Nadere regelgeving:
- Besluit bekwaamheidseisen
onderwijspersoneel
- Besluit maatschappelijke
ondersteuning
- Besluit participatiebudget
- Besluit
ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en
voortgezet onderwijs (Bza)
- Doorstroomregeling VMBO-beroepsonderwijs
- Staatsexamenbesluit
VO
- Uitvoeringsbesluit WEB
- Uitvoeringsregeling WEB
(vervallen)
- Uitvoeringsregeling
WEB 2007
WET van 31 oktober 1995, houdende
bepalingen met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de
totstandkoming van een landelijke kwalificatiestructuur voor het
beroepsonderwijs, de gewenste verbetering van de aansluiting tussen
onderwijs en arbeidsmarkt, de gewenste verbetering van de afstemming
tussen beroepsonderwijs en educatie, en voor een samenhangende
besluitvorming op het gebied van de educatie, wenselijk is de toedeling
van bevoegdheden aan de rijksoverheid, aan de gemeenten, aan de
landelijke organen en aan de instellingen te herzien;
dat het daarvoor wenselijk is de regelingen met betrekking tot de
educatie en het beroepsonderwijs in de Wet op het cursorisch
beroepsonderwijs en de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991, alsmede de
regelingen met betrekking tot het middelbaar beroepsonderwijs en het
voortgezet algemeen volwassenenonderwijs in de Wet op het voortgezet
onderwijs, in een samenhangend wettelijk kader neer te leggen met ingang
van de expiratiedatum van deze regelingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
Titel 1. Definities, reikwijdte, aard bepalingen
Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en,
voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van landbouw,
natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
b. instelling:
1º. een regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1,
2º. een vakinstelling als bedoeld in artikel 1.3.2a, of
3º. een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3;
tenzij anders blijkt;
b1. kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven: kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.5.1;
c. openbare instelling: een instelling in stand gehouden door een
gemeente dan wel door een openbaar lichaam, ingesteld bij een
gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke
regelingen, waarin deelnemen een of meer gemeenten, al dan niet te zamen
met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid;
d. bijzondere instelling: een instelling die uitgaat van een
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid niet zijnde een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1 van het Burgerlijk Wetboek;
e. exameninstelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.6.1;
f. onderwijs: educatie en beroepsonderwijs;
g. educatie: onderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid;
g1. eindtermen: de eindtermen, bedoeld in artikel 7.3.3;
h. beroepsonderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid;
i. beroepsopleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.1.2, tweede
lid;
i1. voltijdse beroepsopleiding: een beroepsopleiding als bedoeld in
artikel 7.2.7, derde lid;
i2. deeltijdse beroepsopleiding: een beroepsopleiding als bedoeld in
artikel 7.2.7, vijfde lid;
j. beroepspraktijkvorming: het onderricht in de praktijk van het beroep,
bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid;
k. leerweg: een leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid;
l. beroepsopleidende leerweg: de leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2,
tweede lid, onder a;
m. beroepsbegeleidende leerweg: de leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2,
tweede lid, onder b;
n. opleiding educatie: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3.1,
eerste lid;
n1. opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs: opleiding als
bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a;
o. examinering: het nemen van beslissingen over inhoud en niveau van
examens van een beroepsopleiding, procedures en voorwaarden waaronder
examens worden afgenomen, alsmede het vaststellen van de uitslag van
examens. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op examens
van de afzonderlijke leerwegen van een opleiding indien Onze Minister
ingevolge artikel 7.2.4, tweede lid, heeft besloten dat een opleiding
zowel in de beroepsopleidende als in de beroepsbegeleidende leerweg kan
worden verzorgd, alsmede op een opleiding educatie;
p. [vervallen;]
q. volwassene: een in Nederland woonachtige van 18 jaren of ouder;
r. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31
juli van het daarop volgend jaar;
s. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht;
t. kwalificatie: de kwalificatie, bedoeld in artikel 7.1.3;
t1. kwalificatiedossier: een document waarin een of meer kwalificaties
zijn beschreven;
t2. opleidingsdomein: een samenhangend geheel van kwalificatiedossiers
die zijn gericht op en van belang zijn voor eenzelfde bedrijfstak of
groep van bedrijfstakken;
u. Centraal register: het Centraal register beroepsonderwijs, bedoeld in
artikel 6.4.1, eerste lid;
v. paritaire commissie beroepsonderwijs bedrijfsleven: de commissie,
bedoeld in artikel 9.2.1, derde lid;
v1. college van bestuur van een bijzondere instelling: het orgaan van de
instelling dat als zodanig in de statuten is aangewezen;
w. bevoegd gezag:
1. wat een openbare instelling betreft: het college van burgemeester en
wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad
dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen
regelen, dan wel het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke
regeling bevoegde orgaan;
2. wat een bijzondere instelling betreft: het college van bestuur, of
indienartikel 9.1.8 is toegepast, het bestuur van de rechtspersoon
waarvan de instelling uitgaat;
3. wat een instelling als bedoeld in de artikelen 1.4.1 dan wel 1.4a.1
betreft: het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat,
dan wel de natuurlijke persoon die de instelling in stand houdt;
4. wat een exameninstelling als bedoeld in artikel 1.6.1 betreft: het
bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat;
x. waarborgfonds: het fonds, bedoeld in artikel 2.8.1;
y. persoonsgebonden nummer: het burgerservicenummer, bedoeld in artikel
1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, dan wel
het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel
8.1.1a, vierde lid;
z. personeel:
1. de benoemde docenten, en overig personeel dat is benoemd aan de
instelling of het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven;
2. het onder a bedoelde personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld
aan de instelling of het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven,
tenzij het betreft de toepassing van de artikelen 3.1.2, 3.2.1, 3.3.1,
4.1.1, 4.1.2 tot en met 4.1.6, 4.3.1 tot en met 4.3.5, en de toepassing
van daarmee verband houdende wettelijke bepalingen;
aa. uitkering: uitkering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de
Wet participatiebudget;
bb. sociaal-fiscaalnummer: het sociaal-fiscaalnummer, bedoeld in artikel
2, derde lid, onder k, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
cc. meldingsregister relatief verzuim: meldingsregister relatief verzuim
als bedoeld in artikel 24h van de Wet op het onderwijstoezicht;
dd. basisregister onderwijs: basisregister onderwijs als bedoeld in
artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht;
ee. ondernemingsraad: een ondernemingsraad als bedoeld in de Wet op de
ondernemingsraden.
Artikel 1.1.2 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 1.1.3. Aard bepalingen
1. De bepalingen vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1.3.6, 1.3.7,
1.3.8, 1.7.1, 2.8.1 tot en met 2.8.3, 3.2.1, 4.1.1 tot en met 4.1.4,
4.2.1 tot en met 4.2.5, 6.4.1 tot en met 6.4.4, hoofdstuk 7, met
uitzondering van artikel 7.4.7 en met uitzondering van titel 6, de
artikelen 8.1.1, 8.1.1a, 8.1.2, tweede lid, 8.1.3, eerste tot en met
derde lid, 8.1.4 tot en met 8.2.1, 8.4.1,8.4.2 en9.1.2, alsmede de
bepalingen vastgesteld inhoofdstuk 8a voor zover zij de instellingen
betreffen, zijn regels voor openbare instellingen voor educatie en
beroepsonderwijs.
2. De bepalingen vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1.3.6, 1.3.8,
1.7.1, 2.1.9, 2.8.1 tot en met 2.8.3, 3.2.1, 4.1.1, 4.1.2, 4.1.4, 4.1.5,
eerste lid, 4.1.6 tot en met 4.2.5, 6.4.1 tot en met 6.4.4, hoofdstuk 7,
met uitzondering van artikel 7.4.7 en met uitzondering van titel 6, de
artikelen 8.1.1, 8.1.1a, 8.1.2, eerste lid, 8.1.3 tot en met 8.2.1,
8.4.1,8.4.2, 9.1.1, 9.1.3, eerste lid, 9.1.4, 9.1.7 en9.1.8, alsmede de
bepalingen vastgesteld in hoofdstuk 8a voor zover zij de instellingen
betreffen, zijn voorwaarden voor bekostiging voor bijzondere
instellingen voor educatie en beroepsonderwijs.
Titel 2. Doelstellingen onderwijs
Artikel 1.2.1. Doelstellingen onderwijs
1. Educatie is gericht op bevordering van de zelfredzaamheid van
volwassenen en sluit waar mogelijk aan op het ingangsniveau van het
beroepsonderwijs. Educatie omvat activiteiten op het niveau van het
basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Opleidingen voortgezet
algemeen volwassenenonderwijs zijn gericht op het behalen van een
diploma van onderwijs als bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 van de
Wet op het voortgezet onderwijs.
2. Beroepsonderwijs is gericht op de theoretische en praktische
voorbereiding voor de uitoefening van beroepen, waarvoor een
beroepskwalificerende opleiding is vereist of dienstig kan zijn. Het
beroepsonderwijs bevordert tevens de algemene vorming en de persoonlijke
ontplooiing van de deelnemers en draagt bij tot het maatschappelijk
functioneren. Beroepsonderwijs sluit aan op het voorbereidend
beroepsonderwijs en het algemeen voortgezet onderwijs. Beroepsonderwijs
omvat niet het hoger onderwijs.
Titel 3. Bekostigde instellingen voor educatie en beroepsonderwijs
§ 1. Instellingen
Artikel 1.3.1. Regionale opleidingencentra
1. Aan regionale opleidingencentra worden verzorgd:
a. opleidingen beroepsonderwijs,
b. indien de desbetreffende instelling op 1 augustus 2012 een of meer
opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgde: een of
meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, en
c. tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip:
opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b
tot en met f.
2. Aan regionale opleidingencentra kunnen worden verzorgd:
a. indien de desbetreffende instelling op 1 augustus 2012 geen
opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgde: een of
meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en
b. vanaf het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c:
opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b
tot en met f.
3. Het regionaal opleidingencentrum dat daarvoor op grond van artikel
2.1.3, eerste en tweede lid, in aanmerking komt, heeft aanspraak op
bekostiging uit ’s Rijks kas voor
a. het verzorgen van beroepsopleidingen die op de voet van artikel 2.1.1
voor bekostiging in aanmerking komen en
b. het verzorgen van opleidingen voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs die op de voet van artikel 2.1.2 voor bekostiging
in aanmerking komen.
4. De regionale opleidingencentra die daarvoor op grond van artikel
2.3.3 in aanmerking komen, ontvangen voor het verzorgen van opleidingen
educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b tot en met f,
een bedrag van het college van burgemeester en wethouders.
5. Aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens
van opleidingen als bedoeld in het derde en vierde lid is een bewijsstuk
als bedoeld in artikel 7.4.6 of, indien het betreft voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs of Nederlands als tweede taal I en II, 7.4.11,
vijfde lid, verbonden.
Artikel 1.3.2 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 1.3.2a. Vakinstellingen
1. Aan vakinstellingen worden beroepsopleidingen verzorgd die naar hun
aard en onderlinge samenhang aantoonbaar gericht zijn op en van belang
zijn voor een specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken.
2. Artikel 1.3.1, derde lid, onder a, en vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.3.3. Agrarische opleidingscentra
1. Agrarische opleidingscentra zijn instellingen waarin beroepsonderwijs
op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel en
voorbereidend beroepsonderwijs in de afdeling landbouw, natuurlijke
omgeving en voedsel, bedoeld in artikel 10c, onderdeel d, van de Wet op
het voortgezet onderwijs, worden verzorgd. Voor zover dat bij wet is
bepaald, kan aan een agrarisch opleidingscentrum tevens ander voortgezet
onderwijs worden verzorgd.
2. Artikel 1.3.1, derde lid, onder a, en vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.3.4 [Vervallen per 01-08-2007]
§ 2. Taken
Artikel 1.3.5. Taken instellingen
Bij de uitvoering van hun taak dragen de instellingen, onverminderd het
bij of krachtens deze wet bepaalde, mede zorg voor:
a. de toegankelijkheid van het onderwijs, in het bijzonder voor kansarme
groepen,
b. het aanbieden van doelmatige leerwegen, in het bijzonder door het
zorg dragen voor een zorgvuldige afstemming tussen opleidingen voor
educatie en beroepsopleidingen, en
c. het bieden van mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie en
-begeleiding.
§ 3. Kwaliteitszorg
Artikel 1.3.6. Kwaliteitszorg
1. Het bevoegd gezag richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de
instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat, zo veel
mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een
regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs, waaronder
maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn
bekwaamheid onderhoudt. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de in
de eerste volzin bedoelde beoordeling geschiedt met betrokkenheid van
onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden. De uitkomsten van de
beoordeling zijn openbaar.
2. Het bevoegd gezag maakt regelmatig, en voor zover het de examens
betreft jaarlijks, een verslag openbaar omtrent:
a. de beoordeling, bedoeld in het eerste lid,
b. de uitkomsten van die beoordeling, en
c. het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten.
Artikel 1.3.6a. Kwaliteit onderwijspersoneel
Het bevoegd gezag draagt zorg voor het personeelsbeleid, voor zover het
betreft de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel.
§ 4. Overige voorschriften
Artikel 1.3.7. Karakter openbaar onderwijs
1. Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de
deelnemers met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en
maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving
en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die
waarden.
2. Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders
godsdienst of levensbeschouwing.
Artikel 1.3.8. Verplichting tot overleg en aangifte inzake
zedenmisdrijven
1. Indien het bevoegd gezag op enigerlei wijze bekend is geworden dat
een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich
mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden
als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een
minderjarige deelnemer van de instelling, treedt het bevoegd gezag
onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6
van de Wet op het onderwijstoezicht.
2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden
geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de
desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als
bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige deelnemer van de
instelling, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een
opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van
het Wetboek van Strafvordering, en stelt het bevoegd gezag de
vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het bevoegd
gezag overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de
betrokken deelnemer, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de
instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.
3. Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van
de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of
heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een
minderjarige deelnemer van de instelling, stelt het personeelslid het
bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.
Titel 4. Niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen werkzaam op het
gebied van het beroepsonderwijs
Artikel 1.4.1. Andere instellingen voor beroepsonderwijs
1. Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een
andere dan een in artikel 1.1.1, onder b, bedoelde instelling of van een
instelling dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen
van examens van een beroepsopleiding, verzorgd door die instelling, een
diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.6 is verbonden, indien
de desbetreffende instelling voor die opleiding in acht neemt hetgeen
bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van:
a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6,
b. het onderwijs, met uitzondering van artikel 7.1.1, en de examens,
c. de rechtsbescherming van de deelnemers, bedoeld in hoofdstuk 7, titel
5,
d. de onderwijsovereenkomst, bedoeld in artikel 8.1.3, eerste tot en met
derde lid,
e. de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 8.2.1, en
f. de opneming in het Centraal register.
Het bevoegd gezag voegt bij deze aanvraag in elk geval een beschrijving
van de regeling voor het onderwijsprogramma en de examens, bedoeld in
artikel 7.4.8, voor de beroepsopleiding waarop de aanvraag betrekking
heeft.
2. Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een
aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet
binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager
daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de
beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
3. Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag verstrekt Onze Minister
de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het bevoegd gezag doet
Onze Minister jaarlijks voor 1 maart een verslag toekomen omtrent de
werkzaamheden van de instelling voor zover betrekking hebbend op
beroepsopleidingen.
4. Voor zover ten aanzien van een instelling toepassing is gegeven aan
het eerste lid, wordt die instelling voor de toepassing van deze wet
aangemerkt als een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling.
5. Artikel 1.3.8, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige
toepassing op instellingen als bedoeld in het eerste lid.
6. Voor een andere dan een in artikel 1.1.1, onderdeel b, bedoelde
instelling of een instelling zijn voor zover het betreft een
beroepsopleiding ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan het
eerste lid van overeenkomstige toepassing:
a. deartikelen 2.5.5a, eerste, tweede, vijfde tot en met zevende, en
negende tot en met twaalfde lid, met dien verstande dat van de gegevens,
bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, uitsluitend worden verstrekt de
gegevens, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, h tot en met j, en l
en o en p, van dat lid;
b. artikel 2.5.5b;
c. artikel 2.5.5c, eerste en derde lid, met dien verstande dat artikel
2.5.5c, eerste lid, onderdeel a, wordt gelezen als: Onze Minister voor
zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de beleidsvoorbereiding;
d. artikel 2.5.5e;
e. de artikelen 8.1.1a, 8.1.8 en 8.1.8a; en
f. de artikelen 8.3.1 tot en met 8.3.3.
7. Voor een beroepsopleiding als bedoeld in de aanhef van het zesde lid
kan bij ministeriële regeling een nadere specificatie worden gegeven
van de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, voor zover dat
lid van overeenkomstige toepassing is verklaard in het zesde lid,
onderdeel a, en worden bepaald welke van die gegevens niet langer
behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts
regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van
verstrekking van die gegevens. Bij ministeriële regeling worden regels
gesteld ter uitvoering van artikel 2.5.5c, eerste en derde lid, voor
zover die leden van overeenkomstige toepassing zijn verklaard in het
zesde lid, onderdeel c, in ieder geval omtrent de inhoud en de
samenstelling van die gegevens, de wijze waarop de gegevens uit het
basisregister onderwijs worden verstrekt, de tijdstippen waarop de
gegevens worden verstrekt, en de perioden waarop de gegevens betrekking
hebben.
Titel 4a. Andere instellingen die een opleiding educatie verzorgen
Artikel 1.4a.1. Andere instellingen die een opleiding educatie verzorgen
1. Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een in
het tweede lid bedoelde instelling, dat aan de met goed gevolg afgelegde
examens of onderdelen van examens van een opleiding educatie, verzorgd
door die instelling, een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 of, indien
het betreft voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of Nederlands als
tweede taal I en II, een diploma of certificaat als bedoeld in artikel
7.4.11, vijfde lid, is verbonden, indien die instelling in acht neemt
hetgeen bij of krachtens deze wet voor die opleiding is bepaald ten
aanzien van de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6, en ten aanzien
van het onderwijs, bedoeld in hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel
7.1.1, titel 2, titel 4 voor zover het betreft de artikelen 7.4.3, 7.4.4
en 7.4.7, en titel 6, en eveneens in acht neemt hetgeen is bepaald in
artikel 8.1.1, zesde lid, eerste volzin.
2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan voor een
andere dan een in artikel 1.1.1, onder b, bedoelde instelling of voor
een instelling. Het bevoegd gezag voegt bij deze aanvraag in elk geval
het ontwerp van een beschrijving van de regeling voor het
onderwijsprogramma en de examens, bedoeld in artikel 7.4.8, voor de
opleiding educatie waarop de aanvraag betrekking heeft.
3. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft geen betrekking op
een opleiding educatie waarvoor de instelling een rijksbijdrage als
bedoeld in artikel 2.2a.1 of een bedrag als bedoeld in artikel 2.3.3
ontvangt of op een opleiding educatie die daarmee overeenkomt.
4. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft uitsluitend
betrekking op opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste
lid, onder a, alsmede op andere in dat lid bedoelde opleidingen, voor
zover daarvoor bij ministeriële regeling eindtermen zijn vastgesteld.
5. Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een
aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet
binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager
daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de
beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Een begunstigende
beschikking is voor het eerst van kracht ten aanzien van een opleiding
educatie die aanvangt nadat die beschikking is bekend gemaakt.
6. Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag verstrekt Onze Minister
jaarlijks voor 15 oktober een opgave van de opleidingen educatie,
bedoeld in het eerste lid, die de instelling verzorgt in het lopende
studiejaar, alsmede van de opleidingen educatie die de instelling heeft
verzorgd in het daaraan voorafgaande studiejaar.
7. Voor zover ten aanzien van een instelling die een opleiding educatie
verzorgt, toepassing is gegeven aan het eerste lid, wordt die instelling
voor de toepassing van deze wet wat deze opleiding betreft, aangemerkt
als een andere instelling dan bedoeld in artikel 1.1.1, onder b.
8. Voor een andere dan een in artikel 1.1.1, onderdeel b, bedoelde
instelling of een instelling zijn voor zover het betreft een opleiding
educatie ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan het eerste lid
van overeenkomstige toepassing:
a. artikel 2.3.6a, eerste, tweede, vierde, vijfde, en zevende tot en met
negende lid, met dien verstande dat van de gegevens, bedoeld in artikel
2.3.6a, tweede lid, uitsluitend worden verstrekt de gegevens, bedoeld in
de onderdelen a tot en met c, e tot en met i, en k tot en met m, waarbij
onderdeel g wordt gelezen als: het uitstroomniveau of het behaalde
diploma en de datum waarop het diploma is behaald;
b. artikel 2.3.6b;
c. artikel 2.3.6c, eerste en tweede lid, met dien verstande dat artikel
2.3.6c, eerste lid, onderdeel a, wordt gelezen als: Onze Minister voor
zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de beleidsvoorbereiding;
d. artikel 2.3.6d;
e. de artikelen 8.1.1a, 8.1.8 en 8.1.8a; en
f. de artikelen 8.3.1 tot en met 8.3.3.
9. Voor een opleiding educatie als bedoeld in de aanhef van het achtste
lid kan bij ministeriële regeling een nadere specificatie worden
gegeven van de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, voor
zover dat lid van overeenkomstige toepassing is verklaard in het achtste
lid, onderdeel a, en worden bepaald welke van die gegevens niet langer
behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts
regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van
verstrekking van die gegevens. Bij ministeriële regeling worden regels
gesteld ter uitvoering van artikel 2.3.6c, eerste en tweede lid, voor
zover die leden van overeenkomstige toepassing zijn verklaard in het
achtste lid, onderdeel c, in ieder geval omtrent de inhoud en de
samenstelling van die gegevens, de wijze waarop de gegevens uit het
basisregister onderwijs worden verstrekt, de tijdstippen waarop de
gegevens worden verstrekt, en de perioden waarop de gegevens betrekking
hebben.
Artikel 1.4a.2. Samenwerking met onbekostigde VO-scholen [Treedt in
werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel 1.4a.1,
tweede lid, waarvoor wat betreft een opleiding voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a,
toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste lid, kan, ten aanzien
van genoemde opleiding, in afwijking van artikel 8.1.1, zesde lid,
eerste volzin, in gevallen als geregeld in en met inachtneming van de
voorschriften gegeven bij of krachtens artikel 58a van de Wet op het
voortgezet onderwijs tot onderwijs- en examenvoorzieningen van de
instelling toelaten zij die niet als deelnemer of examendeelnemer aan de
instelling worden ingeschreven maar zijn ingeschreven als leerling aan
een ingevolge artikel 56 van de Wet op het voorgezet onderwijs
aangewezen school.
2. Indien het bevoegd gezag van een ingevolge artikel 56 van de Wet op
het voorgezet onderwijs aangewezen school ter uitvoering van artikel
58a, eerste en tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs
leerlingen in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan die school
zijn ingeschreven, onderwijs wil kunnen laten volgen dat een instelling
als bedoeld in artikel 1.4a.1, tweede lid, van datzelfde bevoegd gezag
verzorgt, regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de
onderwerpen, bedoeld in artikel 58a, derde lid, aanhef en onder a tot en
met d, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Titel 5. Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
Artikel 1.5.1. Aanspraak bekostiging kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven
De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven die daartoe op voet van
artikel 2.1.5 door Onze Minister in aanmerking zijn gebracht, hebben
aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas ten behoeve van het
vervullen van hun bij deze wet opgedragen werkzaamheden, voor zover niet
verricht in het kader van dienstverlening.
Artikel 1.5.2. Taken kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
1. Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven dragen bij aan het
ontwikkelen en onderhouden van een landelijke kwalificatiestructuur,
gericht op de aansluiting tussen het aanbod van beroepsonderwijs en de
maatschappelijke behoeften daaraan, mede in het licht van de
arbeidsmarktperspectieven voor afgestudeerden, en mede gelet op van
belang zijnde ontwikkelingen in internationaal verband.
2. Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven dragen bij aan een
doelmatige en doelgerichte inzet van overheidsmiddelen door het
ontwikkelen van voorstellen, welke beroepsopleidingen voor bekostiging
uit ’s Rijks kas in aanmerking komen.
3. Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven dragen bij aan de
bevordering van de kwaliteit van de plaatsen waar de
beroepspraktijkvorming wordt verzorgd.
4. Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven dragen zoveel mogelijk
zorg voor de beschikbaarheid van een toereikend aantal bedrijven en
organisaties van voldoende kwaliteit die de beroepspraktijkvorming
verzorgen. Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven zijn voorts
belast met een regelmatige beoordeling van die bedrijven en
organisaties.
Titel 6. De exameninstellingen
Artikel 1.6.1. Exameninstellingen
1. Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een
exameninstelling, dat de exameninstelling het recht heeft tot
examinering van een beroepsopleiding in opdracht van een instelling,
indien die exameninstelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze
wet is bepaald over:
a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6, voorzover het betreft de
examinering,
b. de examens, en
c. de rechtsbescherming van de deelnemers, bedoeld in hoofdstuk 7, titel
5.
2. Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een
aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet
binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager
daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de
beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Titel 7. Contractactiviteiten
Artikel 1.7.1. Contractactiviteiten
1. Aan een instelling en een kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven kunnen contractactiviteiten worden verricht, bestaande uit
werkzaamheden voor eigen rekening ten behoeve van derden. Deze
activiteiten kunnen worden verricht indien zij verband houden met
werkzaamheden waarvoor de instelling of het kenniscentrum uit de
openbare kas bekostigd wordt of, wat kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven betreft, met werkzaamheden verricht in het kader van
dienstverlening jegens de instellingen en voor zover de uitvoering van
die werkzaamheden hierdoor niet wordt geschaad.
2. Het bevoegd gezag van een instelling en het bestuur van het
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven dragen er zorg voor dat
artikel 2 van de Wet privatisering ABP van toepassing blijft op het
personeel.
3. De vereisten voor benoembaarheid, bedoeld in artikel 4.2.1, eerste
lid, zijn niet van toepassing op een docent voor zover deze is belast
met het verrichten van contractactiviteiten.
4. Het bevoegd gezag voorziet in een regeling voor het verrichten van
contractactiviteiten door het personeel van de instelling en het
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven met het oog op het
voorkomen van vermenging van belangen.
Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging
Titel 1. Planning
Artikel 2.1.1. Bekostiging landelijk aanbod beroepsonderwijs
Onverminderd de artikelen 1.3.2a en 1.3.3 komt een beroepsopleiding bij
een instelling voor bekostiging in aanmerking indien zij is gericht op
een kwalificatie of kwalificaties als bedoeld in artikel 7.2.4, tweede
lid, onder b3° en de rechten, genoemd inartikel 1.3.1, met betrekking
tot de desbetreffende beroepsopleiding niet zijn ontnomen op grond van
artikel 6.1.4.
Artikel 2.1.2. Bekostiging aanbod voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs
1. Een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs van een
instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b1°, komt voor
bekostiging in aanmerking indien
a. de instelling op 1 augustus 2012 een of meer opleidingen voortgezet
algemeen volwassenenonderwijs verzorgde op grond van een overeenkomst
als bedoeld in artikel 2.3.4 zoals luidend op die datum, of
b. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op aanvraag van de
instelling heeft bepaald dat opleidingen voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs van de instelling voor bekostiging in aanmerking
komen.
2. Onze Minister beoordeelt de aanvraag, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, aan de hand van de maatschappelijke behoefte aan een of
meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, in het licht
van het onderwijsaanbod verzorgd door andere, al dan niet uit ’s Rijks
kas bekostigde instellingen.
Artikel 2.1.3. Vestiging en beëindiging bekostigingsaanspraak
instellingen
1. Instellingen worden bij wet voor bekostiging in aanmerking gebracht.
Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op
de bekostiging van instellingen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:
a. instellingen die op grond van artikel 12.3.1 zoals dat luidde door de
Wet van 11 april 2001, Stb. 207, of artikel 12.3.3 zoals dat luidde
ingevolge de Wet educatie en beroepsonderwijs (Stb. 1995, 501) door Onze
Minister voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, en
b. instellingen die zijn voortgekomen
1°. uit een samenvoeging of splitsing van bekostigde instellingen,
2°. uit een samenvoeging van een agrarisch opleidingscentrum met een
school voor voorbereidend beroepsonderwijs in de sector landbouw, als
bedoeld in artikel 10c, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet
onderwijs, of
3°. uit een omzetting van een bijzondere instelling in een openbare of
omgekeerd.
3. Indien aan een agrarisch opleidingscentrum gedurende twee
achtereenvolgende jaren minder dan 1200 deelnemers zijn ingeschreven
voor beroepsopleidingen of voor het voorbereidend beroepsonderwijs,
bedoeld in artikel 1.3.3, kan Onze Minister besluiten dat aan die
instelling de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, ontnomen worden,
onverminderd het overigens met betrekking tot ontneming van rechten in
deze wet bepaalde.
4. Onze Minister besluit binnen 26 weken na ontvangst van een aanvraag
op grond van het tweede lid, onder b. Op het besluit bedoeld in het
eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld met betrekking tot het tweede lid, onder b.
5. Bij een beschikking op grond van het derde lid bepaalt Onze Minister
het tijdstip waarop aan die instelling de rechten, genoemd in artikel
1.3.1, ontnomen worden zodanig dat de ingeschreven deelnemers de
opleiding waarvoor zij zijn ingeschreven, aan dezelfde instelling of aan
een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.
Artikel 2.1.4. Werkgebieden kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
1. Een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven is werkzaam ten
behoeve van beroepsopleidingen die naar hun aard en samenhang tot
eenzelfde bedrijfstak of groep van bedrijfstakken behoren. Onze Minister
kan de indeling in werkgebieden van de kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven vaststellen.
2. De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven dragen zorg voor een
doelmatige en inzichtelijke onderlinge afstemming van werkzaamheden, met
inachtneming van de indeling in werkgebieden.
Artikel 2.1.5. Vestiging bekostigingsaanspraak kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven
1. Onze Minister besluit op aanvraag van het bestuur van het
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven over de aanvang van
bekostiging van het kenniscentrum. Een aanvraag om te besluiten tot
aanvang van de bekostiging wordt voor 1 februari van het jaar,
voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging moet aanvangen, bij Onze
Minister ingediend. De aanvraag omvat een aanduiding van het werkgebied
van het kenniscentrum.
2. Onze Minister betrekt bij de beoordeling van de aanvraag in elk geval
de samenhang van de beroepsopleidingen in relatie tot een bepaalde
bedrijfstak of groep van bedrijfstakken, alsmede de omvang van het
werkgebied van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.
3. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een
aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet
binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager
daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen
de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
4. Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
op de bekostiging van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.
Artikel 2.1.6. Beëindiging bekostigingsaanspraak kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven
Onze Minister kan besluiten dat een kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven van zijn taken ontheven is indien niet langer behoefte
bestaat aan het kenniscentrum of gebleken is dat het zijn taken niet of
niet naar behoren vervult. Een beschikking als bedoeld in de eerste
volzin brengt mee dat de aanspraak op bekostiging, bedoeld in artikel
1.5.1, vervalt.
Artikel 2.1.7 [Vervallen per 01-08-2007]
Titel Ib. Fusietoets
Artikel 2.1.8. Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. fusie: een bestuurlijke of institutionele fusie,
b. institutionele fusie: een fusie waarbij een instelling ontstaat door
samenvoeging van twee of meer instellingen,
c. bestuurlijke fusie: een fusie waarbij een of meer rechtspersonen de
instandhouding van een instelling, een school als bedoeld in de Wet op
het voortgezet onderwijs, dan wel een instelling als bedoeld in de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek overdragen.
Artikel 2.1.9. Goedkeuring
Fusies worden niet tot stand gebracht dan nadat daarvoor goedkeuring is
verleend door Onze Minister.
Artikel 2.1.10. Aanvraag en fusie-effectrapportage
1. De rechtspersoon dient dan wel de rechtspersonen gezamenlijk dienen
een aanvraag in bij Onze Minister voor het verkrijgen van de goedkeuring
bedoeld in artikel 2.1.9. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een door de rechtspersoon dan wel rechtspersonen opgestelde
fusie-effectrapportage, en
b. een schriftelijk advies over, of voor zover van toepassing de
schriftelijke instemming met de fusie door de betrokken
medezeggenschapsraden die is voorafgegaan door de kennisname van de
fusie-effectrapportage door de medezeggenschapsraden.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, is eveneens een aanvraag als
bedoeld in artikel 2.1.3, vierde lid.
3. De fusie-effectrapportage bevat ten minste een weergave van:
a. de motieven van de fusie,
b. de alternatieven voor de fusie,
c. het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd,
d. de te bereiken doelen,
e. de effecten van de fusie op de keuzevrijheid, in het bijzonder de
effecten van de fusie op de spreiding en omvang van de betrokken
rechtspersonen in de regio, de onderwijskundige en bestuurlijke
diversiteit van het onderwijsaanbod in de regio,
f. de kosten en baten van de fusie,
g. de personele en financiële gevolgen van de fusie, waaronder begrepen
de gevolgen voor de dienstverlening aan deelnemers en de eventuele
gevolgen voor andere belanghebbende partijen,
h. de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd, en
i. de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd.
4. Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de
fusie-effectrapportage vastgesteld.
Artikel 2.1.11. Toets
1. Onze Minister kan goedkeuring onthouden indien als gevolg van de
fusie de daadwerkelijke variatie van het onderwijsaanbod, in het opzicht
van de diversiteit van onderwijsaanbieders in het middelbaar
beroepsonderwijs, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied
van het onderwijs op significante wijze wordt belemmerd.
2. Onze Minister laat zich ten aanzien van de goedkeuring, bedoeld in
het eerste lid, adviseren door een onafhankelijke adviescommissie,
tenzij de noodzaak daartoe ontbreekt. Bij ministeriële regeling wordt
bepaald wanneer er geen sprake is van de noodzaak bedoeld in de eerste
volzin.
3. Onze Minister stelt beleidsregels vast omtrent de uitoefening van de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.1.12. Toetsingstermijn en verlenging
1. Onze Minister besluit binnen 13 weken op een aanvraag als bedoeld in
artikel 2.1.9.
2. De termijn bedoeld in het eerste lid kan ten hoogste met 13 weken
worden verlengd. Van deze verlenging wordt, binnen de 13 weken bedoeld
in het eerste lid, mededeling gedaan aan de aanvrager.
3. Op het besluit bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Titel 2. Bekostiging beroepsonderwijs
§ 1. Bekostiging
Artikel 2.2.1. Rijksbijdrage beroepsonderwijs
1. De rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs waarop de in artikel 1.3.1
bedoelde aanspraak betrekking heeft wordt, binnen het raam van de door
de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per instelling
berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur vastgestelde berekeningswijze. Wat huisvestingskosten betreft
wordt de rijksbijdrage berekend hetzij op grond van die berekeningswijze
hetzij op grond van een andere bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen wijze.
2. De rijksbijdrage bestaat uit afzonderlijk berekende bijdragen ten
behoeve van exploitatiekosten en huisvestingskosten.
3. De bijdrage in de exploitatiekosten heeft betrekking op:
a. personeel,
b. onderhoud en vervanging van inventaris,
c. onderhoud van gebouwen en terreinen,
d. energie,
e. administratie, beheer en bestuur,
f. schoonmaken,
g. heffingen,
h. inkoop van diensten,
i. kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake
arbeidsongeschiktheid aan gewezen personeel alsmede uitkeringen wegens
ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op
grond van de Ziektewet, waaronder mede begrepen gewezen personeel dat
was belast met werkzaamheden op het gebied van de educatie, met inbegrip
van educatieve programma's als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid,
zoals luidend op 31 december 2008,
j. loopbaanoriëntatie en -begeleiding,
k. gehandicapte deelnemers, en
l. ten behoeve van het voorbereidend beroepsonderwijs verzorgd in een
agrarisch opleidingscentrum: lesmateriaal als bedoeld in artikel 6e van
de Wet op het voortgezet onderwijs.
4. De bijdrage in de huisvestingskosten heeft betrekking op:
a. huur van gebouwen en terreinen,
b. investeringen in gebouwen en terreinen, en
c. eerste inrichting.
5. Op de rijksbijdrage wordt volgens bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen regels een bedrag in mindering gebracht in
verband met cursusgelden zoals bedoeld in de Les- en cursusgeldwet.
6. Een in het eerste lid en in het vijfde lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal
overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na
de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide
Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe
strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 2.2.2. Berekeningswijze
1. De in artikel 2.2.1 bedoelde berekeningswijze bevat voor elke
instelling en elke opleiding gelijkelijk geldende maatstaven.
2. De maatstaven voorzien in bekostiging aan de hand van:
a. de instroom van deelnemers, en
b. het aantal deelnemers en examendeelnemers dat een diploma als bedoeld
in artikel 7.4.6 heeft behaald.
3. Voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten als bedoeld in
artikel 7.2.2, vierde lid, voor zover betrekking hebbend op
beroepsopleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a en
b, wordt een afzonderlijk bedrag berekend, aan de hand van de instroom
van deelnemers.
4. Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder
a, geldt inschrijving van een deelnemer voor twee of meer voltijdse dan
wel twee of meer deeltijdse beroepsopleidingen in enig studiejaar als
inschrijving voor één voltijdse respectievelijk één deeltijdse
beroepsopleiding. Inschrijving van een deelnemer voor zowel voltijdse
als deeltijdse beroepsopleidingen in enig studiejaar geldt voor de
toepassing van die maatstaf als inschrijving voor een voltijdse
opleiding.
5. Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder
b, geldt dat een deelnemer of examendeelnemer in enig jaar slechts
eenmaal wordt meegeteld bij het bepalen van het aantal deelnemers
onderscheidenlijk examendeelnemers die een diploma als bedoeld in
artikel 7.4.6 hebben behaald.
6. Bij de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder
a, blijven buiten beschouwing deelnemers aan een deeltijdse opleiding
waarvoor het bevoegd gezag een in instellingstijd verzorgd
onderwijsprogramma, met inbegrip van de beroepspraktijkvorming, heeft
ingericht dat minder dan 300 uren per volledig studiejaar omvat.
7. In de maatstaven, bedoeld in het tweede lid, kan onderscheid worden
gemaakt naar groepen van deelnemers en naar opleidingen.
8. Deelnemers die niet zijn opgenomen in de basisadministratie
persoonsgegevens, bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegegevens, tellen alleen mee, indien:
a. zij onderwijs, daaronder begrepen de beroepspraktijkvorming, in
Nederland volgen, en
b. zij in Nederland, België of een van de bondsstaten
Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de Bondsrepubliek
Duitsland wonen.
Artikel 2.2.3. Aanvullende middelen
1. Onze Minister kan volgens bij ministeriële regeling te geven
voorschriften aan de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.2.2,
een bedrag toevoegen in verband met een onevenredig grote toename van
het aantal deelnemers ten opzichte van het voorafgaande jaar.
2. Onze Minister kan, al dan niet onder door hem op te leggen
verplichtingen, volgens bij ministeriële regeling te geven
voorschriften ten behoeve van de ontwikkeling van het bestel van het
beroepsonderwijs een bedrag toevoegen aan de rijksbijdrage, berekend op
grond van artikel 2.2.2.
3. Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen. In dat geval
worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling
vastgesteld.
Artikel 2.2.4. Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage
beroepsonderwijs
1. Onze Minister maakt aan elke instelling jaarlijks in september bekend
welke rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs voor het daarop volgende
jaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke wijze de
rijksbijdrage is berekend en vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag
voor gehandicapte deelnemers.
2. De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze Minister te
bepalen kasritme.
3. Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld,
wordt daarop door Onze Minister een voorschot betaald. Het tweede lid is
van overeenkomstige toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
voorschriften gegeven met betrekking tot de uitvoering van deze
paragraaf. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op aard,
inrichting en wijze van verstrekking van gegevens met betrekking tot de
deelnemers.
5. De in het vierde lid bedoelde gegevens die op enigerlei wijze een rol
spelen in de berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.2.2, gaan vergezeld
van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de
raad van toezicht of het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld
in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze
gegevens en de verklaring worden ingediend voor een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen tijdstip.
Artikel 2.2.4a. Gebruik burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, sociaal-fiscaalnummer door de minister
1. Onze Minister kan het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van een persoon, behorend tot gewezen
personeel als bedoeld in artikel 2.2.1, vijfde lid, uitsluitend in het
kader van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.2.1, vijfde lid,
gebruiken in het verkeer met:
a. het gewezen personeelslid,
b. het bevoegd gezag van de instelling waar de in onderdeel a bedoelde
persoon werkzaam was, of
c. de instantie die de werkloosheidsuitkeringen, de suppleties inzake
arbeidsongeschiktheid alsmede de uitkeringen wegens ziekte en
arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de
Ziektewet verstrekt of heeft verstrekt.
2. Het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer wordt op een daartoe strekkend verzoek van de
minister aan de minister verstrekt door het bevoegd gezag van de
instelling waar het gewezen personeelslid werkzaam was.
§ 2. Leerlinggebonden financiering
Artikel 2.2.5. Reikwijdte
1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. beroepsopleiding: een beroepsopleiding die op grond van artikel 2.1.1
voor bekostiging in aanmerking komt;
b. deelnemer: de aan een instelling ingeschreven deelnemer die een
beroepsopleiding volgt waarvoor het bevoegd gezag een in instellingstijd
verzorgd onderwijsprogramma heeft vastgesteld dat, met inbegrip van de
beroepspraktijkvorming, een omvang van tenminste 300 uren per volledig
studiejaar heeft.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf zijn de artikelen 8a, eerste en
tweede lid, 28b, zesde lid tot en met achtste lid, met uitzondering van
het zesde lid, onder f, 28c, met uitzondering van het eerste lid, onder
b, en het derde lid, 28d en 71a van de Wet op de expertisecentra van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a. onder leerling wordt verstaan: deelnemer als bedoeld in het eerste
lid, onder b;
b. onder ouders van een leerling wordt verstaan: een deelnemer of de
ouders, voogden of verzorgers van een deelnemer;
c. onder een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de
Wet op het voortgezet onderwijs wordt verstaan: een instelling als
bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, en een hogeschool als bedoeld in
artikel 12.3.9;
d. onder schooljaar wordt verstaan: studiejaar.
Artikel 2.2.6. Leerlinggebonden budget
1. Het bevoegd gezag van een instelling geeft aan Onze Minister een
melding van een inschrijving van een deelnemer dan wel een melding van
een deelnemer die reeds staat ingeschreven voor wie op basis van een
beoordeling door een commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in
artikel 28c van de Wet op de expertisecentra, een leerlinggebonden
budget voor een cluster als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder b, c
of d, van de Wet op de expertisecentra beschikbaar is.
2. Onder beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan een
beoordeling als bedoeld in artikel 2.2.5, tweede lid, juncto artikel
28c, eerste lid, onder a van de Wet op de expertisecentra alsmede een
beoordeling als bedoeld in artikel 28c, eerste lid, van de Wet op de
expertisecentra ten behoeve van een leerling in de zin van de Wet op het
primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs waarvan de duur
van de indicatiestelling niet is verstreken.
3. Indien sprake is van een eerste inschrijving bij een instelling van
een deelnemer voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is dan
wel indien een dergelijk budget voor het eerst beschikbaar komt voor een
deelnemer die al staat ingeschreven bij een instelling, wordt met ingang
van de eerste dag van de maand volgend op de in het eerste lid bedoelde
melding aan het bevoegd gezag ten behoeve van die deelnemer een
leerlinggebonden budget verleend voor de duur of de resterende duur van
de indicatiestelling tot een maximum van zeven jaren in het
beroepsonderwijs.
4. Indien een deelnemer voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar
is binnen de instelling verandert van leerweg, opleiding of
opleidingsniveau, als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede en derde lid,
meldt het bevoegd gezag deze wijziging onverwijld aan Onze Minister. Met
ingang van 1 augustus volgend op deze wijziging vervalt het
oorspronkelijke leerlinggebonden budget en wordt een nieuw
leerlinggebonden budget verleend voor de gewijzigde leerweg, de
gewijzigde opleiding of het gewijzigde opleidingsniveau voor de duur of
de resterende duur van de indicatiestelling totdat in totaal zeven jaren
leerlinggebonden budget in het beroepsonderwijs voor de deelnemer is
verstrekt.
5. Indien de deelnemer, nadat het derde lid is toegepast,
beroepsonderwijs aan een andere instelling gaat volgen, wordt met ingang
van de eerste dag van de maand volgend op de in het eerste lid bedoelde
melding aan het bevoegd gezag voor de deelnemer een leerlinggebonden
budget verleend voor de duur of de resterende duur van de
indicatiestelling totdat in totaal zeven jaren leerlinggebonden budget
in het beroepsonderwijs voor de deelnemer is verstrekt. De vorige volzin
is van overeenkomstige toepassing op een deelnemer die zich na
uitschrijving opnieuw bij een instelling inschrijft en voor wie nog niet
in totaal zeven jaren leerlinggebonden budget in het beroepsonderwijs is
verstrekt.
6. Indien de deelnemer de instelling verlaat of niet langer een
beroepsopleiding volgt, vervalt het leerlinggebonden budget met ingang
van de eerste dag van de maand na de datum van het uitschrijven van de
deelnemer.
7. Het leerlinggebonden budget wordt berekend op een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze.
Artikel 2.2.7. Besteding leerlinggebonden budget
Bij de melding, bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, geeft het bevoegd
gezag tevens aan bij welke school voor speciaal onderwijs of voortgezet
speciaal onderwijs het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
te bepalen deel van het leerlinggebonden budget wordt besteed. Op grond
van deze melding kent Onze Minister onverminderd artikel 2.2.6, zesde
lid, dat deel van het leerlinggebonden budget toe aan laatstbedoelde
school.
Artikel 2.2.8. Handelingsplan
1. Het bevoegd gezag van een instelling waar een deelnemer is
ingeschreven voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is, stelt
in overeenstemming met de deelnemer of indien de deelnemer minderjarig
is met de deelnemer en de ouders, voogden of verzorgers van de deelnemer
voor elk studiejaar een handelingsplan op. Indien de inschrijving van de
in de eerste volzin bedoelde deelnemer plaatsvindt op of na 1 augustus
wordt het handelingsplan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk een maand na
die inschrijving opgesteld.
2. In het handelingsplan dat betrekking heeft op het laatste studiejaar
van de periode gedurende welke voor de deelnemer een indicatie voor
leerlinggebonden budget beschikbaar is, wordt aangegeven dat de
voortzetting van de voorzieningen die voor de deelnemer zijn getroffen
op basis van het leerlinggebonden budget, afhankelijk is van een nieuwe
beoordeling door een commissie voor de indicatiestelling.
3. Het bevoegd gezag evalueert jaarlijks het handelingsplan met de
deelnemer of indien de deelnemer minderjarig is met de deelnemer en de
ouders, voogden of verzorgers van de deelnemer.
Artikel 2.2.9 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.2.10 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.2.11 [Vervallen per 01-07-1997]
§ 3 [Vervallen per 01-08-2007]
Artikel 2.2.12 [Vervallen per 01-08-2007]
Titel 2a. Bekostiging voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
Artikel 2.2a.1. Rijksbijdrage voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
1. De rijksbijdrage voor het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
waarop de in artikel 1.3.1 bedoelde aanspraak betrekking heeft wordt,
binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde
middelen, per instelling berekend aan de hand van een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze.
2. Artikel 2.2.1, derde lid, onder a tot en met k, en vierde lid, zijn
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in onderdeel i
onder gewezen personeel mede wordt begrepen personeel dat was belast met
werkzaamheden op het gebied van het beroepsonderwijs.
Artikel 2.2a.2. Berekeningswijze
1. De in artikel 2.2a.1 bedoelde berekeningswijze bevat voor elke
instelling en elke opleiding gelijkelijk geldende maatstaven.
2. De maatstaven voorzien in bekostiging aan de hand van:
a. het aantal ingeschreven deelnemers,
b. het aantal deelnemers dat bij de instelling een diploma van onderwijs
als bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 van de Wet op het voortgezet
onderwijs heeft behaald en
c. het aantal deelnemers dat bij de instelling een eindexamen of
deeleindexamen heeft afgelegd in onderwijs als bedoeld in de artikelen 7
tot en met 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
3. Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder
a, blijven deelnemers die niet bij een instelling staan ingeschreven op
een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld tijdstip buiten
beschouwing en kan onderscheid worden gemaakt naar het aantal vakken
waarvoor een deelnemer is ingeschreven.
4. Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder
c, kan onderscheid worden gemaakt naar het aantal vakken waarin de
deelnemer met goed gevolg examen heeft afgelegd.
5. Deelnemers die niet zijn opgenomen in de basisadministratie
persoonsgegevens, bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens, tellen alleen mee voor de toepassing van dit artikel,
indien:
a. zij onderwijs in Nederland volgen, en
b. zij in Nederland, België of een van de bondsstaten
Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de Bondsrepubliek
Duitsland wonen.
6. Examendeelnemers tellen niet mee voor de toepassing van dit artikel.
Artikel 2.2a.3. Aanvullende middelen
1. Onze Minister kan, al dan niet onder door hem op te leggen
verplichtingen, volgens bij ministeriële regeling te geven
voorschriften ten behoeve van de ontwikkeling van het bestel van het
voortgezet algemeen volwassenenonderwijs een bedrag toevoegen aan de
rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.2a.2.
2. Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen. In dat geval
worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling
vastgesteld.
Artikel 2.2a.4. Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage
voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
1. Onze Minister maakt aan elke instelling jaarlijks in september bekend
welke rijksbijdrage voor het daarop volgende jaar wordt verstrekt. Hij
deelt daarbij mee op welke wijze de rijksbijdrage is berekend en
vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag voor gehandicapte deelnemers.
2. De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze Minister te
bepalen kasritme.
3. Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld,
wordt daarop door Onze Minister een voorschot betaald. Het tweede lid is
van overeenkomstige toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
voorschriften gegeven met betrekking tot de uitvoering van deze titel.
Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op aard, inrichting en
wijze van verstrekking van gegevens met betrekking tot de deelnemers.
5. De in het vierde lid bedoelde gegevens die op enigerlei wijze een rol
spelen in de berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.2a.2 , gaan
vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een
door de raad van toezicht of het bevoegd gezag aangewezen accountant als
bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek. Deze gegevens en de verklaring worden ingediend voor een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip.
Titel 3. Uitkering educatie met uitzondering van opleidingen voortgezet
algemeen volwassenenonderwijs; informatie en gegevensverstrekking
educatie
Artikel 2.3.1. Uitkering educatie
Mede ten behoeve van de opleidingen educatie, bedoeld in artikel 7.3.1,
eerste lid, onder b tot en met f, ontvangt de gemeente op grond van de
Wet participatiebudget een uitkering.
Artikel 2.3.2 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 2.3.3. Gemeentelijk besluit educatiebedragen
De gemeente waaraan een uitkering is verstrekt op grond van de Wet
participatiebudget waaruit een bedrag moet worden besteed bij regionale
opleidingencentra als bedoeld in artikel 14 van de Wet
participatiebudget, besluit jaarlijks voor 1 november tot een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip ten behoeve van het
daaropvolgende kalenderjaar, welk deel van die uitkering zal worden
bestemd voor educatieve activiteiten, onderscheiden naar de opleidingen,
bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b tot en met f, en in
voorkomende gevallen naar doelgroepen.
Artikel 2.3.4. Overeenkomst uitkering educatie
1. Tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip berust
in afwijking van titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht de betaling
van de bedragen aan de regionale opleidingencentra voor de opleidingen
educatie, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b tot en met f, op
een door het college met het bevoegd gezag van het desbetreffende
regionale opleidingencentrum gesloten overeenkomst of overeenkomsten. De
titels 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van
toepassing.
2. Een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft ten minste
betrekking op:
a. de aard van de activiteiten,
b. het aantal contacturen, onderscheiden naar opleidingen,
c. de periode,
d. de omvang van het bedrag, dan wel de wijze waarop dit berekend wordt,
e. de wijze waarop het bedrag ter beschikking wordt gesteld, en
f. de wijze waarop verantwoording jegens het gemeentebestuur wordt
afgelegd.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften
vastgesteld voor contacturen.
Artikel 2.3.5 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 2.3.6. Informatie educatie
1. De instellingen dragen er zorg voor dat zij beschikken over geordende
gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid met
betrekking tot de educatie en verlenen desgevraagd medewerking aan door
of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op
deze gegevens is gebaseerd.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld
over de wijze van beschikbaarstelling van de in het eerste lid bedoelde
gegevens.
3. Bij de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
worden tevens voorschriften vastgesteld over de wijze van ordening van
de informatie en over de kengetallen waarover informatie beschikbaar is
of wordt verstrekt, en kan worden bepaald dat Onze Minister een bijdrage
in de kosten voor het verzamelen of verstrekken van deze gegevens is
verschuldigd. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur kan deze bijdrage worden vastgesteld.
Artikel 2.3.6a. Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag
1. Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een deelnemer
aan een opleiding educatie gebruiken in het verkeer met de deelnemer op
wie het nummer betrekking heeft.
2. Het bevoegd gezag verstrekt het persoonsgebonden nummer van iedere
deelnemer aan een opleiding educatie aan Onze Minister, tezamen de
volgende gegevens van de deelnemer:
a. geslacht, geboortedatum en postcode van de woonplaats;
b. de datum van inschrijving of einde inschrijving;
c. de opleiding;
d. de hoogste vooropleiding;
e. het educatieprogramma (vakken);
f. de behaalde certificaten en de data waarop de certificaten zijn
behaald, alsmede de vakken waarin examen is afgelegd, de cijfers van het
schoolexamen en het centraal examen, de eindcijfers en de uitslag van
het eindexamen of het deeleindexamen;
g. het uitstroomniveau of het behaalde diploma en de datum waarop het
diploma is behaald alsmede, voor zover het Nederlands als tweede taal
(NT2) betreft, het startniveau;
h. het registratienummer van de instelling;
i. indien van toepassing het volgen van de opleiding in voltijd of
deeltijd;
j. indien van toepassing het zijn van examendeelnemer;
k. het aantal uren per week dat onderwijs wordt gevolgd aan de
instelling;
l. indien van toepassing de reden van het uitstromen; en
m. de locatie waar het onderwijs wordt gevolgd.
3. Bij ministeriële regeling kan een nadere specificatie worden gegeven
van de gegevens, bedoeld in het tweede en vijfde lid, en kan worden
bepaald welke van de gegevens, bedoeld in het tweede en vijfde lid, niet
langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen
voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van
verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede en vijfde lid. Bij
de ministeriële regelingen, bedoeld in de eerste en tweede volzin, kan
onderscheid worden gemaakt tussen het voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs en de overige educatie.
4. Het bevoegd gezag gebruikt bij de opgave aan burgemeester en
wethouders, bedoeld in artikel 8.1.8, eerste lid, het persoonsgebonden
nummer van de betrokkene.
5. Indien de gegevens over de nationaliteit van de deelnemer niet zijn
opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens worden
deze gegevens door het bevoegd gezag verstrekt aan Onze Minister.
6. Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een
deelnemer aan een opleiding in het kader van de uitvoering van
subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds.
7. Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een
deelnemer aan een opleiding educatie in het contact met een andere
instelling of een school of instelling voor ander onderwijs ten behoeve
van de in- en uitschrijving van die deelnemer. Onder dit contact wordt
mede begrepen de uitwisseling van leergegevens en direct met het leren
samenhangende begeleidingsgegevens. Bij algemene maatregel van bestuur
worden de gegevens, bedoeld in de vorige volzin, gespecificeerd. Het
bevoegd gezag bewaart in de administratie van de instelling een
verklaring van instemming van de deelnemer met de uitwisseling van de
gegevens.
8. Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een
deelnemer aan een opleiding educatie ter uitvoering van artikel 107,
tweede en vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
9. De in het zevende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt
aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken
en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de
wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend
wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 2.3.6b. Verwerking gegevens door Onze Minister
1. Onze Minister neemt de door het bevoegd gezag verstrekte
persoonsgebonden nummers en andere gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a,
tweede en zesde lid, op in het basisregister onderwijs, nadat zij deze
gegevens heeft getoetst op juistheid en volledigheid. Onze Minister
verstrekt de gegevens, inclusief de gegevens, bedoeld in artikel 24c,
eerste lid, onderdeel g, van de Wet op het onderwijstoezicht, zoals zij
voornemens is die gegevens in het basisregister onderwijs op te nemen,
aan het bevoegd gezag. Onze Minister kan de door het bevoegd gezag
verstrekte gegevens uitsluitend met instemming van het bevoegd gezag
wijzigen.
