WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de
totstandkoming van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden wenselijk
is de regels met betrekking tot buitengewone bevoegdheden van burgerlijk
gezag opnieuw vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid,
van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval
buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk
besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 5, 6,
7, 8, eerste en derde lid, 9, eerste, tweede, derde en vijfde lid, en
10 gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen,
wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden
omtrent het voortduren van de werking van de bij het in het eerste lid
bedoelde besluit in werking gestelde bepalingen.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen,
dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in
werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden
dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking
terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt
in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 2
Zo spoedig mogelijk na het moment waarop bepalingen uit hoofdstuk II
buiten werking zijn gesteld, dan wel het moment waarop de werking van
deze bepalingen van rechtswege is geëindigd, wordt van Onzentwege aan
de beide kamers der Staten-Generaal mededeling gedaan van hetgeen is
verricht ingevolge de bevoegdheden die in die bepalingen zijn gegeven.
Artikel 3
De bevoegdheden die deze wet aan organen van burgerlijk gezag
toekent, worden slechts uitgeoefend voor zover dit met het oog op de
handhaving van de openbare orde en veiligheid naar het oordeel van die
organen geboden is.
Artikel 4
Onder maatregel wordt in deze wet begrepen een voorschrift, een
beslissing alsmede de buitenwerkingstelling van een zodanige maatregel
of een daarin aangebrachte wijziging.
Hoofdstuk II. Buitengewone bevoegdheden
Artikel 5
1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken, de commissaris van de
Koning en de burgemeester zijn bevoegd, indien kennis daarvan naar hun
oordeel voor de uitoefening van de in dit hoofdstuk gegeven
bevoegdheden noodzakelijk is, van een ieder inlichtingen te verlangen
en inzage te vorderen van bescheiden alsmede van informatiedragers
waarop gegevens zijn vastgelegd.
2. Indien inzage als bedoeld in het eerste lid is gevorderd,
kunnen zij teneinde afschriften te maken voor korte tijd afgifte
vorderen dan wel schriftelijke vastlegging en afgifte vorderen.
3. Een ieder is verplicht de op grond van het eerste lid
verlangde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken en de op
grond van dat lid gevorderde inzage alsmede de op grond van het tweede
lid gevorderde afgifte dan wel schriftelijke vastlegging en afgifte te
verlenen.
4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken, de commissaris van de
Koning dan wel de burgemeester bepaalt op welke wijze en binnen welke
termijn de in het derde lid bedoelde verplichting moet worden nagekomen.
5. Zij die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot
geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen van het verschaffen
van inlichtingen, doch uitsluitend voor zover het betreft hetgeen hun in
hun hoedanigheid is toevertrouwd. Zij kunnen voorts het verlenen van
inzage van bescheiden en gegevens, alsmede het verlenen van medewerking
weigeren, voor zover hun geheimhoudingsplicht zich daartoe uitstrekt.
Artikel 6
1. De commissaris van de Koning en de burgemeester handelen bij
de uitoefening van hun bevoegdheden die betrekking hebben op de
handhaving van de openbare orde en veiligheid, in overeenstemming met
de aanwijzingen van Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
2. De burgemeester handelt bij de uitoefening van zijn
bevoegdheden die betrekking hebben op de handhaving van de openbare orde
en veiligheid, mede in overeenstemming met de aanwijzingen van de
commissaris van de Koning.
3. Bij twijfel of de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en
tweede lid, zijn uitgeoefend in overeenstemming met de aanwijzingen van
Onze voornoemde Minister en van de commissaris van de Koning, verbinden
de maatregelen, genomen krachtens die bevoegdheden, totdat zij zijn
ingetrokken.
4. Ten aanzien van de voorschriften die op de voet van dit
artikel zijn uitgevaardigd, blijft artikel 176, derde tot en met zesde
lid, van de Gemeentewet buiten toepassing.
Artikel 7
1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd te voorzien
in de uitoefening van de bevoegdheden van de commissaris van de Koning
en de burgemeester die betrekking hebben op de handhaving van de
openbare orde en veiligheid, door die uitoefening geheel of ten dele
aan zich te trekken dan wel daarmee geheel of ten dele een ander
orgaan van burgerlijk gezag te belasten.
2. Indien Onze voornoemde Minister van de bevoegdheid, bedoeld in
het eerste lid, gebruik maakt, brengt hij dit terstond ter algemene
kennis. Artikel 176, derde tot en met zesde lid, van de Gemeentewet
blijft in dat geval buiten toepassing.
Artikel 8
1. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 9
1. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
2. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
3. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in
het eerste en tweede lid.
