| |
|
|
|
|
vorige
WET
EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS (WEB)
Tekst zoals deze geldt op
20 juli 2010
|
|
Nadere regelgeving:
- Besluit bekwaamheidseisen
onderwijspersoneel
- Besluit maatschappelijke
ondersteuning
- Besluit participatiebudget
- Besluit staatsexamens VWO-HAVO-MAVO 2000
- Besluit
ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en
voortgezet onderwijs (Bza)
- Doorstroomregeling VMBO-beroepsonderwijs
- Uitvoeringsbesluit WEB
- Uitvoeringsregeling WEB
(vervallen)
- Uitvoeringsregeling
WEB 2007
WET van 31 oktober 1995, houdende
bepalingen met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de
totstandkoming van een landelijke kwalificatiestructuur voor het
beroepsonderwijs, de gewenste verbetering van de aansluiting tussen
onderwijs en arbeidsmarkt, de gewenste verbetering van de afstemming
tussen beroepsonderwijs en educatie, en voor een samenhangende
besluitvorming op het gebied van de educatie, wenselijk is de toedeling
van bevoegdheden aan de rijksoverheid, aan de gemeenten, aan de
landelijke organen en aan de instellingen te herzien;
dat het daarvoor wenselijk is de regelingen met betrekking tot de
educatie en het beroepsonderwijs in de Wet op het cursorisch
beroepsonderwijs en de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991, alsmede de
regelingen met betrekking tot het middelbaar beroepsonderwijs en het
voortgezet algemeen volwassenenonderwijs in de Wet op het voortgezet
onderwijs, in een samenhangend wettelijk kader neer te leggen met ingang
van de expiratiedatum van deze regelingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
Titel 1. Definities, reikwijdte, aard
bepalingen
Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het
beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke
omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b. instelling:
1º. een regionaal
opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1,
2º. een regionaal
opleidingencentrum in een samenwerkingsverband als bedoeld in
artikel 1.3.2,
3º. een vakinstelling als
bedoeld in artikel 1.3.2a, of
4º. een agrarisch
opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3;
tenzij anders blijkt;
b1. kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven als
bedoeld in artikel 1.5.1;
c. openbare instelling: een
instelling in stand gehouden door een gemeente dan wel door een
openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als
bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin deelnemen
een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer
privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid;
d. bijzondere instelling: een
instelling die uitgaat van een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid niet zijnde een rechtspersoon als bedoeld in
artikel 2:1 van het Burgerlijk Wetboek;
e. exameninstelling: een instelling
als bedoeld in artikel 1.6.1;
f. onderwijs: educatie en
beroepsonderwijs;
g. educatie: onderwijs als bedoeld in
artikel 1.2.1, eerste lid;
h. beroepsonderwijs: onderwijs als
bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid;
i. beroepsopleiding: een opleiding
als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, waarvoor in het kader van
de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 7.2.4,
eindtermen zijn vastgesteld;
i1. voltijdse beroepsopleiding: een
beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid;
i2. deeltijdse beroepsopleiding: een
beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, vijfde lid;
j. beroepspraktijkvorming: het
onderricht in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8,
eerste lid;
k. leerweg: een leerweg als bedoeld
in artikel 7.2.2, tweede lid;
l. beroepsopleidende leerweg: de
leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder a;
m. beroepsbegeleidende leerweg: de
leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder b;
n. opleiding educatie: een opleiding
als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid;
o. examinering: het nemen van
beslissingen over inhoud en niveau van examens van een
beroepsopleiding in relatie tot de eindtermen, procedures en
voorwaarden waaronder examens worden afgenomen, alsmede het
vaststellen van de uitslag van examens. De vorige volzin is van
overeenkomstige toepassing op examens van de afzonderlijke leerwegen
van een opleiding indien Onze Minister ingevolge artikel 7.2.4,
derde lid, heeft besloten dat een opleiding zowel in de
beroepsopleidende als in de beroepsbegeleidende leerweg kan worden
verzorgd;
p. deelkwalificatie: een
deelkwalificatie als bedoeld in artikel 7.2.3;
q. volwassene: een in Nederland
woonachtige van 18 jaren of ouder;
r. studiejaar: het tijdvak dat
aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daarop volgend
jaar;
s. inspectie: de inspectie, bedoeld
in de Wet op het onderwijstoezicht;
t. eindtermen: de eindtermen, bedoeld
in artikel 7.1.3;
u. Centraal register: het Centraal
register beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1, eerste lid;
v. commissie onderwijs-bedrijfsleven:
de commissie, bedoeld in artikel 9.2.1, derde lid;
v1. college van bestuur van een
bijzondere instelling: het orgaan van de instelling dat als zodanig
in de statuten is aangewezen;
w. bevoegd gezag:
1. wat een openbare instelling
betreft: het college van burgemeester en wethouders, voor zover
de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk
oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan
wel het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling
bevoegde orgaan;
2. wat een bijzondere instelling
betreft: het college van bestuur, of indien artikel 9.1.8 is
toegepast, het bestuur van de rechtspersoon waarvan de
instelling uitgaat;
3. wat een instelling als bedoeld
in de artikelen 1.4.1 dan wel 1.4a.1 betreft: het bestuur van de
rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat, dan wel de
natuurlijke persoon die de instelling in stand houdt;
4. wat een exameninstelling als
bedoeld in artikel 1.6.1 betreft: het bestuur van de
rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat;
x. waarborgfonds: het fonds, bedoeld
in artikel 2.8.1;
y. persoonsgebonden nummer: het
burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer, dan wel het door Onze
Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 8.1.1a,
vierde lid;
z. personeel:
1. de benoemde docenten, en
overig personeel dat is benoemd aan de instelling of het
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven;
2. het onder a bedoelde personeel
dat zonder benoeming is tewerkgesteld aan de instelling of het
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven, tenzij het betreft
de toepassing van de artikelen 3.1.2, 3.2.1, 3.3.1, 4.1.1, 4.1.2
tot en met 4.1.6, 4.3.1 tot en met 4.3.5, en de toepassing van
daarmee verband houdende wettelijke bepalingen;
aa. uitkering: uitkering als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, van de Wet participatiebudget;
bb. sociaal-fiscaalnummer: het
sociaal-fiscaalnummer, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder k, van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
cc. meldingsregister relatief
verzuim: meldingsregister relatief verzuim als bedoeld in artikel
24h van de Wet op het onderwijstoezicht;
dd. basisregister onderwijs:
basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het
onderwijstoezicht;
ee. ondernemingsraad: een
ondernemingsraad als bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden.
Artikel 1.1.2 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 1.1.3. Aard bepalingen
1. De bepalingen vastgesteld bij of
krachtens de artikelen 1.3.6, 1.3.7, 1.3.8, 1.7.1, 2.8.1 tot en met
2.8.3, 3.2.1, 4.1.1 tot en met 4.1.4, 4.2.1 tot en met 4.2.5, 6.4.1
tot en met 6.4.4, hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 7.4.7 en
met uitzondering van titel 6, de artikelen 8.1.1, 8.1.1a, 8.1.2,
tweede lid, 8.1.3, eerste tot en met derde lid, 8.1.4 tot en met
8.2.1, 8.4.1, 8.4.2 en 9.1.2, alsmede de bepalingen vastgesteld in
hoofdstuk 8a voor zover zij de instellingen betreffen, zijn regels
voor openbare instellingen voor educatie en beroepsonderwijs.
2. De bepalingen vastgesteld bij of
krachtens de artikelen 1.3.6, 1.3.8, 1.7.1, 2.8.1 tot en met 2.8.3,
3.2.1, 4.1.1, 4.1.2, 4.1.4, 4.1.5, eerste lid, 4.1.6 tot en met 4.2.5,
6.4.1 tot en met 6.4.4, hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel
7.4.7 en met uitzondering van titel 6, de artikelen 8.1.1, 8.1.1a,
8.1.2, eerste lid, 8.1.3 tot en met 8.2.1, 8.4.1, 8.4.2, 9.1.1, 9.1.3,
eerste lid, 9.1.4, 9.1.7 en 9.1.8, alsmede de bepalingen vastgesteld
in hoofdstuk 8a voor zover zij de instellingen betreffen, zijn
voorwaarden voor bekostiging voor bijzondere instellingen voor
educatie en beroepsonderwijs.
Titel 2. Doelstellingen onderwijs
Artikel 1.2.1. Doelstellingen onderwijs
1.Educatie is gericht op de bevordering
van de persoonlijke ontplooiing ten dienste van het maatschappelijk
functioneren van volwassenen door de ontwikkeling van kennis, inzicht,
vaardigheden en houdingen op een wijze die aansluit bij hun behoeften,
mogelijkheden en ervaringen alsmede bij maatschappelijke behoeften.
Waar mogelijk sluit de educatie aan op het ingangsniveau van het
beroepsonderwijs. Educatie omvat niet activiteiten op het niveau van
het hoger onderwijs.
2.Beroepsonderwijs is gericht op de
theoretische en praktische voorbereiding voor de uitoefening van
beroepen, waarvoor een beroepskwalificerende opleiding is vereist of
dienstig kan zijn. Het beroepsonderwijs bevordert tevens de algemene
vorming en de persoonlijke ontplooiing van de deelnemers en draagt bij
tot het maatschappelijk functioneren. Beroepsonderwijs sluit aan op
het voorbereidend beroepsonderwijs en het algemeen voortgezet
onderwijs. Beroepsonderwijs omvat niet het hoger onderwijs.
Titel 3. Bekostigde instellingen voor
educatie en beroepsonderwijs
§ 1. Instellingen
Artikel 1.3.1. Regionale
opleidingencentra
1. Aan regionale opleidingencentra
worden opleidingen beroepsonderwijs verzorgd en worden tot op een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip opleidingen
educatie verzorgd. Vanaf het tijdstip, bedoeld in de eerste volzin,
kunnen aan regionale opleidingencentra opleidingen educatie worden
verzorgd.
2. Het regionaal opleidingencentrum dat
daarvoor op grond van artikel 2.1.3, eerste en tweede lid, in
aanmerking komt, heeft aanspraak op bekostiging uit 's Rijks kas voor
het verzorgen van beroepsopleidingen die op de voet van artikel 2.1.1
voor bekostiging in aanmerking komen.
3. De regionale opleidingencentra die
daarvoor op grond van artikel 2.3.3 in aanmerking komen, ontvangen
voor het verzorgen van opleidingen educatie een bedrag van het college
van burgemeester en wethouders.
4. Aan de met goed gevolg afgelegde
examens of onderdelen van examens van opleidingen als bedoeld in het
tweede en derde lid, is een bewijsstuk als bedoeld in artikel 7.4.6
dan wel artikel 7.4.15 verbonden.
Artikel 1.3.2 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 1.3.2a. Vakinstellingen
1.Aan vakinstellingen worden
beroepsopleidingen verzorgd die naar hun aard en onderlinge samenhang
aantoonbaar gericht zijn op en van belang zijn voor een specifieke
bedrijfstak of groep van bedrijfstakken.
2.Artikel 1.3.1, tweede en vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.3.3. Agrarische
opleidingscentra
1.Agrarische opleidingscentra zijn
instellingen waarin beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en
de natuurlijke omgeving en voorbereidend beroepsonderwijs in de
afdeling landbouw en natuurlijke omgeving, bedoeld in artikel 10c,
onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs, worden verzorgd.
Voor zover dat bij wet is bepaald, kan aan een agrarisch
opleidingscentrum tevens ander voortgezet onderwijs worden verzorgd.
2.Artikel 1.3.1, tweede en vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.3.4 [Vervallen per 01-08-2007]
§ 2. Taken
Artikel 1.3.5. Taken instellingen
Bij de uitvoering van hun taak dragen de
instellingen, onverminderd het bij of krachtens deze wet bepaalde, mede
zorg voor:
a. de toegankelijkheid van het
onderwijs, in het bijzonder voor kansarme groepen,
b. het aanbieden van doelmatige
leerwegen, in het bijzonder door het zorg dragen voor een
zorgvuldige afstemming tussen opleidingen voor educatie en
beroepsopleidingen, en
c. het bieden van mogelijkheden voor
loopbaanoriëntatie en -begeleiding.
§ 3. Kwaliteitszorg
Artikel 1.3.6. Kwaliteitszorg
1.Het bevoegd gezag richt een stelsel
van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband
zorg voor dat, zo veel mogelijk in samenwerking met andere
instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de
kwaliteit van het onderwijs, waaronder maatregelen en instrumenten om
te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. Het
bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de in de eerste volzin bedoelde
beoordeling geschiedt met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen
en belanghebbenden. De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar.
2.Het bevoegd gezag maakt regelmatig,
en voor zover het de examens betreft jaarlijks, een verslag openbaar
omtrent:
a. de beoordeling, bedoeld in het
eerste lid,
b. de uitkomsten van die
beoordeling, en
c. het voorgenomen beleid in het
licht van die uitkomsten.
§ 4. Overige voorschriften
Artikel 1.3.7. Karakter openbaar
onderwijs
1.Het openbaar onderwijs draagt bij aan
de ontwikkeling van de deelnemers met aandacht voor de godsdienstige,
levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de
Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de
verscheidenheid van die waarden.
2.Openbaar onderwijs wordt gegeven met
eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.
Artikel 1.3.8. Verplichting tot overleg
en aangifte inzake zedenmisdrijven
1.Indien het bevoegd gezag op enigerlei
wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met
taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan
een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek
van Strafrecht jegens een minderjarige deelnemer van de instelling,
treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de
vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het
onderwijstoezicht.
2.Indien uit het overleg, bedoeld in
het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een
redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft
gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een
minderjarige deelnemer van de instelling, doet het bevoegd gezag
onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel
127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, en stelt
het bevoegd gezag de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in
kennis. Voordat het bevoegd gezag overgaat tot het doen van aangifte,
stelt het de ouders van de betrokken deelnemer, onderscheidenlijk de
betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon,
hiervan op de hoogte.
3.Indien een personeelslid bekend is
geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast
persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf
als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige deelnemer van de
instelling, stelt het personeelslid het bevoegd gezag daarvan
onverwijld in kennis.
Titel 4. Niet uit ’s Rijks kas
bekostigde instellingen werkzaam op het gebied van het beroepsonderwijs
Artikel 1.4.1. Andere instellingen voor
beroepsonderwijs
1.Onze Minister besluit op aanvraag van
het bevoegd gezag van een andere dan een in artikel 1.1.1, onder b,
bedoelde instelling of van een instelling dat aan de met goed gevolg
afgelegde examens of onderdelen van examens van een beroepsopleiding,
verzorgd door die instelling, een diploma of certificaat als bedoeld
in artikel 7.4.6 is verbonden, indien de desbetreffende instelling
voor die opleiding in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is
bepaald ten aanzien van:
a. de kwaliteitszorg, bedoeld in
artikel 1.3.6,
b. het onderwijs, met uitzondering
van artikel 7.1.1, en de examens,
c. de rechtsbescherming van de
deelnemers, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 5,
d. de onderwijsovereenkomst,
bedoeld in artikel 8.1.3, eerste tot en met derde lid,
e. de vooropleidingseisen, bedoeld
in artikel 8.2.1, en
f. de opneming in het Centraal
register.
Het bevoegd gezag voegt bij deze
aanvraag in elk geval het ontwerp van de in artikel 7.4.8 bedoelde
onderwijs- en examenregeling voor de beroepsopleiding waarop de
aanvraag betrekking heeft.
2.Onze Minister besluit binnen drie
maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven,
stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij
daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
gezien.
3.Het in het eerste lid bedoelde
bevoegd gezag verstrekt Onze Minister de nodige inlichtingen omtrent
de instelling. Het bevoegd gezag doet Onze Minister jaarlijks voor 1
maart een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling
voor zover betrekking hebbend op beroepsopleidingen. Het verslag bevat
tevens het aantal deelnemers per beroepsopleiding en het aantal
uitgereikte certificaten en diploma's, bedoeld in artikel 7.4.6.
4.Voor zover ten aanzien van een
instelling toepassing is gegeven aan het eerste lid, wordt die
instelling voor de toepassing van deze wet aangemerkt als een niet uit
’s Rijks kas bekostigde instelling.
5.Artikel 1.3.8, eerste tot en met
derde lid, is van overeenkomstige toepassing op instellingen als
bedoeld in het eerste lid.
5a.Het eerste lid is niet van
toepassing op opleidingen, bedoeld in artikel 12.1a.2, eerste lid.
Titel 4a. Andere instellingen die een
opleiding educatie verzorgen
Artikel 1.4a.1. Andere instellingen die
een opleiding educatie verzorgen
1.Onze Minister besluit op aanvraag van
het bevoegd gezag van een in het tweede lid bedoelde instelling, dat
aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van
een opleiding educatie, verzorgd door die instelling, een diploma of
certificaat als bedoeld in artikel 7.4.6 is verbonden, indien die
instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet voor die
opleiding is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, bedoeld in
artikel 1.3.6, en ten aanzien van het onderwijs, bedoeld in hoofdstuk
7, met uitzondering van artikel 7.1.1, titel 2, titel 4 voor zover het
betreft de artikelen 7.4.3, 7.4.4 en 7.4.7, en titel 6, en eveneens in
acht neemt hetgeen is bepaald in artikel 8.1.1, zesde lid, eerste
volzin.
2.Een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid wordt gedaan voor een andere dan een in artikel 1.1.1,
onder b, bedoelde instelling of voor een instelling. Het bevoegd gezag
voegt bij deze aanvraag in elk geval het ontwerp van de in artikel
7.4.8 bedoelde onderwijs- en examenregeling voor de opleiding educatie
waarop de aanvraag betrekking heeft.
3.Een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid heeft betrekking op een opleiding educatie waarvoor de
instelling geen bedrag als bedoeld in artikel 2.3.3 van de gemeente
ontvangt.
4.Een aanvraag als bedoeld in het
eerste lid heeft uitsluitend betrekking op opleidingen educatie als
bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, alsmede op andere in
dat lid bedoelde opleidingen, voor zover daarvoor bij ministeriële
regeling eindtermen zijn vastgesteld.
5.Onze Minister besluit binnen drie
maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven,
stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij
daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
gezien. Een begunstigende beschikking is voor het eerst van kracht ten
aanzien van een opleiding educatie die aanvangt nadat die beschikking
is bekend gemaakt.
6.Het in het eerste lid bedoelde
bevoegd gezag verstrekt Onze Minister jaarlijks voor 15 oktober een
opgave van de opleidingen educatie, bedoeld in het eerste lid, die de
instelling verzorgt in het lopende studiejaar, alsmede van de
opleidingen educatie die de instelling heeft verzorgd in het daaraan
voorafgaande studiejaar. De opgave bevat per opleiding educatie met
betrekking tot het lopende studiejaar het aantal deelnemers op de
peildatum 1 oktober, en met betrekking tot het daaraan voorafgaande
studiejaar het aantal verstrekte diploma's en certificaten, bedoeld in
artikel 7.4.6.
7.Voor zover ten aanzien van een
instelling die een opleiding educatie verzorgt, toepassing is gegeven
aan het eerste lid, wordt die instelling voor de toepassing van deze
wet wat deze opleiding betreft, aangemerkt als een andere instelling
dan bedoeld in artikel 1.1.1, onder b.
Titel 5. Kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven
Artikel 1.5.1. Aanspraak bekostiging
kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
De kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven die daartoe op voet van artikel 2.1.5 door Onze Minister
in aanmerking zijn gebracht, hebben aanspraak op bekostiging uit ’s
Rijks kas ten behoeve van het vervullen van hun bij deze wet opgedragen
werkzaamheden, voor zover niet verricht in het kader van
dienstverlening.
Artikel 1.5.2. Taken kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven
1.Kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven dragen bij aan het ontwikkelen en onderhouden van een
landelijke kwalificatiestructuur, gericht op de aansluiting tussen het
aanbod van beroepsonderwijs en de maatschappelijke behoeften daaraan,
mede in het licht van de arbeidsmarktperspectieven voor
afgestudeerden, en mede gelet op van belang zijnde ontwikkelingen in
internationaal verband.
2.Kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven dragen bij aan een doelmatige en doelgerichte inzet van
overheidsmiddelen door het ontwikkelen van voorstellen, welke
beroepsopleidingen voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking
komen.
3.Kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven dragen bij aan de bevordering van de kwaliteit van de
plaatsen waar de beroepspraktijkvorming wordt verzorgd.
4.Kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven dragen zoveel mogelijk zorg voor de beschikbaarheid van
een toereikend aantal bedrijven en organisaties van voldoende
kwaliteit die de beroepspraktijkvorming verzorgen. Kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven zijn voorts belast met een regelmatige
beoordeling van die bedrijven en organisaties.
Titel 6. De exameninstellingen
Artikel 1.6.1. Exameninstellingen
1.Onze Minister besluit op aanvraag van
het bevoegd gezag van een exameninstelling, dat de exameninstelling
het recht heeft tot examinering van een beroepsopleiding in opdracht
van een instelling, indien die exameninstelling in acht neemt hetgeen
bij of krachtens deze wet is bepaald over:
a. de kwaliteitszorg, bedoeld in
artikel 1.3.6, voorzover het betreft de examinering,
b. de examens, en
c. de rechtsbescherming van de
deelnemers, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 5.
2.Onze Minister besluit binnen drie
maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven,
stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij
daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
gezien.
Titel 7. Contractactiviteiten
Artikel 1.7.1. Contractactiviteiten
1.Aan een instelling en een
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven kunnen
contractactiviteiten worden verricht, bestaande uit werkzaamheden voor
eigen rekening ten behoeve van derden. Deze activiteiten kunnen worden
verricht indien zij verband houden met werkzaamheden waarvoor de
instelling of het kenniscentrum uit de openbare kas bekostigd wordt
of, wat kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven betreft, met
werkzaamheden verricht in het kader van dienstverlening jegens de
instellingen en voor zover de uitvoering van die werkzaamheden
hierdoor niet wordt geschaad.
2.Het bevoegd gezag van een instelling
en het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven
dragen er zorg voor dat artikel 2 van de Wet privatisering ABP van
toepassing blijft op het personeel.
3.De vereisten voor benoembaarheid,
bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, zijn niet van toepassing op een
docent voor zover deze is belast met het verrichten van
contractactiviteiten.
4.Het bevoegd gezag voorziet in een
regeling voor het verrichten van contractactiviteiten door het
personeel van de instelling en het kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven met het oog op het voorkomen van vermenging van
belangen.
Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging
Titel 1. Planning
Artikel 2.1.1. Bekostiging landelijk
aanbod beroepsonderwijs
1. Onverminderd de artikelen 1.3.2a en
1.3.3 komt een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste
lid, onder a tot en met e, van een instelling voor bekostiging in
aanmerking indien Onze Minister voor die opleiding eindtermen heeft
vastgesteld en de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, ten aanzien van
die opleiding niet zijn ontnomen op grond van artikel 6.1.4.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op opleidingen, bedoeld in artikel 12.1a.1, eerste lid.
Artikel 2.1.2 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 2.1.3. Vestiging en beëindiging
bekostigingsaanspraak instellingen
1.Instellingen worden bij wet voor
bekostiging in aanmerking gebracht. Artikel 4:32 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op de bekostiging van
instellingen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
ten aanzien van:
a. instellingen die op grond van
artikel 12.3.1 zoals dat luidde door de Wet van 11 april 2001, Stb.
207, of artikel 12.3.3 zoals dat luidde ingevolge de Wet educatie
en beroepsonderwijs (Stb. 1995, 501) door Onze Minister voor
bekostiging in aanmerking zijn gebracht, en
b. instellingen die zijn
voortgekomen
1°. uit een samenvoeging of
splitsing van bekostigde instellingen,
2°. uit een samenvoeging van
een agrarisch opleidingscentrum met een school voor
voorbereidend beroepsonderwijs in de sector landbouw, als
bedoeld in artikel 10c, onderdeel d, van de Wet op het
voortgezet onderwijs, of
3°. uit een omzetting van een
bijzondere instelling in een openbare of omgekeerd.
3.Indien aan een agrarisch
opleidingscentrum gedurende twee achtereenvolgende jaren minder dan
1200 deelnemers zijn ingeschreven voor beroepsopleidingen of voor het
voorbereidend beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 1.3.3, kan Onze
Minister besluiten dat aan die instelling de rechten, genoemd in
artikel 1.3.1, ontnomen worden, onverminderd het overigens met
betrekking tot ontneming van rechten in deze wet bepaalde.
4.Onze Minister besluit binnen tien
maanden na ontvangst van een aanvraag op grond van het tweede lid,
onder b. Indien de beschikking niet binnen tien maanden kan worden
gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt
hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
worden gezien. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld met betrekking tot het tweede lid, onder b.
5.Bij een beschikking op grond van het
derde lid bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop aan die instelling
de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, ontnomen worden zodanig dat de
ingeschreven deelnemers de opleiding waarvoor zij zijn ingeschreven,
aan dezelfde instelling of aan een andere instelling binnen een
redelijke tijd kunnen voltooien.
Artikel 2.1.4. Werkgebieden kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven
1.Een kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven is werkzaam ten behoeve van beroepsopleidingen die naar
hun aard en samenhang tot eenzelfde bedrijfstak of groep van
bedrijfstakken behoren. Onze Minister kan de indeling in werkgebieden
van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven vaststellen.
2.De kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven dragen zorg voor een doelmatige en inzichtelijke
onderlinge afstemming van werkzaamheden, met inachtneming van de
indeling in werkgebieden.
Artikel 2.1.5. Vestiging
bekostigingsaanspraak kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
1.Onze Minister besluit op aanvraag van
het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven over
de aanvang van bekostiging van het kenniscentrum. Een aanvraag om te
besluiten tot aanvang van de bekostiging wordt voor 1 februari van het
jaar, voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging moet aanvangen,
bij Onze Minister ingediend. De aanvraag omvat een aanduiding van het
werkgebied van het kenniscentrum.
2.Onze Minister betrekt bij de
beoordeling van de aanvraag in elk geval de samenhang van de
beroepsopleidingen in relatie tot een bepaalde bedrijfstak of groep
van bedrijfstakken, alsmede de omvang van het werkgebied van het
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.
3.Onze Minister besluit binnen zes
maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven,
stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij
daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet
kan worden gezien.
4.Artikel 4:32 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op de bekostiging van
kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.
Artikel 2.1.6. Beëindiging
bekostigingsaanspraak kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
Onze Minister kan besluiten dat een
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven van zijn taken ontheven is
indien niet langer behoefte bestaat aan het kenniscentrum of gebleken is
dat het zijn taken niet of niet naar behoren vervult. Een beschikking
als bedoeld in de eerste volzin brengt mee dat de aanspraak op
bekostiging, bedoeld in artikel 1.5.1, vervalt.
Artikel 2.1.7 [Vervallen per 01-08-2007]
Titel 2. Bekostiging beroepsonderwijs
§ 1. Bekostiging
Artikel 2.2.1. Rijksbijdrage
beroepsonderwijs
1.De rijksbijdrage voor het
beroepsonderwijs waarop de in artikel 1.3.1 bedoelde aanspraak
betrekking heeft wordt, binnen het raam van de door de
begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per instelling
berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur vastgestelde berekeningswijze. Wat huisvestingskosten betreft
wordt de rijksbijdrage berekend hetzij op grond van die
berekeningswijze hetzij op grond van een andere bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze.
2.De rijksbijdrage bestaat uit
afzonderlijk berekende bijdragen ten behoeve van exploitatiekosten en
huisvestingskosten.
3.De bijdrage in de exploitatiekosten
heeft betrekking op:
a. personeel,
b. onderhoud en vervanging van
inventaris,
c. onderhoud van gebouwen en
terreinen,
d. energie,
e. administratie, beheer en
bestuur,
f. schoonmaken,
g. heffingen,
h. inkoop van diensten,
i. kosten van
werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
aan gewezen personeel alsmede uitkeringen wegens ziekte en
arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond
van de Ziektewet, waaronder mede begrepen gewezen personeel dat
was belast met werkzaamheden op het gebied van de educatie, met
inbegrip van educatieve programma's als bedoeld in artikel 2.3.1,
tweede lid,
j. loopbaanoriëntatie en
-begeleiding,
k. gehandicapte deelnemers, en
l. ten behoeve van het
voorbereidend beroepsonderwijs verzorgd in een agrarisch
opleidingscentrum: lesmateriaal als bedoeld in artikel 6e van de
Wet op het voortgezet onderwijs.
4.De bijdrage in de huisvestingskosten
heeft betrekking op:
a. huur van gebouwen en terreinen,
b. investeringen in gebouwen en
terreinen, en
c. eerste inrichting.
5.Op de rijksbijdrage wordt volgens bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels een
bedrag in mindering gebracht in verband met cursusgelden zoals bedoeld
in de Les- en cursusgeldwet.
6.Een in het eerste lid en in het
vijfde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide
Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in
werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet
door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven
dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt
geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig
mogelijk ingediend.
Artikel 2.2.2. Berekeningswijze
1.De in artikel 2.2.1 bedoelde
berekeningswijze bevat voor elke instelling en elke opleiding
gelijkelijk geldende maatstaven.
2.De maatstaven voorzien in bekostiging
aan de hand van:
a. de instroom van deelnemers, en
b. het aantal deelnemers en
examendeelnemers dat een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6
heeft behaald.
3.Voor voorbereidende en ondersteunende
activiteiten als bedoeld in artikel 7.2.2, vierde lid, voor zover
betrekking hebbend op beroepsopleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2,
eerste lid, onder a en b, wordt een afzonderlijk bedrag berekend, aan
de hand van de instroom van deelnemers.
4.Voor de toepassing van de maatstaf,
bedoeld in het tweede lid, onder a, geldt inschrijving van een
deelnemer voor twee of meer voltijdse dan wel twee of meer deeltijdse
beroepsopleidingen in enig studiejaar als inschrijving voor één
voltijdse respectievelijk één deeltijdse beroepsopleiding.
Inschrijving van een deelnemer voor zowel voltijdse als deeltijdse
beroepsopleidingen in enig studiejaar geldt voor de toepassing van die
maatstaf als inschrijving voor een voltijdse opleiding.
5.Voor de toepassing van de maatstaf,
bedoeld in het tweede lid, onder b, geldt dat een deelnemer of
examendeelnemer in enig jaar slechts eenmaal wordt meegeteld bij het
bepalen van het aantal deelnemers onderscheidenlijk examendeelnemers
die een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 hebben behaald.
6.Bij de toepassing van de maatstaf,
bedoeld in het tweede lid, onder a, blijven buiten beschouwing
deelnemers aan een deeltijdse opleiding waarvoor het bevoegd gezag een
in instellingstijd verzorgd onderwijsprogramma, met inbegrip van de
beroepspraktijkvorming, heeft ingericht dat minder dan 300 uren per
volledig studiejaar omvat.
7.In de maatstaven, bedoeld in het
tweede lid, kan onderscheid worden gemaakt naar groepen van deelnemers
en naar opleidingen.
8.Deelnemers die niet zijn opgenomen in
de basisadministratie persoonsgegevens, bedoeld in de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegegevens, tellen alleen
mee, indien:
a. zij onderwijs, daaronder
begrepen de beroepspraktijkvorming, in Nederland volgen, en
b. zij in Nederland, België of een
van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen
van de Bondsrepubliek Duitsland wonen.
Artikel 2.2.3. Aanvullende middelen
1.Onze Minister kan volgens bij
ministeriële regeling te geven voorschriften aan de rijksbijdrage,
berekend op grond van artikel 2.2.2, een bedrag toevoegen in verband
met een onevenredig grote toename van het aantal deelnemers ten
opzichte van het voorafgaande jaar.
2.Onze Minister kan, al dan niet onder
door hem op te leggen verplichtingen, volgens bij ministeriële
regeling te geven voorschriften ten behoeve van de ontwikkeling van
het bestel van het beroepsonderwijs een bedrag toevoegen aan de
rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.2.2.
3.Onze Minister kan een
bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële
regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
Artikel 2.2.4. Bekendmaking, verstrekking
en betaling rijksbijdrage
1.Onze Minister maakt aan elke
instelling jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het
daarop volgende jaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke
wijze de rijksbijdrage is berekend en vermeldt daarbij afzonderlijk
het bedrag voor gehandicapte deelnemers.
2.De rijksbijdrage wordt betaald
volgens een door Onze Minister te bepalen kasritme.
3.Zolang de rijksbijdrage niet is
vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze Minister een
voorschot betaald. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
4.Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de
uitvoering van deze paragraaf. Deze voorschriften hebben in elk geval
betrekking op aard, inrichting en wijze van verstrekking van gegevens
met betrekking tot de deelnemers.
5.De in het vierde lid bedoelde
gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de berekeningswijze,
bedoeld in artikel 2.2.2, gaan vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een door de raad van toezicht of het
bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze gegevens en de
verklaring worden ingediend voor een bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen tijdstip.
Artikel 2.2.4a. Gebruik
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaalnummer
door de minister
1.Onze Minister kan het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer van een persoon, behorend tot gewezen personeel
als bedoeld in artikel 2.2.1, vijfde lid, uitsluitend in het kader van
het bepaalde bij of krachtens artikel 2.2.1, vijfde lid, gebruiken in
het verkeer met:
a. het gewezen personeelslid,
b. het bevoegd gezag van de
instelling waar de in onderdeel a bedoelde persoon werkzaam was,
of
c. de instantie die de
werkloosheidsuitkeringen, de suppleties inzake
arbeidsongeschiktheid alsmede de uitkeringen wegens ziekte en
arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond
van de Ziektewet verstrekt of heeft verstrekt.
2.Het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer wordt op een daartoe
strekkend verzoek van de minister aan de minister verstrekt door het
bevoegd gezag van de instelling waar het gewezen personeelslid
werkzaam was.
§ 2. Leerlinggebonden financiering
Artikel 2.2.5. Reikwijdte
1.Voor de toepassing van deze paragraaf
wordt verstaan onder:
a. beroepsopleiding: een
beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a
tot en met e;
b. deelnemer: de aan een instelling
ingeschreven deelnemer die een beroepsopleiding volgt waarvoor het
bevoegd gezag een in instellingstijd verzorgd onderwijsprogramma
heeft vastgesteld dat, met inbegrip van de beroepspraktijkvorming,
een omvang van tenminste 300 uren per volledig studiejaar heeft.
2.Voor de toepassing van deze paragraaf
zijn de artikelen 8a, eerste en tweede lid, 28b, zesde lid tot en met
achtste lid, met uitzondering van het zesde lid, onder f, 28c, met
uitzondering van het eerste lid, onder b, en het derde lid, 28d en 71a
van de Wet op de expertisecentra van overeenkomstige toepassing met
dien verstande dat:
a. onder leerling wordt verstaan:
deelnemer als bedoeld in het eerste lid, onder b;
b. onder ouders van een leerling
wordt verstaan: een deelnemer of de ouders, voogden of verzorgers
van een deelnemer;
c. onder een school als bedoeld in
de Wet op het primair onderwijs of de Wet op het voortgezet
onderwijs wordt verstaan: een instelling als bedoeld in artikel
1.1.1, onder b, en een hogeschool als bedoeld in artikel 12.3.9;
d. onder schooljaar wordt verstaan:
studiejaar.
Artikel 2.2.6. Leerlinggebonden budget
1.Het bevoegd gezag van een instelling
geeft aan Onze Minister een melding van een inschrijving van een
deelnemer dan wel een melding van een deelnemer die reeds staat
ingeschreven voor wie op basis van een beoordeling door een commissie
voor de indicatiestelling als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de
expertisecentra, een leerlinggebonden budget voor een cluster als
bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder b, c of d, van de Wet op de
expertisecentra beschikbaar is.
2.Onder beoordeling, bedoeld in het
eerste lid, wordt verstaan een beoordeling als bedoeld in artikel
2.2.5, tweede lid, juncto artikel 28c, eerste lid, onder a van de Wet
op de expertisecentra alsmede een beoordeling als bedoeld in artikel
28c, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra ten behoeve van een
leerling in de zin van de Wet op het primair onderwijs of de Wet op
het voortgezet onderwijs waarvan de duur van de indicatiestelling niet
is verstreken.
3.Indien sprake is van een eerste
inschrijving bij een instelling van een deelnemer voor wie een
leerlinggebonden budget beschikbaar is dan wel indien een dergelijk
budget voor het eerst beschikbaar komt voor een deelnemer die al staat
ingeschreven bij een instelling, wordt met ingang van de eerste dag
van de maand volgend op de in het eerste lid bedoelde melding aan het
bevoegd gezag ten behoeve van die deelnemer een leerlinggebonden
budget verleend voor de duur of de resterende duur van de
indicatiestelling tot een maximum van zeven jaren in het
beroepsonderwijs.
4.Indien een deelnemer voor wie een
leerlinggebonden budget beschikbaar is binnen de instelling verandert
van leerweg, opleiding of opleidingsniveau, als bedoeld in artikel
7.2.2, tweede en derde lid, meldt het bevoegd gezag deze wijziging
onverwijld aan Onze Minister. Met ingang van 1 augustus volgend op
deze wijziging vervalt het oorspronkelijke leerlinggebonden budget en
wordt een nieuw leerlinggebonden budget verleend voor de gewijzigde
leerweg, de gewijzigde opleiding of het gewijzigde opleidingsniveau
voor de duur of de resterende duur van de indicatiestelling totdat in
totaal zeven jaren leerlinggebonden budget in het beroepsonderwijs
voor de deelnemer is verstrekt.
5.Indien de deelnemer, nadat het derde
lid is toegepast, beroepsonderwijs aan een andere instelling gaat
volgen, wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de
in het eerste lid bedoelde melding aan het bevoegd gezag voor de
deelnemer een leerlinggebonden budget verleend voor de duur of de
resterende duur van de indicatiestelling totdat in totaal zeven jaren
leerlinggebonden budget in het beroepsonderwijs voor de deelnemer is
verstrekt. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op een
deelnemer die zich na uitschrijving opnieuw bij een instelling
inschrijft en voor wie nog niet in totaal zeven jaren leerlinggebonden
budget in het beroepsonderwijs is verstrekt.
6.Indien de deelnemer de instelling
verlaat of niet langer een beroepsopleiding volgt, vervalt het
leerlinggebonden budget met ingang van de eerste dag van de maand na
de datum van het uitschrijven van de deelnemer.
7.Het leerlinggebonden budget wordt
berekend op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
vastgestelde wijze.
Artikel 2.2.7. Besteding leerlinggebonden
budget
Bij de melding, bedoeld in artikel 2.2.6,
eerste lid, geeft het bevoegd gezag tevens aan bij welke school voor
speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs het bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen deel van het leerlinggebonden
budget wordt besteed. Op grond van deze melding kent Onze Minister
onverminderd artikel 2.2.6, zesde lid, dat deel van het leerlinggebonden
budget toe aan laatstbedoelde school.
Artikel 2.2.8. Handelingsplan
1.Het bevoegd gezag van een instelling
waar een deelnemer is ingeschreven voor wie een leerlinggebonden
budget beschikbaar is, stelt in overeenstemming met de deelnemer of
indien de deelnemer minderjarig is met de deelnemer en de ouders,
voogden of verzorgers van de deelnemer voor elk studiejaar een
handelingsplan op. Indien de inschrijving van de in de eerste volzin
bedoelde deelnemer plaatsvindt op of na 1 augustus wordt het
handelingsplan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk een maand na die
inschrijving opgesteld.
2.In het handelingsplan dat betrekking
heeft op het laatste studiejaar van de periode gedurende welke voor de
deelnemer een indicatie voor leerlinggebonden budget beschikbaar is,
wordt aangegeven dat de voortzetting van de voorzieningen die voor de
deelnemer zijn getroffen op basis van het leerlinggebonden budget,
afhankelijk is van een nieuwe beoordeling door een commissie voor de
indicatiestelling.
3.Het bevoegd gezag evalueert jaarlijks
het handelingsplan met de deelnemer of indien de deelnemer minderjarig
is met de deelnemer en de ouders, voogden of verzorgers van de
deelnemer.
Artikel 2.2.9 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.2.10 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.2.11 [Vervallen per 01-07-1997]
§ 3 [Vervallen per 01-08-2007]
Artikel 2.2.12 [Vervallen per 01-08-2007]
Titel 3. Uitkering ten behoeve van de
educatie
Artikel 2.3.1. Uitkering educatie
Mede ten behoeve van opleidingen educatie
ontvangt de gemeente op grond van de Wet participatiebudget een
uitkering.
Artikel 2.3.2 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 2.3.3. Gemeentelijk besluit
educatiebedragen
De gemeente waaraan een uitkering is
verstrekt op grond van de Wet participatiebudget waaruit een bedrag moet
worden besteed bij regionale opleidingencentra als bedoeld in artikel 14
van de Wet participatiebudget, besluit jaarlijks voor 1 november tot een
bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip ten behoeve van
het daaropvolgende kalenderjaar, welk deel van die uitkering zal worden
bestemd voor educatieve activiteiten, onderscheiden naar de opleidingen,
bedoeld in artikel 7.3.1, en in voorkomende gevallen naar doelgroepen.
Artikel 2.3.4. Overeenkomst uitkering
educatie
1. Tot een bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen tijdstip berust in afwijking van titel 4.2 van de
Algemene wet bestuursrecht de betaling van de bedragen aan de
regionale opleidingencentra voor opleidingen educatie op een door het
college met het bevoegd gezag van het desbetreffende regionale
opleidingencentrum gesloten overeenkomst of overeenkomsten. De titels
4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing.
2. Een overeenkomst als bedoeld in het
eerste lid heeft ten minste betrekking op:
a. de aard van de activiteiten,
b. het aantal deelnemers, in
voorkomende gevallen onderscheiden naar doelgroepen,
c. de periode,
d. de omvang van het bedrag, dan
wel de wijze waarop dit berekend wordt,
e. de wijze waarop het bedrag ter
beschikking wordt gesteld, en
f. de wijze waarop verantwoording
jegens het gemeentebestuur wordt afgelegd.
3. Ten aanzien van opleidingen
voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1,
eerste lid, onder a, bevat een overeenkomst als bedoeld in het eerste
lid geen bepalingen omtrent de combinaties van vakken waarop de
diploma’s betrekking dienen te hebben.
Artikel 2.3.5 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 2.3.6. Informatie educatie
1.De instellingen dragen er zorg voor
dat zij beschikken over geordende gegevens ten behoeve van het door
Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot de educatie en
verlenen desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit
te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
worden voorschriften vastgesteld over de wijze van beschikbaarstelling
van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
3.Bij de in het tweede lid bedoelde
algemene maatregel van bestuur worden tevens voorschriften vastgesteld
over de wijze van ordening van de informatie en over de kengetallen
waarover informatie beschikbaar is of wordt verstrekt, en kan worden
bepaald dat Onze Minister een bijdrage in de kosten voor het
verzamelen of verstrekken van deze gegevens is verschuldigd. Bij of
krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
kan deze bijdrage worden vastgesteld.
Artikel 2.3.6a. Gebruik persoonsgebonden
nummer door bevoegd gezag
1. Het bevoegd gezag kan het
persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een opleiding educatie
gebruiken in het verkeer met de deelnemer op wie het nummer betrekking
heeft.
2. Het bevoegd gezag verstrekt het
persoonsgebonden nummer van iedere deelnemer aan een opleiding
educatie aan Onze Minister, tezamen de volgende gegevens van de
deelnemer:
a. geslacht, geboortedatum en
postcode van de woonplaats;
b. de datum van inschrijving of
einde inschrijving;
c. de opleiding;
d. de hoogste vooropleiding;
e. het educatieprogramma (vakken);
f. de behaalde certificaten, de
vakken waarin examen is afgelegd, de cijfers van het schoolexamen
en het centraal examen, de eindcijfers en de uitslag van het
eindexamen of het deeleindexamen;
g. het uitstroomniveau of het
behaalde diploma en de datum waarop het diploma is behaald
alsmede, voor zover het Nederlands als tweede taal (NT2) betreft,
het startniveau;
h. het registratienummer van de
instelling;
i. indien van toepassing het volgen
van de opleiding in voltijd of deeltijd;
j. indien van toepassing het zijn
van examendeelnemer;
k. het aantal uren per week dat
onderwijs wordt gevolgd aan de instelling; en
l. indien van toepassing de reden
van uitstroom.
3. Bij ministeriële regeling kan een
nadere specificatie worden gegeven van de gegevens, bedoeld in het
tweede en vijfde lid, en kan worden bepaald welke van de gegevens,
bedoeld in het tweede en vijfde lid, niet langer behoeven te worden
verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden
gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van de
gegevens, bedoeld in het tweede en vijfde lid.
4. Het bevoegd gezag gebruikt bij de
opgave aan burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 8.1.8,
eerste lid, het persoonsgebonden nummer van de betrokkene.
5. Indien de gegevens over de
nationaliteit van de deelnemer niet zijn opgenomen in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens worden deze gegevens door het
bevoegd gezag verstrekt aan Onze Minister.
6. Het bevoegd gezag gebruikt het
persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een opleiding in het
kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees
Sociaal Fonds.
7. Het bevoegd gezag gebruikt het
persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een opleiding educatie
in het contact met een andere instelling of een school of instelling
voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die
deelnemer.
8. Het bevoegd gezag verstrekt geen
persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een opleiding educatie
ter uitvoering van artikel 107, tweede en vijfde lid, van de
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 2.3.6b. Verwerking gegevens door
Onze Minister
1. Onze Minister neemt de door het
bevoegd gezag verstrekte persoonsgebonden nummers en andere gegevens,
bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede en zesde lid, op in het
basisregister onderwijs, nadat zij deze gegevens heeft getoetst op
juistheid en volledigheid. Onze Minister verstrekt de gegevens,
inclusief de gegevens, bedoeld in artikel 24c, eerste lid, onderdeel
g, van de Wet op het onderwijstoezicht, zoals zij voornemens is die
gegevens in het basisregister onderwijs op te nemen, aan het bevoegd
gezag. Onze Minister kan de door het bevoegd gezag verstrekte gegevens
uitsluitend met instemming van het bevoegd gezag wijzigen.
2. Het bevoegd gezag verstrekt Onze
Minister alle inlichtingen die zij nodig acht voor de uitvoering van
de taak, bedoeld in het eerste lid. Het bevoegd gezag werkt eraan mee
dat de in het basisregister onderwijs opgenomen gegevens juist en
volledig zijn.
Artikel 2.3.6c. Gebruik gegevens uit
basisregister onderwijs door Minister en inspectie
1. Gegevens inzake educatie uit het
basisregister onderwijs kunnen worden gebruikt door:
a. Onze Minister voor zover deze
gegevens noodzakelijk zijn voor de begrotings- en
beleidsvoorbereiding;
b. de inspectie voor zover deze
gegevens noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van het toezicht op
het onderwijs.
2. Het gebruik, bedoeld in het eerste
lid, ziet uitsluitend op gegevens die niet herleid of herleidbaar zijn
tot individuele deelnemers aan een opleiding educatie.
3. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld ter uitvoering van het eerste en tweede lid, in ieder
geval omtrent de inhoud en de samenstelling van de desbetreffende
gegevens, de wijze waarop de gegevens uit het basisregister onderwijs
worden verstrekt, de tijdstippen waarop de gegevens worden verstrekt
en de perioden waarop de gegevens betrekking hebben.
Artikel 2.3.6d. Gebruik persoonsgebonden
nummer door gemeente
Onverminderd het overigens bij of
krachtens de wet bepaalde omtrent het gebruik van het
burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de gemeente het
persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een opleiding educatie of
een voortijdige schoolverlater als bedoeld in artikel 8.3.1 uitsluitend
ten behoeve van:
a. de registratie van gegevens van
voortijdige schoolverlaters, bedoeld in artikel 8.3.2, eerste lid,
eerste volzin;
b. het systeem van doorverwijzing van
voortijdige schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld
in artikel 8.3.2, eerste lid, tweede en derde volzin;
c. verwerking van de gegevens,
bedoeld in 24f, derde en vierde lid, van de Wet op het
onderwijstoezicht en in artikel 8.1.8a, vierde lid, bij de
registraties, bedoeld in onderdeel a, en het systeem van
doorverwijzing, bedoeld in onderdeel b.
Titel 4. Bekostiging van kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven
§ 1. Bekostiging
Artikel 2.4.1. Berekeningswijze
1.De rijksbijdrage voor de kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven waarop de in artikel 1.5.1 bedoelde
aanspraak betrekking heeft wordt, binnen het raam van de door
begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per kenniscentrum
berekend aan de hand van maatstaven, neergelegd in een
berekeningswijze, vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur. De maatstaven hebben in elk geval betrekking op de aard en de
omvang van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 1.5.2, voor zover niet
verricht in het kader van dienstverlening. Wat huisvestingskosten
betreft wordt de rijksbijdrage berekend hetzij op grond van die
berekeningswijze hetzij op grond van een andere bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze.
2.Op de rijksbijdrage wordt volgens bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels een
bedrag in mindering gebracht in verband met werkloosheidsuitkeringen,
suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens
ziekte en arbeidsongeschiktheid anders dan op grond van de Ziektewet
aan gewezen personeel van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.
De artikelen 2.2.1, vijfde lid, tweede volzin, en 2.2.4a zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.Een in het eerste lid en in het
tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide
Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in
werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet
door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven
dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt
geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig
mogelijk ingediend.
Artikel 2.4.2. Bekendmaking, verstrekking
en betaling rijksbijdrage
1.Onze Minister maakt aan elk
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven jaarlijks in september
bekend, welke rijksbijdrage voor het daarop volgende jaar wordt
verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke wijze de rijksbijdrage is
berekend.
2.De rijksbijdrage wordt betaald
volgens een door Onze Minister te bepalen kasritme.
3.Zolang de rijksbijdrage niet is
vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze Minister een
voorschot betaald. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
4.Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de
uitvoering van deze paragraaf.
Artikel 2.4.3. Aanvullende middelen
Indien bijzondere ontwikkelingen in het
beroepsonderwijs daartoe aanleiding geven, kan volgens bij ministeriële
regeling te stellen voorwaarden aan de kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven voor een bij die regeling te bepalen periode een
aanvullende rijksbijdrage worden toegekend.
§ 2 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.4.4 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.4.5 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.4.6 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.4.7 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.4.8 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.4.9 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 2.4.10 [Vervallen per 01-07-1997]
Titel 5. Begroting, verslaglegging en
gegevensverstrekking
§ 1. Instellingen voor beroepsonderwijs
en educatie
Artikel 2.5.1 [Vervallen per 01-08-2007]
Artikel 2.5.2 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 2.5.3. Jaarrekening
1.Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een
jaarrekening vast over het afgelopen jaar.
2.In de jaarrekening legt het bevoegd
gezag verantwoording af over het financiële beheer van de instelling
voor zover het betreft de ingevolge deze wet uit ’s Rijks kas
ontvangen middelen. Uit de jaarrekening dient te blijken dat sprake is
van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de rijksbijdrage. Van
niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval
sprake voorzover bedragen daaruit worden aangewend voor het op
enigerlei wijze compenseren van de deelnemers of examendeelnemers voor
les- en cursusgeld respectievelijk examengeld. Bij ministeriële
regeling kunnen met het oog op de verantwoording van de rechtmatigheid
en doelmatigheid van de aanwending van de rijksbijdrage nadere
voorschriften worden gegeven voor de inrichting van de jaarrekening.
3.Het resultaat van het jaar waarop de
jaarrekening betrekking heeft wordt verrekend met de algemene reserve
van de instelling.
4.Het bevoegd gezag dient de
jaarrekening voor 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar bij Onze
Minister in. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent
de getrouwheid, afgegeven door een door de raad van toezicht of het
bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de
accountant bedingt de raad van toezicht of het bevoegd gezag dat aan
Onze Minister op diens verzoek inzicht wordt geboden in de
controlerapporten van de accountant.
5.Het bevoegd gezag maakt de
jaarrekening, vergezeld van de verklaring, bedoeld in het vierde lid,
openbaar.
6.Het bevoegd gezag draagt er zorg voor
dat het ten behoeve van Onze Minister beschikt over een
overzichtelijke informatieverzameling van de financiële gegevens die
op enigerlei wijze van belang zijn voor de berekeningswijze, bedoeld
in de artikelen 2.2.2 en 2.2.12.
7.Het bevoegd gezag houdt per
begrotingsjaar nauwkeurig boek van baten en lasten en draagt er zorg
voor dat de baten en lasten nauwkeurig en herkenbaar zijn verwerkt in
de in het zesde lid bedoelde informatieverzameling.
8.Het bevoegd gezag bewaart de
informatieverzameling en de desbetreffende boeken en bescheiden,
bedoeld in het zesde en zevende lid, gedurende een periode van zeven
jaren.
9.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de wijze van
beschikbaarstelling van de gegevens en de wijze van ordening daarvan.
Artikel 2.5.4. Jaarverslag
1.Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een
jaarverslag over het afgelopen jaar vast en maakt het openbaar. Het
jaarverslag bevat ten minste het verslag, bedoeld in artikel 1.3.6,
tweede lid, voorzover dat in het desbetreffende jaar is uitgebracht,
dan wel de hoofdpunten van laatstgenoemd verslag, alsmede de
hoofdpunten van de bevindingen van de inspectie met betrekking tot de
examens. Ook legt het bevoegd gezag in het jaarverslag verantwoording
af over de omgang met een branchecode voor goed bestuur. Bij
ministeriële regeling kan een branchecode worden aangewezen.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld over de inrichting van het jaarverslag.
Artikel 2.5.5. Informatie
beroepsonderwijs
1.De instellingen dragen er zorg voor
dat zij beschikken over geordende gegevens ten behoeve van het door
Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het beroepsonderwijs
en verlenen desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister
uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is
gebaseerd.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
worden voorschriften vastgesteld omtrent de wijze van
beschikbaarstelling van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
3.Bij de in het tweede lid bedoelde
algemene maatregel van bestuur worden tevens voorschriften vastgesteld
over de wijze van ordening van de informatie en over de kengetallen
waarover informatie beschikbaar is of wordt verstrekt, en kan worden
bepaald dat Onze Minister een bijdrage in de kosten voor het
verzamelen of verstrekken van deze gegevens is verschuldigd. Bij of
krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
kan deze bijdrage worden vastgesteld.
Artikel 2.5.5a. Gebruik persoonsgebonden
nummer door bevoegd gezag
1. Het bevoegd gezag kan het
persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding
gebruiken in het verkeer met de deelnemer op wie het nummer betrekking
heeft, of, indien de deelnemer minderjarig is, met de ouders, voogden
of verzorgers van deze deelnemer.
2. Het bevoegd gezag verstrekt het
persoonsgebonden nummer van iedere deelnemer aan een beroepsopleiding
aan Onze Minister, tezamen met de volgende gegevens van de deelnemer:
a. geslacht, geboortedatum en
postcode van de woonplaats;
b. de datum van inschrijving of
einde inschrijving;
c. de kwalificatie;
d. de leerweg;
e. het al dan niet hebben van een
handicap of chronische ziekte die extra ondersteuning vraagt van
de instelling;
f. de hoogste vooropleiding;
g. de behaalde deelkwalificaties,
voorzover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van de
landbouw en de natuurlijke omgeving;
h. het uitstroomniveau of het
behaalde diploma en de datum waarop het diploma is behaald;
i. de omvang van
beroepspraktijkvorming, de datum van begin en einde daarvan, de
afsluitdatum van de beroepspraktijkvormingsovereenkomst en het
betrokken bedrijf dat of de betrokken organisatie die de
beroepspraktijkvorming verzorgt; en
j. het registratienummer van de
instelling;
k. het al dan niet zijn van
risicodeelnemer;
l. het volgen van de opleiding in
voltijd of deeltijd;
m. indien van toepassing het zijn
van examendeelnemer;
n. het al dan niet voor bekostiging
in aanmerking komen van de deelnemer of het diploma; en
o. indien van toepassing de reden
van uitstroom.
3. Bij ministeriële regeling kan een
nadere specificatie worden gegeven van de gegevens, bedoeld in het
tweede en zevende lid, en kan worden bepaald welke van de gegevens,
bedoeld in het tweede en zevende lid, niet langer behoeven te worden
verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden
gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van de
gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid.
4. Het bevoegd gezag kan het
persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding, al
dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld in het
tweede en zevende lid, gebruiken in het verkeer met Onze Minister ten
behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de instelling.
5. Het bevoegd gezag en het hoofd,
bedoeld in artikel 1, onder d, van de Leerplichtwet 1969, gebruiken
het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding
in contacten met een gemeente in het kader van de Leerplichtwet 1969,
tezamen met de gegevens die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de
naleving van die wet door de gemeente.
6. Het bevoegd gezag gebruikt bij de
opgave aan burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 8.1.8,
eerste lid, het persoonsgebonden nummer van de betrokkene.
7. Indien de gegevens over de
nationaliteit van de deelnemer niet zijn opgenomen in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens worden deze gegevens door het
bevoegd gezag verstrekt aan Onze Minister.
8. Het bevoegd gezag gebruikt het
persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding in
het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees
Sociaal Fonds.
9. Het bevoegd gezag gebruikt het
persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding in
het contact met een andere instelling of een school of instelling voor
ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die
deelnemer.
10. Het bevoegd gezag verstrekt geen
persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding ter
uitvoering van artikel 107, tweede en vijfde lid, van de
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 2.5.5b. Verwerking gegevens door
Onze Minister
1. Onze Minister neemt de door het
bevoegd gezag verstrekte persoonsgebonden nummers en andere gegevens,
bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede en zevende lid, op in het
basisregister onderwijs, nadat zij deze gegevens heeft getoetst op
juistheid en volledigheid. Onze Minister verstrekt de gegevens,
inclusief de gegevens, bedoeld in artikel 24c, eerste lid, onderdeel
g, van de Wet op het onderwijstoezicht, zoals zij voornemens is die
gegevens in het basisregister onderwijs op te nemen, aan het bevoegd
gezag. Onverminderd artikel 2.5.5c, tweede lid, kan Onze Minister de
door het bevoegd gezag verstrekte gegevens uitsluitend met instemming
van het bevoegd gezag wijzigen.
2. Het bevoegd gezag verstrekt Onze
Minister alle inlichtingen die zij nodig acht voor de uitvoering van
de taak, bedoeld in het eerste lid. Het bevoegd gezag werkt eraan mee
dat de in het basisregister onderwijs opgenomen gegevens juist en
volledig zijn.
3. Indien Onze Minister naar aanleiding
van de toetsing, bedoeld in het eerste lid, redenen heeft om aan te
nemen dat een bevoegd gezag in strijd handelt of heeft gehandeld met
het bepaalde bij of krachtens deze wet en een onderzoek daarnaar door
de inspectie nodig acht, verstrekt Onze Minister ten behoeve van dit
onderzoek de persoonsgebonden nummers en andere gegevens van
deelnemers aan een beroepsopleiding aan de inspectie. De inspectie
meldt de uitkomst van het onderzoek aan Onze Minister.
4. Onze Minister en de inspectie
verstrekken ter uitvoering van artikel 107, tweede lid, van de
Vreemdelingenwet 2000 geen gegevens die zij op grond van het derde lid
hebben ontvangen.
Artikel 2.5.5c. Gebruik gegevens uit
basisregister onderwijs door Minister en inspectie
1. Gegevens inzake beroepsonderwijs uit
het basisregister onderwijs kunnen worden gebruikt door:
a. Onze Minister voor zover deze
gegevens noodzakelijk zijn voor de bekostiging van instellingen en
de begrotings- en beleidsvoorbereiding;
b. de inspectie voor zover deze
gegevens noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van het toezicht op
het onderwijs.
2. Voor zover de door het bevoegd gezag
op grond van artikel 2.5.5a verstrekte gegevens naar het oordeel van
Onze Minister onjuist of onvolledig zijn, kan Onze Minister ten
behoeve van de vaststelling van de bekostiging van deze gegevens
afwijken, in welk geval de door Onze Minister vastgestelde gewijzigde
gegevens worden opgenomen in het basisregister onderwijs, nadat het
desbetreffende besluit tot vaststelling van de bekostiging
onherroepelijk is geworden.
3. Het gebruik, bedoeld in het eerste
lid, ziet uitsluitend op gegevens die niet herleid of herleidbaar zijn
tot individuele deelnemers aan een beroepsopleiding, onverminderd
artikel 2.5.5b, derde lid.
4. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld ter uitvoering van het eerste en derde lid, in ieder
geval omtrent de inhoud en de samenstelling van de desbetreffende
gegevens, de wijze waarop de gegevens uit het basisregister onderwijs
worden verstrekt, de tijdstippen waarop de gegevens worden verstrekt
en de perioden waarop de gegevens betrekking hebben.
5. In afwijking van het derde lid wordt
bij algemene maatregel van bestuur bepaald in welke gevallen en onder
welke voorwaarden Onze Minister gegevens als bedoeld in artikel
2.5.5a, tweede lid, kan gebruiken tezamen met het persoonsgebonden
nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding ten behoeve van de
vaststelling van de bekostiging van een instelling, alsmede welke
gegevens dit gebruik kan betreffen.
Artikel 2.5.5d [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 2.5.5e. Gebruik persoonsgebonden
nummer door gemeente
Onverminderd het overigens bij of
krachtens de wet bepaalde omtrent het gebruik van het
burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de gemeente het
persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding of
een voortijdige schoolverlater als bedoeld in artikel 8.3.1 uitsluitend
ten behoeve van:
a. een registratie van leerplichtige
jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de
Leerplichtwet 1969;
b. de registratie van gegevens van
voortijdige schoolverlaters, bedoeld in artikel 8.3.2, eerste lid,
eerste volzin;
c. het systeem van doorverwijzing van
voortijdige schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld
in artikel 8.3.2, eerste lid, tweede en derde volzin;
d. verwerking van de gegevens,
bedoeld in artikel 24f, derde en vierde lid, van de Wet op het
onderwijstoezicht en in artikel 8.1.8a, vierde lid, bij de
registraties, bedoeld in de onderdelen a en b, en het systeem van
doorverwijzing, bedoeld in onderdeel c.
Artikel 2.5.6. Onderzoek vanwege minister
Onze Minister kan naast het
accountantsonderzoek, bedoeld in artikel 2.5.3, vierde lid, een
onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarrekening en naar de
gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5, naar de rechtmatigheid van de
bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de instelling.
Het bevoegd gezag verstrekt aan degene die door Onze Minister met het
onderzoek is belast alle inlichtingen die deze voor de uitvoering van
zijn taak nodig oordeelt en geeft desgevraagd inzage in informatie,
boeken en bescheiden.
Artikel 2.5.7. Informatieplicht
ministeriële accountant
De accountant die door Onze Minister is
belast met het onderzoek van de ministeriële jaarrekening, heeft met
het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot elke instelling.
Aan de accountant wordt desgevraagd inzage in de informatie en in de
boeken en bescheiden gegeven en worden alle inlichtingen verstrekt die
deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
Artikel 2.5.7a. Controleprotocol
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de controle van de
boekhouding, de jaarrekening en de administratie van de instellingen.
Artikel 2.5.8 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 2.5.9. Correctie rijksbijdrage;
verrekening vorderingen
1. Indien de vaststelling van de
rijksbegroting daartoe noopt, kan Onze Minister tot acht weken na die
vaststelling correcties aanbrengen op de rijksbijdrage. Onze Minister
maakt het bevoegd gezag binnen acht weken na de vaststelling van de
rijksbegroting een correctie als bedoeld in de eerste volzin bekend.
Onze Minister verrekent de correctie met de rijksbijdrage voor het
desbetreffende jaar of betaalt uit in dat jaar.
2. Indien uit de jaarrekening, uit de
verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 2.5.3, vierde lid,
uit de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5.6, of uit
de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5.7 blijkt dat
de rijksbijdrage op onjuiste gronden is vastgesteld dan wel de
besteding daarvan niet rechtmatig of niet doelmatig was, kan Onze
Minister binnen een jaar na ontvangst van de jaarrekening correcties
aanbrengen op de rijksbijdrage. Onze Minister maakt het bevoegd gezag
binnen een jaar na ontvangst van de jaarrekening een correctie als
bedoeld in de eerste volzin bekend. Onze Minister verrekent de
correctie met de rijksbijdrage voor het eerstvolgende jaar of betaalt
uit in dat jaar.
3. Onverminderd het eerste en tweede
lid is Onze Minister bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens
deze wet van of op het bevoegd gezag van een instelling met
vorderingen krachtens een andere wet.
§ 1a. Verantwoording educatiemiddelen
Artikel 2.5.9a [Vervallen per 01-01-2009]
§ 2. Kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven
Artikel 2.5.10. Van overeenkomstige
toepassing paragraaf 1
De artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.9 zijn
van overeenkomstige toepassing op de kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven.
TITEL 6. SCHOLENGEMEENSCHAP ROC OF AOC
MET SCHOOL VOOR VOORTGEZET ONDERWIJS; VOORSCHRIFTEN T.A.V. VBO IN AOC
Artikel 2.6. Scholengemeenschap ROC of
AOC-school voor voortgezet onderwijs
1. Een scholengemeenschap omvat:
a. een regionaal opleidingencentrum
en een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op
het voortgezet onderwijs, of
b. een agrarisch opleidingscentrum
en een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als
bedoeld in artikel 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs of een
school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de
Wet op het voortgezet onderwijs.
1a. Ten aanzien van een school voor
voortgezet onderwijs die deel uitmaakt van een scholengemeenschap als
bedoeld in het eerste lid, bestaat aanspraak op rijksbijdrage ten
aanzien van de huisvesting, waarvoor bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur een berekeningswijze wordt vastgesteld.
Hoofdstuk 2, titel 8, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van een scholengemeenschap als bedoeld in het eerste lid.
2. In afwijking van de Wet
medezeggenschap op scholen zijn de bepalingen inzake de
medezeggenschap bij of krachtens de Wet op de ondernemingsraden en
deze wet van toepassing op scholengemeenschappen als bedoeld in het
eerste lid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen ten behoeve van scholengemeenschappen als bedoeld
in het eerste lid nadere voorschriften worden gegeven, zo nodig in
afwijking van hoofdstuk 1, titel 3, paragraaf 3, hoofdstuk 2,
hoofdstuk 4 en hoofdstuk 7.
Artikel 2.6a. Voorschriften t.a.v. vbo in
AOC
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kan ten behoeve van het voorbereidend beroepsonderwijs, verzorgd
in agrarische opleidingscentra, worden vastgesteld dat het bepaalde bij
of krachtens deze wet geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is.
Titel 6a. Samenwerking met VO-scholen ter
bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs
Artikel 2.6aa. Samenwerking met
VO-scholen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs
1.Het bevoegd gezag kan in afwijking
van artikel 8.1.1, in gevallen als geregeld in en met inachtneming van
artikel 25a van de Wet op het voortgezet onderwijs ook tot onderwijs-
en examenvoorzieningen van de instelling toelaten zij die niet als
deelnemer of examendeelnemer aan de instelling worden ingeschreven
maar zijn ingeschreven als leerling aan een school voor voortgezet
onderwijs.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen voorschriften worden vastgesteld over de verantwoording van de
bedragen die het bevoegd gezag met toepassing van artikel 99, achtste
lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs heeft ontvangen.
3.Indien het bevoegd gezag van een
school voor voortgezet onderwijs ter uitvoering van artikel 25a,
eerste en tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs
leerlingen in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan die school
zijn ingeschreven, ook onderwijs wil kunnen laten volgen dat een
instelling van datzelfde bevoegd gezag verzorgt, regelt het bevoegd
gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen van het derde lid,
aanhef en onder a tot en met e, van dat artikel.
Titel 7. Stimuleringsmiddelen voor
educatie en beroepsonderwijs en voor afstemming onderwijs-arbeidsmarkt
Artikel 2.7. Bijdrage voor derden
Onze Minister kan volgens bij
ministeriële regeling te geven voorschriften aan andere rechtspersonen
dan die waarvan de instellingen uitgaan, een bijdrage toekennen ter
bevordering van de verwezenlijking van de in artikel 1.2.1 bedoelde
doelstellingen van de educatie en het beroepsonderwijs dan wel ten
behoeve van de afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Voor zover
toepassing van de eerste volzin het verstrekken van subsidie betreft,
zijn de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies van
toepassing.
TITEL 8. WAARBORGFONDS EN INVESTERINGEN
IN GEBOUWEN EN TERREINEN
Artikel 2.8.1. Verplichte aansluiting bij
het Waarborgfonds instellingen
1.Elke instelling is aangesloten bij de
door de bevoegde gezagsorganen gezamenlijk opgerichte rechtspersoon
met volledige rechtsbevoegdheid, zonder winstoogmerk, die zich ten
doel stelt zich borg te stellen voor de nakoming van rente- en
aflossingsverplichtingen, voortvloeiend uit de door het bevoegd gezag
van de instelling aangegane leningen, door instandhouding van een
onafhankelijk functionerend fonds met een onafhankelijk van de
instellingen functionerend bestuur.
2.Elke instelling draagt aan het fonds
op zodanige wijze bij, dat door de gezamenlijke bijdragen het
functioneren van het fonds is gewaarborgd.
3.De gezamenlijke instellingen dragen
er zorg voor dat in de statuten van de rechtspersoon, bedoeld in het
eerste lid, in elk geval is opgenomen:
a. dat ingeval van door de
rechtspersoon te stellen algemene voorwaarden aan het verlenen van
borgstelling, deze uitsluitend van financiële aard zijn en
uitsluitend betrekking hebben op de te waarborgen lening,
b. dat ingeval de instelling aan de
onder a bedoelde voorwaarden voldoet, borgstelling door de
rechtspersoon niet kan worden geweigerd,
c. dat als blijkt dat een
instelling niet in staat is tot nakoming van rente- en
aflossingsverplichtingen, de instelling verplicht is een
saneringsplan aan het waarborgfonds over te leggen, waarin is
aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn het evenwicht
tussen inkomsten en uitgaven van de instelling hersteld kan
worden,
d. dat de door de rechtspersoon te
stellen voorwaarden in het kader van door hem te waarborgen
leningen niet in strijd komen met de vrijheid van organisatie en
inrichting van het onderwijs binnen de instellingen,
e. dat een batig saldo van het
fonds kan worden uitgekeerd aan de bevoegde gezagsorganen van de
instellingen, onder de voorwaarde dat een uitkering door het
bevoegd gezag van een instelling uitsluitend wordt besteed ten
behoeve van de werkzaamheden van de instelling waarvoor de
rijksbijdrage wordt verleend, en
f. een regeling omtrent de te
volgen procedure en te treffen voorzieningen in geval van
taakverwaarlozing door het bestuur van het fonds.
4.Van de in het eerste lid bedoelde
verplichting kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag van
een bijzondere instelling ontheffing verlenen op grond van bedenkingen
van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent
de ontheffing slechts, indien het bevoegd gezag aantoont dat een
afdoende andere voorziening is getroffen voor het waarborgen van het
voortbestaan van de instelling.
Artikel 2.8.2. Opheffing instellingen
1.Bij de opheffing van een openbare
instelling en bij de beëindiging van de bekostiging van een
bijzondere instelling draagt het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk na
de opheffing dan wel na de beëindiging van de bekostiging, zorg voor
de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening wordt aan
Onze Minister gezonden en gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid van een door de raad van toezicht of het bevoegd gezag
aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Tenzij met Onze Minister een andere
regeling wordt getroffen, is het bevoegd gezag aan het Rijk een bedrag
verschuldigd, indien de eindafrekening een batig saldo bevat. Het
bedrag wordt door Onze Minister vastgesteld en mag niet hoger zijn dan
het saldo van de eindafrekening. Bij de vaststelling van het bedrag
wordt rekening gehouden met door het bevoegd gezag uit de eigen
middelen aan investeringen bestede gelden.
3.Indien de in het eerste lid bedoelde
opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging zich voordoet, maakt
het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk aan Onze Minister bekend welke
maatregelen het heeft genomen teneinde te waarborgen dat de aan die
instelling ingeschreven deelnemers het onderwijs aan een andere
instelling kunnen voltooien.
Artikel 2.8.3. Beheer van de middelen
Het bevoegd gezag beheert de middelen van
de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het
voortbestaan van de instelling zijn verzekerd.
Hoofdstuk 3 [Vervallen per 01-08-2008]
Titel 1 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 3.1.1 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 3.1.2 [Vervallen per 01-08-2002]
Titel 2 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 3.2.1 [Vervallen per 01-08-2008]
Titel 3 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 3.3.1 [Vervallen per 01-08-2008]
Hoofdstuk 4. Personeel
Titel 1. Personeel van instellingen voor
educatie en beroepsonderwijs
§ 1. Formatie; rechtspositie
Artikel 4.1.1. Formatie
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het
beleid vast met betrekking tot de formatie van het personeel van de
instelling. Zoveel mogelijk tegelijk met die vaststelling bepaalt het
bevoegd gezag functies en taken van het personeel van de instelling.
Artikel 4.1.1a. Evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities
Het bevoegd gezag streeft evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities na.
Artikel 4.1.2. Rechtspositie van het
personeel
1.Het bevoegd gezag stelt een regeling
vast voor de rechtspositie van het personeel.
2.Over de regelingen die gaan over
aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de rechtspositie van
het personeel van de instelling, wordt door of namens het bevoegd
gezag overlegd met de vakorganisaties van overheids- en
onderwijspersoneel die daarvoor in aanmerking komen.
3.De bepalingen over ontslag
verschaffen het personeel van de openbare instellingen niet minder
rechten dan die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst
voortvloeien uit de bepalingen van dwingend recht van titel 10 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
4.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen voorschriften worden gegeven over de maximale beloning van de
leden van het college van bestuur.
5.In geval van een onherroepelijk
vonnis tot faillietverklaring van een instelling, voorzien de bevoegde
gezagsorganen van de overige instellingen er gezamenlijk in dat aan de
aanspraken, bedoeld in artikel 79, eerste lid, van de
Werkloosheidswet, van het personeel en gewezen personeel, wordt
voldaan, evenals aan de aanspraken die in het overleg, bedoeld in het
tweede lid, zijn overeengekomen en als aanvulling gelden op de
wettelijke aanspraken.
Artikel 4.1.3. Professioneel statuut
Met het oog op de voortdurende
verbetering van de professionaliteit van het personeel, wordt door of
namens de bevoegde gezagsorganen in overeenstemming met vakorganisaties
van overheids- en onderwijspersoneel een professioneel statuut
vastgesteld.
Artikel 4.1.4 [Vervallen per 01-08-2007]
§ 2. Commissie van beroep
Artikel 4.1.5. Beroepsmogelijkheid
personeel bijzondere instellingen
1.Elke bijzondere instelling is
aangesloten bij een commissie van beroep, waarbij door elk
personeelslid van die instelling dat rechtstreeks in zijn belang is
getroffen, beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing, door het
bevoegd gezag genomen, inhoudende:
a. een disciplinaire maatregel,
b. schorsing,
c. ontslag anders dan op eigen
verzoek, voordat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt,
d. het direct of indirect onthouden
van bevordering,
e. het verminderen van de omvang
van de betrekking, of
f. de beëindiging van een verlengd
tijdelijk dienstverband.
2.Tijdens de behandeling door de
commissie van beroep loopt geen verjaring met betrekking tot
rechtsvorderingen ter zake van beslissingen die aan het oordeel van de
commissie zijn onderworpen.
Artikel 4.1.6. Commissie van beroep
1.Een commissie van beroep strekt haar
werkzaamheden uit over een of meer bijzondere instellingen.
2.De commissie bestaat uit een even
aantal gewone leden en evenveel plaatsvervangende leden. De bevoegde
gezagsorganen en het personeel van de aangesloten instellingen kiezen
elk de helft van het aantal gewone leden en plaatsvervangende leden.
De gewone leden kiezen de voorzitter, tevens lid, en de
plaatsvervangend voorzitter. De voorzitter, de plaatsvervangend
voorzitter, de gewone leden en de plaatsvervangende leden worden
benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf
jaren. Zij zijn opnieuw benoembaar.
3.De leden en de plaatsvervangende
leden, alsmede de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter mogen
niet behoren tot het bevoegd gezag noch deel uitmaken van het
personeel van een aangesloten instelling.
4.Op eigen verzoek wordt aan de leden
en plaatsvervangende leden van de commissie van beroep ontslag
verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar wordt hun
ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden
ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken ongeschikt zijn
hun functie te vervullen, alsmede indien zij bij onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld.
Alvorens het ontslag op grond van de derde volzin wordt verleend,
wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en
wordt hem de gelegenheid gegeven zich ter zake te doen horen.
5.De uitspraak van de commissie van
beroep bindt het bevoegd gezag.
6.De bevoegde gezagsorganen van de
aangesloten instellingen stellen voor de commissie van beroep een
beroepsreglement vast, dat erin voorziet dat een onpartijdig en
onafhankelijk functioneren van de commissie is gewaarborgd. In het
beroepsreglement worden geregeld:
a. de omvang van de commissie van
beroep,
b. de zittingstermijn van de leden
en plaatsvervangende leden van de commissie,
c. de rechtsgang bij de commissie
van beroep, daaronder begrepen de inhoud en indiening van het
beroepschrift, de behandeling ter zitting en de voorbereiding
daarvan, de uitspraak alsmede de mogelijkheden van verzet,
voorlopige voorziening en herziening van uitspraken, alsmede
d. de wijze waarop in het
secretariaat wordt voorzien.
7.Het beroepsreglement wordt niet
gewijzigd dan nadat de commissie van beroep over de voorgenomen
wijziging is gehoord.
Artikel 4.1.7. Inlichtingen
Het bevoegd gezag en het personeel van de
instelling verstrekken aan de commissie van beroep de inlichtingen die
zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt.
Titel 2. Vereisten benoeming of
tewerkstelling
Artikel 4.2.1. Vereisten benoeming of
tewerkstelling docenten
1.Docenten worden door het bevoegd
gezag benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming.
2.Tot docent aan een instelling kan
slechts worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming degene die:
a. in het bezit is van een
verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens, die op het tijdstip van
overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden, en
b. voldoet aan de
bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 4.2.3, eerste lid, blijkend
uit het bezit van:
1°. een getuigschrift als
bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van een met goed
gevolg afgelegd afsluitend examen van een aan een hogeschool
verbonden opleiding gericht op het beroep van leraar in het
voortgezet onderwijs,
2°. een getuigschrift als
bedoeld in artikel 175 van de Wet op het hoger
beroepsonderwijs van een met goed gevolg afgelegd
staatsexamen, voor zover overeenkomend met een getuigschrift
als bedoeld onder 1°,
3°. een getuigschrift als
bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van een met goed
gevolg afgelegd afsluitend examen van een universitaire
lerarenopleiding,
4°. een getuigschrift of
diploma van een opleiding die vóór 1 augustus 1991 was
gericht op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs,
5°. een ten aanzien van het
door hem te geven onderwijs verleende erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene
wet erkenning EG-beroepskwalificaties,
6°. een gelijkwaardig
buitenlands getuigschrift of diploma, behaald in een land dat
niet behoort tot de Lid-Staten van de EU, dan wel een
gelijkwaardig Nederlands-Antilliaans of Arubaans getuigschrift
of diploma, of
c. in het bezit is van een door het
bevoegd gezag afgegeven geschiktheidsverklaring als bedoeld in
artikel 4.2.4, en
d. niet krachtens rechterlijke
uitspraak is uitgesloten van het geven van onderwijs.
3.In geval van een
geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.2.4 vindt de
benoeming of tewerkstelling zonder benoeming voor zover betrokkene
niet in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek plaats
voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten studiejaren. Het
bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet onder door dat
gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaren
indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het bevoegd
gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de
toepassing van de tweede volzin.
4.Het tweede lid is niet van toepassing
voor zover een docent is belast met contractactiviteiten.
5.Het bevoegd gezag kan ten aanzien van
een docent voor een periode van ten hoogste twee jaar afwijken van de
eisen, bedoeld in het tweede lid, onder b en c. Het bevoegd gezag kan
de in de eerste volzin bedoelde termijn verlengen met ten hoogste twee
jaren indien het bevoegd gezag dat noodzakelijk oordeelt vanwege de
kwaliteit en de voortgang van het onderwijs aan de school. In dat
geval verklaren het bevoegd gezag en de betrokkene in ieder geval
schriftelijk dat betrokkene verplicht is zich in te spannen om binnen
de verlengingsperiode alsnog te voldoen aan de eisen, bedoeld in het
tweede lid, onder b. Het bevoegd gezag beschikt over geordende
gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin.
6.Het bevoegd gezag kan afwijken van
het tweede lid, onder b en c, ten aanzien van degene die gelet op
specifieke kennis en bekwaamheden, samenhangend met ervaringen en
werkzaamheden in andere sectoren van de samenleving en het
bedrijfsleven, naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende
bekwaam is om onder verantwoordelijkheid van een daartoe door het
bevoegd gezag aan te wijzen docent voor een beperkte betrekkingsomvang
te worden belast met het uitsluitend verzorgen van onderwijsonderdelen
waar die specifieke kennis en bekwaamheden in het bijzonder betrekking
op hebben. De betrekkingsomvang is voor het totaal van de in de eerste
volzin bedoelde te verzorgen onderwijsonderdelen ten hoogste een
aantal van gemiddeld 4 klokuren per week op jaarbasis.
Artikel 4.2.2. Belasten met
onderwijsondersteunende werkzaamheden
1.Onderwijsondersteunende werkzaamheden
waarvoor op grond van artikel 4.2.3, tweede lid, bekwaamheidseisen
zijn vastgesteld, mogen slechts worden verricht door degene die:
a. in het bezit is van een
verklaring omtrent het gedrag, afgegeven ingevolge de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens, die op het tijdstip van
overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden, en
b. in het bezit is van een bij
ministeriële regeling aangewezen getuigschrift waaruit blijkt dat
wordt voldaan aan de in artikel 4.2.3, tweede lid, bedoelde
bekwaamheidseisen, voor zover vastgesteld, of
c. in het bezit is van een ten
aanzien van de door hem te verrichten werkzaamheden, al dan niet
bedoeld in artikel 4.2.3, tweede lid, verleende erkenning van
beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties, of
d. volgens bij algemene maatregel
van bestuur te geven regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en
e. niet krachtens rechterlijke
uitspraak is uitgesloten van het verrichten van die werkzaamheden.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
op een onderwijsondersteunende functionaris voor zover deze is belast
met werkzaamheden in verband met contractactiviteiten.
3.Ten aanzien van studenten aan een
opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en deelnemers aan de
beroepsbegeleidende leerweg van een opleiding als bedoeld in artikel
7.2.2 die in het kader van die opleiding onderwijsondersteunende
werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van artikel 4.2.3, tweede
lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan voor de duur van die
werkzaamheden worden afgeweken van het eerste lid, onder b tot en met
d.
4.Het bevoegd gezag kan voor een
periode van ten hoogste twee jaar afwijken van de eisen, bedoeld in
het eerste lid, onder b tot en met d. Het bevoegd gezag kan deze
periode met ten hoogste de helft verlengen indien bijzondere
omstandigheden daartoe naar zijn oordeel aanleiding geven. Het bevoegd
gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de
toepassing van de tweede volzin.
Artikel 4.2.3. Bekwaamheidseisen
1.Bij algemene maatregel van bestuur
worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor de uitoefening van het
docentschap.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor bij die maatregel aan te
wijzen onderwijsondersteunende werkzaamheden die rechtstreeks verband
houden met het onderwijsleerproces.
3.De in het eerste lid bedoelde
bekwaamheidseisen zijn gericht op het handelen in het
onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen en het werken
binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval eisen ten
aanzien van:
a. pedagogisch-didactische kennis,
inzicht en vaardigheden, en
b. vakbekwaamheid.
4.De algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt aan de beide Kamers der
Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan
nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of
namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in
die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan
wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk
ingediend.
5.Onze Minister stelt een
beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt van beroepskwaliteit
representatief acht voor onderwijspersoneel als bedoeld in deze wet,
in de gelegenheid hem een voorstel te doen voor de in het eerste en
tweede lid bedoelde bekwaamheidseisen. Onze Minister stelt deze
organisatie vervolgens in elk geval eenmaal in de zes jaar in de
gelegenheid, hem een voorstel te doen over ongewijzigde handhaving of
wijziging van de bekwaamheidseisen voor zover vastgesteld. Uit een
voorstel als bedoeld in de eerste of tweede volzin blijkt tevens, in
hoeverre dat voorstel mede steun geniet van een vertegenwoordiging van
bevoegde gezagsorganen, van ouders en van deelnemers.
Artikel 4.2.3a. Bekwaamheidsdossier
Het bevoegd gezag beschikt ten aanzien
van elk personeelslid dat een functie of werkzaamheden verricht waarvoor
bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, over geordende gegevens met
betrekking tot de bekwaamheid en het onderhouden van de bekwaamheid. Ten
behoeve van de onderlinge vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de
gegevens kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden
vastgesteld over de inrichting en wijze van ordening van deze gegevens.
Artikel 4.2.4. Geschiktheidsverklaring
zij-instroom in het beroep van docent
1.Aan degene die niet in het bezit is
van een in artikel 4.2.1, tweede lid, onder b, genoemd getuigschrift
of diploma respectievelijk genoemde erkenning van beroepskwalificaties
wordt door het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen
een geschiktheidsverklaring afgegeven, indien de betrokkene naar het
oordeel van het bevoegd gezag:
a. vakinhoudelijk bekwaam is en
geschikt is voor het beroep van docent, en
b. voldoet aan de in artikel 4.2.3,
derde lid, onder a genoemde eisen, blijkend uit het bezit van een
getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4 van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of
c. in staat is verantwoord les te
geven en binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder
benoeming tot docent te voldoen aan de in artikel 4.2.3, derde
lid, onder a, genoemde eisen.
2.Het bevoegd gezag geeft de in het
eerste lid bedoelde verklaring slechts af, indien:
a. betrokkene in het bezit is van
een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend
examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in
het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, niet zijnde een
getuigschrift als bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel
b 1° tot en met 4°,
b. betrokkene in het bezit is van
een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5
van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties,
c. betrokkene in het bezit is van
een buitenlands getuigschrift of diploma dat gelijkwaardig is aan
een onder a bedoeld getuigschrift of een onder b bedoelde
erkenning van beroepskwalificaties, of
d. betrokkene ten minste drie jaren
ervaring heeft in de praktijk van het beroep waarop het
desbetreffende onderwijs is gericht en naar het oordeel van het
bevoegd gezag door een combinatie van opleiding en ervaring geacht
wordt te beschikken over een kwalificatieniveau dat vergelijkbaar
is met het onder a tot en met c bedoelde kwalificatieniveau, en
e. de gevolgde opleiding en de
maatschappelijke of beroepservaring van betrokkene, in onderlinge
samenhang bezien, naar het oordeel van het bevoegd gezag van
voldoende belang zijn in verhouding tot de beoogde werkzaamheden
aan de instelling.
3.Indien betrokkene niet in het bezit
is van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4 van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, stelt het bevoegd gezag
vast, welke scholing en begeleiding voor betrokkene noodzakelijk zijn
om binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder benoeming te
kunnen voldoen aan de in artikel 4.2.3, derde lid onder a, genoemde
bekwaamheidseisen ten aanzien van pedagogisch-didactische kennis,
inzicht en vaardigheden.
Artikel 4.2.5. Uitvoering
pedagogisch-didactische scholing
De op grond van artikel 4.2.4, derde lid,
noodzakelijk geoordeelde scholing wordt uitgevoerd door of onder
verantwoordelijkheid van een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld
in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die een
lerarenopleiding verzorgt. Het bevoegd gezag stelt in overeenstemming
met het bestuur van die instelling het voor betrokkene noodzakelijke
scholingstraject vast.
Titel 2a. Benoembaarheidsvereiste voor
overig personeel van instellingen
Artikel 4.2a.1. Vereiste benoembaarheid
overig personeel
Tot lid van het personeel, anders dan
bedoeld in de artikelen 4.2.1 en 4.2.2, kan slechts worden benoemd
degene die in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag,
afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die
op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan
6 maanden.
Titel 3. Personeel van kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven
Artikel 4.3.1. Formatie
Het bestuur van het kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven stelt jaarlijks het beleid vast met
betrekking tot de formatie van het kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven. Zoveel mogelijk tegelijk met deze vaststelling bepaalt
het bestuur functies en taken van het personeel van het kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven.
Artikel 4.3.2. Rechtspositie personeel
kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
Artikel 4.1.2 is van overeenkomstige
toepassing op de rechtspositie van het personeel van kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven, met dien verstande dat het gaat om
kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven en de besturen daarvan in
plaats van om instellingen en de bevoegde gezagsorganen daarvan.
Artikel 4.3.3. Beroepsmogelijkheid
personeel kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
Op een kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven zijn de artikelen 4.1.5, 4.1.6 en 4.1.7 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de desbetreffende
commissie van beroep haar werkzaamheden uitstrekt over ten minste drie
kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.
Artikel 4.3.4 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 4.3.5 [Vervallen per 01-08-2008]
Titel 4
Artikel 4.4.1 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 4.4.2 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 4.4.3 [Vervallen per 01-08-1998]
Hoofdstuk 5 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 5.1 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 5.2 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 5.2a [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 5.3 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 5.4 [Vervallen per 11-05-2001]
Hoofdstuk 6. Het onderwijsaanbod
beroepsopleidingen
Titel 1. Het beroepsonderwijs, verzorgd
door uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen
Artikel 6.1.1. Onderwijsaanbod
instellingen
Het bevoegd gezag bepaalt welke
beroepsopleidingen de instelling verzorgt. Ten aanzien van die
opleidingen geldt de aanspraak op bekostiging uitsluitend indien Onze
Minister krachtens artikel 2.1.1 heeft besloten dat de opleidingen voor
bekostiging in aanmerking komen.
Artikel 6.1.2 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 6.1.3. Zorgplicht
arbeidsmarktperspectief en belang beroepsopleidingen
1.Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat
een beroepsopleiding alleen door de instelling wordt aangeboden als er
na beëindiging van de opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief is
voor de deelnemers.
2.Onverminderd het eerste lid zorgt het
bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de artikelen 1.3.2a of
1.3.3 ervoor dat een beroepsopleiding die niet behoort tot het
werkgebied van een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven dat
werkzaam is voor de specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken
waarvoor de instelling opleidingen verzorgt, alleen wordt aangeboden
als die beroepsopleiding aantoonbaar gericht is op en van belang is
voor de specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken waarvoor de
instelling opleidingen verzorgt.
Artikel 6.1.3a [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 6.1.4. Ontneming rechten ten
aanzien van bestaand onderwijsaanbod
1.Onze Minister kan besluiten dat ten
aanzien van een beroepsopleiding die de instelling verzorgt, de
rechten, genoemd in artikel 1.3.1, gedurende twee jaar worden ontnomen
indien:
a. gebleken is dat de kwaliteit van
die opleiding langer dan één jaar onvoldoende is geweest, of
b. niet of niet meer wordt voldaan
aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van
de kwaliteitszorg, het onderwijs of de examens, dan wel
c. niet of niet meer wordt voldaan
aan de zorgplicht, bedoeld in artikel 6.1.3.
2.Een beschikking op grond van het
eerste lid houdt in dat ten aanzien van het desbetreffende onderwijs:
a. de aanspraak op bekostiging,
bedoeld in artikel 1.3.1, voor zover van toepassing, vervalt,
b. aan de examens of onderdelen
daarvan geen diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.6
meer is verbonden, en
c. de registratie in het Centraal
register wordt beëindigd.
3.Bij een beschikking tot ontneming van
rechten bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop die beschikking van
kracht wordt zodanig, dat de voor de opleiding ingeschreven deelnemers
de opleiding aan een andere instelling binnen een redelijke tijd
kunnen voltooien.
4.Onze Minister neemt een beschikking
als bedoeld in het eerste lid voor 1 november van het jaar voorafgaand
aan het studiejaar waarin het in het derde lid bedoelde tijdstip valt.
5.Onze Minister maakt de ontneming van
rechten, bedoeld in dit artikel, openbaar.
Artikel 6.1.5. Waarschuwing
1.Voordat Onze Minister een beschikking
neemt op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onder a, geeft hij aan
het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten
aanzien van de kwaliteit van de opleiding. Onze Minister geeft eerst
toepassing aan artikel 6.1.4, eerste lid, onder a, nadat
a. na de waarschuwing ten minste
een jaar verstreken is, en
b. Onze Minister aan de hand van
een nader onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in
voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
2.Voordat Onze Minister een beschikking
neemt op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onder b, geeft hij aan
het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn
waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst
overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen
aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie
maanden.
3.Onze Minister maakt de
waarschuwingen, bedoeld in dit artikel, openbaar.
Artikel 6.1.5a. Maatregelen
1.In de gevallen, bedoeld in artikel
6.1.4, eerste lid, onder a en b, kan Onze Minister op verzoek van het
bevoegd gezag of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd
gezag maatregelen treffen.
2.Tot de maatregelen, bedoeld in het
eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te
laten bijstaan door een extern deskundige. Ook kunnen onder
voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter
beschikking worden gesteld.
3.Onze Minister stelt nadere regels
omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen,
voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.
Artikel 6.1.5b. Ontneming recht op
examinering instellingen; waarschuwing
1.Onze Minister kan aan een instelling
het recht op examinering van een beroepsopleiding ontnemen, indien de
kwaliteit van de examens van die opleiding niet voldoet aan de
standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4. Bij de ontneming van het recht
wordt bepaald met ingang van welk tijdstip dit geschiedt. De ontneming
wordt in het Centraal register bekendgemaakt.
2.Voordat Onze Minister een besluit als
bedoeld in het eerste lid neemt, geeft hij het bevoegd gezag een
waarschuwing op grond van zijn bevindingen over de kwaliteit van de
examinering onder bepaling van de termijn waarbinnen aan die
waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. Artikel 6.1.5, derde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
3.Het bevoegd gezag kan niet eerder dan
na verloop van drie studiejaren na de ontneming, bedoeld in het eerste
lid, het recht opnieuw verkrijgen. Artikel 1.6.1 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.1.6 [Vervallen per 01-08-2008]
Titel 2. Het beroepsonderwijs, verzorgd
door niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen
Artikel 6.2.1. Diploma-erkenning ten
aanzien van beroepsopleidingen, verzorgd door niet uit ’s Rijks kas
bekostigde instellingen
1.De aanvraag om toepassing van artikel
1.4.1 geldt mede als aanmelding voor registratie in het Centraal
register. In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 6.4.1,
vijfde lid, en zesde lid, onder a en b, verschaft het bevoegd gezag
van een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling bij de
aanmelding de gegevens waaruit blijkt dat het onderwijs van voldoende
kwaliteit is of zal zijn, en dat wordt voldaan aan de voorwaarde,
bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid.
2.Indien Onze Minister de aanvraag om
toepassing van artikel 1.4.1 inwilligt, registreert hij bij de
eerstvolgende gelegenheid daartoe, de opleiding in het Centraal
register.
Artikel 6.2.2. Beëindiging
diploma-erkenning ten aanzien van beroepsopleidingen, verzorgd door niet
uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen
1.Onze Minister kan ten aanzien van een
beroepsopleiding, verzorgd door een niet uit ’s Rijks kas bekostigde
instelling, het recht, bedoeld in artikel 1.4.1, ontnemen indien
a. gebleken is dat de kwaliteit van
de opleiding gedurende een reeks van jaren onvoldoende is geweest,
b. niet of niet meer voldaan wordt
aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, of
c. in strijd is gehandeld met
artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Een beschikking op grond van het
eerste lid houdt in dat aan de examens of onderdelen daarvan geen
diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.6 is verbonden en
dat de registratie in het Centraal register wordt beëindigd.
Artikel 6.2.3. Waarschuwing
1.Voordat Onze Minister een beschikking
neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder a, geeft hij aan
het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten
aanzien van de kwaliteit van de opleiding.
Onze Minister geeft eerst toepassing
aan artikel 6.2.2, eerste lid, onder a, nadat
a. na de waarschuwing ten minste
een jaar verstreken is, en
b. Onze Minister aan de hand van
een hernieuwd onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of
niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
2.Voordat Onze Minister een beschikking
neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder b, geeft hij aan
het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn
waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst
overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen
aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie
maanden.
3.Voordat Onze Minister een beschikking
neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder c, geeft hij het
bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn van ten
minste tien dagen waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn
gegeven.
4.Onze Minister maakt de
waarschuwingen, bedoeld in dit artikel, openbaar.
Artikel 6.2.3a. Maatregelen
In de gevallen, bedoeld in artikel 6.2.2,
eerste lid, onder a en b, is artikel 6.1.5a van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 6.2.3b. Ontneming recht op
examinering niet uit 's Rijks kas bekostigde instellingen; waarschuwing
1.Onze Minister kan aan een niet uit 's
Rijks kas bekostigde instelling het recht op examinering van een
beroepsopleiding ontnemen, indien de kwaliteit van de examens van die
opleiding niet voldoet aan de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4.
Bij de ontneming van het recht wordt bepaald met ingang van welk
tijdstip dit geschiedt. De ontneming wordt in het Centraal register
bekendgemaakt.
2.Voordat Onze Minister een besluit als
bedoeld in het eerste lid neemt, geeft hij het bevoegd gezag een
waarschuwing op grond van zijn bevindingen over de kwaliteit van de
examinering onder bepaling van de termijn waarbinnen aan die
waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. Onze Minister maakt de
waarschuwing openbaar.
3.Het bevoegd gezag kan niet eerder dan
na verloop van drie studiejaren na de ontneming, bedoeld in het eerste
lid, het recht opnieuw verkrijgen. Artikel 1.6.1 is van
overeenkomstige toepassing.
Titel 3. De exameninstellingen
Artikel 6.3.1. Examinering
exameninstellingen
1.De aanvraag om toepassing van artikel
1.6.1 geldt mede als aanmelding voor registratie in het Centraal
register. Het bevoegd gezag van een exameninstelling verschaft bij de
aanmelding de gegevens waaruit blijkt dat de examinering van voldoende
kwaliteit is of zal zijn, en dat wordt voldaan aan de voorwaarde,
bedoeld in artikel 1.6.1, tweede lid.
2.Indien Onze Minister de aanvraag om
toepassing van artikel 1.6.1 inwilligt, registreert hij bij de
eerstvolgende gelegenheid daartoe, de exameninstelling bij de
desbetreffende opleiding in het Centraal register.
Artikel 6.3.2. Ontneming recht op
examinering exameninstellingen; waarschuwing
Artikel 6.2.3b is van overeenkomstige
toepassing op exameninstellingen.
Artikel 6.3.3. Maatregelen
1.In het geval, bedoeld in artikel
6.3.2, eerste lid, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag
of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag
maatregelen treffen.
2.Tot de maatregelen, bedoeld in het
eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te
laten bijstaan door een externe deskundige. Ook kunnen onder
voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter
beschikking worden gesteld.
3.Onze Minister stelt regels omtrent de
toekenning van en verantwoording over maatregelen, voor zover deze het
verstrekken van financiële middelen betreffen.
Artikel 6.3.3a [Vervallen per 01-08-2004]
Titel 4. Het Centraal register
beroepsopleidingen
Artikel 6.4.1. Het Centraal register
beroepsopleidingen
1.Het Centraal register
beroepsopleidingen is een systematisch geordende verzameling gegevens
met betrekking tot de beroepsopleidingen waarvoor eindtermen zijn
vastgesteld en de examinering die door de exameninstellingen wordt
verzorgd. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de
bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie
uit het register. De bekendmaking en het verstrekken van informatie
kunnen digitaal plaatsvinden.
2.Het Centraal register bevat van elke
beroepsopleiding de volgende gegevens:
a. de naam van de opleiding, de
leerweg of leerwegen waarin de opleiding wordt verzorgd, de code
waarmee het geheel van de eindtermen van de opleiding wordt
aangeduid, de code waarmee de deelkwalificaties van de opleiding
worden aangeduid,
b. of de opleiding is vermeld in
het overzicht, bedoeld in artikel 2.1.1, derde lid,
c. de studielast, en
d. of het een opleiding betreft die
is gericht op een bepaald beroep waarvoor bij of krachtens de wet
vereisten zijn vastgesteld.
3.Het Centraal register bevat voorts de
volgende gegevens, voor zover van toepassing:
a. de namen van de instellingen die
de opleiding verzorgen,
b. de namen van de
exameninstellingen die het recht hebben tot examinering van een
beroepsopleiding,
c. de bepaling dat het recht op
examinering is ontnomen, en met ingang van welk tijdstip, en
d. de bepaling dat de registratie
zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop.
Artikel 6.4.2. De registratieprocedure
voor beroepsopleidingen van uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen
Onze Minister registreert per
beroepsopleiding de instellingen die blijkens de opgave van het aantal
deelnemers de opleiding daadwerkelijk verzorgen.
Artikel 6.4.3 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 6.4.4. Beëindiging registratie
beroepsopleidingen niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen;
beëindiging registratie examinering
1.Onverminderd artikel 6.2.2 beëindigt
Onze Minister de registratie van een beroepsopleiding van een niet uit
’s Rijks kas bekostigde instelling indien het bevoegd gezag te
kennen geeft dat de instelling de opleiding niet langer zal verzorgen.
Onverminderd artikel 6.3.2 beëindigt Onze Minister de registratie van
de examinering van een beroepsopleiding, indien het bevoegd gezag te
kennen geeft dat de exameninstelling die examinering niet langer zal
verzorgen.
2.De kennisgeving, bedoeld in het
eerste lid, geschiedt voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het
eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de opleiding niet meer
openstaat.
3.Onze Minister beëindigt de
registratie ambtshalve wanneer de instelling de opleiding niet langer
verzorgt en het bevoegd gezag de kennisgeving, bedoeld in het eerste
lid, niet of niet tijdig doet.
4.Het tweede en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing op de registratie van de examinering door
exameninstellingen.
Titel 5 [Vervallen per 01-08-2004]
Artikel 6.5.1 [Vervallen per 01-08-2004]
Artikel 6.5.2 [Vervallen per 01-08-2004]
Artikel 6.5.3 [Vervallen per 01-08-2004]
Hoofdstuk 6a. Het onderwijsaanbod
educatie
Titel 1. De educatie, verzorgd door
instellingen als bedoeld in artikel 1.4a.1
Artikel 6a.1.1. Registratie van andere
instellingen, bedoeld in artikel 1.4a.1
1.Onze Minister maakt jaarlijks voor de
aanvang van het studiejaar bekend welke instellingen, bedoeld in
artikel 1.4a.1, eerste lid, voor welke opleidingen rechten hebben als
bedoeld in dat lid. Deze bekendmaking vermeldt:
a. de naam van de instelling en van
de opleiding die de instelling verzorgt,
b. in voorkomende gevallen, een
waarschuwing als bedoeld in artikel 6a.1.3, en
c. in voorkomende gevallen, de
bepaling dat de registratie zal worden beëindigd, alsmede het
tijdstip waarop.
2.Als peildatum voor de gegevens,
bedoeld in het eerste lid, hanteert Onze Minister 1 juni voorafgaand
aan de bekendmaking, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 6a.1.2. Beëindiging
diploma-erkenning ten aanzien van opleidingen educatie, verzorgd door
instellingen als bedoeld in artikel 1.4a.1
1.Onze Minister kan ten aanzien van een
opleiding educatie, verzorgd door een instelling als bedoeld in
artikel 1.4a.1, het recht, bedoeld in het eerste lid van dat artikel,
ontnemen indien:
a. gebleken is dat de kwaliteit van
een of meer examens of een of meer onderdelen van een examen van
die opleiding onvoldoende is geweest, of
b. niet of niet meer voldaan wordt
aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 1.4a.1, eerste lid, of aan
de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4a.1, zesde lid.
2.Een beschikking op grond van het
eerste lid houdt in dat aan de examens of onderdelen daarvan geen
diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.6 is verbonden.
Artikel 6a.1.3. Waarschuwing
1.Voordat Onze Minister een beschikking
neemt op grond van artikel 6a.1.2, eerste lid, onder a, geeft hij aan
het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten
aanzien van de kwaliteit van een of meer examens of een of meer
onderdelen van een examen van die opleiding. Onze Minister geeft eerst
toepassing aan artikel 6a.1.2, eerste lid, onder a, nadat
a. na de waarschuwing ten minste
een jaar is verstreken, en
b. Onze Minister aan de hand van
een hernieuwd onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of
niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
2.Voordat Onze Minister een beschikking
neemt op grond van artikel 6a.1.2, eerste lid, onder b, geeft hij aan
het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn
waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst
overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen
aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie
maanden.
Artikel 6a.1.4. Beëindiging
diploma-erkenning van rechtswege van opleidingen educatie van
instellingen, bedoeld in artikel 1.4a.1
Indien het bevoegd gezag van een
instelling als bedoeld in artikel 1.4a.1, langer dan een studiejaar een
opleiding educatie niet heeft verzorgd, vervalt van rechtswege het recht
om voor de desbetreffende opleiding een diploma of certificaat als
bedoeld in artikel 1.4a.1, eerste lid, uit te reiken.
Hoofdstuk 7. Het onderwijs
Titel 1. Het onderwijs
Artikel 7.1.1. Taal
Het onderwijs wordt gegeven en de examens
worden afgenomen in het Nederlands. Onverminderd artikel 7.3.4, derde
lid, kan een andere taal worden gebezigd:
a. wanneer het onderwijs met
betrekking tot die taal betreft, of
b. indien de specifieke aard, de
inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van
de deelnemers daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door het bevoegd
gezag vastgestelde gedragscode.
Artikel 7.1.2. Opleidingen en
onderwijseenheden
1.De instelling biedt het onderwijs aan
in de vorm van opleidingen. Voor zover het een beroepsopleiding
betreft, wordt deze opleiding door de instelling in het
maatschappelijk verkeer aangeduid met de naam waaronder deze opleiding
is vermeld in het Centraal register.
2.Een opleiding is een samenhangend
geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van
eindtermen dan wel gericht op het behalen van een diploma,
gelijkwaardig aan een diploma van scholen, bedoeld in de artikelen 7
tot en met 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs, of onderdelen van
een dergelijk diploma.
3.Elke opleiding wordt afgesloten met
een examen. Elke onderwijseenheid die, onderscheidenlijk elk samenstel
van onderwijseenheden dat leidt tot een deelkwalificatie als bedoeld
in artikel 7.2.3, wordt afgesloten met een toets.
Artikel 7.1.3. Eindtermen
Eindtermen zijn als zodanig omschreven
kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden en in
voorkomende gevallen beroepshoudingen, waarover degene die de opleiding
voltooit, met het oog op het maatschappelijk en beroepsmatig
functioneren dient te beschikken, en die in voorkomende gevallen
betekenis hebben voor de doorstroming naar vervolgonderwijs.
Artikel 7.1.4. Ondersteuning bij het
onderwijs aan zieke deelnemers
1.Bij het geven van onderwijs aan een
deelnemer van een beroepsopleiding die bij de aanvang van die
opleiding leerplichtig was en die is opgenomen in een ziekenhuis of
die in verband met ziekte thuis verblijft, kan het bevoegd gezag van
een instelling die de beroepsopleiding verzorgt, worden ondersteund.
2.De ondersteuning bedoeld in het
eerste lid wordt verzorgd door:
a. een educatieve voorziening als
bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek indien de deelnemer is
opgenomen in een academisch ziekenhuis of
b. een schoolbegeleidingsdienst als
bedoeld in artikel 180 van de Wet op het primair onderwijs en
artikel 166 van de Wet op de expertisecentra indien de deelnemer
is opgenomen in een ziekenhuis niet zijnde een academisch
ziekenhuis dan wel indien de deelnemer in verband met ziekte thuis
verblijft.
3.De ondersteuning bedoeld in het
eerste lid kan in overeenstemming tussen de educatieve voorziening dan
wel de schoolbegeleidingsdienst en de instelling waarbij de deelnemer
is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de deelnemer
betreffen.
4.Het Rijk verstrekt aan
schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
bekostiging voor activiteiten die worden verricht met betrekking tot
de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen. Bij
ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de
bekostiging, bedoeld in de vorige volzin.
5.Schoolbegeleidingsdiensten als
bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn de
schoolbegeleidingsdiensten die voor de ondersteuning bij het onderwijs
aan zieke leerlingen, in de periode 1 augustus 1999 tot 1 augustus
2004 subsidie ontvingen van een gemeente op grond van artikel IX van
de Wet van 10 december 1998 (Stb. 733), tot wijziging van de Wet op de
expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het
voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inzake de
ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen.
Titel 2. Het beroepsonderwijs
§ 1. Reikwijdte
Artikel 7.2.1. Reikwijdte
Deze titel is van toepassing op
beroepsopleidingen.
§ 2. Beroepsopleidingen en eindtermen
beroepsopleidingen
Artikel 7.2.2. Onderscheid
beroepsopleidingen; niveau; leerwegen
1.De volgende beroepsopleidingen worden
onderscheiden:
a. de assistentopleiding,
b. de basisberoepsopleiding,
c. de vakopleiding,
d. de middenkaderopleiding,
e. de specialistenopleiding, en
f. andere opleidingen.
2.De in het eerste lid bedoelde
opleidingen bestaan uit:
a. een beroepsopleidende leerweg,
omvattend een praktijkdeel van ten minste 20% en minder dan 60%
van de studieduur, of
b. een beroepsbegeleidende leerweg,
omvattend een praktijkdeel van 60% of meer van de studieduur, dan
wel
c. zowel de onder a als de onder b
bedoelde leerweg.
3.De opleidingen, bedoeld in het eerste
lid, onder a tot en met e, richten zich op de kwalificatie voor
opeenvolgende niveaus van beroepsuitoefening, waarbij de
assistentopleiding is gericht op het eerste en de middenkaderopleiding
en de specialistenopleiding op het vierde en hoogste niveau van
beroepsuitoefening.
4.Aan de in het eerste lid bedoelde
opleidingen kunnen ten behoeve van individuele deelnemers
voorbereidende en ondersteunende activiteiten worden toegevoegd ter
bevordering van het kunnen instromen in en met gunstig gevolg
voltooien van de opleiding. Deze activiteiten maken geen deel uit van
de opleiding. Voorbereidende en ondersteunende activiteiten zijn
bestemd voor deelnemers wier vooropleiding naar het oordeel van het
bevoegd gezag onvoldoende uitzicht biedt op verwezenlijking van de
eindtermen van de opleiding binnen redelijke tijd.
Artikel 7.2.3. Deelkwalificaties
Eindtermen voor beroepsopleidingen zijn
onderverdeeld in deelkwalificaties. Een deelkwalificatie is een
combinatie van eindtermen, vastgesteld voor een bepaalde
beroepsopleiding, die in het licht van de uitoefening van het beroep
waarop de opleiding is gericht een zelfstandige betekenis hebben.
Artikel 7.2.4. Landelijke
kwalificatiestructuur; eindtermen beroepsonderwijs
1.Met het oog op de totstandkoming van
een landelijke kwalificatiestructuur, gericht op de aansluiting tussen
het aanbod van het beroepsonderwijs en de maatschappelijke behoeften
daaraan, mede in het licht van de arbeidsmarktperspectieven voor
afgestudeerden, draagt Onze Minister, in voorkomende gevallen in
overeenstemming met Onze Minister wie het, gezien de aard van de in
artikel 7.2.6 bedoelde vereisten, mede aangaat, zorg voor het
vaststellen en onderhouden van een samenhangend en gedifferentieerd
geheel van eindtermen voor beroepsopleidingen die voor de
desbetreffende bedrijfstakken of beroepencategorieën van betekenis
zijn.
2.Daartoe worden bij ministeriële
regeling per beroepsopleiding vóór 1 september vastgesteld:
a. de eindtermen,
b. de indeling daarvan in
deelkwalificaties,
c. welke deelkwalificaties
verplicht zijn voor het behalen van het diploma van de
desbetreffende beroepsopleiding,
d. de hoogte van de studielast, met
inachtneming van het negende lid,
e. welk van de soorten opleidingen,
bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, het betreft,
f. in welke leerwegen, bedoeld in
artikel 7.2.2, tweede lid, de opleiding verzorgd wordt, en, voor
zover mogelijk
g. het beroep of de
beroepencategorie op de voorbereiding waarvan de beroepsopleiding
is gericht.
3.Onze Minister stelt de in het tweede
lid bedoelde ministeriële regeling vast op voorstel van het
desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven. Het
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven doet een dergelijk
voorstel telkens vóór 1 juni en neemt daarbij het tweede lid in
acht.
3a.Met het oog op de ontwikkeling van
nieuwe kwalificaties kunnen met afwijking van de termijnen, bedoeld in
het tweede en derde lid, eindtermen tot stand worden gebracht.
4.Bij het voorstel voor de eindtermen
voegt het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven:
a. het advies van de commissie,
bedoeld in artikel 6.1.2, en
b. het voorstel, bedoeld in artikel
1.5.2, tweede lid. Uit het voorstel blijkt dat het bestuur van het
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven voldoende acht heeft
geslagen op de aansluiting tussen de opleidingen voorbereidend
beroepsonderwijs, de opleidingen middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs, de beroepsopleidingen en de opleidingen hoger
beroepsonderwijs, in elk geval door raadpleging van
vertegenwoordigers van die onderwijsvelden. Indien ook andere
instanties nauw bij het voorstel voor de eindtermen zijn
betrokken, maakt het bestuur van het kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven in zijn voorstel melding van de
wijze waarop het oordeel van die instanties is betrokken in het
voorstel.
5.Indien het in het derde en vierde lid
een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven betreft waarvan de
samenstelling van het bestuur voldoet aan artikel 9.2.1, tweede lid,
onder b, wordt het voorstel gedaan door de commissie
onderwijs-bedrijfsleven.
6.De eindtermen hebben betrekking op
opleidingen met de verzorging waarvan de instellingen in het
studiejaar na het jaar van de vaststelling een aanvang kunnen maken.
7.Het bevoegd gezag stelt de studieduur
van de opleiding vast met inachtneming van de studielast. De
studieduur kan verschillen voor onderscheiden deelnemers of groepen
van deelnemers.
8.De studielast van elke opleiding
wordt uitgedrukt in normatieve studiejaren. Een normatief studiejaar
telt veertig weken van elk veertig uren studie, daaronder mede
begrepen het onderricht in de praktijk. De studielast bedraagt voor de
onderscheiden in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a tot en met f,
bedoelde opleidingen het volgende aantal normatieve studiejaren of het
volgende gedeelte daarvan:
a. ten minste een half jaar en ten
hoogste 1 jaar,
b. ten minste 2 en ten hoogste 3
jaren,
c. ten minste 2 en ten hoogste 4
jaren,
d. ten minste 3 en ten hoogste 4
jaren,
e. ten minste 1 jaar en ten hoogste
2 jaren, en
f. ten minste 15 weken.
9.Dit artikel is van overeenkomstige
toepassing bij wijzigingen van de eindtermen en de indeling daarvan.
Artikel 7.2.5 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 7.2.6. Beroepsvereisten
Indien voor een beroep bij of krachtens
een wet, verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie, vereisten zijn vastgesteld over de kwaliteiten op het
gebied van kennis, inzicht, vaardigheden of beroepshoudingen waarover
degenen die een opleiding gericht op dat beroep voltooien, moeten
beschikken, of over de examinering bij de desbetreffende
beroepsopleiding:
a. neemt Onze Minister deze vereisten
in acht bij de vaststelling van de eindtermen en bij de vaststelling
van de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4, en
b. draagt de instelling er bij het
aanbieden van een beroepsopleiding zorg voor dat degenen die deze
opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan die
vereisten te voldoen, en dat bij de examinering, zo nodig in
afwijking van titel 4 van dit hoofdstuk, aan die vereisten wordt
voldaan.
Artikel 7.2.7. Inrichting opleidingen
1.Het bevoegd gezag draagt er zorg voor
dat de opleidingen zodanig zijn ingericht dat de deelnemers de
eindtermen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken.
2.Beroepsopleidingen zijn voltijds of
deeltijds dan wel zowel voltijds als deeltijds ingericht.
3.Voltijdse beroepsopleidingen zijn
opleidingen in de beroepsopleidende leerweg waarvan elk volledig
studiejaar een studielast van 1600 uren of meer heeft, en waarvoor het
bevoegd gezag voor de deelnemer in instellingstijd een
onderwijsprogramma verzorgt dat ten minste 850 uren per volledig
studiejaar omvat. Indien de door Onze Minister vastgestelde studielast
ertoe leidt dat in het laatste studiejaar de duur van de opleiding
gerekend vanaf 1 september en naar boven afgerond op hele maanden
minder is dan 10 maanden, dan wordt de norm van 850 uren in dat jaar
evenredig verlaagd.
4.Het in instellingstijd verzorgde
onderwijsprogramma, bedoeld in het derde lid, omvat alle
onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en
vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de deelnemer wordt
deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bevoegd
gezag.
5.Beroepsopleidingen die niet zijn
ingericht volgens het derde lid, zijn deeltijdse beroepsopleidingen.
Artikel 7.2.8. De beroepspraktijkvorming
1.Van elke beroepsopleiding maakt
onderricht in de praktijk van het beroep deel uit.
2.De beroepspraktijkvorming wordt
verzorgd op grondslag van een overeenkomst, gesloten door de in
artikel 7.2.9 genoemde partijen. De overeenkomst regelt de rechten en
verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het
dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde, ten minste
bepalingen over:
a. de aanvangsdatum en einddatum
van de beroepspraktijkvorming, alsmede het aantal te volgen
praktijkuren per kalenderjaar,
b. de begeleiding van de deelnemer,
c. dat deel van de eindtermen dat
de deelnemer tijdens de praktijkperiode dient te realiseren en de
beoordeling daarvan, en
d. de gevallen waarin en de wijze
waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.
3.Het bedrijf dat of de organisatie die
de beroepspraktijkvorming verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding
van de deelnemers binnen het bedrijf. Het bevoegd gezag beoordeelt of
de deelnemer het in het tweede lid, onder c, bedoelde deel van de
eindtermen heeft gerealiseerd. Het bevoegd gezag betrekt bij die
beoordeling het oordeel van het bedrijf onderscheidenlijk de
organisatie, met inachtneming van de desbetreffende in de onderwijs-
en examenregeling op te nemen regels.
Artikel 7.2.9. Totstandkoming
praktijkovereenkomst; vervangende praktijkplaats
1.Het bevoegd gezag van de instelling
draagt zorg voor de totstandkoming van de in artikel 7.2.8 bedoelde
overeenkomst. De overeenkomst wordt gesloten door de instelling, de
deelnemer en het bedrijf dat of de organisatie die de
beroepspraktijkvorming verzorgt. De overeenkomst wordt voor zover het
de beroepsbegeleidende leerweg betreft, mede ondertekend door het
bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven, dat daarmee verklaart:
a. dat het een bedrijf of
organisatie betreft met een gunstige beoordeling als bedoeld in
artikel 7.2.10, en
b. dat de gronden voor deze
gunstige beoordeling nog steeds aanwezig zijn.
2.Indien het bevoegd gezag en het
betrokken kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven na het sluiten
van de in artikel 7.2.8 bedoelde overeenkomst vaststellen dat de
praktijkplaats niet of niet volledig beschikbaar is, de begeleiding
tekortschiet of ontbreekt, het bedrijf of de organisatie niet langer
beschikt over een gunstige beoordeling als bedoeld in het eerste lid,
of sprake is van andere omstandigheden die maken dat de
beroepspraktijkvorming niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden,
bevordert het bevoegd gezag, na overleg met het bestuur van het
betrokken kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven, dat een
toereikende vervangende voorziening beschikbaar wordt gesteld.
Artikel 7.2.10. Kwaliteitszorgsysteem;
beoordeling van praktijkplaatsen
1.Het kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de
beroepspraktijkvorming in en zorgt ervoor dat bedrijven en
organisaties die de beroepspraktijkvorming verzorgen eenmaal per vier
jaar worden beoordeeld aan de hand van de in dit stelsel ontwikkelde
criteria. Indien daartoe door bijzondere omstandigheden aanleiding
bestaat kan controle frequenter plaatsvinden. In geval van een
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven waarvan de samenstelling
van het bestuur voldoet aan artikel 9.2.1, tweede lid, onder b, worden
deze criteria vastgesteld op voorstel van de commissie
onderwijs-bedrijfsleven.
2.Het kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven maakt de in het eerste lid bedoelde criteria bekend. Van
deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
3.De kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven dragen gezamenlijk zorg voor openbaarmaking van een
overzicht van bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling
op grond van het eerste lid.
4.Tot het verzorgen van de
beroepspraktijkvorming voor een opleiding of groep van opleidingen
zijn uitsluitend bevoegd de bedrijven en organisaties met een gunstige
beoordeling op grond van het eerste lid.
Artikel 7.2.11. Diagnostische toetsen
Nederlandse taal en rekenen [Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip]
Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat aan de deelnemers gelegenheid wordt gegeven
diagnostische toetsen Nederlandse taal en rekenen af te leggen. Indien
toepassing wordt gegeven aan de vorige volzin, worden bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent deze toetsen
vastgesteld. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op het
moment of de momenten waarop de toetsen kunnen worden afgelegd.
Titel 3. De educatie
Artikel 7.3.1. Onderscheid opleidingen
educatie
1.De volgende opleidingen educatie
worden onderscheiden:
a. opleidingen voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs, gericht op het behalen van een diploma,
bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 van de Wet op het
voortgezet onderwijs, of onderdelen van dat diploma,
b. opleidingen gericht op breed
maatschappelijk functioneren,
c. de opleidingen Nederlands als
tweede taal I en II, niveaus B1 en B2 van het Raamwerk NT2, die
opleiden voor het niveau van het diploma Nederlands als tweede
taal, bedoeld in het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede
taal,
d. de opleidingen Nederlands als
tweede taal, niveaus A1 en A2 van het Raamwerk NT2,
e. de opleidingen Nederlands als
tweede taal, gericht op alfabetisering, en
f. andere opleidingen, gericht op
sociale redzaamheid.
2.De opleidingen, bedoeld in het eerste
lid, onder b, sluiten aan bij de basisberoepsopleiding, bedoeld in
artikel 7.2.2, eerste lid, onder b.
Artikel 7.3.2. Nadere omschrijving
opleidingssoorten
1.De opleiding Nederlands als tweede
taal I is gericht op de beheersing van de Nederlandse taal met het oog
op het volgen van opleidingen of de uitoefening van functies op het
niveau van een vakopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid,
onderdeel c, door hen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is en
die ten minste het niveau van het primair onderwijs hebben bereikt.
2.De opleiding Nederlands als tweede
taal II is gericht op de beheersing van de Nederlandse taal met het
oog op het volgen van opleidingen in het hoger onderwijs en de
uitoefening van hogere functies door hen voor wie het Nederlands niet
de moedertaal is en die wat betreft vooropleiding of werkervaring
functioneren op ten minste het niveau van het middenkader.
Artikel 7.3.3. Eindtermen opleidingen
educatie
1.Bij ministeriële regeling worden
eindtermen vastgesteld voor de opleidingen Nederlands als tweede taal
I en II.
2.Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald welke opleidingen in elk geval behoren tot de opleidingen,
bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b en f, en kunnen daarvoor
eindtermen worden vastgesteld.
3.Het bevoegd gezag stelt eindtermen
vast voor de overige opleidingen educatie, met uitzondering van de
opleidingen, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a.
Artikel 7.3.4. Inrichting voortgezet
algemeen volwassenenonderwijs
1.Opleidingen voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs omvatten het onderwijs dat noodzakelijk is voor
het behalen van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs,
het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of het diploma
middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, dan wel voor het behalen van
onderdelen van het diploma.
2.Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de voor
het behalen van elk der in het eerste lid genoemde diploma’s of
onderdelen daarvan noodzakelijke vakken en andere programma-onderdelen,
en omtrent de cursusduur.
3.Ten behoeve van deelnemers met een
niet-Nederlandse culturele achtergrond kan onderwijs worden gegeven in
de taal van het land van oorsprong van die deelnemers.
4.Ten behoeve van de bijzondere
inrichting van het onderwijs kan Onze Minister toestaan dat wordt
afgeweken van het bepaalde bij of krachtens dit artikel. Onze Minister
besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de
beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze
Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een
termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Titel 4. Examens
§ 1. Examens beroepsopleidingen en
opleidingen educatie, met uitzondering van opleidingen voortgezet
algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als tweede taal
Artikel 7.4.1. Reikwijdte
Deze paragraaf is van toepassing op
beroepsopleidingen en opleidingen educatie, met uitzondering van
opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen
Nederlands als tweede taal I en II.
Artikel 7.4.2. Algemene bepaling inzake
examens
1.Het bevoegd gezag van een instelling
geeft de deelnemers de gelegenheid een examen af te leggen.
2.Het examen omvat een onderzoek naar
de kennis, het inzicht, de vaardigheden en, in voorkomende gevallen,
de beroepshoudingen die de examinandus zich bij voltooiing van de
opleiding moet hebben eigen gemaakt, alsmede de beoordeling van de
uitkomsten van dat onderzoek aan de hand van de eindtermen.
3.Het examen kan bestaan uit
afzonderlijke onderdelen. Het examen van een beroepsopleiding is met
gunstig gevolg afgelegd indien alle toetsen van die opleiding met
gunstig gevolg zijn afgelegd, onverminderd artikel 7.4.3, eerste lid.
4.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen in afwijking van de artikelen 6:7, 7:10 en 7:24 van de Algemene
wet bestuursrecht, kortere termijnen dan in die artikelen vermeld,
worden bepaald voor de indiening van een bezwaar- of beroepschrift en
voor de daarop te nemen beslissing ter zake van de deelneming aan de
in dit artikel bedoelde examens.
Artikel 7.4.3. Examens beroepsopleidingen
1.Het examen van een beroepsopleiding
is niet met gunstig gevolg afgelegd dan na een gunstige beoordeling
als bedoeld in artikel 7.2.8, derde lid.
2.Het examen van beroepsopleidingen
bestaat uit onderdelen die overeenkomen met de deelkwalificaties.
3.Deelnemers die in het bezit zijn van
een certificaat van een andere instelling zijn vrijgesteld van het
daarmee overeenkomende examenonderdeel.
Artikel 7.4.3a. Centrale examinering
onderdelen beroepsopleidingen
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
onderdelen van een beroepsopleiding worden aangewezen waarvan de
examinering geschiedt volgens bij of krachtens die algemene maatregel
van bestuur te geven voorschriften.
Artikel 7.4.4. Kwaliteitsstandaarden
Bij ministeriële regeling worden
landelijke standaarden voor de kwaliteit van de examens van de
beroepsopleidingen vastgesteld die betrekking hebben op:
a. de inhoud en het niveau van de
examens, in relatie tot de eindtermen, bedoeld in artikel 7.2.4;
b. de procedures rond de examens en
de voorwaarden waaronder examens worden afgenomen.
Artikel 7.4.4a. Examinering door andere
instellingen of exameninstellingen
1. Het bevoegd gezag kan de examinering
van een beroepsopleiding overdragen aan een andere instelling als
bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, of 1.4.1 of aan een
exameninstelling, voor zover deze het recht op examinering van die
beroepsopleiding hebben.
2. Indien ten aanzien van een
beroepsopleiding toepassing is gegeven aan artikel 6.1.5b, eerste lid,
6.2.3b, eerste lid, dan wel 6.3.2, eerste lid, is het bevoegd gezag
voor die beroepsopleiding gehouden toepassing te geven aan het eerste
lid.
3. Het bevoegd gezag kan de examinering
van examendeelnemers die op grond van een samenwerkingsovereenkomst
als bedoeld in artikel 8.4.2 een assistentopleiding volgen, onder zijn
verantwoordelijkheid laten uitvoeren door het bevoegd gezag van een
school voor voortgezet onderwijs.
Artikel 7.4.5. Examencommissie
1.Het bevoegd gezag van een instelling
of exameninstelling stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer
bevoegde gezagsorganen van andere instellingen, een examencommissie in
ten behoeve van de organisatie en het afnemen van de examens voor elke
door de instelling verzorgde opleiding of voor groepen van
opleidingen.
2.Het bevoegd gezag benoemt de leden
van de examencommissie.
Artikel 7.4.6. Bewijsstukken van
afgelegde toetsen, examenonderdelen en examens
1.Ten bewijze dat een toets of
examenonderdeel met goed gevolg is afgelegd, reikt de examencommissie
een bewijsstuk uit. Indien het examenonderdeel een deelkwalificatie
betreft reikt de examencommissie een certificaat uit. Ten bewijze dat
een examen met goed gevolg is afgelegd reikt de examencommissie een
diploma uit. Het examen van beroepsopleidingen is eerst dan met goed
gevolg afgesloten wanneer zowel de beroepspraktijkvorming als het
overige deel van het onderricht met goed gevolg zijn afgesloten.
2.De bewijsstukken, bedoeld in het
eerste lid, vermelden, voorzover zij betrekking hebben op een
beroepsopleiding:
a. de naam van het kenniscentrum
beroepsopleidingen bedrijfsleven op voorstel waarvan de eindtermen
van die beroepsopleiding zijn vastgesteld, en
b. de naam van de instelling
waaraan de deelnemer is ingeschreven.
Artikel 7.4.7. Internationale
diplomawaardering
1.Onze Minister kan een rechtspersoon
aanwijzen die tot taak heeft het desgevraagd, aan belanghebbenden of
aan de op grond van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties
bevoegde autoriteiten, verstrekken van op vergelijking van opleidingen
berustende waarderingen of vergelijkingen:
a. van buitenlandse diploma’s of
certificaten als bedoeld in die wet alsmede van andere
buitenlandse diploma's, met
b. de getuigschriften van
overeenkomstige Nederlandse beroepsopleidingen.
2.Bij de vergelijkingen en waarderingen
wordt zo mogelijk aangegeven tot welke soort in artikel 7.2.2, eerste
lid, bedoelde beroepsopleiding de desbetreffende opleiding kan worden
gerekend en met welke in het Centraal register vermelde
beroepsopleiding die opleiding vergelijkbaar is of kan worden
gelijkgesteld.
3.De vergelijking of waardering wordt
slechts verstrekt:
a. op verzoek van de autoriteit,
bedoeld in artikel 8 van de in het eerste lid genoemde wet, ten
behoeve van aanvragen van EG-verklaringen als bedoeld in artikel
10 van die wet,
b. indien deze noodzakelijk is voor
deelneming van personen met een buitenlandse beroepskwalificatie
aan een Nederlandse beroepsopleiding, of
c. indien deze noodzakelijk is voor
deelneming van personen met een buitenlandse beroepskwalificatie
aan de Nederlandse arbeidsmarkt op een niveau dat overeenkomt met
een in artikel 7.2.2 bedoeld niveau van beroepsuitoefening.
4.Onze minister kan beleidsregels
stellen met het oog op een doelmatige vervulling van de in het eerste
lid genoemde taken door de rechtspersoon.
5.De rechtspersoon verstrekt
desgevraagd aan Onze Minister alle voor de uitoefening van diens taak
redelijkerwijs benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage
vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de
vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
6.Indien naar het oordeel van Onze
Minister de rechtspersoon zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze
Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen. De voorzieningen
worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan
nadat de rechtspersoon in de gelegenheid is gesteld om binnen een door
Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te
voeren. Onze Minister stelt de beide kamers der Staten-Generaal
onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld
in de eerste volzin.
7.Onze minister verstrekt, onder door
hem op te leggen verplichtingen, aan de rechtspersoon jaarlijks uit 's
Rijks kas middelen ten behoeve van de uitvoering van de in het eerste
lid genoemde taken.
Artikel 7.4.8. Zorgplicht regeling voor
onderwijsprogramma en examens; deelnemersstatuut
1.Het bevoegd gezag zorgt voor een
goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de
examinering.
2.Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat
deelnemers volledig en tijdig worden geïnformeerd over het
onderwijsprogramma en de examens.
3.Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat
voltijdse beroepsopleidingen aantoonbaar voldoen aan de eisen van
artikel 7.2.7, derde lid.
4.Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de
instelling beschikt over een deelnemersstatuut waarin de rechten en
plichten van de deelnemers zijn opgenomen.
5.De examencommissie stelt regels vast
met betrekking tot de goede gang van zaken tijdens het afnemen van de
toetsen, het examen of de examenonderdelen.
6.Indien ten aanzien van een
beroepsopleiding toepassing is gegeven aan artikel 7.4.4a, dan treedt
de examenregeling van de instelling of exameninstelling die de
examinering verzorgt in de plaats van de examenregeling van de
instelling die het onderwijs verzorgt.
Artikel 7.4.8a [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 7.4.9. Zorgplicht regeling
exameninstelling
1.Het bevoegd gezag van een
exameninstelling zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van de
examinering.
2.Het bevoegd gezag van een
exameninstelling zorgt ervoor dat de deelnemers die in dat jaar examen
willen afleggen volledig en tijdig geïnformeerd worden over de inhoud
en inrichting van de examens.
Paragraaf 1a [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9a [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9b [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9c [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9d [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9e [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9f [Vervallen per 13-06-2008]
Paragraaf 1b [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9g [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9h [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9i [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9j [Vervallen per 13-06-2008]
Artikel 7.4.9k [Vervallen per 13-06-2008]
§ 2. Examens opleidingen voortgezet
algemeen volwassenenonderwijs en Nederlands als tweede taal I en II
Artikel 7.4.10. Reikwijdte
Deze paragraaf is van toepassing op
opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en de opleidingen
Nederlands als tweede taal I en II.
Artikel 7.4.11. Examenregeling
opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen
Nederlands als tweede taal
1.Aan de deelnemers wordt gelegenheid
gegeven een examen af te leggen.
2.Artikel 7.4.5 is van overeenkomstige
toepassing.
3.Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de examens
van de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en
Nederlands als tweede taal I en II, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste
lid, onder a en c. Bij deze algemene maatregel van bestuur kunnen
tevens voorschriften worden gegeven omtrent de examenprogramma’s en
de verdeling daarvan in onderdelen.
4.Ten behoeve van de bijzondere
inrichting van het onderwijs aan een instelling kan Onze Minister
toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens het
tweede en derde lid. Onze Minister besluit binnen zes maanden na
ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes
maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan
in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking
wel tegemoet kan worden gezien.
5.Artikel 7.4.6 is van toepassing, met
dien verstande dat degene die een onderdeel van het examen Nederlands
als tweede taal I of II met goed gevolg heeft afgelegd een certificaat
ontvangt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt
bepaald onder welke voorwaarden het bezit van certificaten aanspraak
geeft op een diploma.
6.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen in afwijking van de artikelen 6:7, 7:10 en 7:24 van de Algemene
wet bestuursrecht, kortere termijnen dan in die artikelen vermeld,
worden bepaald voor de indiening van een bezwaar- of beroepschrift en
voor de daarop te nemen beslissing ter zake van de deelneming aan de
in dit artikel bedoelde examens.
Paragraaf 3 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 7.4.12 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 7.4.13 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 7.4.14 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 7.4.15 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 7.4.16 [Vervallen per 01-01-2007]
Titel 5. Commissie van beroep voor de
examens
Artikel 7.5.1. Commissie van beroep voor
de examens
1.Het bevoegd gezag van een instelling
of exameninstelling stelt al dan niet in samenwerking met een of meer
bevoegde gezagsorganen van andere instellingen of exameninstellingen
een commissie van beroep voor de examens in, dan wel sluit zich bij
een dergelijke commissie aan. Beslissingen van de examencommissie of
van de examinatoren kunnen worden onderworpen aan het oordeel van een
commissie van beroep voor de examens.
2.De commissie van beroep voor de
examens bestaat uit een even aantal gewone leden en evenveel
plaatsvervangende leden, een voorzitter, tevens lid, en een
plaatsvervangend voorzitter.
3.De voorzitter, de plaatsvervangend
voorzitter en de overige leden en plaatsvervangende leden worden door
het bevoegd gezag benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten
hoogste vijf jaar. Zij zijn opnieuw benoembaar. De leden en de
plaatsvervangende leden maken geen deel uit van het bevoegd gezag, van
de inspectie of van een in artikel 7.4.5 bedoelde examencommissie of
examinator tegen de beslissing waarvan onderscheidenlijk van wie
beroep kan worden ingesteld bij de commissie van beroep, noch zijn zij
belast met de in artikel 7.2.8, tweede lid, onder c, bedoelde
beoordeling.
4.Op eigen verzoek wordt aan de leden
en plaatsvervangende leden van de commissie van beroep voor de examens
ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar
wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij
worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken
ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij
onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn
veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de derde volzin
bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot
ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich ter
zake te doen horen.
Artikel 7.5.2. Bevoegdheid commissie van
beroep voor de examens
1. De commissie van beroep voor de
examens oordeelt over beslissingen van de examencommissie of van de
examinatoren.
2. De termijn voor het indienen van het
beroepschrift bedraagt, wat de openbare instellingen betreft in
afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, twee
weken.
3. De commissie beslist binnen vier
weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen
van het beroepschrift is verstreken, wat de openbare instellingen
betreft in afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, tenzij de commissie deze termijn heeft verlengd met ten
hoogste twee weken.
4. De commissie stelt een onderzoek in
alvorens te beslissen. Zij stelt bij haar beslissing zo nodig vast op
welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld
het examen geheel of gedeeltelijk af te leggen.
5. De commissie maakt haar beslissing
bekend aan de kandidaat, aan de ouders, voogden of verzorgers van de
kandidaat indien deze minderjarig is, aan het bevoegd gezag, aan het
bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt,
en aan de inspectie.
6. Indien de commissie het beroep
gegrond acht, vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk. De
commissie is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk
vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen, wat de openbare
instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van de Algemene wet
bestuursrecht. Zij kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is
geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het examen of
enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door de commissie
te stellen voorwaarden. De examencommissie of de examinator van wie de
beslissing is vernietigd, voorziet voor zover nodig opnieuw in de zaak
met inachtneming van de uitspraak van de commissie van beroep voor de
examens. De commissie kan daarvoor in haar uitspraak een termijn
stellen.
Artikel 7.5.3. Voorlopige voorziening;
herziening
1.In zaken waarin het belang van de
appellant een onverwijlde voorziening bij voorraad vordert, kan deze
bij met redenen omkleed verzoekschrift, in afwachting van de uitspraak
in de hoofdzaak, aan de voorzitter van de commissie van beroep voor de
examens een voorlopige voorziening vragen. De voorzitter beslist op
dat verzoek na de desbetreffende examencommissie dan wel de
desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans te hebben
opgeroepen.
2.Herziening van een uitspraak van de
commissie kan op verzoek van elk van beide partijen plaatsvinden op
grond van nader gebleken feiten of omstandigheden die indien deze
eerder bekend waren geweest tot een andere uitspraak zouden hebben
kunnen leiden.
Artikel 7.5.4. Inlichtingen
De leden van de examencommissie en de
examinatoren verstrekken aan de commissie van beroep voor de examens de
inlichtingen die zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt.
Artikel 7.5.5 [Vervallen per 01-01-2007]
Titel 6 [Vervallen per 01-08-2004]
Artikel 7.6.1 [Vervallen per 01-08-2004]
Titel 7. Practicumplaatsen voor studenten
in opleiding
Artikel 7.7.1. Practicumplaatsen voor
studenten in opleiding
1.Het bevoegd gezag van een instelling
is verplicht, studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding voor
het beroep van leraar waarop de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, of die anderszins
studeren voor een bewijs van voldoende pedagogische bekwaamheid, en
die in opleiding zijn voor een functie in het onderwijs, gelegenheid
te bieden de als onderdeel van hun opleiding vereiste ervaring in de
instelling te verkrijgen.
2.De in het eerste lid bedoelde
verplichting omvat 5% van het in het desbetreffende studiejaar door de
instelling in totaal te verzorgen beroepsonderwijs en educatie. Het
bevoegd gezag kan een hoger percentage vaststellen mits dat in
overeenstemming is met de goede gang van zaken binnen de instelling.
3.Het bevoegd gezag kan een student de
verdere toegang tot de instelling ontzeggen, indien deze in de
instelling in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de
instelling. Van een besluit tot ontzegging van de toegang tot de
instelling wordt mededeling gedaan door toezending of uitreiking van
een afschrift aan het bevoegd gezag van de betrokken
opleidingsinstelling dan wel aan de betrokken staatsexamencommissie,
en aan de inspectie. Indien het bevoegd gezag van een bijzondere
school een student de toegang weigert, maakt het dit besluit,
schriftelijk en met redenen omkleed, bekend door toezending of
uitreiking aan de student, onverminderd het bepaalde in de vorige
volzin.
4.Het bevoegd gezag van de instelling
regelt de werkzaamheden in verband met de begeleiding door de leraren
van de studenten in de instelling in overeenstemming met de leraren,
alsmede in overeenstemming met de betrokken opleidingsinstellingen,
dan wel, indien het betreft studenten die zich voorbereiden op het
afleggen van een staatsexamen ter verkrijging van een bewijs van
bekwaamheid of een bewijs van voldoende pedagogische en didactische
voorbereiding, in overeenstemming met de betrokken
staatsexamencommissie.
5.Onze Minister kan het bevoegd gezag
op grond van bijzondere omstandigheden gehele of gedeeltelijke
ontheffing van de in het eerste lid bedoelde verplichting verlenen. De
ontheffing geldt voor een studiejaar.
6.De instellingen waarbij studenten als
bedoeld in het eerste lid zijn toegelaten, zijn toegankelijk voor de
inspectie, belast met het toezicht op de opleidingsinstellingen, voor
de directieleden en de door deze aan te wijzen docenten van die
opleidingsinstellingen, alsmede voor de leden van de betrokken
staatsexamencommissies, een en ander voor zover dat voor de
uitoefening van het toezicht op de praktische vorming
onderscheidenlijk de begeleiding van de praktische vorming van de in
de instelling aanwezige studenten noodzakelijk is.
Hoofdstuk 8. Inschrijving,
vooropleidingseisen, voortijdig schoolverlaten
Titel 1. Inschrijving
Artikel 8.1.1. Inschrijving
1. Een ieder die gebruik wenst te
kunnen maken van onderwijsvoorzieningen en examenvoorzieningen, dient
zich door het bevoegd gezag als deelnemer te laten inschrijven. Een
ieder die uitsluitend wenst te worden toegelaten tot
examenvoorzieningen, dient zich door het bevoegd gezag als
examendeelnemer te laten inschrijven. Voor de inschrijving als
examendeelnemer is aan het bevoegd gezag een door dat gezag te bepalen
vergoeding verschuldigd. Indien het een meerderjarige examendeelnemer
betreft die het examengeld niet zelf voldoet, wordt niet overgegaan
tot inschrijving dan nadat de deelnemer schriftelijk heeft verklaard
dat hij ermee instemt dat een in die verklaring vermelde derde namens
hem het examengeld voldoet. De inschrijving voor een opleiding of een
onderdeel van een opleiding staat uitsluitend open voor degene waarvan
de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel, indien hij
meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij:
a. de Nederlandse nationaliteit
bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander
wordt behandeld,
b. vreemdeling is en jonger is dan
18 jaar op de eerste dag waarop de opleiding of het onderdeel van
de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving
wordt gewenst,
c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder
is op de eerste dag waarop de opleiding of het onderdeel van de
opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt
gewenst en op die dag rechtmatig verblijft houdt in de zin van
artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, of
d. vreemdeling is, niet meer
voldoet aan een van de voorwaarden genoemd onder b of c, en eerder
in overeenstemming met een van die onderdelen is ingeschreven voor
een opleiding of het onderdeel van de opleiding van een
instelling, welke opleiding of welk onderdeel van de opleiding nog
steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid.
1a. Indien na de inschrijving voor de
opleiding of een onderdeel van de opleiding blijkt dat deze op welke
grond dan ook niet in overeenstemming met de vijfde volzin van het
eerste lid heeft plaatsgevonden, wordt de onderwijsovereenkomst,
bedoeld in artikel 8.1.3, met onmiddellijke ingang ontbonden.
2. De inschrijving geschiedt voor een
opleiding, dan wel een onderdeel daarvan. Indien het verzoek om
inschrijving betrekking heeft op een beroepsopleiding, wordt daarbij
aangegeven op welke leerweg het verzoek van toepassing is. Tevens
wordt bij de inschrijving vastgelegd of sprake is van inschrijving
voor een opleidingstraject als bedoeld in artikel 7.4.8, eerste lid,
onder f.
3. De inschrijving staat uitsluitend
open voor degenen ten aanzien van wie het bevoegd gezag beslist dat
zij tot de instelling worden toegelaten, onverminderd de vierde volzin
van het eerste lid, het vijfde lid en artikel 8.1.6. Het bevoegd gezag
kan het nemen van de beslissing over de toelating opdragen aan een
door hem in te stellen toelatingscommissie. Het bevoegd gezag regelt
de bevoegdheden en de werkzaamheden van de toelatingscommissie.
4. De toelating tot beroepsopleidingen
staat voor zover het de beroepsbegeleidende leerweg betreft,
uitsluitend open voor degenen voor wie de volledige leerplicht,
bedoeld in paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969, is geëindigd.
5. In afwijking van het derde lid en
met inachtneming van artikel 8.2.1 en het krachtens artikel 8.2.2
bepaalde” doch onverminderd de vierde volzin van het eerste lid,
staat de inschrijving voor een assistentopleiding of
basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, open
voor een ieder, met dien verstande dat het bevoegd gezag van een
bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden
ingeschreven, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de
instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan
wel ingetrokken indien de betrokkene de grondslag en de doelstellingen
van de instelling niet respecteert. De inschrijving aan een bijzondere
instelling kan eveneens worden geweigerd dan wel ingetrokken indien
gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en de
daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate
afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel indien
is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan
verbonden rechten een dergelijk misbruik heeft gemaakt. De weigering
dan wel intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is
met redenen omkleed. De inschrijving kan niet worden ingetrokken op
grond van de tweede volzin indien voor betrokkene geen gelegenheid
bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen.
6. De toelating tot opleidingen
educatie staat uitsluitend open voor volwassenen. De toelating tot de
opleidingen educatie, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdelen
c en d, staat tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
tijdstip niet open voor volwassenen die:
a. inburgeringsplichtig zijn in de
zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet inburgering,
b. behoren tot de categorie
personen voor wie bij regeling van Onze Minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie per 1 januari 2007 een
voorziening in het kader van inburgering is getroffen en die niet
in het kader van die regeling het inburgeringsexamen, bedoeld in
artikel 13 van de Wet inburgering, hebben afgelegd, of
c. vrijwillige inburgeraar zijn in
de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel r, van de Wet
inburgering en die niet het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel
13 van de Wet inburgering, hebben afgelegd.
Artikel 8.1.1a. Te verstrekken gegevens
bij inschrijving
1. De inschrijving bij een instelling,
bedoeld in artikel 8.1.1, vindt slechts plaats nadat door de deelnemer
of, indien deze minderjarig is, door de ouders, voogden of verzorgers
de gegevens betreffende de geslachtsnaam, de voorletters, de
geboortedatum, het geslacht en het persoonsgebonden nummer van de
deelnemer zijn overgelegd. Indien door de deelnemer of, indien deze
minderjarig is, door de ouders, voogden of verzorgers aannemelijk
wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer van de deelnemer kan
worden overgelegd, vindt de inschrijving plaats met inachtneming van
het derde lid.
2. De in het eerste lid bedoelde
gegevens worden overgelegd door middel van een van overheidswege
verstrekt document dan wel een door een andere school of een school of
instelling voor ander onderwijs verstrekt bewijs van uitschrijving,
waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen.
3. Indien door de deelnemer of, indien
deze minderjarig is, door de ouders, voogden of verzorgers aannemelijk
wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer van de leerling kan
worden overgelegd, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na het
besluit tot inschrijving aan Onze Minister de beschikbare gegevens van
de deelnemer, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en
woonplaats en, indien aanwezig, het leerlingadministratienummer.
4. Onze Minister verstrekt binnen acht
weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het derde lid, aan het
bevoegd gezag het burgerservicenummer van de deelnemer, dan wel,
indien is gebleken dat hem niet van overheidswege een
burgerservicenummer is verstrekt, het onderwijsnummer van de
deelnemer. Het onderwijsnummer is een door Onze Minister uitgegeven en
aan de deelnemer toegekend persoonsgebonden nummer.
5. Het bevoegd gezag neemt de in het
eerste en vierde lid bedoelde gegevens op in de administratie van de
instelling.
6. Indien aan een deelnemer een
onderwijsnummer is toegekend en het bevoegd gezag daarna de
beschikking krijgt over zijn burgerservicenummer, neemt het bevoegd
gezag dit burgerservicenummer terstond als persoonsgebonden nummer op
in de administratie van de instelling in de plaats van het
onderwijsnummer. Het bevoegd gezag meldt deze wijziging binnen twee
weken aan Onze Minister onder opgave van het burgerservicenummer en
het onderwijsnummer van de deelnemer.
Artikel 8.1.2. Nadere voorschriften
toelating
1.Indien binnen redelijke afstand van
de woning van de deelnemer niet de gelegenheid bestaat tot het volgen
van het onderwijs aan een openbare instelling, mag aan deze deelnemer
de toelating tot een bijzondere instelling niet worden geweigerd op
grond van godsdienst of levensbeschouwing.
2.Openbare instellingen zijn
toegankelijk voor deelnemers zonder onderscheid naar godsdienst of
levensbeschouwing.
Artikel 8.1.3. Onderwijsovereenkomst
1. Aan de inschrijving ligt een
overeenkomst tussen het bevoegd gezag en de deelnemer ten grondslag.
2. De overeenkomst wordt,
overeenkomstig een door het bevoegd gezag vastgesteld model,
schriftelijk aangegaan. De overeenkomst wordt gesloten voor de duur
van de opleiding dan wel voor het deel van de opleiding waarop de
inschrijving betrekking heeft.
3. De overeenkomst regelt de rechten en
verplichtingen van partijen, daaronder begrepen die, welke
voortvloeien uit de wet, en omvat ten minste bepalingen over:
a. de inhoud en inrichting van de
opleiding, waaronder voor een beroepsopleiding begrepen het
voltijdse of deeltijdse karakter en de leerweg, alsmede de
examenvoorzieningen,
b. de tijdvakken waarbinnen en,
voor zover mogelijk, de lokaties waarop het onderwijs verzorgd
wordt,
c. de wijze waarop partijen uit de
overeenkomst voortkomende prestaties gestalte zullen geven,
d. in voorkomend geval,
terugbetaling van voorschotten, verstrekt door het bevoegd gezag,
ter voldoening van een bij of krachtens de wet geregelde
geldelijke bijdrage als bedoeld in artikel 8.1.4, en
e. de terugbetaling van cursusgeld
in andere gevallen dan bedoeld in artikel 14, tweede lid onder a
tot en met d, van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet
2000.
3a. De overeenkomst met betrekking tot
een opleiding als bedoeld in artikel 12.1a.1, eerste lid, of artikel
12.1a.2, eerste lid, bevat tevens de regeling, bedoeld in de laatste
volzin van die artikelleden.
4. Indien tot een bijzondere instelling
andere deelnemers worden toegelaten dan voor wie de instelling in
verband met de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting wordt in
stand gehouden, kunnen deze deelnemers niet worden verplicht tot het
volgen van onderwijs dat in verband met die richting door de
instelling wordt verzorgd.
5. Definitieve verwijdering van een
deelnemer waarop de Leerplichtwet 1969 van toepassing is, vindt niet
plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een
andere instelling, een school voor speciaal onderwijs of een school
voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een instelling
als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Leerplichtwet 1969 bereid is
de deelnemer toe te laten. Indien aantoonbaar gedurende 8 weken zonder
succes is gezocht naar een zodanige instelling of school waarnaar kan
worden verwezen, kan in afwijking van de eerste volzin tot definitieve
verwijdering worden overgegaan.
6. Dit artikel is van overeenkomstige
toepassing op examendeelnemers als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste
lid.
Artikel 8.1.4. Onderwijsbijdragen
De inschrijving wordt niet afhankelijk
gesteld van een andere dan een bij of krachtens de wet geregelde
geldelijke bijdrage.
Artikel 8.1.5 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 8.1.6 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 8.1.7. Controle op langdurige
afwezigheid
1. Het bevoegd gezag stelt van iedere
aan de instelling ingeschreven deelnemer die valt onder de werking van
de Wet studiefinanciering 2000 of van de Wet tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten, vast, of deze deelnemer gedurende
een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder geldige reden
niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. In afwijking van de vorige
volzin kan Onze Minister bepalen dat voor soorten van onderwijs als
bedoeld in deze wet, de in die volzin bedoelde vaststelling wordt
gedaan indien een ingeschreven deelnemer in een of meer vakken niet
aan het onderwijs heeft deelgenomen. Onder afwezigheid met geldige
reden wordt verstaan afwezigheid wegens ziekte van de deelnemer, welke
ziekte uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een
gedagtekende verklaring van een arts, en afwezigheid wegens bijzondere
familie-omstandigheden.
2. Het bevoegd gezag meldt uiterlijk op
de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid van 5 weken
aan de deelnemer dat daarvan in de administratie van de instelling
aantekening is gemaakt en verzoekt de deelnemer om opgaaf van de reden
van de afwezigheid.
3. Uiterlijk op de vijfde werkdag na de
periode van 8 weken stelt het bevoegd gezag vast:
a. of de reden die de deelnemer
binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf voor
zijn afwezigheid, een geldige is, of
b. dat de deelnemer binnen 8 weken
na de aanvang van de periode van 5 weken geen reden heeft
opgegeven voor zijn afwezigheid.
4. Het bevoegd gezag stelt tevens
uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van 8 weken
vast of de deelnemer voor het einde van die periode weer aan het
onderwijs is gaan deelnemen.
5. Het bevoegd gezag meldt uiterlijk de
vijfde werkdag na afloop van een periode van 8 weken aan Onze Minister
de deelnemer die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5
weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft
deelgenomen. Tevens meldt het indien die deelnemer voor het einde van
de periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen de
datum ervan.
6. De periode van 5 weken en de periode
van 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen
onderwijs werd verzorgd. Zij wordt geacht niet te zijn onderbroken
door deze vakantieweken.
7. Het bevoegd gezag stuurt
gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vijfde lid, een
afschrift van de gegevens die over de betrokken deelnemer aan Onze
Minister zijn verstrekt aan deze betrokkene. Het bevoegd gezag geeft
daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in het eerste lid,
gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene op grond van
de Wet studiefinanciering 2000of voor de tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten van betrokkene op grond van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, alsmede welke
beroepsgang voor betrokkene tegen de mededeling, bedoeld in het vijfde
lid, open staat.
8. Indien het bevoegd gezag van een
bijzondere instelling aan Onze Minister de in het vijfde lid bedoelde
mededeling heeft gedaan, kan de deelnemer binnen 6 weken na ontvangst
van de gegevens, bedoeld in het zevende lid, bij het bevoegd gezag
schriftelijk bedenkingen uiten tegen die mededeling.
9. Onder «deelnemer» als bedoeld in
het vijfde en zevende lid wordt verstaan de deelnemer die
a. een assistentopleiding of een
basisberoepsopleiding volgt als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste
lid, onderdelen a of b,
b. een andere opleiding als bedoeld
in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel f, volgt waarvan bij
ministeriële regeling is aangegeven dat deze voor de toepassing
van de Wet studiefinanciering 2000 wordt aangemerkt als een
opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a
of b, of
c. voor 1 augustus 2005
studiefinanciering in de zin van de Wet studiefinanciering 2000
ontving.
Artikel 8.1.8. Melding verwijdering
niet-leerplichtigen
1. Het bevoegd gezag doet onverwijld
opgave aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
betrokkene woon- of verblijfplaats heeft van de gegevens van degene
a. op wie de Leerplichtwet 1969
niet meer van toepassing is en die de leeftijd van 23 jaren nog
niet heeft bereikt,
b. die niet in het bezit is van een
diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste
lid, onderdelen b tot en met e, dan wel een diploma voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs
als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk artikel 8 van de Wet op
het voortgezet onderwijs, en
c. die bij de instelling wordt
verwijderd.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het eerste lid.
Artikel 8.1.8a. Melding verzuim
niet-leerplichtigen
1. Het bevoegd gezag doet onverwijld
opgave aan Onze Minister van de gegevens van degene die voldoet aan
artikel 8.1.8, eerste lid, onderdelen a en b, en die het onderwijs of
de educatie aan de instelling gedurende een aaneengesloten periode van
ten minste een maand of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere
periode zonder geldige reden niet meer volgt.
2. Onze Minister neemt de op grond van
dit artikel door het bevoegd gezag verstrekte gegevens op in het
meldingsregister relatief verzuim.
3. Onze Minister bericht burgemeester
en wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of
verblijfplaats heeft onverwijld na ontvangst van de opgave, bedoeld in
het eerste lid, dat een zodanige opgave heeft plaatsgevonden.
4. Onze Minister verstrekt uit het
meldingsregister relatief verzuim aan het betrokken bevoegd gezag en
aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene
woon- of verblijfplaats heeft de ter zake van die betrokkene
geregistreerde gegevens.
5. Burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft melden aan
Onze Minister telkens de status van de behandeling van de ter zake van
de betrokkene gedane opgave, bedoeld in het eerste lid.
6. Onze Minister neemt de op grond van
dit artikel door burgemeester en wethouders verstrekte gegevens op in
het meldingsregister relatief verzuim.
7. Het betrokken bevoegd gezag en
burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of
verblijfplaats heeft, zijn bevoegd het meldingsregister relatief
verzuim te raadplegen voor zover het betreft de ter zake van die
betrokkene geregistreerde gegevens.
8. Het bevoegd gezag kan de gegevens,
bedoeld in het eerste lid, verstrekken aan burgemeester en wethouders
van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft.
9. Bij de verwerking van gegevens,
bedoeld in dit artikel, wordt het persoonsgebonden nummer van de
betrokkene gebruikt.
10. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van de verstrekking
van gegevens op grond van het eerste en vijfde lid en wordt een nadere
specificatie gegeven van de gegevens die op grond van het eerste en
vijfde lid worden verstrekt.
11. De gegevens die worden verstrekt op
grond van het eerste lid kunnen persoonsgegevens als bedoeld in
artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens omvatten, met
uitzondering van gegevens over ras, politieke gezindheid, seksueel
leven of het lidmaatschap van een vakvereniging, voor zover deze
persoonsgegevens noodzakelijk zijn met het oog op de
informatieverstrekking over de achtergronden van het verzuim.
Titel 2. Vooropleidingseisen
Artikel 8.2.1. Vooropleidingseisen
1.Vereiste voor inschrijving voor een
vakopleiding en een middenkaderopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2,
eerste lid, is met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel
8.2.2 het bezit van:
a. een diploma lager
beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of
een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover
het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg,
b. een diploma middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg,
c. een diploma mavo-vbo, of een
diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het
betreft de gemengde leerweg,
d. een bewijs dat de eerste drie
leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs
of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
met gunstig gevolg zijn doorlopen, of
e. een ander bij ministeriële
regeling aangewezen diploma of bewijsstuk.
2.Vereiste voor inschrijving voor een
specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is het
bezit van een diploma vakopleiding voor eenzelfde beroep of
beroepencategorie.
3.Indien een assistentopleiding en een
basisberoepsopleiding voorbereiden op eenzelfde beroep of
beroepencategorie, bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid, is, met
inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 8.2.2, voor de
inschrijving voor de basisberoepsopleiding vereist het bezit van
a. een diploma lager
beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of
een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover
het betreft de basisberoepsgerichte leerweg of de
kaderberoepsgerichte leerweg,
b. een diploma middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg,
c. een diploma mavo-vbo, of een
diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het
betreft de gemengde leerweg,
d. een bewijs dat de eerste drie
leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs
of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
met gunstig gevolg zijn doorlopen, of
e. een ander bij ministeriële
regeling aangewezen diploma of bewijsstuk.
Indien een assistentopleiding en een
basisberoepsopleiding niet voorbereiden op eenzelfde beroep of
beroepencategorie, bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid, geldt, in
afwijking van artikel 8.2.2, eerste lid, voor inschrijving voor een in
de eerste volzin bedoelde basisberoepsopleiding geen
vooropleidingseis.
4.Voor de inschrijving voor een
assistentopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, en voor
de inschrijving voor een opleiding educatie, gelden geen
vooropleidingseisen.
5.Het bevoegd gezag kan in bijzondere
gevallen afwijken van het eerste tot en met derde lid, indien de
deelnemer naar verwachting het onderwijs in de desbetreffende
beroepsopleiding met voldoende resultaat zal kunnen volgen.
6.Dit artikel is van overeenkomstige
toepassing op examendeelnemers als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste
lid.
Artikel 8.2.2. Nadere vooropleidingseisen
1.Op voorstel van organisaties in het
voortgezet onderwijs, vertegenwoordigers van de instellingen, de
kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 9.2.1,
tweede lid, onderdeel a, en de commissies onderwijs-bedrijfsleven,
bedoeld in artikel 9.2.1, derde lid, worden bij ministeriële regeling
aangewezen de sectoren, bedoeld in de artikelen 10, 10b en 10d van de
Wet op het voortgezet onderwijs, waarop het diploma middelbaar
algemeen voortgezet onderwijs, het diploma voorbereidend
beroepsonderwijs, het diploma mavo-vbo en de diploma's voorbereidend
middelbaar beroepsonderwijs betrekking moeten hebben, alsmede vakken
en andere programma-onderdelen die deel moeten hebben uitgemaakt van
het examen ter verkrijging van een van deze diploma's, om te kunnen
worden ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2,
eerste lid, onderdelen b tot en met e.
2.In de ministeriële regeling kan
onderscheid worden gemaakt naar groepen van deelnemers, dan wel kan
worden bepaald dat de regeling niet van toepassing is op groepen van
deelnemers.
Titel 3. Bestrijding voortijdig
schoolverlaten niet-leerplichtigen
Artikel 8.3.1. Voortijdige schoolverlater
1.Onder een voortijdige schoolverlater
in de zin van deze titel wordt verstaan degene op wie artikel 8.1.8,
eerste lid onder a en b, van toepassing is en
a. die het onderwijs of de educatie
aan de instelling waaraan hij is ingeschreven gedurende een
aaneengesloten periode van ten minste een maand of een door het
bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden niet
meer volgt, of
b. die niet meer aan een instelling
is ingeschreven en evenmin is ingeschreven aan een school als
bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel aan een
school of instelling als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.
2.Voor zover nodig in afwijking van het
eerste lid wordt onder een voortijdig schoolverlater niet verstaan
degene die in het bezit is van een diploma van een opleiding als
bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onderdeel a, dan wel een
getuigschrift van het praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van
de Wet op het voortgezet onderwijs en werkzaam is op grond van een
aanstelling of arbeidsovereenkomst.
Artikel 8.3.2. Bestrijding voortijdig
schoolverlaten door gemeente
1. Burgemeester en wethouders dragen
zorg voor registratie van de gegevens die het bevoegd gezag ingevolge
artikel 8.1.8 heeft gemeld of waarover zij op grond van artikel 8.1.8a
of op grond van artikel 24f, derde en vierde lid, van de Wet op het
onderwijstoezicht beschikken. Burgemeester en wethouders dragen
bovendien zorg voor een systeem van doorverwijzing naar onderwijs of
arbeidsmarkt van de in artikel 8.3.1 bedoelde voortijdige
schoolverlaters en voor het onderhoud van dit systeem. Het systeem
heeft mede betrekking op de gegevens waarover de gemeente beschikt in
het kader van de uitvoering van de Leerplichtwet 1969. Voor de
uitvoering van de eerste en tweede volzin kunnen bij ministeriële
regeling nadere voorschriften worden vastgesteld.
2. Voor de vervulling van hun in het
eerste lid bedoelde taken werken de colleges van burgemeester en
wethouders samen binnen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur vastgestelde regio's. Zij maken tevens afspraken met
instellingen, scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs, scholen en instellingen als bedoeld in de Wet op de
expertisecentra en organisaties die zijn betrokken bij het voorkomen
en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.
