Nadere regelgeving:
- Besluit ex artikel 2, tweede lid, Wet buitengewoon pensioen
Indisch verzet
- Besluit ex artikel 15 Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet
- Besluit
vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor
oorlogsgetroffenen
- Inkomensbesluit
wetten buitengewoon pensioen
- Kortingsbesluit WIV
- Regeling vergoeding behandeling en verpleging
- Rentevergoedingsbesluit
wetten voor oorlogsgetroffenen
WET van 16 mei 1986, houdende
regelen inzake de toekenning van een buitengewoon pensioen aan
de deelnemers aan het verzet in het voormalige Nederlands-Indië
en aan hun nagelaten betrekkingen
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
regelen te stellen betreffende het toekennen van
buitengewoon pensioen aan hen, die tijdens de vijandelijke
bezetting van het voormalige Nederlands-Indië hebben
deelgenomen aan het verzet, alsmede aan hun nagelaten
betrekkingen;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Eerste hoofdstuk. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. de Raad: de Pensioen- en
Uitkeringsraad, bedoeld in artikel 3 van de Wet uitvoering
wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen;
c. de Sociale verzekeringsbank:
de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
d. de pensioengrondslag: de
pensioengrondslag, bedoeld in artikel 10;
e. nagelaten betrekkingen: de
personen, bedoeld in de artikelen 19, 20 en 34;
f. "minimum-pensioengrondslag":
de pensioengrondslag, bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder
a.
Artikel 1a
Voor de toepassing van deze wet wordt
gelijkgesteld met:
a. huwelijk: het geregistreerd
partnerschap;
b. gehuwd: als partner
geregistreerd;
c. echtgenoot of echtgenote: de
geregistreerde partner;
d. weduwe of weduwnaar: de
achtergebleven partij bij een geregistreerd partnerschap;
Artikel 1b
Waar in deze wet in een artikel of
artikellid sprake is van «de Raad of de Sociale verzekeringsbank»
is de taakverdeling in overeenstemming met de artikelen 4 en 6 van
de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en
oorlogsgetroffenen.
Artikel 2
1. Voor de toepassing van het bij
of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
a. verzet: activiteiten welke
na de capitulatie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch
Leger, anders dan in militair verband, werden verricht met het
oogmerk door daad of houding afbreuk te doen aan de militaire
of ideologische doeleinden van de bezetter zonder dat daarbij
persoonlijk gewin of andere persoonlijke motieven een rol
speelden en welke een zekere mate van duurzaamheid of
intensiteit inhielden en waaraan voor betrokkene een duidelijk
risico verbonden was;
b. deelnemers aan het verzet:
zij die verzet hebben gepleegd tegen de vijandelijke
bezettende macht van het Rijk in Azië.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen categorieën van personen worden aangewezen op wie
deze wet van overeenkomstige toepassing zal zijn.
Artikel 3
1. Deze wet is van toepassing op de
deelnemers aan het verzet en hun nagelaten betrekkingen, die de
Nederlandse nationaliteit bezitten.
2. De Raad kan deze wet van
toepassing verklaren op de verzetsdeelnemer of zijn nagelaten
betrekkingen indien ten aanzien van hen sprake is van zodanige bij
hen gelegen omstandigheden dat als gevolg daarvan het een
klaarblijkelijke hardheid zou zijn hen van de toepassing van deze
wet uit te sluiten. Een dergelijk besluit wordt niet genomen dan
nadat Onze Minister daarin heeft toegestemd. Toestemming kan
worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen
belang.
3. Voor toekenning van buitengewoon
pensioen dan wel erkenning als deelnemer aan het verzet komen niet
in aanmerking zij, die zich tijdens de vijandelijke bezetting van
het Rijk in Azië uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd,
onwaardig hebben gedragen. Evenmin komen in aanmerking de
nagelaten betrekkingen van de deelnemers aan het verzet, op wie
vorenbedoelde omschrijving van toepassing is.
Artikel 4 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 5
1. De voordracht voor een krachtens
deze wet vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt
en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na
de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen
ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de
bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der
Staten-Generaal overgelegd.
2. Ten aanzien van de in artikel
43, derde lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur is het
eerste lid niet van toepassing.
Tweede hoofdstuk. Het buitengewoon
pensioen van de deelnemers aan het verzet
§ 1. Het recht op buitengewoon
pensioen
Artikel 6
1. De deelnemer aan het verzet
heeft recht op buitengewoon pensioen ingeval van verwonding,
verminking, ziekten of gebreken welke door of in verband met het
verzet zijn ontstaan of verergerd dan wel het gevolg zijn van de
behandeling ondervonden tijdens gevangenschap ter zake van het
verzet, mits de toestand van de belanghebbende ten gevolge van de
verwonding, verminking, ziekten of gebreken een invaliditeit
blijkt te veroorzaken van tenminste 10%.
2. Indien de in het eerste lid
bedoelde verwonding, verminking, ziekten of gebreken een
invaliditeit veroorzaken van tenminste 40%, doch het totaal der
invaliditeit een hoger percentage bedraagt, geldt voor de
vaststelling van de mate van invaliditeit waarnaar het
buitengewoon pensioen wordt berekend, dit hogere percentage
voorzover de meerdere invaliditeit niet duidelijk uit andere
oorzaken dan het verzet is ontstaan.
3. Het verband of gevolg, bedoeld
in het eerste lid, wordt geacht aanwezig te zijn, indien de
deelnemer aan het verzet:
a. tijdens de bezetting of in
aansluiting daarop in verband met het verzet drie maanden of
langer in gevangenschap heeft doorgebracht dan wel naar het
oordeel van de Raad, de Stichting Pelita gehoord, in verband
met de aard van zijn verzetsactiviteiten aan buitengewoon
zware en langdurige spanningen heeft blootgestaan en
b. voor tenminste 60% invalide
is en deze invaliditeit niet duidelijk uit andere oorzaken dan
het verzet is ontstaan.
4. Bij de toepassing van dit
artikel wordt rekening gehouden met de inzichten en ervaringen van
de medische wetenschap met betrekking tot de relatie tussen het
verzet en de geestelijke en lichamelijke gezondheidstoestand.
§ 2. De voet waarop het buitengewoon
pensioen wordt verleend
Artikel 7
Het buitengewoon pensioen kan als
blijvend of voorlopig pensioen worden toegekend.
Artikel 8
Het blijvend buitengewoon pensioen
wordt toegekend, indien, hetzij bij eerste toekenning, hetzij bij
vernieuwing van pensioen, verandering van het
invaliditeitspercentage voor de toekomst niet aannemelijk wordt
geacht.
Artikel 9
1. Het voorlopig buitengewoon
pensioen wordt toegekend, indien verandering van het
invaliditeitspercentage voor de toekomst aannemelijk wordt geacht.
2. Het voorlopig buitengewoon
pensioen wordt voor tenminste één jaar en voor ten hoogste vijf
jaren toegekend; een zodanig pensioen wordt opnieuw toegekend, zo
dikwijls daartoe aanleiding bestaat. De termijn van tenminste
één jaar is niet van toepassing bij de tweede of verdere
toekenning van voorlopig buitengewoon pensioen.
§ 3. De pensioengrondslag
Artikel 10
1. Ingeval krachtens deze wet
aanspraak op buitengewoon pensioen bestaat, stelt de Raad de
pensioengrondslag vast, waarnaar het buitengewoon pensioen wordt
berekend.
2.
a. Indien de deelnemer aan het
verzet voor het bereiken van de leeftijd, waarop
gelijksoortige valide personen in de regel hun werkzaamheden
beëindigen, ten gevolge van de verwonding, verminking,
ziekten of gebreken, bedoeld in artikel 6, gedwongen werd of
wordt zijn werkzaamheden in beroep of bedrijf te beëindigen
of blijvend te verminderen, wordt de pensioengrondslag
vastgesteld naar het inkomen uit arbeid, dat de deelnemer aan
het verzet ten tijde van de aanvraag, bedoeld in artikel 26,
in Nederland, ware hij niet invalide geweest, zou hebben
genoten uit het door hem uitgeoefende beroep of bedrijf,
waarin hij voor het eerst ten gevolge van zijn invaliditeit
zijn werkzaamheden moest beëindigen of blijvend verminderen;
b. indien de deelnemer aan het
verzet, bedoeld onder a, na het tot uiting komen van de
invaliditeit ten gevolge waarvan hij zijn werkzaamheden in
beroep of bedrijf heeft moeten beëindigen of blijvend
verminderen, arbeid heeft aanvaard in een ander beroep of
bedrijf, wordt, indien dat voor hem gunstiger is, de
pensioengrondslag vastgesteld naar het inkomen dat de
deelnemer aan het verzet ten tijde van de aanvraag, bedoeld in
artikel 26, in Nederland uit arbeid in laatstbedoeld beroep of
bedrijf zou hebben genoten, indien hij deze werkzaamheden door
of in verband met zijn invaliditeit niet had moeten
beëindigen of blijvend verminderen;
c. onder arbeid in een ander
beroep of bedrijf, bedoeld onder b, wordt verstaan: arbeid,
welke gedurende een aaneengesloten periode van tenminste drie
jaar in de voor dat beroep of bedrijf gebruikelijke
arbeidstijd is verricht;
d. de Raad kan, bij
beschikking, van het bepaalde onder c afwijken, indien naar
zijn oordeel de onverkorte toepassing daarvan, gelet op alle
omstandigheden, in een individueel geval onredelijk zou zijn.
3. Indien het in het tweede lid
bedoelde beroep of bedrijf buiten Nederland werd uitgeoefend,
wordt bij de vaststelling van de pensioengrondslag, waarnaar het
buitengewoon pensioen wordt berekend, rekening gehouden met het
meest vergelijkbare beroep of bedrijf in Nederland, alsmede met de
(vak)opleiding, bekwaamheid en andere factoren, welke ter zake van
belang kunnen zijn.
4. Bij de vaststelling van de
pensioengrondslag, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt geen
rekening gehouden met de mogelijkheid van inkomensvermeerdering
ten gevolge van bevordering, verhoging van de vakbekwaamheid,
uitbreiding van het bedrijf of andere dergelijke factoren.
5. Bij door Onze Minister te
stellen regelen wordt bepaald wat onder inkomen uit arbeid in
beroep of bedrijf, bedoeld in het tweede lid, moet worden
verstaan.
6. Indien de deelnemer aan het
verzet vóór het tot uiting komen van zijn invaliditeit ten
gevolge van de verwonding, verminking, ziekten of gebreken,
bedoeld in artikel 6, door of in verband met het volgen van
onderwijs nog geen arbeid in beroep of bedrijf uitoefende, en hij
ten gevolge van die invaliditeit nimmer in staat is geweest door
arbeid in beroep of bedrijf een inkomen te verwerven dat in
overeenstemming was met het niveau van het gevolgde onderwijs,
wordt de pensioengrondslag vastgesteld met inachtneming van door
Onze Minister te stellen regelen.
7. Indien de deelnemer aan het
verzet ten tijde van het tot uiting komen van de invaliditeit, als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, niet was aangewezen op inkomen
uit arbeid in beroep of bedrijf dan wel de leeftijd heeft of had
bereikt waarop gelijksoortige valide personen in de regel hun
werkzaamheden beëindigen dan wel indien die invaliditeit niet
heeft geleid tot beëindiging of vermindering van zijn
werkzaamheden in beroep of bedrijf, wordt de pensioengrondslag
vastgesteld op het bedrag genoemd in het achtste lid, onder a.
8. De pensioengrondslag bedraagt
per 1 januari 1983 op jaarbasis:
a. tenminste € 22.416,78
[Red: per 1 januari 2012: €23.901,79], en ten hoogste
b.
|
100 % van de eerste |
€ 46.762,50 |
|
36,84% van de volgende |
€ 28.878,11 |
|
30 % van de volgende |
€ 15.197,39 |
|
20 % van de volgende |
€ 15.426,00 |
|
10 % van de volgende |
€ 15.239,15 en |
|
5 % van de volgende |
€ 30.382,47 |
|
van het overeenkomstig de
voorgaande leden vastgestelde jaarinkomen. |
|
[Red: per 1 januari 2012
achtereenvolgens: €49.860,32; € 30.791,17; € 16.204,15;
€ 16.447,92; € 16.248,69; € 32.395,19.]
§ 4. De berekening van het
buitengewoon pensioen
Artikel 11
1. Het buitengewoon pensioen
bedraagt zoveel procent van de pensioengrondslag als het voor de
belanghebbende vastgestelde invaliditeitspercentage beloopt.
2. Invaliditeitspercentages hoger
dan tien worden naar boven afgerond in veelvouden van tien.
3. Bij een percentage van minder
dan tien wordt invaliditeit geacht niet te bestaan.
Artikel 12
1. Het buitengewoon pensioen wordt
éénmaal met 20% van de pensioengrondslag vermeerderd, wanneer
een blijvend buitengewoon pensioen is verleend, dat is berekend
naar een invaliditeit van 80 of 90%.
2. Het buitengewoon pensioen wordt
éénmaal met 40% van de pensioengrondslag vermeerderd, wanneer
een blijvend buitengewoon pensioen is verleend, dat is berekend
naar een invaliditeit van 100%.
Artikel 13
Tenzij de belanghebbende reeds op
grond van het bepaalde in artikel 12 recht heeft op een
vermeerdering, wordt het buitengewoon pensioen éénmaal met 20% van
de pensioengrondslag vermeerderd, wanneer ten gevolge van de
verwonding, verminking, ziekten of gebreken die ontstaan zijn als
gevolg van het verzet:
a. een der ledematen is verloren
gegaan of voorgoed geheel onbruikbaar is geworden dan wel een
toestand is ontstaan die met een zodanig verlies of een zodanige
onbruikbaarheid is gelijk te stellen;
b. twee of meer der ledematen
dermate in beweeglijkheid of bruikbaarheid zijn verminderd dat
de toestand van de belanghebbende met die onder a beschreven is
gelijk te stellen;
c. het gezichtsvermogen door
organische oorzaken zodanig is beperkt dat het vermogen om zich
zelfstandig te bewegen er ernstig door wordt getroffen;
òf
d. belangrijke misvorming van het
gelaat is ontstaan, welke door hulpmiddelen niet voldoende te
verbergen is, zodat de belanghebbende de omgang met zijn
medemensen ernstig wordt bemoeilijkt.
Artikel 14
Tenzij de belanghebbende reeds op
grond van het bepaalde in artikel 12 recht heeft op een
vermeerdering, wordt het buitengewoon pensioen éénmaal met 40% van
de pensioengrondslag vermeerderd, wanneer ten gevolge van de
verwonding, verminking, ziekten of gebreken, die ontstaan zijn als
gevolg van het verzet:
a. twee of meer ledematen zijn
verloren gegaan of voorgoed geheel onbruikbaar zijn geworden dan
wel een toestand is ontstaan die met een zodanig verlies of een
zodanige onbruikbaarheid is gelijk te stellen;
b. het gezichtsvermogen voorgoed
geheel verloren is gegaan of een toestand is ontstaan welke met
blindheid is gelijk te stellen;
òf
c. onherstelbare krankzinnigheid
is ontstaan of een toestand welke daarmee is gelijk te stellen.
Artikel 15
1. Wanneer op grond van verwonding,
verminking, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel 6, een
buitengewoon pensioen wordt toegekend en uit hoofde van die
verwonding, verminking, ziekten of gebreken behandeling of
verpleging is vereist, wordt aan de gepensioneerde ter zake
daarvan vergoeding verleend volgens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regelen.
2. In afwijking van het eerste lid
kan aan categorieën gepensioneerden vergoeding ter zake van
bepaalde de behandeling of verpleging omvattende voorzieningen
worden verleend zonder dat deze voorzieningen uit hoofde van
verwonding, verminking, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel
6, eerste lid, zijn vereist. Bij algemene maatregel van bestuur
worden ter zake regels gesteld.
3. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld betreffende de mogelijkheid om de
vergoeding ter zake van bepaalde de behandeling of verpleging
omvattende voorzieningen na het overlijden van de gepensioneerde
gedurende een bepaalde tijd ten gunste van de weduwe of weduwnaar
voort te zetten..
Artikel 16
1. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden met inachtneming van de volgende
leden regelen vastgesteld betreffende de inkomsten, die voor
verrekening met het buitengewoon pensioen in aanmerking komen.
2.
a. De inkomsten van de
betrokkene worden op het buitengewoon pensioen in mindering
gebracht voor het bedrag, waarmede het buitengewoon pensioen,
ongeacht de vermeerdering of vergoeding ingevolge de artikelen
12, 13, 14 en 15, vermeerderd met de inkomsten uit vermogen,
alsmede met 75% van het genoten pensioen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet (Stb. 1965, 429) en de uitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet en 70% van de overige inkomsten de
grondslag, waarover het buitengewoon pensioen is berekend,
overschrijdt.
b. Tot de inkomsten van
betrokkene als bedoeld onder a worden niet gerekend:
1e. inkomsten uit arbeid
indien de betrokkene 65 jaar of ouder is;
2e. inkomsten uit arbeid,
arbeidsvervangende inkomsten en inkomsten uit onderneming
van zijn echtgenoot;
3e. inkomsten uit vermogen,
tot een bedrag van f 984,-[Red: per 1 januari 2012:
achthonderdveertien euro en twintig eurocent] .
3. Indien op grond van hetzelfde
feit, als waaraan het genot van een buitengewoon pensioen wordt
ontleend, gelijktijdig een uitkering, een pensioen of andere
inkomsten worden genoten ten laste van het Rijk, de Republiek
Suriname, de Nederlandse Antillen, Aruba, de Republiek Indonesië,
een publiekrechtelijk lichaam in een van deze gebieden of een door
het openbaar gezag aldaar ingesteld fonds, wordt het bedrag van
het buitengewoon pensioen, ongeacht de vermeerdering of vergoeding
ingevolge de artikelen 12, 13, 14 en 15, met het bedrag van die
uitkering, dat pensioen of die andere inkomsten verminderd, nadat
daarvan is afgetrokken het bedrag der compensatie ter zake van de
premie ingevolge de Wet financiering sociale verzekeringen,
hetwelk daarin is of naar de voor de buitengewone pensioen
geldende wettelijke maatstaven moet worden geacht te zijn
begrepen. Voor zover echter die uitkering, dat pensioen of die
andere inkomsten worden genoten uit hoofde van een vrijwillige
verzekering, welke werd gesloten op grond van een wettelijk
verleende bevoegdheid, of uit hoofde van een verplichte
verzekering, welke voor eigen rekening is voortgezet, en door de
Sociale verzekeringsbank als zodanig wordt aangemerkt, dan wel
krachtens een wettelijke regeling van overeenkomstige strekking
als de Ziektewet, is het bepaalde in de vorige volzin niet van
toepassing. Indien onder het pensioen of andere inkomsten, bedoeld
in de eerste volzin zijn begrepen bedragen, welke worden genoten
krachtens in andere wettelijke regelingen voorkomende bepalingen
van overeenkomstige strekking als die van de artikelen 12, 13, 14
en 15 worden die bedragen niet op het buitengewoon pensioen in
mindering gebracht; is evenwel een vermeerdering of vergoeding
ingevolge de artikelen 12, 13, 14 en 15 toegekend, dan wordt die
vermeerdering of vergoeding verminderd met het bedrag, dat genoten
wordt krachtens de met die artikelen overeenkomende bepalingen in
andere wettelijke regelingen.
4. Tot de inkomsten bedoeld in dit
artikel worden niet gerekend uitkeringen onder welke benaming ook
ingevolge of op de voet van de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1977, 494), de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1984, 94)
en de Algemene Oorlogsongevallenregeling (Indonesië) (Stb. Ned.-Indië
1946, nr. 48) dan wel de kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1).
Artikel 17
Het bedrag, genoemd in artikel 16,
tweede lid, onder b, ten derde, wordt door Onze Minister telkens
herzien met ingang van 1 januari, indien en voor zover de
ontwikkeling van de consumentenprijsindex in de periode 1 november
tot en met 31 oktober daaraan voorafgaand, daartoe aanleiding geeft.
§ 5. Het geneeskundig onderzoek
Artikel 18
1. Geen buitengewoon pensioen wordt
verleend of gewijzigd, zonder dat over het ontstaan, de aard en de
gevolgen van de verwonding, verminking, ziekten of gebreken, welke
recht geven op buitengewoon pensioen, op kosten van het Rijk een
geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad en op grond daarvan het
invaliditeitspercentage is vastgesteld, een en ander naar regelen
te stellen bij algemene maatregel van bestuur.
2. Het geneeskundig onderzoek zal,
op last van de Raad of de Sociale verzekeringsbank éénmaal
worden herhaald, indien de belanghebbende daartoe de wens te
kennen geeft in zijn bezwaarschrift, als bedoeld in artikel 44 en
voorts in elk geval waarin een herhaling door de Raad of de
Sociale verzekeringsbank wenselijk wordt geacht.
Derde hoofdstuk. Het pensioen der
nagelaten betrekkingen
§ 1. Het recht op buitengewoon
pensioen
Artikel 19
1. Recht op buitengewoon pensioen
heeft de weduwe van een deelnemer aan het verzet, indien haar
echtgenoot het leven heeft verloren in verband met het verzet dan
wel indien hij op het tijdstip van zijn overlijden recht op
buitengewoon pensioen ontleende aan het bepaalde in artikel 6 of
zou hebben ontleend, indien hij op het tijdstip van het in werking
treden van deze wet nog in leven was geweest.
2. Eveneens recht op buitengewoon
pensioen heeft de vrouw, met wie een overleden deelnemer aan het
verzet gehuwd is geweest, mits:
a. de man op de dag waarop de
beschikking tot echtscheiding of de ontbinding van het
huwelijk is uitgesproken dan wel het geregistreerd
partnerschap ingevolge artikel 80c, onder c en d, van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek is beëindigd, recht op
buitengewoon pensioen ontleende aan het bepaalde in artikel 6
en hij dat recht ook op het tijdstip van zijn overlijden kon
doen gelden, dan wel zodanig recht zou hebben ontleend, indien
hij op het tijdstip van het in werking treden van deze wet nog
in leven was geweest;
b. de onder a bedoelde dag ligt
na het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet herziening
echtscheidingsrecht en de echtscheiding of de ontbinding van
het huwelijk niet is uitgesproken met toepassing van het
vóór genoemd tijdstip geldende recht, en
c. de vrouw niet als gevolg van
hertrouwen, het aangaan van een huwelijk na een geregistreerd
partnerschap, het aangaan van een geregistreerd partnerschap
na een huwelijk dan wel het opnieuw aangaan van een
geregistreerd partnerschap met haar vroegere echtgenoot ter
zake van diens overlijden recht op een buitengewoon
weduwenpensioen verkrijgt, met dien verstande, dat indien de
vrouw op de datum van overlijden van haar vroegere echtgenoot
is hertrouwd of geregistreerd dan wel opnieuw geregistreerd,
het recht op buitengewoon pensioen, hetwelk zij aan dat
overlijden ontleent, eerst ontstaat op de dag, volgende op
die, waarop dat volgende door haar gesloten huwelijk is
ontbonden.
3. Voor de toepassing van deze wet
wordt met een weduwe (echtgenote) gelijkgesteld de vrouw, die
ingevolge enige rechterlijke uitspraak in vermogensrechtelijk
en/of erfrechtelijk opzicht gelijk wordt gesteld met een weduwe
(echtgenote).
4. Buitengewoon pensioen als in het
eerste, tweede en derde lid bedoeld, komt eveneens toe aan:
a. de weduwnaar van een
deelneemster aan het verzet;
b. de man, met wie een
overleden deelneemster aan het verzet gehuwd is geweest.
5. Op het buitengewoon pensioen van
de in het vierde lid genoemde personen zijn de bepalingen van deze
wet, betrekking hebbende op het buitengewoon pensioen van de in
het eerste onderscheidenlijk het tweede lid van dit artikel
genoemde personen, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
1. Recht op uitkering heeft de
minderjarige volle en halve wees van de deelnemer aan het verzet,
mits deze op het tijdstip van zijn overlijden recht op
buitengewoon pensioen ontleende aan het bepaalde in artikel 6 of
zou hebben ontleend, indien hij op het tijdstip van het in werking
treden van deze wet nog in leven was geweest.
2. De in het eerste lid bedoelde
uitkering wordt naar behoefte individueel bepaald. Bij de
vaststelling ervan wordt rekening gehouden met geëigende
voorzieningen ter zake van kosten van onderwijs en opleiding.
3. De in het eerste lid bedoelde
uitkering kan zo nodig worden voortgezet tot uiterlijk het
bereiken van de 27-jarige leeftijd, indien de betrokkene, hetzij
in verband met een dagstudie, hetzij in verband met
arbeidsongeschiktheid, door het ontbreken van andere geëigende
voorzieningen op die uitkering is aangewezen.
4. Op deze uitkering is het
bepaalde in de artikelen 16 en 43 niet van toepassing.
5. Voor de toepassing van deze wet
worden onder minderjarige volle en halve wezen verstaan volle en
halve wezen, die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt
en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn.
§ 2. Het geneeskundig onderzoek
Artikel 21
Voor de vaststelling van het recht op
buitengewoon pensioen, waarop krachtens de bepalingen van dit
hoofdstuk recht kan bestaan, is het bepaalde in artikel 18, eerste
lid, van overeenkomstige toepassing.
§ 3. De berekening van het
buitengewoon pensioen
Artikel 22
Het buitengewoon pensioen, bedoeld in
artikel 19, bedraagt:
a. voor de weduwe, wier
echtgenoot het leven heeft verloren in verband met het verzet,
dan wel is overleden aan de gevolgen van verwonding, verminking,
ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 6, alsmede voor de
weduwe van de deelnemer aan het verzet, die is overleden door
andere oorzaken dan hiervoor genoemd en wiens invaliditeit,
waarnaar zijn buitengewoon pensioen laatstelijk was of zou zijn
berekend, tenminste 60% bedroeg, 65% van de pensioengrondslag,
die op grond van het bepaalde in artikel 10 voor de echtgenoot
heeft of zou hebben gegolden, indien deze als deelnemer aan het
verzet recht op buitengewoon pensioen had of zou hebben gehad.
Indien er bij het overlijden van de deelnemer aan het verzet
tevens recht of krachtens artikel 19, tweede lid, uitzicht op
een of meerdere buitengewone pensioenen, als bedoeld onder c,
bestaat, wordt het buitengewoon weduwenpensioen met het bedrag
daarvan verminderd;
b. voor de weduwe van de
deelnemer aan het verzet, die het leven heeft verloren door
andere oorzaken dan verwonding, verminking, ziekten of gebreken,
als bedoeld in artikel 6, en wiens invaliditeit, waarnaar zijn
buitengewoon pensioen laatstelijk was of zou zijn berekend,
minder dan 60% bedroeg, 65% van het buitengewoon pensioen,
waarop de deelnemer aan het verzet op het tijdstip van zijn
overlijden recht had of zou hebben gehad. Indien er bij het
overlijden van de deelnemer aan het verzet tevens recht of
krachtens artikel 19, tweede lid, uitzicht op een of meer
buitengewone pensioenen, als bedoeld onder d, bestaat, wordt het
buitengewoon weduwenpensioen met het bedrag daarvan verminderd;
c. voor de gewezen echtgenote van
een overleden deelnemer aan het verzet, die is overleden aan de
gevolgen van verwonding, verminking, ziekten of gebreken, als
bedoeld in artikel 6, alsmede voor de gewezen echtgenote van een
overleden deelnemer aan het verzet, die is overleden door andere
oorzaken dan hiervoor genoemd en wiens invaliditeit, waarnaar
zijn buitengewoon pensioen laatstelijk was of zou zijn berekend,
tenminste 60% bedroeg, een bedrag, berekend volgens de formule:

, in welke formule:
p voorstelt: het aantal volle
jaren, gedurende hetwelk de man in zijn leeftijdsperiode van 25
tot 65 jaar met de vrouw gehuwd is geweest, vermeerderd met het
aantal volle jaren, gedurende hetwelk de man in dezelfde
leeftijdsperiode vóór het sluiten van dat huwelijk zonder
onderbreking ongehuwd is geweest, en
q voorstelt: de
pensioengrondslag, welke voor de man op het tijdstip van zijn
overlijden gold of zou hebben gegolden;
d. voor de gewezen echtgenote van
een overleden deelnemer aan het verzet, die is overleden door
andere oorzaken dan verwonding, verminking, ziekten of gebreken,
als bedoeld in artikel 6, en wiens invaliditeit, waarnaar zijn
buitengewoon pensioen laatstelijk was of zou zijn berekend,
minder dan 60% bedroeg, een bedrag, berekend volgens de formule:

, in welke formule:
x voorstelt: het aantal volle
jaren, gedurende hetwelk de man in zijn leeftijdsperiode van 25
tot 65 jaar met de vrouw gehuwd is geweest, vermeerderd met het
aantal volle jaren, gedurende hetwelk de man in dezelfde
leeftijdsperiode vóór het sluiten van dat huwelijk zonder
onderbreking ongehuwd is geweest, en
y voorstelt: het buitengewoon
pensioen als bedoeld in artikel 11, waarop de man op het
tijdstip van zijn overlijden recht had of zou hebben gehad.
Artikel 22a
Het buitengewoon pensioen van de
weduwe, wier echtgenoot over een periode van ten minste drie
maanden, voorafgaande aan zijn overlijden in het genot was gesteld
van een blijvend buitengewoon pensioen uit hoofde van een
invaliditeit van ten minste negentig procent wordt gedurende het
eerste jaar na het overlijden van de echtgenoot verhoogd met twintig
procent van de pensioengrondslag en gedurende het tweede jaar na het
overlijden met tien procent van die grondslag, voor zover het
verhoogde buitengewoon weduwen-pensioen daardoor gedurende het
eerste jaar niet meer dan vijfentachtig procent van de
minimum-pensioengrondslag bedraagt en gedurende het tweede jaar niet
meer dan vijfenzeventig procent van die grondslag.
Artikel 23
1. Op de buitengewone pensioenen,
toegekend aan de personen, bedoeld in artikel 22, is het bepaalde
in artikel 16, eerste lid, tweede lid, onder b, ten eerste,
alsmede het derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
2. Voor zover door de weduwe of de
gewezen echtgenote inkomsten uit vermogen worden genoten, worden
deze voor 50% van die inkomsten op het buitengewoon pensioen in
mindering gebracht, met dien verstande, dat indien die inkomsten
minder dan € 680,67 per jaar bedragen, slechts een zodanig
bedrag in mindering wordt gebracht als waarmede die inkomsten een
som van € 340,34 mochten te boven gaan.
3. Voor zover door de weduwe of de
gewezen echtgenote andere inkomsten dan waarop in het eerste en
tweede lid wordt gedoeld, worden genoten, wordt 50% van het
bedrag, waarmede die inkomsten de som van € 453,78
overschrijden, op het buitengewoon pensioen in mindering gebracht.
Onverminderd het bepaalde in de vorige volzin worden, indien de
daar bedoelde overschrijding uitsluitend of mede het gevolg is van
het genot van een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet van
meer dan € 453,78, van het bedrag, waarmede dat
ouderdomspensioen de som van € 453,78 overschrijdt, in plaats
van 50% de volgende percentages op het buitengewoon pensioen in
mindering gebracht:
a. op een buitengewoon
weduwenpensioen, dat geen vermindering als bedoeld in artikel
22, onder a en b, heeft ondergaan: 60;
b. op een buitengewoon
weduwenpensioen, dat een vermindering als bedoeld in artikel
22, onder a en b, heeft ondergaan: een evenredig deel van het
onder a genoemde percentage;
c. op het buitengewoon pensioen
van de gewezen echtgenote, bedoeld in artikel 22, onder c en
d, een deel van 60%, hetwelk tot dat percentage in dezelfde
verhouding staat als het aantal jaren, hetwelk in de in die
artikelonderdelen genoemde berekeningsformule door de letter p
onderscheidenlijk x wordt voorgesteld, zich verhoudt tot 40
jaar.
Voor een buitengewoon pensioen,
toegekend aan de in artikel 22, onder b, bedoelde weduwe alsook
voor een buitengewoon pensioen, toegekend aan de gewezen
echtgenote, bedoeld in artikel 22, onder d, wordt het op deze
pensioenen ingevolge de vorige volzin in mindering te brengen
bedrag beperkt tot een percentage daarvan, gelijk aan dat der
invaliditeit, waarnaar het buitengewoon pensioen van de overleden
echtgenoot onderscheidenlijk gewezen echtgenoot van de vrouw
laatstelijk was of zou zijn berekend.
4. Indien door de weduwe of de
gewezen echtgenote zowel inkomsten bedoeld in het tweede lid als
inkomsten bedoeld in het derde lid worden genoten, worden, in
afwijking van het bepaalde aan het slot van het tweede lid, de
inkomsten uit vermogen voor 50% van die inkomsten op het
buitengewoon pensioen in mindering gebracht, met dien verstande,
dat in elk geval een bedrag van € 340,34 van het totaal der
inkomsten buiten mindering blijft.
5. Indien een uitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet wordt genoten, wordt die uitkering
niet gerekend tot de met het buitengewoon pensioen verrekenbare
inkomsten, als in de voorgaande leden bedoeld. In dat geval worden
echter, nadat de voorgaande leden zijn toegepast, van het bedrag
van de uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet de volgende
percentages op het buitengewoon pensioen in mindering gebracht:
a. op een buitengewoon
weduwenpensioen, dat geen vermindering als bedoeld in artikel
22, onder a en b, heeft ondergaan: 60;
b. op een buitengewoon
weduwenpensioen, dat een vermindering als bedoeld in artikel
22, onder a en b, heeft ondergaan: een evenredig deel van het
onder a genoemde percentage;
c. op het buitengewoon pensioen
van de gewezen echtgenote, bedoeld in artikel 22, onder c en
d, een deel van 60%, hetwelk tot dat percentage in dezelfde
verhouding staat als het aantal jaren, hetwelk in de in die
artikelonderdelen genoemde berekeningsformule door de letter p
onderscheidenlijk x wordt voorgesteld, zich verhoudt tot 40
jaar.
Het bepaalde in de derde volzin van
het derde lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing.
Ten aanzien van degene, die aantoont, dat uit hoofde van zijn
aanspraak op uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet mede
een vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen of enige
andere verplichte periodieke uitkering, en dat het gezamenlijke
bedrag der verminderingen 60% van het bedrag van bedoeld
bodempensioen overschrijdt, wordt de vermindering, in de vorige
volzinnen van dit artikellid bedoeld, zodanig beperkt, dat het
inkomen van de belanghebbende zo mogelijk 40% van het bedrag van
bedoeld bodempensioen meer bedraagt dan ingeval geen uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet wordt genoten.
6. Het ingevolge het eerste tot en
met het vijfde lid met het buitengewoon pensioen van de weduwe
en/of de gewezen echtgenote wegens het genot van neveninkomsten
verrekenbare bedrag wordt beperkt tot het bedrag, waarmede het
buitengewoon pensioen, vermeerderd met die neveninkomsten, 65% van
de in artikel 16, tweede lid, onder a, bedoelde grondslag
overschrijdt, met dien verstande evenwel, dat de verrekening van
een pensioen of uitkering als bedoeld in artikel 16, derde lid,
zomede de verrekening ter zake van een genoten uitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet en ter zake van een genoten pensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet onverkort gehandhaafd blijft.
Vierde hoofdstuk
Artikel 24 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2001]
Vijfde hoofdstuk. De aanvraag en de
toekenning
Artikel 26
1. Zij, die aanspraak menen te
hebben op de voorzieningen van deze wet, dienen daartoe bij de
Raad of de Sociale verzekeringsbank een aanvraag in.
2. Zij die erkend willen worden als
deelnemer aan het verzet dienen daartoe bij de Raad een aanvraag
in.
3. Op de aanvraag wordt de datum
van ontvangst aangetekend.
4. De ontvangst van de aanvraag
wordt de aanvrager schriftelijk bevestigd. Daarbij wordt hem
voorlichting gegeven over de verdere procedure en de geldende
behandeltermijnen.
5. Voor de begeleiding van zijn
aanvraag kan de aanvrager zich wenden tot de Stichting Pelita.
Artikel 27
1. Alvorens op een aanvraag om een
buitengewoon pensioen dan wel een aanvraag erkend te worden als
deelnemer aan het verzet wordt beslist, wordt een rapport
opgesteld omtrent de omstandigheden waarop de aanvraag berust.
2. Binnen vier maanden nadat de
opdracht daartoe is ingekomen, wordt door de Stichting Pelita in
de opstelling van het rapport voorzien, met dien verstande dat in
de opstelling van het rapport binnen vier weken wordt voorzien,
indien de aanvraag afkomstig is van een persoon als bedoeld in de
artikelen 19 en 20 en de overledene aan wie de aanvrager zijn
aanspraken wenst te ontlenen, aanspraken op deze wet heeft doen
gelden.
3. De Stichting Pelita voegt binnen
de in het tweede lid genoemde termijn van vier maanden aan het
rapport een verklaring toe dat op grond van de daarin opgenomen
gegevens naar haar oordeel de aanvrager of de overledene al dan
niet kan worden aangemerkt als deelnemer aan het verzet in de zin
van deze wet en dat een omstandigheid als bedoeld in artikel 3,
derde lid, al dan niet aanwezig is. Indien de aanvraag afkomstig
is van een persoon, bedoeld in de artikelen 19 en 20, en de
overledene aan wie de aanvrager zijn aanspraken wenst te ontlenen
aanspraken op deze wet heeft doen gelden, geeft de Stichting
Pelita de verklaring, waaruit blijkt of ten aanzien van de
aanvrager een omstandigheid als bedoeld in artikel 3, derde lid,
al dan niet aanwezig is, binnen de in het tweede lid gestelde
termijn van vier weken af.
4. Indien de Stichting Pelita niet
tijdig in de rapportage en de verklaring voorziet, kan de Raad,
met instemming van de betrokkene, besluiten op andere wijze de
benodigde informatie in te winnen.
Artikel 27a [Vervallen per
01-01-1994]
Artikel 28
1. Van de beschikking wordt
mededeling gedaan aan de Stichting Pelita. Bij de bekendmaking van
de beschikking wordt voorlichting gegeven over de procedure en de
voor het bezwaarschrift geldende termijn van behandeling.
2. De beschikking op een aanvraag
krachtens artikel 6 onderscheidenlijk de artikelen 19 en 20 voor
zover de overleden deelnemer aan het verzet geen aanspraken op
deze wet heeft doen gelden, wordt gegeven binnen negen maanden na
de datum waarop de aanvraag is ingekomen. Indien de Raad ten
gevolge van bijzondere omstandigheden niet binnen deze termijn kan
beslissen, kan hij eenmaal met ten hoogste acht weken worden
verlengd. Van de verlenging doet de Raad schriftelijk mededeling
aan de belanghebbende en de Stichting Pelita.
3. De beschikking op een aanvraag
krachtens artikel 26, tweede lid, wordt gegeven binnen zes maanden
na de datum waarop de aanvraag is ingekomen. Indien de Raad ten
gevolge van bijzondere omstandigheden niet binnen deze termijn kan
beslissen, kan hij eenmaal met ten hoogste vier weken worden
verlengd. Van de verlenging doet de Raad schriftelijk mededeling
aan de belanghebbende en aan de Stichting Pelita.
4. De beschikking op een aanvraag
krachtens artikel 15, artikel 6, voorzover de aanvrager reeds op
grond van artikel 26, tweede lid, als deelnemer aan het verzet is
erkend, onderscheidenlijk de artikelen 19 en 20 voor zover de
overleden deelnemer aan het verzet aanspraken op deze wet heeft
doen gelden, wordt gegeven binnen dertien weken na de datum waarop
de aanvraag is ingekomen. Indien de Raad of de Sociale
verzekeringsbank ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet
binnen deze termijn kan beslissen, kan hij eenmaal met ten hoogste
vier weken worden verlengd. Van de verlenging doet de Raad of de
Sociale verzekeringsbank schriftelijk mededeling aan de
belanghebbende en de Stichting Pelita.
5. Met betrekking tot een aanvraag,
bedoeld in het derde lid, die wordt ingediend terwijl een
aanvraag, bedoeld in het tweede lid, nog in behandeling is geldt,
in afwijking van het derde lid, de termijn die resteert voor de
beschikking op de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, tenzij de
resterende termijn korter is dan de termijn, bedoeld in het derde
lid.
Artikel 28a
1. Indien de Raad vier weken voor
het verstrijken van de verlengde termijn, bedoeld in artikel 28,
tweede lid, onvoldoende gegevens aanwezig acht om tot een
beoordeling van de aanvraag te komen en dientengevolge niet in
staat is een beschikking te geven, stelt hij de aanvrager
gedurende die vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze naar
voren te brengen.
2. Artikel 4:9 van de Algemene wet
bestuursrecht is op het horen van toepassing.
3. Indien de aanvrager zijn
zienswijze mondeling naar voren brengt, wordt een verslag gemaakt.
Artikel 29
1. Indien de aanvrager kennis wenst
te nemen van gegevens welke mede tot de beschikking van de Raad of
de Sociale verzekeringsbank hebben geleid, worden deze hem op zijn
verzoek alsnog door de Raad of de Sociale verzekeringsbank
verstrekt, indien en voor zover door het verstrekken van deze
gegevens geen inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer
van derden.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de vergoeding welke
verschuldigd is, indien afschrift wordt verstrekt van de op de
beschikking betrekking hebbende bescheiden.
Zesde hoofdstuk. Ingang en einde der
buitengewone pensioenen
Artikel 30
1. Het buitengewoon pensioen of de
uitkering gaat in:
a. met ingang van de eerste dag
van de maand volgende op die waarin de aanvraag is ingediend,
behoudens het bepaalde onder b en in het tweede lid;
b. voor de weduwe, gewezen
echtgenote of de minderjarige volle of halve wees, die binnen
dertien weken na het overlijden van de deelnemer aan het
verzet die een buitengewoon pensioen ingevolge deze wet
genoot, aanspraak op een buitengewoon pensioen of uitkering
maakt, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op
die, waarin het overlijden heeft plaatsgehad.
2. Een buitengewoon pensioen, dat
verleend wordt na beëindiging van een voorlopig buitengewoon
pensioen, gaat in op de dag, volgende op die, waarop het vorige
buitengewoon pensioen heeft opgehouden, mits binnen dertien weken
na afloop van dat voorlopig buitengewoon pensioen door of namens
betrokkene een aanvraag daartoe wordt ingediend.
Artikel 31
1. Elk buitengewoon pensioen
eindigt met het einde van de maand, waarin de rechthebbende is
overleden.
2. De uitkering van de in artikel
20, eerste lid, bedoelde kinderen eindigt tevens met het einde van
de maand, waarin de rechthebbende:
a. de leeftijd van 21 jaren
heeft bereikt tenzij artikel 20, derde lid, van toepassing is;
b. in het huwelijk is getreden;
c. is geadopteerd.
3. Een vervallen verklaard of
ingetrokken buitengewoon pensioen of uitkering eindigt met het
einde van de maand, waarin de beschikking inzake het vervallen
verklaren of de intrekking is gegeven.
Artikel 32
Het buitengewoon pensioen van de
weduwe en dat van een gewezen echtgenote eindigen voorts met het
einde van het kwartaal, waarin een volgend door haar gesloten
huwelijk heeft plaatsgehad. Indien dat huwelijk wordt ontbonden,
wordt op haar aanvraag bij de Sociale verzekeringsbank haar vroeger
buitengewoon pensioen weder toegekend. Zouden haar echter ter zake
van het latere huwelijk pensioen of andere inkomsten toekomen, als
bedoeld in artikel 16, derde lid, dan vindt deze wetsbepaling
overeenkomstige toepassing. Het buitengewoon pensioen gaat opnieuw
in op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de
ontbinding van het huwelijk heeft plaatsgevonden, mits de aanvraag
binnen dertien weken na de datum van de ontbinding van het vorige
huwelijk is ingediend. Wordt de aanvraag later ingediend, dan gaat
het buitengewoon pensioen in op de eerste dag van de maand volgende
op die waarop de aanvraag bij de Sociale verzekeringsbank is
binnengekomen.
Artikel 33
Het buitengewoon pensioen van de
weduwe en dat van een gewezen echtgenote worden niet uitbetaald over
de tijd, gedurende welke de vrouw in concubinaat leeft.
Artikel 34
1. Zo spoedig mogelijk na het
overlijden van een deelnemer aan het verzet, die op het tijdstip
van zijn overlijden recht op buitengewoon pensioen ontleende aan
artikel 6, wordt een uitkering (overlijdensuitkering) ten bedrage
van tweemaal het bedrag van het buitengewoon pensioen van de
overledene over de maand, waarin hij is overleden, uitbetaald aan
de langstlevende der echtgenoten, indien de overledene niet
duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde, dan wel bij
diens ontstentenis aan degenen, ten aanzien van wie de overledene
ten tijde van het overlijden grotendeels in de kosten van het
bestaan voorzag en met wie hij tot zijn overlijden duurzaam in
gezinsverband heeft geleefd.
2. In het eerste lid wordt onder
buitengewoon pensioen verstaan: het pensioen, bedoeld in artikel
11, verhoogd met de vermeerdering, bedoeld in de artikelen 12, 13
en 14, ongeacht het bepaalde in artikel 16.
3. Indien er geen rechthebbenden
als bedoeld in het eerste lid zijn, is de Sociale verzekeringsbank
bevoegd de in dat lid bedoelde uitkering geheel of gedeeltelijk
uit te betalen aan de persoon, die daarvoor naar zijn oordeel op
billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt, mits deze daartoe
binnen zes maanden na het overlijden een verzoek bij genoemde Raad
heeft ingediend.
4. Op een krachtens dit artikel
verleende uitkering worden op grond van hetzelfde overlijden
krachtens andere wettelijke voorschriften verstrekte uitkeringen
van overeenkomstige aard in mindering gebracht, indien die andere
uitkeringen voortvloeien uit door de overledene genoten inkomsten
als bedoeld in artikel 16, derde lid.
5. Indien meer pensioen is
uitbetaald dan overeenstemt met artikel 31, wordt het te veel
betaalde teruggevorderd, voor zover verrekening daarvan kan
plaatsvinden met een overlijdensuitkering krachtens dit artikel.
Zevende hoofdstuk. De
welvaartsvastheid der buitengewone pensioenen
Artikel 35
1. Het buitengewoon pensioen of de
garantietoeslag wordt door de Sociale verzekeringsbank aangepast
overeenkomstig de normen en voorwaarden waarmee het bedrag,
genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon
en minimumvakantiebijslag ingevolge artikel 14 van die wet wordt
herzien.
2. De pensioengrondslagen, bedoeld
in artikel 10, eerste, tweede en zesde lid, en de bedragen,
genoemd in artikel 10, achtste lid, worden door Onze Minister
aangepast overeenkomstig de normen en voorwaarden waarmee het
bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag ingevolge artikel 14 van die
wet wordt herzien.
3. Bij de aanpassing, bedoeld in
het eerste lid, wordt uitgegaan van het laatst vastgestelde dan
wel overeenkomstig het eerste lid aangepaste buitengewoon pensioen
of de laatst vastgestelde dan wel overeenkomstig het eerste lid
aangepaste garantietoeslag.
4. De aanpassing, bedoeld in het
eerste lid, vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
5. Het aangepaste buitengewoon
pensioen of de aangepaste garantietoeslag, bedoeld in het vierde
lid, wordt betaald bij de eerstvolgende betaling nadat de
aanpassing heeft plaatsgevonden.
Hoofdstuk 7A. De garantietoeslag
Artikel 35a
1. Indien het maandinkomen van
a. een deelnemer aan het verzet
die recht heeft op een buitengewoon pensioen,
b. de weduwe, genoemd in
artikel 19, eerste lid, die recht heeft op een buitengewoon
pensioen, dan wel
c. de weduwnaar, genoemd in
artikel 19, vierde lid, onder a, die recht heeft op een
buitengewoon pensioen,
lager is dan het op grond van
artikel 35b van toepassing zijnde normbedrag, wordt aan die
buitengewoon gepensioneerde een garantietoeslag verleend, gelijk
aan het verschil tussen zijn of haar maandinkomen en het van
toepassing zijnde normbedrag.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het inkomen,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 35b
Het van toepassing zijnde normbedrag
bedraagt:
a. voor de gepensioneerde die de
vijfenzestigjarige leeftijd nog niet heeft bereikt: zeventig
procent van de minimum-pensioengrondslag op maandbasis;
b. voor de gepensioneerde die de
vijfenzestigjarige leeftijd heeft bereikt: vijftig procent van
de minimum-pensioengrondslag op maandbasis, vermeerderd met
twintig procent van het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen
voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid,
onder a, van de Algemene Ouderdomswet alsmede van het bedrag van
de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel
29, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet.
Artikel 35c
De garantietoeslag gaat in op de
eerste dag van de maand, waarin het recht op de garantietoeslag is
ontstaan.
Hoofdstuk 7B. De toeslag
inkomensafhankelijke premie
Artikel 35d
1. Indien de pensioengerechtigde
over zijn buitengewoon pensioen of garantietoeslag de
inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de
Zorgverzekeringswet, verschuldigd is, heeft hij recht op een
toeslag. Deze toeslag bedraagt het percentage van het buitengewoon
pensioen of de garantietoeslag dat overeenkomt met het
bijdragepercentage, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de
Zorgverzekeringswet, vermenigvuldigd met anderhalf, voorzover het
pensioen of garantietoeslag is te rekenen tot het deel van het
bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel a,
van de Zorgverzekeringswet.
2. Indien de pensioengerechtigde
over zijn buitengewoon pensioen of garantietoeslag de bijdrage,
bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet,
verschuldigd is, heeft hij recht op een toeslag. Voor de
berekening van deze toeslag is het eerste lid, tweede volzin, van
overeenkomstige toepassing.
3. Het in aanmerking te nemen
bijdrage-inkomen bedraagt op jaarbasis ten hoogste het bedrag,
bedoeld in artikel 43, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet.
4. Op de toeslagen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, is het achtste hoofdstuk van toepassing, met
uitzondering van deartikelen 36 en41.
Achtste hoofdstuk. Bijzondere
bepalingen aan alle buitengewone pensioenen en garantietoeslagen
gemeen
Artikel 36
Het buitengewoon pensioen, bedoeld in
de artikelen 11, 22 en 22a, de garantietoeslag genoemd in artikel
35a, alsmede de vermeerdering, genoemd in de artikelen 12, 13 en 14,
worden naar boven afgerond tot hele euro’s.
Artikel 37
1. De buitengewone pensioenen en de
garantietoeslagen worden maandelijks voldaan.
2. De eerste termijn wordt zo
spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen dertien weken na de
toekenning, vastgesteld en betaald.
3. Indien de door belanghebbende
verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor het
vaststellen van het bedrag van de eerste termijn, verzoekt de
Sociale verzekeringsbank de belanghebbende deze gegevens en
bescheiden alsnog te verstrekken. De periode van dertien weken,
bedoeld in het tweede lid, wordt in zodanig geval opgeschort met
ingang van de dag waarop de Sociale verzekeringsbank vorenbedoeld
verzoek heeft gedaan tot de dag waarop de gegevens en bescheiden
zijn verstrekt.
4. De termijnen van een
buitengewoon pensioen en van een garantietoeslag, welke niet zijn
ingevorderd binnen een jaar na de eerste maand, waarin de
uitkering daarvan had mogen plaats hebben, worden niet meer
uitbetaald, tenzij de belanghebbende ten genoegen van de Sociale
verzekeringsbank kan aantonen, dat het overschrijden van die
termijn het gevolg is geweest van omstandigheden, van zijn wil
onafhankelijk.
5. Het betaalbaar stellen van een
buitengewoon pensioen en van een garantietoeslag door de Sociale
verzekeringsbank geschiedt op dezelfde voet als het betaalbaar
stellen van de pensioenen ten laste van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds.
Artikel 38
1. De gepensioneerde, die is
veroordeeld tot een vrijheidsstraf van drie maanden, tot plaatsing
in een Rijkswerkinrichting, tot plaatsing in een tuchtschool voor
drie maanden, of tot enige zwaardere straf, of op bevel van de
rechter ter beschikking van de Regering is gesteld, mist over de
tijd gedurende welke hij zijn straf ondergaat of van Regeringswege
in zijn opvoeding wordt voorzien, of gedurende welke hij zich door
de vlucht aan de tenuitvoerlegging van het vonnis onttrekt, het
genot van buitengewoon pensioen en garantietoeslag.
2. De Sociale verzekeringsbank is
bevoegd het buitengewoon pensioen en de garantietoeslag over die
tijd geheel of ten dele aan of ten behoeve van de echtgenoot of
minderjarige kinderen van de gepensioneerde te doen uitbetalen.
3. De Sociale verzekeringsbank is
tevens bevoegd om, voor zover van de bevoegdheid in het tweede lid
bedoeld, geen gebruik is gemaakt, de gepensioneerde, die al of
niet voorwaardelijk uit de gevangenis, uit de Rijkswerkinrichting
of uit de tuchtschool is ontslagen, of wiens opvoeding van
Regeringswege is beëindigd, in het genot te stellen van een
uitkering ten bedrage van ten hoogste de helft van het niet
uitgekeerde bedrag, tot een maximum van de helft van het
jaarlijkse bedrag van het buitengewoon pensioen en
garantietoeslag.
Artikel 39
1. Het buitengewoon pensioen wordt
door de Sociale verzekeringsbank vervallen verklaard:
a. wanneer gedurende vijf
achtereenvolgende jaren na de eerste dag, waarop een termijn
daarvan kan worden geïnd, iedere invordering is achterwege
gebleven;
b. wanneer de gepensioneerde
zonder Onze toestemming zich in vreemde krijgsdienst of
vreemde burgerlijke overheidsdienst begeeft.
2. In bijzondere gevallen kan een
op grond van dit artikel vervallen buitengewoon pensioen door de
Sociale verzekeringsbank opnieuw worden toegekend. Een dergelijk
besluit wordt niet genomen dan nadat daarin bij koninklijk besluit
is toegestemd. Toestemming kan worden onthouden wegens strijd met
het recht of het algemeen belang.
Artikel 40
Indien een gepensioneerde in een
inrichting ter verpleging van geesteszieken of zwakzinnigen is
opgenomen, of, niet opgenomen zijnde in een zodanige inrichting, op
grond van geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te
verlenen voor de uitbetaling van zijn buitengewoon pensioen en zijn
garantietoeslag, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd het
buitengewoon pensioen en de garantietoeslag uit te betalen aan een
door hem aan te wijzen persoon of instelling. In andere bijzondere
gevallen is de Sociale verzekeringsbank eveneens bevoegd het
buitengewoon pensioen en de garantietoeslag in plaats van aan de
gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan een door
hem aan te wijzen persoon of instelling.
Artikel 41
De Sociale verzekeringsbank is
bevoegd geheel of gedeeltelijk van invordering af te zien van uit de
toepassing van deze wet voortvloeiende aan het Rijk toekomende
vorderingen, dan wel deze vorderingen geheel of gedeeltelijk kwijt
te schelden. Een dergelijk besluit wordt niet genomen dan nadat Onze
Minister daarin heeft toegestemd. Toestemming kan worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Artikel 42
1. Geen enkele voorziening
ingevolge deze wet is vatbaar voor vervreemding of verpanding.
2. De overlijdensuitkering, genoemd
in artikel 34, en de vergoedingen zijn niet vatbaar voor beslag.
3. Volmacht tot ontvangst van een
buitengewoon pensioen, van de overlijdensuitkering, genoemd in
artikel 34, de garantietoeslag, genoemd in artikel 35a, of van de
vergoedingen is steeds herroepelijk.
4. Elk beding, strijdig met enige
bepaling van dit artikel, is nietig.
Artikel 43
1. Op de buitengewone pensioenen,
verminderd overeenkomstig de artikelen 16 en 23, en vermeerderd
met de garantietoeslagen, bedoeld in artikel 35a, wordt een bedrag
ingehouden, dat gelijk is aan het bedrag van de premie, dat een
werkgever ingevolge de Werkloosheidswet op het overeenkomstige
loon van een werknemer, die verzekerd is ingevolge die wet,
inhoudt.
2. Indien de gepensioneerde op
grond van hetzelfde feit, als waaraan het genot van een
buitengewoon pensioen wordt ontleend, een uitkering geniet
ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarover
premie ingevolge de Werkloosheidswet wordt ingehouden, wordt het
eerste lid zodanig toegepast, dat het totaal van de in te houden
bedragen niet meer bedraagt dan het maximaal ingevolge het eerste
lid in te houden bedrag.
3. Indien ingevolge de Wet
financiering sociale verzekeringen een premie wordt ingehouden
waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met
inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen
regelen door Onze Minister voor de toepassing van het eerste lid
een gemiddeld percentage vastgesteld.
4. Het bepaalde in het eerste lid
is van overeenkomstige toepassing op de uitkering
(overlijdensuitkering) bedoeld in artikel 34.
5. Het eerste en tweede lid zijn
niet van toepassing indien de buitengewoon pensioengerechtigde 65
jaar of ouder is.
Negende hoofdstuk. Bezwaar en beroep
Artikel 44
In afwijking van artikel 6:7 van de
Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van
het bezwaarschrift dertien weken, indien de belanghebbende in het
buitenland gevestigd is.
Artikel 44a [Vervallen per
01-01-1994]
Artikel 44b
1. Van de beslissing op het
bezwaarschrift wordt mededeling gedaan aan de Stichting Pelita.
2. Artikel 29 is van
overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van artikel 7:10,
eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
beslist de Raad of de Sociale verzekeringsbank binnen dertien
weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het
indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Ingeval van
bijzondere omstandigheden kan deze termijn eenmaal met ten hoogste
vier weken worden verlengd. Van de verlenging doet de Raad of de
Sociale verzekeringsbank schriftelijk mededeling aan de
belanghebbende.
4. Indien de belanghebbende in het
buitenland gevestigd is, worden de termijnen, bedoeld in het derde
lid, ieder met acht weken verlengd.
Artikel 44c [Vervallen per
01-01-1994]
Artikel 45
1. Tegen een besluit op grond van
deze wet kan een belanghebbende beroep instellen bij de Centrale
Raad van Beroep.
2. In afwijking van artikel 6:7 van
de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het
indienen van een beroepschrift dertien weken, indien de
belanghebbende in het buitenland is gevestigd.
3. Het griffierecht bedraagt €
35.
Artikel 45a [Vervallen per
01-01-1994]
Artikel 46 [Vervallen per 01-01-1994]
Tiende hoofdstuk. Wijziging en
herziening van gegeven beschikkingen
Artikel 47
Indien de verwonding, verminking,
ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 6, de deelnemer aan het
verzet in een toestand brengen die hem recht geven op een hoger
buitengewoon pensioen dan verleend werd, wordt het
invaliditeitspercentage opnieuw vastgesteld en wordt hij met ingang
van de eerste dag van de maand volgend op die waarin door of namens
hem een aanvraag daartoe is ingediend, alsnog in het genot gesteld
van een hoger buitengewoon pensioen.
Artikel 48
1. Een beschikking van de Raad of
de Sociale verzekeringsbank kan door hem in het nadeel van de bij
die beschikking betrokkene worden herzien op grond van gebleken
onjuistheid van aan die beschikking ten grondslag gelegde feiten,
dan wel op grond van gegevens die niet bekend waren ten tijde van
het geven van die beschikking, en die, zo zij wel bekend waren
geweest, tot een andersluidende beschikking zouden hebben geleid.
Indien deze herziening zou leiden tot intrekking van het recht op
buitengewoon pensioen, wordt de herzieningsbeschikking eerst
gegeven, nadat de betrokkene door de Raad of de Sociale
verzekeringsbank is gehoord.
2. Indien een ingevolge deze wet
genomen beschikking in het nadeel van de belanghebbende wordt
herzien, wordt hetgeen reeds was uitbetaald ingevolge die
beschikking niet teruggevorderd of verrekend, tenzij in de
herzieningsbeschikking is uitgesproken, dat de gebleken
onjuistheid van de aan de oorspronkelijke beschikking ten
grondslag gelegde feiten was te wijten aan opzet dan wel grove
nalatigheid van belanghebbende.
3. Een beschikking, voortvloeiende
uit de toepassing van dit artikel, wordt aan de Stichting Pelita
medegedeeld.
Artikel 49
De Raad of de Sociale
verzekeringsbank is bevoegd, op daartoe door of vanwege de
belanghebbende gedane aanvraag, een door de Raad of de Sociale
verzekeringsbank of de Centrale Raad van Beroep gegeven beschikking
dan wel uitspraak in het voordeel van de bij die beschikking dan wel
uitspraak betrokkene te herzien.
Artikel 49a
Op een beschikking, voortvloeiende
uit de toepassing van de artikelen 47 en 49 is het vijfde hoofdstuk
van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 28,
tweede lid en artikel 28a.
Artikel 49b
1. Het buitengewoon pensioen of de
garantietoeslag wordt, met uitzondering van de op grond van
artikel 10 vastgestelde pensioengrondslag en het
invaliditeitspercentage, bedoeld in artikel 11, opnieuw
vastgesteld:
a. wanneer de
pensioengerechtigde of zijn echtgenoot de 65-jarige leeftijd
bereikt;
b. wanneer de
pensioengerechtigde in het huwelijk treedt of zijn huwelijk
wordt beëindigd door echtscheiding of overlijden van zijn
echtgenoot;
c. wanneer de
pensioengerechtigde duurzaam gescheiden van zijn echtgenoot
gaat leven;
d. wanneer een kind of
pleegkind van de pensioengerechtigde meerderjarig wordt;
e. wanneer de
pensioengerechtigde aanspraak maakt op de betaling uit een
nieuwe bron van inkomsten, of
f. wanneer de
pensioengerechtigde geen aanspraak meer kan maken op de
betaling uit een bron van inkomsten, tenzij hij het vervallen
van die aanspraak heeft bewerkstelligd.
2. Het eerste lid, onder e en f, is
van overeenkomstige toepassing op de inkomsten van de echtgenoot
van de pensioengerechtigde, voor zover die inkomsten de hoogte van
het buitengewoon pensioen of de garantietoeslag mede bepalen.
3. De beschikking, bedoeld in het
eerste en tweede lid, wordt genomen binnen 13 weken nadat de
noodzakelijke gegevens ter kennis van de Sociale verzekeringsbank
zijn gebracht.
4. Hetgeen als gevolg van een
beschikking als bedoeld in het eerste of tweede lid te veel dan
wel te weinig is uitbetaald, wordt door de Sociale
verzekeringsbank teruggevorderd of verrekend dan wel nabetaald. De
terugvordering kan in door de Sociale verzekeringsbank te bepalen
termijnen plaatsvinden.
Artikel 49c
1. Op aanvraag van de gerechtigde
wordt het buitengewoon pensioen of de garantietoeslag, met
uitzondering van de op grond van artikel 10vastgestelde
pensioengrondslag en het invaliditeitspercentage, bedoeld in
artikel 11, opnieuw vastgesteld indien het vast te stellen
pensioen ten minste 1% van de op de datum van deze aanvraag
geldende pensioengrondslag of de vast te stellen garantietoeslag
ten minste 1% van de op de datum van deze aanvraag geldende
minimum-pensioengrondslag op maandbasis hoger is dan het laatst
vastgestelde of aangepaste pensioen of de laatst vastgestelde of
aangepaste garantietoeslag, mits dit niet uitsluitend het gevolg
is van de koersomrekening van inkomsten die door de gerechtigde of
zijn echtgenoot worden ontvangen.
2. Indien toepassing is gegeven aan
het eerste lid gaat het opnieuw vastgestelde buitengewoon pensioen
of de opnieuw vastgestelde garantietoeslag in op de eerste dag van
de maand waarin de aanvraag is ingediend.
3. Op een beschikking,
voortvloeiende uit de toepassing van het eerste lid, isartikel 28,
vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
Elfde hoofdstuk. Verstrekken van
inlichtingen
Artikel 50
De belanghebbende is verplicht
desgevraagd die inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn
voor de uitvoering van deze wet of krachtens deze wet vastgestelde
algemene maatregelen van bestuur.
Artikel 51 [Vervallen per 01-07-2000]
Artikel 52 [Vervallen per 01-07-1990]
Twaalfde hoofdstuk. Ministerieel
toezicht
Artikel 53 [Vervallen per 01-07-1990]
Artikel 54
1. Van de beschikkingen van de Raad
of de Sociale verzekeringsbank wordt mededeling gedaan aan Onze
Minister door toezending van een afschrift.
2. Onze Minister kan, indien hij
daartoe aanleiding aanwezig acht, van de Raad of de Sociale
verzekeringsbank inzage vorderen van de bescheiden, die tot enige
beschikking van de Raad of de Sociale verzekeringsbank hebben
geleid.
3. Indien Onze Minister daartoe
aanleiding aanwezig acht, verstrekt de Raad of de Sociale
verzekeringsbank hem op zijn verzoek schriftelijk inlichtingen
omtrent de achtergronden die tot enige beschikking hebben geleid.
4. Onze Minister voert, indien hij
daartoe aanleiding aanwezig acht, ter zake overleg met de Raad of
de Sociale verzekeringsbank.
5. Indien het in het vierde lid
bedoelde overleg niet tot overeenstemming leidt, beslist de Raad
of de Sociale verzekeringsbank dat de oorspronkelijke beschikking
blijft gehandhaafd dan wel wordt herzien. Hiervan doet de Raad of
de Sociale verzekeringsbank terstond, met redenen omkleed,
schriftelijk mededeling aan Onze Minister.
6. Het bepaalde in het vierde en
vijfde lid vindt geen toepassing indien en voor zolang geen
beschikking is genomen ter zake van een bezwaarschrift, dan wel
een beroep, bedoeld in artikel 45, tenzij Onze Minister de Raad of
de Sociale verzekeringsbank om inlichtingen, bedoeld in het derde
lid, heeft verzocht ter zake van een uitspraak of onderdeel
daarvan waartegen het bezwaarschrift of het beroep zich niet
richt.
Dertiende hoofdstuk. Wijziging andere
wetten
Artikel 55
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 56
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 57
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 58
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 59
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Veertiende hoofdstuk. Slotbepalingen
Artikel 60
Voor degene die een aanvraag om een
buitengewoon pensioen indient binnen drie maanden na de datum van
het in werking treden van deze wet, gaat het buitengewoon pensioen
zonodig in op de datum tot welke deze wet terugwerkt.
Artikel 61
In afwijking van hetgeen is bepaald
in artikel 35 omtrent de herziening van de pensioengrondslagen en de
bedragen bedoeld in artikel 10, worden deze pensioengrondslagen en
bedragen over de periode 1 januari 1983 tot de datum van de
eerstvolgende herziening na de datum van inwerkingtreding van deze
wet herzien overeenkomstig de ontwikkelingen welke de
pensioenbedragen ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945
over genoemde periode hebben gevolgd.
Artikel 62
1. In het belang van een goede
uitvoering van deze wet kunnen bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur nadere regelen worden gesteld.
2. De krachtens het eerste lid
vastgestelde maatregel van bestuur wordt aan beide kamers der
Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking
dan nadat 30 dagen na de overlegging zijn verstreken en gedurende
die termijn niet door of namens een der Kamers of door ten minste
een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der Kamers
de wens is te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe
strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 63
Deze wet kan worden aangehaald onder
de titel: Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet.
Artikel 64
Deze wet treedt in werking met ingang
van de eerste dag van de maand volgende op de datum van uitgifte van
het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt met uitzondering
van de artikelen 55, onder D, 56, onder D, 57, onder A en 58, onder
A, terug tot 1 januari 1983. De artikelen 55, onder C en 56, onder C
treden op 1 januari 1986 in werking.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage,
16 mei 1986
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
J.P.
van der Reijden
Uitgegeven de tiende juli 1986
De Minister van Justitie,
F.
Korthals Altes
|