Nadere regelgeving:
- Besluit ex artikel 8, vierde lid, Wet buitengewoon pensioen
1940-1945
- Besluit ex artikel 11a
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945
- Besluit vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten
voor oorlogsgetroffenen
- Inkomensbesluit wetten buitengewoon pensioen
-
Uitvoeringsbesluit artikel 1,
tweede lid, Wet buitengewoon pensioen 1940-1945
- Uitvoeringsbesluit artikel 12 Wet buitengewoon pensioen 1940-1945
WET van 22 augustus 1947 tot invoering
van een buitengewoon pensioen voor deelnemers aan het verzet, alsmede
voor hun nagelaten betrekkingen
WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
regeling te treffen met betrekking tot recht op buitengewoon pensioen
ten behoeve van hen, die tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk
in Europa door daad of houding hebben deelgenomen aan het binnenlands
verzet, alsmede van hun nagelaten betrekkingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Eerste hoofdstuk. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
"Onze Minister": Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport;
"de Raad": de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in
artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en
oorlogsgetroffenen;
de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd
in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
"deelnemers aan het verzet": zij, die tijdens de
vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa door daad of houding
hebben deelgenomen aan het binnenlands verzet, met inbegrip van hen,
die deel uitmaakten van de Binnenlandse Strijdkrachten en
daadwerkelijk hebben deelgenomen aan de strijd tegen de vijandelijke
bezettende macht van het Rijk in Europa;
"gewezen echtgenote": de vrouw, bedoeld in artikel 14,
tweede lid;
"peiljaar": het jaar vastgesteld ingevolge artikel 8,
tweede en derde lid, en artikel 41a, eerste lid;
"minimum-pensioengrondslag": de pensioengrondslag,
bedoeld in artikel 8, zevende lid, aanhef.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van
personen aangewezen op wie deze wet van overeenkomstige toepassing zal
zijn.
Artikel 1a
Voor de toepassing van deze wet wordt gelijkgesteld met:
a. huwelijk: het geregistreerd partnerschap;
b. gehuwd: als partner geregistreerd;
c. echtgenoot of echtgenote: de geregistreerde partner;
d. weduwe of weduwnaar: de achtergebleven partij bij een
geregistreerd partnerschap;
Artikel 1b
Waar in deze wet in een artikel of artikellid sprake is van «de Raad
of de Sociale verzekeringsbank» is de taakverdeling in overeenstemming
met de artikelen 4 en 6 van de Wet uitvoering wetten voor
verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen.
Artikel 2
1. Onder de voorwaarden en naar de regelen, bij of krachtens deze
wet gesteld, wordt buitengewoon pensioen verleend aan deelnemers aan
het verzet, alsmede aan hun nagelaten betrekkingen.
2. Voor toekenning van buitengewoon pensioen dan wel erkenning als
deelnemer aan het verzet komen niet in aanmerking zij, die zich
tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa uit
Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig hebben gedragen.
Evenmin komen in aanmerking de nagelaten betrekkingen - voor zover
niet vallende onder de vorige volzin - van de deelnemers aan het
verzet op wie de vorenbedoelde omschrijving van toepassing is.
Artikel 3 [Vervallen per 21-02-1997]
Artikel 3a
De voordracht voor een krachtens deze wet vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de
Staatscourant is bekend gemaakt en aan een ieder de gelegenheid is
geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is
geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen.
Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers
der Staten-Generaal overgelegd.
Tweede hoofdstuk. Van het buitengewoon pensioen van de deelnemers aan
het verzet
§ 1. Van het recht op buitengewoon pensioen
Artikel 4
1. De deelnemer aan het verzet heeft recht op buitengewoon pensioen
in geval van:
a. verwonding of verminking, in verband met het verzet bekomen;
b. ziekten of gebreken, welke geheel of gedeeltelijk het gevolg
zijn van verrichtingen of vermoeienissen aan dit verzet verbonden,
of van de behandeling ondervonden tijdens gevangenschap ter zake
van het verzet, of van bijzondere omstandigheden of toestanden,
welke zich bij het verzet hebben voorgedaan, dan wel welke tot
uiting zijn gekomen of verergerd onder overwegende invloed van die
verrichtingen, vermoeienissen, behandeling, bijzondere
omstandigheden of toestanden;
een en ander onder voorbehoud, dat de toestand van de
belanghebbende tengevolge van deze verwonding, verminking, ziekten of
gebreken blijken een invaliditeit te veroorzaken van ten minste 10
procent.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde verwonding, verminking,
ziekten of gebreken een invaliditeit veroorzaken van tenminste veertig
procent, doch het totaal der invaliditeit een hoger percentage
bedraagt, geldt voor de vaststelling van de mate van invaliditeit
waarnaar het buitengewoon pensioen wordt berekend, dit hoger
percentage, voorzoveel de meerdere invaliditeit niet duidelijk uit
andere oorzaken dan het verzet is ontstaan.
3. Het verband of gevolg, bedoeld in het eerste lid, wordt geacht
aanwezig te zijn indien de deelnemer aan het verzet:
a. tijdens de bezetting of in aansluiting daarop in verband met
het verzet drie maanden of langer in gevangenschap heeft
doorgebracht dan wel naar het oordeel van de Raad, de Stichting
1940-1945 gehoord, in verband met de aard van zijn
verzetsactiviteiten aan buitengewoon zware en langdurige
spanningen heeft blootgestaan en
b. voor tenminste zestig procent invalide is en deze
invaliditeit niet duidelijk uit andere oorzaken dan het verzet is
ontstaan.
4. Bij toepassing van dit artikel wordt rekening gehouden met de
inzichten en ervaringen van de medische wetenschap met betrekking tot
de relatie tussen het verzet en de geestelijke en lichamelijke
gezondheidstoestand.
§ 2. Van de voet waarop buitengewoon pensioen wordt verleend
Artikel 5
Een buitengewoon pensioen kan blijvend of voorlopig worden toegekend.
Artikel 6
Het buitengewoon pensioen wordt blijvend toegekend, indien, hetzij
bij eerste toekenning, hetzij bij vernieuwing van pensioen, verandering
van het invaliditeitspercentage voor de toekomst niet aannemelijk wordt
geacht.
Artikel 7
1. Het buitengewoon pensioen wordt voorlopig toegekend, indien
verandering van het invaliditeitspercentage voor de toekomst
aannemelijk wordt geacht.
2. Het voorlopig buitengewoon pensioen wordt voor tenminste één
jaar en voor ten hoogste vijf jaren toegekend; een zodanig pensioen
wordt opnieuw toegekend, zo dikwijls daartoe aanleiding bestaat. De
termijn van ten minste één jaar is niet van toepassing bij de tweede
of verdere toekenning van voorlopig buitengewoon pensioen.
3. Indien, nadat een voorlopig buitengewoon pensioen niet is
vernieuwd, op grond dat de invaliditeit van de belanghebbende is
gedaald beneden 10 procent, later blijkt, dat de invaliditeit wederom
tot tenminste 10 procent is gestegen, wordt opnieuw voorlopig
buitengewoon pensioen, of, indien verandering van
invaliditeitspercentage voor de toekomst niet aannemelijk wordt
geacht, blijvend buitengewoon pensioen toegekend.
§ 3. Van de pensioengrondslag
Artikel 8
1. Ingeval krachtens deze wet aanspraak op buitengewoon pensioen
ontstaat, wordt door de Raad de pensioengrondslag vastgesteld, naar
welke het buitengewoon pensioen moet worden berekend.
2. De pensioengrondslag wordt, overeenkomstig het bepaalde in het
zevende lid, afgeleid van het jaarbedrag, dat naar redelijkheid nodig
is om de deelnemer aan het verzet in staat te stellen te leven op de
voet, waarop gelijksoortige valide personen, die in het tweede jaar
voorafgaande aan het jaar van indiening van de in artikel 24, eerste
lid, bedoelde aanvraag in overeenkomstige omstandigheden als
betrokkene leefden, gemiddeld leefden ten tijde van het
inwerkingtreden van deze wet, met dien verstande dat, indien de
omstandigheden in het eerstbedoelde jaar naar het oordeel van de Raad
belangrijk afwijken van de omstandigheden in de aan dat jaar
voorafgaande twee jaren, de gemiddelde omstandigheden in
laatstbedoelde drie jaren in aanmerking worden genomen. Bij de
vaststelling van dit jaarbedrag wordt geen rekening gehouden met de
mogelijkheid van bevordering, grotere vakbekwaamheid, uitbreiding van
bedrijf of andere dergelijke factoren.
3. De Raad of de Sociale verzekeringsbank is bevoegd op daartoe
door of namens betrokkene gedaan verzoek in plaats van het in het
tweede lid bedoelde jaar als peiljaar aan te wijzen het jaar
voorafgaande aan dat jaar, waarin het inkomen van betrokkene ten
gevolge van zijn verzetsomstandigheden vermindering heeft ondergaan,
of het jaar van intreden van invaliditeit, indien dit voor hem
gunstiger zou zijn.
4. Bij de vaststelling van de pensioengrondslag van een deelnemer
aan het verzet, die voor het intreden van zijn invaliditeit door of in
verband met het volgen van onderwijs nog geen inkomsten uit arbeid in
beroep of bedrijf genoot, wordt rekening gehouden met de
omstandigheden, die ten tijde van de indiening van de aanvraag,
bedoeld in artikel 24, eerste lid, ter zake van invloed zijn. Bij
algemene maatregel van bestuur worden te dien aanzien nadere regelen
gesteld.
5. Het jaarbedrag bedoeld in het tweede lid, wordt berekend door
het peiljaar-inkomen te herleiden tot een inkomen ten tijde van het
inwerkingtreden van deze wet, met toepassing van een op de
indexcijfers der lonen gebaseerde rekenfactor. Deze rekenfactor wordt
door Onze Minister per 1 januari 1978 vastgesteld en vervolgens
telkens met ingang van 1 januari door hem herzien.
6. Indien het jaarbedrag, bedoeld in het tweede lid, verhoogd met
het percentage, waarmede het peil der buitengewone pensioenen in de
periode 1947 tot en met 31 december van het voor de vaststelling van
de grondslag dienende peiljaar is gestegen, als uitkomst een bedrag
oplevert, dat vijf procent of meer ten achter blijft bij de inkomsten,
die de deelnemer aan het verzet in dat peiljaar uit arbeid in beroep
of bedrijf heeft genoten of zou hebben genoten indien hij zijn
werkzaamheden in verband met zijn invaliditeit of de verergering
daarvan in de loop van dat jaar heeft moeten beëindigen of indien hij
in dat jaar is overleden, wordt, in afwijking van het bepaalde in het
tweede en vierde lid, de grondslag, overeenkomstig het bepaalde in het
zevende lid, afgeleid van het jaarbedrag dat wordt verkregen, door de
inkomsten, die in het peiljaar door de deelnemer aan het verzet uit
arbeid in beroep of bedrijf zijn of zouden zijn genoten, kinderbijslag
of kindertoeslag daarin niet begrepen, te herleiden tot een inkomen
ten tijde van het inwerkingtreden van deze wet, met toepassing van het
percentage, waarmede het peil der buitengewone pensioenen is aangepast
als rekenfactor.
7. De pensioengrondslag bedraagt ten minste € 1 225,21 en ten
hoogste:
100 procent van de eerste € 2813,44,
36,84 procent van de volgende € 1724,37,
30 procent van de volgende € 907,56,
20 procent van de volgende € 907,56,
10 procent van de volgende € 907,56 en
5 procent van de volgende € 1815,12 van het jaarbedrag,
bedoeld in het tweede of zesde lid.
§ 4. Van het pensioenbedrag
Artikel 9
1. Het buitengewoon pensioen bedraagt zoveel procent van het bedrag
van de pensioengrondslag als het voor de belanghebbende vastgestelde
invaliditeitspercentage beloopt.
2. Invaliditeitspercentages boven 10 procent worden naar boven
afgerond in veelvouden van tien procent.
3. Bij een percentage van minder dan 10 procent wordt invaliditeit
geacht niet te bestaan.
Artikel 10
Het buitengewoon pensioen wordt éénmaal met twintig procent van de
pensioengrondslag vermeerderd, wanneer tengevolge van de verwonding,
verminking, ziekten of gebreken, in artikel 4 bedoeld:
a. een der ledematen (handen of voeten) is verloren gegaan, of
voorgoed geheel onbruikbaar is geworden, dan wel een toestand is
ontstaan, die met een zodanig verlies of een zodanige
onbruikbaarheid is gelijk te stellen;
b. twee of meer ledematen dermate in beweeglijkheid of
bruikbaarheid zijn verminderd, dat de toestand van de belanghebbende
met die onder a beschreven is gelijk te stellen;
c. het gezichtsvermogen door organische oorzaken zodanig is
beperkt, dat het vermogen om zich zelfstandig te bewegen er ernstig
door wordt getroffen;
d. belangrijke misvorming van het gelaat is ontstaan, welke door
hulpmiddelen niet voldoende te verbergen is, zodat de belanghebbende
de omgang met zijn medemensen ernstig wordt bemoeilijkt; of
e. een blijvend buitengewoon pensioen is verleend uit hoofde van
een invaliditeit van 80 of 90 procent.
Artikel 11
Het buitengewoon pensioen wordt éénmaal met veertig procent van de
pensioengrondslag vermeerderd, wanneer ten gevolge van de verwonding,
verminking, ziekten of gebreken, in artikel 4 bedoeld:
a. twee of meer ledematen (handen of voeten) zijn verloren gegaan
of voorgoed geheel onbruikbaar zijn geworden, dan wel een toestand
is ontstaan, welke met een zodanig verlies of een zodanige
onbruikbaarheid is gelijk te stellen;
b. het gezichtsvermogen voorgoed geheel verloren is gegaan of een
toestand is ontstaan, welke met blindheid is gelijk te stellen;
c. onherstelbare krankzinnigheid is ontstaan, of een toestand
welke daarmee is gelijk te stellen; of
d. een blijvend buitengewoon pensioen is verleend uit hoofde van
een invaliditeit van 100 procent.
Artikel 11a
1. Wanneer op grond van verwonding, verminking, ziekten of
gebreken, als bedoeld in artikel 4, een buitengewoon pensioen wordt
toegekend en uit hoofde van die verwonding, verminking, ziekten of
gebreken behandeling of verpleging is vereist, wordt aan de
gepensioneerde ter zake daarvan vergoeding verleend volgens bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.
2. In afwijking van het eerste lid kan aan categorieën
gepensioneerden vergoeding ter zake van bepaalde de behandeling of
verpleging omvattende voorzieningen worden verleend zonder dat deze
voorzieningen uit hoofde van verwonding, verminking, ziekten of
gebreken als bedoeld in artikel 4, eerste lid, zijn vereist. Bij
algemene maatregel van bestuur worden ter zake regels gesteld.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
betreffende de mogelijkheid om de vergoeding ter zake van bepaalde de
behandeling of verpleging omvattende voorzieningen na het overlijden
van de gepensioneerde gedurende een bepaalde tijd ten gunste van de
weduwe of weduwnaar voort te zetten..
Artikel 12
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden met inachtneming van
de volgende leden regelen vastgesteld betreffende de inkomsten, die
voor verrekening met het buitengewoon pensioen in aanmerking komen.
2. De inkomsten van de betrokkene, worden op het buitengewoon
pensioen in mindering gebracht voor het bedrag, waarmede het
buitengewoon pensioen, ongeacht de vermeerdering of vergoeding
ingevolge de artikelen 10, 11 en 11a, vermeerderd met de inkomsten uit
vermogen, alsmede met vijfenzeventig procent van het pensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1956, 281) en Algemene
nabestaandenwet en zeventig procent van de overige inkomsten de
grondslag, waarover het buitengewoon pensioen is berekend,
overschrijdt.
Tot de inkomsten van betrokkene als bedoeld in de vorige volzin
worden niet gerekend:
a. inkomsten uit arbeid indien de betrokkene de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt;
b. inkomsten uit arbeid, arbeidsvervangende inkomsten en
inkomsten uit onderneming van zijn echtgenoot;
c. inkomsten uit vermogen, tot een bedrag van vijfhonderd
gulden [Red: per 1 januari 2013: achthonderdzevenendertig euro en
vijfenvijftig eurocent] ;
met dien verstande, dat indien met zodanige inkomsten van de
echtgenoot of gewezen echtgenoot of uit vermogen reeds rekening is
gehouden bij de vaststelling van de pensioengrondslag, een bedrag
gelijk aan het met deze inkomsten verband houdende deel van het
buitengewoon pensioen op het buitengewoon pensioen in mindering wordt
gebracht. Wij bepalen bij algemene maatregel van bestuur in welke
gevallen van laatstgenoemde vermindering wordt afgezien. Het in of
krachtens de tweede en derde volzin bepaalde vindt geen toepassing,
indien zulks zou leiden tot een lager betaalbaar pensioenbedrag.
3. Indien op grond van hetzelfde feit, als waaraan het genot van
een buitengewoon pensioen wordt ontleend, gelijktijdig een uitkering,
een pensioen of andere inkomsten worden genoten ten laste van het
Rijk, de Republiek Suriname, de Nederlandse Antillen, Aruba, de
Republiek Indonesië, een publiekrechtelijk lichaam in een dezer
gebieden of een door het openbaar gezag aldaar ingesteld fonds, wordt
- behoudens het bepaalde in het vijfde lid - het bedrag van het
buitengewoon pensioen, ongeacht de vermeerdering of vergoeding
ingevolge de artikelen 10, 11 en 11a, met het bedrag van die
uitkering, dat pensioen of die andere inkomsten verminderd, nadat
daarvan is afgetrokken het bedrag ter compensatie ter zake van de
premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene
nabestaandenwet, hetwelk daarin is of naar de voor de buitengewone
pensioenen geldende wettelijke maatstaven moet worden geacht te zijn
begrepen. Voor zover echter die uitkering, dat pensioen of die andere
inkomsten worden genoten uit hoofde van een vrijwillige verzekering,
welke werd gesloten op grond van een wettelijk verleende bevoegdheid,
of uit hoofde van een verplichte verzekering, welke voor eigen
rekening is voortgezet, en door de Sociale verzekeringsbank als
zodanig wordt aangemerkt, dan wel krachtens een wettelijke regeling
van overeenkomstige strekking als de Ziektewet, is het bepaalde in de
vorige volzin niet van toepassing.
4. Voor de toepassing van de eerste volzin van het vorige lid wordt
een afkoopsom krachtens de Liquidatiewet ongevallenwetten (Stb. 1967,
99) uitsluitend in aanmerking genomen in het jaar van uitbetaling
daarvan.
5. Indien op grond van hetzelfde feit, als waaraan het genot van
een buitengewoon pensioen wordt ontleend, gelijktijdig een uitkering
krachtens de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers (Stb. 1962, 534) of
een daarvoor in de plaats tredende uitkering krachtens de Wet
overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1967, 102)
wordt genoten, wordt - indien dit voor betrokkene voordeliger is -
voor de toepassing van het bepaalde in het derde lid die uitkering
verminderd met het bedrag van de daarover verschuldigde premie
ingevolge de Wet financiering sociale verzekeringen, met dien
verstande, dat deze vermindering beperkt blijft tot het bedrag, dat
over het jaar 1966 in mindering werd gebracht.
6. Indien onder het pensioen of de andere inkomsten, bedoeld in de
eerste volzin van het derde lid, zijn begrepen bijslagen of toeslagen
voor kinderen, die na het tijdstip, hetwelk gediend heeft voor de
beoordeling van de pensioengrondslag, zijn geboren of deel zijn gaan
uitmaken van het gezin van de gepensioneerde, worden deze bijslagen of
toeslagen niet op het buitengewoon pensioen in mindering gebracht.
Indien onder het pensioen of andere inkomsten, bedoeld in de eerste
volzin van het derde lid, zijn begrepen bedragen, welke worden genoten
krachtens in andere wettelijke regelingen voorkomende bepalingen van
overeenkomstige strekking als die van de artikelen 10, 11 en 11a van
deze wet, worden ook die bedragen niet op het buitengewoon pensioen in
mindering gebracht; is evenwel een vermeerdering of vergoeding
ingevolge de artikelen 10, 11 en 11a van deze wet toegekend, dan wordt
die vermeerdering of vergoeding verminderd met het bedrag, dat genoten
wordt krachtens de met die artikelen overeenkomende bepalingen in
andere wettelijke regelingen.
Artikel 12a
Het bedrag, genoemd in artikel 12, tweede lid, onder c, wordt door
Onze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari, indien en voor
zover de ontwikkeling van de consumentenprijsindex in de periode 1
november tot en met 31 oktober daaraan voorafgaand, daartoe aanleiding
geeft.
Artikel 13
1. Geen buitengewoon pensioen wordt verleend of gewijzigd, zonder
dat over het ontstaan, de aard en de gevolgen van de verwonding,
verminking, ziekten of gebreken, welke recht geven op buitengewoon
pensioen, op kosten van het Rijk een geneeskundig onderzoek heeft
plaatsgehad en daarbij de invaliditeitspercentages zijn vastgesteld,
een en ander naar regelen te stellen bij algemene maatregel van
bestuur.
2. Het geneeskundig onderzoek zal, op last van de Raad of de
Sociale verzekeringsbank éénmaal worden herhaald, indien de
belanghebbende daartoe de wens te kennen geeft in zijn bezwaarschrift,
als bedoeld in artikel 37, en voorts in elk geval waarin een herhaling
door het Rijk wenselijk wordt geacht.
Derde hoofdstuk. Van het pensioen der nagelaten betrekkingen
§ 1. Van het recht op buitengewoon pensioen
Artikel 14
1. Recht op buitengewoon pensioen heeft de weduwe van een deelnemer
aan het verzet, indien haar echtgenoot het leven heeft verloren in
verband met het verzet dan wel indien hij op het tijdstip van zijn
overlijden recht op buitengewoon pensioen ontleende aan het bepaalde
in artikel 4.
2. Eveneens recht op buitengewoon pensioen heeft de vrouw, met wie
een overleden deelnemer aan het verzet gehuwd is geweest, mits:
a. de man op de dag waarop de beschikking tot echtscheiding of
de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken dan wel het
geregistreerd partnerschap ingevolge artikel 80c, onder c en d,
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is beëindigd, recht op
buitengewoon pensioen ontleende aan het bepaalde in artikel 4 en
hij dat recht ook op het tijdstip van zijn overlijden kon doen
gelden,
b. de onder a bedoelde dag ligt na het tijdstip van de
inwerkingtreding van de Wet herziening echtscheidingsrecht en de
echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk niet is
uitgesproken met toepassing van het vóór genoemd tijdstip
geldende recht, en
c. de vrouw niet als gevolg van hertrouwen, het aangaan van een
huwelijk na een geregistreerd partnerschap, het aangaan van een
geregistreerd partnerschap na een huwelijk dan wel het opnieuw
aangaan van een geregistreerd partnerschap met haar vroegere
echtgenoot ter zake van diens overlijden recht op buitengewoon
weduwenpensioen verkrijgt,
met dien verstande, dat indien de vrouw op de datum van overlijden
van haar vroegere echtgenoot is hertrouwd of geregistreerd dan wel
opnieuw geregistreerd, het recht op buitengewoon pensioen, hetwelk zij
aan dat overlijden ontleent, eerst ontstaat op de dag, volgende op
die, waarop dat volgende door haar gesloten huwelijk is ontbonden.
3. Voor de toepassing van deze wet wordt met een weduwe
(echtgenote) gelijkgesteld de vrouw, die ingevolge een uitspraak van
de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel of enige
andere rechterlijke uitspraak in vermogensrechtelijk en/of
erfrechtelijk opzicht gelijk wordt gesteld met een weduwe
(echtgenote).
4. Buitengewoon pensioen als in de voorgaande leden van dit artikel
bedoeld, komt eveneens toe aan:
a. de weduwnaar van een deelneemster aan het verzet;
b. de man, met wie een overleden deelneemster aan het verzet
gehuwd is geweest.
Op het buitengewoon pensioen van de in de vorige volzin onder a en
b genoemde personen zijn de bepalingen van deze wet, betrekking
hebbende op het buitengewoon pensioen van de in het eerste
onderscheidenlijk het tweede lid van dit artikel genoemde personen,
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15
1. Indien de deelnemer aan het verzet het leven heeft verloren in
verband met het verzet, dan wel is overleden aan de gevolgen van
verwonding, verminking, ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 4,
ontstaat voorts recht op buitengewoon pensioen voor:
a. elk kind dat in familierechtelijke betrekking stond tot de
overledene; voorts onder de voorwaarden in artikel 18 gesteld,
voor:
b. elk ander kind, ten behoeve van hetwelk aan de overledene
onderhoudsplicht krachtens het Burgerlijk Wetboek was opgelegd of
ten behoeve van hetwelk de overledene een zodanige
onderhoudsplicht had erkend;
c. de ouders, of bij ontstentenis van deze, de grootouders van
de overledene, indien deze hun kostwinner was;
d. elk ouderloos kleinkind van de overledene, indien deze
deszelfs kostwinner was;
e. de schoonouders van de overledene, indien deze hun
kostwinner was.
2. Eveneens recht op buitengewoon pensioen heeft elk kind dat in
familierechtelijke betrekking stond tot een deelnemer aan het verzet,
die is overleden door andere oorzaken dan in het vorige lid bedoeld,
mits de deelnemer aan het verzet op het tijdstip van zijn overlijden
recht op buitengewoon pensioen ontleende aan het bepaalde in artikel
4.
3. Recht op buitengewoon pensioen bestaat voor de kinderen, bedoeld
in het eerste lid, onder a, b en d, alsmede voor de kinderen, bedoeld
in het tweede lid, zolang zij beneden de leeftijd van eenentwintig
jaren en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn en voor de
schoonouders, bedoeld in het eerste lid onder e, zolang de overledene,
ware hij nog in leven, als behuwdkind jegens hen onderhoudsplichtig
zou zijn geweest.
4. Voor de toepassing van deze wet worden met de in het eerste lid,
onder a, bedoelde kinderen gelijkgesteld kinderen, die op het tijdstip
van het overlijden op kosten van de deelnemer aan het verzet werden
opgevoed en na diens overlijden geen kostwinner hebben.
Artikel 16
1. Aan de in de artikelen 14 en 15 genoemde betrekkingen van een
deelnemer aan het verzet wordt tijdelijk een buitengewoon pensioen
verleend, indien de deelnemer aan het verzet vermist is geraakt en de
vermissing in verband staat met het verzet.
2. Het bedrag van dit tijdelijk pensioen zal gelijk zijn aan het
bedrag, waarop de belanghebbenden recht zouden hebben, wanneer de
vermiste het leven had verloren in verband met het verzet.
3. Aan de in de artikelen 14 en 15 genoemde betrekkingen van een
deelnemer aan het verzet wordt eveneens tijdelijk een buitengewoon
pensioen verleend, indien de deelnemer aan het verzet anders dan in
verband met het verzet vermist is geraakt en hij op het tijdstip van
zijn vermissing recht op buitengewoon pensioen ontleende aan het
bepaalde in artikel 4.
4. Het bedrag van het in het vorige lid bedoelde tijdelijk pensioen
zal gelijk zijn aan het bedrag, waarop de belanghebbenden recht zouden
hebben, wanneer de vermiste zou zijn overleden.
5. Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een blijvend
buitengewoon pensioen, zodra het overlijden van de vermiste vaststaat
of indien omtrent hem bij rechterlijk vonnis is verklaard, dat
rechtsvermoeden van overlijden bestaat.
6. De overige bepalingen van dit hoofdstuk zijn ook op het
tijdelijk buitengewoon pensioen van toepassing.
Artikel 16a
Voor de vaststelling van het recht op buitengewoon pensioen, waarop
krachtens de bepalingen van deze paragraaf recht kan bestaan, is het
bepaalde in artikel 13, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Van de berekening van het buitengewoon pensioen
Artikel 17
Het buitengewoon pensioen, bedoeld in de artikelen 14 en 15,
bedraagt:
a. voor de weduwe, wier echtgenoot het leven heeft verloren in
verband met het verzet, dan wel is overleden aan de gevolgen van
verwonding, verminking, ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel
4, alsmede voor de weduwe van de deelnemer aan het verzet, die is
overleden door andere oorzaken dan hiervoor genoemd en wiens
invaliditeit, waarnaar zijn buitengewoon pensioen laatstelijk was of
zou zijn berekend, tenminste zestig procent bedroeg, vijfenzestig
procent van de pensioengrondslag, die op grond van het bepaalde in
artikel 8 of artikel 41a voor de echtgenoot heeft of zou hebben
gegolden, indien deze als deelnemer aan het verzet recht op
buitengewoon pensioen had of zou hebben gehad. Indien er bij het
overlijden van de deelnemer aan het verzet tevens recht of krachtens
artikel 14, tweede lid, uitzicht op een of meerdere buitengewone
pensioenen, als bedoeld onder i, bestaat, wordt het buitengewoon
weduwenpensioen met het bedrag daarvan verminderd;
b. voor de weduwe van de deelnemer aan het verzet, die het leven
heeft verloren door andere oorzaken dan verwonding, verminking,
ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 4, en wiens
invaliditeit, waarnaar zijn buitengewoon pensioen laatstelijk was of
zou zijn berekend, minder dan zestig procent bedroeg, vijfenzestig
procent van het pensioen, waarop de deelnemer op het tijdstip van
zijn overlijden recht had of zou hebben gehad. Indien er bij het
overlijden van de deelnemer aan het verzet tevens recht of krachtens
artikel 14, tweede lid, uitzicht op een of meer buitengewone
pensioenen, als bedoeld onder j, bestaat, wordt het buitengewoon
weduwenpensioen met het bedrag daarvan verminderd;
c. voor elk kind dat in familierechtelijke betrekking stond tot
de deelnemer aan het verzet, die het leven heeft verloren in verband
met het verzet, dan wel is overleden aan de gevolgen van verwonding,
verminking, ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 4, alsmede
voor elk door hem erkend kind, vijftien procent van de eerste €
2268,90 en tien procent van het overige gedeelte van de onder a
bedoelde pensioengrondslag, indien de andere ouder aan het
overlijden van de deelnemer aan het verzet aanspraak op buitengewoon
pensioen ontleent; dertig procent van de eerste € 2268,90 en
twintig procent van het overige gedeelte van het bedrag van die
grondslag, indien de andere ouder aan het overlijden van de
deelnemer aan het verzet geen aanspraak op buitengewoon pensioen
ontleent.
Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op het kind
dat in familierechtelijke betrekking stond tot de deelnemer aan het
verzet, die is overleden door andere oorzaken dan hiervoor genoemd
en wiens invaliditeit, waarnaar zijn buitengewoon pensioen
laatstelijk was of zou zijn berekend, tenminste zestig procent
bedroeg;
d. voor elk ander kind ten behoeve van hetwelk de vader, die het
leven heeft verloren in verband met het verzet, dan wel is overleden
aan de gevolgen van verwonding, verminking, ziekten of gebreken, als
bedoeld in artikel 4, een onderhoudsplicht was opgelegd krachtens de
bepalingen van het Burgerlijk Wetboek of ten behoeve van hetwelk de
vader deze onderhoudsplicht had erkend, vijftien procent van de
eerste € 2268,90 en tien procent van het overige gedeelte van de
onder a bedoelde pensioengrondslag, indien de moeder aan het
overlijden van de vader aanspraak op buitengewoon pensioen ontleent;
dertig procent van de eerste € 2268,90 en twintig procent van het
overige gedeelte van het bedrag van die grondslag, indien de moeder
aan het overlijden van de vader geen aanspraak op buitengewoon
pensioen ontleent;
e. voor de ouders of bij ontstentenis van deze de grootouders van
de overledene, zoveel als hij in de regel als kostwinner tot hun
levensonderhoud bijdroeg, doch niet meer dan veertig procent van de
eerste € 2268,90 en dertig procent van het overige bedrag van de
boven onder a bedoelde pensioengrondslag en wel tot de dood van de
langstlevende;
f. voor elk ouderloos kleinkind van de overledene zoveel als hij
in de regel als kostwinner tot diens levensonderhoud bijdroeg, doch
niet meer dan twintig procent van de eerste € 2268,90 en vijftien
procent van het overige bedrag van de boven onder a bedoelde
pensioengrondslag;
g. voor de schoonouders van de overledene zoveel als hij in de
regel als kostwinner tot hun levensonderhoud bijdroeg, doch niet
meer dan veertig procent van de eerste € 2268,90 en dertig procent
van het overige bedrag van de boven onder a bedoelde
pensioengrondslag en wel tot de dood van de langstlevende dan wel
tot het tijdstip, waarop de overledene, ware hij nog in leven, als
behuwdkind jegens hen niet meer onderhoudsplichtig zou zijn geweest;
h. voor elk kind dat in familierechtelijke betrekking stond tot
de deelnemer aan het verzet, die het leven heeft verloren door
andere oorzaken dan verwonding, verminking, ziekten of gebreken, als
bedoeld in artikel 4, en wiens invaliditeit, waarnaar zijn
buitengewoon pensioen laatstelijk was of zou zijn berekend, minder
dan zestig procent bedroeg, vijftien procent van de eerste €
2268,90 en zes procent van het overige gedeelte van het onder b
bedoelde pensioen, indien de andere ouder aan het overlijden van de
deelnemer aan het verzet aanspraak op buitengewoon pensioen
ontleent; dertig procent van de eerste € 2268,90 en twaalf procent
van het overige gedeelte van het bedrag van dat pensioen, indien de
andere ouder aan het overlijden van de deelnemer aan het verzet geen
aanspraak op buitengewoon pensioen ontleent.