3. De colleges van burgemeester en
wethouders in een regio wijzen uit hun midden een contactgemeente aan.
Deze aanwijzing wordt onverwijld gemeld aan Onze Minister.
Burgemeester en wethouders van de contactgemeente vervullen
coördinerende taken met het oog op het voorkomen en bestrijden van
voortijdig schoolverlaten. In dat verband:
a. maken zij afspraken met de in
het tweede lid bedoelde scholen, instellingen en organisaties over
de inzet en verantwoordelijkheid bij het voorkomen en bestrijden
van voortijdig schoolverlaten;
b. dragen zij zorg voor de
totstandkoming van een regionaal netwerk van die scholen,
instellingen en organisaties;
c. organiseren en coördineren zij
de in het eerste lid bedoelde melding, registratie en
doorverwijzing.
4. Indien colleges van burgemeester en
wethouders in een regio een andere contactgemeente aanwijzen, dragen
burgemeester en wethouders van de vorige contactgemeente alle
bescheiden die betrekking hebben op de uitvoering van dit artikel over
aan burgemeester en wethouders van de opvolgende contactgemeente. De
wijziging van de aanwijzing wordt onverwijld gemeld aan Onze Minister.
5. Ter tegemoetkoming in de kosten van
uitvoering van het eerste tot en met derde lid kent Onze Minister
binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde
middelen jaarlijks uiterlijk in september ten behoeve van de
activiteiten van de colleges van burgemeester en wethouders in de
regio aan de contactgemeente een specifieke uitkering toe. Deze
uitkering heeft betrekking op het daarop volgende kalenderjaar. De
contactgemeente draagt er zorg voor dat de colleges van burgemeester
en wethouders in de regio gebruik kunnen maken van de instrumenten die
met behulp van deze uitkering zijn verwezenlijkt. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven voor de
berekening en betaling van de uitkering. De berekening geschiedt in
elk geval aan de hand van het aantal volwassen inwoners van de
gemeenten in de regio op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het
jaar van de uitkering, waarbij rekening wordt gehouden met het
opleidingsniveau en met de etnische achtergrond van die inwoners. Bij
de berekening van een deel van de uitkering kunnen de volwassen
inwoners van gemeenten die op grond van een andere regeling reeds een
vergoeding voor de bestrijding van voortijdig schoolverlaten
ontvangen, buiten beschouwing worden gelaten. Onze Minister hanteert
het aantal volwassen inwoners van de gemeenten in de regio dat blijkt
uit de gegevens die het Centraal Bureau voor de Statistiek op verzoek
van Onze Minister daarover verstrekt.
6. Het bevoegd gezag geeft aan de door
burgemeester en wethouders aangewezen personen alle gevraagde
bescheiden ter inzage en verstrekt de gevraagde inlichtingen die van
belang zijn voor het voorkomen en bestrijden van voortijdig
schoolverlaten.
7. De gemeenteraden in een regio
stellen streefcijfers vast voor de in die regio te behalen resultaten.
Burgemeester en wethouders van de contactgemeente stellen mede namens
de andere gemeenten in de regio jaarlijks een effectrapportage vast
waarin zowel de streefcijfers als de bereikte resultaten zijn
aangegeven en waarin afwijkingen worden toegelicht.
8. Indien burgemeester en wethouders
van de contactgemeente het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en
met zevende lid niet nakomen, kan Onze Minister de uitkering geheel of
gedeeltelijk inhouden of opschorten. Onze Minister gaat niet over tot
gehele of gedeeltelijke inhouding dan na overleg met burgemeester en
wethouders van de contactgemeente. Onze Minister kan de uitkering
wederom toekennen indien de reden voor inhouding of opschorting is
vervallen.
9. Onze Minister kan de in het vijfde
lid bedoelde uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien uit
de informatie, bedoeld in artikel 17a van de
Financiële-verhoudingswet, niet blijkt dat de uitkering is besteed in
overeenstemming met dit artikel.
Artikel 8.3.3. Informatie over voortijdig
schoolverlaten
1.Burgemeester en wethouders van de
contactgemeente zenden de in artikel 8.3.2, zevende lid, bedoelde
effectrapportage aan Onze Minister.
2.Burgemeester en wethouders zijn
gehouden aan de door Onze Minister aangewezen personen alle gevraagde
bescheiden ter inzage te geven en de gevraagde inlichtingen te
verstrekken die van belang zijn voor het door Onze Minister te voeren
beleid met betrekking tot het voortijdig schoolverlaten door
niet-leerplichtigen.
3.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere voorschriften worden gegeven omtrent het tijdstip van indiening
en de inrichting van de effectrapportage en inzake de wijze van
beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het tweede lid.
Titel 4. Samenwerking in verband met
leer-werktrajecten vmbo en assistentopleiding in het vmbo
Artikel 8.4.1. Samenwerkingsovereenkomst
leer-werktrajecten vmbo
1.Leer-werktrajecten als bedoeld in
artikel 10b1 van de Wet op het voortgezet onderwijs worden verzorgd op
grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag
van een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het
voortgezet onderwijs en het bevoegd gezag van een instelling.
2.Een samenwerkingsovereenkomst als
bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 10b7 van de Wet op het
voortgezet onderwijs.
Artikel 8.4.2. Samenwerkingsovereenkomst
assistentopleiding in het vmbo
1. De assistentopleiding, bedoeld in
artikel 10b8 van de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt verzorgd op
grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag
van een instelling en het bevoegd gezag van een school voor voortgezet
onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.
2. Een samenwerkingsovereenkomst als
bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 10b9 van de Wet op het
voorgezet onderwijs.
Hoofdstuk 8a. Medezeggenschap van
deelnemers en ouders; landelijke geschillencommissie medezeggenschap
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 8a.1.1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. deelnemersraad: de deelnemersraad,
bedoeld in artikel 8a.1.2, eerste lid;
b. reglement: het reglement voor de
raad, bedoeld in artikel 8a.3.1, eerste lid;
c. commissie: de landelijke
geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in artikel 8a.4.1,
eerste lid.
Artikel 8a.1.2. Deelnemersraad
1. Aan elke instelling is een
deelnemersraad verbonden. De deelnemersraad behartigt de belangen van
de deelnemers in de instelling.
2. De deelnemersraad bestaat uit een
oneven aantal leden die uit en door de deelnemers worden gekozen.
3. De verkiezing van de leden van de
deelnemersraad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming.
4. Alle deelnemers die bij de
instelling zijn ingeschreven, zijn kiesgerechtigd voor de
deelnemersraad en kunnen zich daarvoor verkiesbaar stellen.
5. Het bevoegd gezag draagt er zorg
voor dat de leden, voormalige leden en kandidaat-leden van de
deelnemersraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap of vroegere
lidmaatschap daarvan, dan wel hun kandidatuur voor dat lidmaatschap,
worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de instelling.
6. De deelnemersraad kiest uit zijn
midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De
voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende
voorzitter, vertegenwoordigt de deelnemersraad in rechte.
Artikel 8a.1.3. Ouderraad
1. Indien ten minste 25 ouders van
deelnemers van een regionaal opleidingencentrum daarom verzoeken,
stelt het bevoegd gezag een ouderraad in. Indien van de eerste volzin
gebruik wordt gemaakt, legt het bevoegd gezag de bevoegdheden van de
ouderraad vast in het medezeggenschapsstatuut, na overleg met de
ouders die het verzoek hebben ingediend. Op een ouderraad als bedoeld
in de eerste volzin, is artikel 8a.1.2, met uitzondering van het
eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
2. Aan een agrarisch opleidingscentrum
en aan een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid,
is een ouderraad verbonden. Een ouderraad als bedoeld in de eerste
volzin, behartigt in het bijzonder de belangen van de deelnemers in de
leeftijd tot 18 jaar.
3. Indien een school voor voortgezet
onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs zich met
een regionaal opleidingencentrum verenigt tot een scholengemeenschap
als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, vormt het in de Wet
medezeggenschap op scholen bedoelde, uit en door de ouders gekozen
deel van de medezeggenschapsraad van die school voor voortgezet
onderwijs de eerste ouderraad van de scholengemeenschap. Indien een
school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in
artikel 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs zich met een
agrarisch opleidingscentrum verenigt tot een scholengemeenschap als
bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, vormen de ouderraad van het
agrarisch opleidingscentrum, bedoeld in het tweede lid, en het in de
Wet medezeggenschap op scholen bedoelde, uit en door de ouders gekozen
deel van de medezeggenschapsraad van die school voor middelbaar
algemeen voortgezet onderwijs gezamenlijk de eerste ouderraad van de
scholengemeenschap.
4. Het bevoegd gezag legt de
bevoegdheden van een ouderraad vast in het medezeggenschapsstatuut.
Voor de vaststelling is artikel 8a.2.2, derde lid, aanhef en onderdeel
a, van overeenkomstige toepassing op een ouderraad. Op een ouderraad
zijn artikel 8a.2.1, vierde lid, en titel 4 van dit hoofdstuk van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 8a.1.4. Zorgplicht
medezeggenschap; medezeggenschapsstatuut
1. Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat
binnen de instelling een volwaardige, goed functionerende en
effectieve medezeggenschap van deelnemers en, in voorkomende gevallen,
ouders plaats kan vinden waarbij ten minste wordt voldaan aan de
volgende eisen:
a. de verkiezingen zijn zodanig
geregeld dat deze kunnen leiden tot een deelnemersraad of, in
voorkomende gevallen, een ouderraad die een representatieve
vertegenwoordiging van deelnemers of ouders vormt;
b. de medezeggenschapsstructuren
sluiten zo veel mogelijk aan bij de organisatiestructuur,
besluitvormingsprocedures en verantwoordelijkheidsverdelingen
binnen de instelling.
2. Het bevoegd gezag legt de inrichting
van de medezeggenschap telkens voor een periode van ten hoogste vier
jaren vast in een medezeggenschapsstatuut. Voor de vaststelling is
artikel 8a.2.2, derde lid, aanhef en onderdeel a, van overeenkomstige
toepassing op de ondernemingsraad.
Artikel 8a.1.5. Bijeenkomst
deelnemersraad, ondernemingsraad en ouderraad
1. Het bevoegd gezag stelt de
deelnemersraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de
ouderraad ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid gezamenlijk de
algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken.
2. Het bevoegd gezag, de
deelnemersraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de
ouderraad komen voorts met elkaar bijeen indien daarom onder opgave
van redenen door één of meer der raden wordt verzocht.
Titel 2. Bevoegdheden van de
deelnemersraad
Artikel 8a.2.1. Algemene bevoegdheden
1. Het bevoegd gezag stelt de
deelnemersraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de
algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken. Het
bevoegd gezag en de deelnemersraad komen met elkaar bijeen, indien
daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het bevoegd gezag
of de deelnemersraad. De besprekingen worden namens het bevoegd gezag
gevoerd door een lid van het college van bestuur.
2. De deelnemersraad is bevoegd tot
bespreking van alle aangelegenheden, de instelling betreffende. Hij is
bevoegd over deze aangelegenheden aan het bevoegd gezag voorstellen te
doen en standpunten kenbaar te maken, alsmede het bevoegd gezag te
verplichten daarover een standpunt in te nemen en bekend te maken.
3. Het bevoegd gezag verstrekt de
deelnemersraad desgevraagd tijdig alle inlichtingen die deze voor de
vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.
4. Het bevoegd gezag draagt zorg voor
de voorzieningen die de deelnemersraad voor de vervulling van zijn
taak redelijkerwijs nodig heeft.
5. De deelnemersraad doet jaarlijks
schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat
alle bij de instelling betrokkenen van het verslag kennis kunnen
nemen.
Artikel 8a.2.2. Bijzondere bevoegdheden:
instemming, advies en hoorplicht
1. De deelnemersraad heeft de volgende
bijzondere bevoegdheden:
a. het verlenen van instemming aan
een door het bevoegd gezag voorgenomen besluit als bedoeld in het
derde lid;
b. het uitbrengen van advies over
een door het bevoegd gezag voorgenomen besluit als bedoeld in het
vierde lid.
2. De bijzondere bevoegdheden zijn niet
van toepassing, voor zover de desbetreffende aangelegenheid voor de
instelling reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens wet
gegeven voorschrift.
3. De deelnemersraad heeft
instemmingsbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen besluiten van
het bevoegd gezag ten aanzien van:
a. het medezeggenschapsstatuut;
b. het deelnemersstatuut en de
huisregels voor deelnemers;
c. de beroeps- en
klachtenregelingen voor deelnemers;
d. de hoogte en de besteding van de
vrijwillige ouder- of deelnemerbijdrage, alsmede de wijze waarop
deze bijdrage tussen deelnemer en bevoegd gezag wordt
overeengekomen;
e. de wijze waarop informatie wordt
gegeven over de inhoud, planning en organisatie van het onderwijs
en de examens;
f. de besteding van stagefondsen;
g. de model-onderwijsovereenkomst;
h. de model-praktijkovereenkomst;
i. het beleid met betrekking tot
toelating, schorsing en verwijdering van deelnemers;
j. de wijze van vastleggen van
studievorderingen van deelnemers en in dat verband het beleid met
betrekking tot bescherming van de privacy van deelnemers;
k. de regels op het gebied van
veiligheid, gezondheid en welzijn voor zover deze de deelnemers
betreffen;
l. het reglement voor de
deelnemersraad, met inachtneming van artikel 8a.3.1, derde lid.
4. De deelnemersraad heeft
adviesbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen besluiten van het
bevoegd gezag ten aanzien van:
a. besluiten van het bevoegd gezag
over inkrimping, uitbreiding, fusie en overdracht van de
instelling, beëindiging van opleidingen en samenwerking met
andere instellingen bij de uitvoering van opleidingen;
b. verandering van de grondslag van
de instelling;
c. werkomstandigheden en
voorzieningen voor deelnemers binnen de instelling;
d. het beleid met betrekking tot
intake- en assessmentprocedures;
e. de rol van deelnemers bij de
interne kwaliteitszorg en zelfevaluatie.
5. In het reglement kunnen andere,
nader te omschrijven onderwerpen worden opgenomen ten aanzien waarvan
een van de bijzondere bevoegdheden aan de deelnemersraad wordt
toegekend.
6. De deelnemersraad heeft
adviesbevoegdheid met betrekking tot een voorgenomen besluit van de
raad van toezicht ten aanzien van de profielen, bedoeld in artikel
9.1.4, vijfde lid.
7. Alvorens de raad van toezicht tot
benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur overgaat,
wordt de deelnemersraad vertrouwelijk gehoord over het voorgenomen
besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig
tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
Titel 3. Reglement deelnemersraad
Artikel 8a.3.1. Reglement deelnemersraad
1. Het bevoegd gezag stelt, met
inachtneming van de voorschriften in dit hoofdstuk, voor een periode
van telkens vijf jaar een reglement voor de deelnemersraad vast. Het
reglement kan tussentijds worden gewijzigd.
2. In het reglement worden in ieder
geval regels gesteld omtrent:
a. het aantal leden van de
deelnemersraad;
b. de wijze en organisatie van de
verkiezingen van de leden van de deelnemersraad;
c. de zittingsduur van de leden van
de deelnemersraad;
d. de wijze waarop wordt
gewaarborgd dat de leden van de deelnemersraad hun uit het
lidmaatschap van de deelnemersraad voortvloeiende verplichtingen
nakomen;
e. de voorstellen van de
deelnemersraad, bedoeld in artikel 8a.2.1, tweede lid, waarover
het bevoegd gezag een standpunt inneemt, en de termijnen daarvoor;
f. het verschaffen van informatie
door het bevoegd gezag aan de deelnemersraad;
g. de termijnen binnen welke tot
instemming of onthouding van instemming moet worden besloten, en
de termijnen binnen welke advies moet worden uitgebracht;
h. het toekennen van eventuele
andere bevoegdheden aan de deelnemersraad.
3. Het bevoegd gezag legt het
reglement, alsmede elke wijziging ervan, als voorstel aan de
deelnemersraad voor en stelt het slechts vast voor zover het voorstel
de instemming van twee derden van het aantal leden van de
deelnemersraad heeft verworven.
Titel 4. Geschillenregeling en
procesbevoegdheid
Artikel 8a.4.1. Landelijke
geschillencommissie medezeggenschap
1. Er is een landelijke
geschillencommissie medezeggenschap, waarbij elke instelling is
aangesloten. De commissie bestaat uit drie leden, waaronder de
voorzitter, en drie plaatsvervangende leden.
2. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit, benoemt de leden en plaatsvervangende
leden voor vier jaar. Zij zijn een keer herbenoembaar.
3. Een lid en een plaatsvervangend lid
worden benoemd op bindende voordracht van vertegenwoordigers van de
gezamenlijke bevoegde gezagsorganen van de instellingen en een lid en
een plaatsvervangend lid op bindende voordracht van vertegenwoordigers
van de deelnemersraden van de instellingen. Deze twee leden doen een
bindende voordracht voor het derde lid, tevens voorzitter, en diens
plaatsvervanger.
4. Indien sprake is van een geschil als
bedoeld in artikel 8a.4.2, onderdeel a, voor zover het betreft het
ontbreken van de vereiste instemming van de ondernemingsraad met het
medezeggenschapsstatuut, wordt voor de duur van behandeling van dat
geschil een lid benoemd op bindende voordracht van vertegenwoordigers
van de ondernemingsraden van de instellingen.
5. De leden en de plaatsvervangende
leden mogen geen deel uitmaken van het bevoegd gezag of van de
deelnemersraad van een instelling.
Artikel 8a.4.2. Competentie commissie
De commissie neemt kennis van de volgende
geschillen:
a. op verzoek van het bevoegd gezag
of van de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag ten aanzien van
een voorgenomen besluit als bedoeld in artikel 8a.2.2, derde lid,
niet de vereiste instemming heeft verworven;
b. op verzoek van het bevoegd gezag
of van de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag en de raad van
mening verschillen over de interpretatie van hoofdstuk 8a dan wel
het reglement;
c. op verzoek van de deelnemersraad,
indien het bevoegd gezag een besluit heeft genomen waarover
ingevolge artikel 8a.2.2, vierde lid, of artikel 8a.5.1 juncto
artikel 8a.2.2 advies door de deelnemersraad is uitgebracht, het
bevoegd gezag daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel
heeft gevolgd en de deelnemersraad van oordeel is dat daardoor de
belangen van de deelnemers, van de deelnemersraad of van de
instelling ernstig worden geschaad.
Artikel 8a.4.3. Bevoegdheden en procedure
commissie
1. Voor zover aan een voorgenomen
besluit van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 8a.2.2, derde
lid, de vereiste instemming is onthouden, deelt het bevoegd gezag aan
de deelnemersraad dan wel de deelnemersraad aan het bevoegd gezag
binnen drie maanden mede of het voorstel wordt voorgelegd aan de
commissie. Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden
wordt gedaan, vervalt het voorstel. Het voorstel vervalt eveneens,
indien door het bevoegd gezag aan de deelnemersraad dan wel door de
deelnemersraad aan het bevoegd gezag is meegedeeld dat het voorstel
wordt voorgelegd aan de commissie en het voorstel niet binnen zes
weken na het doen van deze mededeling daadwerkelijk wordt voorgelegd
aan de commissie.
2. Indien het bevoegd gezag een verzoek
doet als bedoeld in artikel 8a.4.2, onderdeel a, geschiedt dit onder
overlegging van de door het bevoegd gezag gemaakte afweging van de
belangen die daarbij voor het bevoegd gezag aan de orde zijn, en stelt
de commissie de deelnemersraad in de gelegenheid om zijn argumenten
voor het onthouden van zijn instemming bij de commissie naar voren te
brengen. Indien de deelnemersraad een verzoek doet als bedoeld in
artikel 8a.4.2, onderdeel a, wordt het verzoek met redenen omkleed en
stelt de commissie het bevoegd gezag in de gelegenheid om zijn
argumenten voor handhaving van het voorstel bij de commissie naar
voren te brengen.
3. De commissie is bevoegd een
bemiddelingsvoorstel aan het bevoegd gezag en de deelnemersraad voor
te leggen, tenzij het bevoegd gezag of de deelnemersraad te kennen
geeft daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze
bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar voorstel niet de
instemming verwerft van zowel het bevoegd gezag als de deelnemersraad,
stelt zij vast, indien het betreft een geschil als bedoeld in:
a. artikel 8a.4.2, onderdeel a: of
de deelnemersraad in redelijkheid tot het onthouden van instemming
heeft kunnen komen of dat sprake is van bepaalde zwaarwegende
omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag
rechtvaardigen;
b. artikel 8a.4.2, onderdeel b:
welke interpretatie aan dit hoofdstuk of het reglement moet worden
gegeven;
c. artikel 8a.4.2, onderdeel c: of
het bevoegd gezag bij afweging van betrokken belangen in
redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en of het besluit
al dan niet in stand kan blijven.
4. Voor zover de commissie van oordeel
is dat het voorstel van het bevoegd gezag niet in redelijkheid tot
stand is gekomen, geeft zij aan hoe het voorstel moet worden
gewijzigd.
5. Onverminderd artikel 8a.4.4 is een
vaststelling van de commissie als bedoeld in het derde lid, voor het
bevoegd gezag en de deelnemersraad bindend. Zo nodig neemt het bevoegd
gezag met inachtneming van de vaststelling van de commissie een nieuw
besluit.
6. Indien de ondernemingsraad ten
aanzien van een voorstel tot vaststelling of wijziging van het
medezeggenschapsstatuut zijn instemming heeft onthouden, zijn de
artikelen 27, vierde tot en met zesde lid, en 36 van de Wet op de
ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de bevoegdheden van de bedrijfscommissie, bedoeld in het genoemde
artikel 36, worden uitgeoefend door de commissie.
Artikel 8a.4.4. Procesbevoegdheid
deelnemersraad
1. De deelnemersraad kan in rechte
optreden indien de vordering strekt tot naleving door het bevoegd
gezag van de verplichtingen jegens de deelnemersraad, voortvloeiend
uit hoofdstuk 8a. Tegen een uitspraak van de commissie op grond van
artikel 8a.4.3 staat beroep open.
2. Een vordering of beroep als bedoeld
in het eerste lid, wordt ingediend bij de ondernemingskamer van het
gerechtshof te Amsterdam.
3. Het beroep wordt ingediend bij
beroepschrift binnen een maand nadat het bevoegd gezag of de
deelnemersraad van de uitspraak op de hoogte is gesteld. De
wederpartij wordt van het beroep in kennis gesteld.
4. Het beroep kan uitsluitend worden
ingesteld op de grond dat de commissie een onjuiste toepassing heeft
gegeven aan de wet.
5. Tegen een uitspraak van de
ondernemingskamer kan geen beroep in cassatie worden ingesteld.
6. In afwijking van artikel 237 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de deelnemersraad niet in de
proceskosten worden veroordeeld.
7. In dit artikel wordt onder
«uitspraak» verstaan: een vaststelling of oordeel van de commissie
als bedoeld in artikel 8a.4.3.
Artikel 8a.4.5. Geschillenregeling
adviesbevoegdheid profielen raad van toezicht
Deze titel is van overeenkomstige
toepassing op het advies, bedoeld in artikel 8a.2.2, zesde lid.
Titel 5. Afwijkingen
Artikel 8a.5.1. Afwijkingen in verband
met eigen aard
1. Op gronden die verband houden met de
godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging die aan de
instelling ten grondslag ligt, kan het bevoegd gezag in het reglement
een aan de deelnemersraad toekomend instemmingsrecht omzetten in een
adviesrecht. In afwijking van artikel 8a.2.2, derde lid, onderdeel l,
juncto artikel 8a.3.1 stelt het bevoegd gezag het reglement, daaronder
elke wijziging ervan mede begrepen, slechts vast nadat het hierover
advies heeft ontvangen van de deelnemersraad. Het bevoegd gezag kan
slechts toepassing geven aan de eerste volzin indien een meerderheid
van twee derden van de deelnemers dat ondersteunt.
2. De mogelijkheid tot afwijking,
bedoeld in het eerste lid, komt te vervallen indien de gronden waarop
zij berustte niet langer aanwezig zijn dan wel indien zij niet langer
worden ondersteund door een meerderheid van twee derden van de
deelnemers.
3. Het bevoegd gezag toetst elke vijf
jaar de stand van zaken met betrekking tot de gronden van de afwijking
en de ondersteuning ervan.
Hoofdstuk 9. Het bestuur
Titel 1. De instellingen voor educatie en
beroepsonderwijs
§ 1. Bevoegd gezag; bestuursoverdracht
Artikel 9.1.1. Bevoegd gezag bijzondere
instellingen
Bijzondere instellingen worden in stand
gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid niet
zijnde een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1 van het Burgerlijk
Wetboek, die zich blijkens de statuten of reglementen het geven van
onderwijs in de zin van deze wet ten doel stelt zonder daarbij het maken
van winst te beogen.
Artikel 9.1.2. Bestuursoverdracht
openbare instelling
1.Het bevoegd gezag van een openbare
instelling kan de instandhouding van die instelling overdragen aan een
ander orgaan dat tot de instandhouding van een openbare instelling
bevoegd is.
2.De overdracht geschiedt bij
notariële akte. Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon
zich tevens de rechten ten aanzien van gebouwen, terreinen en roerende
zaken over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering als
bedoeld in artikel 3:89 van het Burgerlijk Wetboek. In de akte wordt
tevens bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen het
personeel in gelijke betrekkingen aan de instelling aanstelt met
ingang van de datum van overdracht.
3.Door overdracht met inachtneming van
het eerste en tweede lid treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle
uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn
rechtsvoorganger met betrekking tot de instelling, onverminderd
hetgeen verder voor de overgang naar burgerlijk recht is vereist.
4.Van de verplichting tot overdracht
van de rechten ten aanzien van gebouwen, terreinen en roerende zaken
kan Onze Minister in bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen.
Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een
aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden
gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt
hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
worden gezien.
Artikel 9.1.3. Bestuursoverdracht
bijzondere instelling
1.De rechtspersoon die een bijzondere
instelling in stand houdt, kan de instandhouding van die instelling
overdragen aan een andere rechtspersoon die voldoet aan artikel 9.1.1,
eerste lid.
2.Op deze overdracht is artikel 9.1.2,
tweede tot en met vierde lid, van toepassing.
3.Bij een splitsing als bedoeld in
artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een
rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, wordt in
de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende
rechtspersoon de instelling in stand zal houden of op welke
verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de instelling
overgaat. In het laatste geval is artikel 9.1.2, tweede tot en met
vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Bestuur en inrichting van de
instellingen
Artikel 9.1.4. College van bestuur en
raad van toezicht
1. Een bijzondere instelling heeft een
college van bestuur en een raad van toezicht.
2. Een lid van een raad van toezicht
heeft geen directe belangen bij de instelling. Een lid van het college
van bestuur kan niet tevens lid zijn van het college van bestuur van
een andere instelling.
3. De raad van toezicht houdt, met het
oog op de taken van de desbetreffende instelling, genoemd in artikel
1.3.5, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening
van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met
raad ter zijde. De raad van toezicht is in elk geval belast met:
a. het benoemen, schorsen, ontslaan
en vaststellen van de beloning van de leden van het college van
bestuur;
b. het goedkeuren van het
bestuursreglement;
c. het goedkeuren van de begroting,
de jaarrekening, het jaarverslag en, indien van toepassing, het
strategisch meerjarenplan van de instelling;
d. het toezien op de naleving van
wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld
in artikel 2.5.4, eerste lid, door het college van bestuur;
e. het toezien op de rechtmatige
verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en
aanwending van de middelen van de instelling verkregen op grond
van de artikelen 2.2.1, 2.2.3 en 2.3.4;
f. het aanwijzen van een accountant
als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad, en
g. het jaarlijks afleggen van
verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening
van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met f, in het
jaarverslag van de instelling.
4. Het college van bestuur voorziet de
raad van toezicht van onafhankelijke administratieve ondersteuning.
5. De samenstelling, taken en
bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een
deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de
raad van toezicht hebben daarin zitting op persoonlijke titel en
oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van
de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte
profielen.
6. De statuten van de rechtspersoon die
een bijzondere instelling in stand houdt, voorzien in een regeling die
waarborgt dat de ondernemingsraad invloed kan uitoefenen op de
samenstelling van de raad van toezicht van de desbetreffende
instelling. De bedoelde regeling houdt ten minste in dat de
ondernemingsraad in de gelegenheid wordt gesteld om
a. aan de raad van toezicht advies
uit te brengen over de profielen, bedoeld in het vijfde lid, en
b. een bindende voordracht te doen
voor één lid van de raad van toezicht.
Artikel 8a.4.3, zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing. De tweede en derde volzin zijn niet van
toepassing voor zover de ondernemingsraad schriftelijk aan de raad van
toezicht te kennen heeft gegeven van de mogelijkheid een voordracht te
doen geen gebruik te willen maken.
7. De statuten van de rechtspersoon die
een bijzondere instelling in stand houdt, voorzien in een regeling die
waarborgt dat de raad van toezicht de ondernemingsraad vertrouwelijk
hoort over een voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag van een
lid van het college van bestuur, niet zijnde bestuurder in de zin van
de Wet op de ondernemingsraden. Het horen geschiedt op een zodanig
tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
Artikel 9.1.5. Overdracht taken en
bevoegdheden
1.Het bevoegd gezag van een openbare
instelling kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en
bevoegdheden overdragen aan een alsdan in te stellen college van
bestuur. Artikel 9.1.4, eerste, tweede en vijfde lid, en artikel
9.1.7, eerste en tweede lid, zijn in dat geval van overeenkomstige
toepassing.
2.Indien dat dienstig is voor een goede
uitvoering van deze wet, kan het bevoegd gezag de uitoefening van hem
bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden opdragen
aan het bestuur van een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.
Artikel 9.1.6 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 9.1.7. Bestuursreglement
1.Het college van bestuur stelt een
bestuursreglement vast. In het bestuursreglement worden ten minste
vastgelegd:
a. de
verantwoordelijkheidsverdeling tussen het college van bestuur en
de raad van toezicht en de wijze waarop conflicten tussen beide
organen worden geregeld;
b. de wijze waarop het college van
bestuur zijn taken en bevoegdheden uitoefent, en
c. indien de instelling een of meer
organisatorische eenheden omvat:
1°. de organisatorische
eenheden die de instelling omvat,
2°. de taken en bevoegdheden
die zijn op- of overgedragen aan het bestuur van de
desbetreffende eenheid,
3°. de verhouding van het
bestuur van de desbetreffende eenheid tot het college van
bestuur en
4°. de samenstelling, de wijze
van benoeming en de werkwijze van het bestuur van de
desbetreffende eenheid.
2.Het college van bestuur zendt het
bestuursreglement, alsmede elke wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk
aan Onze minister.
3.Indien de statuten van een bijzondere
instelling de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, onder a en c
regelen, is regeling daarvan in het bestuursreglement niet
noodzakelijk.
Artikel 9.1.8. Functionele scheiding
bestuur en toezicht
In afwijking van artikel 9.1.4, eerste
lid, kan een functionele scheiding tussen bestuur en toezicht worden
aangebracht binnen het bestuur van de rechtspersoon waarvan de
instelling uitgaat. De artikelen 9.1.4, tweede tot en met vijfde lid, en
artikel 9.1.7 zijn van overeenkomstige toepassing. Het bevoegd gezag
draagt zorg voor een deugdelijke scheiding tussen bestuur en toezicht,
vermeldt in de statuten of het bestuursreglement de wijze waarop deze
wordt gewaarborgd en vermeldt jaarlijks in het jaarverslag, bedoeld in
artikel 2.5.4, de redenen voor de afwijking.
Titel 2. De kenniscentra beroepsonderwijs
bedrijfsleven
Artikel 9.2.1. Kenniscentra
beroepsonderwijs bedrijfsleven; samenstelling
1.Een kenniscentrum beroepsonderwijs
bedrijfsleven wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk niet zijnde een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Het bestuur van het kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven bestaat:
a. ofwel voor een derde deel uit
vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties, voor een derde deel
uit vertegenwoordigers van werknemersorganisaties en voor een
derde deel uit vertegenwoordigers van de instellingen en de andere
instellingen, bedoeld in artikel 1.4.1;
b. ofwel voor de helft uit
vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties en voor de helft uit
vertegenwoordigers van werknemersorganisaties.
3.Aan het kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven waarvan de samenstelling van het
bestuur voldoet aan het tweede lid, onder b, is een commissie
onderwijs-bedrijfsleven verbonden, die voor de helft bestaat uit
vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en voor de helft uit
vertegenwoordigers van de instellingen en de andere instellingen,
bedoeld in artikel 1.4.1, die opleidingen verzorgen op het terrein
waarop het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven werkzaam is.
4.Het bestuur van het kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven kan indien dat dienstig is voor een
goede uitvoering van deze wet, aan het bevoegd gezag van een
instelling de uitoefening van hem bij wettelijk voorschrift opgedragen
taken en bevoegdheden opdragen, met uitzondering van de in artikel
7.2.4, eerste lid, bedoelde taak. Indien het bestuur gebruik maakt van
deze mogelijkheid, stelt het een reglement vast waarin in elk geval
worden vastgelegd de taken en bevoegdheden die het bestuur ter
uitoefening opdraagt aan het bevoegd gezag, alsmede richtlijnen voor
uitoefening van de aan het bevoegd gezag opgedragen taken en
bevoegdheden.
Artikel 9.2.2. Bestuursoverdracht
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven
1.De rechtspersoon die een
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven in stand houdt, kan de
instandhouding van dat kenniscentrum overdragen aan een andere
rechtspersoon die voldoet aan artikel 9.2.1, eerste lid.
2.Op deze overdracht is artikel 9.1.2,
tweede tot en met vierde lid, van toepassing.
Hoofdstuk 10. Beroep bij de
administratieve rechter
Artikel 10.1. Beroep bij Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State
1.Tegen een besluit van Onze Minister
jegens een bepaalde instelling op grond van de in het tweede lid
genoemde artikelen kan een belanghebbende beroep instellen bij de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.Het eerste lid heeft betrekking op de
artikelen:
a. 1.4.1,
b. 1.4a.1,
c. 1.6.1,
d. 2.1.1, eerste lid,
e. 2.1.3, tweede en derde lid,
f. 2.1.5, eerste lid,
g. 2.1.6,
h. 2.1.7,
i. 2.2.3, eerste en derde lid,
j. 2.5.9,
k. 2.5.10, voor zover het de
overeenkomstige toepassing betreft van artikel 2.5.9,
l. 6.1.3 tot en met 6.1.6,
m. 6.2.1 tot en met 6.2.3,
n. 6.2.3b,
o. 6.3.1 tot en met 6.3.3,
p. 6.4.2 en 6.4.4,
q. 6a.1.2 en 6a.1.3, en
r. 11.1.
Artikel 10.2. Intreden gevolgen van
toekennen van rechten na sprongberoep
Indien de uitspraak op een beroep als
bedoeld in artikel 10.1 strekt tot onderscheidenlijk het toekennen van
de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, diploma-erkenning als bedoeld in
de artikelen 1.4.1 of 1.4a.1, examinering als bedoeld in artikel 1.6.1,
of registratie in het Centraal register, treden de gevolgen daarvan in
met ingang van het studiejaar dat aanvangt in het jaar waarin de
uitspraak is gedaan.
Hoofdstuk 11. Sancties
Paragraaf 1. Inhouden en opschorten
bekostiging; strafbepaling
Artikel 11.1. Inhouding bekostiging
1.Indien het bevoegd gezag van een
instelling of een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven in
strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan Onze
Minister bepalen dat de rijksbijdrage, voorschotten daaronder
begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een
instelling in strijd handelt met artikel 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht.
3.Onze Minister kan de rijksbijdrage
wederom toekennen, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van
het eerste of tweede lid is vervallen.
4.Het eerste tot en met derde lid is
van overeenkomstige toepassing indien het bevoegd gezag van een
agrarisch opleidingscentrum ten aanzien van het voorbereidend
beroepsonderwijs dat in de instelling wordt verzorgd, in strijd
handelt met het bepaalde bij of krachtens de Wet op het voortgezet
onderwijs.
Artikel 11.2. Geldboete niet-gerechtigde
aanduiding beroepsopleidingen
1.Het is anderen dan de instellingen
die daartoe ingevolge deze wet gerechtigd zijn, verboden onderwijs aan
te bieden of te verzorgen, dan wel examinering te verzorgen, onder de
naam van een in het Centraal register opgenomen beroepsopleiding.
2.Degene die in strijd handelt met het
eerste lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
3.Het in het eerste lid strafbaar
gestelde feit is een overtreding.
Paragraaf 2 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 11.3 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 11.4 [Vervallen per 01-01-2009]
Hoofdstuk 12. Overgangs-, invoerings- en
slotbepalingen
Titel 1. Intrekking regelingen
Artikel 12.1.1 [Vervallen per 01-08-2008]
Artikel 12.1.2 [Vervallen per 01-08-2008]
Titel 1a. Bepalingen met betrekking tot
experimentele opleidingen
Artikel 12.1a.1. Bekostiging van
experimentele opleidingen
1.Met het oog op de ontwikkeling van
nieuwe kwalificaties en de daarop gerichte opleidingen kan Onze
Minister op aanvraag van het bevoegd gezag van een instelling als
bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, een instituut als bedoeld in
artikel 12.3.8 of een hogeschool als bedoeld in artikel 12.3.9
besluiten dat een beroepsopleiding waarvoor de eindtermen worden
voorbereid of met toepassing van artikel 7.2.4, lid 3a, of artikel 17
van de Regeling subsidiëring proeftuinen herontwerp beroepsonderwijs
studiejaar 2004–2005 zijn vastgesteld, voor bekostiging
overeenkomstig hoofdstuk 2, titel 2, paragraaf 1 in aanmerking komt.
Onze Minister bepaalt de aanvang en het einde van de bekostiging en de
aanvullende voorwaarden voor bekostiging, die in elk geval betrekking
hebben op de regeling die de instelling treft om de belangen van de
deelnemers te waarborgen.
2.Bij de aanvraag, bedoeld in het
eerste lid, vermeldt het bevoegd gezag in elk geval
1°. de naam en de studielast van
de opleiding,
2°. de leerweg of leerwegen waarin
de opleiding wordt verzorgd,
3°. indien beschikbaar, de code
waarmee het geheel van de desbetreffende eindtermen wordt
aangeduid en de code waarmee de deelkwalificaties van de opleiding
worden aangeduid,
4°. of het een opleiding betreft
die is gericht op een bepaald beroep waarvoor bij of krachtens de
wet vereisten zijn vastgesteld en
5°. een voorstel voor de regeling,
bedoeld in het eerste lid, laatste volzin.
3.De aanvraag, bedoeld in het eerste
lid, geldt mede als aanmelding voor registratie in het Centraal
register. Indien Onze Minister de aanvraag inwilligt en de eindtermen
zijn vastgesteld, registreert hij bij de eerstvolgende gelegenheid
daartoe de in het tweede lid, onder 1° tot en met 4°, genoemde
gegevens in het Centraal register.
4.De bekostiging op grond van het
eerste lid eindigt op het door Onze Minister in de
bekostigingsbeschikking bepaalde tijdstip of, indien dat eerder is,
zodra de desbetreffende opleiding wordt bekostigd op grond van artikel
2.1.1, eerste lid. Bij niet nakoming van de voorwaarden, bedoeld in
het eerste lid, kan Onze Minister onverminderd artikel 11.1 bepalen
dat de bekostiging met ingang van een eerder tijdstip dan bedoeld in
de eerste volzin eindigt.
5.Artikel 1.3.1, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
6.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden vastgesteld met betrekking tot de toepassing van
het eerste tot en met vijfde lid.
Artikel 12.1a.2. Erkenning van
experimentele opleidingen
1.Met het oog op de ontwikkeling van
nieuwe kwalificaties en de daarop gerichte opleidingen kan Onze
Minister op aanvraag van het bevoegd gezag van een andere instelling
dan bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, of van een instelling
besluiten dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen
van examens van opleidingen waarvoor de eindtermen zijn vastgesteld
met toepassing van artikel 7.2.4, lid 3a, of artikel 17 van de
Regeling subsidiëring proeftuinen herontwerp beroepsonderwijs
studiejaar 2004–2005, een diploma of certificaat als bedoeld in
artikel 7.4.6 is verbonden. Voorwaarde voor de toepassing van de
eerste volzin is dat de desbetreffende instelling de voorschriften,
bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, in acht neemt. Onze Minister
bepaalt de aanvang en het einde van de erkenning en de aanvullende
voorwaarden voor erkenning, die in elk geval betrekking hebben op de
regeling die de instelling treft om de belangen van de deelnemers te
waarborgen.
2. Artikel 1.4.1, tweede tot en met
vijfde lid, en artikel 12.1a.1, tweede lid, zijn van overeenkomstige
toepassing op de aanvragen, bedoeld in het eerste lid. In aanvulling
op de gegevens, bedoeld in artikel 12.1a.1, tweede lid, verschaft het
bevoegd gezag van een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling
bij de aanvraag tevens de gegevens waaruit blijkt dat het onderwijs
van voldoende kwaliteit is of zal zijn en dat wordt voldaan aan de
voorschriften, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid. De aanvraag,
bedoeld in het eerste lid, geldt mede als aanmelding voor registratie
in het Centraal register. Indien Onze Minister de aanvraag inwilligt
en de eindtermen zijn vastgesteld, registreert hij bij de
eerstvolgende gelegenheid daartoe de in artikel 12.1a.1, tweede lid,
onder 1° tot en met 4°, genoemde gegevens in het Centraal register.
3.Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden vastgesteld met betrekking tot de toepassing van
het eerste en tweede lid.
4.Voor de toepassing van de Wet
studiefinanciering 2000 en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten wordt een opleiding als bedoeld in het eerste lid
gelijkgesteld met een opleiding als bedoeld in artikel 1.4.1.
Artikel 12.1a.3. Voortzetting bekostiging
proeftuinen voor cohort 2004–2005
De opleidingen die op basis van de
Regeling subsidiëring proeftuinen herontwerp beroepsonderwijs
studiejaar 2004–2005 voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht,
gelden met ingang van het studiejaar 2005–2006 voor de toepassing van
deze wet als opleidingen die op basis van artikel 12.1a.1, eerste lid,
voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht voor zover het deelnemers
betreft die in het studiejaar 2004–2005 reeds voor de desbetreffende
opleiding waren ingeschreven.
Artikel 12.1a.4. Evaluatiebepaling
Onze Minister zendt voor 1 oktober 2007
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal een door een onafhankelijke
organisatie op te stellen verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van de opleidingen, bedoeld in de artikelen 12.1a.1 tot en met
12.1a.3.
Artikel 12.1a.5. Vervallen van
experimenteerbepalingen
De artikelen 1.4.1, lid 5a, 2.1.1, lid 2,
en de aanduiding van het eerste lid, 6.4.2, lid 6a, 7.2.4, lid 3a,
7.4.8, lid 1a, 7.4.9, tweede volzin, 8.1.3, lid 3a, 12.1a.1 en 12.1a.2
vervallen met ingang van 1 augustus 2012, met dien verstande dat
a. zij van toepassing blijven op
opleidingen die voor die datum op basis van artikel 12.1a.1, eerste
lid, voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht of op basis van
artikel 12.1a.2, eerste lid, zijn erkend en
b. deelnemers aan een opleiding die
op basis van artikel 12.1a.1, eerste lid, voor bekostiging in
aanmerking is gebracht, onverminderd de overige eisen kunnen worden
meegeteld voor de berekening van de rijksbijdrage als zij op de
desbetreffende teldatum waren ingeschreven voor die opleiding.
Titel 2. Voorzieningen voor onbepaalde
tijd
Artikel 12.2.1. Diploma’s en
certificaten
Diploma’s en certificaten ingevolge de
Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het cursorisch
beroepsonderwijs, de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 of het
Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal, verkregen op grond van
een examen verbonden aan opleidingen basiseducatie, voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, deeltijds middelbaar
beroepsonderwijs of leerlingwezen dan wel op grond van een staatsexamen
Nederlands als tweede taal, gelden als de overeenkomstige diploma’s en
certificaten, verkregen op grond van artikel 7.4.6.
Artikel 12.2.2. Handhaving voorschriften
personeel
1.De op 31 december 1995 geldende
voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 37a, 38, 39,
40 en 40a van de Wet op het voortgezet onderwijs, de artikelen 2.42,
2.45, 2.46, 2.51, 2.75 en 2.76 van de Wet op het cursorisch
beroepsonderwijs en artikel 9 van de Kaderwet Volwasseneneducatie
1991, berusten ten aanzien van het personeel aan instellingen in de
zin van deze wet met ingang van 1 januari 1996 op onderscheidenlijk de
artikelen 4.1.1, 4.1.2, 3.1.2 en 3.2.1.
2.De op 31 december 1995 geldende
voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 2.55 en 2.59
van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs berusten ten aanzien van
het personeel van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven met
ingang van 1 januari 1996 op onderscheidenlijk de artikelen 4.3.1,
4.3.2 en 3.3.1.
Artikel 12.2.3 [Vervallen per 01-08-1998]
Artikel 12.2.4 [Vervallen per 01-07-1997]
Artikel 12.2.5. Handhaving inrichtings-
en examenvoorschriften v.a.v.o.
De op 31 december 1995 geldende
voorschriften met betrekking tot het voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs die berusten op de artikelen 23b, tweede lid, en
29, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, berusten ten
aanzien van de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs,
bedoeld in artikel 7.3.4, met ingang van 1 januari 1996 op artikel
7.3.4, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 7.4.11, derde en zesde lid.
Artikel 12.2.6. Aanspraken gewezen
personeel
Personeelsleden die op 1 januari 1996
niet in dienst zijn van een instelling in de zin van deze wet of een
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven en die voor die datum ten
laste van het Rijk verbonden waren aan een school voor
beroepsbegeleidend onderwijs, een school voor middelbaar
beroepsonderwijs, een school voor voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs, een vormingsinstituut voor jeugdigen, een
instelling voor basiseducatie, een landbouwpraktijkschool, of een
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven waaruit de instelling of
het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven voortkomt en die op dat
tijdstip aan bij of krachtens de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs,
de Wet op het voortgezet onderwijs of de Kaderwet Volwasseneneducatie
1991 gegeven voorschriften aanspraken, rechten en verplichtingen
ontlenen of kunnen ontlenen, ontlenen of kunnen deze met ingang van 1
januari 1996 ontlenen aan artikel 4.1.2 onderscheidenlijk artikel 4.3.2.
Artikel 12.2.7. Garantieregeling
onderwijsbevoegdheden
Onverminderd artikel 4.2.1 kan tot docent
aan een instelling worden benoemd:
a. degene die in het studiejaar
1995-1996 bevoegd onderwijs heeft gegeven aan een school voor
beroepsbegeleidend onderwijs, een school voor middelbaar
beroepsonderwijs, dan wel wat deeltijds middelbaar beroepsonderwijs
betreft aan een andere school, aan een vormingsinstituut voor
jeugdigen of aan een instelling voor basiseducatie,
b. degene die in de periode van 1
augustus 1990 tot en met 31 juli 1995 gedurende ten minste 40 weken
bevoegd onderwijs als bedoeld in onderdeel a heeft gegeven, en
c. degene die
1°. voor 1 september 1997 een
getuigschrift heeft behaald van een afsluitend examen van de
opleiding cultureel werk of de opleiding culturele en
maatschappelijke vorming behorend tot het onderdeel gedrag en
maatschappij van het Centraal register opleidingen hoger
onderwijs, met de differentiatie basiseducatie, dat op grond van
de artikelen 4 en 5 van het Uitvoeringsbesluit KVE 1991 zoals
dat luidde op 31 juli 1995 zou hebben geleid tot een bevoegdheid
voor het verzorgen van activiteiten basiseducatie, dan wel
2°. voor 1 september 1997 een
getuigschrift heeft behaald van een afsluitend examen binnen het
hoger pedagogisch onderwijs met de differentiatie basiseducatie,
en
3°. uiterlijk aan het begin van
het studiejaar 1994-1995 is gestart met de differentiatie
basiseducatie.
Artikel 12.2.8 [Vervallen per 01-08-2006]
Artikel 12.2.9. Gevolgen invoering voor
personeel
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gegeven met betrekking tot de
gevolgen voor het personeel van de invoering van deze wet.
Artikel 12.2.10. Aanhangige
beroepsprocedures
1.Op geschillen tussen personeel en
bevoegd gezag van een school voor beroepsbegeleidend onderwijs, een
school voor middelbaar beroepsonderwijs dan wel wat deeltijds
middelbaar beroepsonderwijs betreft van een andere school, van een
vormingsinstituut voor jeugdigen, van een instelling voor
basiseducatie, een landbouwpraktijkschool of een kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven die ingevolge de op 31 december 1995
geldende voorschriften aanhangig zijn gemaakt bij een commissie van
beroep of bij de burgerlijke rechter, blijven de op die dag geldende
regelingen van toepassing.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot geschillen tussen het bevoegd gezag en
een deelnemer met betrekking tot examens.
Artikel 12.2.11 [Vervallen per
06-10-1999]
Titel 3. Invoering van de wet
Artikel 12.3.1 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.2 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.3 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.4 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.5 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.6 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.7 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.3.8. Voortzetting bekostiging
beroepsopleidingen Instituten voor doven
1.Het Christelijk Instituut voor Doven
"Effatha" en het Instituut voor Doven
"Sint-Michielsgestel" behouden in afwijking van artikel
12.3.2 ten behoeve van het verzorgen van beroepsopleidingen die de
voortzetting zijn van beroepsbegeleidend onderwijs dat deze instituten
op 31 december 1995 verzorgden, aanspraak op bekostiging uit ’s
Rijks kas.
2.Bij ministeriële regeling worden
voorschriften gegeven voor de toepassing van deze wet ten aanzien van
de in het eerste lid genoemde instituten. Daarbij kan, voor zover
noodzakelijk, worden afgeweken van het bij of krachtens deze wet
bepaalde.
Artikel 12.3.9. Voortzetting bekostiging
beroepsopleidingen verbonden aan hogescholen Haarlem en Tilburg
1.Ten aanzien van de beroepsopleidingen
die een voortzetting vormen van de opleidingen voor deeltijds
middelbaar beroepsonderwijs in de sector dienstverlening en
gezondheidszorg, op 31 december 1995 op grond van artikel 3.11 van de
Wet op het cursorisch beroepsonderwijs verbonden aan de Hogeschool
Haarlem en aan de Hogeschool Tilburg, behouden deze hogescholen
aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas.
2.Bij ministeriële regeling worden
voorschriften gegeven voor de toepassing van deze wet ten aanzien van
de in het eerste lid genoemde beroepsopleidingen. Daarbij kan, voor
zover noodzakelijk, worden afgeweken van het bij of krachtens deze wet
bepaalde.
Artikel 12.3.10 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.11 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.12 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.13 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.14 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.15 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.16 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.17 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.18 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.19 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.20 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.21 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.22 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.23 [Vervallen per
01-08-2008]
Artikel 12.3.24 [Vervallen per
01-08-2008]
Artikel 12.3.25 [Vervallen per
01-08-2008]
Artikel 12.3.26 [Vervallen per
01-08-2008]
Artikel 12.3.27 [Vervallen per
01-08-2008]
Artikel 12.3.28 [Vervallen per
01-08-2008]
Artikel 12.3.29 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.30 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.31 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.32 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.33 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.34 [Vervallen per
01-08-2008]
Artikel 12.3.35 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.36 [Vervallen per
01-08-2008]
Artikel 12.3.37 [Vervallen per
01-08-2008]
Artikel 12.3.38 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.39 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.40 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.41 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.42 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.43 [Vervallen per
01-08-2008]
Artikel 12.3.44. Financiële afwikkeling
De op 31 december 1995 geldende
voorschriften vastgesteld bij of krachtens de Wet op het voortgezet
onderwijs, de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs of de Kaderwet
Volwasseneneducatie 1991 blijven van toepassing ten aanzien van bedragen
waarop de instellingen en de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
voor 1 januari 1996 ingevolge de bedoelde voorschriften aanspraak
hebben, maar die nog niet zijn vastgesteld of uitbetaald.
Artikel 12.3.45 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.46 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.47 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.3.48 [Vervallen per
01-08-2008]
Artikel 12.3.49. Afschaffing
adviesverplichtingen
[Bevat wijzigingen in deze regelgeving.]
Titel 4. Bepalingen met betrekking tot
leerlinggebonden financiering
Artikel 12.4.1. Aanhangige
beroepsprocedures leerlinggebonden financiering
Op geschillen die ingevolge de op 31 juli
2008 geldende voorschriften van de Subsidieregeling leerlinggebonden
financiering MBO aanhangig zijn gemaakt, blijft de op die dag geldende
regeling van toepassing.
Artikel 12.4.2. Geldigheid indicatie
leerlinggebonden financiering
Beoordelingen, afgegeven op grond van de
artikelen 12 en 14 van de Subsidieregeling leerlinggebonden financiering
MBO, die hebben geleid tot een indicatiestelling waarvan de duur nog
niet is verstreken, gelden als een beoordeling die gemeld wordt door het
bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste
lid.
Artikel 12.4.3 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.4 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.5 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.6 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.7 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.8 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.9 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 12.4.10 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.4.11 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.4.12 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.4.13 [Vervallen per
01-07-2004]
Artikel 12.4.14 [Vervallen per
01-07-2004]
Titel 5. Evaluatie, inwerkingtreding en
citeertitel
Artikel 12.5.1. Evaluatie
Onze Minister brengt voor 1 januari 2002
verslag uit over de werking van deze wet aan de beide Kamers der
Staten-Generaal.
Artikel 12.5.2. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking met ingang van
1 januari 1996, met uitzondering van:
a. artikel 7.4.11, wat de examens van
de opleidingen Nederlands als tweede taal I en II betreft, welk
artikel ten aanzien van die examens in werking treedt met ingang van
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip;
b. artikel 12.3.1, artikel 12.3.10,
artikel 12.3.11 en artikel 12.3.19, tweede lid, die in werking
treden met ingang van 1 november 1995;
c. de artikelen 12.4.1, 12.4.2,
onderdelen C, onder 7, I en J, en 12.4.10, onderdeel A, die in
werking treden met ingang van 1 januari 1997;
d. de artikelen 12.4.2, met
uitzondering van de onderdelen C, onder 7, I en J, 12.4.9 en
12.4.10, met uitzondering van onderdeel A, die in werking treden met
ingang van 1 augustus 1997.
Artikel 12.5.3. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
educatie en beroepsonderwijs.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 31 oktober 1995
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.J. van Aartsen
Uitgegeven de tweede november 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|