2. Het bevoegd gezag verstrekt Onze Minister alle inlichtingen die zij
nodig acht voor de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid.
Het bevoegd gezag werkt eraan mee dat de in het basisregister onderwijs
opgenomen gegevens juist en volledig zijn.
Artikel 2.3.6c. Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door
Minister en inspectie
1. Gegevens inzake educatie uit het basisregister onderwijs kunnen
worden gebruikt door:
a. Onze Minister voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de
begrotings- en beleidsvoorbereiding;
b. de inspectie voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor het
uitoefenen van het toezicht op het onderwijs.
2. Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, ziet uitsluitend op gegevens
die niet herleid of herleidbaar zijn tot individuele deelnemers aan een
opleiding educatie.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter uitvoering van
het eerste en tweede lid, in ieder geval omtrent de inhoud en de
samenstelling van de desbetreffende gegevens, de wijze waarop de
gegevens uit het basisregister onderwijs worden verstrekt, de
tijdstippen waarop de gegevens worden verstrekt en de perioden waarop de
gegevens betrekking hebben.
Artikel 2.3.6d. Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het
gebruik van het burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de
gemeente het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een opleiding
educatie of een voortijdige schoolverlater als bedoeld in artikel 8.3.1
uitsluitend ten behoeve van:
a. de registratie van gegevens van voortijdige schoolverlaters, bedoeld
in artikel 8.3.2, eerste lid, eerste volzin;
b. het systeem van doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters naar
onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 8.3.2, eerste lid, tweede
en derde volzin;
c. verwerking van de gegevens, bedoeld in 24f, derde en vierde lid, van
de Wet op het onderwijstoezicht en in artikel 8.1.8a, vierde lid, bij de
registraties, bedoeld in onderdeel a, en het systeem van doorverwijzing,
bedoeld in onderdeel b.
Titel 4. Bekostiging van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
§ 1. Bekostiging
Artikel 2.4.1. Berekeningswijze
1. De rijksbijdrage voor de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
waarop de in artikel 1.5.1 bedoelde aanspraak betrekking heeft wordt,
binnen het raam van de door begrotingswetgever beschikbaar gestelde
middelen, per kenniscentrum berekend aan de hand van maatstaven,
neergelegd in een berekeningswijze, vastgesteld bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur. De maatstaven hebben in elk geval
betrekking op de aard en de omvang van de werkzaamheden, bedoeld in
artikel 1.5.2, voor zover niet verricht in het kader van
dienstverlening. Wat huisvestingskosten betreft wordt de rijksbijdrage
berekend hetzij op grond van die berekeningswijze hetzij op grond van
een andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen
wijze.
2. Op de rijksbijdrage wordt volgens bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen regels een bedrag in mindering gebracht in
verband met werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake
arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en
arbeidsongeschiktheid anders dan op grond van de Ziektewet aan gewezen
personeel van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven. De artikelen
2.2.1, vijfde lid, tweede volzin, en 2.2.4a zijn van overeenkomstige
toepassing.
3. Een in het eerste lid en in het tweede lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal
overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na
de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide
Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel
geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe
strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 2.4.2. Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage
1. Onze Minister maakt aan elk kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven jaarlijks in september bekend, welke rijksbijdrage voor
het daarop volgende jaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke
wijze de rijksbijdrage is berekend.
2. De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze Minister te
bepalen kasritme.
3. Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld,
wordt daarop door Onze Minister een voorschot betaald. Het tweede lid is
van overeenkomstige toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
voorschriften gegeven met betrekking tot de uitvoering van deze
paragraaf.
Artikel 2.4.3. Aanvullende middelen
Indien bijzondere ontwikkelingen in het beroepsonderwijs daartoe
aanleiding geven, kan volgens bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden aan de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven voor een
bij die regeling te bepalen periode een aanvullende rijksbijdrage worden
toegekend.
§ 2 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.4.4 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.4.5 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.4.6 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.4.7 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.4.8 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.4.9 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.4.10 [Vervallen per 01-07-1997]
Titel 5. Begroting, verslaglegging en gegevensverstrekking
§ 1. Instellingen voor beroepsonderwijs en educatie
Artikel 2.5.1 [Vervallen per 01-08-2007]
Artikel 2.5.2 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 2.5.3. Jaarrekening
1. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarrekening vast over het
afgelopen jaar.
2. In de jaarrekening legt het bevoegd gezag verantwoording af over het
financiële beheer van de instelling voor zover het betreft de ingevolge
deze wet uit ’s Rijks kas ontvangen middelen. Uit de jaarrekening
dient te blijken dat sprake is van een rechtmatige en doelmatige
aanwending van de rijksbijdrage. Van niet doelmatige aanwending van de
rijksbijdrage is in ieder geval sprake voorzover bedragen daaruit worden
aangewend voor het op enigerlei wijze compenseren van de deelnemers of
examendeelnemers voor les- en cursusgeld respectievelijk examengeld. Bij
ministeriële regeling kunnen met het oog op de verantwoording van de
rechtmatigheid en doelmatigheid van de aanwending van de rijksbijdrage
nadere voorschriften worden gegeven voor de inrichting van de
jaarrekening.
3. Het resultaat van het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft
wordt verrekend met de algemene reserve van de instelling.
4. Het bevoegd gezag dient de jaarrekening voor 1 juli van het jaar
volgend op het boekjaar bij Onze Minister in. De jaarrekening gaat
vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een
door de raad van toezicht of het bevoegd gezag aangewezen accountant als
bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek.
5. Het bevoegd gezag maakt de jaarrekening, vergezeld van de verklaring,
bedoeld in het vierde lid, openbaar.
6. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het ten behoeve van Onze
Minister beschikt over een overzichtelijke informatieverzameling van de
financiële gegevens die op enigerlei wijze van belang zijn voor de
berekeningswijze, bedoeld in de artikelen 2.2.2 en 2.2.12.
7. Het bevoegd gezag houdt per begrotingsjaar nauwkeurig boek van baten
en lasten en draagt er zorg voor dat de baten en lasten nauwkeurig en
herkenbaar zijn verwerkt in de in het zesde lid bedoelde
informatieverzameling.
8. Het bevoegd gezag bewaart de informatieverzameling en de
desbetreffende boeken en bescheiden, bedoeld in het zesde en zevende
lid, gedurende een periode van zeven jaren.
9. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
vastgesteld omtrent de wijze van beschikbaarstelling van de gegevens en
de wijze van ordening daarvan.
Artikel 2.5.4. Jaarverslag
1. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarverslag over het afgelopen
jaar vast en maakt het openbaar. Het jaarverslag bevat ten minste het
verslag, bedoeld in artikel 1.3.6, tweede lid, voorzover dat in het
desbetreffende jaar is uitgebracht, dan wel de hoofdpunten van
laatstgenoemd verslag, alsmede de hoofdpunten van de bevindingen van de
inspectie met betrekking tot de examens. Ook legt het bevoegd gezag in
het jaarverslag verantwoording af over de omgang met een branchecode
voor goed bestuur. Bij ministeriële regeling kan een branchecode worden
aangewezen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over
de inrichting van het jaarverslag.
Artikel 2.5.5. Informatie beroepsonderwijs
1. De instellingen dragen er zorg voor dat zij beschikken over geordende
gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid met
betrekking tot het beroepsonderwijs en verlenen desgevraagd medewerking
aan door of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of
mede op deze gegevens is gebaseerd.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld
omtrent de wijze van beschikbaarstelling van de in het eerste lid
bedoelde gegevens.
3. Bij de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
worden tevens voorschriften vastgesteld over de wijze van ordening van
de informatie en over de kengetallen waarover informatie beschikbaar is
of wordt verstrekt, en kan worden bepaald dat Onze Minister een bijdrage
in de kosten voor het verzamelen of verstrekken van deze gegevens is
verschuldigd. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur kan deze bijdrage worden vastgesteld.
Artikel 2.5.5a. Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag
1. Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een deelnemer
aan een beroepsopleiding gebruiken in het verkeer met de deelnemer op
wie het nummer betrekking heeft, of, indien de deelnemer minderjarig is,
met de ouders, voogden of verzorgers van deze deelnemer.
2. Het bevoegd gezag verstrekt het persoonsgebonden nummer van iedere
deelnemer aan een beroepsopleiding aan Onze Minister, tezamen met de
volgende gegevens van de deelnemer:
a. geslacht, geboortedatum en postcode van de woonplaats;
b. de datum van inschrijving of van de wijziging of beëindiging
daarvan;
c. de code, bedoeld in artikel 6.4.1, tweede lid, onder a, van het
opleidingsdomein, het kwalificatiedossier of de kwalificatie waarvoor de
deelnemer is ingeschreven en bij inschrijving voor een opleidingsdomein
of een kwalificatiedossier het niveau, bedoeld inartikel 7.2.2, derde
lid, van de beroepsopleiding;
d. de leerweg;
e. het al dan niet hebben van een handicap of chronische ziekte die
extra ondersteuning vraagt van de instelling;
f. de hoogste vooropleiding;
g. [vervallen;]
h. het uitstroomniveau of het behaalde diploma en de datum waarop het
diploma is behaald;
i. de omvang van beroepspraktijkvorming, de datum van begin en einde
daarvan, de afsluitdatum van de beroepspraktijkvormingsovereenkomst en
het betrokken bedrijf dat of de betrokken organisatie die de
beroepspraktijkvorming verzorgt; en
j. het registratienummer van de instelling;
k. [vervallen;]
l. het volgen van de opleiding in voltijd of deeltijd;
m. indien van toepassing het zijn van examendeelnemer;
n. het al dan niet voor bekostiging in aanmerking komen van de deelnemer
of het diploma;
o. indien van toepassing de reden van het uitstromen; en
p. de locatie waar het onderwijs wordt gevolgd.
3. Bij ministeriële regeling kan een nadere specificatie worden gegeven
van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid, en kan worden
bepaald welke van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid,
niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling
kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze
van verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid.
4. Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een deelnemer
aan een beroepsopleiding, al dan niet tezamen met een of meer van de
gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid, gebruiken in het verkeer
met Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van
de instelling.
5. Het bevoegd gezag en het hoofd, bedoeld in artikel 1, onder d, van de
Leerplichtwet 1969, gebruiken het persoonsgebonden nummer van een
deelnemer aan een beroepsopleiding in contacten met een gemeente in het
kader van de Leerplichtwet 1969, tezamen met de gegevens die
noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van die wet door de
gemeente.
6. Het bevoegd gezag gebruikt bij de opgave aan burgemeester en
wethouders, bedoeld in artikel 8.1.8, eerste lid, het persoonsgebonden
nummer van de betrokkene.
7. Indien de gegevens over de nationaliteit van de deelnemer niet zijn
opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens worden
deze gegevens door het bevoegd gezag verstrekt aan Onze Minister.
8. Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een
deelnemer aan een beroepsopleiding in het kader van de uitvoering van
subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds.
9. Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een
deelnemer aan een beroepsopleiding in het contact met een andere
instelling of een school of instelling voor ander onderwijs ten behoeve
van de in- en uitschrijving van die deelnemer. Onder dit contact wordt
mede begrepen de uitwisseling van leergegevens en direct met het leren
samenhangende begeleidingsgegevens. Bij algemene maatregel van bestuur
worden de gegevens, bedoeld in de vorige volzin, gespecificeerd. Het
bevoegd gezag bewaart in de administratie van de instelling een
verklaring van instemming van de deelnemer met de uitwisseling van de
gegevens.
10. Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een
deelnemer aan een beroepsopleiding ter uitvoering van artikel 107,
tweede en vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
11. Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een
deelnemer in contacten met een school als bedoeld in de Wet op de
expertisecentra in het kader van de ondersteuning die deze school biedt
op grond van artikel 8a, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra en
artikel 2.2.5, tweede lid.
12. De in het negende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt
aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt
niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken
en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de
wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde
onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend
wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 2.5.5b. Verwerking gegevens door Onze Minister
1. Onze Minister neemt de door het bevoegd gezag verstrekte
persoonsgebonden nummers en andere gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a,
tweede en zevende lid, op in het basisregister onderwijs, nadat zij deze
gegevens heeft getoetst op juistheid en volledigheid. Onze Minister
verstrekt de gegevens, inclusief de gegevens, bedoeld in artikel 24c,
eerste lid, onderdeel g, van de Wet op het onderwijstoezicht, zoals zij
voornemens is die gegevens in het basisregister onderwijs op te nemen,
aan het bevoegd gezag. Onverminderd artikel 2.5.5c, tweede lid, kan Onze
Minister de door het bevoegd gezag verstrekte gegevens uitsluitend met
instemming van het bevoegd gezag wijzigen.
2. Het bevoegd gezag verstrekt Onze Minister alle inlichtingen die zij
nodig acht voor de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid.
Het bevoegd gezag werkt eraan mee dat de in het basisregister onderwijs
opgenomen gegevens juist en volledig zijn.
3. Indien Onze Minister naar aanleiding van de toetsing, bedoeld in het
eerste lid, redenen heeft om aan te nemen dat een bevoegd gezag in
strijd handelt of heeft gehandeld met het bepaalde bij of krachtens deze
wet en een onderzoek daarnaar door de inspectie nodig acht, verstrekt
Onze Minister ten behoeve van dit onderzoek de persoonsgebonden nummers
en andere gegevens van deelnemers aan een beroepsopleiding aan de
inspectie. De inspectie meldt de uitkomst van het onderzoek aan Onze
Minister.
4. Onze Minister en de inspectie verstrekken ter uitvoering van artikel
107, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 geen gegevens die zij op
grond van het derde lid hebben ontvangen.
Artikel 2.5.5c. Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door
Minister en inspectie
1. Gegevens inzake beroepsonderwijs uit het basisregister onderwijs
kunnen worden gebruikt door:
a. Onze Minister voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de
bekostiging van instellingen en de begrotings- en beleidsvoorbereiding;
b. de inspectie voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor het
uitoefenen van het toezicht op het onderwijs.
2. Voor zover de door het bevoegd gezag op grond van artikel 2.5.5a
verstrekte gegevens naar het oordeel van Onze Minister onjuist of
onvolledig zijn, kan Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van
de bekostiging van deze gegevens afwijken, in welk geval de door Onze
Minister vastgestelde gewijzigde gegevens worden opgenomen in het
basisregister onderwijs, nadat het desbetreffende besluit tot
vaststelling van de bekostiging onherroepelijk is geworden.
3. Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, ziet uitsluitend op gegevens
die niet herleid of herleidbaar zijn tot individuele deelnemers aan een
beroepsopleiding, onverminderd artikel 2.5.5b, derde lid.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter uitvoering van
het eerste en derde lid, in ieder geval omtrent de inhoud en de
samenstelling van de desbetreffende gegevens, de wijze waarop de
gegevens uit het basisregister onderwijs worden verstrekt, de
tijdstippen waarop de gegevens worden verstrekt en de perioden waarop de
gegevens betrekking hebben.
5. In afwijking van het derde lid wordt bij algemene maatregel van
bestuur bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden Onze
Minister gegevens als bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, kan
gebruiken tezamen met het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan
een beroepsopleiding ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging
van een instelling, alsmede welke gegevens dit gebruik kan betreffen.
Artikel 2.5.5d [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 2.5.5e. Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het
gebruik van het burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de
gemeente het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een
beroepsopleiding of een voortijdige schoolverlater als bedoeld in
artikel 8.3.1 uitsluitend ten behoeve van:
a. een registratie van leerplichtige jongeren in het belang van het
toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969;
b. de registratie van gegevens van voortijdige schoolverlaters, bedoeld
in artikel 8.3.2, eerste lid, eerste volzin;
c. het systeem van doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters naar
onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 8.3.2, eerste lid, tweede
en derde volzin;
d. verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 24f, derde en vierde
lid, van de Wet op het onderwijstoezicht en in artikel 8.1.8a, vierde
lid, bij de registraties, bedoeld in de onderdelen a en b, en het
systeem van doorverwijzing, bedoeld in onderdeel c.
Artikel 2.5.6. Onderzoek vanwege minister
Onze Minister kan naast het accountantsonderzoek, bedoeld in artikel
2.5.3, vierde lid, een onderzoek instellen of doen instellen naar de
jaarrekening en naar de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5, naar de
rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het
beheer van de instelling.
Artikel 2.5.7 [Vervallen per 01-07-2012]
Artikel 2.5.7a. Controleprotocol
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften
gegeven omtrent de controle van de boekhouding, de jaarrekening en de
administratie van de instellingen.
Artikel 2.5.8 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 2.5.9. Correctie rijksbijdrage; verrekening vorderingen
1. Indien de vaststelling van de rijksbegroting daartoe noopt, kan Onze
Minister tot acht weken na die vaststelling correcties aanbrengen op de
rijksbijdrage. Onze Minister maakt het bevoegd gezag binnen acht weken
na de vaststelling van de rijksbegroting een correctie als bedoeld in de
eerste volzin bekend. Onze Minister verrekent de correctie met de
rijksbijdrage voor het desbetreffende jaar of betaalt uit in dat jaar.
2. Indien uit de jaarrekening, uit de verklaring van de accountant,
bedoeld in artikel 2.5.3, vierde lid, uit de resultaten van het
onderzoek, bedoeld in artikel 2.5.6, of uit de resultaten van het
onderzoek, bedoeld in artikel 2.5.7 blijkt dat de rijksbijdrage op
onjuiste gronden is vastgesteld dan wel de besteding daarvan niet
rechtmatig of niet doelmatig was, kan Onze Minister binnen een jaar na
ontvangst van de jaarrekening correcties aanbrengen op de rijksbijdrage.
Onze Minister maakt het bevoegd gezag binnen een jaar na ontvangst van
de jaarrekening een correctie als bedoeld in de eerste volzin bekend.
Onze Minister verrekent de correctie met de rijksbijdrage voor het
eerstvolgende jaar of betaalt uit in dat jaar.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid is Onze Minister bevoegd tot
verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd
gezag van een instelling met vorderingen krachtens een andere wet.
§ 1a. Verantwoording middelen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
Artikel 2.5.9a. Verslaglegging, onderzoek minister, controleprotocol en
correctie rijksbijdrage
De artikelen 2.5.3, 2.5.4, 2.5.6, 2.5.7, 2.5.7a en 2.5.9 zijn van
overeenkomstige toepassing op de rijksbijdrage voor het voortgezet
algemeen volwassenenonderwijs.
§ 2. Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
Artikel 2.5.10. Van overeenkomstige toepassing paragraaf 1
De artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.9 zijn van overeenkomstige toepassing
op de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.
TITEL 6. SCHOLENGEMEENSCHAP ROC OF AOC MET SCHOOL VOOR VOORTGEZET
ONDERWIJS; VOORSCHRIFTEN T.A.V. VBO IN AOC
Artikel 2.6. Scholengemeenschap ROC of AOC-school voor voortgezet
onderwijs
1. Een scholengemeenschap omvat:
a. een regionaal opleidingencentrum en een school voor voortgezet
onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, of
b. een agrarisch opleidingscentrum en een school voor middelbaar
algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het
voortgezet onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in
artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1a. Ten aanzien van een school voor voortgezet onderwijs die deel
uitmaakt van een scholengemeenschap als bedoeld in het eerste lid,
bestaat aanspraak op rijksbijdrage ten aanzien van de huisvesting,
waarvoor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een
berekeningswijze wordt vastgesteld. Hoofdstuk 2, titel 8, is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van een scholengemeenschap als
bedoeld in het eerste lid.
2. In afwijking van de Wet medezeggenschap op scholen zijn de bepalingen
inzake de medezeggenschap bij of krachtens de Wet op de
ondernemingsraden en deze wet van toepassing op scholengemeenschappen
als bedoeld in het eerste lid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve
van scholengemeenschappen als bedoeld in het eerste lid nadere
voorschriften worden gegeven, zo nodig in afwijking van hoofdstuk 1,
titel 3, paragraaf 3, hoofdstuk 2, hoofdstuk 4 en hoofdstuk 7.
Artikel 2.6a. Voorschriften t.a.v. vbo in AOC
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ten behoeve van het
voorbereidend beroepsonderwijs, verzorgd in agrarische opleidingscentra,
worden vastgesteld dat het bepaalde bij of krachtens deze wet geheel of
gedeeltelijk niet van toepassing is.
Titel 6a. Samenwerking met VO-scholen ter bevordering van doelmatig en
doeltreffend onderwijs
Artikel 2.6aa. Samenwerking met VO-scholen ter bevordering van doelmatig
en doeltreffend onderwijs
1. Het bevoegd gezag kan in afwijking van artikel 8.1.1, in gevallen als
geregeld in en met inachtneming van artikel 25a van de Wet op het
voortgezet onderwijs ook tot onderwijs- en examenvoorzieningen van de
instelling toelaten zij die niet als deelnemer of examendeelnemer aan de
instelling worden ingeschreven maar zijn ingeschreven als leerling aan
een school voor voortgezet onderwijs.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
vastgesteld over de verantwoording van de bedragen die het bevoegd gezag
met toepassing van artikel 99, achtste lid, van de Wet op het voortgezet
onderwijs heeft ontvangen.
3. Indien het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs ter
uitvoering van artikel 25a, eerste en tweede lid, van de Wet op het
voortgezet onderwijs leerlingen in het kader van het onderwijs waarvoor
zij aan die school zijn ingeschreven, ook onderwijs wil kunnen laten
volgen dat een instelling van datzelfde bevoegd gezag verzorgt, regelt
het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen van het derde
lid, aanhef en onder a tot en met e, van dat artikel.
Titel 6b. Examinering VSO-leerlingen [Treedt in werking per 01-08-2013]
Artikel 2.6b. Examinering VSO-leerlingen [Treedt in werking per
01-08-2013]
Het bevoegd gezag kan in afwijking van artikel 8.1.1, in gevallen als
geregeld in en met inachtneming van artikel 14b van de Wet op de
expertisecentra, ook tot examenvoorzieningen van de instelling toelaten
zij die niet als examendeelnemer aan de instelling worden ingeschreven
maar zijn ingeschreven als leerling aan een school waar voortgezet
speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt
verzorgd.
Titel 7. Stimuleringsmiddelen voor educatie en beroepsonderwijs en voor
afstemming onderwijs-arbeidsmarkt
Artikel 2.7. Bijdrage voor derden
Onze Minister kan volgens bij ministeriële regeling te geven
voorschriften aan andere rechtspersonen dan die waarvan de instellingen
uitgaan, een bijdrage toekennen ter bevordering van de verwezenlijking
van de in artikel 1.2.1bedoelde doelstellingen van de educatie en het
beroepsonderwijs dan wel ten behoeve van de afstemming tussen onderwijs
en arbeidsmarkt. Voor zover toepassing van de eerste volzin het
verstrekken van subsidie betreft, zijn de artikelen 4 tot en met 19 van
de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
TITEL 8. WAARBORGFONDS EN INVESTERINGEN IN GEBOUWEN EN TERREINEN
Artikel 2.8.1. Verplichte aansluiting bij het Waarborgfonds instellingen
1. Elke instelling is aangesloten bij de door de bevoegde gezagsorganen
gezamenlijk opgerichte rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid,
zonder winstoogmerk, die zich ten doel stelt zich borg te stellen voor
de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, voortvloeiend uit de
door het bevoegd gezag van de instelling aangegane leningen, door
instandhouding van een onafhankelijk functionerend fonds met een
onafhankelijk van de instellingen functionerend bestuur.
2. Elke instelling draagt aan het fonds op zodanige wijze bij, dat door
de gezamenlijke bijdragen het functioneren van het fonds is gewaarborgd.
3. De gezamenlijke instellingen dragen er zorg voor dat in de statuten
van de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, in elk geval is
opgenomen:
a. dat ingeval van door de rechtspersoon te stellen algemene voorwaarden
aan het verlenen van borgstelling, deze uitsluitend van financiële aard
zijn en uitsluitend betrekking hebben op de te waarborgen lening,
b. dat ingeval de instelling aan de onder a bedoelde voorwaarden
voldoet, borgstelling door de rechtspersoon niet kan worden geweigerd,
c. dat als blijkt dat een instelling niet in staat is tot nakoming van
rente- en aflossingsverplichtingen, de instelling verplicht is een
saneringsplan aan het waarborgfonds over te leggen, waarin is aangegeven
op welke wijze en binnen welke termijn het evenwicht tussen inkomsten en
uitgaven van de instelling hersteld kan worden,
d. dat de door de rechtspersoon te stellen voorwaarden in het kader van
door hem te waarborgen leningen niet in strijd komen met de vrijheid van
organisatie en inrichting van het onderwijs binnen de instellingen,
e. dat een batig saldo van het fonds kan worden uitgekeerd aan de
bevoegde gezagsorganen van de instellingen, onder de voorwaarde dat een
uitkering door het bevoegd gezag van een instelling uitsluitend wordt
besteed ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling waarvoor de
rijksbijdrage wordt verleend, en
f. een regeling omtrent de te volgen procedure en te treffen
voorzieningen in geval van taakverwaarlozing door het bestuur van het
fonds.
4. Van de in het eerste lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op
verzoek van het bevoegd gezag van een bijzondere instelling ontheffing
verlenen op grond van bedenkingen van godsdienstige of
levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts,
indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is
getroffen voor het waarborgen van het voortbestaan van de instelling.
Artikel 2.8.2. Opheffing instellingen
1. Bij de opheffing van een openbare instelling en bij de beëindiging
van de bekostiging van een bijzondere instelling draagt het bevoegd
gezag zo spoedig mogelijk na de opheffing dan wel na de beëindiging van
de bekostiging, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De
eindafrekening wordt aan Onze Minister gezonden en gaat vergezeld van
een verklaring omtrent de getrouwheid van een door de raad van toezicht
of het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Tenzij met Onze Minister een andere regeling wordt getroffen, is het
bevoegd gezag aan het Rijk een bedrag verschuldigd, indien de
eindafrekening een batig saldo bevat. Het bedrag wordt door Onze
Minister vastgesteld en mag niet hoger zijn dan het saldo van de
eindafrekening. Bij de vaststelling van het bedrag wordt rekening
gehouden met door het bevoegd gezag uit de eigen middelen aan
investeringen bestede gelden.
3. Indien de in het eerste lid bedoelde opheffing dan wel beëindiging
van de bekostiging zich voordoet, maakt het bevoegd gezag zo spoedig
mogelijk aan Onze Minister bekend welke maatregelen het heeft genomen
teneinde te waarborgen dat de aan die instelling ingeschreven deelnemers
het onderwijs aan een andere instelling kunnen voltooien.
Artikel 2.8.3. Beheer van de middelen
Het bevoegd gezag beheert de middelen van de instelling op zodanige
wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de
instelling zijn verzekerd.
Hoofdstuk 3 [Vervallen per 01-08-2008]
Titel 1 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 3.1.1 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 3.1.2 [Vervallen per 01-08-2002]
Titel 2 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 3.2.1 [Vervallen per 01-08-2008]
Titel 3 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 3.3.1 [Vervallen per 01-08-2008]
Hoofdstuk 4. Personeel
Titel 1. Personeel van instellingen voor educatie en beroepsonderwijs
§ 1. Formatie; rechtspositie
Artikel 4.1.1. Formatie
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de
formatie van het personeel van de instelling. Zoveel mogelijk tegelijk
met die vaststelling bepaalt het bevoegd gezag functies en taken van het
personeel van de instelling.
Artikel 4.1.1a. Evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in
leidinggevende posities
Het bevoegd gezag streeft evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in
leidinggevende posities na.
Artikel 4.1.2. Rechtspositie van het personeel
1. Het bevoegd gezag stelt een regeling vast voor de rechtspositie van
het personeel.
2. Over de regelingen die gaan over aangelegenheden die van algemeen
belang zijn voor de rechtspositie van het personeel van de instelling,
wordt door of namens het bevoegd gezag overlegd met de vakorganisaties
van overheids- en onderwijspersoneel die daarvoor in aanmerking komen.
