WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het
oog op de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 van het nieuwe Burgerlijk
Wetboek regelen vast te stellen omtrent de wijze van samenstelling en de
werkwijze van de commissies, bedoeld in artikel 6.5.1.2 van het nieuwe
Burgerlijk Wetboek;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Een commissie tot vaststelling, wijziging of intrekking van
een standaardregeling, als bedoeld in artikel 214 van Boek 6 van het
Burgerlijk Wetboek, wordt voor ten minste twee derde gedeelte
samengesteld uit leden die daartoe zijn voorgedragen door
overeenkomstig het volgende lid aangewezen representatieve
organisaties
a. van hen die een bedrijf of beroep uitoefenen waarop de
standaardregeling betrekking heeft;
b. van hen die bij de overeenkomsten waarop de standaardregeling
betrekking heeft, als hun wederpartij plegen op te treden.
2. Onze Minister van Justitie bepaalt, alvorens tot benoeming van
een commissie over te gaan, na overleg met Onze Ministers wie het
onderwerp van de standaardregeling aangaat, bij ministeriële regeling:
a. welke representatieve organisaties leden van de commissie kunnen
voordragen, en
b. het aantal leden dat ieder van deze organisaties kan voordragen.
3. Het aantal leden van de commissie, dat kan worden voorgedragen
door organisaties van hen die een bedrijf of beroep uitoefenen waarop de
standaardregeling betrekking heeft, moet gelijk zijn aan het aantal
leden dat kan worden voorgedragen door de organisaties van hen die als
hun wederpartij plegen op te treden.
4. Een aan te wijzen organisatie dient een rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid te zijn.
Artikel 2
1. Onze Minister van Justitie benoemt de leden die met
inachtneming van het bepaalde in het vorige artikel zijn voorgedragen,
overeenkomstig de voordracht. Indien zwaarwichtige redenen daartoe
nopen, kan hij benoeming overeenkomstig de voordracht weigeren en aan
de organisatie die haar deed een redelijke termijn stellen om een
nieuwe voordracht te doen.
2. Indien niet binnen een redelijke termijn een voordracht als
bedoeld in artikel 1 en in het vorige lid is gedaan, verricht Onze
Minister van Justitie de benoeming naar eigen inzicht uit de kring van
betrokkenen. De aldus benoemde leden worden voor de toepassing van
artikel 1 gelijk gesteld met leden voorgedragen door de organisatie die
niet tot tijdige voordracht is overgegaan.
Artikel 3
1. De voorzitter van de commissie wordt door onze Minister van
Justitie, de commissie gehoord, uit de leden benoemd. Aan de commissie
kan een ambtelijke secretaris worden toegevoegd.
2. De voorzitter van de commissie heeft de leiding van haar
werkzaamheden. Hij stelt de datum en de agenda van haar vergaderingen
vast.
3. Op schriftelijk verzoek van ten minste een derde deel van de
leden is de voorzitter verplicht tot het bijeenroepen van een
vergadering op een termijn van niet langer dan vier weken. Indien aan
het verzoek binnen twee weken geen gevolg wordt gegeven, kunnen de
verzoekers zelf tot die bijeenroeping overgaan.
Artikel 4
De commissie vergadert niet, indien niet meer dan de helft van het
aantal leden aanwezig is. De daarna uitgeschreven vergadering wordt
gehouden, ongeacht het aantal opgekomen leden.
Artikel 5
1. Voor de vaststelling, wijziging of intrekking van een
standaardregeling is een meerderheid van twee derden, voor andere
besluiten de volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen vereist.
Blanco stemmen worden niet tot de uitgebrachte stemmen gerekend.
2. Ieder lid kan één stem uitbrengen. Een stem kan bij volmacht
worden uitgebracht.
3. Bij staking van stemming in een voltallige vergadering is het
voorstel niet aangenomen.
4. Bij staking van stemmen in een andere dan een voltallige
vergadering wordt het nemen van een besluit tot een volgende vergadering
uitgesteld. Indien de stemmen dan opnieuw staken, is het voorstel niet
aangenomen.
Artikel 6
1. In de toelichting bij een door de commissie aan Ons ter
goedkeuring voorgelegde vaststelling, wijziging of intrekking van een
standaardregeling wordt van afwijkende gevoelens van een minderheid,
zo deze dat verlangt, melding gemaakt.
2. De leden zijn bevoegd bij deze toelichting minderheidsnota's
te voegen, indien zij het daarin uitgesproken gevoelen in een
vergadering van de commissie hebben verdedigd.
Artikel 7
1. Op de voorbereiding van het besluit tot vaststelling,
wijziging of intrekking van een standaardregeling is afdeling 3.4 van
de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2. Het verslag, bedoeld in artikel 3:17, van de Algemene wet
bestuursrecht wordt als bijlage aan de in artikel 6, eerste lid,
bedoelde toelichting toegevoegd.
Artikel 8
Onze Minister van Justitie alsmede Onze Ministers wie het onderwerp
van de standaardregeling aangaat, zijn bevoegd de vergaderingen van de
commissie bij te wonen en zich daarin door een of meer door hen aan te
wijzen personen te doen bijstaan, dan wel zich daarin door een of meer
zodanige personen te doen vertegenwoordigen. Zowel zij als hun
vertegenwoordigers hebben in deze vergaderingen raadgevende stem.
Artikel 9
1. Indien zwaarwichtige redenen daartoe nopen kan Onze Minister
van Justitie, de commissie gehoord, een lid van de commissie ontslaan.
2. Na de voltooiing van haar werkzaamheden wordt de commissie
door Onze Minister van Justitie opgeheven.
Artikel 10
Onze Minister van Justitie kan voor elk lid van de commissie een
plaatsvervangend lid benoemen. Het in deze wet omtrent leden bepaalde is
op plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de werkwijze van de in artikel 1 bedoelde commissies.
Artikel 12
Onze Minister van Justitie kan aan de leden van de commissie een
vergoeding toekennen.
Artikel 13
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 14
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet commissies
standaardregelingen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 13 december 1989
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de zevenentwintigste december 1989
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin