| |
|
|
|
|
vorige
WETBOEK
VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING (Rv)
Tekst zoals deze geldt op
16 juli 2009
|
|
Nadere regelgeving:
- Maatregel
te boek gestelde luchtvaartuigen 1996
- Regeling tarieven in burgerlijke zaken
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Eerste Boek. De wijze van procederen
voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
Eerste titel. Algemene bepalingen
Eerste afdeling. Rechtsmacht van de
Nederlandse rechter
Artikel 1
Onverminderd het omtrent rechtsmacht
in verdragen en EG-verordeningen bepaalde wordt de rechtsmacht van
de Nederlandse rechter beheerst door de volgende bepalingen.
Artikel 2
In zaken die bij dagvaarding moeten
worden ingeleid, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht indien de
gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats
heeft.
Artikel 3
In zaken die bij verzoekschrift
moeten worden ingeleid, met uitzondering van zaken als bedoeld in de
artikelen 4 en 5, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht indien:
a. hetzij de verzoeker of, indien
er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het
verzoekschrift genoemde belanghebbenden in Nederland zijn
woonplaats of gewone verblijfplaats heeft,
b. het verzoek betrekking heeft
op een bij dagvaarding ingeleid of in te leiden geding ten
aanzien waarvan de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, of
c. de zaak anderszins voldoende
met de rechtssfeer van Nederland verbonden is.
Artikel 4
1.Indien de Verordening (EG) nr.
2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003
betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging
van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke
verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr.
1347/2000 (PbEU L 338) niet van toepassing is, wordt de
rechtsmacht van de rechter met betrekking tot echtscheiding,
scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed, nietigverklaring, alsmede nietigheid
en geldigheid van het huwelijk uitsluitend bepaald overeenkomstig
de artikelen 3, 4 en 5 van deze verordening.
2.Heeft de Nederlandse rechter
rechtsmacht met betrekking tot echtscheiding, scheiding van tafel
en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en
bed, nietigheid, nietigverklaring of geldigheid van huwelijken,
dan heeft hij, voorzover de in het eerste lid genoemde verordening
daarop niet van toepassing is en onverminderd artikel 1, tevens
rechtsmacht tot het treffen van voorlopige en bewarende
maatregelen voorzover die verband houden met echtscheiding,
scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed, nietigverklaring, alsmede nietigheid
en geldigheid van huwelijken.
3.Heeft de Nederlandse rechter
rechtsmacht met betrekking tot echtscheiding, scheiding van tafel
en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en
bed, nietigheid, nietigverklaring of geldigheid van huwelijken,
dan heeft hij, voorzover de in het eerste lid genoemde verordening
daarop niet van toepassing is en onverminderd artikel 1, tevens
rechtsmacht ter zake van daarmee verband houdende
nevenvoorzieningen, met dien verstande
a. dat met betrekking tot de
voorzieningen als bedoeld in artikel 827, eerste lid, onder d
en e, de Nederlandse rechter uitsluitend rechtsmacht heeft als
de woning in Nederland is gelegen, en
b. dat met betrekking tot
verzoeken tot regeling van het gezag en het omgangsrecht de
Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart indien hij zich,
wegens de geringe verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer
van Nederland, niet in staat acht het belang van het kind naar
behoren te beoordelen.
4.Met betrekking tot het
geregistreerd partnerschap zijn het eerste tot en met het derde
lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
Nederlandse rechter steeds rechtsmacht heeft indien het
geregistreerd partnerschap in Nederland is aangegaan.
Artikel 5
Onverminderd artikel 1 heeft de
Nederlandse rechter in zaken betreffende ouderlijke
verantwoordelijkheid geen rechtsmacht indien het kind zijn gewone
verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij hij zich in een
uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de
rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind
naar behoren te beoordelen.
Artikel 6
De Nederlandse rechter heeft eveneens
rechtsmacht in zaken betreffende:
a. verbintenissen uit
overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis of het
verzoek ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet
worden uitgevoerd;
b. een individuele
arbeidsovereenkomst of een agentuurovereenkomst, indien de
arbeid gewoonlijk in Nederland wordt verricht of laatstelijk
gewoonlijk in Nederland werd verricht;
c. een individuele
arbeidsovereenkomst, indien de arbeid tijdelijk in Nederland
wordt verricht, voorzover het betreft een rechtsvordering met
betrekking tot arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden,
welke is gegrond op artikel 1 van de Wet arbeidsvoorwaarden
grensoverschrijdende arbeid, artikel 7 of 15 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, artikel 2, zesde lid, van
de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren
van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, artikel 8
of 11 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs,
alsmede artikel 5, eerste lid, onder b, d, e, of f, van de
Algemene wet gelijke behandeling;
d. een overeenkomst die wordt
gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf en een natuurlijke persoon die niet handelt in
de uitoefening van een beroep of bedrijf, indien die natuurlijke
persoon in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats
heeft en de partij die handelt in de uitoefening van een beroep
of bedrijf aldaar commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit,
of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op
Nederland en de overeenkomst onder die activiteiten valt;
e. verbintenissen uit
onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in
Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen;
f. zakelijke rechten op, alsmede
huur en verhuur, pacht en verpachting van in Nederland gelegen
onroerende zaken;
g. nalatenschappen, indien de
erflater zijn laatste woonplaats of gewone verblijfplaats in
Nederland had;
h. de geldigheid, de nietigheid
of de ontbinding van in Nederland gevestigde vennootschappen of
rechtspersonen; de geldigheid, nietigheid of rechtsgevolgen van
hun besluiten of die van hun organen, dan wel de rechten en
verplichtingen van hun leden of vennoten als zodanig;
i. faillissement, surséance van
betaling of schuldsaneringsregeling natuurlijke personen indien
het faillissement, de surséance van betaling of de toepassing
van de schuldsaneringsregeling in Nederland is uitgesproken of
verleend.
Artikel 6a
Voor de toepassing van artikel 6,
onderdeel a, is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van
uitvoering in Nederland gelegen:
a. voor de koop en verkoop van
roerende zaken, indien de zaken volgens de overeenkomst in
Nederland geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;
b. voor de verstrekking van
diensten, indien de diensten volgens de overeenkomst in
Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden.
Artikel 7
1.Indien in zaken die bij
dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter ten
aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, komt hem deze
ook toe ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere
gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden
gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van
doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
2.Indien in zaken die bij
dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter
rechtsmacht heeft, komt hem deze ook toe ten aanzien van een
vordering in reconventie en ten aanzien van een vordering tot
vrijwaring, voeging of tussenkomst, tenzij tussen deze vorderingen
en de oorspronkelijke vordering onvoldoende samenhang bestaat.
Artikel 8
1.De Nederlandse rechter heeft
rechtsmacht indien partijen met betrekking tot een bepaalde
rechtsbetrekking die tot hun vrije bepaling staat, bij
overeenkomst een Nederlandse rechter of de Nederlandse rechter
hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar
aanleiding van die rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen
ontstaan, tenzij daarvoor geen redelijk belang aanwezig is.
2.De Nederlandse rechter heeft geen
rechtsmacht indien partijen met betrekking tot een bepaalde
rechtsbetrekking die tot hun vrije bepaling staat, bij
overeenkomst een rechter of de rechter van een vreemde staat bij
uitsluiting hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen
welke naar aanleiding van die rechtsbetrekking zijn ontstaan of
zullen ontstaan.
3.Een overeenkomst als bedoeld in
het tweede lid laat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter
onverlet indien de zaak een individuele arbeidsovereenkomst
betreft of een overeenkomst als bedoeld in artikel 6, onder d.
4.Het derde lid vindt geen
toepassing indien:
a. de in het tweede lid
bedoelde overeenkomst is aangegaan na het ontstaan van het
geschil, of
b. de werknemer, of de partij
die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf,
zich op de overeenkomst beroept om zich tot de rechter van een
vreemde staat te wenden.
5.Een overeenkomst als bedoeld in
het eerste of het tweede lid wordt bewezen door een geschrift.
Daarvoor is voldoende een geschrift dat een dergelijk beding bevat
of dat verwijst naar algemene voorwaarden die een dergelijk beding
bevatten, mits dat geschrift door of namens de wederpartij
uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard.
6.Een overeenkomst als bedoeld in
het eerste of het tweede lid dient als een afzonderlijke
overeenkomst te worden beschouwd en beoordeeld. De aangewezen
rechter is bevoegd te oordelen over de rechtsgeldigheid van de
hoofdovereenkomst waarvan een overeenkomst als bedoeld in het
eerste of het tweede lid deel uitmaakt of waarop zij betrekking
heeft.
Artikel 9
Komt de Nederlandse rechter niet op
grond van de artikelen 2 tot en met 8 rechtsmacht toe, dan heeft hij
niettemin rechtsmacht indien:
a. het een rechtsbetrekking
betreft die ter vrije bepaling van partijen staat en de gedaagde
of belanghebbende in de procedure is verschenen niet uitsluitend
of mede met het doel de rechtsmacht van de Nederlandse rechter
te betwisten, tenzij voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter
geen redelijk belang aanwezig is,
b. een gerechtelijke procedure
buiten Nederland onmogelijk blijkt, of
c. een zaak die bij dagvaarding
moet worden ingeleid voldoende met de rechtssfeer van Nederland
verbonden is en het onaanvaardbaar is van de eiser te vergen dat
hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde
staat onderwerpt.
Artikel 10
De Nederlandse rechter heeft
rechtsmacht in het geval, bedoeld in artikel 767, alsmede indien dit
voortvloeit uit andere wettelijke bepalingen tot aanwijzing van een
bevoegde rechter dan die vervat in de derde afdeling van de tweede
titel en de tweede afdeling van de derde titel.
Artikel 11
Het verweer dat de Nederlandse
rechter geen rechtsmacht heeft, wordt in zaken die bij dagvaarding
moeten worden ingeleid op straffe van verval van het recht daartoe
gevoerd vóór alle weren ten gronde.
Artikel 12
Indien een zaak voor een rechter van
een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan
worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor
tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, kan de Nederlandse
rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over
hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling aanhouden totdat
daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing
voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in
Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter
zich onbevoegd. Indien het een zaak betreft die bij dagvaarding moet
worden ingeleid, is artikel 11 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13
De bevoegdheid van de Nederlandse
rechter tot het treffen van bewarende of voorlopige maatregelen kan
niet worden betwist op de enkele grond dat hij met betrekking tot de
zaak ten principale geen rechtsmacht heeft.
Artikel 14
Voor de toepassing van de regels
betreffende de rechtsmacht van de Nederlandse rechter wordt het
Nederlandse gedeelte van het continentale plat gelijk gesteld met
het grondgebied van Nederland.
Tweede afdeling. Enkelvoudige en
meervoudige kamers
Artikel 15
1.Bij de rechtbank worden zaken,
behoudens in de wet genoemde uitzonderingen, behandeld en beslist
door een enkelvoudige kamer.
2.Indien de zaak naar het oordeel
van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling en
beslissing door één rechter, verwijst zij deze naar een
meervoudige kamer, bestaande uit drie leden. De enkelvoudige kamer
kan ook in andere gevallen een zaak naar een meervoudige kamer
verwijzen.
3.Verwijzing kan geschieden in elke
stand van de procedure. De behandeling van een verwezen zaak wordt
voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
4.De meervoudige kamer kan bepalen
dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een
zoveel als mogelijk uit haar midden aangewezen
rechter-commissaris. De rechter-commissaris oefent daarbij de
bevoegdheden uit, aan de rechtbank toegekend.
5.De meervoudige kamer kan na het
wijzen van een tussenvonnis de zaak verwijzen naar de enkelvoudige
kamer voor verdere behandeling. Het tweede lid en het derde lid,
tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
1.Bij het gerechtshof worden zaken,
behoudens in de wet genoemde uitzonderingen, behandeld en beslist
door een meervoudige kamer, bestaande uit drie raadsheren.
2.Tenzij de zaak in eerste aanleg
door een meervoudige kamer is beslist, kan de meervoudige kamer
naar een enkelvoudige kamer verwijzen de zaken die aanhangig zijn
gemaakt ingevolge het bij of krachtens Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek bepaalde en die naar haar oordeel daarvoor geschikt zijn.
3.Indien de verwezen zaak naar het
oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling
en beslissing door één raadsheer, wijst zij deze terug naar de
meervoudige kamer.
4.Verwijzing of terugwijzing kan
geschieden in elke stand van de procedure. De behandeling van een
verwezen of teruggewezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin
zij zich bevindt.
5.De meervoudige kamer kan bepalen
dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een
zoveel als mogelijk uit haar midden aangewezen
rechter-commissaris. De raadsheer-commissaris oefent daarbij de
bevoegdheden uit, aan het gerechtshof toegekend.
Artikel 17
1.Bij de Hoge Raad worden zaken,
behoudens in de wet genoemde uitzonderingen, behandeld en beslist
door vijf leden van de meervoudige kamer.
2.De voorzitter van de meervoudige
kamer kan bepalen dat een zaak die daarvoor naar zijn oordeel
geschikt is, wordt behandeld en beslist door drie leden van die
kamer. Indien de zaak naar het oordeel van een van deze leden
ongeschikt is voor behandeling en beslissing door drie leden,
wordt de behandeling voortgezet door vijf leden.
3.De leden kunnen bepalen dat de
behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een uit hun
midden aangewezen raadsheer-commissaris. De raadsheer-commissaris
oefent daarbij de bevoegdheden uit, aan de Hoge Raad toegekend.
Artikel 18
1.De kamer bij welke een zaak in
behandeling is, kan deze, met toestemming van het bestuur van het
gerecht, verwijzen naar een andere kamer van gelijk getal. Tegen
de verwijzing staat geen voorziening open.
2.Vonnissen, arresten en
beschikkingen, gewezen onderscheidenlijk gegeven door een
meervoudige kamer, kunnen worden uitgesproken door een
enkelvoudige kamer.
Derde afdeling. Algemene
voorschriften voor procedures
Artikel 19
De rechter stelt partijen over en
weer in de gelegenheid hun standpunten naar voren te brengen en toe
te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over
alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis
van de rechter zijn gebracht, een en ander tenzij uit de wet anders
voortvloeit. Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel,
ten nadele van een der partijen, niet op bescheiden of andere
gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen
uitlaten.
Artikel 20
1.De rechter waakt tegen
onredelijke vertraging van de procedure en treft, zo nodig, op
verzoek van een partij of ambtshalve maatregelen.
2.Partijen zijn tegenover elkaar
verplicht onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen.
Artikel 21
Partijen zijn verplicht de voor de
beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te
voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter
daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Artikel 22
De rechter kan in alle gevallen en in
elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen bepaalde
stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking
hebbende bescheiden over te leggen. Partijen kunnen dit weigeren
indien daarvoor gewichtige redenen zijn. De rechter beslist of de
weigering gerechtvaardigd is, bij gebreke waarvan hij daaruit de
gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.
Artikel 23
De rechter beslist over al hetgeen
partijen hebben gevorderd of verzocht.
Artikel 24
De rechter onderzoekt en beslist de
zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek
of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders
voortvloeit.
Artikel 25
De rechter vult ambtshalve de
rechtsgronden aan.
Artikel 26
De rechter mag niet weigeren te
beslissen.
Artikel 27
1.De terechtzitting is openbaar. De
rechter kan evenwel gehele of gedeeltelijke behandeling met
gesloten deuren of slechts met toelating van bepaalde personen
bevelen:
a. in het belang van de
openbare orde of de goede zeden,
b. in het belang van de
veiligheid van de Staat,
c. indien de belangen van
minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer van partijen dit eisen, of
d. indien openbaarheid het
belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.