3. De bepalingen over ontslag verschaffen het personeel van de openbare
instellingen niet minder rechten dan die welke voor werknemers met een
arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de bepalingen van dwingend recht
van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
gegeven over de maximale beloning van de leden van het college van
bestuur.
5. In geval van een onherroepelijk vonnis tot faillietverklaring van een
instelling, voorzien de bevoegde gezagsorganen van de overige
instellingen er gezamenlijk in dat aan de aanspraken, bedoeld in artikel
79, eerste lid, van de Werkloosheidswet, van het personeel en gewezen
personeel, wordt voldaan, evenals aan de aanspraken die in het overleg,
bedoeld in het tweede lid, zijn overeengekomen en als aanvulling gelden
op de wettelijke aanspraken.
Artikel 4.1.3. Professioneel statuut
Met het oog op de voortdurende verbetering van de professionaliteit van
het personeel, wordt door of namens de bevoegde gezagsorganen in
overeenstemming met vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel
een professioneel statuut vastgesteld.
Artikel 4.1.4 [Vervallen per 01-08-2007]
§ 2. Commissie van beroep
Artikel 4.1.5. Beroepsmogelijkheid personeel bijzondere instellingen
1. Elke bijzondere instelling is aangesloten bij een commissie van
beroep, waarbij door elk personeelslid van die instelling dat
rechtstreeks in zijn belang is getroffen, beroep kan worden ingesteld
tegen een beslissing, door het bevoegd gezag genomen, inhoudende:
a. een disciplinaire maatregel,
b. schorsing,
c. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de pensioengerechtigde
leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, is bereikt,
d. het direct of indirect onthouden van bevordering,
e. het verminderen van de omvang van de betrekking, of
f. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband.
2. Tijdens de behandeling door de commissie van beroep loopt geen
verjaring met betrekking tot rechtsvorderingen ter zake van beslissingen
die aan het oordeel van de commissie zijn onderworpen.
Artikel 4.1.6. Commissie van beroep
1. Een commissie van beroep strekt haar werkzaamheden uit over een of
meer bijzondere instellingen.
2. De commissie bestaat uit een even aantal gewone leden en evenveel
plaatsvervangende leden. De bevoegde gezagsorganen en het personeel van
de aangesloten instellingen kiezen elk de helft van het aantal gewone
leden en plaatsvervangende leden. De gewone leden kiezen de voorzitter,
tevens lid, en de plaatsvervangend voorzitter. De voorzitter, de
plaatsvervangend voorzitter, de gewone leden en de plaatsvervangende
leden worden benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste
vijf jaren. Zij zijn opnieuw benoembaar.
3. De leden en de plaatsvervangende leden, alsmede de voorzitter en de
plaatsvervangend voorzitter mogen niet behoren tot het bevoegd gezag
noch deel uitmaken van het personeel van een aangesloten instelling.
4. Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van de
commissie van beroep ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd
van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de
eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van
ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen, alsmede
indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens
misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van de derde
volzin wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag
in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid gegeven zich ter zake te
doen horen.
5. De uitspraak van de commissie van beroep bindt het bevoegd gezag.
6. De bevoegde gezagsorganen van de aangesloten instellingen stellen
voor de commissie van beroep een beroepsreglement vast, dat erin
voorziet dat een onpartijdig en onafhankelijk functioneren van de
commissie is gewaarborgd. In het beroepsreglement worden geregeld:
a. de omvang van de commissie van beroep,
b. de zittingstermijn van de leden en plaatsvervangende leden van de
commissie,
c. de rechtsgang bij de commissie van beroep, daaronder begrepen de
inhoud en indiening van het beroepschrift, de behandeling ter zitting en
de voorbereiding daarvan, de uitspraak alsmede de mogelijkheden van
verzet, voorlopige voorziening en herziening van uitspraken, alsmede
d. de wijze waarop in het secretariaat wordt voorzien.
7. Het beroepsreglement wordt niet gewijzigd dan nadat de commissie van
beroep over de voorgenomen wijziging is gehoord.
Artikel 4.1.7. Inlichtingen
Het bevoegd gezag en het personeel van de instelling verstrekken aan de
commissie van beroep de inlichtingen die zij voor de uitvoering van haar
taak nodig oordeelt.
Titel 2. Vereisten benoeming of tewerkstelling
Artikel 4.2.1. Vereisten benoeming of tewerkstelling docenten
1. Docenten worden door het bevoegd gezag benoemd dan wel tewerkgesteld
zonder benoeming.
2. Tot docent aan een instelling kan slechts worden benoemd of
tewerkgesteld zonder benoeming degene die:
a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven
volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die op het
tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6
maanden, en
b. voldoet aan de bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 4.2.3, eerste
lid, blijkend uit het bezit van:
1°. een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, van de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van een met
goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een aan een hogeschool
verbonden opleiding gericht op het beroep van leraar in het voortgezet
onderwijs,
2°. een getuigschrift als bedoeld in artikel 175 van de Wet op het
hoger beroepsonderwijs van een met goed gevolg afgelegd staatsexamen,
voor zover overeenkomend met een getuigschrift als bedoeld onder 1°,
3°. een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, van de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van een met
goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een universitaire
lerarenopleiding,
4°. een getuigschrift of diploma van een opleiding die vóór 1
augustus 1991 was gericht op het beroep van leraar in het voortgezet
onderwijs,
5°. een ten aanzien van het door hem te geven onderwijs verleende
erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties,
6°. een gelijkwaardig buitenlands getuigschrift of diploma, behaald in
een land dat niet behoort tot de Lid-Staten van de EU, dan wel een
gelijkwaardig Nederlands-Antilliaans of Arubaans getuigschrift of
diploma, of
c. in het bezit is van een door het bevoegd gezag afgegeven
geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.2.4, en
d. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het geven
van onderwijs.
3. In geval van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel
4.2.4vindt de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming voor zover
betrokkene niet in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld in
artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek plaats voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten
studiejaren. Het bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet
onder door dat gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste
twee jaren indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het
bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de
toepassing van de tweede volzin.
4. Het tweede lid is niet van toepassing voor zover een docent is belast
met contractactiviteiten.
5. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van een docent voor een periode van
ten hoogste twee jaar afwijken van de eisen, bedoeld in het tweede lid,
onder b en c. Het bevoegd gezag kan de in de eerste volzin bedoelde
termijn verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag
dat noodzakelijk oordeelt vanwege de kwaliteit en de voortgang van het
onderwijs aan de school. In dat geval verklaren het bevoegd gezag en de
betrokkene in ieder geval schriftelijk dat betrokkene verplicht is zich
in te spannen om binnen de verlengingsperiode alsnog te voldoen aan de
eisen, bedoeld in het tweede lid, onder b. Het bevoegd gezag beschikt
over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede
volzin.
6. Het bevoegd gezag kan afwijken van het tweede lid, onder b en c, ten
aanzien van degene die gelet op specifieke kennis en bekwaamheden,
samenhangend met ervaringen en werkzaamheden in andere sectoren van de
samenleving en het bedrijfsleven, naar het oordeel van het bevoegd gezag
voldoende bekwaam is om onder verantwoordelijkheid van een daartoe door
het bevoegd gezag aan te wijzen docent voor een beperkte
betrekkingsomvang te worden belast met het uitsluitend verzorgen van
onderwijsonderdelen waar die specifieke kennis en bekwaamheden in het
bijzonder betrekking op hebben. De betrekkingsomvang is voor het totaal
van de in de eerste volzin bedoelde te verzorgen onderwijsonderdelen ten
hoogste een aantal van gemiddeld 4 klokuren per week op jaarbasis.
Artikel 4.2.2. Belasten met onderwijsondersteunende werkzaamheden
1. Onderwijsondersteunende werkzaamheden waarvoor op grond van artikel
4.2.3, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, mogen slechts
worden verricht door degene die:
a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven
ingevolge de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die op het
tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6
maanden, en
b. in het bezit is van een bij ministeriële regeling aangewezen
getuigschrift waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in artikel 4.2.3,
tweede lid, bedoelde bekwaamheidseisen, voor zover vastgesteld, of
c. in het bezit is van een ten aanzien van de door hem te verrichten
werkzaamheden, al dan niet bedoeld in artikel 4.2.3, tweede lid,
verleende erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5
van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, of
d. volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels zijn
bekwaamheid heeft aangetoond, en
e. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het
verrichten van die werkzaamheden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een onderwijsondersteunende
functionaris voor zover deze is belast met werkzaamheden in verband met
contractactiviteiten.
3. Ten aanzien van studenten aan een opleiding als bedoeld in artikel
7.7, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek en deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg van een
opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 die in het kader van die
opleiding onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op
grond van artikel 4.2.3, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld,
kan voor de duur van die werkzaamheden worden afgeweken van het eerste
lid, onder b tot en met d.
4. Het bevoegd gezag kan voor een periode van ten hoogste twee jaar
afwijken van de eisen, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met d.
Het bevoegd gezag kan deze periode met ten hoogste de helft verlengen
indien bijzondere omstandigheden daartoe naar zijn oordeel aanleiding
geven. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking
tot de toepassing van de tweede volzin.
Artikel 4.2.3. Bekwaamheidseisen
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen
vastgesteld voor de uitoefening van het docentschap.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen
vastgesteld voor bij die maatregel aan te wijzen onderwijsondersteunende
werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het
onderwijsleerproces.
3. De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen zijn gericht op het
handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen
en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval
eisen ten aanzien van:
a. pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden, en
b. vakbekwaamheid.
4. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste en tweede
lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De
maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging
zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens
wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij
de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel
zo spoedig mogelijk ingediend.
5. Onze Minister stelt een beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt
van beroepskwaliteit representatief acht voor onderwijspersoneel als
bedoeld in deze wet, in de gelegenheid hem een voorstel te doen voor de
in het eerste en tweede lid bedoelde bekwaamheidseisen. Onze Minister
stelt deze organisatie vervolgens in elk geval eenmaal in de zes jaar in
de gelegenheid, hem een voorstel te doen over ongewijzigde handhaving of
wijziging van de bekwaamheidseisen voor zover vastgesteld. Uit een
voorstel als bedoeld in de eerste of tweede volzin blijkt tevens, in
hoeverre dat voorstel mede steun geniet van een vertegenwoordiging van
bevoegde gezagsorganen, van ouders en van deelnemers.
Artikel 4.2.3a. Bekwaamheidsdossier
Het bevoegd gezag beschikt ten aanzien van elk personeelslid dat een
functie of werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen zijn
vastgesteld, over geordende gegevens met betrekking tot de bekwaamheid
en het onderhouden van de bekwaamheid. Ten behoeve van de onderlinge
vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij
ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld over de
inrichting en wijze van ordening van deze gegevens.
Artikel 4.2.4. Geschiktheidsverklaring zij-instroom in het beroep van
docent
1. Aan degene die niet in het bezit is van een in artikel 4.2.1, tweede
lid, onder b, genoemd getuigschrift of diploma respectievelijk genoemde
erkenning van beroepskwalificaties wordt door het bevoegd gezag dat
voornemens is betrokkene te benoemen een geschiktheidsverklaring
afgegeven, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegd gezag:
a. vakinhoudelijk bekwaam is en geschikt is voor het beroep van docent,
en
b. voldoet aan de in artikel 4.2.3, derde lid, onder a genoemde eisen,
blijkend uit het bezit van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of
c. in staat is verantwoord les te geven en binnen twee jaar na benoeming
of tewerkstelling zonder benoeming tot docent te voldoen aan de in
artikel 4.2.3, derde lid, onder a, genoemde eisen.
2. Het bevoegd gezag geeft de in het eerste lid bedoelde verklaring
slechts af, indien:
a. betrokkene in het bezit is van een getuigschrift van een met goed
gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding in het
wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld
in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, niet
zijnde een getuigschrift als bedoeld inartikel 4.2.1, tweede lid,
onderdeel b 1° tot en met 4°,
b. betrokkene in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties
als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning
EG-beroepskwalificaties,
c. betrokkene in het bezit is van een buitenlands getuigschrift of
diploma dat gelijkwaardig is aan een onder a bedoeld getuigschrift of
een onder b bedoelde erkenning van beroepskwalificaties, of
d. betrokkene ten minste drie jaren ervaring heeft in de praktijk van
het beroep waarop het desbetreffende onderwijs is gericht en naar het
oordeel van het bevoegd gezag door een combinatie van opleiding en
ervaring geacht wordt te beschikken over een kwalificatieniveau dat
vergelijkbaar is met het onder a tot en met c bedoelde
kwalificatieniveau, en
e. de gevolgde opleiding en de maatschappelijke of beroepservaring van
betrokkene, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van het
bevoegd gezag van voldoende belang zijn in verhouding tot de beoogde
werkzaamheden aan de instelling.
3. Indien betrokkene niet in het bezit is van een getuigschrift als
bedoeld in artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek, stelt het bevoegd gezag vast, welke scholing
en begeleiding voor betrokkene noodzakelijk zijn om binnen twee jaar na
benoeming of tewerkstelling zonder benoeming te kunnen voldoen aan de in
artikel 4.2.3, derde lid onder a, genoemde bekwaamheidseisen ten aanzien
van pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden.
Artikel 4.2.5. Uitvoering pedagogisch-didactische scholing
De op grond van artikel 4.2.4, derde lid, noodzakelijk geoordeelde
scholing wordt uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een
instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die een lerarenopleiding
verzorgt. Het bevoegd gezag stelt in overeenstemming met het bestuur van
die instelling het voor betrokkene noodzakelijke scholingstraject vast.
Titel 2a. Benoembaarheidsvereiste voor overig personeel van instellingen
Artikel 4.2a.1. Vereiste benoembaarheid overig personeel
Tot lid van het personeel, anders dan bedoeld in de artikelen 4.2.1 en
4.2.2, kan slechts worden benoemd degene die in het bezit is van een
verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens, die op het tijdstip van overlegging aan het
bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden.
Titel 3. Personeel van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
Artikel 4.3.1. Formatie
Het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven stelt
jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van het
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven. Zoveel mogelijk tegelijk
met deze vaststelling bepaalt het bestuur functies en taken van het
personeel van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.
Artikel 4.3.2. Rechtspositie personeel kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven
Artikel 4.1.2 is van overeenkomstige toepassing op de rechtspositie van
het personeel van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, met dien
verstande dat het gaat om kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven en
de besturen daarvan in plaats van om instellingen en de bevoegde
gezagsorganen daarvan.
Artikel 4.3.3. Beroepsmogelijkheid personeel kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven
Op een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven zijn de artikelen
4.1.5, 4.1.6 en 4.1.7 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de desbetreffende commissie van beroep haar werkzaamheden uitstrekt
over ten minste drie kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.
Artikel 4.3.4 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 4.3.5 [Vervallen per 01-08-2008]
Titel 4
Artikel 4.4.1 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 4.4.2 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 4.4.3 [Vervallen per 01-08-1998]
Hoofdstuk 5 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 5.1 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 5.2 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 5.2a [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 5.3 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 5.4 [Vervallen per 11-05-2001]
Hoofdstuk 6. Het onderwijsaanbod beroepsopleidingen
Titel 1. Het beroepsonderwijs, verzorgd door uit ’s Rijks kas
bekostigde instellingen
Artikel 6.1.1. Onderwijsaanbod instellingen
Het bevoegd gezag bepaalt welke beroepsopleidingen de instelling
verzorgt. Ten aanzien van die opleidingen geldt de aanspraak op
bekostiging uitsluitend indien de opleidingen krachtens artikel 2.1.1
voor bekostiging in aanmerking komen.
Artikel 6.1.2 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 6.1.3. Zorgplicht arbeidsmarktperspectief en belang
beroepsopleidingen
1. Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat een beroepsopleiding alleen door
de instelling wordt aangeboden als er na beëindiging van de opleiding
voldoende arbeidsmarktperspectief is voor de deelnemers.
2. Onverminderd het eerste lid zorgt het bevoegd gezag van een
instelling als bedoeld in deartikelen 1.3.2a of 1.3.3 ervoor dat een
beroepsopleiding die niet behoort tot het werkgebied van een
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven dat werkzaam is voor de
specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken waarvoor de
instelling opleidingen verzorgt, alleen wordt aangeboden als die
beroepsopleiding aantoonbaar gericht is op en van belang is voor de
specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken waarvoor de
instelling opleidingen verzorgt.
Artikel 6.1.3a [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 6.1.4. Ontneming rechten ten aanzien van bestaand
onderwijsaanbod
1. Onze Minister kan besluiten dat ten aanzien van een beroepsopleiding
die de instelling verzorgt, de rechten, genoemd in artikel 1.3.1,
gedurende twee jaar worden ontnomen indien:
a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding langer dan één jaar
onvoldoende is geweest, of
b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet
is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, het onderwijs of de
examens, dan wel
c. niet of niet meer wordt voldaan aan de zorgplicht, bedoeld in artikel
6.1.3.
2. Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat ten aanzien
van het desbetreffende onderwijs:
a. de aanspraak op bekostiging, bedoeld in artikel 1.3.1, voor zover van
toepassing, vervalt,
b. aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma of certificaat als
bedoeld in artikel 7.4.6 meer is verbonden, en
c. in het Centraal register wordt geregistreerd dat de rechten, genoemd
inartikel 1.3.1, van de instelling met betrekking tot de opleiding zijn
ontnomen en de ingangsdatum en de einddatum daarvan.
3. Bij een beschikking tot ontneming van rechten bepaalt Onze Minister
het tijdstip waarop die beschikking van kracht wordt zodanig, dat de
voor de opleiding ingeschreven deelnemers de opleiding aan een andere
instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.
4. Onze Minister neemt een beschikking als bedoeld in het eerste lid
voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het studiejaar waarin het
in het derde lid bedoelde tijdstip valt.
5. Onze Minister maakt de ontneming van rechten, bedoeld in dit artikel,
openbaar.
Artikel 6.1.5. Waarschuwing
1. Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel
6.1.4, eerste lid, onder a, geeft hij aan het bevoegd gezag een
waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit
van de opleiding. Onze Minister geeft eerst toepassing aan artikel
6.1.4, eerste lid, onder a, nadat
a. na de waarschuwing ten minste een jaar verstreken is, en
b. Onze Minister aan de hand van een nader onderzoek tot het oordeel is
gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de
waarschuwing.
2. Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel
6.1.4, eerste lid, onder b, geeft hij aan het bevoegd gezag een
waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die
waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem
dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de
waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden.
3. Onze Minister maakt de waarschuwingen, bedoeld in dit artikel,
openbaar.
Artikel 6.1.5a. Maatregelen
1. In de gevallen, bedoeld in artikel 6.1.4, eerste lid, onder a en b,
kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging
in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.
2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de
mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een
extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële
middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.
3. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en
verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van
financiële middelen betreffen.
Artikel 6.1.5b. Ontneming recht op examinering instellingen;
waarschuwing
1. Onze Minister kan aan een instelling het recht op examinering van een
beroepsopleiding ontnemen, indien de kwaliteit van de examens van die
opleiding niet voldoet aan de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4. Bij
de ontneming van het recht wordt bepaald met ingang van welk tijdstip
dit geschiedt. De ontneming wordt in het Centraal register
bekendgemaakt.
2. Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid
neemt, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn
bevindingen over de kwaliteit van de examinering onder bepaling van de
termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven.
Artikel 6.1.5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Het bevoegd gezag kan niet eerder dan na verloop van drie studiejaren
na de ontneming, bedoeld in het eerste lid, het recht opnieuw
verkrijgen.Artikel 1.6.1 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.1.6 [Vervallen per 01-08-2008]
Titel 2. Het beroepsonderwijs, verzorgd door niet uit ’s Rijks kas
bekostigde instellingen
Artikel 6.2.1. Diploma-erkenning ten aanzien van beroepsopleidingen,
verzorgd door niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen
1. De aanvraag om toepassing van artikel 1.4.1 geldt mede als aanmelding
voor registratie in het Centraal register. In aanvulling op de gegevens,
bedoeld in artikel 6.4.1, vijfde lid, en zesde lid, onder a en b,
verschaft het bevoegd gezag van een niet uit ’s Rijks kas bekostigde
instelling bij de aanmelding de gegevens waaruit blijkt dat het
onderwijs van voldoende kwaliteit is of zal zijn, en dat wordt voldaan
aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid.
2. Indien Onze Minister de aanvraag om toepassing van artikel 1.4.1
inwilligt, registreert hij bij de eerstvolgende gelegenheid daartoe, de
naam van de instelling bij de kwalificatie waarop de opleiding is
gericht in het Centraal register.
Artikel 6.2.2. Beëindiging diploma-erkenning ten aanzien van
beroepsopleidingen, verzorgd door niet uit ’s Rijks kas bekostigde
instellingen
1. Onze Minister kan ten aanzien van een beroepsopleiding, verzorgd door
een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling, het recht, bedoeld in
artikel 1.4.1, ontnemen indien
a. gebleken is dat de kwaliteit van de opleiding langer dan één jaar
onvoldoende is geweest,
b. niet of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarde, bedoeld in artikel
1.4.1, eerste lid, of aan artikel 1.4.1, zesde lid, onderdelen a tot en
met e, of
c. in strijd is gehandeld met artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht.
2. Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat aan de
examens of onderdelen daarvan geen diploma of certificaat als bedoeld in
artikel 7.4.6 is verbonden en dat de registratie in het Centraal
register wordt beëindigd.
Artikel 6.2.3. Waarschuwing
1. Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel
6.2.2, eerste lid, onder a, geeft hij aan het bevoegd gezag een
waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit
van de opleiding.
Onze Minister geeft eerst toepassing aan artikel 6.2.2, eerste lid,
onder a, nadat
a. na de waarschuwing ten minste een jaar verstreken is, en
b. Onze Minister aan de hand van een hernieuwd onderzoek tot het oordeel
is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de
waarschuwing.
2. Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel
6.2.2, eerste lid, onder b, geeft hij aan het bevoegd gezag een
waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die
waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem
dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de
waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden.
3. Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel
6.2.2, eerste lid, onder c, geeft hij het bevoegd gezag een
waarschuwing, onder bepaling van een termijn van ten minste tien dagen
waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven.
4. Onze Minister maakt de waarschuwingen, bedoeld in dit artikel,
openbaar.
Artikel 6.2.3a. Maatregelen
In de gevallen, bedoeld in artikel 6.2.2, eerste lid, onder a en b,
isartikel 6.1.5a van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.2.3b. Ontneming recht op examinering niet uit 's Rijks kas
bekostigde instellingen; waarschuwing
1. Onze Minister kan aan een niet uit 's Rijks kas bekostigde instelling
het recht op examinering van een beroepsopleiding ontnemen, indien de
kwaliteit van de examens van die opleiding niet voldoet aan de
standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4. Bij de ontneming van het recht
wordt bepaald met ingang van welk tijdstip dit geschiedt. De ontneming
wordt in het Centraal register bekendgemaakt.
2. Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid
neemt, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn
bevindingen over de kwaliteit van de examinering onder bepaling van de
termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. Onze
Minister maakt de waarschuwing openbaar.
3. Het bevoegd gezag kan niet eerder dan na verloop van drie studiejaren
na de ontneming, bedoeld in het eerste lid, het recht opnieuw
verkrijgen.Artikel 1.6.1 is van overeenkomstige toepassing.
Titel 3. De exameninstellingen
Artikel 6.3.1. Examinering exameninstellingen
1. De aanvraag om toepassing van artikel 1.6.1 geldt mede als aanmelding
voor registratie in het Centraal register. Het bevoegd gezag van een
exameninstelling verschaft bij de aanmelding de gegevens waaruit blijkt
dat de examinering van voldoende kwaliteit is of zal zijn, en dat wordt
voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.6.1, tweede lid.
2. Indien Onze Minister de aanvraag om toepassing van artikel 1.6.1
inwilligt, registreert hij bij de eerstvolgende gelegenheid daartoe, de
exameninstelling bij de desbetreffende opleiding in het Centraal
register.
Artikel 6.3.2. Ontneming recht op examinering exameninstellingen;
waarschuwing
Artikel 6.2.3b is van overeenkomstige toepassing op exameninstellingen.
Artikel 6.3.3. Maatregelen
1. In het geval, bedoeld in artikel 6.3.2, eerste lid, kan Onze Minister
op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in
overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.
2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de
mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een
externe deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële
middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.
3. Onze Minister stelt regels omtrent de toekenning van en
verantwoording over maatregelen, voor zover deze het verstrekken van
financiële middelen betreffen.
Artikel 6.3.3a [Vervallen per 01-08-2004]
Titel 4. Het Centraal register beroepsonderwijs
Artikel 6.4.1. Het Centraal register beroepsonderwijs
1. Het Centraal register beroepsonderwijs is een systematisch geordende
verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingsdomeinen,
kwalificatiedossiers en kwalificaties in het beroepsonderwijs, de
instellingen en de exameninstellingen. Onze Minister is belast met de
aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het
verstrekken van informatie uit het register. De bekendmaking en het
verstrekken van informatie kunnen digitaal plaatsvinden.
2. Het Centraal register bevat de volgende gegevens:
a. de naam en de code van de opleidingsdomeinen, de kwalificatiedossiers
en de bijbehorende kwalificaties,
b. de studielast van de beroepsopleidingen die gericht zijn op de
kwalificaties, en
c. of in een kwalificatiedossier ten behoeve van een kwalificatie
vereisten zijn opgenomen die bij of krachtens wet zijn vastgesteld voor
het beroep waarop de kwalificatie is gericht.
3. Het Centraal register bevat voorts per kwalificatie de volgende
gegevens, voor zover van toepassing:
a. de namen van de uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen
1° die blijkens de opgave van het aantal deelnemers daadwerkelijk de
desbetreffende beroepsopleiding verzorgen,
2° waaraan de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, met betrekking tot de
desbetreffende beroepsopleiding zijn ontnomen en de ingangs- en
einddatum daarvan,
3° waaraan het recht op examinering van de desbetreffende
beroepsopleiding is ontnomen en de ingangsdatum daarvan,
b. de namen van de niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen
1° waaraan het recht, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, met
betrekking tot de desbetreffende beroepsopleiding is toegekend en die
niet te kennen hebben gegeven dat zij deze beroepsopleiding niet langer
zullen verzorgen,
2° waaraan het recht, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, met
betrekking tot de desbetreffende beroepsopleiding is ontnomen en de
ingangsdatum daarvan,
3° waaraan het recht op examinering van de desbetreffende
beroepsopleiding is ontnomen en de ingangsdatum daarvan,
c. de namen van de exameninstellingen
1° die het recht hebben op examinering van de desbetreffende
beroepsopleiding en die niet te kennen hebben gegeven dat zij die
examinering niet langer zullen verzorgen en
2° waaraan het recht is ontnomen op examinering van de desbetreffende
beroepsopleiding, en de ingangsdatum daarvan.
Artikel 6.4.2. De registratieprocedure voor beroepsopleidingen van uit
’s Rijks kas bekostigde instellingen
Onze Minister registreert per kwalificatie de instellingen die blijkens
de opgave van het aantal deelnemers de desbetreffende beroepsopleiding
daadwerkelijk verzorgen.
Artikel 6.4.3 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 6.4.4. Beëindiging registratie beroepsopleidingen niet uit ’s
Rijks kas bekostigde instellingen; beëindiging registratie examinering
1. Onverminderdartikel 6.2.2 beëindigt Onze Minister de registratie bij
een kwalificatie van een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling,
indien het bevoegd gezag te kennen geeft dat de instelling de
desbetreffende beroepsopleiding niet langer zal verzorgen. Onverminderd
artikel 6.3.2 beëindigt Onze Minister de registratie bij een
kwalificatie van de examinering door een exameninstelling, indien het
bevoegd gezag te kennen geeft dat de exameninstelling de examinering van
de desbetreffende beroepsopleiding niet langer zal verzorgen.
2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt voor 1 oktober
van het jaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de
inschrijving voor de opleiding niet meer openstaat.
3. Onze Minister beëindigt de registratie ambtshalve wanneer de
instelling de opleiding niet langer verzorgt en het bevoegd gezag de
kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, niet of niet tijdig doet.
4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de
registratie van de examinering door exameninstellingen.
Titel 5 [Vervallen per 01-08-2004]
Artikel 6.5.1 [Vervallen per 01-08-2004]
Artikel 6.5.2 [Vervallen per 01-08-2004]
Artikel 6.5.3 [Vervallen per 01-08-2004]
Hoofdstuk 6a. Het onderwijsaanbod educatie
Titel 1. De educatie, verzorgd door instellingen als bedoeld in artikel
1.4a.1
Artikel 6a.1.1. Registratie van andere instellingen, bedoeld in artikel
1.4a.1
1. Onze Minister maakt jaarlijks voor de aanvang van het studiejaar
bekend welke instellingen, bedoeld in artikel 1.4a.1, eerste lid, voor
welke opleidingen rechten hebben als bedoeld in dat lid. Deze
bekendmaking vermeldt:
a. de naam van de instelling en van de opleiding die de instelling
verzorgt,
b. in voorkomende gevallen, een waarschuwing als bedoeld in artikel
6a.1.3, en
c. in voorkomende gevallen, de bepaling dat de registratie zal worden
beëindigd, alsmede het tijdstip waarop.
2. Als peildatum voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, hanteert
Onze Minister 1 juni voorafgaand aan de bekendmaking, bedoeld in het
eerste lid.
Artikel 6a.1.2. Beëindiging diploma-erkenning ten aanzien van
opleidingen educatie, verzorgd door instellingen als bedoeld in artikel
1.4a.1
1. Onze Minister kan ten aanzien van een opleiding educatie, verzorgd
door een instelling als bedoeld in artikel 1.4a.1, het recht, bedoeld in
het eerste lid van dat artikel, ontnemen indien:
a. gebleken is dat de kwaliteit van een of meer examens of een of meer
onderdelen van een examen van die opleiding onvoldoende is geweest, of
b. niet of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden, bedoeld in
artikel 1.4a.1, eerste lid, of aan de voorwaarde, bedoeld in artikel
1.4a.1, zesde lid, of aan artikel 1.4a.1, achtste lid, onderdelen a tot
en met e.
2. Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat aan de
examens of onderdelen daarvan geen diploma of certificaat als bedoeld in
artikel 7.4.6 is verbonden.
Artikel 6a.1.3. Waarschuwing
1. Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel
6a.1.2, eerste lid, onder a, geeft hij aan het bevoegd gezag een
waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit
van een of meer examens of een of meer onderdelen van een examen van die
opleiding. Onze Minister geeft eerst toepassing aan artikel 6a.1.2,
eerste lid, onder a, nadat
a. na de waarschuwing ten minste een jaar is verstreken, en
b. Onze Minister aan de hand van een hernieuwd onderzoek tot het oordeel
is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de
waarschuwing.
2. Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel
6a.1.2, eerste lid, onder b, geeft hij aan het bevoegd gezag een
waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die
waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem
dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de
waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden.
Artikel 6a.1.4. Beëindiging diploma-erkenning van rechtswege van
opleidingen educatie van instellingen, bedoeld in artikel 1.4a.1
Indien het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel
1.4a.1, langer dan een studiejaar een opleiding educatie niet heeft
verzorgd, vervalt van rechtswege het recht om voor de desbetreffende
opleiding een diploma of certificaat als bedoeld in artikel 1.4a.1,
eerste lid, uit te reiken.
Titel 2. Ontneming recht op examinering educatie
Artikel 6a.2.1. Ontneming recht op examinering educatie
1. Onze Minister kan aan een instelling het recht op examinering van een
opleiding educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel
a, ontnemen, indien
a. de kwaliteit van de examens van die opleiding langer dan één jaar
onvoldoende is geweest, of
b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet
is bepaald ten aanzien van de examens.
2. Bij de ontneming van het recht, bedoeld in het eerste lid, wordt
bepaald met ingang van welk tijdstip dit geschiedt. Het besluit tot
ontneming van het recht op examinering wordt openbaar gemaakt.
3. Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid
neemt, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn
bevindingen over de kwaliteit van de examinering, onder bepaling van de
termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven.
Artikel 6.1.5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Het bevoegd gezag kan niet eerder dan na verloop van drie studiejaren
na het besluit tot ontneming, bedoeld in het eerste lid, het recht op
examinering opnieuw verkrijgen. Artikel 1.4a.1 is van overeenkomstige
toepassing.
5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op instellingen als
bedoeld in artikel 1.4a.1.
Hoofdstuk 7. Het onderwijs
Titel 1. Het onderwijs
Artikel 7.1.1. Taal
Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het
Nederlands. Een andere taal kan worden gebezigd:
a. wanneer het onderwijs met betrekking tot die taal betreft, of
b. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het
onderwijs dan wel de herkomst van de deelnemers daartoe noodzaakt,
overeenkomstig een door het bevoegd gezag vastgestelde gedragscode.
Artikel 7.1.2. Opleidingen
1. De instelling biedt het onderwijs aan in de vorm van
beroepsopleidingen of opleidingen educatie. Een beroepsopleiding wordt
door de instelling in het maatschappelijk verkeer aangeduid met de naam
van de kwalificatie waarop zij is gericht of voorzover het gaat om
deelnemers die ingeschreven zijn of zullen worden voor een
opleidingsdomein of kwalificatiedossier, de naam van dat
opleidingsdomein of dat kwalificatiedossier.
2. Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een deelnemer
is ingericht overeenkomstig de eisen van hoofdstuk 7, titel 2, en dat is
gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs, ten
bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt.
3. Een opleiding educatie is een samenhangend geheel van
onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van eindtermen of het
behalen van een diploma, gelijkwaardig aan een diploma van scholen,
bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 van de Wet op het voortgezet
onderwijs, of onderdelen van een dergelijk diploma.
4. Beroepsopleidingen worden afgesloten met een examen. Opleidingen
educatie kunnen worden afgesloten met een examen.
Artikel 7.1.3. Kwalificatie
Een kwalificatie is het geheel van bekwaamheden die een afgestudeerde
van een beroepsopleiding kwalificeren voor het functioneren in een
beroep of een groep van samenhangende beroepen, in het vervolgonderwijs
en als burger en dat is beschreven binnen een kwalificatiedossier.
Artikel 7.1.4. Ondersteuning bij het onderwijs aan zieke deelnemers
1. Bij het geven van onderwijs aan een deelnemer van een
beroepsopleiding die bij de aanvang van die opleiding leerplichtig was
en die is opgenomen in een ziekenhuis of die in verband met ziekte thuis
verblijft, kan het bevoegd gezag van een instelling die de
beroepsopleiding verzorgt, worden ondersteund.
2. De ondersteuning bedoeld in het eerste lid wordt verzorgd door:
a. een educatieve voorziening als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid,
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek indien
de deelnemer is opgenomen in een academisch ziekenhuis of
b. een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 180 van de Wet op
het primair onderwijs en artikel 166 van de Wet op de expertisecentra
indien de deelnemer is opgenomen in een ziekenhuis niet zijnde een
academisch ziekenhuis dan wel indien de deelnemer in verband met ziekte
thuis verblijft.
3. De ondersteuning bedoeld in het eerste lid kan in overeenstemming
tussen de educatieve voorziening dan wel de schoolbegeleidingsdienst en
de instelling waarbij de deelnemer is ingeschreven, mede het geven van
onderwijs aan de deelnemer betreffen.
4. Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel b, bekostiging voor activiteiten die worden
verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke
leerlingen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld voor de bekostiging, bedoeld in de vorige volzin.
5. Schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
b, zijn de schoolbegeleidingsdiensten die voor de ondersteuning bij het
onderwijs aan zieke leerlingen, in de periode 1 augustus 1999 tot 1
augustus 2004 subsidie ontvingen van een gemeente op grond van artikel
IX van de Wet van 10 december 1998 (Stb. 733), tot wijziging van de Wet
op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het
voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inzake de
ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen.
Titel 2. Het beroepsonderwijs
§ 1. Reikwijdte
Artikel 7.2.1. Reikwijdte
Deze titel is van toepassing op beroepsopleidingen.
§ 2. Beroepsopleidingen en kwalificatiestructuur
Artikel 7.2.2. Onderscheid beroepsopleidingen; niveau; leerwegen
1. De volgende soorten beroepsopleidingen worden onderscheiden:
a. de assistentopleiding,
b. de basisberoepsopleiding,
c. de vakopleiding,
d. de middenkaderopleiding, en
e. de specialistenopleiding.
2. De in het eerste lid bedoelde opleidingen bestaan uit:
a. een beroepsopleidende leerweg, omvattend een praktijkdeel van ten
minste 20% en minder dan 60% van de studieduur, of
b. een beroepsbegeleidende leerweg, omvattend een praktijkdeel van 60%
of meer van de studieduur, dan wel
c. zowel de onder a als de onder b bedoelde leerweg.
3. De assistentopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het
eerste niveau van beroepsuitoefening of voor de entree op de
arbeidsmarkt. De basisberoepsopleidingen richten zich op de kwalificatie
voor het tweede, de vakopleidingen op de kwalificatie voor het derde en
de middenkader- en specialistenopleidingen op de kwalificatie voor het
vierde en hoogste niveau van beroepsuitoefening.
4. Aan de in het eerste lid bedoelde opleidingen kunnen ten behoeve van
individuele deelnemers voorbereidende en ondersteunende activiteiten
worden toegevoegd ter bevordering van het kunnen instromen in en met
gunstig gevolg voltooien van de opleiding. Deze activiteiten maken geen
deel uit van de opleiding. Voorbereidende en ondersteunende activiteiten
zijn bestemd voor deelnemers wier vooropleiding naar het oordeel van het
bevoegd gezag onvoldoende uitzicht biedt op het binnen een redelijke
tijd behalen van de kwalificatie waarvoor de deelnemer en de instelling
een onderwijsovereenkomst hebben gesloten.
Artikel 7.2.3. Certificaten
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald
dat aan onderdelen van een kwalificatie of kwalificaties een certificaat
is verbonden.
2. Artikel 7.4.6 is van overeenkomstige toepassing op certificaten.
Artikel 7.2.4. Landelijke kwalificatiestructuur beroepsonderwijs
1. Met het oog op het functioneren van een landelijke
kwalificatiestructuur, gericht op de aansluiting tussen het aanbod van
het beroepsonderwijs en de maatschappelijke behoeften daaraan, mede in
het licht van de arbeidsmarktperspectieven voor afgestudeerden, draagt
Onze Minister zorg voor het vaststellen en onderhouden van een
samenhangend en gedifferentieerd geheel van opleidingsdomeinen,
kwalificatiedossiers en bijbehorende kwalificaties die voor de
desbetreffende bedrijfstakken of beroepencategorieën van belang zijn.
2. Daartoe worden op voorstel van de desbetreffende kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven bij ministeriële regeling vastgesteld:
a. de kwalificatiedossiers,
b. van elk kwalificatiedossier:
1° het opleidingsdomein waartoe het kwalificatiedossier behoort, tenzij
het een kwalificatiedossier betreft dat uitsluitend is gericht op de
kwalificatie voor de entree op de arbeidsmarkt,
2° de kwalificatie of kwalificaties die het kwalificatiedossier bevat,
3° de kwalificatie of kwalificaties op grond waarvan een
beroepsopleiding kan worden ingericht die voor bekostiging in aanmerking
komt, en
4° indien het een kwalificatiedossier betreft dat door twee of meer
kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven gezamenlijk is ingediend, op
welke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken de kwalificatie of de
kwalificaties gericht zijn,
c. van elke kwalificatie:
1° de soort beroepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid,
waarop de kwalificatie is gericht,
2°. de leerweg of leerwegen, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid,
waarin die beroepsopleiding kan worden verzorgd,
3° het niveau, bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, van die
beroepsopleiding,
4° de hoogte van de studielast van die beroepsopleiding, met
inachtneming van het negende lid, en
5° of toepassing is gegeven aan artikel 7.2.6, eerste lid.
3. Het kenniscentrum neemt bij het voorstel voor een kwalificatiedossier
het bepaalde in het tweede en vierde lid in acht. Uit het voorstel
blijkt dat het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven voldoende acht heeft geslagen op de aansluiting tussen de
opleidingen voorbereidend beroepsonderwijs, de opleidingen middelbaar
algemeen voortgezet onderwijs, de beroepsopleidingen en de opleidingen
hoger beroepsonderwijs, in elk geval door raadpleging van
vertegenwoordigers van die onderwijsvelden. Indien ook andere instanties
nauw bij het voorstel voor het kwalificatiedossier zijn betrokken, maakt
het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven in zijn
voorstel melding van de wijze waarop het oordeel van die instanties is
betrokken in het voorstel.
4. Bij de vaststelling van een kwalificatiedossier worden de
referentieniveaus Nederlandse taal en de referentieniveaus rekenen in
acht genomen die op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel
d, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen zijn
vastgesteld voor de soorten opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2,
eerste lid, onder a tot en met e.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden
gegeven voor de inhoud van een kwalificatiedossier.
6. Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de
termijnen bij de totstandkoming, vaststelling en geldigheidsduur van
kwalificatiedossiers. Tevens worden bij ministeriële regeling een model
en een toetsingskader voor kwalificatiedossiers vastgesteld.
7. Deelnemers worden behoudens de tweede volzin opgeleid overeenkomstig
het kwalificatiedossier dat voor de desbetreffende beroepsopleiding is
vastgesteld voor de aanvang van het studiejaar waarin zij met het eerste
jaar van die opleiding starten. Nadat de geldigheidsduur van een
kwalificatiedossier is verstreken, kan een diploma op basis van dat
kwalificatiedossier nog worden uitgereikt gedurende een periode die
overeenkomt met de normatieve studieduur van de desbetreffende
beroepsopleiding, vermeerderd met 2 jaren.
8. Het bevoegd gezag stelt de studieduur van de opleiding vast met
inachtneming van de studielast. De studieduur kan verschillen voor
onderscheiden deelnemers of groepen van deelnemers.
9. De studielast van elke kwalificatie wordt uitgedrukt in normatieve
studiejaren. Een normatief studiejaar telt veertig weken van elk veertig
uren studie, daaronder mede begrepen het onderricht in de praktijk. De
studielast bedraagt voor de onderscheiden in artikel 7.2.2, eerste lid,
onder a tot en met e, bedoelde opleidingen het volgende aantal
normatieve studiejaren of het volgende gedeelte daarvan:
a. 1 jaar,
b. ten minste 2 en ten hoogste 3 jaren,
c. ten minste 2 en ten hoogste 4 jaren,
d. ten minste 3 en ten hoogste 4 jaren, en
e. ten minste 1 jaar en ten hoogste 2 jaren.
Artikel 7.2.5. Advisering over kwalificatiestructuur en
kwalificatiedossiers
Bij ministeriële regeling kan een organisatie worden aangewezen die
belast is met de advisering over de landelijke kwalificatiestructuur,
bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid, en over de voorstellen tot
vaststelling van kwalificatiedossiers, bedoeld in artikel 7.2.4, tweede
en derde lid. Laatstgenoemde advisering heeft in elk geval betrekking op
de vraag of en in hoeverre deze voorstellen bijdragen aan de
ontwikkeling van de landelijke kwalificatiestructuur. In de
ministeriële regeling worden tevens regels gesteld voor de werkwijze
van de organisatie en de subsidiëring van de werkzaamheden, bedoeld in
de eerste volzin.
Artikel 7.2.5a. Vaststelling opleidingsdomeinen
Bij ministeriële regeling worden op voorstel van de instellingen in
overleg met de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven de
opleidingsdomeinen vastgesteld.
Artikel 7.2.6. Beroepsvereisten
1. Indien voor een beroep bij of krachtens een wet, verdrag of bindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie, vereisten zijn
vastgesteld over de kwaliteiten onder meer op het gebied van kennis,
inzicht, vaardigheden of beroepshoudingen waarover degenen die een
opleiding gericht op dat beroep voltooien, moeten beschikken, of over de
examinering bij de desbetreffende beroepsopleiding:
a. draagt het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven ervoor zorg dat deze vereisten verwerkt zijn bij het doen
van het voorstel, bedoeld in artikel 7.2.4, tweede en derde lid,
b. voegt het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven
een verklaring van Onze Minister die het aangaat dat deze vereisten
correct zijn verwerkt in het voorstel, bedoeld in artikel 7.2.4, tweede
en derde lid, en
c. neemt Onze Minister deze vereisten in acht bij de vaststelling van de
standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4.
2. De instelling draagt er bij het aanbieden van een beroepsopleiding
zorg voor dat degenen die deze opleiding volgen, ten minste in de
gelegenheid zijn aan de in het eerste lid bedoelde vereisten te voldoen
en dat bij de examinering, zo nodig in afwijking van titel 4 van dit
hoofdstuk, aan die vereisten wordt voldaan.
Artikel 7.2.7. Inrichting opleidingen
1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat beroepsopleidingen zodanig
zijn ingericht dat deelnemers, ongeacht of zij eerst worden ingeschreven
voor een opleidingsdomein of voor een kwalificatiedossier, de
kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken.
2. Beroepsopleidingen zijn voltijds of deeltijds dan wel zowel voltijds
als deeltijds ingericht.
3. Voltijdse beroepsopleidingen zijn opleidingen in de beroepsopleidende
leerweg waarvan elk volledig studiejaar een studielast van 1600 uren of
meer heeft, en waarvoor het bevoegd gezag voor de deelnemer in
instellingstijd een onderwijsprogramma verzorgt dat ten minste 850 uren
per volledig studiejaar omvat. Indien de door Onze Minister vastgestelde
studielast ertoe leidt dat in het laatste studiejaar de duur van de
opleiding gerekend vanaf 1 september en naar boven afgerond op hele
maanden minder is dan 10 maanden, dan wordt de norm van 850 uren in dat
jaar evenredig verlaagd.
4. Het in instellingstijd verzorgde onderwijsprogramma, bedoeld in het
derde lid, omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van
de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de
deelnemer wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van
het bevoegd gezag.
5. Beroepsopleidingen die niet zijn ingericht volgens het derde lid,
zijn deeltijdse beroepsopleidingen.
Artikel 7.2.8. De beroepspraktijkvorming
1. Van elke beroepsopleiding maakt onderricht in de praktijk van het
beroep deel uit. De beroepspraktijkvorming kan voor een deel
plaatsvinden in de periode waarin de deelnemer is ingeschreven voor een
opleidingsdomein of een kwalificatiedossier.
2. De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd op grondslag van een
overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 genoemde partijen. De
overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat
met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet
bepaalde, ten minste bepalingen over:
a. de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming, alsmede
het aantal te volgen praktijkuren per kalenderjaar,
b. de begeleiding van de deelnemer,
c. dat deel van de kwalificatie dat de deelnemer tijdens de
beroepspraktijkvorming dient te behalen, en de beoordeling daarvan, en
d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan
worden ontbonden.
3. Het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming
verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de deelnemers binnen het
bedrijf. Het bevoegd gezag beoordeelt of de deelnemer het in het tweede
lid, onder c, bedoelde deel van de kwalificatie heeft behaald. Het
bevoegd gezag betrekt bij die beoordeling het oordeel van het bedrijf
onderscheidenlijk de organisatie, met inachtneming van de desbetreffende
in de onderwijs- en examenregeling op te nemen regels.
Artikel 7.2.9. Totstandkoming praktijkovereenkomst; vervangende
praktijkplaats
1. Het bevoegd gezag van de instelling draagt zorg voor de
totstandkoming van de in artikel 7.2.8 bedoelde overeenkomst. De
overeenkomst wordt gesloten door de instelling, de deelnemer en het
bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt. De
overeenkomst wordt voor zover het de beroepsbegeleidende leerweg
betreft, mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven, dat daarmee verklaart:
a. dat het een bedrijf of organisatie betreft met een gunstige
beoordeling als bedoeld in artikel 7.2.10, en
b. dat de gronden voor deze gunstige beoordeling nog steeds aanwezig
zijn.
2. Indien het bevoegd gezag en het betrokken kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven na het sluiten van de in artikel 7.2.8
bedoelde overeenkomst vaststellen dat de praktijkplaats niet of niet
volledig beschikbaar is, de begeleiding tekortschiet of ontbreekt, het
bedrijf of de organisatie niet langer beschikt over een gunstige
beoordeling als bedoeld in het eerste lid, of sprake is van andere
omstandigheden die maken dat de beroepspraktijkvorming niet naar behoren
zal kunnen plaatsvinden, bevordert het bevoegd gezag, na overleg met het
bestuur van het betrokken kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven,
dat een toereikende vervangende voorziening beschikbaar wordt gesteld.
Artikel 7.2.10. Kwaliteitszorgsysteem; beoordeling van praktijkplaatsen
1. Het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven richt een stelsel
van kwaliteitszorg voor de beroepspraktijkvorming in en zorgt ervoor dat
bedrijven en organisaties die de beroepspraktijkvorming verzorgen
eenmaal per vier jaar worden beoordeeld aan de hand van de in dit
stelsel ontwikkelde criteria. Indien daartoe door bijzondere
omstandigheden aanleiding bestaat kan controle frequenter plaatsvinden.
In geval van een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven waarvan de
samenstelling van het bestuur voldoet aan artikel 9.2.1, tweede lid,
onder b, worden deze criteria vastgesteld op voorstel van de commissie
onderwijs-bedrijfsleven.
2. Het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven maakt de in het
eerste lid bedoelde criteria bekend. Van deze bekendmaking wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant.
3. De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven dragen gezamenlijk
zorg voor openbaarmaking van een overzicht van bedrijven en organisaties
met een gunstige beoordeling op grond van het eerste lid.
4. Tot het verzorgen van de beroepspraktijkvorming voor een opleiding of
groep van opleidingen zijn uitsluitend bevoegd de bedrijven en
organisaties met een gunstige beoordeling op grond van het eerste lid.
Artikel 7.2.11. Diagnostische toetsen Nederlandse taal en rekenen
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan de
deelnemers gelegenheid wordt gegeven diagnostische toetsen Nederlandse
taal en rekenen af te leggen. Indien toepassing wordt gegeven aan de
vorige volzin, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
voorschriften omtrent deze toetsen vastgesteld. Deze voorschriften
hebben in elk geval betrekking op het moment of de momenten waarop de
toetsen kunnen worden afgelegd.
Titel 3. De educatie
Artikel 7.3.1. Onderscheid opleidingen educatie
1. De volgende opleidingen educatie worden onderscheiden:
a. opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, gericht op het
behalen van een diploma van onderwijs als bedoeld in de artikelen 7 tot
en met 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. opleidingen Nederlandse taal en rekenen, gericht op alfabetisering en
op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs,
c. de opleidingen Nederlands als tweede taal I en II die opleiden voor
het diploma Nederlands als tweede taal, bedoeld in het
Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal,
d. de opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op beheersing van
een basisniveau Nederlandse taal,
e. de opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op alfabetisering,
en
f. bij ministeriële regeling aan te wijzen andere opleidingen.
2. De opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onder b, zijn afgestemd op
het maatschappelijk functioneren van de deelnemers.
3. Bij de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d,
kunnen verschillende niveaus worden onderscheiden.
Artikel 7.3.2. Nadere omschrijving opleidingssoorten
1. De opleiding Nederlands als tweede taal I is gericht op de beheersing
van de Nederlandse taal met het oog op het volgen van opleidingen of de
uitoefening van functies op het niveau van een vakopleiding als bedoeld
in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c, door hen voor wie het
Nederlands niet de moedertaal is en die ten minste het niveau van het
primair onderwijs hebben bereikt.
2. De opleiding Nederlands als tweede taal II is gericht op de
beheersing van de Nederlandse taal met het oog op het volgen van
opleidingen in het hoger onderwijs en de uitoefening van hogere functies
door hen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is en die wat
betreft vooropleiding of werkervaring functioneren op ten minste het
niveau van het middenkader.
Artikel 7.3.3. Eindtermen opleidingen educatie
1. Bij ministeriële regeling worden eindtermen vastgesteld voor de
opleidingen, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder c, en kunnen
eindtermen worden vastgesteld voor de opleidingen, bedoeld in artikel
7.3.1, eerste lid, onder b, d, e en f.
2. Het bevoegd gezag stelt eindtermen vast voor de opleidingen, bedoeld
in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b, d, e en f, indien daarvoor geen
eindtermen zijn vastgesteld bij ministeriële regeling.
Artikel 7.3.4. Inrichting voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
1. Opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs omvatten het
onderwijs dat noodzakelijk is voor het behalen van het diploma
voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het diploma hoger algemeen
voortgezet onderwijs of het diploma middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften
worden vastgesteld omtrent de voor het behalen van elk der in het eerste
lid genoemde diploma’s noodzakelijke vakken en andere
programma-onderdelen, en omtrent de cursusduur.
3. Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs kan Onze
Minister toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens
dit artikel. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van
een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden
gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij
daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
gezien.
Titel 4. Examens, onderwijsprogramma en deelnemersstatuut
§ 1. Beroepsopleidingen en opleidingen educatie, met uitzondering van
opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen
Nederlands als tweede taal I en II
Artikel 7.4.1. Reikwijdte
Deze paragraaf is van toepassing op beroepsopleidingen en opleidingen
educatie, met uitzondering van opleidingen voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als tweede taal I en II.
Artikel 7.4.2. Algemene bepaling inzake examens
1. Het bevoegd gezag van een instelling geeft de deelnemers de
gelegenheid een examen af te leggen.
2. Het examen omvat een onderzoek naar de kennis, het inzicht, de
vaardigheden en, in voorkomende gevallen, de beroepshoudingen die de
examinandus zich bij voltooiing van de opleiding moet hebben eigen
gemaakt, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek aan
de hand van de eindtermen of de kwalificatie-eisen in het
kwalificatiedossier.
3. [Vervallen.]
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in afwijking van de
artikelen 6:7, 7:10 en 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht, kortere
termijnen dan in die artikelen vermeld, worden bepaald voor de indiening
van een bezwaar- of beroepschrift en voor de daarop te nemen beslissing
ter zake van de deelneming aan de in dit artikel bedoelde examens.
Artikel 7.4.3. Examens beroepsopleidingen
Het examen van een beroepsopleiding is eerst dan met goed gevolg
afgesloten wanneer zowel de beroepspraktijkvorming als het overige deel
van de beroepsopleiding met goed gevolg is afgesloten.
Artikel 7.4.3a. Voorschriften examens beroepsopleidingen
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften
vastgesteld omtrent de examens van beroepsopleidingen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen onderdelen van een
beroepsopleiding worden aangewezen waarbij geheel of gedeeltelijk
centrale examinering plaatsvindt. Voor onderdelen waarbij gedeeltelijk
centrale examinering plaatsvindt, wordt bij ministeriële regeling
bepaald over welk gedeelte het centraal examen zich uitstrekt.
Artikel 7.4.4. Kwaliteitsstandaarden
Bij ministeriële regeling worden landelijke standaarden voor de
kwaliteit van de examens van de beroepsopleidingen vastgesteld die
betrekking hebben op:
a. de inhoud en het niveau van de examens, in relatie tot de
kwalificatie-eisen in het kwalificatiedossier, bedoeld in artikel 7.2.4;
b. de procedures rond de examens en de voorwaarden waaronder examens
worden afgenomen.
Artikel 7.4.4a. Examinering door andere instellingen of
exameninstellingen
1. Het bevoegd gezag kan de examinering van een beroepsopleiding
overdragen aan een andere instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onder
b, of 1.4.1 of aan een exameninstelling, voor zover deze het recht op
examinering van die beroepsopleiding hebben.
2. Indien ten aanzien van een beroepsopleiding toepassing is gegeven
aanartikel 6.1.5b, eerste lid, 6.2.3b, eerste lid, dan wel 6.3.2, eerste
lid, is het bevoegd gezag voor die beroepsopleiding gehouden toepassing
te geven aan het eerste lid.
3. Het bevoegd gezag kan de examinering van examendeelnemers die op
grond van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 8.4.2 een
assistentopleiding volgen, onder zijn verantwoordelijkheid laten
uitvoeren door het bevoegd gezag van een school voor voortgezet
onderwijs.
Artikel 7.4.5. Examencommissie
1. Het bevoegd gezag van een instelling of exameninstelling stelt, al
dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van
andere instellingen, een examencommissie in ten behoeve van de
organisatie en het afnemen van de examens voor elke door de instelling
verzorgde opleiding of voor groepen van opleidingen.
2. Het bevoegd gezag benoemt de leden van de examencommissie.
Artikel 7.4.6. Diploma’s
1. Ten bewijze dat een examen met goed gevolg is afgelegd, reikt de
examencommissie een diploma uit.
2. Bij ministeriële regeling worden modellen en technische
veiligheidseisen voor het diploma en de resultatenlijst van een
beroepsopleiding vastgesteld.
Artikel 7.4.7. Internationale diplomawaardering
1. Onze Minister kan een rechtspersoon aanwijzen die tot taak heeft het
desgevraagd, aan belanghebbenden of aan de op grond van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties bevoegde autoriteiten, verstrekken van
op vergelijking van opleidingen berustende waarderingen of
vergelijkingen:
a. van buitenlandse diploma’s of certificaten als bedoeld in die wet
alsmede van andere buitenlandse diploma's, met
b. de getuigschriften van overeenkomstige Nederlandse
beroepsopleidingen.
2. Bij de vergelijkingen en waarderingen wordt zo mogelijk aangegeven
tot welke soort in artikel 7.2.2, eerste lid, bedoelde beroepsopleiding
de desbetreffende opleiding kan worden gerekend en met welke in het
Centraal register vermelde beroepsopleiding die opleiding vergelijkbaar
is of kan worden gelijkgesteld.
3. De vergelijking of waardering wordt slechts verstrekt:
a. op verzoek van de op grond van de in het eerste lid genoemde wet
bevoegde autoriteiten, ten behoeve van aanvragen tot het verlenen van
erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van die wet,
b. indien deze noodzakelijk is voor deelneming van personen met een
buitenlandse beroepskwalificatie aan een Nederlandse beroepsopleiding,
of
c. indien deze noodzakelijk is voor deelneming van personen met een
buitenlandse beroepskwalificatie aan de Nederlandse arbeidsmarkt op een
niveau dat overeenkomt met een in artikel 7.2.2 bedoeld niveau van
beroepsuitoefening.
4. Onze minister kan beleidsregels stellen met het oog op een doelmatige
vervulling van de in het eerste lid genoemde taken door de
rechtspersoon.
5. De rechtspersoon verstrekt desgevraagd aan Onze Minister alle voor de
uitoefening van diens taak redelijkerwijs benodigde inlichtingen. Onze
Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor
zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
6. Indien naar het oordeel van Onze Minister de rechtspersoon zijn taak
ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen
treffen. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd,
niet eerder getroffen dan nadat de rechtspersoon in de gelegenheid is
gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn
taak naar behoren uit te voeren. Onze Minister stelt de beide kamers der
Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem getroffen
voorzieningen als bedoeld in de eerste volzin.
7. Onze minister verstrekt, onder door hem op te leggen verplichtingen,
aan de rechtspersoon jaarlijks uit 's Rijks kas middelen ten behoeve van
de uitvoering van de in het eerste lid genoemde taken.
Artikel 7.4.8. Zorgplicht regeling voor onderwijsprogramma en examens;
deelnemersstatuut
1. Het bevoegd gezag zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van
het onderwijsprogramma en de examinering.
2. Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat deelnemers volledig en tijdig
worden geïnformeerd over het onderwijsprogramma en de examens.
3. Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat voltijdse beroepsopleidingen
aantoonbaar voldoen aan de eisen van artikel 7.2.7, derde lid.
4. Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de instelling beschikt over een
deelnemersstatuut waarin de rechten en plichten van de deelnemers zijn
opgenomen.
5. De examencommissie stelt regels vast met betrekking tot de goede gang
van zaken tijdens het afnemen van de toetsen, het examen of de
examenonderdelen.
6. Indien ten aanzien van een beroepsopleiding toepassing is gegeven aan
artikel 7.4.4a, dan treedt de examenregeling van de instelling of
exameninstelling die de examinering verzorgt in de plaats van de
examenregeling van de instelling die het onderwijs verzorgt.
Artikel 7.4.8a [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 7.4.9. Zorgplicht regeling exameninstelling
1. Het bevoegd gezag van een exameninstelling zorgt voor een goede
organisatie en kwaliteit van de examinering.
2. Het bevoegd gezag van een exameninstelling zorgt ervoor dat de
deelnemers die in dat jaar examen willen afleggen volledig en tijdig
geïnformeerd worden over de inhoud en inrichting van de examens.
Paragraaf 1a [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9a [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9b [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9c [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9d [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9e [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9f [Vervallen per 13-06-2008]
Paragraaf 1b [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9g [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9h [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9i [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9j [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9k [Vervallen per 13-06-2008]
§ 2. Opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en
opleidingen Nederlands als tweede taal I en II
Artikel 7.4.10. Reikwijdte
Deze paragraaf is van toepassing op opleidingen voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs en de opleidingen Nederlands als tweede taal I en
II.
Artikel 7.4.11. Examens, onderwijsprogramma en deelnemersstatuut
1. Aan de deelnemers wordt gelegenheid gegeven een examen af te leggen.
2. Artikel 7.4.5 is van overeenkomstige toepassing.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften
worden vastgesteld omtrent de examens van de opleidingen voortgezet
algemeen volwassenenonderwijs en Nederlands als tweede taal I en II,
bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a en c. Bij deze algemene
maatregel van bestuur kunnen tevens voorschriften worden gegeven omtrent
de examenprogramma’s en de verdeling daarvan in onderdelen.
4. Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een
instelling kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van het
bepaalde bij of krachtens het tweede en derde lid. Onze Minister besluit
binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking
niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de
aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen
de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
5. Artikel 7.4.6 is van toepassing, met dien verstande dat degene die
een onderdeel van een examen van de opleiding voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs of Nederlands als tweede taal I of II met goed
gevolg heeft afgelegd een certificaat ontvangt. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur wordt bepaald onder welke voorwaarden het
bezit van certificaten aanspraak geeft op een diploma.
6. Artikel 7.4.8, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in afwijking van de
artikelen 6:7, 7:10 en 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht, kortere
termijnen dan in die artikelen vermeld, worden bepaald voor de indiening
van een bezwaar- of beroepschrift en voor de daarop te nemen beslissing
ter zake van de deelneming aan de in dit artikel bedoelde examens.
Paragraaf 3 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 7.4.12 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 7.4.13 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 7.4.14 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 7.4.15 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 7.4.16 [Vervallen per 01-01-2007]
Titel 5. Commissie van beroep voor de examens
Artikel 7.5.1. Commissie van beroep voor de examens
1. Het bevoegd gezag van een instelling of exameninstelling stelt al dan
niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere
instellingen of exameninstellingen een commissie van beroep voor de
examens in, dan wel sluit zich bij een dergelijke commissie aan.
Beslissingen van de examencommissie of van de examinatoren kunnen worden
onderworpen aan het oordeel van een commissie van beroep voor de
examens.
2. De commissie van beroep voor de examens bestaat uit een even aantal
gewone leden en evenveel plaatsvervangende leden, een voorzitter, tevens
lid, en een plaatsvervangend voorzitter.
3. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de overige leden en
plaatsvervangende leden worden door het bevoegd gezag benoemd voor een
termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar. Zij zijn opnieuw
benoembaar. De leden en de plaatsvervangende leden maken geen deel uit
van het bevoegd gezag, van de inspectie of van een in artikel 7.4.5
bedoelde examencommissie of examinator tegen de beslissing waarvan
onderscheidenlijk van wie beroep kan worden ingesteld bij de commissie
van beroep, noch zijn zij belast met de in artikel 7.2.8, tweede lid,
onder c, bedoelde beoordeling.
4. Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van de
commissie van beroep voor de examens ontslag verleend. Bij het bereiken
van de leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang
van de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde
van ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede
indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens
misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de
derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het
voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid
geboden zich ter zake te doen horen.
Artikel 7.5.2. Bevoegdheid commissie van beroep voor de examens
1. De commissie van beroep voor de examens oordeelt over beslissingen
van de examencommissie of van de examinatoren.
2. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt, wat de
openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 6:7 van de
Algemene wet bestuursrecht, twee weken.
3. De commissie beslist binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die
waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken,
wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:24,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij de commissie deze
termijn heeft verlengd met ten hoogste twee weken.
4. De commissie stelt een onderzoek in alvorens te beslissen. Zij stelt
bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de kandidaat alsnog in
de gelegenheid zal worden gesteld het examen geheel of gedeeltelijk af
te leggen.
5. De commissie maakt haar beslissing bekend aan de kandidaat, aan de
ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat indien deze minderjarig
is, aan het bevoegd gezag, aan het bedrijf dat of de organisatie die de
beroepspraktijkvorming verzorgt, en aan de inspectie.
6. Indien de commissie het beroep gegrond acht, vernietigt zij de
beslissing geheel of gedeeltelijk. De commissie is niet bevoegd in de
plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe
beslissing te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking
van artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht. Zij kan bepalen dat
opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt
beslist, dan wel dat het examen of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt
afgenomen onder door de commissie te stellen voorwaarden. De
examencommissie of de examinator van wie de beslissing is vernietigd,
voorziet voor zover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de
uitspraak van de commissie van beroep voor de examens. De commissie kan
daarvoor in haar uitspraak een termijn stellen.
Artikel 7.5.3. Voorlopige voorziening; herziening
1. In zaken waarin het belang van de appellant een onverwijlde
voorziening bij voorraad vordert, kan deze bij met redenen omkleed
verzoekschrift, in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak, aan de
voorzitter van de commissie van beroep voor de examens een voorlopige
voorziening vragen. De voorzitter beslist op dat verzoek na de
desbetreffende examencommissie dan wel de desbetreffende examinator te
hebben gehoord, althans te hebben opgeroepen.
2. Herziening van een uitspraak van de commissie kan op verzoek van elk
van beide partijen plaatsvinden op grond van nader gebleken feiten of
omstandigheden die indien deze eerder bekend waren geweest tot een
andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Artikel 7.5.4. Inlichtingen
De leden van de examencommissie en de examinatoren verstrekken aan de
commissie van beroep voor de examens de inlichtingen die zij voor de
uitvoering van haar taak nodig oordeelt.
Artikel 7.5.5 [Vervallen per 01-01-2007]
Titel 6 [Vervallen per 01-08-2004]
Artikel 7.6.1 [Vervallen per 01-08-2004]
Titel 7. Practicumplaatsen voor studenten in opleiding
Artikel 7.7.1. Practicumplaatsen voor studenten in opleiding
1. Het bevoegd gezag van een instelling is verplicht, studenten die zijn
ingeschreven voor een opleiding voor het beroep van leraar waarop de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft,
of die anderszins studeren voor een bewijs van voldoende pedagogische
bekwaamheid, en die in opleiding zijn voor een functie in het onderwijs,
gelegenheid te bieden de als onderdeel van hun opleiding vereiste
ervaring in de instelling te verkrijgen.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichting omvat 5% van het in het
desbetreffende studiejaar door de instelling in totaal te verzorgen
beroepsonderwijs en educatie. Het bevoegd gezag kan een hoger percentage
vaststellen mits dat in overeenstemming is met de goede gang van zaken
binnen de instelling.
3. Het bevoegd gezag kan een student de verdere toegang tot de
instelling ontzeggen, indien deze in de instelling in strijd handelt met
de grondslag en doelstellingen van de instelling. Van een besluit tot
ontzegging van de toegang tot de instelling wordt mededeling gedaan door
toezending of uitreiking van een afschrift aan het bevoegd gezag van de
betrokken opleidingsinstelling dan wel aan de betrokken
staatsexamencommissie, en aan de inspectie. Indien het bevoegd gezag van
een bijzondere school een student de toegang weigert, maakt het dit
besluit, schriftelijk en met redenen omkleed, bekend door toezending of
uitreiking aan de student, onverminderd het bepaalde in de vorige
volzin.
4. Het bevoegd gezag van de instelling regelt de werkzaamheden in
verband met de begeleiding door de leraren van de studenten in de
instelling in overeenstemming met de leraren, alsmede in overeenstemming
met de betrokken opleidingsinstellingen, dan wel, indien het betreft
studenten die zich voorbereiden op het afleggen van een staatsexamen ter
verkrijging van een bewijs van bekwaamheid of een bewijs van voldoende
pedagogische en didactische voorbereiding, in overeenstemming met de
betrokken staatsexamencommissie.
5. Onze Minister kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere
omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de in het eerste
lid bedoelde verplichting verlenen. De ontheffing geldt voor een
studiejaar.
6. De instellingen waarbij studenten als bedoeld in het eerste lid zijn
toegelaten, zijn toegankelijk voor de inspectie, belast met het toezicht
op de opleidingsinstellingen, voor de directieleden en de door deze aan
te wijzen docenten van die opleidingsinstellingen, alsmede voor de leden
van de betrokken staatsexamencommissies, een en ander voor zover dat
voor de uitoefening van het toezicht op de praktische vorming
onderscheidenlijk de begeleiding van de praktische vorming van de in de
instelling aanwezige studenten noodzakelijk is.
Hoofdstuk 8. Inschrijving, vooropleidingseisen, voortijdig
schoolverlaten
Titel 1. Inschrijving
Artikel 8.1.1. Inschrijving
1. Een ieder die gebruik wenst te kunnen maken van
onderwijsvoorzieningen en examenvoorzieningen, dient zich door het
bevoegd gezag als deelnemer te laten inschrijven. Een ieder die
uitsluitend wenst te worden toegelaten tot examenvoorzieningen, dient
zich door het bevoegd gezag als examendeelnemer te laten inschrijven.
Voor de inschrijving als examendeelnemer is aan het bevoegd gezag een
door dat gezag te bepalen vergoeding verschuldigd. Indien het een
meerderjarige examendeelnemer betreft die het examengeld niet zelf
voldoet, wordt niet overgegaan tot inschrijving dan nadat de deelnemer
schriftelijk heeft verklaard dat hij ermee instemt dat een in die
verklaring vermelde derde namens hem het examengeld voldoet. De
inschrijving voor een opleiding of een onderdeel van een opleiding staat
uitsluitend open voor degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers
aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is,
degene die aantoont dat hij:
a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke
bepaling als Nederlander wordt behandeld,
b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste dag waarop de
opleiding of het onderdeel van de opleiding begint waarvoor voor de
eerste maal inschrijving wordt gewenst,
c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop de
opleiding of het onderdeel van de opleiding begint waarvoor voor de
eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag rechtmatig
verblijft houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, of
d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden genoemd
onder b of c, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen is
ingeschreven voor een opleiding of het onderdeel van de opleiding van
een instelling, welke opleiding of welk onderdeel van de opleiding nog
steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid.
1a. Indien na de inschrijving voor de opleiding of een onderdeel van de
opleiding blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming
met de vijfde volzin van het eerste lid heeft plaatsgevonden, wordt de
onderwijsovereenkomst, bedoeld in artikel 8.1.3, met onmiddellijke
ingang ontbonden.
2. De inschrijving geschiedt voor een opleiding of een onderdeel
daarvan. In geval van een beroepsopleiding geschiedt de inschrijving
voor een opleidingsdomein, een kwalificatiedossier of een kwalificatie.
Bij de inschrijving worden alle gegevens vermeld die het bevoegd gezag
nodig heeft om te kunnen voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel
2.3.6a, tweede lid, of ingeval van een beroepsopleiding, artikel 2.5.5a,
tweede lid.
3. De inschrijving staat uitsluitend open voor degenen ten aanzien van
wie het bevoegd gezag beslist dat zij tot de instelling worden
toegelaten, onverminderd het eerste lid, vierde volzin, en het vijfde
lid. Het bevoegd gezag kan het nemen van de beslissing over de toelating
opdragen aan een door hem in te stellen toelatingscommissie. Het bevoegd
gezag regelt de bevoegdheden en de werkzaamheden van de
toelatingscommissie.
4. De toelating tot beroepsopleidingen staat voor zover het de
beroepsbegeleidende leerweg betreft, uitsluitend open voor degenen voor
wie de volledige leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van de Leerplichtwet
1969, is geëindigd.
5. In afwijking van het derde lid en met inachtneming van artikel 8.2.1
en het krachtens artikel 8.2.2 bepaalde” doch onverminderd de vierde
volzin van het eerste lid, staat de inschrijving voor een
assistentopleiding of basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel
7.2.2, eerste lid, open voor een ieder, met dien verstande dat het
bevoegd gezag van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die
wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag en de
doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan
worden geweigerd dan wel ingetrokken indien de betrokkene de grondslag
en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. De inschrijving
aan een bijzondere instelling kan eveneens worden geweigerd dan wel
ingetrokken indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die
inschrijving en de daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in
ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan
wel indien is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en de
daaraan verbonden rechten een dergelijk misbruik heeft gemaakt. De
weigering dan wel intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk
en is met redenen omkleed. De inschrijving kan niet worden ingetrokken
op grond van de tweede volzin indien voor betrokkene geen gelegenheid
bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen.
6. De toelating tot opleidingen educatie staat uitsluitend open voor
volwassenen. De toelating tot de opleidingen educatie, bedoeld in
artikel 7.3.1. eerste lid, onderdelen c tot en met e, staat niet open
voor volwassenen die inburgeringsplichtig zijn in de zin van artikel 1,
aanhef en onder b, van de Wet inburgering. Het bevoegd gezag neemt bij
de toelating tot opleidingen educatie de overeenkomst, bedoeld in
artikel 2.3.4, in acht.
7. De inschrijving voor een opleidingsdomein kan uitsluitend geschieden
voor een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg op het tweede,
derde of vierde niveau, bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid.
8. Bij ministeriële regeling kan een maximum worden vastgesteld voor
het percentage van de deelnemers in het beroepsonderwijs dat in een jaar
kan worden ingeschreven voor een opleidingsdomein.
Artikel 8.1.1a. Te verstrekken gegevens bij inschrijving
1. De inschrijving bij een instelling, bedoeld in artikel 8.1.1, vindt
slechts plaats nadat door de deelnemer of, indien deze minderjarig is,
door de ouders, voogden of verzorgers de gegevens betreffende de
geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum, het geslacht en het
persoonsgebonden nummer van de deelnemer zijn overgelegd. Indien door de
deelnemer of, indien deze minderjarig is, door de ouders, voogden of
verzorgers aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer
van de deelnemer kan worden overgelegd, vindt de inschrijving plaats met
inachtneming van het derde lid.
2. De in het eerste lid bedoelde gegevens worden overgelegd door middel
van een van overheidswege verstrekt document dan wel een door een andere
school of een school of instelling voor ander onderwijs verstrekt bewijs
van uitschrijving, waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen.
3. Indien door de deelnemer of, indien deze minderjarig is, door de
ouders, voogden of verzorgers aannemelijk wordt gemaakt dat geen
persoonsgebonden nummer van de leerling kan worden overgelegd, meldt het
bevoegd gezag binnen twee weken na het besluit tot inschrijving aan Onze
Minister de beschikbare gegevens van de deelnemer, bedoeld in het eerste
lid, alsmede zijn adres en woonplaats en, indien aanwezig, het
leerlingadministratienummer.
4. Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de
melding, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag het
burgerservicenummer van de deelnemer, dan wel, indien is gebleken dat
hem niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt, het
onderwijsnummer van de deelnemer. Het onderwijsnummer is een door Onze
Minister uitgegeven en aan de deelnemer toegekend persoonsgebonden
nummer.
5. Het bevoegd gezag neemt de in het eerste en vierde lid bedoelde
gegevens op in de administratie van de instelling.
6. Indien aan een deelnemer een onderwijsnummer is toegekend en het
bevoegd gezag daarna de beschikking krijgt over zijn
burgerservicenummer, neemt het bevoegd gezag dit burgerservicenummer
terstond als persoonsgebonden nummer op in de administratie van de
instelling in de plaats van het onderwijsnummer. Het bevoegd gezag meldt
deze wijziging binnen twee weken aan Onze Minister onder opgave van het
burgerservicenummer en het onderwijsnummer van de deelnemer.
Artikel 8.1.2. Nadere voorschriften toelating
1. Indien binnen redelijke afstand van de woning van de deelnemer niet
de gelegenheid bestaat tot het volgen van het onderwijs aan een openbare
instelling, mag aan deze deelnemer de toelating tot een bijzondere
instelling niet worden geweigerd op grond van godsdienst of
levensbeschouwing.
2. Openbare instellingen zijn toegankelijk voor deelnemers zonder
onderscheid naar godsdienst of levensbeschouwing.
Artikel 8.1.3. Onderwijsovereenkomst
1. Aan de inschrijving ligt een overeenkomst tussen het bevoegd gezag en
de deelnemer ten grondslag.
2. De overeenkomst wordt, overeenkomstig een door het bevoegd gezag
vastgesteld model, schriftelijk aangegaan. De overeenkomst wordt
gesloten voor de duur van de beroepsopleiding of een deel daarvan, de
opleiding educatie of het deel van de opleiding educatie waarop de
inschrijving betrekking heeft.
3. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen,
daaronder begrepen die, welke voortvloeien uit de wet, en omvat ten
minste bepalingen over:
a. de inhoud en inrichting van een opleiding, waaronder voor een
beroepsopleiding begrepen het voltijdse of deeltijdse karakter, de
leerweg, de examenvoorzieningen en de kwalificatie, of, bij inschrijving
voor een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier, dat
opleidingsdomein of dat kwalificatiedossier en het beoogde niveau van de
te behalen kwalificatie,
b. de tijdvakken waarbinnen en, voor zover mogelijk, de lokaties waarop
het onderwijs verzorgd wordt,
c. de wijze waarop partijen uit de overeenkomst voortkomende prestaties
gestalte zullen geven,
d. in voorkomend geval, terugbetaling van voorschotten, verstrekt door
het bevoegd gezag, ter voldoening van een bij of krachtens de wet
geregelde geldelijke bijdrage als bedoeld in artikel 8.1.4,
e. de terugbetaling van cursusgeld in andere gevallen dan bedoeld in
artikel 14, tweede lid onder a tot en met d, van het Uitvoeringsbesluit
Les- en cursusgeldwet 2000, en
f. het verzuimbeleid van het bevoegd gezag.
4. Indien tot een bijzondere instelling andere deelnemers worden
toegelaten dan voor wie de instelling in verband met de godsdienstige of
levensbeschouwelijke richting wordt in stand gehouden, kunnen deze
deelnemers niet worden verplicht tot het volgen van onderwijs dat in
verband met die richting door de instelling wordt verzorgd.
5. Definitieve verwijdering van een deelnemer waarop de Leerplichtwet
1969 van toepassing is, vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag
ervoor heeft zorggedragen dat een andere instelling, een school voor
speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs, dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1, onder c, van
de Leerplichtwet 1969 bereid is de deelnemer toe te laten. Indien
aantoonbaar gedurende 8 weken zonder succes is gezocht naar een zodanige
instelling of school waarnaar kan worden verwezen, kan in afwijking van
de eerste volzin tot definitieve verwijdering worden overgegaan.
6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op examendeelnemers als
bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid.
Artikel 8.1.4. Onderwijsbijdragen
De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van een andere dan een
bij of krachtens de wet geregelde geldelijke bijdrage.
Artikel 8.1.5 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 8.1.6 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 8.1.7. Controle op langdurige afwezigheid
1. Het bevoegd gezag stelt van iedere aan de instelling ingeschreven
deelnemer die valt onder de werking van de Wet studiefinanciering 2000
of van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, vast, of
deze deelnemer gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5
weken zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. In
afwijking van de vorige volzin kan Onze Minister bepalen dat voor
soorten van onderwijs als bedoeld in deze wet, de in die volzin bedoelde
vaststelling wordt gedaan indien een ingeschreven deelnemer in een of
meer vakken niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Onder afwezigheid
met geldige reden wordt verstaan afwezigheid wegens ziekte van de
deelnemer, welke ziekte uitsluitend kan worden aangetoond door middel
van een gedagtekende verklaring van een arts, en afwezigheid wegens
bijzondere familie-omstandigheden.
2. Het bevoegd gezag meldt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van
een periode van afwezigheid van vier weken aan de deelnemer dat daarvan
in de administratie van de instelling aantekening is gemaakt en verzoekt
de deelnemer om opgaaf van de reden van de afwezigheid. Het bevoegd
gezag doet daarbij mededeling van de opgave van de gegevens van de
deelnemer, bedoeld in artikel 8.1.8a, eerste lid.
3. Uiterlijk op de vijfde werkdag na de periode van 8 weken stelt het
bevoegd gezag vast:
a. of de reden die de deelnemer binnen 8 weken na de aanvang van de
periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige is, of
b. dat de deelnemer binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5
weken geen reden heeft opgegeven voor zijn afwezigheid.
4. Het bevoegd gezag stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na
afloop van de periode van 8 weken vast of de deelnemer voor het einde
van die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen.
5. Het bevoegd gezag meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop van een
periode van 8 weken aan Onze Minister de deelnemer die gedurende een
aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder opgave van geldige
reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Tevens meldt het indien
die deelnemer voor het einde van de periode van 8 weken weer aan het
onderwijs is gaan deelnemen de datum ervan.
6. De periode van 5 weken en de periode van 8 weken worden verlengd met
de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd. Zij wordt
geacht niet te zijn onderbroken door deze vakantieweken.
7. Het bevoegd gezag stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in
het vijfde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokken
deelnemer aan Onze Minister zijn verstrekt aan deze betrokkene. Het
bevoegd gezag geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in
het eerste lid, gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene
op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of voor de tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten van betrokkene op grond van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, alsmede welke
beroepsgang voor betrokkene tegen de mededeling, bedoeld in het vijfde
lid, open staat.
8. Indien het bevoegd gezag van een bijzondere instelling aan Onze
Minister de in het vijfde lid bedoelde mededeling heeft gedaan, kan de
deelnemer binnen 6 weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in het
zevende lid, bij het bevoegd gezag schriftelijk bedenkingen uiten tegen
die mededeling.
9. Onder«deelnemer» als bedoeld in het vijfde en zevende lid wordt
verstaan de deelnemer die
a. een assistentopleiding of een basisberoepsopleiding volgt als bedoeld
in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a of b, of
b. voor 1 augustus 2005 studiefinanciering in de zin van de Wet
studiefinanciering 2000 ontving.
Artikel 8.1.8. Melding verwijdering niet-leerplichtigen
1. Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan burgemeester en
wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats
heeft van de gegevens van degene
a. op wie de Leerplichtwet 1969 niet meer van toepassing is en die de
leeftijd van 23 jaren nog niet heeft bereikt,
b. die niet in het bezit is van een diploma van een opleiding als
bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, dan wel
een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen
voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk artikel
8 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en
c. die bij de instelling wordt verwijderd.
2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven
omtrent de toepassing van het eerste lid.
Artikel 8.1.8a. Melding verzuim niet-leerplichtigen
1. Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan Onze Minister van de
gegevens van degene die voldoet aan artikel 8.1.8, eerste lid,
onderdelen a en b, en die het onderwijs of de educatie aan de instelling
gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vier weken of een
door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden
niet meer volgt.
2. Onze Minister neemt de op grond van dit artikel door het bevoegd
gezag verstrekte gegevens op in het meldingsregister relatief verzuim.
3. Onze Minister bericht burgemeester en wethouders van de gemeente waar
de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft onverwijld na ontvangst van
de opgave, bedoeld in het eerste lid, dat een zodanige opgave heeft
plaatsgevonden.
4. Onze Minister verstrekt uit het meldingsregister relatief verzuim aan
het betrokken bevoegd gezag en aan burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft de ter zake
van die betrokkene geregistreerde gegevens.
5. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon-
of verblijfplaats heeft melden aan Onze Minister telkens de status van
de behandeling van de ter zake van de betrokkene gedane opgave, bedoeld
in het eerste lid.
6. Onze Minister neemt de op grond van dit artikel door burgemeester en
wethouders verstrekte gegevens op in het meldingsregister relatief
verzuim.
7. Het betrokken bevoegd gezag en burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft, zijn bevoegd
het meldingsregister relatief verzuim te raadplegen voor zover het
betreft de ter zake van die betrokkene geregistreerde gegevens.
8. Het bevoegd gezag kan de gegevens, bedoeld in het eerste lid,
verstrekken aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
betrokkene woon- of verblijfplaats heeft.
9. Bij de verwerking van gegevens, bedoeld in dit artikel, wordt het
persoonsgebonden nummer van de betrokkene gebruikt.
10. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de wijze van de verstrekking van gegevens op grond van het
eerste en vijfde lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de
gegevens die op grond van het eerste en vijfde lid worden verstrekt.
11. De gegevens die worden verstrekt op grond van het eerste lid kunnen
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming
persoonsgegevens omvatten, met uitzondering van gegevens over ras,
politieke gezindheid, seksueel leven of het lidmaatschap van een
vakvereniging, voor zover deze persoonsgegevens noodzakelijk zijn met
het oog op de informatieverstrekking over de achtergronden van het
verzuim.
12. Op verzoek van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
betrokkene woon- of verblijfplaats heeft, komen hun rechten en
verplichtingen als bedoeld in dit artikel toe aan burgemeester en
wethouders van de contactgemeente, bedoeld in artikel 8.3.2, derde lid.
Titel 2. Vooropleidingseisen
Artikel 8.2.1. Vooropleidingseisen
1. Vereiste voor inschrijving voor een vakopleiding en een
middenkaderopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is met
inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 8.2.2 het bezit van:
a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend
beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg,
b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma
voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de
theoretische leerweg,
c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg,
d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger
algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen, of
e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of
bewijsstuk.
2. Vereiste voor inschrijving voor een specialistenopleiding als bedoeld
in artikel 7.2.2, eerste lid, is het bezit van een diploma vakopleiding
voor eenzelfde beroep of beroepencategorie.
3. Indien een assistentopleiding en een basisberoepsopleiding
voorbereiden op eenzelfde beroep of beroepencategorie, bedoeld in
artikel 7.2.4, eerste lid, is, met inachtneming van het bepaalde
krachtens artikel 8.2.2, voor de inschrijving voor de
basisberoepsopleiding vereist het bezit van
a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend
beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg
of de kaderberoepsgerichte leerweg,
b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma
voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de
theoretische leerweg,
c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg,
d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger
algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen, of
e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of
bewijsstuk.
Indien een assistentopleiding en een basisberoepsopleiding niet
voorbereiden op eenzelfde beroep of beroepencategorie, bedoeld in
artikel 7.2.4, eerste lid, geldt, in afwijking van artikel 8.2.2, eerste
lid, voor inschrijving voor een in de eerste volzin bedoelde
basisberoepsopleiding geen vooropleidingseis.
4. Voor de inschrijving voor een assistentopleiding als bedoeld in
artikel 7.2.2, eerste lid, en voor de inschrijving voor een opleiding
educatie, gelden geen vooropleidingseisen.
5. Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen afwijken van het eerste
tot en met derde lid, indien de deelnemer naar verwachting het onderwijs
in de desbetreffende beroepsopleiding met voldoende resultaat zal kunnen
volgen.
6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op examendeelnemers als
bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid.
Artikel 8.2.2. Nadere vooropleidingseisen
1. Op voorstel van organisaties in het voortgezet onderwijs,
vertegenwoordigers van de instellingen, de kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven, bedoeld in artikel 9.2.1, tweede lid, onderdeel a, en de
commissies onderwijs-bedrijfsleven, bedoeld in artikel 9.2.1, derde lid,
worden bij ministeriële regeling aangewezen de sectoren, bedoeld in de
artikelen 10, 10b en 10d van de Wet op het voortgezet onderwijs, waarop
het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, het diploma
voorbereidend beroepsonderwijs, het diploma mavo-vbo en de diploma's
voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs betrekking moeten hebben,
alsmede vakken en andere programma-onderdelen die deel moeten hebben
uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een van deze diploma's, om
te kunnen worden ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel
7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e.
2. In de ministeriële regeling kan onderscheid worden gemaakt naar
groepen van deelnemers, dan wel kan worden bepaald dat de regeling niet
van toepassing is op groepen van deelnemers.
Titel 3. Bestrijding voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen
Artikel 8.3.1. Voortijdige schoolverlater
1. Onder een voortijdige schoolverlater in de zin van deze titel wordt
verstaan degene op wie artikel 8.1.8, eerste lid onder a en b, van
toepassing is en
a. die het onderwijs of de educatie aan de instelling waaraan hij is
ingeschreven gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vier
weken of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder
geldige reden niet meer volgt, of
b. die niet meer aan een instelling is ingeschreven en evenmin is
ingeschreven aan een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs dan wel aan een school of instelling als bedoeld in de Wet op
de expertisecentra.
2. Voor zover nodig in afwijking van het eerste lid wordt onder een
voortijdig schoolverlater niet verstaan degene die in het bezit is van
een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid
onderdeel a, dan wel een getuigschrift van het praktijkonderwijs als
bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs en
werkzaam is op grond van een aanstelling of arbeidsovereenkomst.
Artikel 8.3.2. Bestrijding voortijdig schoolverlaten door gemeente
1. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor registratie van de
gegevens die het bevoegd gezag ingevolge artikel 8.1.8 heeft gemeld of
waarover zij op grond van artikel 8.1.8a of op grond van artikel 24f,
derde en vierde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht beschikken.
Burgemeester en wethouders dragen bovendien zorg voor een systeem van
doorverwijzing naar onderwijs of arbeidsmarkt van de in artikel 8.3.1
bedoelde voortijdige schoolverlaters en voor het onderhoud van dit
systeem. Het systeem heeft mede betrekking op de gegevens waarover de
gemeente beschikt in het kader van de uitvoering van de Leerplichtwet
1969. Voor de uitvoering van de eerste en tweede volzin kunnen bij
ministeriële regeling nadere voorschriften worden vastgesteld.
2. Voor de vervulling van hun in het eerste lid bedoelde taken werken de
colleges van burgemeester en wethouders samen binnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur vastgestelde regio's. Zij maken tevens
afspraken met instellingen, scholen als bedoeld in de Wet op het
voortgezet onderwijs, scholen en instellingen als bedoeld in de Wet op
de expertisecentra en organisaties die zijn betrokken bij het voorkomen
en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.
3. De colleges van burgemeester en wethouders in een regio wijzen uit
hun midden een contactgemeente aan. Deze aanwijzing wordt onverwijld
gemeld aan Onze Minister. Burgemeester en wethouders van de
contactgemeente vervullen coördinerende taken met het oog op het
voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. In dat verband:
a. maken zij afspraken met de in het tweede lid bedoelde scholen,
instellingen en organisaties over de inzet en verantwoordelijkheid bij
het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten;
b. dragen zij zorg voor de totstandkoming van een regionaal netwerk van
die scholen, instellingen en organisaties;
c. organiseren en coördineren zij de in het eerste lid bedoelde
melding, registratie en doorverwijzing.
4. Indien colleges van burgemeester en wethouders in een regio een
andere contactgemeente aanwijzen, dragen burgemeester en wethouders van
de vorige contactgemeente alle bescheiden die betrekking hebben op de
uitvoering van dit artikel over aan burgemeester en wethouders van de
opvolgende contactgemeente. De wijziging van de aanwijzing wordt
onverwijld gemeld aan Onze Minister.
5. Ter tegemoetkoming in de kosten van uitvoering van het eerste tot en
met derde lid kent Onze Minister binnen het raam van de door de
begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen jaarlijks uiterlijk in
september ten behoeve van de activiteiten van de colleges van
burgemeester en wethouders in de regio aan de contactgemeente een
specifieke uitkering toe. Deze uitkering heeft betrekking op het daarop
volgende kalenderjaar. De contactgemeente draagt er zorg voor dat de
colleges van burgemeester en wethouders in de regio gebruik kunnen maken
van de instrumenten die met behulp van deze uitkering zijn
verwezenlijkt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gegeven voor de berekening en betaling van de uitkering. De
berekening geschiedt in elk geval aan de hand van het aantal volwassen
inwoners van de gemeenten in de regio op 1 januari van het jaar
voorafgaande aan het jaar van de uitkering, waarbij rekening wordt
gehouden met het opleidingsniveau en met de etnische achtergrond van die
inwoners. Bij de berekening van een deel van de uitkering kunnen de
volwassen inwoners van gemeenten die op grond van een andere regeling
reeds een vergoeding voor de bestrijding van voortijdig schoolverlaten
ontvangen, buiten beschouwing worden gelaten. Onze Minister hanteert het
aantal volwassen inwoners van de gemeenten in de regio dat blijkt uit de
gegevens die het Centraal Bureau voor de Statistiek op verzoek van Onze
Minister daarover verstrekt.
6. Het bevoegd gezag geeft aan de door burgemeester en wethouders
aangewezen personen alle gevraagde bescheiden ter inzage en verstrekt de
gevraagde inlichtingen die van belang zijn voor het voorkomen en
bestrijden van voortijdig schoolverlaten.
7. De gemeenteraden in een regio stellen streefcijfers vast voor de in
die regio te behalen resultaten. Burgemeester en wethouders van de
contactgemeente stellen mede namens de andere gemeenten in de regio
jaarlijks een effectrapportage vast waarin zowel de streefcijfers als de
bereikte resultaten zijn aangegeven en waarin afwijkingen worden
toegelicht.
8. Indien burgemeester en wethouders van de contactgemeente het bepaalde
bij of krachtens het eerste tot en met zevende lid niet nakomen, kan
Onze Minister de uitkering geheel of gedeeltelijk inhouden of
opschorten. Onze Minister gaat niet over tot gehele of gedeeltelijke
inhouding dan na overleg met burgemeester en wethouders van de
contactgemeente. Onze Minister kan de uitkering wederom toekennen indien
de reden voor inhouding of opschorting is vervallen.
9. Onze Minister kan de in het vijfde lid bedoelde uitkering geheel of
gedeeltelijk terugvorderen indien uit de informatie, bedoeld in artikel
17a van de Financiële-verhoudingswet, niet blijkt dat de uitkering is
besteed in overeenstemming met dit artikel.
Artikel 8.3.3. Informatie over voortijdig schoolverlaten
1. Burgemeester en wethouders van de contactgemeente zenden de in
artikel 8.3.2, zevende lid, bedoelde effectrapportage aan Onze Minister.
2. Burgemeester en wethouders zijn gehouden aan de door Onze Minister
aangewezen personen alle gevraagde bescheiden ter inzage te geven en de
gevraagde inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor het door
Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het voortijdig
schoolverlaten door niet-leerplichtigen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven
omtrent het tijdstip van indiening en de inrichting van de
effectrapportage en inzake de wijze van beschikbaarstelling van de
gegevens, bedoeld in het tweede lid.
Titel 4. Samenwerking in verband met leer-werktrajecten vmbo en
assistentopleiding in het vmbo
Artikel 8.4.1. Samenwerkingsovereenkomst leer-werktrajecten vmbo
1. Leer-werktrajecten als bedoeld in artikel 10b1 van de Wet op het
voortgezet onderwijs worden verzorgd op grondslag van een
samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een school voor
voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs
en het bevoegd gezag van een instelling.
2. Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet
aan artikel 10b7 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 8.4.2. Samenwerkingsovereenkomst assistentopleiding in het vmbo
1. De assistentopleiding, bedoeld in artikel 10b8 van de Wet op het
voortgezet onderwijs, wordt verzorgd op grondslag van een
samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en
het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld
in de Wet op het voortgezet onderwijs.
2. Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet
aan artikel 10b9 van de Wet op het voorgezet onderwijs.
Titel 5. Samenwerking in verband met leer-werktrajecten VSO en de
assistentopleiding in het VSO [Treedt in werking per 01-08-2013]
Artikel 8.5.1. Samenwerkingsovereenkomst leer-werktrajecten VSO [Treedt
in werking per 01-08-2013]
1. Leer-werktrajecten, ingevolge artikel 14a, tweede lid, van de Wet op
de expertisecentra, dan wel ingevolge artikel 59a, tweede lid, van de
Wet op het voortgezet onderwijs, worden verzorgd op grondslag van een
samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een school waar
voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de
expertisecentra wordt verzorgd en het bevoegd gezag van een instelling.
2. Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet
aan artikel 10b7 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 8.5.2. Samenwerkingsovereenkomst assistentopleiding in het VSO
[Treedt in werking per 01-08-2013]
1. De assistentopleiding, ingevolge artikel 14a, tweede lid, van de Wet
op de expertisecentra, dan wel ingevolge artikel 59a, tweede lid, van de
Wet op het voortgezet onderwijs, wordt verzorgd op grondslag van een
samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en
het bevoegd gezag van een school waar voortgezet speciaal onderwijs als
bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd.
2. Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet
aan artikel 10b9, eerste en tweede lid, van de Wet op de voortgezet
onderwijs.
Hoofdstuk 8a. Medezeggenschap van deelnemers en ouders; landelijke
geschillencommissie medezeggenschap
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 8a.1.1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. deelnemersraad: de deelnemersraad, bedoeld in artikel 8a.1.2, eerste
lid;
b. reglement: het reglement voor de raad, bedoeld in artikel 8a.3.1,
eerste lid;
c. commissie: de landelijke geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld
in artikel 8a.4.1, eerste lid.
Artikel 8a.1.2. Deelnemersraad
1. Aan elke instelling is een deelnemersraad verbonden. De
deelnemersraad behartigt de belangen van de deelnemers in de instelling.
2. De deelnemersraad bestaat uit een oneven aantal leden die uit en door
de deelnemers worden gekozen.
3. De verkiezing van de leden van de deelnemersraad geschiedt bij
geheime schriftelijke stemming.
4. Alle deelnemers die bij de instelling zijn ingeschreven, zijn
kiesgerechtigd voor de deelnemersraad en kunnen zich daarvoor
verkiesbaar stellen.
5. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de leden, voormalige leden
en kandidaat-leden van de deelnemersraad niet uit hoofde van hun
lidmaatschap of vroegere lidmaatschap daarvan, dan wel hun kandidatuur
voor dat lidmaatschap, worden benadeeld in hun positie met betrekking
tot de instelling.
6. De deelnemersraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer
plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering
een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de deelnemersraad in
rechte.
Artikel 8a.1.3. Ouderraad
1. Indien ten minste 25 ouders van deelnemers van een regionaal
opleidingencentrum daarom verzoeken, stelt het bevoegd gezag een
ouderraad in. Indien van de eerste volzin gebruik wordt gemaakt, legt
het bevoegd gezag de bevoegdheden van de ouderraad vast in het
medezeggenschapsstatuut, na overleg met de ouders die het verzoek hebben
ingediend. Op een ouderraad als bedoeld in de eerste volzin, isartikel
8a.1.2, met uitzondering van het eerste lid, van overeenkomstige
toepassing.
2. Aan een agrarisch opleidingscentrum en aan een scholengemeenschap als
bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, is een ouderraad verbonden. Een
ouderraad als bedoeld in de eerste volzin, behartigt in het bijzonder de
belangen van de deelnemers in de leeftijd tot 18 jaar.
3. Indien een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op
het voortgezet onderwijs zich met een regionaal opleidingencentrum
verenigt tot een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6, eerste
lid, vormt het in de Wet medezeggenschap op scholen bedoelde, uit en
door de ouders gekozen deel van de medezeggenschapsraad van die school
voor voortgezet onderwijs de eerste ouderraad van de scholengemeenschap.
Indien een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als
bedoeld in artikel 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs zich met een
agrarisch opleidingscentrum verenigt tot een scholengemeenschap als
bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, vormen de ouderraad van het
agrarisch opleidingscentrum, bedoeld in het tweede lid, en het in de Wet
medezeggenschap op scholen bedoelde, uit en door de ouders gekozen deel
van de medezeggenschapsraad van die school voor middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs gezamenlijk de eerste ouderraad van de
scholengemeenschap.
4. Het bevoegd gezag legt de bevoegdheden van een ouderraad vast in het
medezeggenschapsstatuut. Voor de vaststelling is artikel 8a.2.2, derde
lid, aanhef en onderdeel a, van overeenkomstige toepassing op een
ouderraad. Op een ouderraad zijn artikel 8a.2.1, vierde lid, en titel
4van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8a.1.4. Zorgplicht medezeggenschap; medezeggenschapsstatuut
1. Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat binnen de instelling een
volwaardige, goed functionerende en effectieve medezeggenschap van
deelnemers en, in voorkomende gevallen, ouders plaats kan vinden waarbij
ten minste wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. de verkiezingen zijn zodanig geregeld dat deze kunnen leiden tot een
deelnemersraad of, in voorkomende gevallen, een ouderraad die een
representatieve vertegenwoordiging van deelnemers of ouders vormt;
b. de medezeggenschapsstructuren sluiten zo veel mogelijk aan bij de
organisatiestructuur, besluitvormingsprocedures en
verantwoordelijkheidsverdelingen binnen de instelling.
2. Het bevoegd gezag legt de inrichting van de medezeggenschap telkens
voor een periode van ten hoogste vier jaren vast in een
medezeggenschapsstatuut. Voor de vaststelling is artikel 8a.2.2, derde
lid, aanhef en onderdeel a, van overeenkomstige toepassing op de
ondernemingsraad.
Artikel 8a.1.5. Bijeenkomst deelnemersraad, ondernemingsraad en
ouderraad
1. Het bevoegd gezag stelt de deelnemersraad, de ondernemingsraad en, in
voorkomende gevallen, de ouderraad ten minste eenmaal per jaar in de
gelegenheid gezamenlijk de algemene gang van zaken in de instelling met
hem te bespreken.
2. Het bevoegd gezag, de deelnemersraad, de ondernemingsraad en, in
voorkomende gevallen, de ouderraad komen voorts met elkaar bijeen indien
daarom onder opgave van redenen door één of meer der raden wordt
verzocht.
3. In geval van een voornemen tot een fusie als bedoeld in artikel
2.1.8komen het bevoegd gezag, de deelnemersraad, de ondernemingsraad en,
in voorkomende gevallen, de ouderraad bijeen om dat voornemen te
bespreken. De bespreking is gericht op het bereiken van overeenstemming.
Indien overeenstemming wordt bereikt, wordt dit aangemerkt als
instemming met het voornemen tot fusie. Bij het ontbreken van
overeenstemming wordt dit aangemerkt als het onthouden van instemming.
In het laatste geval kan elk van de deelnemers aan de bespreking het
geschil voorleggen aan de geschillencommissie, bedoeld in artikel
8a.4.1, eerste lid.
4. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, hebben de deelnemersraad,
de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad elk
afzonderlijk adviesrecht ten aanzien van het voornemen tot fusie,
onverminderd het recht het geschil voor te leggen aan de in het vorige
lid bedoelde geschillencommissie.
5. Het bevoegd gezag stelt de deelnemersraad, de ondernemingsraad en, in
voorkomende gevallen, de ouderraad in de gelegenheid om tijdig
voorafgaand aan de gezamenlijke bijeenkomst, bedoeld in het derde lid,
kennis te nemen van de opgestelde fusie-effectrapportage, bedoeld
inartikel 2.1.10, derde lid.
Titel 2. Bevoegdheden van de deelnemersraad
Artikel 8a.2.1. Algemene bevoegdheden
1. Het bevoegd gezag stelt de deelnemersraad ten minste twee maal per
jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de instelling met
hem te bespreken. Het bevoegd gezag en de deelnemersraad komen met
elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht
door het bevoegd gezag of de deelnemersraad. De besprekingen worden
namens het bevoegd gezag gevoerd door een lid van het college van
bestuur.
2. De deelnemersraad is bevoegd tot bespreking van alle aangelegenheden,
de instelling betreffende. Hij is bevoegd over deze aangelegenheden aan
het bevoegd gezag voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken,
alsmede het bevoegd gezag te verplichten daarover een standpunt in te
nemen en bekend te maken.
3. Het bevoegd gezag verstrekt de deelnemersraad desgevraagd tijdig alle
inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
nodig heeft.
4. Het bevoegd gezag draagt zorg voor de voorzieningen die de
deelnemersraad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig
heeft.
5. De deelnemersraad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn
werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de instelling
betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen.
Artikel 8a.2.2. Bijzondere bevoegdheden: instemming, advies en
hoorplicht
1. De deelnemersraad heeft de volgende bijzondere bevoegdheden:
a. het verlenen van instemming aan een door het bevoegd gezag
voorgenomen besluit als bedoeld in het derde lid;
b. het uitbrengen van advies over een door het bevoegd gezag voorgenomen
besluit als bedoeld in het vierde lid.
2. De bijzondere bevoegdheden zijn niet van toepassing, voor zover de
desbetreffende aangelegenheid voor de instelling reeds inhoudelijk is
geregeld in een bij of krachtens wet gegeven voorschrift.
3. De deelnemersraad heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot
voorgenomen besluiten van het bevoegd gezag ten aanzien van:
a. het medezeggenschapsstatuut;
b. het deelnemersstatuut en de huisregels voor deelnemers;
c. de beroeps- en klachtenregelingen voor deelnemers;
d. de hoogte en de besteding van de vrijwillige ouder- of
deelnemerbijdrage, alsmede de wijze waarop deze bijdrage tussen
deelnemer en bevoegd gezag wordt overeengekomen;
e. de wijze waarop informatie wordt gegeven over de inhoud, planning en
organisatie van het onderwijs en de examens;
f. de besteding van stagefondsen;
g. de model-onderwijsovereenkomst;
h. de model-praktijkovereenkomst;
i. het beleid met betrekking tot toelating, schorsing en verwijdering
van deelnemers;
j. de wijze van vastleggen van studievorderingen van deelnemers en in
dat verband het beleid met betrekking tot bescherming van de privacy van
deelnemers;
k. de regels op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn voor
zover deze de deelnemers betreffen;
l. het reglement voor de deelnemersraad, met inachtneming van artikel
8a.3.1, derde lid.
4. De deelnemersraad heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot
voorgenomen besluiten van het bevoegd gezag ten aanzien van:
a. besluiten van het bevoegd gezag over inkrimping, uitbreiding, fusie
en overdracht van de instelling, beëindiging van opleidingen en
samenwerking met andere instellingen bij de uitvoering van opleidingen;
b. verandering van de grondslag van de instelling;
c. werkomstandigheden en voorzieningen voor deelnemers binnen de
instelling;
d. het beleid met betrekking tot intake- en assessmentprocedures;
e. de rol van deelnemers bij de interne kwaliteitszorg en zelfevaluatie.
5. In het reglement kunnen andere, nader te omschrijven onderwerpen
worden opgenomen ten aanzien waarvan een van de bijzondere bevoegdheden
aan de deelnemersraad wordt toegekend.
6. De deelnemersraad heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot een
voorgenomen besluit van de raad van toezicht ten aanzien van de
profielen, bedoeld in artikel 9.1.4, vijfde lid.
7. Alvorens de raad van toezicht tot benoeming of ontslag van een lid
van het college van bestuur overgaat, wordt de deelnemersraad
vertrouwelijk gehoord over het voorgenomen besluit tot benoeming of
ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van
wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
Artikel 8a.2.3. Fusie-effectrapportage
De deelnemersraad neemt voorafgaand aan de uitoefening van de
adviesbevoegdheid, bedoeld in artikel 8a.2.2, vierde lid, onder a, voor
zover het betreft fusie en overdracht van de instelling, kennis van de
opgestelde fusie-effectrapportage, bedoeld inartikel 2.1.10, derde lid.
Titel 3. Reglement deelnemersraad
Artikel 8a.3.1. Reglement deelnemersraad
1. Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van de voorschriften in dit
hoofdstuk, voor een periode van telkens vijf jaar een reglement voor de
deelnemersraad vast. Het reglement kan tussentijds worden gewijzigd.
2. In het reglement worden in ieder geval regels gesteld omtrent:
a. het aantal leden van de deelnemersraad;
b. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de
deelnemersraad;
c. de zittingsduur van de leden van de deelnemersraad;
d. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de leden van de deelnemersraad
hun uit het lidmaatschap van de deelnemersraad voortvloeiende
verplichtingen nakomen;
e. de voorstellen van de deelnemersraad, bedoeld in artikel 8a.2.1,
tweede lid, waarover het bevoegd gezag een standpunt inneemt, en de
termijnen daarvoor;
f. het verschaffen van informatie door het bevoegd gezag aan de
deelnemersraad;
g. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming
moet worden besloten, en de termijnen binnen welke advies moet worden
uitgebracht;
h. het toekennen van eventuele andere bevoegdheden aan de
deelnemersraad.
3. Het bevoegd gezag legt het reglement, alsmede elke wijziging ervan,
als voorstel aan de deelnemersraad voor en stelt het slechts vast voor
zover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden
van de deelnemersraad heeft verworven.
Titel 4. Geschillenregeling en procesbevoegdheid
Artikel 8a.4.1. Landelijke geschillencommissie medezeggenschap
1. Er is een landelijke geschillencommissie medezeggenschap, waarbij
elke instelling is aangesloten. De commissie bestaat uit drie leden,
waaronder de voorzitter, en drie plaatsvervangende leden.
2. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in
overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit, benoemt de leden en plaatsvervangende leden voor vier
jaar. Zij zijn een keer herbenoembaar.
3. Een lid en een plaatsvervangend lid worden benoemd op bindende
voordracht van vertegenwoordigers van de gezamenlijke bevoegde
gezagsorganen van de instellingen en een lid en een plaatsvervangend lid
op bindende voordracht van vertegenwoordigers van de deelnemersraden van
de instellingen. Deze twee leden doen een bindende voordracht voor het
derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger.
4. Indien sprake is van een geschil als bedoeld in artikel 8a.4.2,
onderdeel a, voor zover het betreft het ontbreken van de vereiste
instemming van de ondernemingsraad met het medezeggenschapsstatuut,
wordt voor de duur van behandeling van dat geschil een lid benoemd op
bindende voordracht van vertegenwoordigers van de ondernemingsraden van
de instellingen.
5. De leden en de plaatsvervangende leden mogen geen deel uitmaken van
het bevoegd gezag of van de deelnemersraad van een instelling.
Artikel 8a.4.2. Competentie commissie
De commissie neemt kennis van de volgende geschillen:
a. op verzoek van het bevoegd gezag of van de deelnemersraad, indien het
bevoegd gezag ten aanzien van een voorgenomen besluit als bedoeld
inartikel 8a.2.2, derde lid, niet de vereiste instemming heeft
verworven;
b. op verzoek van het bevoegd gezag of van de deelnemersraad, indien het
bevoegd gezag en de raad van mening verschillen over de interpretatie
van hoofdstuk 8a dan wel het reglement;
c. op verzoek van de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag een
besluit heeft genomen waarover ingevolge artikel 8a.2.2, vierde lid, of
artikel 8a.5.1 juncto artikel 8a.2.2 advies door de deelnemersraad is
uitgebracht, het bevoegd gezag daarbij het uitgebrachte advies niet of
niet geheel heeft gevolgd en de deelnemersraad van oordeel is dat
daardoor de belangen van de deelnemers, van de deelnemersraad of van de
instelling ernstig worden geschaad.
Artikel 8a.4.3. Bevoegdheden en procedure commissie
1. Voor zover aan een voorgenomen besluit van het bevoegd gezag als
bedoeld inartikel 8a.2.2, derde lid, de vereiste instemming is
onthouden, deelt het bevoegd gezag aan de deelnemersraad dan wel de
deelnemersraad aan het bevoegd gezag binnen drie maanden mede of het
voorstel wordt voorgelegd aan de commissie. Indien een dergelijke
mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.
Het voorstel vervalt eveneens, indien door het bevoegd gezag aan de
deelnemersraad dan wel door de deelnemersraad aan het bevoegd gezag is
meegedeeld dat het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie en het
voorstel niet binnen zes weken na het doen van deze mededeling
daadwerkelijk wordt voorgelegd aan de commissie.
2. Indien het bevoegd gezag een verzoek doet als bedoeld in artikel
8a.4.2, onderdeel a, geschiedt dit onder overlegging van de door het
bevoegd gezag gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het
bevoegd gezag aan de orde zijn, en stelt de commissie de deelnemersraad
in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn
instemming bij de commissie naar voren te brengen. Indien de
deelnemersraad een verzoek doet als bedoeld in artikel 8a.4.2, onderdeel
a, wordt het verzoek met redenen omkleed en stelt de commissie het
bevoegd gezag in de gelegenheid om zijn argumenten voor handhaving van
het voorstel bij de commissie naar voren te brengen.
3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het bevoegd
gezag en de deelnemersraad voor te leggen, tenzij het bevoegd gezag of
de deelnemersraad te kennen geeft daarop geen prijs te stellen. Indien
de commissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar
voorstel niet de instemming verwerft van zowel het bevoegd gezag als de
deelnemersraad, stelt zij vast, indien het betreft een geschil als
bedoeld in:
a. artikel 8a.4.2, onderdeel a: of de deelnemersraad in redelijkheid tot
het onthouden van instemming heeft kunnen komen of dat sprake is van
bepaalde zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd
gezag rechtvaardigen;
b. artikel 8a.4.2, onderdeel b: welke interpretatie aan dit hoofdstuk of
het reglement moet worden gegeven;
c. artikel 8a.4.2, onderdeel c: of het bevoegd gezag bij afweging van
betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en
of het besluit al dan niet in stand kan blijven.
4. Voor zover de commissie van oordeel is dat het voorstel van het
bevoegd gezag niet in redelijkheid tot stand is gekomen, geeft zij aan
hoe het voorstel moet worden gewijzigd.
5. Onverminderdartikel 8a.4.4 is een vaststelling van de commissie als
bedoeld in het derde lid, voor het bevoegd gezag en de deelnemersraad
bindend. Zo nodig neemt het bevoegd gezag met inachtneming van de
vaststelling van de commissie een nieuw besluit.
6. Indien de ondernemingsraad ten aanzien van een voorstel tot
vaststelling of wijziging van het medezeggenschapsstatuut zijn
instemming heeft onthouden, zijn de artikelen 27, vierde tot en met
zesde lid, en 36 van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de bevoegdheden van de
bedrijfscommissie, bedoeld in het genoemde artikel 36, worden
uitgeoefend door de commissie.
Artikel 8a.4.4. Procesbevoegdheid deelnemersraad
1. De deelnemersraad kan in rechte optreden indien de vordering strekt
tot naleving door het bevoegd gezag van de verplichtingen jegens de
deelnemersraad, voortvloeiend uit hoofdstuk 8a. Tegen een uitspraak van
de commissie op grond van artikel 8a.4.3 staat beroep open.
2. Een vordering of beroep als bedoeld in het eerste lid, wordt
ingediend bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam.
3. Het beroep wordt ingediend bij beroepschrift binnen een maand nadat
het bevoegd gezag of de deelnemersraad van de uitspraak op de hoogte is
gesteld. De wederpartij wordt van het beroep in kennis gesteld.
4. Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld op de grond dat de
commissie een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de wet.
5. Tegen een uitspraak van de ondernemingskamer kan geen beroep in
cassatie worden ingesteld.
6. In afwijking van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering en artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan de
deelnemersraad niet in de proceskosten worden veroordeeld.
7. In dit artikel wordt onder «uitspraak» verstaan: een vaststelling
of oordeel van de commissie als bedoeld in artikel 8a.4.3.
Artikel 8a.4.5. Geschillenregeling adviesbevoegdheid profielen raad van
toezicht
Deze titel is van overeenkomstige toepassing op het advies, bedoeld in
artikel 8a.2.2, zesde lid.
Titel 5. Afwijkingen
Artikel 8a.5.1. Afwijkingen in verband met eigen aard
1. Op gronden die verband houden met de godsdienstige of
levensbeschouwelijke overtuiging die aan de instelling ten grondslag
ligt, kan het bevoegd gezag in het reglement een aan de deelnemersraad
toekomend instemmingsrecht omzetten in een adviesrecht. In afwijking van
artikel 8a.2.2, derde lid, onderdeel l, juncto artikel 8a.3.1 stelt het
bevoegd gezag het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede
begrepen, slechts vast nadat het hierover advies heeft ontvangen van de
deelnemersraad. Het bevoegd gezag kan slechts toepassing geven aan de
eerste volzin indien een meerderheid van twee derden van de deelnemers
dat ondersteunt.
2. De mogelijkheid tot afwijking, bedoeld in het eerste lid, komt te
vervallen indien de gronden waarop zij berustte niet langer aanwezig
zijn dan wel indien zij niet langer worden ondersteund door een
meerderheid van twee derden van de deelnemers.
3. Het bevoegd gezag toetst elke vijf jaar de stand van zaken met
betrekking tot de gronden van de afwijking en de ondersteuning ervan.
Hoofdstuk 9. Het bestuur
Titel 1. De instellingen voor educatie en beroepsonderwijs
§ 1. Bevoegd gezag; bestuursoverdracht
Artikel 9.1.1. Bevoegd gezag bijzondere instellingen
Bijzondere instellingen worden in stand gehouden door een rechtspersoon
met volledige rechtsbevoegdheid niet zijnde een rechtspersoon als
bedoeld in artikel 2:1 van het Burgerlijk Wetboek, die zich blijkens de
statuten of reglementen het geven van onderwijs in de zin van deze wet
ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.
Artikel 9.1.2. Bestuursoverdracht openbare instelling
1. Het bevoegd gezag van een openbare instelling kan de instandhouding
van die instelling overdragen aan een ander orgaan dat tot de
instandhouding van een openbare instelling bevoegd is.
2. De overdracht geschiedt bij notariële akte. Bij deze akte verbindt
de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van
gebouwen, terreinen en roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt
tevens als akte van levering als bedoeld in artikel 3:89 van het
Burgerlijk Wetboek. In de akte wordt tevens bepaald dat de rechtspersoon
aan wie wordt overgedragen het personeel in gelijke betrekkingen aan de
instelling aanstelt met ingang van de datum van overdracht.
3. Door overdracht met inachtneming van het eerste en tweede lid treedt
de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten
en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de
instelling, onverminderd hetgeen verder voor de overgang naar burgerlijk
recht is vereist.
4. Van de verplichting tot overdracht van de rechten ten aanzien van
gebouwen, terreinen en roerende zaken kan Onze Minister in bijzondere
omstandigheden ontheffing verlenen. Onze Minister besluit binnen zes
maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen
zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan
in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel
tegemoet kan worden gezien.
Artikel 9.1.3. Bestuursoverdracht bijzondere instelling
1. De rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, kan de
instandhouding van die instelling overdragen aan een andere
rechtspersoon die voldoet aan artikel 9.1.1, eerste lid.
2. Op deze overdracht is artikel 9.1.2, tweede tot en met vierde lid,
van toepassing.
3. Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een bijzondere instelling
in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande
splitsende rechtspersoon de instelling in stand zal houden of op welke
verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de instelling overgaat.
In het laatste geval is artikel 9.1.2, tweede tot en met vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
§ 2. Bestuur en inrichting van de instellingen
Artikel 9.1.4. College van bestuur en raad van toezicht
1. Een bijzondere instelling heeft een college van bestuur en een raad
van toezicht.
2. Een lid van een raad van toezicht heeft geen directe belangen bij de
instelling. Een lid van het college van bestuur kan niet tevens lid zijn
van het college van bestuur van een andere instelling.
3. De raad van toezicht houdt, met het oog op de taken van de
desbetreffende instelling, genoemd in artikel 1.3.5, toezicht op de
uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het
college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van
toezicht is in elk geval belast met:
a. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van
de leden van het college van bestuur;
b. het goedkeuren van het bestuursreglement;
c. het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het jaarverslag en,
indien van toepassing, het strategisch meerjarenplan van de instelling;
d. het toezien op de naleving van wettelijke verplichtingen en de omgang
met de branchecode, bedoeld in artikel 2.5.4, eerste lid, door het
college van bestuur;
e. het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en
rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de instelling
verkregen op grond van de artikelen 2.2.1, 2.2.3 en2.3.4;
f. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de
raad, en
g. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de
taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met
f, in het jaarverslag van de instelling.
4. Het college van bestuur voorziet de raad van toezicht van
onafhankelijke administratieve ondersteuning.
5. De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn
zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan
uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben daarin zitting op
persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of
ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis
van vooraf openbaar gemaakte profielen.
6. De statuten van de rechtspersoon die een bijzondere instelling in
stand houdt, voorzien in een regeling die waarborgt dat de
ondernemingsraad invloed kan uitoefenen op de samenstelling van de raad
van toezicht van de desbetreffende instelling. De bedoelde regeling
houdt ten minste in dat de ondernemingsraad in de gelegenheid wordt
gesteld om
a. aan de raad van toezicht advies uit te brengen over de profielen,
bedoeld in het vijfde lid, en
b. een bindende voordracht te doen voor één lid van de raad van
toezicht.
Artikel 8a.4.3, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De tweede
en derde volzin zijn niet van toepassing voor zover de ondernemingsraad
schriftelijk aan de raad van toezicht te kennen heeft gegeven van de
mogelijkheid een voordracht te doen geen gebruik te willen maken.
7. De statuten van de rechtspersoon die een bijzondere instelling in
stand houdt, voorzien in een regeling die waarborgt dat de raad van
toezicht de ondernemingsraad vertrouwelijk hoort over een voorgenomen
besluit tot benoeming of ontslag van een lid van het college van
bestuur, niet zijnde bestuurder in de zin van de Wet op de
ondernemingsraden. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het
van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
Artikel 9.1.5. Overdracht taken en bevoegdheden
1. Het bevoegd gezag van een openbare instelling kan hem bij wettelijk
voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan een alsdan
in te stellen college van bestuur. Artikel 9.1.4, eerste, tweede en
vijfde lid, en artikel 9.1.7, eerste en tweede lid, zijn in dat geval
van overeenkomstige toepassing.
2. Indien dat dienstig is voor een goede uitvoering van deze wet, kan
het bevoegd gezag de uitoefening van hem bij wettelijk voorschrift
opgedragen taken en bevoegdheden opdragen aan het bestuur van een
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.
Artikel 9.1.6 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 9.1.7. Bestuursreglement
1. Het college van bestuur stelt een bestuursreglement vast. In het
bestuursreglement worden ten minste vastgelegd:
a. de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het college van bestuur en
de raad van toezicht en de wijze waarop conflicten tussen beide organen
worden geregeld;
b. de wijze waarop het college van bestuur zijn taken en bevoegdheden
uitoefent, en
c. indien de instelling een of meer organisatorische eenheden omvat:
1°. de organisatorische eenheden die de instelling omvat,
2°. de taken en bevoegdheden die zijn op- of overgedragen aan het
bestuur van de desbetreffende eenheid,
3°. de verhouding van het bestuur van de desbetreffende eenheid tot het
college van bestuur en
4°. de samenstelling, de wijze van benoeming en de werkwijze van het
bestuur van de desbetreffende eenheid.
2. Het college van bestuur zendt het bestuursreglement, alsmede elke
wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk aan Onze minister.
3. Indien de statuten van een bijzondere instelling de onderwerpen,
bedoeld in het eerste lid, onder a en c regelen, is regeling daarvan in
het bestuursreglement niet noodzakelijk.
Artikel 9.1.8. Functionele scheiding bestuur en toezicht
In afwijking van artikel 9.1.4, eerste lid, kan een functionele
scheiding tussen bestuur en toezicht worden aangebracht binnen het
bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat. De artikelen
9.1.4, tweede tot en met vijfde lid, en artikel 9.1.7 zijn van
overeenkomstige toepassing. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een
deugdelijke scheiding tussen bestuur en toezicht, vermeldt in de
statuten of het bestuursreglement de wijze waarop deze wordt gewaarborgd
en vermeldt jaarlijks in het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.5.4, de
redenen voor de afwijking.
Titel 2. De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
Artikel 9.2.1. Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven;
samenstelling
1. Een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven wordt in stand
gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder
winstoogmerk niet zijnde een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1
van het Burgerlijk Wetboek.
2. Het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven
bestaat:
a. ofwel voor een derde deel uit vertegenwoordigers van
werkgeversorganisaties, voor een derde deel uit vertegenwoordigers van
werknemersorganisaties en voor een derde deel uit vertegenwoordigers van
de instellingen en de andere instellingen, bedoeld in artikel 1.4.1;
b. ofwel voor de helft uit vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties
en voor de helft uit vertegenwoordigers van werknemersorganisaties.
3. Aan een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven is een paritaire
commissie beroepsonderwijs bedrijfsleven verbonden, die voor de helft
bestaat uit vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en voor de helft
uit vertegenwoordigers van de instellingen en de andere instellingen,
bedoeld in artikel 1.4.1, die opleidingen verzorgen op het terrein
waarop het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven werkzaam is.
Onder de vertegenwoordigers van de instellingen bevinden zich in elk
geval een of meer docenten als bedoeld in artikel 4.2.1. De paritaire
commissie heeft tot taak om overeenstemming te bereiken tussen
vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en vertegenwoordigers van de
instellingen over de inhoud van de bij Onze Minister in te dienen
voorstellen voor kwalificatiedossiers.
4. Het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven kan
indien dat dienstig is voor een goede uitvoering van deze wet, aan het
bevoegd gezag van een instelling de uitoefening van hem bij wettelijk
voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden opdragen, met uitzondering
van het doen van voorstellen als bedoeld in artikel 7.2.4, tweede en
derde lid. Indien het bestuur gebruik maakt van deze mogelijkheid, stelt
het een reglement vast waarin in elk geval worden vastgelegd de taken en
bevoegdheden die het bestuur ter uitoefening opdraagt aan het bevoegd
gezag, alsmede richtlijnen voor uitoefening van de aan het bevoegd gezag
opgedragen taken en bevoegdheden.
Artikel 9.2.2. Bestuursoverdracht kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven
1. De rechtspersoon die een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven
in stand houdt, kan de instandhouding van dat kenniscentrum overdragen
aan een andere rechtspersoon die voldoet aan artikel 9.2.1, eerste lid.
2. Op deze overdracht is artikel 9.1.2, tweede tot en met vierde lid,
van toepassing.
Hoofdstuk 10. Beroep bij de bestuursrechter
Artikel 10.1 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 10.2. Intreden gevolgen van toekennen van rechten na
sprongberoep
Indien de uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 2 van de bij de
Algemene wet bestuursrecht behorende Bevoegdheidsregeling
bestuursrechtspraak strekt tot onderscheidenlijk het toekennen van de
rechten, genoemd in artikel 1.3.1, diploma-erkenning als bedoeld in de
artikelen 1.4.1 of 1.4a.1, examinering als bedoeld in artikel 1.6.1, of
registratie in het Centraal register, treden de gevolgen daarvan in met
ingang van het studiejaar dat aanvangt in het jaar waarin de uitspraak
is gedaan.
Hoofdstuk 11. Sancties
Paragraaf 1. Inhouden en opschorten bekostiging; strafbepaling
Artikel 11.1. Inhouding bekostiging
1. Indien het bevoegd gezag van een instelling of een kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven in strijd handelt met het bepaalde bij of
krachtens deze wet, kan Onze Minister bepalen dat de rijksbijdrage,
voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden
dan wel opgeschort.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd
gezag of het personeel van een instelling in strijd handelt met artikel
5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Onze Minister kan de rijksbijdrage wederom toekennen, indien blijkt
dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is
vervallen.
4. Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing
indien het bevoegd gezag van een agrarisch opleidingscentrum ten aanzien
van het voorbereidend beroepsonderwijs dat in de instelling wordt
verzorgd, in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens de Wet op
het voortgezet onderwijs.
Artikel 11.2. Geldboete niet-gerechtigde aanduiding beroepsopleidingen
1. Het is anderen dan de instellingen die daartoe ingevolge deze wet
gerechtigd zijn, verboden onderwijs aan te bieden of te verzorgen, dan
wel examinering te verzorgen, onder de naam van een in het Centraal
register opgenomen beroepsopleiding.
2. Degene die in strijd handelt met het eerste lid, wordt gestraft met
geldboete van de eerste categorie.
3. Het in het eerste lid strafbaar gestelde feit is een overtreding.
Paragraaf 2 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 11.3 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 11.4 [Vervallen per 01-01-2009]
Hoofdstuk 11a. Experimenten
Artikel 11a.1. Ruimte voor innovatie
1. Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of
doelmatigheid van het beroepsonderwijs kan bij wijze van experiment bij
algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:
– titel 2 van hoofdstuk 2,
– hoofdstuk 6, en
– hoofdstuk 7.
2. In geval van toepassing van het eerste lid worden bij algemene
maatregel van bestuur in ieder geval bepaald:
a. het doel van het experiment,
b. op welke wijze van welke artikelen van de in het eerste lid genoemde
hoofdstukken, titels of paragrafen wordt afgeweken,
c. de duur van het experiment, en
d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het
experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.
De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder
gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
uitvoering van een experiment.
4. Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur
gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan
wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald.
Indien, voordat een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is
ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een
structurele wettelijke regeling, kan Onze Minister het experiment
verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven
en in werking treedt.
5. Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur
van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan
de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de
voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een
voortzetting als experiment.
6. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, kan
bij wijze van experiment tevens worden afgeweken van:
a. artikel 1 van de Leerplichtwet 1969;
b. artikel 1 de Les- en cursusgeldwet;
c. artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000;
d. artikel 1.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een
samenwerkingsverband tussen een instelling en een school als bedoeld in
de Wet op het voortgezet onderwijs of een instelling als bedoeld in de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Bij
samenwerking met een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs kan voor die school worden afgeweken van titel II, afdeling I,
hoofdstuk I en van titel III, afdeling II, van die wet. Bij de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke
bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs onderscheidenlijk de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek vastgestelde
voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op
de samenwerking.
Hoofdstuk 12. Overgangs-, invoerings- en slotbepalingen
Titel 1. Overgangsbepalingen experiment leergang vm2
Artikel 12.1.1. Duur van experiment leergang vm2
1. Het experiment leergang vm2, dat is onderverdeeld in zes leergangen
van vier jaar die per opvolgend leerjaar zijn of worden gestart, wordt
voor de toepassing van artikel 11a.1, vierde lid, geacht te zijn gestart
op 1 augustus 2008.
2. Artikel 11a.1, vierde lid, wordt ten aanzien van de duur van het
experiment leergang vm2 zodanig toegepast dat een leerling die deelneemt
aan een leergang die binnen de termijn van zes jaar is gestart, de
leergang van vier jaar kan doorlopen.
Titel 1a [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 12.1a.1 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 12.1a.2 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 12.1a.3 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 12.1a.4 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 12.1a.5 [Vervallen per 01-01-2012]
Titel 2. Voorzieningen voor onbepaalde tijd
Artikel 12.2.1. Diploma’s en certificaten
Diploma’s en certificaten ingevolge de Wet op het voortgezet
onderwijs, de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, de Kaderwet
Volwasseneneducatie 1991 of het Staatsexamenbesluit Nederlands als
tweede taal, verkregen op grond van een examen verbonden aan opleidingen
basiseducatie, voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, middelbaar
beroepsonderwijs, deeltijds middelbaar beroepsonderwijs of leerlingwezen
dan wel op grond van een staatsexamen Nederlands als tweede taal, gelden
als de overeenkomstige diploma’s en certificaten, verkregen op grond
van artikel 7.4.6.
Artikel 12.2.2. Handhaving voorschriften personeel
1. De op 31 december 1995 geldende voorschriften vastgesteld bij of
krachtens de artikelen 37a, 38, 39, 40 en 40a van de Wet op het
voortgezet onderwijs, de artikelen 2.42, 2.45, 2.46, 2.51, 2.75 en 2.76
van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs en artikel 9 van de
Kaderwet Volwasseneneducatie 1991, berusten ten aanzien van het
personeel aan instellingen in de zin van deze wet met ingang van 1
januari 1996 op onderscheidenlijk de artikelen 4.1.1, 4.1.2, 3.1.2 en
3.2.1.
2. De op 31 december 1995 geldende voorschriften vastgesteld bij of
krachtens de artikelen 2.55 en 2.59 van de Wet op het cursorisch
beroepsonderwijs berusten ten aanzien van het personeel van kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven met ingang van 1 januari 1996 op
onderscheidenlijk de artikelen 4.3.1, 4.3.2 en 3.3.1.
Artikel 12.2.3 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 12.2.4 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 12.2.5. Handhaving inrichtings- en examenvoorschriften v.a.v.o.
De op 31 december 1995 geldende voorschriften met betrekking tot het
voortgezet algemeen volwassenenonderwijs die berusten op de artikelen
23b, tweede lid, en 29, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet
onderwijs, berusten ten aanzien van de opleidingen voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs, bedoeld in artikel 7.3.4, met ingang van 1 januari
1996 op artikel 7.3.4, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 7.4.11,
derde en zevende lid.
Artikel 12.2.6. Aanspraken gewezen personeel
Personeelsleden die op 1 januari 1996 niet in dienst zijn van een
instelling in de zin van deze wet of een kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven en die voor die datum ten laste van het Rijk verbonden
waren aan een school voor beroepsbegeleidend onderwijs, een school voor
middelbaar beroepsonderwijs, een school voor voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs, een vormingsinstituut voor jeugdigen, een
instelling voor basiseducatie, een landbouwpraktijkschool, of een
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven waaruit de instelling of
het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven voortkomt en die op dat
tijdstip aan bij of krachtens de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs,
de Wet op het voortgezet onderwijs of de Kaderwet Volwasseneneducatie
1991 gegeven voorschriften aanspraken, rechten en verplichtingen
ontlenen of kunnen ontlenen, ontlenen of kunnen deze met ingang van 1
januari 1996 ontlenen aan artikel 4.1.2 onderscheidenlijk artikel 4.3.2.
Artikel 12.2.7. Garantieregeling onderwijsbevoegdheden
Onverminderd artikel 4.2.1 kan tot docent aan een instelling worden
benoemd:
a. degene die in het studiejaar 1995-1996 bevoegd onderwijs heeft
gegeven aan een school voor beroepsbegeleidend onderwijs, een school
voor middelbaar beroepsonderwijs, dan wel wat deeltijds middelbaar
beroepsonderwijs betreft aan een andere school, aan een
vormingsinstituut voor jeugdigen of aan een instelling voor
basiseducatie,
b. degene die in de periode van 1 augustus 1990 tot en met 31 juli 1995
gedurende ten minste 40 weken bevoegd onderwijs als bedoeld in onderdeel
a heeft gegeven, en
c. degene die
1°. voor 1 september 1997 een getuigschrift heeft behaald van een
afsluitend examen van de opleiding cultureel werk of de opleiding
culturele en maatschappelijke vorming behorend tot het onderdeel gedrag
en maatschappij van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs,
met de differentiatie basiseducatie, dat op grond van de artikelen 4 en
5 van het Uitvoeringsbesluit KVE 1991 zoals dat luidde op 31 juli 1995
zou hebben geleid tot een bevoegdheid voor het verzorgen van
activiteiten basiseducatie, dan wel
2°. voor 1 september 1997 een getuigschrift heeft behaald van een
afsluitend examen binnen het hoger pedagogisch onderwijs met de
differentiatie basiseducatie, en
3°. uiterlijk aan het begin van het studiejaar 1994-1995 is gestart met
de differentiatie basiseducatie.
Artikel 12.2.8 [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 12.2.9. Gevolgen invoering voor personeel
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gegeven met betrekking tot de gevolgen voor het personeel van de
invoering van deze wet.
Artikel 12.2.10. Aanhangige beroepsprocedures
1. Op geschillen tussen personeel en bevoegd gezag van een school voor
beroepsbegeleidend onderwijs, een school voor middelbaar
beroepsonderwijs dan wel wat deeltijds middelbaar beroepsonderwijs
betreft van een andere school, van een vormingsinstituut voor jeugdigen,
van een instelling voor basiseducatie, een landbouwpraktijkschool of een
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven die ingevolge de op 31
december 1995 geldende voorschriften aanhangig zijn gemaakt bij een
commissie van beroep of bij de burgerlijke rechter, blijven de op die
dag geldende regelingen van toepassing.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
geschillen tussen het bevoegd gezag en een deelnemer met betrekking tot
examens.
Artikel 12.2.11 [Vervallen per 06-10-1999]
Titel 3. Invoering van de wet
Artikel 12.3.1 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.2 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.3 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.4 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.5 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.6 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.7 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.8. Voortzetting bekostiging beroepsopleidingen Instituten
voor doven
1. Het Christelijk Instituut voor Doven "Effatha" en het
Instituut voor Doven "Sint-Michielsgestel" behouden in
afwijking van artikel 12.3.2 ten behoeve van het verzorgen van
beroepsopleidingen die de voortzetting zijn van beroepsbegeleidend
onderwijs dat deze instituten op 31 december 1995 verzorgden, aanspraak
op bekostiging uit ’s Rijks kas.
2. Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de
toepassing van deze wet ten aanzien van de in het eerste lid genoemde
instituten. Daarbij kan, voor zover noodzakelijk, worden afgeweken van
het bij of krachtens deze wet bepaalde.
Artikel 12.3.9. Voortzetting bekostiging beroepsopleidingen verbonden
aan hogescholen Haarlem en Tilburg
1. Ten aanzien van de beroepsopleidingen die een voortzetting vormen van
de opleidingen voor deeltijds middelbaar beroepsonderwijs in de sector
dienstverlening en gezondheidszorg, op 31 december 1995 op grond van
artikel 3.11 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs verbonden aan
de Hogeschool Haarlem en aan de Hogeschool Tilburg, behouden deze
hogescholen aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas.
2. Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de
toepassing van deze wet ten aanzien van de in het eerste lid genoemde
beroepsopleidingen. Daarbij kan, voor zover noodzakelijk, worden
afgeweken van het bij of krachtens deze wet bepaalde.
Artikel 12.3.10 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.11 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.12 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.13 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.14 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.15 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.16 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.17 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.18 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.19 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.20 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.21 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.22 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.23 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 12.3.24 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 12.3.25 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 12.3.26 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 12.3.27 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 12.3.28 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 12.3.29 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.30 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.31 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.32 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.33 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.34 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 12.3.35 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.36 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 12.3.37 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 12.3.38 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.39 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.40 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.41 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.42 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.43 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 12.3.44. Financiële afwikkeling
De op 31 december 1995 geldende voorschriften vastgesteld bij of
krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het cursorisch
beroepsonderwijs of de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 blijven van
toepassing ten aanzien van bedragen waarop de instellingen en de
kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven voor 1 januari 1996
ingevolge de bedoelde voorschriften aanspraak hebben, maar die nog niet
zijn vastgesteld of uitbetaald.
Artikel 12.3.45 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.46 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.47 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.48 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 12.3.49. Afschaffing adviesverplichtingen
[Bevat wijzigingen in deze regelgeving.]
Titel 4. Bepalingen met betrekking tot leerlinggebonden financiering
Artikel 12.4.1. Aanhangige beroepsprocedures leerlinggebonden
financiering
Op geschillen die ingevolge de op 31 juli 2008 geldende voorschriften
van de Subsidieregeling leerlinggebonden financiering MBO aanhangig zijn
gemaakt, blijft de op die dag geldende regeling van toepassing.
Artikel 12.4.2. Geldigheid indicatie leerlinggebonden financiering
Beoordelingen, afgegeven op grond van de artikelen 12 en 14 van de
Subsidieregeling leerlinggebonden financiering MBO, die hebben geleid
tot een indicatiestelling waarvan de duur nog niet is verstreken, gelden
als een beoordeling die gemeld wordt door het bevoegd gezag van een
instelling als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid.
Artikel 12.4.3 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.4 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.5 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.6 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.7 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.8 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.9 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.10 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.11 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.12 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.13 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.14 [Vervallen per 01-07-2004]
Titel 5. Evaluatie, inwerkingtreding en citeertitel
Artikel 12.5.1. Evaluatie
Onze Minister brengt voor 1 januari 2002 verslag uit over de werking van
deze wet aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 12.5.2. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1996, met
uitzondering van:
a. artikel 7.4.11, wat de examens van de opleidingen Nederlands als
tweede taal I en II betreft, welk artikel ten aanzien van die examens in
werking treedt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip;
b. artikel 12.3.1, artikel 12.3.10, artikel 12.3.11 en artikel 12.3.19,
tweede lid, die in werking treden met ingang van 1 november 1995;
c. de artikelen 12.4.1, 12.4.2, onderdelen C, onder 7, I en J, en
12.4.10, onderdeel A, die in werking treden met ingang van 1 januari
1997;
d. de artikelen 12.4.2, met uitzondering van de onderdelen C, onder 7, I
en J, 12.4.9 en 12.4.10, met uitzondering van onderdeel A, die in
werking treden met ingang van 1 augustus 1997.
Artikel 12.5.3. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet educatie en beroepsonderwijs.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 31 oktober 1995
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.J. van Aartsen
Uitgegeven de tweede november 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|