Nadere regelgeving:
- Faciliteitenbesluit
opvangcentra
- Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen (Reba)
(vervallen)
- Regeling
eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008 (Reba
2008)
- Regeling inburgering
- Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën
vreemdelingen 2005
(Rva 2005)
- Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen
(Rvb)
Relevante
overige regelgeving:
- Regeling
opvang asielzoekers (ROA)
WET van 19 mei 1994, houdende regels
betreffende de instelling van een zelfstandig bestuursorgaan, belast met
de materiële en immateriële opvang van asielzoekers
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de
materiële en immateriële opvang van asielzoekers toe te vertrouwen aan
een wettelijk ingesteld bestuursorgaan;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. COA: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, bedoeld in
artikel 2;
c. Kaderwet: de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;
d. opvangcentrum: opvangvoorziening, niet zijnde een woning,
hotel of pension, waarin door het COA aan asielzoekers opvang wordt
geboden.
§ 2. Instelling en taken
Artikel 2
1. Er is een Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dat
rechtspersoonlijkheid bezit.
2. Het COA heeft zijn zetel ter plaatse door Onze Minister te
bepalen.
3. De Kaderwet is van toepassing op het COA.
Artikel 3
1. Het COA is belast met:
a. de materiële en immateriële opvang van asielzoekers;
b. het plaatsen van asielzoekers in een opvangvoorziening;
c. het plaatsen van asielzoekers op gemeentelijke
opvangplaatsen, alsmede het betalen van bijdragen aan de
desbetreffende gemeente ten behoeve van de kosten van deze opvang;
d. werkzaamheden met betrekking tot de bemiddeling bij de
uitstroom van verblijfsgerechtigden als bedoeld in artikel 60a,
onderdeel a, van de Huisvestingswet naar door burgemeester en
wethouders beschikbaar gestelde huisvesting;
e. door Onze Minister aan het COA op te dragen andere taken die
samenhangen met de opvang van asielzoekers.
2. Onze minister kan het COA taken als bedoeld in het eerste lid
opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën
vreemdelingen als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 4
Bij de toepassing van artikel 3, tweede en derde lid, doet Onze
Minister, voor zover dat gevolgen heeft voor de uitoefening van openbaar
gezag door het COA, daarvan mededeling aan beide Kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 5
1. In afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet
2000 zijn de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de
Vreemdelingenwet 2000 van toepassing op besluiten in het kader van het
onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens
deze wet.
2. In afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet
2000 worden handelingen van het COA ten aanzien van een vreemdeling
als zodanig die worden verricht in het kader van de beëindiging van
verstrekkingen bij of krachtens deze wet, voor de toepassing van deze
wet met een beschikking gelijkgesteld. De afdelingen 1, 3 en 4 van
hoofdstuk 7 van de Vreemdelingenwet 2000 zijn op die beschikking van
toepassing.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 82 van de
Vreemdelingenwet 2000 niet van toepassing.
Artikel 6
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld ten aanzien van het verstrekken van subsidies door het COA aan
gemeenten ten behoeve van kosten, verband houdende met de opvang van
asielzoekers door het COA.
2. In deze algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels
worden gesteld over de wijze waarop gemeenten dergelijke subsidies
kunnen aanvragen.
Artikel 7
Het COA heeft een bestuur en een raad van toezicht.
Artikel 8
1. Het bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de
voorzitter. Het bestuur besluit bij meerderheid van stemmen. Bij het
staken van stemmen geeft de stem van de voorzitter de doorslag.
2. Het lidmaatschap van het bestuur is onverenigbaar met het
lidmaatschap van de raad van toezicht.
3. Behoudens spoedeisende gevallen stelt Onze Minister de raad van
toezicht in de gelegenheid voor iedere te vervullen plaats in het
bestuur een voordracht te doen van ten minste een persoon, waarvan
Onze Minister niet afwijkt dan na overleg met de raad van toezicht.