Het in dit onderdeel bepaalde is slechts van toepassing op het
kind, dat geboren is uit het huwelijk van de hiervoren bedoelde
ouders of dat voor de toepassing van deze wet met een kind dat in
familierechtelijke betrekking tot de deelnemer aan het verzet staat
is gelijkgesteld;
i. voor de gewezen echtgenote van een overleden deelnemer aan het
verzet, die is overleden aan de gevolgen van verwonding, verminking,
ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 4, alsmede voor de
gewezen echtgenote van een overleden deelnemer aan het verzet, die
is overleden door andere oorzaken dan hiervoor genoemd en wiens
invaliditeit, waarnaar zijn buitengewoon pensioen laatstelijk was of
zou zijn berekend, ten minste zestig procent bedroeg, een bedrag,
berekend volgens de formule:

, in welke formule:
p voorstelt: het aantal volle jaren, gedurende hetwelk de man in
zijn leeftijdsperiode van 25 tot 65 jaar met de vrouw gehuwd is
geweest, vermeerderd met het aantal volle jaren, gedurende hetwelk
de man in dezelfde leeftijdsperiode vóór het sluiten van dat
huwelijk zonder onderbreking ongehuwd is geweest, en
q voorstelt: de pensioengrondslag, welke op grond van het
bepaalde in artikel 8 of artikel 41a voor de man op het tijdstip van
zijn overlijden gold of zou hebben gegolden;
j. voor de gewezen echtgenote van een overleden deelnemer aan het
verzet, die is overleden door andere oorzaken dan verwonding,
verminking, ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 4, en wiens
invaliditeit, waarnaar zijn buitengewoon pensioen laatstelijk was of
zou zijn berekend, minder dan zestig procent bedroeg, een bedrag,
berekend volgens de formule:

, in welke formule:
x voorstelt: het aantal volle jaren, gedurende hetwelk de man in
zijn leeftijdsperiode van 25 tot 65 jaar met de vrouw gehuwd is
geweest, vermeerderd met het aantal volle jaren, gedurende hetwelk
de man in dezelfde leeftijdsperiode vóór het sluiten van dat
huwelijk zonder onderbreking ongehuwd is geweest, en
y voorstelt: het buitengewoon pensioen, waarop de man op het
tijdstip van zijn overlijden recht had of zou hebben gehad.
Artikel 18
1. De buitengewone pensioenen, toegekend aan de personen, bedoeld
in artikel 17, a , c , d , e , f , g en i , zullen tezamen niet meer
mogen bedragen dan negentig procent van de pensioengrondslag, waarnaar
die pensioenen zijn berekend, met dien verstande, dat:
- de personen, bedoeld in artikel 17, g , alleen aanspraak
hebben op buitengewoon pensioen, indien de personen, bedoeld in
artikel 17, a , c , d , e , f en i , hun volle buitengewoon
pensioen ontvangen hebben;
- de personen, bedoeld in artikel 17, f , alleen aanspraak
hebben op buitengewoon pensioen, indien de personen, bedoeld in
artikel 17, a , c , d , e en i , hun volle buitengewoon pensioen
ontvangen hebben;
- de personen, bedoeld in artikel 17, d en e , alleen aanspraak
hebben op buitengewoon pensioen, indien de personen, bedoeld in
artikel 17, a , c en i , allen hun volle buitengewoon pensioen
ontvangen hebben.
2. Indien de buitengewone pensioenen van de personen, bedoeld in
artikel 17, a , c en i , tezamen meer zouden bedragen dan het in het
eerste lid voor hen gestelde maximum, zal elk buitengewoon pensioen
een evenredige vermindering ondergaan.
3. Indien de personen, bedoeld in artikel 17, d en e , niet het
volle buitengewoon pensioen kunnen ontvangen, zal het buitengewoon
pensioen van ieder hunner een evenredige vermindering ondergaan.
4. Het in het vorige lid bepaalde is ook van toepassing op de
kleinkinderen als bedoeld in artikel 17, f , indien van deze méér
dan één in leven zijn en elk kleinkind niet zijn volle buitengewoon
pensioen kan ontvangen.
5. Ingeval het bepaalde bij het tweede lid is toegepast, en in het
aantal op buitengewoon pensioen recht hebbende kinderen wijziging
komt, zal de toegepaste evenredige vermindering worden herzien en wel
met ingang van de maand volgende op die, waarin de wijziging is
ingetreden.
Artikel 18a
1. Het buitengewoon pensioen van de weduwe, wier echtgenoot over
een periode van ten minste drie maanden, voorafgaande aan zijn
overlijden in het genot was gesteld van een blijvend buitengewoon
pensioen uit hoofde van een invaliditeit van ten minste negentig
procent wordt gedurende het eerste jaar na het overlijden van de
echtgenoot verhoogd met twintig procent van de pensioengrondslag en
gedurende het tweede jaar na het overlijden met tien procent van die
grondslag, voor zover het verhoogde buitengewoon weduwen-pensioen
daardoor gedurende het eerste jaar niet meer dan vijfentachtig procent
van de minimum-pensioengrondslag bedraagt en gedurende het tweede jaar
niet meer dan vijfenzeventig procent van die grondslag.
2. De verhoging, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de
toepassing van artikel 18 buiten beschouwing gelaten.
Artikel 19
1. De buitengewone pensioenen, toegekend aan de personen, bedoeld
in artikel 17, b , h en j , zullen tezamen niet meer mogen bedragen
dan tachtig procent van de eerste € 2268,90 en veertig procent van
het overige bedrag van de pensioengrondslag.
2. Indien de buitengewone pensioenen van de personen, bedoeld in
artikel 17, b , h en j , tezamen meer zouden bedragen dan het in het
eerste lid voor hen gestelde maximum, zal elk buitengewoon pensioen
een evenredige vermindering ondergaan.
3. Ingeval het bepaalde bij het tweede lid is toegepast, en in het
aantal op buitengewoon pensioen recht hebbende kinderen wijziging
komt, zal de toegepaste evenredige vermindering worden herzien en wel
met ingang van de maand volgende op die, waarin de wijziging is
ingetreden.
4. Indien het recht op buitengewoon pensioen van een der nagelaten
betrekkingen, bedoeld in artikel 17, teniet gaat of krachtens artikel
14, tweede lid, later ingaat, alsmede indien het recht op buitengewoon
pensioen krachtens artikel 28 eindigt dan wel opnieuw ingaat, vindt
een herziening op grond van het bepaalde in artikel 18 en de
voorgaande leden van dit artikel alleen plaats ten aanzien van de
buitengewone pensioenen van de overige rechthebbenden, bedoeld in
artikel 17, a , b , c , h , i en j .
Artikel 20
1. Op de buitengewone pensioenen, toegekend aan de personen,
bedoeld in artikel 17, is het bepaalde in artikel 12, eerste lid,
tweede lid, tweede volzin, onder a, alsmede het derde en zesde lid,
van overeenkomstige toepassing.
2. Voor zover door de weduwe of de gewezen echtgenote inkomsten uit
vermogen worden genoten, worden deze voor vijftig procent van die
inkomsten op het buitengewoon pensioen in mindering gebracht, met dien
verstande, dat indien die inkomsten minder dan € 680,67 per jaar
bedragen, slechts een zodanig bedrag in mindering wordt gebracht als
waarmede die inkomsten een som van € 340,34 mochten te boven gaan.
3. Voor zover door de weduwe of de gewezen echtgenote andere
inkomsten dan waarop in het eerste en tweede lid wordt gedoeld, worden
genoten, wordt vijftig procent van het bedrag, waarmede die inkomsten
de som van € 453,78 overschrijden, op het buitengewoon pensioen in
mindering gebracht. Onverminderd het bepaalde in de vorige volzin
worden, indien de daar bedoelde overschrijding uitsluitend of mede het
gevolg is van het genot van een ouderdomspensioen krachtens de
Algemene Ouderdomswet van meer dan € 453,78 van het bedrag, waarmede
dat ouderdomspensioen de som van € 453,78 overschrijdt, in plaats
van vijftig procent de volgende percentages op het buitengewoon
pensioen in mindering gebracht:
a. op een buitengewoon weduwenpensioen, dat geen vermindering
als bedoeld in artikel 17, a en b, heeft ondergaan: zestig
procent;
b. op een buitengewoon weduwenpensioen, dat een vermindering
als bedoeld in artikel 17, a en b, heeft ondergaan: een evenredig
deel van het onder a genoemde percentage;
c. op het buitengewoon pensioen van de gewezen echtgenote,
bedoeld in artikel 17, i en j, een deel van zestig procent,
hetwelk tot dat percentage in dezelfde verhouding staat als het
aantal jaren, hetwelk in de in die artikelonderdelen genoemde
berekeningsformule door de letter p onderscheidenlijk x wordt
voorgesteld, zich verhoudt tot veertig jaar.
Voor een buitengewoon pensioen, toegekend aan de in artikel 17, b,
bedoelde weduwe alsook voor een buitengewoon pensioen, toegekend aan
de gewezen echtgenote, bedoeld in artikel 17, j, wordt het op deze
pensioenen ingevolge de vorige volzin in mindering te brengen bedrag
beperkt tot een percentage daarvan, gelijk aan dat der invaliditeit,
waarnaar het buitengewoon pensioen van de overleden echtgenoot
onderscheidenlijk gewezen echtgenoot van de vrouw laatstelijk was of
zou zijn berekend.
4. Indien door de weduwe of de gewezen echtgenote zowel inkomsten
bedoeld in het tweede lid als inkomsten bedoeld in het derde lid
worden genoten, worden, in afwijking van het bepaalde aan het slot van
het tweede lid, de inkomsten uit vermogen voor vijftig procent van die
inkomsten op het buitengewoon pensioen in mindering gebracht, met dien
verstande, dat in elk geval een bedrag van € 340,34 van het totaal
der inkomsten buiten mindering blijft.
5. Indien een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet wordt
genoten, wordt die uitkering niet gerekend tot de met het buitengewoon
pensioen verrekenbare inkomsten, als in de voorgaande leden bedoeld.
In dat geval worden echter, nadat de voorgaande leden zijn toegepast,
van het bedrag van de uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet
de volgende percentages op het buitengewoon pensioen in mindering
gebracht:
a. op een buitengewoon weduwenpensioen, dat geen vermindering
als bedoeld in artikel 17, a en b, heeft ondergaan, en op het
buitengewoon wezenpensioen: zestig procent;
b. op een buitengewoon weduwenpensioen, dat een vermindering
als bedoeld in artikel 17, a en b, heeft ondergaan, een evenredig
deel van het onder a genoemde percentage;
c. op het buitengewoon pensioen van de gewezen echtgenote,
bedoeld in artikel 17, i en j, een deel van zestig procent,
hetwelk tot dat percentage in dezelfde verhouding staat als het
aantal jaren, hetwelk in de in die artikelonderdelen genoemde
berekeningsformule door de letter p onderscheidenlijk x wordt
voorgesteld, zich verhoudt tot veertig jaar.
Het bepaalde in de derde volzin van het derde lid van dit artikel
is van overeenkomstige toepassing.
Indien de weduwe tevens in het genot is van een invaliditeitsrente
krachtens de Invaliditeitswet, waarop zij tot het in werking treden
van dit artikellid, ingevolge de Wet tot aanvulling van renten
krachtens de Invaliditeitswet en de wet van 3 februari 1954 (Stb. 60)
toe- en bijslagen genoot, komt het totaal bedrag dezer toe- en
bijslagen in aanmerking voor aftrek op de in de vorige volzin bedoelde
vermindering.
Ten aanzien van degene, die aantoont, dat uit hoofde van zijn
aanspraak op uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet mede een
vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen of enige andere
verplichte periodieke uitkering, en dat het gezamenlijke bedrag der
verminderingen zestig procent van het bedrag van bedoeld bodempensioen
overschrijdt, wordt de vermindering, in de vorige volzinnen van dit
artikellid bedoeld, zodanig beperkt, dat het inkomen van de
belanghebbende zo mogelijk veertig procent van het bedrag van bedoeld
bodempensioen meer bedraagt dan ingeval geen uitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet wordt genoten.
6. Het ingevolge de voorafgaande leden met het buitengewoon
pensioen van de weduwe en/of de gewezen echtgenote wegens het genot
van neveninkomsten verrekenbare bedrag wordt beperkt tot het bedrag,
waarmede het buitengewoon pensioen - ongeacht de vermindering, bedoeld
in de artikelen 18 en 19 -, vermeerderd met die neveninkomsten,
vijfenzestig procent van de in artikel 12, tweede lid, bedoelde
grondslag overschrijdt, met dien verstande evenwel, dat de verrekening
van een pensioen of uitkering als bedoeld in artikel 12, derde lid,
zomede de verrekening ter zake van een uitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet en ter zake van een pensioen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet onverkort blijft. Tot de neveninkomsten, bedoeld in de
vorige volzin, worden niet gerekend de kinderbijslagen of -toeslagen,
zomede de inkomsten, welke onverplicht door derden worden verschaft.
Vierde hoofdstuk. Van de Buitengewone Pensioenraad
Artikel 21 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 21a [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 22 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 22a [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 23 [Vervallen per 01-07-1990]
Vijfde hoofdstuk. Van de aanvraag en de toekenning
Artikel 24
1. Zij, die aanspraak menen te hebben op buitengewoon pensioen of
vergoeding krachtens deze wet, dienen daartoe bij de Raad of de
Sociale verzekeringsbank een aanvrage in. Bij een aanvrage moet worden
overgelegd de voor de regeling van het buitengewone pensioen of
vergoeding benodigde, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
stukken, welke vrij zijn van leges.
2. Zij die erkend willen worden als deelnemer aan het verzet dienen
daartoe bij de Raad een aanvrage in.
3. De Raad legt de aanvrage om een buitengewoon pensioen dan wel de
aanvrage erkend te worden als deelnemer aan het verzet voor aan de
Stichting 1940-1945. Deze geeft binnen vier maanden nadat de Raad de
aanvrage heeft voorgelegd, een verklaring af waaruit blijkt of de
aanvrager of degene aan wie de aanvrager zijn aanspraken wenst te
ontlenen, al dan niet heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet
in de zin van de wet en of een omstandigheid als bedoeld in artikel 2,
tweede lid, al dan niet aanwezig is. Indien de aanvrage om een
buitengewoon pensioen afkomstig is van een persoon, als bedoeld in de
artikelen 14 en 15, en de overledene aan wie de aanvrager zijn rechten
wenst te ontlenen, aanspraken op deze wet heeft doen gelden, wordt de
verklaring, waaruit blijkt of ten aanzien van de aanvrager een
omstandigheid als bedoeld in artikel 2, tweede lid, al dan niet
aanwezig is, binnen vier weken afgegeven. Indien de Stichting
1940-1945 niet tijdig de vorengenoemde verklaringen verschaft kan de
Raad, met instemming van de betrokkene, besluiten op andere wijze de
benodigde informatie in te winnen.
4. Indien de door de Stichting 1940-1945 afgegeven verklaring,
bedoeld in het derde lid, inhoudt dat de betrokkene niet heeft behoord
tot de deelnemers aan het verzet in de zin van de wet of dat een
omstandigheid als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanwezig is, kan
de Raad niettemin een buitengewoon pensioen verlenen, indien naar zijn
oordeel de betrokkene daarop anders aanspraak had kunnen maken. Het
bedrag van dit buitengewoon pensioen is gelijk aan het bedrag, waarop
de betrokkene recht zou hebben, wanneer de verklaring van de Stichting
1940-1945 zou inhouden dat de betrokkene heeft behoord tot de
deelnemers aan het verzet of dat een omstandigheid als bedoeld in
artikel 2, tweede lid, niet aanwezig is.
5. Indien de door de Stichting 1940–1945 afgegeven verklaring,
bedoeld in het derde lid, inhoudt dat de betrokkene niet heeft behoord
tot de deelnemers aan het verzet in de zin van de wet of dat een
omstandigheid als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanwezig is, kan
de Raad niettemin een erkenning als verzetsdeelnemer afgeven indien
hiervoor naar zijn oordeel voldoende termen aanwezig zijn.
6. De voorlopig gepensioneerden dienen binnen twee jaren na het
einde van de termijn, waarover voorlopig buitengewoon pensioen werd
toegekend, een aanvrage in om weder in het genot van zodanig
buitengewoon pensioen te worden gesteld.
7. Personen, die verkeerden in het geval, bedoeld in het derde lid
van artikel 7, dienen, wanneer zij menen opnieuw aanspraak op
buitengewoon pensioen te kunnen doen gelden, een aanvrage in.
8. Indien door de Stichting 1940-1945, de Stichting Friesland
1940-1945, de Stichting Sneek 1940-1945, de overheid of enig door de
overheid ingesteld of erkend orgaan een uitkering of onderstand is
verleend over een tijdvak, waarover later met terugwerkende kracht
buitengewoon pensioen wordt verleend, worden deze als voorschotten
aangemerkt, en wordt de som hiervan zonder enige beperking op het
bedrag van het pensioen ingehouden ten gunste van de overheid, de
instellingen of de organen, als bedoeld.
Artikel 24a
De ontvangst van de aanvrage wordt de aanvrager schriftelijk
bevestigd. Daarbij wordt hem voorlichting gegeven over de verdere
procedure en de geldende behandeltermijnen.
Artikel 24b [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 25
1. Van de beschikking wordt mededeling gedaan aan de Stichting
1940-1945.
2. Bij de bekendmaking van de beschikking wordt voorlichting
gegeven over de procedure en de voor het bezwaarschrift geldende
termijn van behandeling.
3. De beschikking op een aanvrage krachtens artikel 4
onderscheidenlijk de artikelen 14 en 15 voor zover de overleden
deelnemer aan het verzet geen aanspraken op deze wet heeft doen
gelden, wordt gegeven binnen negen maanden na de datum waarop de
aanvrage is ingekomen. Indien de Raad ten gevolge van bijzondere
omstandigheden niet binnen deze termijn kan beslissen, kan hij eenmaal
met ten hoogste acht weken worden verlengd. Van de verlenging doet de
Raad schriftelijk mededeling aan de belanghebbende en aan de Stichting
1940-1945.
4. De beschikking op een aanvrage krachtens artikel 24, tweede lid,
wordt gegeven binnen zes maanden na de datum waarop de aanvrage is
ingekomen. Indien de Raad ten gevolge van bijzondere omstandigheden
niet binnen deze termijn kan beslissen, kan hij eenmaal met ten
hoogste vier weken worden verlengd. Van de verlenging doet de Raad
schriftelijk mededeling aan de belanghebbende en aan de Stichting 1940–1945.
5. De beschikking op een aanvrage krachtens artikel 4, voorzover de
aanvrager reeds op grond van artikel 24, tweede lid, als deelnemer aan
het verzet is erkend, artikel 11a, de artikelen 14 en 15 voor zover de
overleden deelnemer aan het verzet aanspraken op deze wet heeft doen
gelden, onderscheidenlijk artikel 24, zesde en zevende lid, wordt
gegeven binnen dertien weken na de datum waarop de aanvrage is
ingekomen. Indien de Raad of de Sociale verzekeringsbank ten gevolge
van bijzondere omstandigheden niet binnen deze termijn kan beslissen,
kan hij eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd. Van de
verlenging doet de Raad of de Sociale verzekeringsbank schriftelijk
mededeling aan de belanghebbende en aan de Stichting 1940-1945.
6. Met betrekking tot een aanvrage, bedoeld in het vijfde lid, die
wordt ingediend terwijl een aanvrage, bedoeld in het derde lid, nog in
behandeling is geldt, in afwijking van het vijfde lid, de termijn die
resteert voor de beschikking op de aanvrage, bedoeld in het derde lid,
tenzij de resterende termijn korter is dan de termijn, bedoeld in het
vijfde lid.
Artikel 25a
1. Indien de Raad vier weken voor het verstrijken van de verlengde
termijn, bedoeld in artikel 25, derde lid, onvoldoende gegevens
aanwezig acht om tot een beoordeling van de aanvrage te komen en
dientengevolge niet in staat is een beschikking te geven, stelt hij de
aanvrager gedurende die vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze
naar voren te brengen.
2. Artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht is op het horen
van toepassing.
3. Indien de aanvrager zijn zienswijze mondeling naar voren brengt,
wordt een verslag gemaakt.
Artikel 25b
1. Indien de aanvrager kennis wenst te nemen van gegevens, welke
mede tot de beschikking van de Raad of de Sociale verzekeringsbank
hebben geleid, worden deze hem op zijn verzoek binnen vier weken
alsnog door de Raad of de Sociale verzekeringsbank verstrekt, indien
en voor zover door het verstrekken van deze gegevens geen inbreuk
wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van derden.
2. De Raad of de Sociale verzekeringsbank kan in het belang van de
geestelijke of lichamelijke gezondheid van de betrokken persoon, al
dan niet op verzoek van de geneeskundig adviseur, bepalen dat het
kennisnemen van geneeskundige rapporten niet wordt toegestaan aan de
belanghebbende persoonlijk, maar uitsluitend aan een gemachtigde die
hetzij arts, hetzij advocaat is, dan wel van de Raad of de Sociale
verzekeringsbank bijzondere toestemming heeft verkregen.
3. Indien de gegevens, bedoeld in het tweede lid, aan de
gemachtigde ter kennis zijn gebracht, wordt hiervan door de Raad of de
Sociale verzekeringsbank binnen een termijn van ten hoogste drie maal
vierentwintig uur aan de belanghebbende mededeling gedaan, onder
vermelding van de datum waarop de gegevens zijn verstrekt.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld
omtrent de vergoeding welke verschuldigd is, indien afschrift wordt
verstrekt van de op de beschikking betrekking hebbende bescheiden.
Zesde hoofdstuk. Van ingang en einde der buitengewone pensioenen
Artikel 26
1. Behoudens afwijkende bepalingen gaat het buitengewoon pensioen
in op de eerste dag van de maand, volgende op die, waarin deze wet is
afgekondigd of, indien het recht op buitengewoon pensioen later is
ontstaan, op de dag van het ontstaan van dat recht. Indien degene, aan
wie het buitengewoon pensioen wordt ontleend, later overleden is, gaat
het buitengewoon pensioen in op de eerste dag, volgende op die van het
overlijden. Het tijdelijk buitengewoon pensioen, verleend op grond van
artikel 16, gaat in op de dag, volgende op die der vermissing, doch
niet eerder dan op de eerste dag van de maand, volgende op die, waarin
deze wet is afgekondigd.
2. Wanneer de aanvrage tot het verkrijgen van het buitengewoon
pensioen niet binnen twee jaren nà de dag, waarop het ingevolge het
bepaalde in het vorige lid zou kunnen ingaan, is ontvangen, gaat het
buitengewoon pensioen in op de eerste dag der maand, volgende op die
waarin de aanvraag is binnengekomen.
3. Een voorlopig buitengewoon pensioen, dat bij vernieuwing wordt
toegekend, alsmede een blijvend buitengewoon pensioen, dat verleend
wordt ter vervanging van een voorlopig buitengewoon pensioen, gaat in
op de dag, volgende op die, waarop het vorige buitengewoon pensioen
heeft opgehouden, behalve in de gevallen, genoemd in artikel 7, derde
lid, in welke gevallen het buitengewoon pensioen ingaat op de dag
waarop de aanvrage daartoe is binnengekomen, tenzij de Sociale
verzekeringsbank termen aanwezig acht anders te beslissen.
4. Ingeval de aanvrage, bedoeld in artikel 24, zesde lid, niet is
ontvangen binnen de daar gestelde termijn van twee jaren, zal de
vervanging of verlenging van voorlopig buitengewoon pensioen ingaan op
de dag, waarop de aanvrage is binnengekomen, tenzij de Sociale
verzekeringsbank termen aanwezig acht anders te beslissen.
Artikel 27
1. Elk buitengewoon pensioen eindigt met het einde van de maand,
waarin de rechthebbende is overleden. Ingeval van vermissing van de
rechthebbende eindigt diens pensioen met een door de Sociale
verzekeringsbank te bepalen dag.
2. Het buitengewoon pensioen van de in artikel 15 bedoelde kinderen
eindigt tevens met het einde van de maand, waarin de rechthebbende:
a. de leeftijd van 21 jaren heeft bereikt of in het huwelijk is
getreden;
b. is geadopteerd.
3. Een vervallen verklaard of ingetrokken buitengewoon pensioen
eindigt met het einde van de maand, waarin de beschikking inzake het
vervallen verklaren of de intrekking is gegeven.
Artikel 28
1. Het buitengewoon pensioen van de weduwe en dat van een gewezen
echtgenote eindigen voorts bij een volgend door haar gesloten huwelijk
en wel met het einde van het kwartaal, in de loop waarvan het huwelijk
heeft plaatsgehad. Indien de vrouw dan binnen dertien weken na het
sluiten van dat huwelijk een verzoek daartoe indient bij de Sociale
verzekeringsbank, ontvangt zij als afkoopsom van haar buitengewoon
pensioen een bedrag ineens van tweemaal het jaarbedrag van haar
buitengewoon pensioen, verminderd met de bedragen, welke worden
genoten krachtens in andere wettelijke regelingen voorkomende
bepalingen van overeenkomstige strekking. Wordt een dergelijk verzoek
niet gedaan, dan wordt aan de vrouw, indien haar huwelijk wordt
ontbonden, op haar aanvrage door de Sociale verzekeringsbank haar
vroeger buitengewoon pensioen weder toegekend. Zouden haar echter ter
zake van het latere huwelijk pensioen of andere inkomsten toekomen,
als bedoeld in artikel 12, derde lid, dan vindt deze wetsbepaling
overeenkomstige toepassing. Het buitengewoon pensioen gaat dan weer in
met de dag volgende op die van de ontbinding van het huwelijk, mits de
aanvrage is ingediend binnen één jaar na de datum van de ontbinding
van het vorige huwelijk. Wordt de aanvrage later ingediend dan gaat
het buitengewoon pensioen in op de dag waarop de aanvrage bij de
Sociale verzekeringsbank is binnengekomen.
2. Voor de berekening van de afkoopsom in het eerste lid bedoeld,
geldt als bedrag van het buitengewoon pensioen het bedrag, waarop het
pensioen zou zijn bepaald zonder de vermindering, bedoeld in artikel
18, tweede lid, of artikel 19, tweede lid, welk bedrag wordt
verminderd met de tijdelijke verhoging, bedoeld in artikel 18a.
3. Het bepaalde in de vorige leden is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de personen, bedoeld in artikel 14, vierde
lid, eerste volzin, onder a en b, alsmede ten aanzien van de moeder,
de grootmoeder en de schoonmoeder van een overleden deelnemer aan het
verzet.
4. Indien de weduwe in het genot was van een garantietoeslag als
bedoeld in artikel 31e, bedraagt de afkoopsom, bedoeld in het eerste
lid, indien dat voor haar gunstiger is, vierentwintig maal het bedrag
van de garantietoeslag, die zij genoot over de maand, voorafgaande aan
de maand waarin dat volgende huwelijk heeft plaatsgevonden.
Artikel 29
Het buitengewoon pensioen van de weduwe en dat van een gewezen
echtgenote worden niet uitbetaald over de tijd, gedurende welke de vrouw
in concubinaat leeft.
Artikel 29a
Het buitengewoon pensioen van personen, die zijn gepensioneerd
krachtens het bepaalde in artikel 17, e en g , wordt niet, dan wel
slechts ten dele, uitbetaald over de tijd, gedurende welke op grond van
de omstandigheden, waarin die personen verkeren, voor uitbetaling, dan
wel voor volledige uitbetaling geen noodzaak bestaat.
Artikel 30
Een tijdelijk buitengewoon pensioen, verleend op grond van artikel
16, eerste en derde lid, of een blijvend buitengewoon pensioen, verleend
op grond van artikel 16, vijfde lid, houdt op met de door de Sociale
verzekeringsbank te bepalen datum, wanneer de vermiste of hij, te wiens
aanzien bij rechterlijk vonnis verklaard is rechtsvermoeden van
overlijden te bestaan, in leven blijkt te zijn.
Artikel 30a
1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een deelnemer aan het
verzet, die op het tijdstip van zijn overlijden recht op buitengewoon
pensioen ontleende aan artikel 4, wordt een uitkering
(overlijdensuitkering) ten bedrage van tweemaal het bedrag van het
buitengewoon pensioen van de overledene over de maand, waarin hij is
overleden, uitbetaald:
a. aan de langstlevende der echtgenoten, indien de overledene
niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde;
b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de
minderjarige kinderen die in familierechtelijke betrekking tot de
overledene stonden of minderjarige kinderen, waarvoor de
overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg
droeg;
c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan
ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters van de
overledene, indien de overledene ten tijde van het overlijden
grotendeels in de kosten van het bestaan van deze betrekkingen
voorzag;
d. bij ontstentenis van de onder a, b en c bedoelde personen
aan degenen, ten aanzien van wie de overledene ten tijde van het
overlijden grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met
wie hij tot zijn overlijden duurzaam in gezinsverband heeft
geleefd.
2. In het eerste lid wordt verstaan onder:
a. buitengewoon pensioen: het pensioen, bedoeld in artikel 9,
verhoogd met de vermeerdering, bedoeld in de artikelen 10 en 11,
ongeacht het bepaalde in artikel 12;
b. het bedrag van het buitengewoon pensioen: het
pensioenbedrag, bedoeld in artikel 31b;
c. pleegouderlijke zorg: de zorg voor het onderhoud en de
opvoeding van een kind, als ware het een eigen kind, onafhankelijk
van enige verplichting daartoe of van het genieten van een
vergoeding daarvoor.
3. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de weduwe of de
gewezen echtgenote van een deelnemer aan het verzet wordt, indien die
weduwe of die gewezen echtgenote op het tijdstip van haar overlijden
recht op buitengewoon pensioen ontleende aan artikel 14, eerste
onderscheidenlijk tweede lid, een uitkering (overlijdensuitkering) ten
bedrage van tweemaal het bedrag van het buitengewoon pensioen van de
overledene over de maand, waarin zij is overleden, uitbetaald aan de
minderjarige kinderen die in familierechtelijke betrekking tot de
overledene stonden, welke met het overlijden van hun moeder ouderloos
zijn geworden, of minderjarige kinderen, waarvoor de overledene ten
tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg. Het bepaalde
in de vorige volzin is van overeenkomstige toepassing na het
overlijden van de weduwnaar of de gewezen echtgenoot van een
vrouwelijke deelnemer aan het verzet.
4. In het derde lid wordt verstaan onder:
a. buitengewoon pensioen: het pensioen, bedoeld in artikel 17,
a en b , onderscheidenlijk i en j, vastgesteld met inachtneming
van het bepaalde in de artikelen 18 en 19, ongeacht het bepaalde
in artikel 20;
b. het bedrag van het buitengewoon pensioen: het
pensioenbedrag, bedoeld in artikel 31b;
c. pleegouderlijke zorg: hetgeen daaronder wordt verstaan in
het eerste lid.
5. Indien er geen rechthebbenden als bedoeld in het eerste en derde
lid zijn, is de Sociale verzekeringsbank, na ter zake de Stichting
1940-1945 te hebben gehoord, bevoegd de in die leden bedoelde
uitkering geheel of gedeeltelijk uit te betalen aan de persoon of de
personen, die daarvoor naar zijn oordeel op billijkheidsoverwegingen
in aanmerking komt respectievelijk komen, mits deze daartoe binnen zes
maanden na het overlijden een verzoek bij genoemde Sociale
verzekeringsbank heeft onderscheidenlijk hebben ingediend.
6. Op een krachtens dit artikel verleende uitkering worden op grond
van hetzelfde overlijden krachtens andere wettelijke voorschriften
verstrekte uitkeringen van overeenkomstige aard in mindering gebracht,
indien die andere uitkeringen voortvloeien uit door de overledene
genoten inkomsten als bedoeld in artikel 12, derde lid.
7. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval
van vermissing van een buitengewoon pensioengerechtigde deelnemer aan
het verzet en van een buitengewoon pensioengerechtigde weduwe
(weduwnaar) of gewezen echtgenote (echtgenoot) van een deelnemer
(deelneemster) aan het verzet.
8. Indien meer pensioen is uitbetaald dan overeenstemt met artikel
27, wordt het teveel betaalde teruggevorderd, voor zover verrekening
daarvan kan plaatsvinden met een overlijdensuitkering krachtens dit
artikel.
9. Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan
tijdelijk pensioen, als bedoeld in artikel 16, en aan een krachtens
dit artikel verleende overlijdensuitkering is uitbetaald, worden
teruggevorderd.
Zevende hoofdstuk. Van de welvaartsvastheid der buitengewone
pensioenen
Artikel 31
Voor de toepassing van artikel 31a en van de tot uitvoering daarvan
genomen besluiten worden verstaan onder:
a. pensioenbedragen: de aan artikel 2, eerste lid, ontleende
pensioenen, vermeerderd met de toeslag krachtens de Toeslagwet
buitengewone pensioenen 1966, vóórdat het bepaalde in de artikelen
12, onderscheidenlijk 20 en 29a daarop is toegepast;
b. grondslagen, welke voor toepassing van artikel 12, tweede lid,
gelden voor de verrekening van inkomsten met het buitengewoon
pensioen: de krachtens het bepaalde in de Toeslagwet buitengewone
pensioenen 1966 verhoogde grondslagen;
c. maxima, bedoeld in de artikelen 17, e, f en g, 18, eerste lid
en 19, eerste lid: de krachtens het bepaalde in de Toeslagwet
buitengewone pensioenen 1966 fictief verhoogde maxima.
Artikel 31a
1. Het buitengewoon pensioen of de garantietoeslag wordt door de
Sociale verzekeringsbank aangepast overeenkomstig de normen en
voorwaarden waarmee het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid,
onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag ingevolge
artikel 14 van die wet wordt herzien.
2. De pensioenbedragen, bedoeld in artikel 31b, eerste lid, onder
a, worden door Onze Minister, naar gelang de grondslagen waarvan zij
zijn afgeleid, aangepast overeenkomstig de normen en voorwaarden
waarmee het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, van de
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag ingevolge artikel 14 van die
wet wordt herzien.
3. Bij de aanpassing, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan
van het laatst vastgestelde dan wel overeenkomstig het eerste lid
aangepaste buitengewoon pensioen of van de laatst vastgestelde dan wel
overeenkomstig het eerste lid aangepaste garantietoeslag.
4. De aanpassing, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats zonder
dat dit bij beschikking is vastgesteld.
5. Het aangepaste buitengewoon pensioen of de aangepaste
garantietoeslag, bedoeld in het vierde lid, wordt betaald bij de
eerstvolgende betaling nadat de aanpassing heeft plaatsgevonden.
Artikel 31b
1. Indien artikel 31a toepassing heeft gevonden worden bedoeld met:
a. pensioenbedragen: de krachtens dat artikel verhoogde of
verlaagde bedragen;
b. grondslagen, welke voor de toepassing van artikel 12, tweede
lid, gelden voor de verrekening van inkomsten met het buitengewoon
pensioen: de in artikel 31, onder b, bedoelde grondslagen, welke,
overeenkomstig het in artikel 31a voor de pensioenbedragen
bepaalde, fictief zijn herzien;
c. maxima, bedoeld in de artikelen 17, e , f en g , 18, eerste
lid en 19, eerste lid: de in artikel 31, onder c, bedoelde maxima,
welke overeenkomstig het in artikel 31a voor de pensioenbedragen
bepaalde, fictief zijn herzien.
2. De pensioenbedragen alsmede de bedragen van de grondslagen en de
maxima, bedoeld in het eerste lid, worden naar boven afgerond tot hele
euro’s.
Artikel 31c [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 31d [Vervallen per 01-01-2009]
Hoofdstuk 7A. De garantietoeslag
Artikel 31e
1. Indien het maandinkomen van
a. een deelnemer aan het verzet die recht heeft op een
buitengewoon pensioen,
b. de weduwe, genoemd in artikel 14, eerste lid, die recht
heeft op een buitengewoon pensioen, dan wel
c. een weduwnaar, genoemd in artikel 14, vierde lid, onder a,
die recht heeft op een buitengewoon pensioen, lager is dan het op
grond van artikel 31f van toepassing zijnde normbedrag, wordt aan
die buitengewoon gepensioneerde een garantietoeslag verleend,
gelijk aan het verschil tussen zijn of haar maandinkomen en het
van toepassing zijnde normbedrag.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot het inkomen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 31f
Het van toepassing zijnde normbedrag bedraagt:
a. voor de gepensioneerde die de pensioengerechtigde leeftijd,
bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog
niet heeft bereikt: zeventig procent van de
minimum-pensioengrondslag op maandbasis;
b. voor de gepensioneerde die de pensioengerechtigde leeftijd,
bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet,
heeft bereikt: vijftig procent van de minimum-pensioengrondslag op
maandbasis, vermeerderd met twintig procent van het bedrag van het
bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet alsmede
van het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld
overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van die
wet.
Artikel 31g
De garantietoeslag gaat in op de eerste dag van de maand, waarin het
recht op de garantietoeslag is ontstaan.
Hoofdstuk 7B. De toeslag inkomensafhankelijke premie
Artikel 31h
1. Indien de pensioengerechtigde over zijn buitengewoon pensioen of
garantietoeslag de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel
43 van de Zorgverzekeringswet, verschuldigd is, heeft hij recht op een
toeslag. Deze toeslag bedraagt het percentage van het buitengewoon
pensioen of de garantietoeslag dat overeenkomt met het
bijdragepercentage, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de
Zorgverzekeringswet, vermenigvuldigd met anderhalf, voorzover het
pensioen of de garantietoeslag is te rekenen tot het deel van het
bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 43, tweede lid, onderdeel a, van
de Zorgverzekeringswet.
2. Indien de pensioengerechtigde over zijn buitengewoon pensioen of
garantietoeslag de bijdrage, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de
Zorgverzekeringswet, verschuldigd is, heeft hij recht op een toeslag.
Voor de berekening van deze toeslag is het eerste lid, tweede volzin,
van overeenkomstige toepassing.
3. Het in aanmerking te nemen bijdrage-inkomen bedraagt op
jaarbasis ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 43, derde lid,
van de Zorgverzekeringswet.
4. Op de toeslagen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is het
achtste hoofdstuk van toepassing, met uitzondering van de artikelen
31i en35a.
Achtste hoofdstuk. Bijzondere bepalingen aan alle buitengewone
pensioenen en garantietoeslagen gemeen
Artikel 31i
Het buitengewoon pensioen, bedoeld in de artikelen 9, 17 en 18a, de
garantietoeslag genoemd in artikel 31e, alsmede de vermeerdering,
genoemd in de artikelen 10 en 11, worden naar boven afgerond tot hele
euro’s.
Artikel 32
1. De buitengewone pensioenen en de garantietoeslagen worden
maandelijks voldaan.
2. De eerste termijn wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
binnen dertien weken na de toekenning, vastgesteld en betaald.
3. Indien de door belanghebbende verstrekte gegevens en bescheiden
onvoldoende zijn voor het vaststellen van het bedrag van de eerste
termijn, verzoekt de Sociale verzekeringsbank de belanghebbende deze
gegevens en bescheiden alsnog te verstrekken. De periode van dertien
weken, bedoeld in het tweede lid, wordt in zodanig geval opgeschort
met ingang van de dag waarop de Sociale verzekeringsbank vorenbedoeld
verzoek heeft gedaan tot de dag waarop de gegevens en bescheiden zijn
verstrekt.
4. De termijnen van een buitengewoon pensioen en van een
garantietoeslag, welke niet zijn ingevorderd binnen een jaar na de
eerste maand, waarin de uitkering daarvan had mogen plaats hebben,
worden niet meer uitbetaald, tenzij de belanghebbende ten genoege van
de Sociale verzekeringsbank kan aantonen, dat het overschrijden van
die termijn het gevolg is geweest van omstandigheden, van zijn wil
onafhankelijk.
5. De uitbetaling van een buitengewoon pensioen en van een
garantietoeslag geschiedt op de wijze bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen.
Artikel 33
1. De gepensioneerde, die is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van
drie maanden, tot plaatsing in een Rijkswerkinrichting, tot plaatsing
in een tuchtschool voor drie maanden, of tot enige zwaardere straf, of
op bevel van de rechter ter beschikking van de Regering is gesteld,
mist over de tijd gedurende welke hij zijn straf ondergaat of van
Regeringswege in zijn opvoeding wordt voorzien, of gedurende welke hij
zich door de vlucht aan de tenuitvoerlegging van het vonnis onttrekt,
het genot van buitengewoon pensioen en garantietoeslag.
2. De Sociale verzekeringsbank is bevoegd het pensioenbedrag en het
bedrag van de garantietoeslag over die tijd geheel of ten dele aan of
ten behoeve van de echtgenoot, afstammelingen in de rechte linie, die
de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt en niet
gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, of bloedverwanten in de opgaande
linie van de gepensioneerde te doen uitbetalen.
3. De Sociale verzekeringsbank is tevens bevoegd om, voor zover van
de bevoegdheid in het vorige lid bedoeld, geen gebruik is gemaakt, de
gepensioneerde, die al of niet voorwaardelijk uit de gevangenis, uit
de Rijkswerkinrichting of uit de tuchtschool is ontslagen, of wiens
opvoeding van Regeringswege is beëindigd, in het genot te stellen van
een uitkering, ten bedrage van ten hoogste de helft van het niet
uitgekeerde bedrag, tot een maximum van de helft van het jaarlijkse
bedrag van het buitengewoon pensioen en de garantietoeslag.
Artikel 34
1. Het buitengewoon pensioen wordt door de Sociale verzekeringsbank
vervallen verklaard:
1. wanneer gedurende vijf achtereenvolgende jaren na de eerste
dag, waarop een termijn daarvan kan worden geïnd, iedere
invordering is achterwege gebleven;
2. wanneer de gepensioneerde:
a. van Nederlandse nationaliteit zijnde, zonder Onze
toestemming zich in vreemde krijgsdienst of vreemde
burgerlijke overheidsdienst begeeft;
b. niet van Nederlandse nationaliteit zijnde, zich in
vreemde krijgsdienst of vreemde burgerlijke overheidsdienst
bevindt of begeeft bij een mogendheid, die met Nederland in
oorlog is, ook al is die mogendheid zijn eigen vaderland.
2. In bijzondere gevallen kan een op grond van dit artikel
vervallen buitengewoon pensioen door de Sociale verzekeringsbank
opnieuw worden toegekend. Een dergelijk besluit wordt niet genomen dan
nadat daarin bij koninklijk besluit is toegestemd. Toestemming kan
worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Artikel 35
Indien een buitengewoon pensioengerechtigde in een inrichting ter
verpleging van geesteszieken of zwakzinnigen is opgenomen, of, niet
opgenomen zijnde in zodanige inrichting, op grond van geestelijke
gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen voor de uitbetaling
van zijn buitengewoon pensioen en zijn garantietoeslag, is de Sociale
verzekeringsbank bevoegd het buitengewoon pensioen en de garantietoeslag
uit te betalen aan een door hem aan te wijzen persoon of instelling. In
andere bijzondere gevallen is de Sociale verzekeringsbank eveneens
bevoegd het buitengewoon pensioen en de garantietoeslag in plaats van
aan de pensioengerechtigde zonder diens machtiging uit te betalen aan
een door hem in overleg met de Stichting 1940-1945 aan te wijzen persoon
of instelling.
Artikel 35a
De Sociale verzekeringsbank is bevoegd geheel of gedeeltelijk van
invordering af te zien van uit de toepassing van deze wet voortvloeiende
aan het Rijk toekomende vorderingen, dan wel deze vorderingen geheel of
gedeeltelijk kwijt te schelden. Een dergelijk besluit wordt niet genomen
dan nadat Onze Minister daarin heeft toegestemd. Toestemming kan worden
onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Artikel 36 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 36a
1. De pensioenbedragen, bedoeld in artikel 31b, de
overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 30a, de garantietoeslag,
bedoeld in artikel 31e, en de vergoedingen zijn niet vatbaar voor
vervreemding of verpanding.
2. De overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 30a, en de
vergoedingen zijn niet vatbaar voor beslag.
3. Volmacht tot ontvangst van het buitengewoon pensioen, van de
overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 30a, de garantietoeslag,
bedoeld in artikel 31e, of van de vergoedingen is steeds herroepelijk.
4. Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is
nietig.
Negende hoofdstuk. Van het indienen van een bezwaarschrift en van
beroep
Artikel 37
In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
bedraagt de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift dertien
weken, indien de belanghebbende in het buitenland gevestigd is.
Artikel 37a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 37b
1. Van de beslissing op het bezwaarschrift wordt mededeling gedaan
aan de Stichting 1940-1945.
2. Artikel 25b is van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van artikel 7:10, eerste, derde en vierde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht beslist de Raad of de Sociale
verzekeringsbank binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die
waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is
verstreken. Ingeval van bijzondere omstandigheden kan deze termijn
eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd. Van de verlenging
doet de Raad of de Sociale verzekeringsbank schriftelijk mededeling
aan de belanghebbende en aan de Stichting 1940-1945.
4. Indien de belanghebbende in het buitenland gevestigd is, worden
de termijnen, bedoeld in het derde lid, ieder met acht weken verlengd.
Artikel 37c [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 38
In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift dertien
weken, indien de belanghebbende in het buitenland is gevestigd.
Artikel 38a [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 40 [Vervallen per 01-07-1957]
Tiende hoofdstuk. Van herziening van gegeven beschikkingen
Artikel 41
1. Indien de verwonding, verminking, ziekten of gebreken, als
bedoeld in artikel 4, de deelnemer aan het verzet in een toestand
brengen die, had deze op het tijdstip van de toekenning van het
buitengewoon pensioen bestaan hem recht zou gegeven hebben op een
hoger buitengewoon pensioen dan verleend werd, wordt hij op een door
of namens hem ingediende aanvrage alsnog in het genot gesteld van dat
hoger buitengewoon pensioen.
2. Wanneer de aanvrage tot het verkrijgen van een hoger
buitengewoon pensioen als bedoeld in het eerste lid niet binnen twee
jaren ná de dag, waarop het ingevolge het bepaalde in het eerste lid
zou kunnen ingaan, is ontvangen, gaat het hoger buitengewoon pensioen
in op de eerste dag der maand, volgende op die, waarin de aanvrage is
binnengekomen.
Artikel 41a
1. De pensioengrondslag van de deelnemer aan het verzet, die
gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren andere
of meer omvattende werkzaamheden heeft verricht dan die, in verband
waarmede deze grondslag is vastgesteld, of voor het geval, dat het
bepaalde in artikel 8, vierde lid, toepassing heeft gevonden, door het
verrichten van werkzaamheden gedurende een zelfde periode inkomsten
heeft genoten, wordt, indien betrokkene deze werkzaamheden op grond
van de verwonding, verminking, ziekten of gebreken, bedoeld in artikel
4, of van de verergering daarvan heeft moeten beëindigen, op diens
verzoek of op verzoek van zijn nagelaten betrekkingen opnieuw
vastgesteld. Deze hernieuwde vaststelling geschiedt op de wijze,
bepaald in artikel 8, met dien verstande, dat voor het deel van de
grondslag dat verband hield met inkomsten uit werkzaamheden van de
deelnemer aan het verzet, bij de hernieuwde vaststelling van dat deel
van de grondslag rekening wordt gehouden met de omstandigheden in het
jaar, waarin de in de vorige volzin bedoelde werkzaamheden moesten
worden beëindigd of - zo dit voor belanghebbende gunstig zou zijn -
het jaar, voorafgaande aan dat, waarin de inkomsten uit die
werkzaamheden tengevolge van een verwonding, verminking, ziekten of
gebreken, bedoeld in artikel 4, of van de verergering daarvan
vermindering hebben ondergaan.
2. Indien de pensioengrondslag opnieuw wordt vastgesteld, wordt
tevens het invaliditeitspercentage, als bedoeld in artikel 9, opnieuw
bepaald.
3. De nieuwe vaststelling van de pensioengrondslag en van het
invaliditeitspercentage, blijft achterwege, indien blijkt, dat deze
niet zou leiden tot een hoger buitengewoon pensioen.
4. Het op de herziene grondslag gebaseerde pensioen gaat in op de
eerste dag van de maand, volgende op die, waarin de in het eerste lid
bedoelde werkzaamheden zijn beëindigd. Het bepaalde in artikel 26,
tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Jaar voor jaar wordt
geen lager bedrag betaalbaar gesteld dan indien het eerste lid geen
toepassing had gevonden.
Artikel 42
1. Een beschikking van de Raad of de Sociale verzekeringsbank kan
door hem in het nadeel van de bij die beschikking betrokkene worden
herzien op grond van gebleken onjuistheid van aan die beschikking ten
grondslag gelegde feiten, dan wel op grond van gegevens die niet
bekend waren ten tijde van het geven van die beschikking, en die, zo
zij wel bekend waren geweest, tot een andersluidende beschikking
zouden hebben geleid. Indien deze herziening zou leiden tot intrekking
van het recht op buitengewoon pensioen, wordt de
herzieningsbeschikking eerst gegeven nadat de betrokkene door de Raad
of de Sociale verzekeringsbank is gehoord.
2. Indien een ingevolge deze wet genomen beschikking in het nadeel
van de belanghebbende wordt herzien, wordt hetgeen reeds was
uitbetaald ingevolge die beschikking niet teruggevorderd of verrekend,
tenzij in de herzieningsbeschikking is uitgesproken, dat de gebleken
onjuistheid van de aan de oorspronkelijke beschikking ten grondslag
gelegde feiten was te wijten aan diens opzet dan wel grove
nalatigheid.
3. Een beschikking, voortvloeiende uit de toepassing van dit
artikel, wordt aan de Stichting 1940-1945 medegedeeld.
Artikel 42a
De Raad of de Sociale verzekeringsbank is bevoegd, op daartoe door of
vanwege de belanghebbende gedane aanvrage, een door de Raad of de
Sociale verzekeringsbank of de Centrale Raad van Beroep gegeven
beschikking dan wel uitspraak in het voordeel van de bij die beschikking
dan wel uitspraak betrokkene te herzien.
Artikel 42b
Op een beschikking, voortvloeiende uit de toepassing van de artikelen
41, 41a en 42a is het vijfde hoofdstuk van overeenkomstige toepassing,
met uitzondering van artikel 25, derde lid, en artikel 25a.
Artikel 42c
1. Het buitengewoon pensioen of de garantietoeslag wordt, met
uitzondering van de op grond van artikel 8 vastgestelde
pensioengrondslag en het invaliditeitspercentage, bedoeld in artikel
9, opnieuw vastgesteld:
a. wanneer de pensioengerechtigde of zijn echtgenoot de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet, bereikt;
b. wanneer de pensioengerechtigde in het huwelijk treedt of
zijn huwelijk wordt beëindigd door echtscheiding of overlijden
van zijn echtgenoot;
c. wanneer de pensioengerechtigde duurzaam gescheiden van zijn
echtgenoot gaat leven;
d. wanneer een kind of pleegkind van de pensioengerechtigde
meerderjarig wordt;
e. wanneer de pensioengerechtigde aanspraak maakt op de
betaling uit een nieuwe bron van inkomsten, of
f. wanneer de pensioengerechtigde geen aanspraak meer kan maken
op de betaling uit een bron van inkomsten, tenzij hij het
vervallen van die aanspraak heeft bewerkstelligd.
2. Het eerste lid, onder e en f, is van overeenkomstige toepassing
op de inkomsten van de echtgenoot van de pensioengerechtigde, voor
zover die inkomsten de hoogte van het buitengewoon pensioen of de
garantietoeslag mede bepalen.
3. De beschikking, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt
genomen binnen 13 weken nadat de noodzakelijke gegevens ter kennis van
de Sociale verzekeringsbank zijn gebracht.
4. Hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in het eerste
of tweede lid te veel dan wel te weinig is uitbetaald, wordt door de
Sociale verzekeringsbank teruggevorderd of verrekend dan wel
nabetaald. De terugvordering kan in door de Sociale verzekeringsbank
te bepalen termijnen plaatsvinden.
Artikel 42d
1. Op aanvraag van de gerechtigde wordt het buitengewoon pensioen
of de garantietoeslag, met uitzondering van de op grond van artikel
8vastgestelde pensioengrondslag en het invaliditeitspercentage,
bedoeld in artikel 9, opnieuw vastgesteld indien het vast te stellen
pensioen ten minste 1% van de op de datum van deze aanvraag geldende
pensioengrondslag of de vast te stellen garantietoeslag ten minste 1%
van de op de datum van deze aanvraag geldende
minimum-pensioengrondslag op maandbasis hoger is dan het laatst
vastgestelde of aangepaste pensioen of de laatst vastgestelde of
aangepaste garantietoeslag, mits dit niet uitsluitend het gevolg is
van de koersomrekening van inkomsten die door de gerechtigde of zijn
echtgenoot worden ontvangen.
2. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid gaat het opnieuw
vastgestelde buitengewoon pensioen of de opnieuw vastgestelde
garantietoeslag in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is
ingediend.
3. Op een beschikking, voortvloeiende uit de toepassing van het
eerste lid, isartikel 25, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
Elfde hoofdstuk. Slotbepalingen
Artikel 43
De belanghebbende is verplicht desgevraagd die inlichtingen te
verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet of
krachtens deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur.
Artikel 44
[Vervallen]
Artikel 45 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 45a
1. De schoonouders, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop
artikel 396, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (nieuw)
in werking treedt, recht hebben op buitengewoon pensioen krachtens
artikel 15, eerste lid, onder e, juncto artikel 17, g, behouden dit
recht, indien en voor zolang zij dit zouden hebben, wanneer artikel
464 van het Burgerlijk Wetboek (oud) nog van kracht zou zijn.
2. De schoonmoeder, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop
artikel 396, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (nieuw)
in werking treedt, uitzicht heeft op wedertoekenning van buitengewoon
pensioen krachtens artikel 28, derde lid, behoudt dit uitzicht, indien
en voor zolang zij dit zou hebben, wanneer artikel 464 van het
Burgerlijk Wetboek (oud) nog van kracht zou zijn.
Artikel 46
De ter uitvoering van deze wet nodige bepalingen worden bij algemene
maatregel van bestuur vastgesteld.
Artikel 47
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Wet buitengewoon
pensioen 1940-1945".
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, de 22ste Augustus 1947
WILHELMINA
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Beel
De Minister van Financiën,
P. Lieftinck
De Minister van Sociale Zaken,
W. Drees
Uitgegeven de negende September 1947
De Minister van Justitie,
J.H. van Maarseveen
|