2.Indien iemand op een
terechtzitting de orde verstoort, kan de rechter hem laten
verwijderen.
Artikel 28
1.De uitspraak geschiedt in het
openbaar.
2.Onverminderd de artikelen 231,
eerste lid, en 290, derde lid, verstrekt de griffier aan een ieder
die dat verlangt afschrift van vonnissen, arresten en
beschikkingen, tenzij verstrekking naar het oordeel van de
griffier ter bescherming van zwaarwegende belangen van anderen,
waaronder die van partijen, geheel of gedeeltelijk dient te worden
geweigerd. In het laatste geval kan de griffier volstaan met
verstrekking van een geanonimiseerd afschrift of uittreksel van
het vonnis, het arrest of de beschikking.
3.Onder vonnissen, arresten en
beschikkingen zijn begrepen stukken die aan de uitspraak zijn
gehecht. Van andere tot een procesdossier behorende stukken wordt
geen afschrift of uittreksel aan derden verstrekt.
4.Van vonnissen, arresten en
beschikkingen in zaken die met gesloten deuren zijn behandeld,
wordt uitsluitend een geanonimiseerd afschrift of uittreksel
verstrekt.
5.Een verzoek om afschrift als
bedoeld in het tweede lid dient te worden gericht tot de griffier
van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan. Deze zal bij
inwilliging van het verzoek een vergoeding in rekening brengen die
wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 13, derde lid, van de Wet
tarieven in burgerlijke zaken.
6.Gedurende twee weken na de
dagtekening van een gehele of gedeeltelijke weigering om aan een
verzoek om afschrift te voldoen, kan verzoeker daartegen
schriftelijk in verzet komen bij de voorzieningenrechter.
7.Tegen de beslissing van de
voorzieningenrechter staat geen voorziening open.
8.Ingevolge artikel 15, tweede lid,
van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van de Europese Unie
van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de
mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEG
2003, L 1) verstrekt de griffier onverwijld een afschrift van
vonnissen, arresten en beschikkingen met betrekking tot de
toepassing van artikel 81 of 82 van het Verdrag tot oprichting van
de Europese Gemeenschap aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen. De verstrekking geschiedt, behalve wanneer het
arresten of beschikkingen van de Hoge Raad betreft, door
tussenkomst van de Raad voor de rechtspraak. Wanneer naar het
oordeel van de griffier de bescherming van zwaarwegende belangen
van anderen, waaronder die van partijen, daartoe aanleiding geeft,
kan de griffier volstaan met de verstrekking van een
geanonimiseerd afschrift van het vonnis, het arrest of de
beschikking.
Artikel 29
1.Het is aan partijen verboden aan
derden mededelingen te doen omtrent:
a. het verhandelde op een
terechtzitting met gesloten deuren of een terechtzitting
waarbij slechts bepaalde personen zijn toegelaten;
b. andere gegevens uit een
procedure, indien de rechter zulks heeft bepaald.
2.De rechter kan het verbod,
bedoeld in het eerste lid, op verzoek van een der partijen geheel
of gedeeltelijk opheffen.
Artikel 30
Vonnissen, arresten en beschikkingen
houden de gronden in waarop zij rusten, tenzij uit de wet anders
voortvloeit.
Artikel 31
1.De rechter verbetert te allen
tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis,
arrest of beschikking een kennelijke rekenfout, schrijffout of
andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. De
rechter gaat niet tot de verbetering over dan na partijen in de
gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.
2.De verbetering wordt op een door
de rechter nader te bepalen dag uitgesproken en wordt met
vermelding van deze dag en van de naleving van de tweede volzin
van het eerste lid op de minuut van het vonnis, het arrest of de
beschikking gesteld.
3.Van de verbeterde minuut
verstrekt de griffier op de dag van de uitspraak aan de in de
oorspronkelijke procedure verschenen partijen een afschrift, zo
nodig opgemaakt in executoriale vorm. Een eerder verstrekt
afschrift opgemaakt in executoriale vorm verliest hierdoor zijn
kracht. De partij die in het bezit is van een afschrift als
bedoeld in de vorige zin, geeft dit af aan de griffier. Was de
executie reeds aangevangen, dan kan deze met inachtneming van de
verbetering worden voortgezet op grond van een na de verbetering
afgegeven afschrift opgemaakt in executoriale vorm.
4.Tegen de verbetering of de
weigering daarvan staat geen voorziening open.
Artikel 32
1.De rechter vult te allen tijde op
verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aan
indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het
gevorderde of verzochte. De rechter gaat niet tot de aanvulling
over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich
daarover uit te laten.
2.Artikel 31, tweede en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
3.Tegen de weigering van de
aanvulling staat geen voorziening open.
Artikel 33
1.Verzoeken en mededelingen kunnen
ook elektronisch worden gedaan, indien van deze mogelijkheid voor
het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht
vastgesteld procesreglement. Een gerecht kan een verzoek of
mededeling dat tot een of meer geadresseerden is gericht,
elektronisch verzenden indien de geadresseerde kenbaar heeft
gemaakt dat hij daarvoor langs deze weg bereikbaar is. De
bereikbaarheid langs deze weg geldt voor de duur van een
procedure, tenzij de geadresseerde meedeelt dat hij haar wijzigt
of intrekt. De voorgaande zinnen gelden mede voor de indiening van
processtukken ter griffie en de verzending van processtukken door
de griffier.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gegeven aangaande de betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid van het doen van verzoeken en mededelingen en de
indiening en de verzending van processtukken als bedoeld in het
eerste lid en kunnen in verband met deze wijze van verzending
nadere regels worden gesteld. Bij algemene maatregel van bestuur
kan worden bepaald in welke gevallen het doen van verzoeken en
mededelingen en de indiening en verzending van processtukken
uitsluitend elektronisch kunnen plaatsvinden.
3.Als tijdstip waarop een verzoek,
mededeling of processtuk door een gerecht elektronisch is
ontvangen, geldt het tijdstip waarop het verzoek, mededeling en
processtuk een systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt
waarvoor het gerecht verantwoordelijkheid draagt. Verzendingen die
voor 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn
ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend.
4.Als tijdstip waarop een verzoek,
mededeling of processtuk door een gerecht elektronisch is
verzonden, geldt het tijdstip waarop het bericht een systeem voor
gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor het gerecht geen
verantwoordelijkheid draagt.
5.De voordracht voor een krachtens
het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan
beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 34
1.Wanneer een procedure na
verwijzing of na toepassing van een rechtsmiddel voor een andere
rechter wordt voortgezet, is de aanlegger verplicht aan de rechter
over te leggen:
a. een afschrift als bedoeld in
artikel 231 onderscheidenlijk artikel 290 van het vonnis, het
arrest of de beschikking waarbij de procedure is verwezen of
waartegen het rechtsmiddel is aangewend;
b. afschriften van de overige
op de procedure betrekking hebbende stukken.
2.De rechter kan nadere
aanwijzingen geven over het tijdstip van overlegging.
3.Wanneer een procedure na
verwijzing of toepassing van een rechtsmiddel voor een andere
rechter wordt voortgezet, zendt de griffier van het gerecht waar
de procedure aanhangig was afschriften van de op de procedure
betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van
het gerecht waar de procedure wordt voortgezet. Desverzocht zendt
de griffier de stukken in origineel.
Artikel 35
1.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot
door de rechter te stellen termijnen voor het verrichten van
proceshandelingen en kunnen beperkingen worden gesteld aan de
mogelijkheid om daarvoor uitstel te verkrijgen.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen ook andere nadere regels worden gesteld betreffende
het verloop van de procedure, alsmede nadere regels ter
bevordering van de eenheid van de wijze van rechtspleging bij de
verschillende gerechten.
Vierde afdeling. Wraking en
verschoning van rechters
Artikel 36
Op verzoek van een partij kan elk van
de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van
feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid
schade zou kunnen lijden.
Artikel 37
1.Het verzoek wordt gedaan zodra de
feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2.Het verzoek geschiedt
schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van een
terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.
3.Alle feiten of omstandigheden
moeten tegelijk worden voorgedragen.
4.Een volgend verzoek tot wraking
van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen, tenzij
feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het
eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
5.Aanstonds na een verzoek tot
wraking wordt de behandeling geschorst.
Artikel 38
Een rechter van wie wraking is
verzocht, kan in de wraking berusten.
Artikel 39
1.Het verzoek tot wraking wordt zo
spoedig mogelijk ter terechtzitting behandeld door een meervoudige
kamer waarin de rechter van wie wraking is verzocht, geen zitting
heeft.
2.De verzoeker en de rechter van
wie wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te
worden gehoord. De meervoudige kamer kan ambtshalve of op verzoek
van de verzoeker of de rechter van wie wraking is verzocht,
bepalen dat zij niet in elkaars aanwezigheid zullen worden
gehoord.
3.De meervoudige kamer beslist zo
spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld
in het openbaar uitgesproken en aan de verzoeker, de andere
partijen en de rechter van wie wraking was verzocht, medegedeeld.
4.In geval van misbruik kan de
meervoudige kamer bepalen dat een volgend verzoek niet in
behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding
gemaakt.
5.Tegen de beslissing staat geen
voorziening open.
Artikel 40
1.Op grond van feiten of
omstandigheden als bedoeld in artikel 36 kan elk van de rechters
die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen.
2.Het verzoek geschiedt
schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van een
terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.
3.Aanstonds na een verzoek zich te
mogen verschonen wordt de behandeling geschorst.
Artikel 41
1.Het verzoek zich te mogen
verschonen wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een
meervoudige kamer waarin de rechter die dat verzoek heeft gedaan,
geen zitting heeft.
2.De meervoudige kamer beslist zo
spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld
aan partijen en de rechter die het verzoek had gedaan,
medegedeeld.
3.Tegen de beslissing staat geen
voorziening open.
Vijfde afdeling. Het openbaar
ministerie en de procureur-generaal bij de Hoge Raad
Artikel 42
1.Het openbaar ministerie is
bevoegd alle op een zaak betrekking hebbende bescheiden in te zien
en op elke terechtzitting tegenwoordig te zijn.
2.Het openbaar ministerie kan op
verzoek van de rechter of een partij bescheiden waarover het
beschikt, in de procedure brengen. Indien een zodanig verzoek niet
wordt ingewilligd, wordt dit gemotiveerd.
3.In zaken bij de Hoge Raad zijn
het eerste en het tweede lid van toepassing, met dien verstande
dat voor het openbaar ministerie wordt gelezen: de
procureur-generaal bij de Hoge Raad.
Artikel 43
1.Wanneer het openbaar ministerie
als partij optreedt, geschieden de inleiding en de behandeling van
de zaak volgens de gewone regels, voor zover daarvan in dit
artikel niet is afgeweken.
2.Het openbaar ministerie kan in
rechte optreden zonder advocaat. In cassatie is echter
vertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad vereist.
3.Hoger beroep en cassatie worden
ingesteld door en tegen de ambtenaar van het openbaar ministerie
bij het gerecht dat de beslissing waarvan beroep heeft genomen.
Bij de verdere behandeling in hoger beroep treedt echter voor deze
in de plaats de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het
college dat het hoger beroep behandelt. Bij de verdere behandeling
in cassatie blijft als partij optreden de ambtenaar van het
openbaar ministerie bij het gerecht dat de beslissing waarvan
beroep heeft genomen.
4.Een beslissing omtrent de kosten
wordt ten aanzien van het openbaar ministerie genomen ten name van
de Staat.
Artikel 44
1.Wanneer het openbaar ministerie
niet als partij optreedt, wordt het gehoord indien het, al dan
niet op verzoek van de rechter, de wens daartoe te kennen heeft
gegeven.
2.In cassatieprocedures wordt de
procureur-generaal bij de Hoge Raad steeds gehoord.
3.Na de conclusie van het openbaar
ministerie, onderscheidenlijk de procureur-generaal bij de Hoge
Raad, is geen plaats meer voor debat door partijen. Wel kunnen
partijen binnen twee weken nadat de conclusie is genomen dan wel
een afschrift daarvan aan partijen is verzonden, hun schriftelijk
commentaar daarop, zo nodig in een brief vervat, aan de rechter,
of, bij een meervoudige kamer, aan de voorzitter, of, bij de Hoge
Raad, aan de President van de Hoge Raad doen toekomen, met
afschrift aan de wederpartij en het openbaar ministerie,
onderscheidenlijk de procureur-generaal.
Vijfde A afdeling. De raad van
bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit en de commissie
van de Europese gemeenschappen
Artikel 44a
1.De raad van bestuur van de
Nederlandse Mededingingsautoriteit of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen kan, niet optredende als partij, schriftelijke
opmerkingen maken ingevolge artikel 15, derde lid, eerste alinea,
van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van de Europese Unie
van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de
mededingingregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEG
2003, L 1), indien deze de wens daartoe te kennen heeft gegeven.
Met toestemming van de rechter kan de raad van bestuur van de
Nederlandse Mededingingsautoriteit of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen ook mondelinge opmerkingen maken. De rechter kan
daartoe een roldatum bepalen.
2.Op een verzoek ingevolge artikel
15, derde lid, tweede alinea, van de verordening verstrekt de
rechter aan de raad van bestuur van de Nederlandse
Mededingingsautoriteit of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen de in die bepaling bedoelde stukken. Partijen
kunnen binnen een door de rechter te bepalen termijn hun mening
over de te verstrekken stukken geven.
3.Partijen kunnen binnen een door
de rechter te bepalen termijn op de opmerkingen van de raad van
bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit of de Commissie
van de Europese Gemeenschappen reageren.
Zesde afdeling. Exploten
Artikel 45
1.Exploten worden door een daartoe
bevoegde deurwaarder gedaan op de wijze in deze afdeling bepaald.
2.Een daartoe bevoegde deurwaarder
kan, indien de wet dit bepaalt, ook elektronisch exploot doen.
3.Het exploot vermeldt ten minste:
a. de datum van de betekening;
b. de naam, en in het geval van
een natuurlijke persoon tevens de voornamen, en de woonplaats
van degene op wiens verzoek de betekening geschiedt;
c. de voornamen, de naam en het
kantooradres van de deurwaarder;
d. de naam en de woonplaats van
degene voor wie het exploot is bestemd;
e. degene aan wie afschrift van
het exploot is gelaten, onder vermelding van diens
hoedanigheid of, indien het exploot elektronisch is gedaan als
bedoeld in het tweede lid, het elektronisch adres waaraan
afschrift van het exploot is gelaten.
4.Indien het exploot een vordering
tot ontruiming betreft van een gebouwde onroerende zaak of een
gedeelte daarvan door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers
krachtens een persoonlijk of zakelijk recht, van wie naam en
woonplaats in redelijkheid niet kunnen worden achterhaald, behoeft
het deze naam en deze woonplaats niet te vermelden, noch de
persoon aan wie afschrift van het exploot is gelaten.
5.Het exploot en de afschriften
daarvan worden door de deurwaarder ondertekend.
Artikel 46
1.De deurwaarder laat een afschrift
van het exploot aan degene voor wie het is bestemd in persoon of
aan de woonplaats aan een huisgenoot van deze of aan een andere
persoon die zich daar bevindt en van wie aannemelijk is dat deze
zal bevorderen dat het afschrift degene voor wie het exploot is
bestemd, tijdig bereikt. Is het exploot voor meer personen
bestemd, dan verstrekt hij voor ieder van hen een afschrift.
2.Voor degene voor wie het exploot
is bestemd, geldt het afschrift als het oorspronkelijke exploot.
3.Indien degene voor wie het
exploot is bestemd, weigert het afschrift in ontvangst te nemen,
vermeldt de deurwaarder die weigering op het exploot en wordt
degene voor wie het exploot is bestemd, geacht het afschrift in
persoon te hebben ontvangen. Voorts laat de deurwaarder een
afschrift in een gesloten envelop aan de woonplaats, dan wel
verzendt hij een afschrift per post. Zijn achterlating aan de
woonplaats en verzending per post redelijkerwijs niet zinvol of
niet mogelijk, dan kan de deurwaarder het afschrift in een
gesloten envelop achterlaten in de macht van degene voor wie het
exploot is bestemd. Artikel 47, eerste lid, derde zin, en tweede
lid, zijn van overeenkomstige toepassing..
Artikel 47
1.Indien de deurwaarder aan geen
van de in artikel 46, eerste lid, bedoelde personen afschrift kan
laten, laat hij een afschrift aan de woonplaats achter in een
gesloten envelop. Indien ook dat feitelijk onmogelijk is, bezorgt
hij terstond een afschrift ter post. De deurwaarder maakt, zowel
in het ene als het andere geval tevens onder vermelding van de
reden van de feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen
melding in het exploot.
2.Op de envelop waarin het
afschrift ingevolge het eerste lid wordt achtergelaten of ter post
wordt bezorgd, worden vermeld de naam en de woonplaats van degene
voor wie het exploot is bestemd. De envelop vermeldt tevens de
naam, de hoedanigheid, het kantooradres en het telefoonnummer van
de deurwaarder, alsmede een aanduiding dat de inhoud de
onmiddellijke aandacht behoeft.
Artikel 48
Ten aanzien van de Koning, de
vermoedelijke opvolger van de Koning, hun echtgenoten en de Regent,
alsmede ten aanzien van de Staat, geschiedt de betekening aan het
parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Indien afschrift
van een voor de Staat bestemd exploot wordt gelaten aan een persoon
ten parkette die daartoe is aangewezen, is het exploot gedaan aan de
Staat in persoon. Indien mogelijk wordt in het exploot vermeld welk
ministerie het betreft.
Artikel 49
Ten aanzien van een rechtspersoon als
bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met
uitzondering van de Staat, geschiedt de betekening ter plaatse waar
het bestuur zitting of kantoor houdt, of aan de persoon of de
woonplaats van het hoofd van dat bestuur. Indien afschrift van het
exploot wordt gelaten aan een bestuurder of aan een persoon die
daartoe is aangewezen, is het exploot gedaan aan de rechtspersoon in
persoon.
Artikel 50
Ten aanzien van andere rechtspersonen
geschiedt de betekening aan hun kantoor of aan de persoon of de
woonplaats van een van de bestuurders. Na de ontbinding geschiedt
zij aan het kantoor, de persoon of de woonplaats van een van de
vereffenaars. Indien afschrift van het exploot wordt gelaten aan een
bestuurder, of, na de ontbinding, aan een vereffenaar, is het
exploot gedaan aan de rechtspersoon in persoon.
Artikel 51
1.Ten aanzien van vennootschappen
onder firma en commanditaire vennootschappen geschiedt de
betekening aan hun kantoor of aan de persoon of de woonplaats van
een van de beherende vennoten. Na de ontbinding geschiedt zij aan
het kantoor, de persoon of de woonplaats van een van de
vereffenaars. Indien afschrift van het exploot wordt gelaten aan
een beherende vennoot, of, na de ontbinding, aan een vereffenaar,
is het exploot gedaan aan de vennootschap in persoon.
2.Ten aanzien van maatschappen die
een gemeenschappelijke naam voeren, geschiedt de betekening aan
hun kantoor.
Artikel 52
Ten aanzien van curatoren in een
faillissement, bewindvoerders in een surséance van betaling dan wel
in een schuldsaneringsregeling natuurlijke personen geschiedt de
betekening aan het kantoor, de persoon of de woonplaats van een van
hen.
Artikel 53
Bij een betekening ten aanzien van de
gezamenlijke erfgenamen van een overledene kan vermelding van hun
namen en woonplaatsen achterwege blijven indien deze geschiedt:
a. aan de laatste woonplaats van
de overledene, mits aldaar nog de overlevende echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel, een broer, een
zuster of een nabestaande in de rechte lijn woont,
b. aan de persoon of de
woonplaats van een executeur of door de rechtbank benoemde
vereffenaar van de nalatenschap, van een ten tijde van het
overlijden fungerend curator of bewindvoerder, of, indien bij
een dagvaarding verzet, hoger beroep of beroep in cassatie wordt
ingesteld, aan het kantoor van de advocaat of deurwaarder bij
wie de overledene laatstelijk woonplaats heeft gekozen, of
c. aan de persoon of de
woonplaats van een van de erfgenamen, mits binnen een jaar na
het overlijden, in welk geval het exploot tevens moet worden
aangekondigd in een landelijk dagblad of een dagblad
verschijnend in de streek waar de laatste woonplaats van de
overledene was; een en ander onverminderd de mogelijkheid van
betekening aan ieder van de erfgenamen afzonderlijk op de gewone
wijze.
Artikel 54
1.Ten aanzien van hen die geen
bekende woonplaats in Nederland hebben, geschiedt de betekening
ter plaatse van hun werkelijk verblijf.
2.Indien de woonplaats en het
werkelijk verblijf onbekend zijn en het exploot een te voeren of
aanhangige procedure betreft, alsmede indien in rechte worden
opgeroepen houders van aandelen of andere effecten, welke niet op
naam staan of waarvan de houders niet bij name bekend zijn,
geschiedt de betekening aan het parket van de ambtenaar van het
openbaar ministerie bij het gerecht waar de zaak moet dienen of
dient. Indien de zaak dient of moet dienen bij de Hoge Raad,
geschiedt de betekening aan het parket van de procureur-generaal
bij de Hoge Raad. Voorts wordt een uittreksel van het exploot zo
spoedig mogelijk bekend gemaakt in een landelijk dagblad of in een
dagblad verschijnend in de streek waar voormeld gerecht zitting
houdt onder vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder
of van de advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden
verkregen.
3.Gelijkelijk wordt gehandeld ten
aanzien van rechtspersonen, bestaande of ontbonden, bij gebreke
van kantoor, bestuurder of vereffenaar, of wanneer de bestuurder
of vereffenaar geen bekend kantoor, bekende woonplaats of bekend
werkelijk verblijf heeft.
4.Indien het exploot niet een te
voeren of aanhangige procedure betreft, geschiedt de betekening
aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de
rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de verzoeker zijn
woonplaats of, bij gebreke daarvan, zijn werkelijk verblijf heeft,
terwijl een uittreksel van het exploot voorts bekend wordt gemaakt
in een landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in de
streek waar de verzoeker woonplaats of werkelijk verblijf heeft,
onder vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder of
van de advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden
verkregen. Heeft de verzoeker geen bekende woonplaats of bekend
werkelijk verblijf in Nederland, dan geschiedt de betekening aan
het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de
rechtbank te 's-Gravenhage.
5.Indien het exploot ten verzoeke
van de ene echtgenoot of geregistreerde partner aan de andere
wordt gedaan, houdt het de naam van de raadsman van die andere
echtgenoot of geregistreerde partner in, indien deze bekend is.
Artikel 55
1.Ten aanzien van hen die geen
bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf in Nederland
hebben, maar van wie de woonplaats of het werkelijk verblijf
buiten Nederland bekend is, geschiedt de betekening aan het parket
van de ambtenaar van het openbaar ministerie, onderscheidenlijk de
procureur-generaal, bedoeld in artikel 54, tweede en vierde lid,
die een afschrift van het exploot ten behoeve van degene voor wie
het bestemd is, toezendt aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken
of, indien de woonplaats of het werkelijk verblijf van de
betrokkene zich in de Nederlandse Antillen of op Aruba bevindt,
aan het Kabinet van de Gevolmachtigd Minister van de Nederlandse
Antillen respectievelijk van Aruba in Nederland. Een tweede
afschrift wordt door de deurwaarder per aangetekende brief
onverwijld toegezonden aan de woonplaats of het werkelijk verblijf
van de betrokkene.
2.Heeft degene voor wie het exploot
bestemd is, een bekende woonplaats of een bekend werkelijk
verblijf buiten Nederland in een Staat die partij is bij het op 15
november 1965 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de
betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke
en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken (Trb.
1966, 91) en ontvangt deze het afschrift op een wijze die aldaar
wordt aangemerkt als betekening in persoon, dan wordt het exploot
geacht te zijn gedaan aan hem in persoon.
Artikel 56
1.Voorzover nodig in afwijking van
hetgeen elders in deze afdeling is bepaald, geschiedt de
betekening ten aanzien van hen die geen bekende woonplaats of
bekend werkelijk verblijf in Nederland hebben, maar wel een
bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf hebben in een
Staat waar de verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees
Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en
de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en
buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken
(«de betekening en de kennisgeving van stukken»), en tot
intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 (PbEU L 324/79) van
toepassing is, met inachtneming van het tweede tot en met vijfde
lid.
2.Een deurwaarder die is aangewezen
als verzendende instantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
van de verordening, verzendt een afschrift van het te betekenen
stuk aan een ontvangende instantie als bedoeld in artikel 2,
tweede lid, van de verordening ter betekening aan degene voor wie
het stuk bestemd is. In plaats van een afschrift kan de
deurwaarder ook een vertaling van het stuk verzenden in een taal
als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de verordening. De
gerechtsdeurwaarder maakt in het stuk melding van de verzending,
alsmede van de volgende gegevens:
a. de datum van verzending;
b. de naam en het adres van de
ontvangende instantie;
c. de wijze van verzending;
d. of een vertaling is
verzonden en, zo ja, in welke taal;
e. de taal waarin het formulier
als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de verordening is
ingevuld;
f. de gevraagde wijze van
betekening.
3.Een deurwaarder die is aangewezen
als verzendende instantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
van de verordening, mag een afschrift van het te betekenen stuk of
een vertaling van het stuk als bedoeld in artikel 8, eerste lid,
van de verordening, ook rechtstreeks verzenden aan degene voor wie
het stuk bestemd is, overeenkomstig artikel 14 van de verordening.
De gerechtsdeurwaarder maakt in het stuk melding van de
verzending, alsmede van het volgende:
a. de datum van verzending;
b. de wijze van verzending;
c. of een vertaling is
verzonden en zo ja, in welke taal;
d. de mededeling in een van de
in artikel 8, eerste lid, van de verordening bedoelde talen,
dat degene voor wie het stuk bestemd is, dit mag weigeren als
het niet gesteld is in of niet vergezeld gaat van een
vertaling in een van de in artikel 8, eerste lid, van de
verordening bedoelde talen en dat geweigerde stukken naar hem
moeten worden gezonden.
4.Wanneer de betekening binnen een
bepaalde termijn moet worden verricht, wordt ten aanzien van
degene op wiens verzoek de betekening geschiedt, de datum van
verzending overeenkomstig het tweede of derde lid in aanmerking
genomen als de datum van betekening.
5.Ontvangt degene voor wie het stuk
bestemd is het afschrift of de vertaling op een wijze die in de
desbetreffende Staat wordt aangemerkt als betekening in persoon,
dan wordt het stuk geacht te zijn betekend aan hem in persoon.
Artikel 57
1.Ten aanzien van hem die met
degene ten verzoeke van wie het exploot wordt gedaan de woning
deelt, geschiedt de betekening aan hem in persoon.
2.Indien betekening in persoon niet
kan geschieden, handelt de deurwaarder overeenkomstig artikel 47
en doet hij bovendien een afschrift van het exploot toekomen aan
het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het
gerecht waarvoor de zaak moet dienen of dient, dan wel, indien het
exploot niet een te voeren of aanhangige procedure betreft, bij de
rechtbank binnen welker rechtsgebied de woning gelegen is. Indien
de zaak dient of moet dienen bij de Hoge Raad, geschiedt de
betekening aan het parket van de procureur-generaal bij de Hoge
Raad. De ambtenaar van het openbaar ministerie, onderscheidenlijk
de procureur-generaal, bevordert dat het exploot de betrokkene
bereikt.
Artikel 58
Ten aanzien van de eigenaar en ten
aanzien van de leden dan wel de boekhouder van een rederij van een
schip dat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel
1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, te boek staat, indien het
exploot het schip dan wel een in of krachtens Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek geregeld onderwerp betreft, geschiedt de
betekening aan de in artikel 194, zesde lid, of artikel 784, zevende
lid, van Boek 8 genoemde woonplaats.
Artikel 59
Ten aanzien van de opvarenden van een
schip die geen bekende woonplaats in Nederland hebben en die noch
aan boord van dat schip, noch elders worden aangetroffen, geschiedt
de betekening, indien het exploot het schip of een in of krachtens
Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek geregeld onderwerp betreft, aan
boord aan de kapitein of de schipper van dat schip.
Artikel 60
Ten aanzien van de eigenaar van een
luchtvaartuig dat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2
van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, te boek staat,
geschiedt de betekening, indien het exploot het luchtvaartuig dan
wel een in of krachtens Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek geregeld
onderwerp betreft, aan de in artikel 1303, zesde lid, van Boek 8 van
het Burgerlijk Wetboek genoemde woonplaats.
Artikel 61
Ten aanzien van hen die verblijven in
een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, indien het
exploot een vordering tot ontruiming daarvan door anderen dan
gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of
zakelijk recht betreft, zonder dat de naam en de woonplaats van
degenen voor wie het exploot is bestemd, alsmede de persoon aan wie
afschrift wordt gelaten, worden vermeld, geschiedt de betekening op
de wijze als vermeld in artikel 47, met dien verstande dat voor
«aan de woonplaats» in het eerste lid van dat artikel wordt
gelezen: ter plaatse, en dat degenen voor wie het exploot bestemd
is, daarin en op de envelop waarin een afschrift wordt achtergelaten
of ter post wordt bezorgd, worden aangeduid als: zij die verblijven
in de desbetreffende onroerende zaak of een gedeelte daarvan. Voorts
wordt een uittreksel van het exploot zo spoedig mogelijk bekend
gemaakt in een landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in
de streek waarin de onroerende zaak gelegen is, onder vermelding van
naam en kantooradres van de deurwaarder of van de advocaat van wie
afschrift van het exploot kan worden verkregen.
Artikel 62
Ten aanzien van hen die algemene
voorwaarden gebruiken waarin bedingen voorkomen waarvan gesteld
wordt dat zij onredelijk bezwarend zijn, geschiedt, indien ingevolge
artikel 1003, onder 1°, hun naam en woonplaats niet afzonderlijk in
het exploot worden vermeld, de betekening aan het parket van de
procureur-generaal bij het gerecht waar de zaak aanhangig wordt
gemaakt, is of laatstelijk was, terwijl een uittreksel van het
exploot zo spoedig mogelijk bekend wordt gemaakt in een landelijk
dagblad onder vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder
of van de advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden
verkregen.
Artikel 63
1.Een exploot waarbij verzet wordt
gedaan of waarbij hoger beroep of beroep in cassatie wordt
ingesteld, kan ook worden gedaan aan het kantoor van de advocaat
of deurwaarder bij wie degene voor wie het exploot is bestemd,
laatstelijk ter zake woonplaats heeft gekozen, ook indien deze een
bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf heeft in een Staat
waar de in artikel 56, eerste lid, bedoelde verordening van
toepassing is. Deze advocaat of deurwaarder bevordert dat het
exploot degene voor wie het is bestemd, tijdig bereikt.
2.Aan een in verband met executie
volgens wettelijk voorschrift gekozen woonplaats kunnen alle
exploten worden gedaan, zelfs van verzet, hoger beroep en
cassatie.
Artikel 64
1.Geen exploot mag worden gedaan
tussen acht uur 's avonds en zeven uur 's ochtends.
2.Evenmin mag een exploot worden
gedaan op een zondag of een algemeen erkende feestdag. Indien de
laatste dag van de termijn, waarbinnen het exploot kan worden
gedaan, op een zondag of een algemeen erkende feestdag valt, kan
het exploot de daarop volgende dag worden gedaan.
3.De voorzieningenrechter of, in
kantonzaken, de kantonrechter van het gerecht, waarvoor bij dat
exploot wordt gedagvaard of opgeroepen, en in alle andere gevallen
de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen het rechtsgebied
waarvan het exploot wordt uitgebracht, kan, in afwijking van het
eerste en tweede lid, verlof verlenen het exploot uit te brengen
op alle dagen en uren.
Artikel 65
Een exploot of akte van rechtspleging
kan slechts nietig worden verklaard, indien dit exploot of deze akte
lijdt aan een gebrek dat uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of
indien de nietigheid voortvloeit uit de aard van het gebrek.
Artikel 66
1.De niet-naleving van hetgeen in
deze afdeling is voorgeschreven, brengt slechts nietigheid mee
voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is
bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld.
2.Een gebrek in een exploot dat
nietigheid meebrengt, kan, tenzij uit de wet anders voortvloeit,
bij exploot worden hersteld.
Zevende afdeling. Inlichtingen over
buitenlands recht en communautair mededingingsrecht
Artikel 67
1.Indien de rechter inlichtingen
wil inwinnen overeenkomstig artikel 3 van de op 7 juni 1968 te
Londen gesloten Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van
inlichtingen over buitenlands recht (Trb. 1968, 142) dan wel
inlichtingen of advies wil vragen ingevolge artikel 15, eerste
lid, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van de Europese
Unie van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de
mededingingregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEG
2003, L 1), doet hij aan partijen schriftelijk opgave van de te
stellen vragen en de te verzenden stukken.
2.Partijen kunnen binnen een door
de rechter te bepalen termijn schriftelijk hun mening omtrent de
te stellen vragen en de te verzenden stukken geven.
3.De rechter stelt de inhoud van
het verzoek om inlichtingen of advies in een tussenbeslissing
vast. Voor zover het inlichtingen over buitenlands recht betreft,
neemt hij artikel 4 van de Overeenkomst daarbij in acht.
4.Tegen deze tussenbeslissing staat
geen voorziening open, voor zover het de inhoud van de te stellen
vragen en de te verzenden stukken betreft.
5.Indien aan de rechter op grond
van artikel 13 van de Overeenkomst aanvullende inlichtingen worden
gevraagd, stelt hij partijen in de gelegenheid binnen een door hem
te bepalen termijn schriftelijk op dit verzoek te reageren.
Artikel 68
1.De griffier zendt een afschrift
van het antwoord op het verzoek om inlichtingen of van het advies
aan partijen. Alsdan bepaalt de rechter de dag waarop de procedure
wordt voortgezet.
2.Partijen kunnen binnen een door
de rechter te bepalen termijn hun beschouwingen over het antwoord
of het advies geven.
Achtste afdeling. Herstel van
verkeerd inleiden van een procedure, verwijzing door of naar de
kantonrechter en verwijzing bij absolute onbevoegdheid
Artikel 69
1.Indien een procedure met een
verzoekschrift is ingeleid in plaats van met een dagvaarding of
met een dagvaarding in plaats van met een verzoekschrift, beveelt
de rechter, zo nodig, de aanlegger binnen een door de rechter te
bepalen termijn op kosten van de aanlegger het stuk waarmee de
procedure is ingeleid, te verbeteren of aan te vullen. De
procedure is aanhangig vanaf de oorspronkelijke dag van indiening
of dagvaarding.
2.De rechter beveelt voorts, zo
nodig met verwijzing naar een andere kamer, dat de procedure in de
stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels
die gelden voor de dagvaardingsprocedure respectievelijk de
verzoekschriftprocedure.
3.Beveelt de rechter dat de
procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de
dagvaardingsprocedure, dan bepaalt hij tevens een dag waarop de
zaak op de rol zal komen. Heeft nog geen oproeping van de
verweerder plaatsgevonden, dan beveelt hij dat deze dag door de
aanlegger bij exploot aan de verweerder wordt aangezegd.
4.De rechter stelt partijen, zo
nodig, in de gelegenheid hun stellingen aan de dan toepasselijke
procesregels aan te passen.
5.Tegen een beslissing ingevolge
het eerste, tweede, derde of vierde lid staat geen hogere
voorziening open.
Artikel 70
1.Voor zover de rechter de
aanlegger in zijn vordering of verzoek niet-ontvankelijk verklaart
omdat bezwaar kon worden gemaakt, administratief beroep kon worden
ingesteld of beroep bij een administratieve rechter kon worden
ingesteld, wordt dit in het vonnis, het arrest of de beschikking
vermeld.
2.Indien de niet-ontvankelijkheid
voor de aanlegger onduidelijk kon zijn, vermeldt de rechter tevens
in het vonnis, het arrest of de beschikking bij welk orgaan alsnog
bezwaar kan worden gemaakt of alsnog beroep kan worden ingesteld.
Het orgaan waarbij alsnog bezwaar kan worden gemaakt of alsnog
beroep kan worden ingesteld, is aan die beslissing gebonden.
3.De termijn voor het alsnog
indienen van het bezwaar- of beroepschrift vangt aan met ingang
van de dag na die waarop het vonnis, het arrest of de beschikking
onherroepelijk is geworden.
Artikel 71
1.Moet een zaak, in behandeling bij
de kantonrechter, verder worden behandeld en beslist door een
kamer die niet tot de sector kanton behoort, dan wordt de zaak
daartoe op verlangen van een der partijen of ambtshalve naar een
zodanige kamer verwezen.
2.Moet een zaak, in behandeling bij
een kamer die niet tot de sector kanton behoort, verder worden
behandeld en beslist door de kantonrechter, dan wordt de zaak
daartoe op verlangen van een der partijen of ambtshalve verwezen
naar een kamer die tot de sector kanton behoort.
3.De vraag of verwijzing nodig is
beoordeelt de rechter, voor zover daarvoor het onderwerp van het
geschil bepalend is, aan de hand van zijn voorlopig oordeel over
het onderwerp van het geschil.
4.In de beslissing tot verwijzing
vermeldt de rechter op welke wijze partijen in de procedure moeten
verschijnen. In het geval van een dagvaardingsprocedure vermeldt
de rechter tevens een nieuwe roldatum en beveelt hij, indien tegen
de gedaagde verstek is verleend, dat deze door de eiser bij
exploot aan de gedaagde wordt aangezegd onder betekening van de
beslissing tot verwijzing.
5.Tegen een verwijzing en tegen het
achterwege laten van verwijzing staat geen voorziening open. De
rechter naar wie de zaak is verwezen, is aan de verwijzing
gebonden.
Artikel 72
Indien een zaak niet behoort tot de
absolute bevoegdheid van de rechter, verklaart deze zich, zo nodig
ambtshalve, onbevoegd.
Artikel 73
Verklaart de rechter zich onbevoegd
en is een andere gewone rechter wel bevoegd, dan verwijst hij de
zaak naar deze rechter.
Artikel 74
1.Betreft de verwijzing een zaak
die bij dagvaarding moet worden ingeleid, dan heeft iedere partij
het recht de overige partijen bij exploot op te roepen tegen de
dag waarop zij de zaak ter rolle wil doen dienen. Voor deze
oproeping moeten de voor dagvaarding voorgeschreven termijnen in
acht worden genomen. Het exploot kan ook worden gedaan aan het
kantoor van de advocaat of deurwaarder bij wie degene voor wie het
exploot bestemd is, laatstelijk ter zake woonplaats heeft gekozen.
Deze advocaat of deurwaarder bevordert dat het exploot degene voor
wie het is bestemd, tijdig bereikt.
2.Betreft de verwijzing een zaak
die met een verzoekschrift moet worden ingeleid, dan zendt de
griffier een afschrift van de beschikking aan de rechter naar wie
de zaak is verwezen.
3.De procedure wordt, in de stand
waarin zij zich bij de verwijzing bevindt, voortgezet voor de
rechter naar wie de zaak is verwezen. Een lagere rechter is aan de
verwijzing gebonden, een hogere rechter niet.
Artikel 75
1.Tegen een arrest of beschikking
waarbij de rechter zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst
naar een lagere rechter, kan beroep in cassatie slechts worden
ingesteld binnen acht weken, te rekenen van de dag van de
uitspraak van het arrest of de beschikking.
2.Tegen een vonnis of beschikking
waarbij de rechter zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst
naar een hogere rechter, is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 76
Indien de rechter in hoger beroep een
vonnis of beschikking van een lagere rechter, waarbij deze zich
onbevoegd had verklaard wegens ontbreken van rechtsmacht of in
verband met een overeenkomst tot arbitrage, vernietigt, verwijst de
rechter de zaak naar deze lagere rechter om op de hoofdzaak te
worden beslist, tenzij partijen verklaren te verlangen dat de
rechter in beroep de zaak aan zich houdt.
Negende afdeling. Slotbepaling
Artikel 77
1.In alle procedures waarin de
Koning als eiser of als verzoeker optreedt, wordt de zaak ingeleid
en voortgezet ten name van en door een door hem aan te wijzen
gemachtigde.
2.Alle procedures tegen de Koning
worden voortgezet ten name van een door hem aan te wijzen
gemachtigde. Betreft het een zaak die bij dagvaarding moet worden
ingeleid, dan wordt, indien de gemachtigde niet in het geding
opkomt en indien daartoe gronden zijn, het verstek verleend en
vonnis gewezen ten name van de procureur-generaal bij de Hoge
Raad.
Tweede titel. De
dagvaardingsprocedure in eerste aanleg
Eerste afdeling. Algemene bepalingen
Artikel 78
1.Deze titel is van toepassing op
alle zaken waarop niet ingevolge artikel 261 de derde titel van
toepassing is, en voor zover daarop niet een andere, bijzondere
wettelijke regeling van toepassing is.
2.De zaken, bedoeld in het eerste
lid, worden elders in dit wetboek aangeduid als: zaken die bij
dagvaarding moeten worden ingeleid.
Artikel 79
1.Partijen kunnen in zaken voor de
kantonrechter in persoon procederen.
2.In alle overige zaken kunnen
partijen niet in persoon procederen, maar slechts bij advocaat.
Zij worden geacht tot aan het eindvonnis bij de gestelde advocaat
woonplaats te hebben gekozen, tenzij zij hebben verklaard een
andere woonplaats te hebben gekozen. Zij kunnen de door hen
gestelde advocaat niet herroepen zonder tevens een andere advocaat
te stellen.
Artikel 80
1.In zaken waarin partijen in
persoon kunnen procederen, kunnen zij zich laten bijstaan of zich
door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.
2.De kantonrechter kan van een
gemachtigde overlegging van een schriftelijke volmacht verlangen.
3.Het tweede lid is niet van
toepassing op advocaten en deurwaarders.
4.Partijen worden geacht tot aan
het eindvonnis bij de gemachtigde woonplaats te hebben gekozen,
tenzij zij hebben verklaard een andere woonplaats te hebben
gekozen.
Artikel 81
1.De kantonrechter kan bij met
redenen omklede beschikking bijstand of vertegenwoordiging door
een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan en die geen
advocaat of deurwaarder is, weigeren. De weigering geldt voor een
bepaalde zaak of voor een door de kantonrechter te bepalen tijd.
2.De weigering wordt aan de
desbetreffende partij en aan de in het eerste lid bedoelde persoon
schriftelijk meegedeeld met vermelding van de reden van de
weigering. Tevens stelt de kantonrechter de partij in de
gelegenheid een andere persoon aan te wijzen. Daartoe houdt hij de
zaak zo nodig aan.
3.De kantonrechter kan bepalen dat
een beschikking, op grond van het eerste lid gegeven, uitvoerbaar
bij voorraad is.
4.De persoon die is geweigerd, kan
binnen vier weken na de verzending van de beschikking in beroep
komen bij het gerechtshof.
5.Het gerechtshof beslist na de
betrokken kantonrechter te hebben uitgenodigd de nodige
inlichtingen te verstrekken en na de appellant te hebben gehoord.
Artikel 82
1.In zaken waarin partijen in
persoon kunnen procederen, worden conclusies en akten genomen ter
terechtzitting, dan wel door indiening ter griffie vóór de
roldatum.
2.In deze zaken kunnen conclusies
en akten ook mondeling ter terechtzitting worden genomen.
3.In zaken waarin partijen niet in
persoon kunnen procederen, worden, indien op de roldatum een
terechtzitting plaatsvindt, conclusies en akten ter terechtzitting
genomen. Indien niet een terechtzitting plaatsvindt, worden
conclusies en akten op de roldatum genomen door indiening ter
griffie vóór of op de roldatum.
Artikel 83
1.In zaken waarin partijen in
persoon kunnen procederen, worden de conclusies en akten, wanneer
zij niet mondeling worden genomen, ondertekend door de partij van
wie het stuk afkomstig is of door haar gemachtigde.
2.In zaken waarin partijen niet in
persoon kunnen procederen, worden deze stukken ondertekend door de
advocaat.
Artikel 84
1.Conclusies en akten worden,
wanneer zij ter terechtzitting worden genomen, aan de griffier
verstrekt.
2.In zaken waarin partijen in
persoon kunnen procederen, zendt de griffier zo spoedig mogelijk
een afschrift van deze stukken aan de wederpartij, voor zover dit
afschrift niet reeds aan haar of aan haar gemachtigde ter
terechtzitting is overhandigd.
3.Indien mondeling is geconcludeerd
zonder dat de wederpartij of haar gemachtigde daarbij aanwezig
was, zendt de griffier een weergave van de zakelijke inhoud van de
conclusie aan de wederpartij of aan haar gemachtigde.
4.In zaken waarin partijen niet in
persoon kunnen procederen, doet de advocaat uiterlijk op de
roldatum een afschrift van deze stukken aan de advocaat van de
wederpartij toekomen.
Artikel 85
1.Indien een partij zich bij
dagvaarding, conclusie of akte op enig stuk beroept, is zij
verplicht een afschrift van het stuk bij te voegen, tenzij een
afschrift reeds bij een eerder processtuk in dezelfde zaak was
gevoegd. De in de vorige volzin bedoelde verplichting vervalt
indien de wederpartij verklaart geen afschrift te verlangen.
2.Indien de wederpartij verklaart
inzage in het stuk zelf te verlangen, is de partij die zich op het
stuk beroept bovendien verplicht dit ter griffie te deponeren. In
zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, kan in
plaats daarvan het stuk aan de advocaat van de wederpartij tegen
ontvangstbewijs worden afgegeven.
3.Indien een partij nog enig stuk
in het geding wenst te brengen nadat de dag voor een verschijning
van partijen ter terechtzitting of het houden van pleidooien is
bepaald, zendt zij een afschrift aan de wederpartij.
Tegelijkertijd verstrekt zij een afschrift van het stuk aan de
griffier.
4.Indien ten aanzien van enig stuk
aan enig voorschrift van dit artikel niet is voldaan, of dermate
laat dat de wederpartij dientengevolge niet voldoende in staat is
zich daarover uit te laten, kan zij zich daarop tot aan het
eindvonnis beroepen. In dat geval of indien zodanig beroep niet
wordt gedaan, terwijl de rechter reden heeft om te veronderstellen
dat de wederpartij geen afschrift van het stuk heeft ontvangen,
biedt hij de wederpartij de gelegenheid zich alsnog over het stuk
uit te laten, dan wel houdt hij bij zijn beslissing ten nadele van
de wederpartij met het stuk geen rekening.
Artikel 86
De in artikel 85, tweede lid,
bedoelde stukken worden teruggegeven binnen een week na dagtekening
van het ontvangstbewijs of, op verlangen van de partij die zich op
de stukken beroept, binnen een week na de kennisgeving aan de
wederpartij dat de stukken ter griffie zijn gedeponeerd.
Artikel 87
1.De rechter kan, op verzoek van
partijen of van een van hen dan wel ambtshalve, in alle gevallen
en in elke stand van het geding een verschijning van partijen ter
terechtzitting bevelen teneinde een schikking te beproeven.
2.Partijen verschijnen ter
terechtzitting in persoon of bij gemachtigde. In zaken waarin zij
niet in persoon kunnen procederen, verschijnen zij in persoon of
bij advocaat. De rechter kan verschijning in persoon bevelen.
Partijen die ter terechtzitting in persoon verschijnen, mogen zich
laten bijstaan door hun raadsman. In zaken waarin partijen niet in
persoon kunnen procederen, is de raadsman een advocaat.
3.Indien een schikking tot stand
komt, wordt, wanneer een partij dat verlangt, een proces-verbaal
opgemaakt, dat mede wordt ondertekend door partijen of hun tot dat
doel bijzonderlijk gevolmachtigden en waarin de verbintenissen die
partijen ten gevolge van die schikking op zich nemen, worden
uitgedrukt. De uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in
executoriale vorm.
4.Indien geen schikking tot stand
komt, bepaalt de rechter de dag waarop de zaak weer op de rol zal
komen.
Artikel 88
1.Een verschijning van partijen ter
terechtzitting kan ook worden bevolen tot het geven van
inlichtingen aan de rechter. Artikel 87, tweede lid, is van
toepassing.
2.De rechter ondervraagt partijen.
Partijen kunnen elkaar vragen stellen, behoudens de bevoegdheid
van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg
wordt gegeven.
3.Van het verhandelde wordt een
proces-verbaal opgemaakt dat na voorlezing door de rechter en door
de griffier, alsmede door partijen wordt ondertekend. Indien geen
inlichtingen zijn gegeven of de verschenen partijen daarmee
instemmen, kan de rechter bepalen dat voorlezing en ondertekening
door partijen achterwege blijven. Weigert een partij te
ondertekenen of verklaart zij dit niet te kunnen, dan wordt die
weigering of die verklaring inhoudende de oorzaak van
verhindering, in het proces-verbaal vermeld. Eveneens vermeldt het
proces-verbaal de door de rechter bepaalde dag waarop de zaak weer
op de rol zal komen.
4.Een verklaring omtrent door haar
te bewijzen feiten kan in het voordeel van de partij die haar
aflegde geen bewijs opleveren. Overigens kan de rechter uit de
afgelegde verklaringen, uit een niet-verschijnen ter
terechtzitting of uit een weigering om te antwoorden of het
proces-verbaal te ondertekenen de gevolgtrekking maken die hij
geraden acht, behoudens artikel 154.
Artikel 89
Indien met het oog op een
verschijning ter terechtzitting als bedoeld in artikel 87 of artikel
88 een bevel als bedoeld in artikel 22 wordt gegeven, moeten de
bescheiden uiterlijk op een door de rechter te bepalen dag vóór de
datum van de verschijning aan de rechter en in afschrift aan de
wederpartij zijn overgelegd.
Artikel 90
1.In alle gevallen waarin de
rechter een dag bepaalt waarop de zaak weer op de rol zal komen,
bepaalt hij tevens welke proceshandeling dan moet worden verricht.
2.Dient een zaak in enige stand van
het geding wederom voor een proceshandeling ter rolle, dan
geschiedt dit bij een enkelvoudige kamer.
Artikel 91
De griffier verstrekt zo spoedig
mogelijk een afschrift van processen-verbaal aan de eiser en aan de
in het geding verschenen gedaagde.
Artikel 92
Indien de griffier aan partijen
stukken toezendt, geschiedt dit, tenzij de rechter anders bepaalt,
bij gewone brief.
Tweede afdeling. Kantonzaken
Artikel 93
Door de kantonrechter worden
behandeld en beslist:
a. zaken betreffende vorderingen
met een beloop van ten hoogste € 5000, de tot aan de dag van
dagvaarding verschenen rente daarbij inbegrepen, tenzij de
rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt
betwist;
b. zaken betreffende vorderingen
van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan
dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan €
5000;
c. zaken betreffende een
arbeidsovereenkomst, een collectieve arbeidsovereenkomst,
algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve
arbeidsovereenkomst, een vut-overeenkomst als bedoeld in de Wet
kaderregeling vut overheidspersoneel, of een agentuur-, huur- of
huurkoopovereenkomst, ongeacht het beloop of de waarde van de
vordering;
d. andere zaken ten aanzien
waarvan de wet dit bepaalt.
Artikel 94
1.Indien een zaak meer dan één
vordering als bedoeld in artikel 93 onder a en b betreft, is voor
de toepassing van dat artikel beslissend het totale beloop of de
totale waarde van deze vorderingen.
2.Indien een zaak meer vorderingen
betreft en tenminste één daarvan een vordering is als bedoeld in
artikel 93 onder c of d, worden deze vorderingen alle door de
kantonrechter behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen
de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.
3.In het geval van zaken in
conventie en in reconventie, waarvan er tenminste één een
vordering betreft als bedoeld in artikel 93 onder c of d, is het
tweede lid van overeenkomstige toepassing.
4.In het geval van een hoofdzaak en
een zaak in vrijwaring, waarvan er tenminste één een vordering
betreft als bedoeld in artikel 93 onder c of d, worden deze
vorderingen alle door de kantonrechter behandeld en beslist.
Artikel 95
Voor de toepassing van de artikelen
93 en 94 wordt mede gelet op een wijziging van de eis.
Artikel 96
In alle zaken die slechts
rechtsgevolgen betreffen die ter vrije bepaling van partijen staan,
kunnen zij zich samen tot een kantonrechter van hun keuze wenden en
zijn beslissing inroepen. Het geding wordt gevoerd op de wijze als
door de kantonrechter bepaald.
Artikel 97
1.Buiten de gevallen als bedoeld in
artikel 94, derde lid, wordt een zaak in reconventie ook in
afwijking van de artikelen 93 tot en met 96 behandeld en beslist
door de rechter die de zaak in conventie behandelt en beslist,
voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen
afzonderlijke behandeling verzet.
2.Buiten de gevallen als bedoeld in
artikel 94, vierde lid, wordt een zaak in vrijwaring ook in
afwijking van de artikelen 93 tot en met 96 behandeld en beslist
door de rechter die de hoofdzaak behandelt en beslist.
Artikel 98
Indien de kantonrechter in de
gevallen, bedoeld in de artikelen 94, tweede tot en met vierde lid,
en 97, eerste lid, van oordeel is dat de zaak ongeschikt is voor
behandeling en beslissing door één rechter, kan hij de zaak met
toepassing van artikel 15, tweede lid, verwijzen naar een
meervoudige kamer van een andere sector dan de sector kanton.
Derde afdeling. Relatieve bevoegdheid
Artikel 99
1.Tenzij de wet anders bepaalt, is
bevoegd de rechter van de woonplaats van de gedaagde.
2.Bij gebreke van een bekende
woonplaats van de gedaagde in Nederland is bevoegd de rechter van
zijn werkelijk verblijf.
Artikel 100
In zaken betreffende een individuele
arbeidsovereenkomst, een agentuurovereenkomst, een collectieve
arbeidsovereenkomst of algemeen verbindend verklaarde bepalingen van
een collectieve arbeidsovereenkomst is mede bevoegd de rechter van
de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt of laatstelijk gewoonlijk
werd verricht. In zaken betreffende een individuele
arbeidsovereenkomst is, indien de arbeid tijdelijk in Nederland
wordt verricht, mede bevoegd de rechter van de plaats waar de
werknemer de arbeid tijdelijk verricht, voorzover het betreft een
rechtsvordering met betrekking tot arbeidsvoorwaarden en
arbeidsomstandigheden, welke is gegrond op artikel 1 van de Wet
arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid, artikel 7 of 15 van
de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, artikel 2, zesde lid,
van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren
van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, artikel 8 of
11 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, alsmede
artikel 5, eerste lid, onder b, d, e, of f, van de Algemene wet
gelijke behandeling.
Artikel 101
In zaken betreffende een overeenkomst
die wordt gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van
een beroep of bedrijf en een natuurlijk persoon die niet handelt in
de uitoefening van een beroep of bedrijf, is mede bevoegd de rechter
van de woonplaats of, bij gebreke daarvan, van het werkelijk
verblijf van die natuurlijke persoon.
Artikel 102
In zaken betreffende verbintenissen
uit onrechtmatige daad is mede bevoegd de rechter van de plaats waar
het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.
Artikel 103
In zaken betreffende onroerende zaken
is mede bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied de zaak of het
grootste gedeelte daarvan is gelegen. In zaken betreffende huur van
woonruimte of huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is echter uitsluitend bevoegd de
rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde of het grootste
gedeelte daarvan is gelegen.
Artikel 104
1.In zaken betreffende
nalatenschappen is mede bevoegd de rechter van de laatste
woonplaats van de overledene.
2.In zaken betreffende
schuldvorderingen ten laste van de overledene is de in het eerste
lid aangewezen rechter eveneens bevoegd.
Artikel 105
In zaken betreffende de geldigheid,
de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of
rechtspersonen, de geldigheid, nietigheid of rechtsgevolgen van hun
besluiten of die van hun organen dan wel de rechten en
verplichtingen van hun leden of vennoten als zodanig, is mede
bevoegd de rechter van de woonplaats of de plaats van vestiging van
de rechtspersoon of de vennootschap.
Artikel 106
In zaken betreffende de toepassing
van de wettelijke bepalingen inzake faillissement, surséance van
betaling en schuldsaneringsregeling natuurlijke personen is mede
bevoegd de rechtbank waaruit de rechter-commissaris is benoemd of,
indien in geval van surséance geen rechter-commissaris is benoemd,
de rechtbank die over het verzoek tot het verlenen van surséance
heeft geoordeeld.
Artikel 107
Indien een rechter ten aanzien van
een van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd is,
is die rechter ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd,
mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een
zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een
gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
Artikel 108
1.Hebben partijen bij overeenkomst
een rechter aangewezen voor de kennisneming van geschillen die
zijn ontstaan of zullen ontstaan naar aanleiding van een bepaalde
rechtsbetrekking die tot hun vrije bepaling staat, dan is die
rechter bij uitsluiting bevoegd van de zaak kennis te nemen,
voorzover niet uit de overeenkomst anders voortvloeit.
2.Beloopt de vordering evenwel ten
hoogste € 5000 of betreft het een individuele
arbeidsovereenkomst dan wel een zaak als bedoeld in artikel 101 of
artikel 103, tweede zin, dan heeft een overeenkomst als bedoeld in
het eerste lid geen gevolg, tenzij:
a. zij is aangegaan na het
ontstaan van het geschil, of
b. de werknemer, de partij die
niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf dan wel
de huurder zich tot de aangewezen rechter wendt.
3.Een overeenkomst tot aanwijzing
van een bevoegde rechter wordt bewezen door een geschrift.
Daarvoor is voldoende een geschrift dat een dergelijk beding bevat
of dat verwijst naar algemene voorwaarden die een dergelijk beding
bevatten, mits dat geschrift door of namens de wederpartij
uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard.
4.Een overeenkomst tot aanwijzing
van een bevoegde rechter dient als een afzonderlijke overeenkomst
te worden beschouwd en beoordeeld. De aangewezen rechter is
bevoegd te oordelen over de rechtsgeldigheid van de
hoofdovereenkomst waarvan een overeenkomst tot aanwijzing van een
bevoegde rechter deel uitmaakt of waarop zij betrekking heeft.
Artikel 109
Wijzen de artikelen 99 tot en met 108
geen bevoegde rechter aan, dan is bevoegd de rechter van de
woonplaats van de eiser dan wel, indien er meer eisers zijn, elk van
de eisers of, bij gebreke daarvan, de rechter te 's-Gravenhage.
Artikel 110
1.Het verweer dat de rechter niet
relatief bevoegd is, wordt op straffe van verval van het recht
daartoe gevoerd vóór alle weren ten gronde. In zaken waarin de
vordering ten hoogste € 5000 beloopt, zaken betreffende een
individuele arbeidsovereenkomst en zaken als bedoeld in artikel
101 en 103, tweede zin, beoordeelt de rechter ook zonder daartoe
strekkend verweer of hij relatief bevoegd is.
2.Indien de rechter beslist dat
niet hij, maar een andere rechter relatief bevoegd is, verwijst
hij de zaak naar deze rechter. Artikel 74, eerste lid en derde
lid, eerste zin, zijn van toepassing.
3.Tegen een vonnis waarbij een
verweer als bedoeld in het eerste lid wordt verworpen of de zaak
naar een andere rechter wordt verwezen, is geen hogere voorziening
toegelaten. De rechter naar wie de zaak is verwezen, is aan die
verwijzing gebonden. De vorige zin mist toepassing indien de
rechter zich tevens absoluut onbevoegd verklaart en de zaak
verwijst naar een hogere rechter.
Vierde afdeling. Dagvaarding
Artikel 111
1.Dagvaarding geschiedt bij
exploot.
2.Naast de gegevens bedoeld in
artikel 45, tweede lid, vermeldt het exploot van dagvaarding:
a. de door eiser gekozen
woonplaats in Nederland;
b. in zaken waarin partijen in
persoon kunnen procederen, indien de eiser bij gemachtigde
procedeert, de naam en het adres van de gemachtigde;
c. in zaken waarin partijen
niet in persoon kunnen procederen, de naam en het kantooradres
van de advocaat die door de eiser wordt gesteld;
d. de eis en de gronden
daarvan;
e. de aanwijzing van de rechter
die van de zaak kennisneemt, onder vermelding van het adres
van het gerecht dan wel, indien de zaak moet worden behandeld
op een nevenvestigingsplaats of nevenzittingsplaats van het
gerecht, het adres van die nevenvestigingsplaats en
nevenzittingsplaats alsmede, indien de zaak moet worden
behandeld op een nevenzittingsplaats waar geen stukken kunnen
worden ingediend, het adres waar stukken kunnen worden
ingediend;
f. de roldatum waartegen wordt
gedagvaard en, indien alsdan een terechtzitting plaatsvindt,
het uur daarvan;
g. in zaken waarin partijen in
persoon kunnen procederen: de wijze waarop de gedaagde in het
geding moet verschijnen, te weten in persoon of
vertegenwoordigd door een gemachtigde en de wijze waarop de
gedaagde kan antwoorden, zoals bepaald in artikel 82, eerste
en tweede lid;
h. in zaken waarin partijen
niet in persoon kunnen procederen: de wijze waarop de gedaagde
in het geding moet verschijnen, te weten vertegenwoordigd door
een advocaat;
i. de in artikel 139 genoemde
rechtsgevolgen die intreden indien de gedaagde niet op de
voorgeschreven wijze in het geding verschijnt;
j. indien er meer gedaagden
zijn, het in artikel 140, tweede lid, genoemde rechtsgevolg
dat intreedt indien niet alle gedaagden op de voorgeschreven
wijze in het geding verschijnen.
3.Het exploot van dagvaarding
vermeldt de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de
gronden daarvoor. Verder vermeldt het exploot de bewijsmiddelen
waarover eiser kan beschikken en de getuigen die hij kan doen
horen ter staving van de aldus betwiste gronden van de eis.
Artikel 112
Betreft het exploot van dagvaarding
een kort geding voor de voorzieningenrechter, dan bevat dit tevens
de mededeling dat bij verschijning een vast recht zal worden
geheven, alsmede de hoogte daarvan. Hierbij wordt vermeld, dat aan
on- en minvermogenden vermindering van dit vast recht kan worden
verleend. In afwijking van de eerste en de tweede zin bevat het
exploot van dagvaarding in het geval, bedoeld in artikel 254, vierde
lid, de mededeling dat van de gedaagde bij verschijning geen vast
recht zal worden geheven.
Artikel 113 [Vervallen per
15-10-2005]
Artikel 114
De gewone termijn van dagvaarding is
ten minste een week.
Artikel 115
1.Indien de gedaagde een bekende
woonplaats of een bekend werkelijk verblijf buiten Nederland heeft
in een Staat waar de in artikel 56, eerste lid, bedoelde
verordening van toepassing is, of in een Staat die in Europa is
gelegen en die partij is bij het op 15 november 1965 te
's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening en de
kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en
buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken (Trb.
1966, 91), is de termijn van dagvaarding ten minste vier weken.
2.Indien de gedaagde noch in
Nederland, noch in een Staat als bedoeld in het eerste lid, een
bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft, is de
termijn van dagvaarding ten minste drie maanden.
3.Indien de gedaagde in Nederland
geen bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf heeft, is de
termijn van dagvaarding in afwijking van het eerste en tweede lid
ten minste een week, indien het exploot in Nederland wordt gedaan
aan de gedaagde in persoon, dan wel aan een door de gedaagde voor
deze zaak gekozen woonplaats.
Artikel 116
1.Indien in rechte worden
opgeroepen houders van aandelen of andere effecten welke niet op
naam staan of waarvan de houders niet bij name bekend zijn, is de
termijn van dagvaarding ten minste vier weken.
2.Deze termijn geldt eveneens
indien in rechte worden opgeroepen zij die algemene voorwaarden
gebruiken waarin bedingen voorkomen waarvan gesteld wordt dat zij
onredelijk bezwarend zijn, in het geval dat ingevolge artikel
1003, onder 1°, hun naam en woonplaats niet afzonderlijk in het
exploot worden vermeld.
Artikel 117
De in de artikelen 114, 115 en 116
genoemde termijnen kunnen op mondeling of schriftelijk verzoek van
de eiser door de voorzieningenrechter of, in kantonzaken, de
kantonrechter, zo nodig onder het stellen van voorwaarden, worden
verkort. De beschikking wordt vermeld aan het hoofd van het exploot
van dagvaarding.
Artikel 118
Oproepingen van derden als partij in
het geding geschieden met inachtneming van de voor dagvaarding
geldende termijnen. Indien de oproeping niet geschiedt bij hetzelfde
exploot waarmee de gedaagde is gedagvaard, wordt het exploot,
waarmee de gedaagde is gedagvaard, met de oproeping aan de derde
betekend. Artikel 111, tweede lid, aanhef en onderdelen g, h, i en j,
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 119
1.De termijn van dagvaarding vangt
aan op de dag, volgend op die waarop het exploot is uitgebracht.
Wordt de dagvaarding gedaan met toepassing van artikel 56, dan
vangt de termijn van dagvaarding aan op de dag, volgend op de
datum van verzending als bedoeld in het tweede lid, onder a, van
dat artikel.
2.Bij het bepalen van de termijn
van dagvaarding wordt de roldatum niet meegerekend.
Artikel 120
1.Al hetgeen in deze afdeling is
voorgeschreven, wordt op straffe van nietigheid in acht genomen.
2.Een gebrek in een exploot van
dagvaarding dat nietigheid meebrengt, kan bij exploot, uitgebracht
voor de roldatum, worden hersteld.
3.Bij het uitbrengen van dat
exploot moet de voor dagvaarding voorgeschreven termijn in acht
worden genomen. Indien inachtneming van de termijn van dagvaarding
meebrengt dat de roldatum niet kan worden gehandhaafd, moet een
andere roldatum worden aangezegd, met vermelding van het uur
indien alsdan een terechtzitting plaatsvindt.
4.Het eerste lid is niet van
toepassing op hetgeen is voorgeschreven in artikel 111, derde lid.
De rechter kan eiser bevelen alsnog de ontbrekende gegevens te
verstrekken.
Artikel 121
1.Verschijnt de gedaagde niet in
het geding dan wel verzuimt hij advocaat te stellen hoewel hem dat
bij dagvaarding was aangezegd, en blijkt aan de rechter dat het
exploot van dagvaarding lijdt aan een gebrek dat nietigheid
meebrengt, dan verleent de rechter geen verstek tegen hem.
2.In het geval bedoeld in het
eerste lid bepaalt de rechter een nieuwe roldatum en beveelt hij
dat deze door de eiser bij exploot aan de gedaagde wordt aangezegd
met herstel van het gebrek op kosten van de eiser.
3.Is echter aannemelijk dat het
exploot van dagvaarding de gedaagde als gevolg van het gebrek niet
heeft bereikt, dan spreekt de rechter de nietigheid van het
exploot uit.
Artikel 122
1.Verschijnt de gedaagde in het
geding, of komt hij, na bij verstek te zijn veroordeeld, in
verzet, en beroept hij zich op de nietigheid van het exploot van
dagvaarding, dan verwerpt de rechter dat beroep indien naar zijn
oordeel het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen
heeft geschaad.
2.De rechter kan echter in dit
geval, zo daartoe gronden zijn, het herstel van het gebrek op
kosten van de eiser bevelen.
Artikel 123
1.Indien echter de eiser ten
onrechte geen advocaat heeft gesteld, biedt de rechter hem en,
indien in dit geval de gedaagde wel in het geding was verschenen
maar eveneens ten onrechte geen advocaat had gesteld, ook deze, de
gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn alsnog advocaat
te stellen.
2.Indien de eiser van de hem
ingevolge het eerste lid geboden gelegenheid geen gebruik maakt,
wordt de gedaagde van de instantie ontslagen, met veroordeling van
de eiser in de kosten.
3.Indien alleen de gedaagde van de
aan partijen ingevolge het eerste lid geboden gelegenheid om
alsnog advocaat te stellen, geen gebruik maakt, zijn de artikelen
139 tot en met 142 van toepassing.
4.Indien de eiser en de gedaagde
alsnog advocaat hebben gesteld, wordt het geding in de stand
waarin het zich bevindt, voortgezet, met dien verstande dat de
rechter, indien hij reeds de dag heeft bepaald waarop hij
uitspraak zal doen, partijen alsnog de gelegenheid biedt zich
binnen een door hem te bepalen termijn over de zaak uit te laten.
5.Tegen een beslissing ingevolge
het eerste, tweede of vierde lid staat geen hogere voorziening
open.
Artikel 124
Indien de eiser ten onrechte advocaat
heeft gesteld, wordt de zaak voortgezet met inachtneming van de
voorschriften voor zaken waarin partijen in persoon kunnen
procederen.
Vijfde afdeling. Verloop van het
geding
Artikel 125
1.Het geding is aanhangig vanaf de
dag van dagvaarding.
2.Het exploot van dagvaarding wordt
door de eiser ter griffie ingediend uiterlijk op de laatste dag
waarop de griffie is geopend, voorafgaande aan de in de
dagvaarding vermelde roldatum.
3.De griffier schrijft de zaak in
op de rol van een enkelvoudige kamer.
4.De aanhangigheid van het geding
vervalt indien het exploot van dagvaarding niet uiterlijk op het
in het tweede lid vermelde tijdstip ter griffie is ingediend,
tenzij binnen twee weken na de in de dagvaarding vermelde roldatum
een geldig herstelexploot is uitgebracht.
Artikel 126
1.De gedaagde kan de roldatum,
vermeld in het exploot van dagvaarding, vervroegen door aan de
eiser bij exploot een vroegere roldatum te doen aanzeggen, met
vermelding van het uur indien alsdan een terechtzitting
plaatsvindt. In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen
procederen, wordt hierbij tevens advocaat gesteld.
2.Die aanzegging geschiedt op
straffe van nietigheid op een termijn van ten minste een week voor
de aangezegde vroegere roldatum. De gedaagde dient het exploot van
aanzegging uiterlijk op de laatste dag waarop de griffie is
geopend, voorafgaande aan de vervroegde roldatum, in ter griffie.
3.Zijn er medegedaagden, dan wordt
de aanzegging, voor zover zij niet mede van hen uitgaat, bij
exploot ook aan hen op straffe van nietigheid gedaan met
inachtneming van zodanige termijn tussen dat exploot en de
vervroegde roldatum, als waarop ieder van hen, als gedaagde,
volgens de wet aanspraak zou kunnen maken.
4.Wordt door meer dan één
gedaagde van het recht de roldatum te vervroegen gebruik gemaakt,
dan geldt de aanzegging van de vroegste roldatum.
Artikel 127
1.Indien de in artikel 125, tweede
lid, bedoelde indiening ter griffie van het exploot van
dagvaarding niet tijdig heeft plaats gehad, is de gedaagde
bevoegd, onder overlegging van het exploot van dagvaarding, de
zaak op de rol te laten inschrijven.
2.Indien de gedaagde van zijn in
het eerste lid bedoelde bevoegdheid gebruik maakt, is hij tevens
bevoegd, te vorderen dat hij van de instantie wordt ontslagen met
veroordeling van de eiser in de kosten. In dat geval biedt de
rechter gedurende een door hem te bepalen termijn aan de eiser
gelegenheid om hetzij op de voet van artikel 123, eerste lid,
advocaat te stellen, hetzij bij akte te verklaren dat hij wenst
voort te procederen. Indien de eiser van deze gelegenheid geen
gebruik maakt, wordt de vordering toegewezen.
3.Indien de gedaagde een vroegere
roldatum heeft aangezegd en het exploot van aanzegging niet tijdig
ter griffie heeft ingediend, blijft de oorspronkelijke, in het
exploot van dagvaarding vermelde roldatum gehandhaafd.
Artikel 128
1.Indien de gedaagde bij
gemachtigde of bij advocaat procedeert, deelt hij op de eerste
roldatum de naam en het adres van de gemachtigde of de naam en het
kantooradres van de advocaat mede.
2.De gedaagde neemt zijn met
redenen omklede conclusie van antwoord op de eerste of op een door
de rechter nader te bepalen roldatum.
3.De gedaagde brengt alle excepties
en zijn antwoord ten principale tegelijk naar voren, op straffe
van verval van de niet aangevoerde excepties en, indien niet ten
principale is geantwoord, van het recht om dat alsnog te doen.
4.In afwijking van het derde lid
kunnen zij die beroep willen doen op de termijn van artikel 104
van Boek 1 of van artikel 185 van Boek 4 van het Burgerlijk
Wetboek, hun verweer tot dit beroep beperken.
5.De conclusie van antwoord
vermeldt de bewijsmiddelen waarover gedaagde kan beschikken tot
staving van de gronden van zijn verweer, alsmede de getuigen die
hij daartoe kan doen horen. De rechter kan gedaagde bevelen alsnog
de ontbrekende gegevens te verstrekken.
Artikel 129
Zolang de rechter nog geen eindvonnis
heeft gewezen, kan de eiser te allen tijde zijn eis verminderen.
Artikel 130
1.Zolang de rechter nog geen
eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis of de
gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te
veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen
bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in
strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter
beslist, partijen gehoord, zo spoedig mogelijk. De rechter kan op
dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van
eis buiten beschouwing laten.
2.Tegen de beslissingen van de
rechter, bedoeld in het eerste lid, staat geen hogere voorziening
open.
3.Indien een partij niet in het
geding is verschenen, is een verandering of vermeerdering van eis
tegen die partij uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of
vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt.
In laatstgenoemd geval is artikel 120, derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 131
Nadat de gedaagde voor antwoord heeft
geconcludeerd, beveelt de rechter een verschijning van partijen ter
terechtzitting als bedoeld in artikel 87 of artikel 88, tenzij hij
oordeelt dat de zaak daarvoor niet geschikt is. Uiterlijk twee weken
na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip beslist de rechter
hieromtrent. Tegen deze beslissing staat geen hogere voorziening
open.
Artikel 132
1.Indien geen verschijning van
partijen ter terechtzitting op de voet van artikel 131 is bevolen,
geeft de rechter aan de eiser gelegenheid voor repliek te
concluderen. Hierna kan de gedaagde voor dupliek concluderen.
2.Is wel een verschijning van
partijen ter terechtzitting op de voet van artikel 131 bevolen,
dan wordt aan partijen slechts gelegenheid geboden voor repliek en
dupliek, indien zulks met het oog op artikel 19 of met het oog op
een goede instructie van de zaak noodzakelijk is.
3.De rechter staat het nemen van
nog meer conclusies toe, indien zulks met het oog op artikel 19 of
met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is.
4.Tegen beslissingen over de
toepassing van het tweede lid en het derde lid staat geen hogere
voorziening open.
Artikel 133
1.De rechter stelt de termijnen
voor het nemen van de conclusies vast.
2.Partijen kunnen uitstel vragen
voor het nemen van conclusies. De rechter volgt een daartoe
strekkend, eenstemmig verzoek van partijen, tenzij dit zou leiden
tot onredelijke vertraging van het geding.
3.Het eerste en het tweede lid zijn
van overeenkomstige toepassing op de termijnen voor het verrichten
van andere proceshandelingen dan conclusies en op de mogelijkheid
om daarvoor uitstel te krijgen.
4.Wanneer een proceshandeling niet
is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen
uitstel kan worden verkregen, vervalt het recht om de
desbetreffende proceshandeling te verrichten.
Artikel 134
1.Voordat de rechter over de zaak
beslist, wordt aan partijen desverlangd gelegenheid geboden voor
pleidooien. Indien partijen op een terechtzitting op de voet van
artikel 131 hun standpunt in voldoende mate mondeling hebben
kunnen uiteenzetten, kan de rechter bepalen dat geen gelegenheid
zal worden gegeven voor pleidooien.
2.Indien de pleidooien op de
bepaalde dag niet plaatsvinden, wordt, behoudens bijzondere
omstandigheden, geen nieuwe dag voor pleidooien bepaald.
3.Partijen mogen hun eigen zaak
bepleiten.
4.De rechter kan bepalen dat
partijen bij de pleidooien in persoon aanwezig moeten zijn.
Artikel 135
In zaken waarin partijen in persoon
kunnen procederen, stelt de griffier zo spoedig mogelijk de eiser en
de in het geding verschenen gedaagde, voor zover zij niet in persoon
of bij gemachtigde aanwezig waren op de terechtzitting, op de hoogte
van het procesverloop.
Zesde afdeling. Reconventie
Artikel 136
De gedaagde is bevoegd een eis in
reconventie in te stellen, tenzij de eiser in conventie is
opgetreden in hoedanigheid en de reconventie hem persoonlijk zou
betreffen of omgekeerd.
Artikel 137
De eis in reconventie moet dadelijk
bij het antwoord worden ingesteld. Artikel 111, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 138
1.De zaken in conventie en in
reconventie worden tegelijk voldongen en bij een en hetzelfde
eindvonnis beslist, tenzij de rechter van oordeel is dat de zaak
in conventie of die in reconventie vroeger kan worden afgedaan.
2.De zaken worden gesplitst indien
in één van beide zaken de rechter beveelt dat de procedure wordt
voortgezet volgens de regels die gelden voor de
verzoekschriftprocedure dan wel de rechter met toepassing van
artikel 71 verwijst of zich absoluut onbevoegd verklaart.
Zevende afdeling. Verstek
Artikel 139
Indien de gedaagde niet op de eerste
of op een door de rechter nader bepaalde roldatum in het geding
verschijnt dan wel verzuimt advocaat te stellen hoewel hem dat bij
dagvaarding was aangezegd, en de voorgeschreven termijnen en
formaliteiten in acht zijn genomen, verleent de rechter verstek
tegen hem en wijst hij de vordering toe, tenzij deze hem
onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
Artikel 140
1.Zijn er meer gedaagden en is ten
minste een van hen in het geding verschenen, dan wordt, indien ten
aanzien van de niet verschenen gedaagden de voorgeschreven
formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, tegen dezen
verstek verleend en tussen de eiser en de verschenen gedaagden
voortgeprocedeerd.
2.Tussen alle partijen wordt één
vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
3.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing in geval van oproeping van derden als
partij in het geding als bedoeld in artikel 118.
Artikel 141
De kosten die een gevolg zijn van het
feit dat een partij niet in het geding is verschenen, komen ten
laste van die partij, tenzij verstek was verleend op een dagvaarding
die nietig wordt verklaard.
Artikel 142
De gedaagde tegen wie verstek is
verleend, heeft, zolang het eindvonnis nog niet is gewezen, de
bevoegdheid om alsnog in het geding te verschijnen, waardoor de
gevolgen van het tegen hem verleende verstek vervallen, behalve ten
aanzien van de daardoor veroorzaakte kosten.
Achtste afdeling. Verzet
Artikel 143
1.De gedaagde die bij verstek is
veroordeeld, kan daartegen verzet doen.
2.Het verzet moet worden gedaan bij
exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het
vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter
uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon,
of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk
voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan
hem bekend is. De in de eerste volzin bedoelde termijn is acht
weken indien de gedaagde ten tijde van de in de eerste volzin
bedoelde betekening of daad geen bekende woonplaats of bekend
werkelijk verblijf in Nederland heeft, maar zijn woonplaats of
werkelijk verblijf buiten Nederland bekend is.
3.Buiten de gevallen bedoeld in het
tweede lid vangt de termijn waarbinnen het verzet moet worden
gedaan, aan op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd.
4.De veroordeelde die in het vonnis
heeft berust, kan daartegen niet meer in verzet komen.
Artikel 144
Het vonnis wordt geacht ten uitvoer
te zijn gelegd:
a. in geval van gerechtelijke
verkoop van goederen, na de verkoop;
b. in geval van derdenbeslag op
een vordering, na de uitbetaling aan de beslaglegger, of, indien
dit beslag wordt gelegd op een vordering tot periodieke
betalingen, na de eerste uitbetaling;
c. in geval van tenuitvoerlegging
van een veroordeling tot levering of afgifte van goederen die
geen registergoederen zijn, nadat de levering of afgifte heeft
plaatsgevonden;
d. in geval van gedwongen
ontruiming van onroerende zaken, nadat de ontruiming heeft
plaatsgevonden.
Artikel 145
Het verzet, mits tijdig en op de
voorgeschreven wijze gedaan, schorst de tenuitvoerlegging van het
vonnis, tenzij dit uitvoerbaar bij voorraad was verklaard.
Artikel 146
1.Op het exploot van verzet is
artikel 111, tweede lid, onder a tot en met c en e tot en met h
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat niet
vermeld hoeft te worden de wijze waarop de oorspronkelijk eiser
kan antwoorden,
2.Indien een eis in reconventie
wordt ingesteld, vermeldt het exploot deze eis met de gronden
daarvan. Artikel 111, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 147
Door het verzet wordt de instantie
heropend. Het geding verloopt als in de vijfde afdeling bepaald, met
dien verstande dat het exploot van verzet als conclusie van antwoord
geldt.
Artikel 148
Door verval van instantie na verzet
vervalt ook het verstekvonnis.
Negende afdeling. Bewijs
§ 1. Algemene bepalingen van
bewijsrecht
Artikel 149
1.Tenzij uit de wet anders
voortvloeit, mag de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn
beslissing ten grondslag leggen, die in het geding aan hem ter
kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die overeenkomstig de
voorschriften van deze afdeling zijn komen vast te staan. Feiten
of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de
wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, moet de rechter
als vaststaand beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te
verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot
een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.
2.Feiten of omstandigheden van
algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels mogen door
de rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd,
ongeacht of zij zijn gesteld, en behoeven geen bewijs.
Artikel 150
De partij die zich beroept op
rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de
bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere
regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere
verdeling van de bewijslast voortvloeit.
Artikel 151
1.Dwingend bewijs houdt in dat de
rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als
waar aan te nemen dan wel verplicht is de bewijskracht te erkennen
die de wet aan bepaalde gegevens verbindt.
2.Tegenbewijs, ook tegen dwingend
bewijs, staat vrij, tenzij de wet het uitsluit.
Artikel 152
1.Bewijs kan worden geleverd door
alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt.
2.De waardering van het bewijs is
aan het oordeel van de rechter overgelaten, tenzij de wet anders
bepaalt.
Artikel 153
Overeenkomsten waarbij van het
wettelijke bewijsrecht wordt afgeweken, blijven buiten toepassing,
wanneer zij betrekking hebben op het bewijs van feiten waaraan het
recht gevolgen verbindt, die niet ter vrije bepaling van partijen
staan, zulks onverminderd de gronden waarop zij krachtens het
Burgerlijk Wetboek buiten toepassing blijven.
Artikel 154
1.Een gerechtelijke erkentenis is
het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen
van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij.
2.Een gerechtelijke erkentenis kan
slechts worden herroepen, indien aannemelijk is dat zij door een
dwaling of niet in vrijheid is afgelegd.
Artikel 155
1.De rechter ten overstaan van wie
in een zaak bewijs is bijgebracht, zal daarin zoveel als mogelijk
het eindvonnis wijzen of medewijzen.
2.Van een afwijking van deze regel
en de oorzaak daarvan wordt in het vonnis melding gemaakt. Tegen
de afwijking staat geen voorziening open.
§ 2. Akten en vonnissen
Artikel 156
1.Akten zijn ondertekende
geschriften, bestemd om tot bewijs te dienen.
2.Authentieke akten zijn akten in
de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren, aan
wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen
blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Als
authentieke akten worden tevens beschouwd de akten, waarvan het
opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het
opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt.
3.Onderhandse akten zijn alle akten
die niet authentieke akten zijn.
Artikel 157
1.Authentieke akten leveren tegen
een ieder dwingend bewijs op van hetgeen de ambtenaar binnen de
kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en
verrichtingen heeft verklaard.
2.Een authentieke of onderhandse
akte levert ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent
hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te
bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van
die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg
dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Onder partij wordt
begrepen de rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel,
voor zover het desbetreffende recht is verkregen na het opmaken
van de akte.
Artikel 158
1.Op een onderhandse akte waarin
verbintenissen van slechts één partij zijn aangegaan of
vastgelegd, is, voor zover die verbintenissen strekken tot
voldoening van een geldsom, het tweede lid van artikel 157 niet
van toepassing, tenzij deze partij de akte geheel met de hand
heeft geschreven of heeft voorzien van een goedkeuring die de
geldsom voluit in letters vermeldt.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing op aandelen in een obligatielening en op verbintenissen
door de schuldenaar in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf
aangegaan.
Artikel 159
1.Een geschrift dat het uiterlijk
heeft van een authentieke akte, geldt als zodanig behoudens bewijs
van het tegendeel.
2.Een onderhandse akte waarvan de
ondertekening door de partij, tegen welke zij dwingend bewijs zou
leveren, stellig wordt ontkend, levert geen bewijs op, zolang niet
bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Is degeen tegen
wie de akte wordt ingeroepen een ander dan hij die haar
ondertekend zou hebben, dan kan worden volstaan met de verklaring,
dat men de echtheid van de ondertekening niet erkent.
Artikel 160
1.De kracht van het schriftelijke
bewijs is in de oorspronkelijke akte gelegen.
2.Grossen en gehele afschriften van
een authentieke akte die volgens wettelijk voorschrift moet worden
bewaard, leveren, wanneer zij zijn afgegeven door een daartoe
bevoegde ambtenaar, hetzelfde bewijs op als de oorspronkelijke
akte.
Artikel 161
Een in kracht van gewijsde gegaan, op
tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter
bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert
dwingend bewijs op van dat feit.
§ 3. Openlegging van boeken,
bescheiden en geschriften
Artikel 162
1.De rechter kan in de loop van een
geding, op verzoek of ambtshalve, aan partijen of aan een van hen
de openlegging bevelen van de boeken, bescheiden en geschriften,
die zij ingevolge de wet moeten houden, maken of bewaren.
2.Wordt aan dit bevel niet voldaan,
dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden
acht.
3.In een geding betreffende een
jaarrekening kan de rechter ook ambtshalve de openlegging bevelen
op straffe van een dwangsom.
§ 4. Getuigen
Artikel 163
Een getuigenverklaring kan slechts
als bewijs dienen, voor zover zij betrekking heeft op aan de getuige
uit eigen waarneming bekende feiten.
Artikel 164
1.Ook partijen kunnen als getuige
optreden.
2.Indien een partij als getuige is
gehoord, kan haar verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten
geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring
strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.
3.Indien een partij die gehouden is
als getuige een verklaring af te leggen, niet ter terechtzitting
verschijnt, niet antwoordt op de haar gestelde vragen of weigert
haar verklaring te ondertekenen, kan de rechter daaruit de
gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Artikel 165
1.Een ieder, daartoe op wettige
wijze opgeroepen, is verplicht getuigenis af te leggen.
2.Van deze verplichting kunnen zich
verschonen:
a. de echtgenoot en de vroegere
echtgenoot dan wel de geregistreerde partner en de vroegere
geregistreerde partner van een partij, de bloed- of
aanverwanten van een partij of van de echtgenoot of van de
geregistreerde partner van een partij, tot de tweede graad
ingesloten, een en ander tenzij de partij in hoedanigheid
optreedt;
b. zij die tot geheimhouding
verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking
omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.
3.De getuige kan zich verschonen
van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, indien hij
daardoor of zichzelf, of een van zijn bloed- of aanverwanten in de
rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad, of zijn
echtgenoot of vroegere echtgenoot onderscheidenlijk zijn
geregistreerde partner of vroegere geregistreerde partner aan het
gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een
misdrijf zou blootstellen.
Artikel 166
1.Indien bewijs door getuigen bij
de wet is toegelaten, beveelt de rechter een getuigenverhoor zo
vaak een van de partijen het verzoekt en de door haar te bewijzen
aangeboden feiten betwist zijn en tot de beslissing van de zaak
kunnen leiden. Hij kan dit ook ambtshalve doen.
2.Het vonnis vermeldt aan welke
partij en omtrent welke feiten bewijs worden opgedragen alsmede de
plaats waar, en de dag en het uur waarop de getuigen zullen worden
gehoord. Plaats, dag en uur van het getuigenverhoor kunnen ook
later door de rechter worden vastgesteld.
3.Het verhoor van getuigen
geschiedt ter terechtzitting.
Artikel 167
De rechter kan bepalen dat partijen
bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig moeten zijn.
Artikel 168
Het verhoor van getuigen tot het
leveren van tegenbewijs staat van rechtswege vrij en wordt gehouden
op de plaats, de dag en het uur te bepalen dadelijk na afloop van
het verhoor van de voor het bewijs gehoorde getuigen of op een later
tijdstip, tenzij de rechter, na overleg met partijen, dit verhoor
doet plaatsvinden in aansluiting op het verhoor van de voor het
bewijs gehoorde getuigen.
Artikel 169
Indien een partij verkorting of
verlenging van de termijnen, bedoeld in de artikelen 166 en 168,
verzoekt, wordt op dit verzoek na verhoor of behoorlijke oproeping
van de wederpartij beslist. Tegen de beslissing staat geen hogere
voorziening open.
Artikel 170
1.De namen en woonplaatsen van de
getuigen worden ten minste een week voor het verhoor aan de
wederpartij en aan de griffier opgegeven. De belanghebbende partij
roept de getuigen ten minste een week voor het verhoor bij exploot
of bij aangetekende brief op. De dag van de oproeping en de dag
van het verhoor worden niet meegerekend bij het bepalen van deze
termijn. Indien een partij meer getuigen heeft voorgebracht dan
redelijkerwijs noodzakelijk was, kan de rechter daarmee bij de
veroordeling in de kosten rekening houden.
2.De oproeping maakt melding van
dag, uur en plaats van het verhoor, van de feiten waaromtrent
bewijs moet worden geleverd en van de gevolgen, verbonden aan het
niet verschijnen ter terechtzitting.
Artikel 171
Indien een bij aangetekende brief
opgeroepen getuige niet ter terechtzitting verschijnt, bepaalt de
rechter op verzoek van de belanghebbende partij een dag waartegen de
getuige bij exploot kan worden opgeroepen. Daarbij wordt de termijn,
bedoeld in artikel 170, eerste lid, in acht genomen.
Artikel 172
De rechter kan bevelen, dat de op een
oproeping bij exploot niet ter terechtzitting verschenen getuige
door de openbare macht voor hem wordt gebracht op een door hem te
bepalen dag en uur om aan zijn verplichting te voldoen.
Artikel 173
1.Indien een getuige weigert zijn
verklaring af te leggen, kan de rechter op verzoek van de
belanghebbende partij bevelen, dat hij op kosten van die partij in
gijzeling zal worden gesteld totdat hij aan zijn verplichting zal
hebben voldaan, met dien verstande dat de gijzeling ten hoogste
een jaar kan duren. Deze bepaling is niet van toepassing als het
een partij betreft die als getuige wordt gehoord.
2.De rechter beveelt de gijzeling
slechts indien naar zijn oordeel het belang van de
waarheidsvinding toepassing van die maatregel rechtvaardigt.
3.De rechter die de gijzeling heeft
bevolen, beëindigt ambtshalve of op verzoek van de gegijzelde de
gijzeling indien voortzetting ervan naar zijn oordeel niet meer
door het belang dat met toepassing van de dwangmaatregel werd
gediend, wordt gerechtvaardigd.
Artikel 174
1.Indien een getuige te ver
verwijderd woont, kan de rechter het verhoor opdragen aan de
rechter van gelijke rang van de woonplaats van de getuige.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing indien het een partij betreft die als getuige wordt
gehoord.
Artikel 175
Indien een getuige verhinderd is uit
hoofde van ziekte of anderszins om naar het gerechtsgebouw te komen,
kan de rechter zich bij hem vervoegen tot het ontvangen van zijn
verklaring of de rechter, in artikel 174 bedoeld, verzoeken hem te
verhoren.
Artikel 176
1.Voor zover bij verdrag of
EG-verordening niet anders is bepaald, kan de rechter, indien een
getuige in het buitenland woont, aan een door hem aan te wijzen
autoriteit van het land waar de getuige zijn woonplaats heeft,
verzoeken het verhoor, indien mogelijk onder ede, te houden, of
dat verhoor opdragen aan de Nederlandse consulaire ambtenaar tot
wiens ressort de woonplaats van die getuige behoort.
2.De rechter bepaalt dan tevens de
termijn die in acht genomen moet worden bij het betekenen aan de
wederpartij van de plaats, de dag en het uur waarop dit verhoor
wordt gehouden en stelt mede de dag vast waarop de zaak weer op de
rol zal komen.
3.Het proces-verbaal van dit
getuigenverhoor heeft gelijke kracht als dat van het door de
Nederlandse rechter gehouden verhoor.
Artikel 177
1.Op de bepaalde dag vraagt de
rechter de getuigen hun naam, voornamen, leeftijd, beroep en woon-
of verblijfplaats, of zij bloed- of aanverwant zijn van de
partijen of van een van hen, en zo ja in welke graad, alsmede of
zij in dienstverband staan tot partijen of een van hen.
2.De getuigen zweren, alvorens hun
getuigenis af te leggen, op de bij de wet bepaalde wijze de eed de
gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.
3.Indien een getuige de betekenis
van de eed niet voldoende kan beseffen of de leeftijd van zestien
jaren nog niet heeft bereikt, wordt hij niet beëdigd, maar wordt
hij aangemaand de gehele waarheid en niets dan de waarheid te
zeggen. Indien het bewijs mede wordt aangenomen op de verklaring
van een zodanige getuige, geeft het vonnis daarvan in het
bijzonder reden.