4. De leden van het bestuur worden benoemd voor vier jaren. De
aftredende leden kunnen ten hoogste tweemaal worden herbenoemd.
5. De raad van toezicht kan leden van het bestuur voordragen voor
schorsing of ontslag, waarvan Onze Minister niet afwijkt dan na
overleg met de raad. Behoudens een dergelijke voordracht en behoudens
spoedeisende gevallen stelt Onze Minister de raad van toezicht in de
gelegenheid zijn gevoelen kenbaar te maken over de voorgenomen
schorsing of ontslag van een lid van het bestuur.
6. Het bestuur stelt een reglement vast, dat in ieder geval
voorziet in:
a. de vervanging van de voorzitter bij diens schorsing of
ontstentenis;
b. delegatie en mandaat van bevoegdheden van het bestuur;
c. de wijze van besluitvorming van het bestuur.
Artikel 9
1. Het bestuur is belast met de dagelijkse leiding van het COA en
draagt zorg voor een goede uitvoering van de taken, bedoeld in artikel
3.
2. Alle bevoegdheden van het COA die niet bij of krachtens de wet
aan de raad van toezicht zijn toegekend, komen toe aan het bestuur.
3. Een besluit van het bestuur om werkzaamheden, die de uitvoering
van taken als bedoeld in artikel 3 betreffen, door derden te laten
uitvoeren, behoeft voor zover het door Onze Minister aangegeven
werkzaamheden betreft zijn goedkeuring.
Artikel 10
1. De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste
vijf leden, waaronder de voorzitter.
2. De Minister stelt de raad van toezicht in de gelegenheid voor
iedere te vervullen plaats in de raad een voordracht te doen van ten
minste een persoon, waarvan Onze Minister niet afwijkt dan na overleg
met de raad van toezicht.
3. De raad van toezicht wijst uit zijn midden een plaatsvervangend
voorzitter aan.
4. De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor vier
jaren. De aftredende leden kunnen ten hoogste tweemaal worden
herbenoemd.
5. De raad van toezicht kan leden van de raad voordragen voor
schorsing of ontslag, waarvan Onze Minister niet afwijkt dan na
overleg met de raad. Behoudens een dergelijke voordracht stelt Onze
Minister de raad in de gelegenheid zijn gevoelen kenbaar te maken over
de voorgenomen schorsing of ontslag van een lid van de raad.
6. De raad van toezicht stelt een reglement vast, dat in ieder
geval voorziet in:
a. zijn werkwijze en de wijze van zijn besluitvorming;
b. de mogelijkheid tot instelling van commissies.
Artikel 11
1. De raad van toezicht ziet toe op de werkzaamheden van het
bestuur en staat deze met raad terzijde.
2. Goedkeuring dan wel instemming van de raad van toezicht behoeven
de besluiten van het bestuur betreffende:
a. het activiteitenplan;
b. de begroting;
c. de jaarrekening;
d. het jaarverslag;
e. het doen van investeringen of desinvesteringen, die een door
de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan, en
f. het aangaan van meerjarige exploitatie-overeenkomsten, die
een door de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven
gaan.
3. De raad van toezicht kan goedkeuring of instemming als bedoeld
in het tweede lid onthouden wegens strijd met het recht of op de grond
dat het besluit de doelmatige en behoorlijke taakuitoefening door het
COA kan belemmeren.
4. De raad van toezicht adviseert Onze Minister in ieder geval
omtrent:
a. het reglement van het bestuur, bedoeld in artikel 8, zesde
lid, en
b. de aan het lidmaatschap van het bestuur verbonden
bezoldiging of schadeloosstelling, bedoeld in artikel 14 van de
Kaderwet.
5. De raad van toezicht wijst de accountant, bedoeld in artikel 35,
tweede lid, van de Kaderwet, aan.
6. De raad van toezicht bespreekt ten minste eens per jaar in
afwezigheid van het bestuur zijn functioneren, dat van het bestuur en
de daaraan te verbinden conclusies met Onze Minister.
7. Indien het jaarverslag van de raad van toezicht niet tezamen met
het jaarverslag van het bestuur, bedoeld in artikel 10, zevende lid,
onder b, wordt uitgebracht, stelt de raad van toezicht zijn
jaarverslag, in afwijking van artikel 18 van de Kaderwet, binnen een
maand na de vaststelling van de jaarrekening op.
Artikel 12
In afwijking van artikel 1 van de Ambtenarenwet zijn de bij het COA
werkzame personen geen ambtenaar, maar werknemer naar burgerlijk recht.
In afwijking van artikel 2 van de Wet privatisering ABP zijn zij geen
overheidswerknemer in de zin van die wet. Artikel 15 van de Kaderwet is
niet van toepassing.
Artikel 13
Het COA wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter
van het bestuur.
§ 3. Informatievoorziening, sturing en toezicht
Artikel 14
1. Onze Minister, het bestuur en de raad van toezicht verstrekken
elkaar tijdig alle voor de uitoefening van hun taken benodigde
inlichtingen.
2. Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de
verstrekking aan en door hem van inlichtingen als bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 15
1. Het activiteitenverslag, bedoeld in artikel 4:80 van de Algemene
wet bestuursrecht, wordt opgenomen in het jaarverslag, bedoeld in
artikel 18 van de Kaderwet.
2. Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de
inrichting van het activiteitenverslag van het COA.
§ 4. Bekostiging en financieel toezicht
Artikel 16
1. Onze Minister verstrekt het COA een subsidie voor de uitvoering
van de opgedragen taken ten laste van de begroting van het Ministerie
van Justitie.
2. In afwijking van artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is titel 4.2 van die wet op de subsidie van toepassing.
3. De subsidie wordt per boekjaar verstrekt.
4. Afdeling 4.2.8, met uitzondering van de artikelen 4:71 en 4:72,
eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is van toepassing.
Artikel 17
1. Het activiteitenplan behoeft de instemming van Onze Minister. De
artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien door bijzondere omstandigheden voor het COA kosten
ontstaan die niet zijn voorzien bij de indiening van de begroting
wordt ter zake van die kosten een aanvullend activiteitenplan en een
aanvullende begroting ingediend. Ook het aanvullend activiteitenplan
en de aanvullende begroting behoeven de instemming van Onze Minister.
Artikel 18
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent:
a. de gegevens die Onze Minister met het oog op het opstellen
van de begroting verstrekt aan het COA, alsmede op welk tijdstip
deze gegevens uiterlijk worden verstrekt;
b. de termijn waarbinnen Onze Minister op het verzoek tot
verlening onderscheidenlijk tot vaststelling van de subsidie
beslist;
c. de wijze waarop de subsidie wordt bepaald;
d. de gevallen waarin het COA een vergoeding voor
vermogensvorming als bedoeld in artikel 4:41 van de Algemene wet
bestuursrecht verschuldigd is, alsmede hoe deze vergoeding wordt
berekend;
e. de omvang en aanvulling van de egalisatiereserve en de
aanwending van overschotten;
f. de overige aan de subsidie verbonden verplichtingen;
g. het verlenen van voorschotten.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vastgestelde
algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp
aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 19
1. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, onderzoekt de accountant tevens de
naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Onze
Minister stelt een aanwijzing over de reikwijdte en de intensiteit van
de controle vast.
2. De accountant geeft binnen dertien weken na afloop van het
boekjaar een schriftelijke verklaring af over de naleving van de aan
de subsidie verbonden verplichtingen.
3. Het bestuur en de raad van toezicht werken mee aan door Onze
Minister in te stellen onderzoeken, die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van de taak van het ministerie.
Artikel 20
Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de inrichting van
het activiteitenplan en de begroting.
§ 5. Slotbepalingen
Artikel 21
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 22
Deze wet wordt aangehaald als: Wet Centraal Orgaan opvang
asielzoekers.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 19 mei 1994
BEATRIX
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H. d’Ancona
Uitgegeven de zestiende juni 1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto
|