Artikel 10
1. Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie kunnen
de artikelen 54 tot en met 57 van de Politiewet 1993 gezamenlijk of
afzonderlijk voor het gehele land of een gedeelte daarvan buiten
werking stellen.
2. Onze voornoemde Ministers treffen de nodige voorzieningen met
betrekking tot de bijstand van de politie voor het geval dat op grond
van het eerste lid bepalingen van de Politiewet 1993 buiten werking
worden gesteld.
3. Voor zover deze voorzieningen betrekking hebben op bijstand
van de politie gedurende situaties waarin op grond van artikel 7, eerste
lid, of 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden
bepalingen uit de Oorlogswet voor Nederland in werking zijn, geschiedt
het treffen van deze voorzieningen in overeenstemming met Onze Minister
van Defensie.
Artikel 11
1. De burgemeester is bevoegd te bepalen dat geen samenkomsten
of vergaderingen op openbare plaatsen, geen samenkomsten of
vergaderingen van meer dan tien personen op andere dan openbare
plaatsen of geen betogingen zullen worden gehouden dan met zijn
schriftelijke vergunning.
2. Aan de vergunning kunnen beperkingen en voorschriften worden
verbonden.
3. Elke samenkomst, vergadering of betoging gaat, ook indien voor
het houden daarvan vergunning is gegeven, op door of namens de
burgemeester gedane vordering terstond uiteen.
4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op
samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op
andere dan openbare plaatsen.
Artikel 12
Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd de vertoning in het
openbaar, dan wel in tegenwoordigheid van meer dan tien personen van
alle, dan wel van door Onze voornoemde Minister niet met name toegelaten
films voor een door hem daarbij te bepalen tijdsduur te verbieden.
Artikel 13
1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd beperkende
bepalingen vast te stellen omtrent het vervaardigen, uitgeven,
voorhanden hebben, verspreiden, aanbrengen of in de handel brengen van
geschriften, opschriften, tekeningen of afbeeldingen. Hij kan een en
ander ten aanzien van bepaalde geschriften, opschriften, tekeningen of
afbeeldingen geheel verbieden.
2. De daartoe strekkende regelingen van Onze voornoemde Minister
worden op een door hem te bepalen wijze bekendgemaakt en treden na deze
bekendmaking terstond in werking. Deze regels worden in ieder geval
geplaatst in de Staatscourant.
Artikel 14
1. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken geeft in overeenstemming
met Onze Minister van Justitie nadere regels met betrekking tot de
uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 15
1. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken geeft in overeenstemming
met Onze Minister van Justitie nadere regels met betrekking tot de
uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 16
1. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
2. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
3. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken geeft in overeenstemming
met Onze Minister van Justitie nadere regels met betrekking tot de
uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 17
1. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
2. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
3. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken geeft in overeenstemming
met Onze Minister van Justitie nadere regels met betrekking tot de
uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 18
1. Indien de omstandigheden die tot de afkondiging van de
algemene noodtoestand hebben geleid, een bedreiging voor het
volksbestaan inhouden, zijn Onze Minister van Binnenlandse Zaken en,
indien onverwijld ingrijpen noodzakelijk is, de commissaris van de
Koning bevoegd iedere persoon ten aanzien van wie gegrond vermoeden
bestaat dat hij de openbare orde en veiligheid in gevaar zal brengen,
te interneren.
2. De geïnterneerde wordt zo spoedig mogelijk in kennis gesteld
van de redenen van zijn internering, voor zover het belang van de staat
zich hiertegen niet verzet, en wordt hierover zo mogelijk gehoord. Van
elke internering wordt proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal,
dat mede de redenen van de internering vermeldt, wordt de verklaring van
de geïnterneerde of de reden van het ontbreken daarvan opgenomen.
3. Het proces-verbaal wordt binnen tweemaal vierentwintig uren in
afschrift toegezonden aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken, aan de
rechtbank van de plaats waar de geïnterneerde geïnterneerd is, en aan
de geïnterneerde. Voor zover mededeling van de redenen van de
internering aan de geïnterneerde strijdig wordt geoordeeld met het
belang van de staat, worden deze in het voor hem bestemde afschrift niet
opgenomen. Bij de toezending van het afschrift aan de geïnterneerde
wordt mededeling gedaan van het recht een verzoekschrift overeenkomstig
artikel 19 in te dienen en toevoeging van een raadsman te verzoeken.
4. Op verzoek van de rechtbank zendt Onze Minister van
Binnenlandse Zaken haar alle ter zake dienende stukken en verschaft hij
haar mondeling alle gevraagde inlichtingen. Onze voornoemde Minister is
bevoegd bij het verschaffen van schriftelijke en mondelinge gegevens te
bepalen dat het belang van de staat zich verzet tegen kennisneming
daarvan door anderen dan de rechtbank.
