WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een
wettelijke regeling te geven van het conflictenrecht met betrekking tot
verbintenissen uit onrechtmatige daad;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Voor de toepassing van deze wet wordt met het grondgebied van een
Staat gelijkgesteld:
a. de installaties en andere inrichtingen ten behoeve van de
exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen, aanwezig in,
op of boven het buiten de territoriale grens van die Staat gelegen
deel van de zeebodem voor zover die Staat daar op grond van het
internationale recht soevereine rechten mag uitoefenen ten behoeve
van de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen;
b. een zich op volle zee bevindend schip dat door of vanwege die
Staat te boek gesteld is of van een zeebrief of daarmee gelijk te
stellen document is voorzien, dan wel bij gebreke van enige
teboekstelling, zeebrief of daarmee gelijk te stellen document,
toebehoort aan een onderdaan van die Staat;
c. een zich in het luchtruim bevindend luchtvaartuig dat door of
vanwege die Staat te boek gesteld is of in het nationaliteitsregister
van die Staat is ingeschreven, dan wel bij gebreke van enige
teboekstelling of inschrijving in het nationaliteitsregister,
toebehoort aan een onderdaan van die Staat.
Artikel 2
1. Deze wet laat onverlet het op 4 mei 1971 te 's-Gravenhage
tot stand gekomen Verdrag inzake de wet die van toepassing is op
verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971, 118) en het op 2 oktober 1973
te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de wet welke van
toepassing is op de aansprakelijkheid wegens produkten (Trb. 1974,
84).
2. Deze wet laat eveneens onverlet het bepaalde in artikel 7 van
de Wet van 18 maart 1993, houdende enige bepalingen van internationaal
privaatrecht met betrekking tot het zeerecht en het binnenvaartrecht
(Stb. 1993, 168).
Artikel 3
1. Verbintenissen uit onrechtmatige daad worden beheerst door
het recht van de Staat op welks grondgebied de daad plaatsvindt.
2. In afwijking van het eerste lid wordt, wanneer een daad
schadelijk inwerkt op een persoon, een goed of het natuurlijke milieu
elders dan in de Staat op welks grondgebied die daad plaatsvindt, het
recht toegepast van de Staat op welks grondgebied die inwerking
geschiedt, tenzij de dader de inwerking aldaar redelijkerwijs niet heeft
kunnen voorzien.
3. Indien dader en benadeelde in dezelfde Staat hun gewone
verblijfplaats onderscheidenlijk plaats van vestiging hebben, is in
afwijking van het eerste en tweede lid het recht van die Staat van
toepassing.
Artikel 4
1. In afwijking van artikel 3 worden verbintenissen wegens
ongeoorloofde mededinging beheerst door het recht van de Staat op
welks grondgebied de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen
beïnvloedt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de
mededingingshandeling uitsluitend tegen een bepaalde concurrent is
gericht.
Artikel 5
Indien een onrechtmatige daad nauw verbonden is met een tussen dader
en benadeelde bestaande of gewezen rechtsverhouding, kan in afwijking
van de artikelen 3 en 4 op de verbintenis uit onrechtmatige daad het
recht worden toegepast dat die andere rechtsverhouding beheerst.
Artikel 6
1. Indien partijen het op de verbintenis uit onrechtmatige daad
toepasselijke recht hebben gekozen, is in afwijking van de artikelen 3
tot en met 5 tussen hen dit recht van toepassing.
2. De rechtskeuze dient uitdrukkelijk te zijn gedaan of
anderszins voldoende duidelijk te blijken.
Artikel 7
Het op grond van de artikelen 3 tot en met 6 toepasselijke recht
bepaalt in het bijzonder:
a) de gronden voor en de omvang van de aansprakelijkheid;
b) de gronden voor uitsluiting, beperking en verdeling van de
aansprakelijkheid;
c) het bestaan en de aard van schade die voor vergoeding in
aanmerking komt;
d) de omvang van de schade en de wijze van vergoeding ervan;
e) de mogelijkheid tot overdracht of overgang van het recht op
schadevergoeding;
f) de personen die uit eigen hoofde recht hebben op
schadevergoeding;
g) de aansprakelijkheid van een opdrachtgever voor handelingen
van degene die voor hem optreedt;
h) de termijn voor de verjaring of het verval van een aanspraak
op schadevergoeding, alsmede het tijdstip van aanvang van de termijn
en van zijn stuiting of schorsing.
Artikel 8
Het in de artikelen 3 tot en met 7 bepaalde staat niet eraan in de
weg dat rekening wordt gehouden met op de plaats van de onrechtmatige
daad geldende verkeers- en veiligheidsvoorschriften of andere daarmee
vergelijkbare voorschriften strekkend tot bescherming van personen of
zaken.
Artikel 9
Deze wet wordt aangehaald als: Wet conflictenrecht onrechtmatige
daad.
Artikel 10
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede
kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij
wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 11 april 2001
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de vierentwintigste april 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals