Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 16 september 2004, houdende
regeling van DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA-onderzoek bij
veroordeelden)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te
regelen dat DNA-onderzoek plaatsvindt bij personen die zijn veroordeeld
wegens bepaalde misdrijven, teneinde bij te dragen aan de voorkoming,
opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van deze
personen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1.
In deze wet
wordt verstaan onder:
a. DNA-onderzoek: onderzoek van celmateriaal dat slechts is gericht
op het vergelijken van DNA-profielen;
b. verwerken: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder
b, van de Wet bescherming persoonsgegevens;
c. veroordeelde: een persoon die
al dan niet onherroepelijk is veroordeeld tot een straf als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onder a, onderdeel 1° of 3°, van het Wetboek
van Strafrecht, een straf als bedoeld in artikel 77h, eerste lid,
onder a, van dat wetboek, voorzover het de jeugddetentie of taakstraf
betreft, of een straf als bedoeld in artikel 6, onder a, van het
Wetboek van Militair Strafrecht dan wel tot een maatregel als bedoeld
in artikel 37, 37a juncto 37b of 38, 38m of 77s van het Wetboek van Strafrecht;
d. opsporingsambtenaar: een ambtenaar van politie als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onder a, van de Politiewet 1993, een ambtenaar
van politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van die
wet, voorzover deze is aangesteld voor de uitvoering van taken op het
terrein van de technische recherche, of een militair van de
Koninklijke marechaussee als bedoeld in artikel 141, onder c, van het
Wetboek van Strafvordering.
2. Met een veroordeelde als bedoeld in het eerste lid, onder c,
wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld een persoon die op
grond van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht is ontslagen van
alle rechtsvervolging en aan wie tevens een maatregel als voorzien in
artikel 37, 37a juncto 37b of 38, 38m of 77s van het Wetboek van
Strafrecht is opgelegd, alsmede een persoon aan wie bij onherroepelijke
strafbeschikking een taakstraf is opgelegd.
Artikel 2
1. De officier van justitie bij de rechtbank die in eerste
aanleg vonnis heeft gewezen, dan wel de officier van justitie die de
strafbeschikking heeft uitgevaardigd, beveelt dat van een veroordeelde
wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het
Wetboek van Strafvordering, celmateriaal zal worden afgenomen ten
behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, tenzij:
a. van deze persoon reeds een DNA-profiel is verwerkt op grond van
artikel 151a, eerste lid, tweede volzin, of 195a, eerste lid, tweede
volzin, van het Wetboek van Strafvordering, dan wel op grond van
artikel 23, eerste lid, onder a, van de Wet bescherming
persoonsgegevens;
b. redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van
zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere
omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis
zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en
berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
2. Het bevel, de tenuitvoerlegging dan wel de verdere
tenuitvoerlegging van het bevel kan achterwege blijven indien zich naar
het oordeel van de officier van justitie zwaarwegende redenen voordoen
het DNA-onderzoek aan ander celmateriaal van de veroordeelde dan
afgenomen celmateriaal te laten plaatsvinden.
3. De officier van justitie die het bevel heeft gegeven, benoemt
een deskundige, verbonden aan een van de bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen laboratoria, met de opdracht een DNA-onderzoek te
verrichten en hem een met redenen omkleed verslag uit te brengen.
4. De officier van justitie geeft de veroordeelde schriftelijk
kennis van de uitslag van het DNA-onderzoek indien zijn DNA-profiel
overeenkomt met een ander verwerkt DNA-profiel en het belang van het
onderzoek dat toelaat.
5. DNA-profielen worden slechts verwerkt voor de voorkoming,
opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur worden, het College bescherming
persoonsgegevens gehoord, regels gesteld voor het verwerken van
DNA-profielen en celmateriaal.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden over de
wijze van uitvoering van het tweede en derde lid nadere regels gesteld.
Artikel 3
1. Het bevel, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, is
gedagtekend en ondertekend en bevat de plaats waar en de datum en het
tijdstip waarop het bevel ten uitvoer zal worden gelegd.
2. Het bevel omschrijft het misdrijf waarvoor de betrokken
persoon is veroordeeld en vermeldt de strafbeschikking of het vonnis of
arrest waarbij de veroordeling heeft plaatsgevonden.
3. Het bevel bevat voorzover mogelijk de naam, voornamen,
geboortedatum, geboorteplaats en woon- of verblijfplaats van de
veroordeelde.
4. Het bevel vermeldt het rechtsmiddel dat openstaat tegen het
bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, en de
termijn waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend.
5. Het bevel wordt aan de veroordeelde betekend door uitreiking
overeenkomstig artikel 588, eerste lid, onder b, tweede en derde lid,
van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 4
1. Indien noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van het bevel,
kan de officier van justitie de aanhouding van de veroordeelde
bevelen. Het bevel tot aanhouding is schriftelijk en bevat de reden
van aanhouding. Een afschrift van het bevel wordt de aangehouden
persoon onverwijld uitgereikt.
2. De aanhouding wordt verricht door een opsporingsambtenaar, die
daartoe elke plaats kan betreden en doorzoeken.
3. Celmateriaal wordt slechts van de aangehouden persoon
afgenomen, nadat van hem een of meer vingerafdrukken overeenkomstig het
Wetboek van Strafvordering zijn genomen en verwerkt en de
opsporingsambtenaar zijn identiteit heeft vastgesteld op de wijze,
bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van
het Wetboek van Strafvordering.
4. Indien de aangehouden persoon ontkent de persoon te zijn tegen
wie het bevel, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, is gericht, of
indien over zijn identiteit twijfel bestaat, is de opsporingsambtenaar
bevoegd de aangehouden persoon, voor zover dat noodzakelijk is voor de
vaststelling van zijn identiteit, aan zijn kleding te onderzoeken,
alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich meevoert te
onderzoeken. Artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering is van
overeenkomstige toepassing.
5. Voorzover noodzakelijk voor de vaststelling van zijn
identiteit, kan de aangehouden persoon op bevel van de officier van
justitie voor ten hoogste zes uren worden opgehouden, met dien verstande
dat de tijd tussen middernacht en negen uur 's morgens niet wordt
meegerekend. Het bevel tot ophouding is schriftelijk en bevat de reden
van ophouding. Het bevel wijst de aangehouden persoon, aan wie
onverwijld een afschrift van het bevel wordt uitgereikt, zo duidelijk
mogelijk aan. De officier van justitie kan ten aanzien van de opgehouden
persoon maatregelen ter vaststelling van zijn identiteit bevelen. Als
zodanige maatregelen worden aangemerkt de maatregelen, bedoeld in
artikel 55c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Indien
noodzakelijk voor de vaststelling van de identiteit van de aangehouden
persoon, kan de officier van justitie schriftelijk bevelen dat de
termijn van zes uren eenmaal met ten hoogste zes uren wordt verlengd.
6. Het bevel, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, wordt zo
spoedig mogelijk na de aanhouding van de veroordeelde ten uitvoer
gelegd.
7. Voor de tenuitvoerlegging van het bevel mag de aangehouden
veroordeelde wiens identiteit is vastgesteld, niet langer dan zes uren
worden opgehouden, met dien verstande dat de tijd tussen middernacht en
negen uur 's morgens niet wordt meegerekend.
Artikel 5
1. Het bevel, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, wordt
ten uitvoer gelegd door afname van wangslijmvlies. Indien afname van
wangslijmvlies om bijzondere geneeskundige redenen of vanwege het
verzet van de veroordeelde onwenselijk is dan wel geen geschikt
celmateriaal oplevert, wordt bloed afgenomen of worden haarwortels
afgenomen, zo nodig met behulp van de sterke arm of, voorzover de
veroordeelde in een inrichting, niet zijnde een psychiatrisch
ziekenhuis, verblijft, de functionaris, bedoeld in arti kel
1, onder d, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder h, van
de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1,
onder i, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
2. Het celmateriaal wordt door een arts of
een verpleegkundige afgenomen. In bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen gevallen kan het celmateriaal worden afgenomen door een persoon
die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen eisen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden over de
wijze van uitvoering van dit artikel nadere regels gesteld.
Artikel 6
1. Indien de officier van
justitie oordeelt dat zich zwaarwegende redenen voordoen om het
DNA-onderzoek aan ander celmateriaal van de veroordeelde dan afgenomen
celmateriaal te laten plaatsvinden, kan hij een opsporingsambtenaar of
de functionaris, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Penitentiaire
beginselenwet, artikel 1, onder g, van de Beginselenwet verpleging ter
beschikking gestelden of artikel 1, onder i, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen, opdragen voorwerpen in beslag te nemen
waarop vermoedelijk celmateriaal van de
veroordeelde aanwezig is.
2. Voorzover noodzakelijk voor de inbeslagneming van voorwerpen
waarop vermoedelijk celmateriaal van de veroordeelde aanwezig is, kan de
officier van justitie de woning van de veroordeelde zonder toestemming
van de bewoner betreden en doorzoeken. Artikel 99, eerste lid, van het
Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
3. Zodra voor het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de
veroordeelde voldoende celmateriaal in beslag is genomen, deelt de
officier van justitie dit schriftelijk aan de veroordeelde mee. Deze
mededeling wordt aan de veroordeelde betekend door uitreiking
overeenkomstig artikel 588, eerste lid, onder b, tweede en derde lid,
van het Wetboek van Strafvordering.
4. Zodra het DNA-onderzoek is verricht, doet de officier van
justitie de in beslag genomen voorwerpen teruggeven aan degene bij wie
ze in beslag zijn genomen.
Artikel 7
1. De veroordeelde kan tegen het bepalen en verwerken van zijn
DNA-profiel, binnen veertien dagen na de dag waarop zijn celmateriaal
is afgenomen onderscheidenlijk de dag waarop de mededeling, bedoeld in
artikel 6, derde lid, is betekend, een bezwaarschrift indienen bij de
rechtbank die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen, dan wel de
rechtbank in het arrondissement waar tegen de strafbeschikking verzet
had kunnen worden gedaan. De zesde afdeling van Titel I van het Eerste
Boek van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige
toepassing.
2. Het bezwaarschrift is met redenen omkleed.
3. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.
4. Zolang tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel een
bezwaarschrift kan worden ingediend en zolang een ingediend
bezwaarschrift niet is ingetrokken of daarop niet is beslist, wordt op
basis van het celmateriaal van de veroordeelde geen DNA-profiel bepaald.
5. Indien de rechtbank het bezwaarschrift gegrond verklaart,
beveelt zij de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het
celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd.
Artikel 8
1. Deze wet is van
toepassing op personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet reeds zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf als bedoeld
in artikel 9, eerste lid, onder a, onderdeel 1°, of 77h, eerste lid,
onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 6, onder a, van het
Wetboek van Militair Strafrecht dan wel een vrijheidsbenemende maatregel
als bedoeld in artikel 37, 37a juncto 37b, 38m of 77s van het Wetboek
van Strafrecht, tenzij zij deze straf of maatregel op dat tijdstip
hebben ondergaan of in verband met het misdrijf waarvoor deze straf of
maatregel bij onherroepelijke veroordeling is opgelegd, voorlopige
hechtenis hebben ondergaan waarvan de duur ten minste gelijk is aan de
duur van deze straf of maatregel.
2. Deze wet is voorts van toepassing op personen die op het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingevolge artikel 38c van het
Wetboek van Strafrecht alsnog van overheidswege worden verpleegd.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder de duur van
de voorlopige hechtenis begrepen de duur van de inverzekeringstelling.
Artikel 9
[Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet]
Artikel 10
[Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden]
Artikel 11
[Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
Artikel 12
[Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging
ter beschikking gestelden en de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen]
Artikel 13
DNA-profielen van veroordeelden die voor de inwerkingtreding van deze
wet op grond van artikel 23, eerste lid, onder a, van de Wet bescherming
persoonsgegevens zijn verwerkt, worden geacht te zijn verwerkt op grond
van artikel 2, eerste lid, aanhef, voorzover deze veroordeelden op het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een straf of maatregel als
bedoeld in artikel 8 ondergaan.
Artikel 14
[Wijzigt het Wetboek van Strafvordering]
Artikel 15
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor veroordeelden wegens verschillende misdrijven
verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 16
Deze wet wordt aangehaald als: Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 16 september 2004
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de achtentwintigste september 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|