5. Op verzoek van de geïnterneerde wordt hem een raadsman
toegevoegd. De artikelen 37, 38, 45, 46, 48, 49 en 50, eerste lid, van
het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
6. De geïnterneerde heeft recht op kennisneming van de
processtukken, behoudens voor zover het bepaalde in de laatste volzin
van het vierde lid toepassing heeft gevonden.
Artikel 19
1. De geïnterneerde kan de in artikel 18, derde lid, bedoelde
rechtbank schriftelijk verzoeken te beslissen over de rechtmatigheid
van de internering en zijn invrijheidstelling te gelasten. De
rechtbank hoort hem zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een
maand na de indiening van het verzoekschrift.
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken wordt in de gelegenheid
gesteld de redenen van de internering nader toe te lichten.
3. De rechtbank kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de
geïnterneerde of van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, bepaalde
personen als getuige of deskundige oproepen. Zij kan zonodig tolken
oproepen. Een verzoek tot het horen van bepaalde getuigen of deskundigen
kan slechts bij gemotiveerde beslissing worden afgewezen.
4. De oproepingen geschieden door de griffier bij aangetekende
brief, tenzij de rechtbank een andere wijze van oproepen beveelt.
5. De rechtbank kan bevelen dat getuigen, deskundigen of tolken
die, hoewel wettelijk opgeroepen, niet zijn verschenen, door de openbare
macht voor haar worden gebracht om aan hun verplichtingen te voldoen.
6. Een ieder is verplicht, daartoe op wettige wijze opgeroepen,
getuigenis af te leggen. Van deze verplichting kunnen zich verschonen:
a. de bloed- of aanverwanten van de geïnterneerde in de rechte
lijn, de bloed- of aanverwanten van de geïnterneerde in de zijlijn
tot de derde graad ingesloten en de echtgenoot of vroegere echtgenoot
van de geïnterneerde;
b. zij die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun
ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is
toevertrouwd.
7. De getuige kan zich verschonen van het beantwoorden van een
hem gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf, of een van zijn
bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn tot de derde
graad ingesloten of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot aan het
gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf
zou blootstellen.
8. De rechtbank kan bevelen dat getuigen niet zullen worden
gehoord dan na het afleggen van een eed of belofte. De getuige legt in
dat geval in handen van de voorzitter de eed of belofte af dat hij de
waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.
9. Getuigen, deskundigen en tolken, opgeroepen ingevolge het
derde lid, ontvangen desverlangd voor reis- en verblijfkosten alsmede
wegens tijdverzuim en daarmee verband houdende noodzakelijke kosten, een
vergoeding uit ’s Rijks kas overeenkomstig het bij of krachtens de Wet
tarieven in burgerlijke zaken bepaalde.
10. De behandeling geschiedt ter openbare terechtziting, maar de
rechtbank kan gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren
bevelen in het belang van de openbare orde of ’s lands veiligheid, of
ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de geïnterneerde.
De uitspraak geschiedt in het openbaar.
11. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk op het
verzoekschrift, doch uiterlijk binnen twee maanden na de indiening
daarvan. Deze termijn kan met ten hoogste een maand worden verlengd. De
beschikking van de rechtbank is met redenen omkleed, behoudens voor
zover het belang van de staat zich tegen vermelding van deze redenen
verzet. Indien de rechtbank de internering onrechtmatig oordeelt, gelast
zij de onmiddellijke invrijheidstelling.
12. De griffier verzendt terstond een afschrift van de
beschikking aan de geïnterneerde en aan Onze Minister van Binnenlandse
Zaken. De aan de geïnterneerde en aan de Minister gezonden afschriften
van de beschikking vermelden de datum van verzending.
Artikel 20
De rechtbank is bevoegd een verzoekschrift niet in behandeling te
nemen, indien binnen twee maanden voorafgaand aan de indiening op een
eerder verzoekschrift ter zake van dezelfde internering is beslist,
tenzij uit het latere verzoekschrift blijkt van nieuwe feiten of
omstandigheden.
Artikel 21
1. De rechtbank is bevoegd ambtshalve te beslissen over de
rechtmatigheid van een internering.
2. Daartoe hoort zij de geïnterneerde en stelt zij Onze Minister
van Binnenlandse Zaken in de gelegenheid de redenen van de internering
nader toe te lichten.
3. Artikel 19, derde tot en met twaalfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 22
1. Tegen een beslissing van de rechtbank genomen op grond van
artikel 19, elfde lid, of artikel 21, eerste lid, kan binnen twee
maanden na verzending van de beschikking beroep in cassatie worden
ingesteld door de geïnterneerde en Onze Minister van Binnenlandse
Zaken. De artikelen 426a tot en met 429 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering zijn op de behandeling van dit beroep van
toepassing.
2. Tegen een afwijzende beslissing ingevolge artikel 19, derde
lid, staat beroep in cassatie slechts open gelijktijdig met dat tegen
een in het eerste lid bedoelde beslissing.
Artikel 23
In het bestuur van de goederen van de geïnterneerde en het waarnemen
van diens belangen wordt zonodig voorzien op de wijze voorgeschreven in
afdeling 1 van titel 18 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Te dien
einde wordt aan de officier van justitie bij de rechtbank van de
woonplaats van de geïnterneerde onverwijld kennis gegeven van de
internering. Artikel 9, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt, in
overeenstemming met Onze Minister van Justitie, waar de internering
geschiedt.
2. Onze Minister van Justitie is belast met het beheer van de
inrichtingen alwaar de internering geschiedt, alsmede met de zorg voor
de geïnterneerden.
Artikel 25
Onverminderd de artikelen 19, 21 en 22 wordt een geïnterneerde in
vrijheid gesteld, zodra dit naar het oordeel van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken mogelijk is.
Artikel 26
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld
in artikel 18, eerste lid.
2. [Dit lid is nog niet in werking getreden.]
Artikel 27
In zaken betreffende een verzoek als bedoeld in artikel 19, eerste
lid, en betreffende beroep in cassatie als bedoeld in artikel 22 is geen
recht ingevolge de Wet tarieven in burgerlijke zaken verschuldigd.
Artikel 28
1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan, indien bij nader
onderzoek blijkt dat een internering ten onrechte heeft
plaatsgevonden, op verzoek van een gewezen geïnterneerde of diens
erfgenamen naar billijkheid een geldelijke tegemoetkoming toekennen
voor de schade die de gewezen geïnterneerde als onmiddellijk gevolg
van de internering heeft geleden.
2. Het daartoe strekkend verzoek wordt slechts in behandeling
genomen, indien het is ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de
invrijheidstelling of het overlijden tijdens de internering heeft
plaatsgevonden.
Hoofdstuk III. Dwang- en strafbepalingen
Artikel 29
Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd tot toepassing van
bestuursdwang ter handhaving van zijn maatregelen.
Artikel 30
1. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van
de derde categorie wordt gestraft:
a. hij die in strijd handelt met een verbod als bedoeld in artikel
12;
b. hij die in strijd handelt met een beperking, bevel of verbod als
bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, en 9, eerste lid;
c. hij die in strijd handelt met een beperking of een verbod als
bedoeld in artikel 17, eerste lid;
d. hij die in strijd handelt met een bepaling of een verbod als
bedoeld in artikel 13;
e. hij die in strijd handelt met een bepaling of een verbod als
bedoeld in het eerste lid van artikel 11, of een voorwaarde als
bedoeld in het tweede lid van dat artikel, niet nakomt.
2. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk in strijd
handelt met een bevel of verbod als bedoeld in artikel 9.
3. De feiten, in het eerste lid strafbaar gesteld, worden
beschouwd als overtredingen, die in het tweede lid strafbaar gesteld,
als misdrijven.
Artikel 31
Indien de misdrijven, bedoeld in de artikelen 131, 132, 138, 139,
141, 143, 179 tot en met 182, 184, 186 en 187 van het Wetboek van
Strafrecht worden begaan gedurende de beperkte of de algemene
noodtoestand, kunnen de bij die artikelen gestelde gevangenisstraffen
met een derde worden verhoogd en kan de naasthogere categorie geldboete
worden opgelegd.
Artikel 32
1. Bij het opsporen van een bij deze wet strafbaar gesteld feit
hebben de opsporingsambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn bevoegd zich
bij het betreden door andere personen te doen vergezellen.
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Artikel 33
[Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.]
Artikel 34
De Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Stb. 1952,
361) wordt ingetrokken.
Artikel 35
Deze wet treedt, met uitzondering van de artikelen 5, 6, 7, 8, eerste
en derde lid, 9, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 10 tot en met 13,
14, eerste lid, 15, eerste en derde lid, 16, eerste, tweede en derde
lid, 17, eerste, tweede en derde lid, 18 tot en met 25, 26, tweede lid,
27 en 28 in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 36
Deze wet wordt aangehaald als: Wet buitengewone bevoegdheden
burgerlijk gezag.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 3 april 1996
BEATRIX
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
W. Kok
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
Uitgegeven de negende juli 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager