moet worden, bij minnelijke
schikking te verkrijgen. Bij hun verzoek doen zij verslag van het
daaromtrent met de betrokken rechthebbenden gevoerde overleg. Onze
Minister oefent de hem in het eerste lid toegekende bevoegdheden niet
uit dan nadat hij aan de Staten-Generaal kennis heeft gegeven van zijn
voornemen daartoe; daarbij legt hij het in de tweede volzin bedoelde
verslag over.
3. De Vorderingswet is van toepassing, met dien verstande dat de
artikelen 3, 3a , 5, 9, derde lid, en 13, derde lid, tweede volzin,
buiten toepassing blijven.
4. Bij de bepaling van de schadeloosstelling blijft de
verontreiniging van de bodem buiten beschouwing, voor zover de schade
niet aan de tot schadeloosstelling gerechtigde is toe te rekenen, dan
wel voor zover deze daardoor niet ongerechtvaardigd wordt verrijkt.
5. Degene te wiens behoeve is gevorderd, betaalt aan de
rechthebbende met wie over de vaststelling van het bedrag van de
schadeloosstelling niet in het overleg overeenkomstig artikel 17 van
de Vorderingswet overeenstemming is bereikt, of die niet aan dat
overleg heeft deelgenomen, een voorschot op die schadeloosstelling ten
bedrage van 90 procent van het hem als schadeloosstelling aangeboden
bedrag.
Artikel 50a [Vervallen per 15-05-1994]
Artikel 51
1.Gedeputeerde staten kunnen burgemeester en wethouders uitnodigen
om met toepassing van artikel 3.22, eerste lid, van de Wet ruimtelijke
ordening voor een door hen te bepalen termijn van ten hoogste vijf
jaar ontheffing te verlenen van een bestemmingsplan, indien het met
het oog op de voortgang van de bodemsanering noodzakelijk is voor die
termijn grond of een ander materiaal op te slaan in afwijking van dat
plan. Indien niet binnen tien weken nadat de uitnodiging is verzonden
daaraan gevolg is gegeven, kunnen gedeputeerde staten de ontheffing
verlenen.
2.Het bij of krachtens artikel 3.22, derde, vierde of vijfde lid,
van de Wet ruimtelijke ordening bepaalde is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 51a [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 51b [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 52
Gedeputeerde staten betrekken bij de uitvoering van het nader
onderzoek, of, in een geval van ernstige verontreiniging, dat is
opgenomen in het provinciaal milieuprogramma, het saneringsonderzoek of
de sanering burgemeester en wethouders alsmede de ingezetenen van de
betrokken gemeente en belanghebbenden, op de wijze voorzien in de
krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde verordening.
Artikel 53
1.Burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde staten verzoeken
hen te belasten met het onderzoek van onderzoeksgevallen, het
saneringsonderzoek of de sanering van gevallen van ernstige
verontreiniging, voor zover zodanig onderzoek of sanering door of
vanwege gedeputeerde staten op het grondgebied van hun gemeente zal
worden uitgevoerd.
2.Gedeputeerde staten beslissen op een verzoek als bedoeld in het
eerste lid binnen vier weken na de ontvangst daarvan. Van de
beschikking wordt mededeling gedaan aan de inspecteur.
Artikel 53a [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 54
Artikel 52 is van overeenkomstige toepassing indien burgemeester en
wethouders overgaan tot het onderzoek van onderzoeksgevallen of het
saneringsonderzoek of de sanering van gevallen van ernstige
verontreiniging, met dien verstande dat de verordening door de
gemeenteraad wordt vastgesteld.
Artikel 55
1.Een beschikking als bedoeld in de artikelen 29, eerste lid,
juncto 37, eerste lid, 39b juncto artikel 14 van het Besluit uniforme
saneringen, 39c, tweede lid, en 39d, derde lid, en een bevel als
bedoeld in de artikelen 30, 43 en 49, vermelden, onder verwijzing naar
een bijgevoegde kadastrale kaart, de kadastrale aanduiding van de
onroerende zaak of zaken ten aanzien waarvan uit de beschikking of het
bevel een publiekrechtelijke beperking als bedoeld in artikel 1,
onderdeel a, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen
onroerende zaken voortvloeit, dan wel ten aanzien waarvan bij de
beschikking of het bevel zodanige beperking wordt gewijzigd of komt te
vervallen.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent
de uitvoering van het eerste lid.
§ 3a. Bijzondere bepalingen inzake sanering van bedrijfsterreinen
Artikel 55a
In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt onder een
bedrijfsterrein verstaan een perceel als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van de Kadasterwet waarop bedrijfsactiviteiten worden verricht door
een onderneming in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 of de
Wet op de vennootschapsbelasting 1969, niet behorend tot de
landbouwsector, zoals opgenomen in de Communautaire richtsnoeren voor
staatssteun in de landbouwsector van 1 februari 2000 (PbEG C 28) dan wel
overeenkomstig daarvoor in de plaats tredende regelgeving.
Artikel 55b
1.De eigenaar of indien op het bedrijfsterrein een recht van
erfpacht rust, de erfpachter van een bedrijfsterrein waar een geval
van ernstige verontreiniging is ontstaan, is verplicht de bodem te
saneren indien in een beschikking als bedoeld in artikel 37, eerste
lid, is vastgesteld dat spoedige sanering noodzakelijk is. Met de
sanering wordt begonnen uiterlijk voor het tijdstip dat is bepaald in
de beschikking. De bedoelde eigenaar of erfpachter is verplicht
tijdelijke beveiligingsmaatregelen als bedoeld in artikel 37, derde
lid, of maatregelen als bedoeld in artikel 37, vierde lid, te nemen en
van de uitvoering van die maatregelen verslag te doen, voor zover dat
is aangegeven in de beschikking, bedoeld in artikel 37, eerste lid.
2.Artikel 43, derde lid, is niet van toepassing voor zover het de
mogelijkheid van gedeputeerde staten betreft om de eigenaar of de
erfpachter van een bedrijfsterrein als bedoeld in het eerste lid, te
bevelen de bodem te saneren, tijdelijke beveiligingsmaatregelen te
nemen dan wel de maatregelen te nemen die zijn aangegeven
overeenkomstig artikel 37, vierde lid.
3.Indien de eigendom of de erfpacht wordt overgedragen, blijft de
verplichting om te saneren mede rusten op de eigenaar of de erfpachter
die zijn eigendom respectievelijk zijn recht van erfpacht heeft
overgedragen tot het tijdstip waarop de opvolgende eigenaar of de
opvolgende erfpachter financiële zekerheid voor de saneringskosten
heeft gesteld, en daarmee door gedeputeerde staten is ingestemd.
Artikel 39f, tweede lid, is van toepassing.
§ 4. Verplichte aankoop door gemeenten bij ernstige verontreiniging
Artikel 56
In deze paragraaf wordt onder redelijke prijs verstaan: prijs die tot
stand komt bij een koop in het vrije commerciële verkeer tussen
redelijk handelende partijen, waarbij buiten beschouwing blijft de
verontreiniging van de bodem.
Artikel 57
1.Een gemeente is verplicht tot aankoop van grond, de daarop
staande woning of een recht met betrekking tot de grond of de woning,
indien:
a. de woning staat op een gedeelte van het grondgebied van de
gemeente dat een geval van ernstige verontreiniging omvat of dat
deel uitmaakt van een geval van ernstige verontreiniging;
b. ingevolge artikel 37, eerste lid, is vastgesteld dat het
huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke
verspreiding van de verontreiniging leiden tot zodanige risico's
voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is en
c. dat gedeelte voor woningbouw is verkocht of in erfpacht is
uitgegeven nadat de verontreiniging is veroorzaakt.
2.De aankoop geschiedt tegen een redelijke prijs.
Artikel 58
De verplichting bestaat slechts indien een verzoek tot aankoop is
gedaan door:
a. de eigenaar van de grond of de woning;
b. degene aan wie het recht van erfpacht, van opstal, van
vruchtgebruik of van gebruik en bewoning toebehoort, waaraan de
grond of de woning is onderworpen.
Artikel 59
1.De verplichting bestaat uitsluitend jegens een rechthebbende die
aantoont dat hij:
a. de woning bewoont;
b. gedurende de periode waarin de verontreiniging is
veroorzaakt geen duurzame rechtsbetrekkingen heeft gehad met de
veroorzaker of veroorzakers;
c. geen directe of indirecte betrokkenheid heeft gehad bij de
veroorzaking van de verontreiniging en
d. op het moment van de verkrijging van zijn recht niet op de
hoogte was dan wel redelijkerwijs niet op de hoogte had kunnen
zijn van de verontreiniging.
2.Voorts moet de rechthebbende aantonen dat de woning in het vrije
commerciële verkeer niet tegen een redelijke prijs verkoopbaar is.
Hij kan dit in ieder geval aantonen indien hij de woning drie maal in
een dagblad tegen een redelijke prijs tevergeefs te koop heeft
aangeboden, gedurende een periode van zes maanden nadat ingevolge
artikel 37, eerste lid, is vastgesteld dat het huidige dan wel
voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de
verontreiniging leiden tot zodanige risico's voor mens, plant of dier
dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Artikel 60
De gemeente is niet verplicht tot aankoop, indien:
a. de verontreiniging slechts het grondwater betreft of
b. gedeputeerde staten een verzoek als bedoeld in artikel 50,
eerste lid, of daarop vooruitlopend, een aanbod tot minnelijke
schikking als bedoeld in artikel 50, tweede lid, hebben gedaan.
Artikel 61
Artikel 75, derde lid, vindt geen toepassing op:
a. de in artikel 59 bedoelde rechthebbende;
b. de gemeente die de grond, de woning of een recht met
betrekking tot de grond of de woning koopt;
c. degene aan wie de gemeente de grond, de woning of het recht
met betrekking tot de grond of de woning vervolgens verkoopt, tenzij
deze de woning bewoont of heeft bewoond.
Artikel 62
Burgemeester en wethouders beslissen binnen drie maanden op het
verzoek. Zij zenden een afschrift van het verzoek en van hun beslissing
daarop aan gedeputeerde staten.
Artikel 63
Geschillen over de beslissing van de gemeente op het verzoek of met
betrekking tot de koopprijs staan ter kennisneming van de rechtbank
binnen het rechtsgebied waarvan de woning is gelegen.
§ 5. Bijzondere bepalingen voor oppervlaktewaterlichamen
Artikel 63a
1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder
«beheerder»verstaan hetgeen daaronder in artikel 1.1 van de Waterwet
wordt verstaan.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt
onder«oppervlaktewaterlichaam» verstaan hetgeen daaronder in artikel
1.1 van de Waterwet wordt verstaan.
Artikel 63b
Indien een verontreiniging of aantasting van de bodem als bedoeld in
artikel 13 zich mede uitstrekt tot de bodem of oever van een
oppervlaktewaterlichaam, plegen gedeputeerde staten, alvorens van hun
bevoegdheden gebruik te maken, ter zake overleg met de beheerder.
Artikel 63c
1. In afwijking van artikel 99, vierde lid, zijn de artikelen 28,
28a en 29, de paragrafen 3 en 3a van hoofdstuk IV en artikel 75 mede
van toepassing op de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam,
indien:
a. een geval van ernstige verontreiniging zich mede uitstrekt
tot die bodem of oever;
b. voor dat geval overeenkomstig artikel 37, eerste lid, is
vastgesteld dat spoedige sanering noodzakelijk is; en
c. de bron van de verontreiniging of aantasting buiten die
bodem of oever is gelegen.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid plegen gedeputeerde
staten, alvorens van hun bevoegdheden gebruik te maken, ter zake
overleg met de beheerder.
Hoofdstuk V. Vrijstelling en ontheffing
Artikel 64
1. Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Technische commissie bodem
gehoord, bij ministeriële regeling voor daarbij aangegeven
categorieën van handelingen vrijstelling verlenen van krachtens
Hoofdstuk III, gestelde regels, voor zover het belang van de
bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet.
2. Aan een vrijstelling worden de voorschriften verbonden, die
nodig zijn in het belang van de bescherming van de bodem.
3. Indien de in het eerste lid bedoelde, krachtens hoofdstuk III
gestelde regels handelingen betreffen die tot doel hebben om de bodem
te bemesten dan wel door toevoeging van materiaal de structuur van de
bodem te verbeteren, kan in afwijking van het eerste lid Onze Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in overeenstemming met Onze
Minister, de Technische commissie bodem gehoord, vrijstelling verlenen
van deze regels, voor zover het belang van de bescherming van de bodem
zich daartegen niet verzet. Het tweede lid is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 65
1. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de
artikelen 6 tot en met 11 kan bepaald worden dat bij de maatregel
aangewezen bestuursorganen, in gevallen waarin het belang van de
bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet, op daartoe
strekkend verzoek ontheffing kunnen verlenen van bij de maatregel
aangegeven verboden en verplichtingen. Indien als bestuursorgaan niet
een orgaan van het Rijk is aangewezen, wordt bij een beschikking met
betrekking tot een ontheffing de ingevolge artikel 1.2 van de Wet
milieubeheer vastgestelde provinciale milieuverordening in acht
genomen.
2. Een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid geldt niet met
betrekking tot inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist.
3. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend; aan de
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. De beperkingen en
voorschriften worden gesteld in het belang van de bescherming van de
bodem.
4. Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid kunnen ter
uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor
Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie
regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin een
ontheffing kan worden verleend en de voorschriften of beperkingen, die
in ieder geval aan een ontheffing dienen te worden verbonden.
5. Op de voorbereiding van een beschikking op een verzoek om
verlening van een ontheffing zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing,
tenzij bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de
artikelen 6 tot en met 11 anders is bepaald.
6. Indien de ontheffing betrekking heeft op een
bodemenergiesysteem, is artikel 8, derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 66
1. Beperkingen waaronder een ontheffing is verleend, en
voorschriften die daaraan zijn verbonden, kunnen in het belang van de
bescherming van de bodem worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken.
Indien geen beperkingen of voorschriften zijn gesteld kan zulks in dat
belang alsnog geschieden.
2. Een ontheffing kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken
indien:
a. een aan de ontheffing verbonden voorschrift niet wordt
nageleefd;
b. zulks noodzakelijk is in het belang van de bescherming van
de bodem.
3. Op de voorbereiding van een beschikking op een verzoek van de
houder van een ontheffing tot wijziging van daaraan verbonden
voorschriften of beperkingen waaronder zij is verleend en op de
voorbereiding van andere beschikkingen krachtens het eerste lid en van
beschikkingen krachtens het tweede lid, onder b, zijn afdeling 3.4 van
de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer
van toepassing, tenzij bij een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 anders is bepaald.
4. Indien de ontheffing betrekking heeft op een
bodemenergiesysteem, is artikel 8, derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 67
1. Het bestuursorgaan dat krachtens artikel 65, eerste lid, bevoegd
is of zou zijn te beslissen op een verzoek om een ontheffing, stelt de
inspecteur in de gelegenheid hem van advies te dienen omtrent het
ontwerp van de beschikking op het verzoek om ontheffing, alsmede
omtrent het voornemen tot het geven van een beschikking en het ontwerp
van een beschikking krachtens artikel 66, anders dan op verzoek van de
houder van de ontheffing. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
andere bestuursorganen worden aangewezen, die, indien het verzoek een
daarbij aangegeven onderwerp betreft, overeenkomstig de eerste volzin
van dit lid in de gelegenheid worden gesteld van advies te dienen.
2. Gedeputeerde staten onderscheidenlijk burgemeester en wethouders
zenden een afschrift van een overeenkomstig artikel 65 of 66 genomen
beschikking aan Onze Minister.
Artikel 68
Indien toepassing is gegeven aan artikel 65, eerste lid, houden de
krachtens dat artikellid aangewezen bestuursorganen een register bij,
waarin aantekening wordt gehouden van de met betrekking tot ontheffingen
genomen beschikkingen.
Hoofdstuk VI. Onderzoek in het belang van de bescherming van de bodem
Artikel 69
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald:
a. dat bij het van overheidswege verrichten van onderzoek in
het belang van de bescherming van de bodem de bij die maatregel
gestelde regels moeten worden in acht genomen;
b. dat bij die maatregel aangewezen colleges van burgemeester
en wethouders, colleges van gedeputeerde staten, besturen van
rechtspersoonlijkheid bezittende lichamen als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen of andere openbare lichamen gehouden
zijn in hun gezagsgebied met inachtneming van de bij die maatregel
gestelde regels onderzoek als bedoeld onder a te verrichten of
mede te werken aan zodanig onderzoek.
2.Regels als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, kunnen onder
meer betrekking hebben op:
a. de wijze waarop het onderzoek dient te worden verricht;
b. de frequentie van het onderzoek;
c. de dichtheid van het net van in het kader van het onderzoek
te gebruiken meetpunten;
d. de verwerking en registratie van de uitkomsten van het
onderzoek;
e. de terbeschikkingstelling van uitkomsten en de verstrekking
van inlichtingen daaromtrent aan de bij die maatregel aangewezen
bestuursorganen.
Artikel 70
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in bij die
maatregel aan te geven gevallen daarbij aangewezen bestuursorganen,
indien zij in het belang van de bescherming van de bodem een onderzoek
ter plaatse nodig oordelen, aan de rechthebbenden ten aanzien van het
gedeelte van de bodem waar dat onderzoek wordt ingesteld, de
verplichting op kunnen leggen het verrichten van het onderzoek, zomede
het aanbrengen, het aanwezig zijn, het onderhoud, het gebruik en het
verwijderen van de voor dat onderzoek nodige middelen te gedogen,
onverminderd het recht van deze rechthebbenden op schadevergoeding.
Artikel 71
1. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de
artikelen 6 tot en met 11 kan worden bepaald dat degene die ingevolge
die maatregel, op een daarbij aangegeven wijze onderzoek dient te
verrichten op of in een gedeelte van de bodem ten aanzien waarvan hem
de nodige bevoegdheid ontbreekt, een bij de maatregel aan te wijzen
bestuursorgaan kan verzoeken de rechthebbenden daartoe een
verplichting als bedoeld in artikel 70 op te leggen.
2. Bij toepassing van het eerste lid wordt in de maatregel tevens
omschreven welke gegevens bij een verzoek overeenkomstig het eerste
lid dienen te worden overgelegd.
3. Het betrokken bestuursorgaan stelt bij het opleggen van de
verplichting zodanige voorwaarden dat de vergoeding van schade aan de
rechthebbenden op voldoende wijze is verzekerd.
Artikel 72
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in daarbij
aan te wijzen categorieën van gevallen de rechthebbende op een
grondgebied waar een handeling is of wordt verricht waardoor de bodem
kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht tot het verrichten
van bij die maatregel aangegeven onderzoek met betrekking tot de
kwaliteit van de bodem, alsmede tot het overleggen van de resultaten van
dat onderzoek aan bij die maatregel aangewezen bestuursorganen. Artikel
71 is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VII. Financiële bepalingen
§ 1. Schadevergoedingen
Artikel 73
De schade ten gevolge van een onderzoek als bedoeld in artikel 70
onderscheidenlijk artikel 71, wordt vergoed door het gezag dat de
verplichting tot het gedogen van dat onderzoek heeft opgelegd,
onderscheidenlijk door degene op wiens verzoek een zodanige verplichting
is opgelegd. De vordering tot schadevergoeding staat ter kennisneming
van het gerecht binnen het rechtsgebied waarvan het onderzoek is
verricht.
Artikel 74
1.De schade ten gevolge van een bevel als bedoeld in artikel 30,
derde of vierde lid, of artikel 49 j° artikel 30, derde of vierde
lid, wordt vergoed door gedeputeerde staten of door burgemeester en
wethouders die het bevel hebben gegeven.
2.Indien gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders een
bevel hadden kunnen geven als bedoeld in artikel 30, derde of vierde
lid, of artikel 49 j ° artikel 30, derde of vierde lid, maar dat
achterwege hebben gelaten in verband met de vrijwillige medewerking
van degene tot wie het bevel had kunnen worden gericht, is het eerste
lid van overeenkomstige toepassing.
3.Geen vergoeding van schade vindt plaats voor zover de schade is
toe te rekenen aan de tot schadevergoeding gerechtigde, dan wel voor
zover deze door de schadevergoeding ongerechtvaardigd wordt verrijkt.
4.De vordering tot schadevergoeding staat ter kennisneming van de
rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het betrokken grondgebied is
gelegen.
§ 2. Kostenverhaal
Artikel 75
1. De Staat kan - behoudens matiging door de rechter - de ten laste
van het Rijk komende kosten van onderzoek van onderzoeksgevallen en
van saneringsonderzoek en sanering van gevallen van ernstige
verontreiniging verhalen op degene door wiens onrechtmatige daad de
verontreiniging of de aantasting van de bodem in het betrokken geval
is veroorzaakt en die deswege of anderszins buiten overeenkomst jegens
enige overheid krachtens burgerlijk recht aansprakelijk is voor de
gevolgen daarvan.
2. De Staat kan, indien kosten van een geval als bedoeld in het
eerste lid, mede ten laste van een provincie of een gemeente komen,
ook deze kosten overeenkomstig dat lid verhalen.
3. De Staat kan ten laste van het Rijk komende kosten als bedoeld
in het eerste lid, overeenkomstig de regels betreffende
ongerechtvaardigde verrijking verhalen op degene die door dat
onderzoek of die sanering ongerechtvaardigd wordt verrijkt. Het tweede
lid is van overeenkomstige toepassing.
4. De bevoegdheden, bedoeld in het eerste en derde lid, komen toe
aan de provincie of de gemeente in gevallen waarin de kosten als
bedoeld in het eerste lid geheel te haren laste komen, alsmede in
gevallen waarin de Staat niet van deze bevoegdheid gebruik maakt, voor
zover zodanige kosten te haren laste komen.
5. In de gevallen waarin de veroorzaker van een verontreiniging of
aantasting niet op grond van het eerste lid aansprakelijk is omdat hij
door het verontreinigen of aantasten niet jegens enige overheid
onrechtmatig handelde, kunnen de in dat lid bedoelde kosten niettemin
door de Staat worden verhaald, indien aan de voorwaarden is voldaan,
dat:
a. de veroorzaker op het moment waarop de verontreiniging of
aantasting door zijn toedoen werd veroorzaakt de ernstige gevaren
kende die aan de stoffen die de verontreiniging of aantasting
hebben veroorzaakt verbonden waren, dan wel deze gevaren behoorde
te kennen, en
b. de veroorzaker met het oog op deze ernstige gevaren zich
ernstig verwijtbaar niet van de verontreinigende of aantastende
gedragingen heeft onthouden, terwijl, indien deze gedragingen in
beroep of bedrijf hebben plaatsgevonden, voor wat betreft de
ernstige verwijtbaarheid in het bijzonder in aanmerking moeten
worden genomen:
1°. de destijds in vergelijkbare bedrijven gebruikelijke
bedrijfsvoering, en
2°. de destijds bestaande en voor de veroorzaker
redelijkerwijs toepasbare alternatieven.
6. Onze Minister kan mandaat verlenen aan gedeputeerde staten of
burgemeester en wethouders om afstand te doen van het recht de ten
laste van het Rijk komende kosten als bedoeld in het eerste lid
overeenkomstig het eerste of derde lid te verhalen.
§ 3. Bijdrage voor onderzoek en sanering van gevallen van
verontreiniging
§ 3.1 [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 75a [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 75b [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76 [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76a [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76b [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76c [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76d [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76e [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76f [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76g [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76h [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76hh [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76i [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76ii [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76iii [Vervallen per 04-05-2011]
§ 3.2. Verstrekken subsidie aan derden
Artikel 76j
1.Onze Minister kan voor bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen activiteiten op het
gebied van onderzoek en sanering van gevallen van ernstige
verontreiniging subsidie verstrekken.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij
ministeriële regeling kunnen in ieder geval regels worden gesteld
omtrent:
a. criteria voor de verstrekking;
b. het tijdvak waarvoor de subsidie wordt verleend;
c. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;
d. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;
e. de verplichtingen voor de subsidie-ontvanger;
f. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit wordt
bepaald;
g. de betaling van de subsidie en het verlenen van
voorschotten.
3.Onze Minister kan ieder jaar bij ministeriële regeling
subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende activiteiten
waarvoor subsidie kan worden verstrekt. Daarbij bepaalt hij de wijze
van verdeling van het beschikbare bedrag.
4.Onze Minister kan de uitvoering van een algemene maatregel van
bestuur of een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid,
met inbegrip van het nemen van besluiten op grond van deze regels,
delegeren aan andere bestuursorganen.
Artikel 76k
1.De door Onze Minister op grond van artikel 76l, eerste lid,
aangewezen personen zijn bevoegd van de aanvrager van een subsidie
inlichtingen te vorderen. De artikelen 5:13, 5:15, voor zover het door
de aanvrager gebruikte plaatsen betreft, en 5:17 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Een aanvraag kan worden afgewezen, indien de aanvrager geen
medewerking verleent bij de uitoefening van de in het eerste lid
bedoelde bevoegdheden.
Artikel 76l
1.Met het toezicht op de naleving van de aan de subsidie-ontvanger
opgelegde verplichtingen zijn belast de bij besluit van Onze Minister
aangewezen personen.
2.De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in
de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4.Aan de krachtens deze wet verstrekte subsidies is de verplichting
verbonden dat de subsidieontvanger aan een toezichthouder alle
medewerking verleent die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de
uitoefening van zijn bevoegdheden.
§ 3.3 [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76m [Vervallen per 22-12-2009]
Artikel 76n [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 76o [Vervallen per 04-05-2011]
§ 3.4. Overige bepalingen
Artikel 77 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 77a [Vervallen per 04-05-2011]
Artikel 78 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 79 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 80 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 81 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 81a [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 82
1.De kosten die in verband staan met de in artikel 57 bedoelde
verplichting, komen geheel ten laste van de betrokken gemeente.
2.Indien een gemeente verkeert of door toepassing van het eerste
lid zou komen te verkeren in een geval als bedoeld in artikel 12 van
de Financiële-verhoudingswet kan Onze Minister in overeenstemming met
Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van
Financiën op verzoek van burgemeester en wethouders een bijdrage in
de in het eerste lid bedoelde kosten vaststellen.
3.Gedeputeerde staten verlenen de ingevolge het tweede lid
vastgestelde bijdrage aan de gemeente.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de kosten ten behoeve waarvan een bijdrage
als bedoeld in het tweede lid, kan worden verleend.
Artikel 83
Gedeputeerde staten verlenen op verzoek van burgemeester en
wethouders aan een gemeente een bijdrage ter hoogte van 22,5 procent van
de overeenkomstig artikel 57 vastgestelde koopprijs, indien die gemeente
aantoont dat zij:
a. gedurende de periode waarin de verontreiniging is veroorzaakt
geen duurzame rechtsbetrekkingen heeft gehad met de veroorzaker of
de veroorzakers;
b. geen directe of indirecte betrokkenheid heeft gehad bij de
veroorzaking van de verontreiniging en
c. op het moment waarop de grond voor woningbouw is verkocht of
in erfpacht is uitgegeven, niet op de hoogte was dan wel
redelijkerwijs niet op de hoogte had kunnen zijn van de
verontreiniging.
Artikel 84 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 85 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 86 [Vervallen per 01-01-2006]
§ 4. Overige financiële bepalingen
Artikel 86a
Met betrekking tot beschikkingen krachtens deze wet worden geen
rechten geheven.
Artikel 86b [Vervallen per 04-05-2011]
Hoofdstuk VIII. Beroep op de administratieve rechter
Artikel 87
1.Beroep op de administratieve rechter staat open overeenkomstig
hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer.
2.Geen beroep staat open tegen een besluit op grond van artikel 43,
voor zover inhoudende de afwijzing van een verzoek.
Hoofdstuk IX. Verdere bepalingen
Artikel 87a
1. Op verzoek van Onze Minister doen gedeputeerde staten verslag
over:
a. de uitvoering van deze wet op hun grondgebied, en
b. de voortgang van de uitvoering van de
bodemsaneringsoperatie.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de wijze waarop het verslag, bedoeld in het
eerste lid, wordt gedaan, alsmede omtrent de gegevens die daarbij
worden verstrekt.
3. Naar aanleiding van het verslag, bedoeld in het eerste lid, kan
een gesprek van Onze Minister met gedeputeerde staten over de
uitvoering van de wet plaatsvinden.
4. Burgemeester en wethouders van de gemeenten die niet in artikel
88, eerste lid of krachtens het zevende lid, zijn genoemd, doen met
betrekking tot het grondgebied van hun gemeente aan gedeputeerde
staten van een provincie een opgave van de gegevens, bedoeld in het
tweede lid.
Artikel 88
1. De gemeenten Amsterdam, 's-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht
worden gelijkgesteld met een provincie voor de toepassing van:
a. de artikelen 27 tot en met 34, 37, artikel 38, derde en
vierde lid, 39, 39a, 39b, 39c, 39d, derde, vierde en vijfde lid,
39f, eerste lid, 40, 42, 43 tot en met 52, 55, 55b, derde lid, 74
tot en met 76l, 83, 87a en 92b;
b. de artikelen 4.14, eerste lid, en tweede lid, onder a, onder
1°, en onder b, voor zover het de activiteiten, bedoeld onder a ,
onder 1°, betreft, en 4.15, derde lid, van de Wet milieubeheer.
2. Een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet
gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of gemeenten Amsterdam,
Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage,
Rotterdam of Utrecht omvat wordt gelijkgesteld met een provincie voor
de toepassing van de in het eerste lid genoemde artikelen, alsmede
voor de artikelen 41, 51, 53 en 54. De gelijkstelling vindt
toepassing:
– voor de locaties waarvoor de plusregio rechtstreeks
middelen van het Rijk ontvangt voor het onderzoek van
onderzoeksgevallen, het saneringsonderzoek en de sanering van
gevallen van ernstige verontreiniging, en
– indien de in deze artikelen bedoelde bevoegdheden aan de
plusregio bij algemene maatregel van bestuur zijn overgedragen.
3. In de gevallen waarin de in het eerste lid bedoelde
gelijkstelling van toepassing is, blijven de artikelen 41, 51, 53 en
54 buiten toepassing.
4. In de gevallen waarin de in het tweede lid bedoelde
gelijkstelling van toepassing is, blijft het eerste lid buiten
toepassing voor een in die plusregio gelegen gemeente.
5. Onverlet het derde en vierde lid, treden in de gevallen, bedoeld
in het eerste en het tweede lid:
a. de raad onderscheidenlijk het algemeen bestuur van de
plusregio op in de plaats van provinciale staten,
b. burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks
bestuur van de plusregio op in de plaats van gedeputeerde staten,
en
c. de burgemeester onderscheidenlijk de voorzitter van de
plusregio op in de plaats van Onze commissaris in de provincie.
6. In de gevallen, bedoeld in het vijfde lid:
a. worden tevens gedeputeerde staten in de gelegenheid gesteld
van advies te dienen overeenkomstig artikel 32;
b. kunnen ook gedeputeerde staten een verzoek doen als bedoeld
in artikel 33;
c. wordt een beschikking, houdende een beslissing op een
zodanig verzoek tevens aan gedeputeerde staten toegezonden;
d. wordt de inhoud van een ingevolge artikel 30 of 31 gegeven
beschikking tevens onverwijld aan gedeputeerde staten medegedeeld
en wordt de beschikking tevens in afschrift aan hen gezonden.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kan het eerste lid van
overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere gemeenten dan
die, genoemd in het eerste lid.
Artikel 89
Voor de toepassing van de artikelen 28, 32 tot en met 34, 41, 43, 45,
47, 49, 51, 52 tot en met 54 en75 wordt onderscheidenlijk het gebied van
een bovengemeentelijk openbaar lichaam met een gemeente en het bestuur
van zodanig lichaam met de gemeenteraad, onderscheidenlijk burgemeester
en wethouders gelijk gesteld.
Artikel 90
1.Wij kunnen in het belang van de landsverdediging van krachtens
hoofdstuk III en hoofdstuk IV, paragraaf 3, gestelde regels:
a. bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling verlenen;
b. op daartoe strekkend verzoek ontheffing verlenen.
2.Aan een vrijstelling of ontheffing worden de voorschriften
verbonden die naar Ons oordeel in het belang van de bescherming van de
bodem nodig zijn.
3.De voordracht voor een besluit krachtens het eerste lid wordt Ons
niet gedaan dan op verzoek van Onze Minister van Defensie.
Artikel 91
1.De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens
deze wet, die betrekking heeft op handelingen waarbij uit
landbouwkundig oogpunt stoffen op of in de bodem worden gebracht,
wordt Ons gedaan door Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit en Onze Minister gezamenlijk; de voordracht voor een
algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet wordt Ons gedaan
door Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit gezamenlijk, voor zover de maatregel in belangrijke
mate mede betrekking heeft op handelingen die van invloed kunnen zijn
op het agrarisch produktievermogen van de bodem dan wel op handelingen
die van belang zijn met het oog op de bescherming van natuur en
landschap.
2.De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens
artikel 36 wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat gezamenlijk.
Artikel 92
1.Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens de
artikelen 6 tot en met 12b, 36 en 38, tweede lid, of 72, wordt
overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in de
Staatscourant bekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid
geboden binnen een bij die bekendmaking te stellen termijn van ten
minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis
van Onze Minister te brengen.
2.Een algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 6 tot
en met 12b, of72, wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan
beide Kamers der Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking
dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij
is geplaatst.
3.Een krachtens de artikelen 36 en 38, tweede lid, vastgestelde
algemene maatregel van bestuur treedt in werking op een tijdstip dat,
nadat vier weken na de toezending ervan aan de Staten-Generaal zijn
verstreken, bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen
die termijn door of namens een der Kamers der Staten-Generaal de wens
te kennen wordt gegeven dat het in de algemene maatregel van bestuur
geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een
daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en
wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken.
4.Het derde lid is niet van toepassing, indien een krachtens de
artikelen 36 en 38, tweede lid, vastgestelde algemene maatregel van
bestuur uitsluitend strekt ter uitvoering van een voor Nederland
verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een
volkenrechtelijke organisatie. In dat geval wordt de procedure,
bedoeld in het tweede lid, gevolgd.
Artikel 92a [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 92b
In afwijking van artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen is de Rijksbelastingdienst verplicht aan Onze Minister,
gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders desgevraagd,
kosteloos, alle gegevens en inlichtingen te verstrekken, benodigd voor
de uitvoering van deze wet.
Artikel 93
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij
algemene maatregel van bestuur.
Artikel 94
Een gedraging in strijd met een voorschrift, krachtens de artikelen
64, tweede lid, 65, derde lid, of 66, eerste lid, aan een vrijstelling
of ontheffing verbonden, is verboden.
Hoofdstuk X. Handhaving
Artikel 95
1. Met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens deze
wet bepaalde zijn de artikelen 5.3 tot en met 5.16 en 5.18 tot en met
5.25 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.
2. Het in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht bedoelde bestuursorgaan heeft tot taak zorg te dragen
voor de bestuursrechtelijke handhaving van de op grond van het
bepaalde bij of krachtens deze wet voor degene die het project,
bedoeld in dat lid, uitvoert, geldende voorschriften.
3. Onze betrokken Minister, gedeputeerde staten en burgemeester en
wethouders hebben tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke
handhaving van artikel 13.
4. De volgende bestuursorganen hebben tot taak zorg te dragen voor
de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens §
3 van hoofdstuk IV en artikel 72:
a. in gevallen als bedoeld in artikel 88, eerste, tweede en
zevende lid: burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk het
dagelijks bestuur van de plusregio;
b. in andere gevallen: gedeputeerde staten.
5. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de
artikelen 6 tot en met 12a kan worden aangegeven onder welke
voorwaarden en in welke gevallen de bevoegdheid tot
bestuursrechtelijke handhaving niet bij het bevoegd gezag maar bij
Onze Minister berust.
Hoofdstuk XI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 96
1.De bevoegdheid van gemeenten en waterschappen tot het maken van
verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet
voorziet, gehandhaafd, voor zover deze verordeningen niet met het bij
of krachtens deze wet bepaalde in strijd zijn.
2.In afwijking van de artikelen 119 van de Provinciewet, 122 van de
Gemeentewet en 59, tweede lid, van de Waterschapswet blijven de
bepalingen van verordeningen van provincies, van gemeenten en van
waterschappen betreffende het onderwerp waarin deze wet voorziet -
behoudens in de gevallen waarin strijd met de bij of krachtens deze
wet gestelde voorschriften zou ontstaan - nog van kracht tot twee jaar
na het in werking treden van dit artikel.
Artikel 97
Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 6
tot en met 12b wordt voorzien in hetgeen met betrekking tot het gaan
gelden van het in zodanige maatregel bepaalde regeling behoeft.
Artikel 98
Voor de uitvoering van deze wet ten aanzien van gebieden die niet
deel uitmaken van een provincie, worden voor zover nodig bij algemene
maatregel van bestuur regels gesteld ten aanzien van de bestuursorganen
die de in deze wet vervatte bevoegdheden uitoefenen, en ten aanzien van
de bestuursorganen die bij de uitvoering dienen te worden betrokken.
Artikel 99
1. De artikelen 6 tot en met 12b zijn niet van toepassing op
gedragingen, voor zover daaromtrent regels gelden, die zijn gesteld
bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, de
Kernenergiewet en de Natuurbeschermingswet 1998.
2. De artikelen 6 tot en met 12b zijn niet van toepassing op
mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet. Bij of
krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49
van de Mijnbouwwet kan worden bepaald dat de artikelen 6 tot en met
12b en de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk wel van
toepassing zijn op deze werken.
3. De artikelen 27 tot en met 54 zijn niet van toepassing ten
aanzien van maatregelen met het oog op ongewone voorvallen of sanering
van de bodem, voor zover daarin kan worden voorzien krachtens de
artikelen 39 en 44 van de Kernenergiewet.
4. Deze wet is niet van toepassing op de bodem en de oevers van een
oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet en,
voor zover het oppervlaktewaterlichaam behoort tot de zee, bedoeld in
dat artikel, de ondergrond van de zeebodem.
Artikel 99a
1.De verlening van budget of subsidie op grond van deze wet kan
worden ingetrokken of gewijzigd wegens strijd met een uit een verdrag
voor de staat voortvloeiende verplichting. Bij de intrekking of
wijziging kan worden bepaald dat over onverschuldigd betaalde
subsidiebedragen een rentevergoeding verschuldigd is.
2.De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip
waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging
anders is bepaald.
Artikel 100
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 101
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 102
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 103
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 104
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 105
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet bodembescherming.
Artikel 106
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden gesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 3 juli 1986
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
P. Winsemius
De Minister van Landbouw en Visserij,
G.J.M. Braks
Uitgegeven de tweeëntwintigste juli 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|