4.Overigens mag de rechter aan een
onbeëdigde verklaring slechts bewijs ontlenen indien hij in het
vonnis vermeldt dat de eed ten onrechte niet is afgenomen en dat
het niet mogelijk is de getuige opnieuw te horen.
Artikel 178
De opgeroepen getuige die niet ter
terechtzitting verschijnt of, verschenen zijnde, weigert de eed of
zijn verklaring af te leggen, kan worden veroordeeld tot vergoeding
van de vergeefs aangewende kosten, onverminderd zijn
aansprakelijkheid tot schadevergoeding indien daartoe gronden zijn.
Artikel 179
1.De rechter hoort ieder van de
getuigen buiten tegenwoordigheid van de mede ter terechtzitting
verschenen getuigen die nog niet zijn gehoord, voor zover deze
laatste getuigen niet tevens partij zijn.
2.Partijen en hun raadslieden
kunnen aan de getuigen vragen stellen, behoudens de bevoegdheid
van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg
wordt gegeven. De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een
partij getuigen tegenover elkaar of tegenover partijen of een van
hen stellen.
3.De rechter kan naar aanleiding
van de getuigenverklaringen aan partijen vragen stellen. Indien
het betreft het verhoor van een getuige die niet tevens partij is,
kunnen ook partijen elkaar zelf of bij monde van hun raadslieden
vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te
beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven.
4.Een verklaring omtrent door haar
te bewijzen feiten kan in het voordeel van de partij die haar
aflegde geen bewijs opleveren. Overigens kan de rechter uit de op
de voet van het derde lid afgelegde verklaringen, uit het
niet-verschijnen ter terechtzitting of uit een weigering om te
antwoorden of het proces-verbaal te ondertekenen, de
gevolgtrekking maken die hij geraden acht, behoudens hetgeen in
artikel 154 is bepaald.
Artikel 180
1.Van het getuigenverhoor wordt
proces-verbaal opgemaakt, waarin achtereenvolgens aantekening
geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met
betrekking tot de zaak voorvalt.
2.Dit proces-verbaal wordt aan
iedere getuige voorgelezen voor het gedeelte dat hem betreft. Hij
mag daarin zodanige veranderingen en bijvoegingen maken als hem
goeddunkt.
3.De getuige ondertekent zijn
verklaring. Weigert hij te ondertekenen of verklaart hij dit niet
te kunnen, dan wordt die weigering of die verklaring, inhoudende
de oorzaak van verhindering, in het proces-verbaal vermeld.
4.Op de door partijen afgelegde
verklaringen zijn het eerste, tweede en derde lid van
overeenkomstige toepassing.
5.Het proces-verbaal wordt
ondertekend door de rechter voor wie het getuigenverhoor heeft
plaatsgehad en door de griffier.
Artikel 181
1.In afwijking van artikel 180
behoeft in zaken die niet aan hoger beroep zijn onderworpen, geen
proces-verbaal van het getuigenverhoor te worden opgemaakt. Het
naar aanleiding van het getuigenverhoor te wijzen vonnis houdt,
behalve de vermelding van de opgave, verklaringen en eedsaflegging
bij artikel 177 aangeduid, de summiere inhoud van de afgelegde
getuigenverklaringen in.
2.Het eerste lid wordt niet
toegepast in zaken die in eerste aanleg door een gerechtshof
worden behandeld.
Artikel 182
Indien de getuige schadeloosstelling
vordert, wordt deze door de rechter begroot. Daarvan wordt melding
gemaakt in het proces-verbaal. De schadeloosstelling wordt voldaan
door de partij die de getuige heeft voorgebracht.
Artikel 183
In geval de getuigen niet op één
dag kunnen worden gehoord, stelt de rechter het verdere horen tot
een nadere dag uit en geschiedt er noch aan de ter terechtzitting
verschenen getuigen noch aan de al dan niet aldaar verschenen partij
enige nieuwe oproeping.
Artikel 184
Het nalaten van een van de in deze
paragraaf voorgeschreven formaliteiten heeft, met uitzondering van
artikel 177 omtrent het afleggen van de eed, alleen de nietigheid
van het verhoor ten gevolge indien de belanghebbende partij daardoor
in haar belangen is benadeeld en het verzuim niet kan worden
hersteld; in het tegenovergestelde geval kan de rechter, zo daartoe
gronden zijn, herstel van begane onregelmatigheden bevelen.
Artikel 185
Na afloop van het getuigenverhoor of
indien dit achterwege blijft, bepaalt de rechter de dag waarop de
zaak weer op de rol zal komen.
§ 5. Voorlopig getuigenverhoor
Artikel 186
1.In de gevallen waarin bij de wet
het bewijs door getuigen is toegelaten, kan, voordat een zaak
aanhangig is, op verzoek van de belanghebbende onverwijld een
voorlopig getuigenverhoor worden bevolen.
2.Tijdens een reeds aanhangig
geding kan de rechter op verzoek van een partij een voorlopig
getuigenverhoor bevelen.
Artikel 187
1.Het verzoek wordt gedaan aan de
rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak, indien deze
aanhangig wordt gemaakt, kennis te nemen, of aan de rechter tot
wiens absolute bevoegdheid de zaak behoort en binnen wiens
rechtsgebied de personen die men als getuigen wil doen horen, of
het grootste aantal van hen, woonachtig zijn of verblijven. Indien
de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist,
wordt het verzoek gedaan aan de kantonrechter. De rechter
beoordeelt summierlijk of hij absoluut bevoegd is en of de zaak
door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist.
2.Indien het geding reeds aanhangig
is, wordt het verzoek gedaan aan de rechter waar het geding
aanhangig is.
3.Het verzoekschrift houdt in:
a. de aard en het beloop van de
vordering;
b. de feiten of rechten die men
wil bewijzen;
c. de namen en woonplaatsen van
de personen die men als getuigen wil doen horen;
d. de naam en de woonplaats van
de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend
is.
4.Tenzij de wederpartij onbekend is
en behoudens gevallen van onverwijlde spoed, wordt op het
verzoekschrift niet eerder beschikt dan nadat een behandeling
heeft plaatsgevonden, waartoe de verzoeker en de wederpartij
worden opgeroepen.
Artikel 188
1.Indien de rechter het verzoek
toestaat, bepaalt hij de plaats, de dag en het uur waarop het
voorlopig getuigenverhoor zal plaatshebben en de dag waarop
uiterlijk de verzoeker een afschrift van het verzoekschrift,
indien dit nog niet is toegezonden, en van de beschikking aan de
wederpartij, zo die bekend is, moet doen toekomen.
2.Voor zover het verzoek wordt
toegewezen, is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 189
De bepalingen omtrent het
getuigenverhoor zijn op het voorlopig getuigenverhoor van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 190
1.Met inachtneming van de termijn
die krachtens artikel 188 door de rechter is bepaald, zendt de
verzoeker, indien de wederpartij bekend is, haar bij aangetekende
brief een afschrift van het verzoekschrift, indien dit nog niet is
toegezonden, en van de beschikking van de rechter, of doet hij
haar deze afschriften betekenen. Alvorens tot het houden van het
voorlopig getuigenverhoor over te gaan, vergewist de rechter zich
ervan dat aan dit voorschrift is voldaan.
2.Verschijnt de wederpartij bij het
verhoor ter terechtzitting, dan bepaalt de rechter na afloop
daarvan op haar verzoek de plaats waar en het tijdstip waarop het
voorlopig getuigenverhoor voor tegenbewijs kan plaatshebben.
Artikel 191
1.De rechter kan, op verzoek van
partijen of van een van hen dan wel ambtshalve, na afloop van het
voorlopig getuigenverhoor of het voorlopig getuigenverhoor voor
tegenbewijs een verschijning van partijen bevelen teneinde een
schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de
rechter. Artikel 87, tweede en derde lid, en artikel 88, tweede
lid, derde lid, eerste en tweede zin, en vierde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
2.Bij een verschijning van partijen
ter terechtzitting kan ook de verdere wijze van behandeling van
geschillen over de vordering worden besproken. Afspraken
dienaangaande worden, wanneer een partij dat verlangt, met
overeenkomstige toepassing van artikel 87, derde lid, in een
proces-verbaal vastgelegd. Een beroep in rechte op deze afspraken
kan niet worden gedaan, voor zover zij in strijd komen met een
dwingende wetsbepaling, met fundamentele beginselen van
behoorlijke rechtspleging of voor zover een beroep daarop in
verband met onvoorziene omstandigheden redelijkerwijs niet kan
worden gedaan.
Artikel 192
1.Indien alle partijen bij het
verhoor aanwezig of vertegenwoordigd zijn geweest, hebben de
getuigenverklaringen in een voorlopig getuigenverhoor afgelegd,
dezelfde bewijskracht als die, welke op de gewone wijze in een
aanhangig geding zijn afgelegd.
2.Zijn niet alle partijen bij het
voorlopig getuigenverhoor aanwezig of vertegenwoordigd geweest,
dan kan de rechter de daarin afgelegde verklaringen buiten
beschouwing laten.
Artikel 193
Indien een getuige aannemelijk maakt
dat de verzoeker met het voorlopig getuigenverhoor beoogt
inlichtingen van hem te verkrijgen ten behoeve van een tegen hem in
te stellen vordering, houdt de rechter het verhoor met inachtneming
van de bepalingen die van toepassing zijn op het verhoor van de
partij als getuige. Van een en ander wordt melding gemaakt in het
proces-verbaal.
§ 6. Deskundigen
Artikel 194
1.De rechter kan op verzoek van een
partij of ambtshalve een bericht of een verhoor van deskundigen
bevelen. Het vonnis vermeldt de punten waarover het oordeel van
deskundigen wordt gevraagd.
2.De rechter benoemt bij vonnis of
bij latere rolbeschikking een of meer deskundigen na overleg met
partijen, met opdracht bij hem schriftelijk bericht in te leveren
of aan hem mondeling verslag uit te brengen. Tegen deze benoeming
staat geen hogere voorziening open.
3.De griffier zendt afschrift van
deze benoeming aan de deskundigen.
4.Indien een deskundige de
benoeming niet aanneemt of zijn taak niet naar behoren zal kunnen
volbrengen of weigerachtig is dit te doen, kan de rechter
ambtshalve of op verzoek van de meest gerede partij, na overleg
met partijen, een andere deskundige in zijn plaats benoemen.
5.De rechter kan, op verzoek van
een partij of ambtshalve, aan de deskundigen het geven van nadere
mondelinge of schriftelijke toelichting of aanvulling bevelen, dan
wel, na overleg met partijen, een of meer andere deskundigen
benoemen.
Artikel 195
De rechter kan ambtshalve of op
verzoek van een of meer partijen deskundigen vragen hun kosten te
begroten. Door de eisende partij wordt een door de rechter te
bepalen voorschot en, indien dit is bepaald, een nader voorschot,
ter zake van die kosten ter griffie gedeponeerd, voor zover niet bij
het vonnis, bedoeld in artikel 194, eerste lid, in verband met de
omstandigheden van het geding de wederpartij of beide partijen te
zamen daartoe is of zijn aangewezen. Aan partijen aan wie ingevolge
de Wet op de rechtsbijstand een toevoeging is verleend of ten
aanzien van wie ingevolge artikel 18 of artikel 18a van de Wet
tarieven in burgerlijke zaken het vast recht gedeeltelijk in debet
is gesteld, wordt geen voorschot opgelegd. Evenmin wordt een
voorschot opgelegd aan partijen die geen griffierecht verschuldigd
zijn en ten aanzien van wie de griffier verklaart dat zij, indien
zij griffierecht verschuldigd waren, voor gedeeltelijke
indebetstelling in aanmerking zouden komen. Weigert de griffier een
verklaring als bedoeld in de vorige zin af te geven, dan staat
daartegen verzet open op de wijze als voorzien in artikel 25 van de
Wet tarieven in burgerlijke zaken.
Artikel 196
1.De rechter kan, zo nodig
ambtshalve, bij de bepaling van een voorschot als bedoeld in
artikel 195, of nadien, een termijn vaststellen voor de voldoening
van het voorschot. Deze termijn kan een of meermalen worden
verlengd. Tegen beslissingen ingevolge de eerste en tweede zin
staat geen hogere voorziening open.
2.Wanneer een partij het voorschot
niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldoet, kan de rechter
daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Artikel 197
1.Indien de deskundigen een
onderzoek moeten verrichten, bepaalt de rechter bij hun benoeming
of op een later tijdstip waar en wanneer zij tot het onderzoek
zullen overgaan.
2.Bij de in het eerste lid bedoelde
beslissing bepaalt de rechter tevens de termijn waarbinnen de
deskundigen hun schriftelijke bericht ter griffie moeten inleveren
of de terechtzitting waarop zij mondeling verslag moeten
uitbrengen. In het eerste geval wordt mede de dag bepaald waarop
de zaak weer op de rol zal komen. In het tweede geval wordt deze
dag bepaald op de terechtzitting waarop het verslag is
uitgebracht.
3.Wanneer op die dag het bericht
van deskundigen nog niet mocht zijn ingekomen, kan de rechter op
verzoek van partijen of van een van hen een nadere roldatum
bepalen. Eveneens kan een nadere terechtzitting worden bepaald,
wanneer op de daarvoor vastgestelde terechtzitting het mondelinge
verslag niet wordt uitgebracht.
Artikel 198
1.De deskundige die zijn benoeming
heeft aanvaard, is verplicht de opdracht onpartijdig en naar beste
weten te volbrengen.
2.De deskundigen stellen hun
onderzoek in, hetzij onder leiding van de rechter, hetzij
zelfstandig. De deskundigen moeten bij hun onderzoek partijen in
de gelegenheid stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen.
Uit het schriftelijke bericht moet blijken of aan dit voorschrift
is voldaan. Van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken wordt in
het schriftelijke bericht melding gemaakt. Indien een partij
schriftelijke opmerkingen of verzoeken aan de deskundigen doet
toekomen, verstrekt zij daarvan terstond afschrift aan de
wederpartij.
3.Partijen zijn verplicht mee te
werken aan een onderzoek door deskundigen. Wordt aan deze
verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de
gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
4.Het schriftelijke bericht is met
redenen omkleed zonder dat het persoonlijke gevoelen van ieder van
de deskundigen behoeft te blijken. Ieder van de deskundigen kan
van zijn afwijkende mening doen blijken. Het schriftelijke bericht
wordt door de deskundigen ondertekend. Indien een of meer
deskundigen niet hebben ondertekend, wordt de oorzaak hiervan zo
mogelijk op het schriftelijke bericht vermeld. Indien geen van de
deskundigen zich in de gelegenheid bevindt te ondertekenen, wordt
het bericht door de griffier ondertekend. De griffier zendt aan
partijen afschrift van het schriftelijke bericht.
5.Het proces-verbaal van de slotsom
van het mondelinge verslag wordt na voorlezing, behalve door de
griffier, ondertekend door de rechter aan wie het verslag is
uitgebracht en door de deskundigen. Verklaart een deskundige niet
te kunnen ondertekenen, dan wordt die verklaring, inhoudende de
oorzaak van verhindering, in het proces-verbaal vermeld.
Artikel 199
1.De deskundigen hebben aanspraak
op schadeloosstelling en op loon, door de rechter te begroten
onder de minuut van het schriftelijke bericht of onder het van het
mondelinge verslag opgemaakte proces-verbaal.
2.De griffier betaalt het bedrag
ten laste van het gestorte voorschot aan de deskundigen. Indien
het vastgestelde voorschot niet toereikend is, wordt voor het
resterende bedrag een bevelschrift van tenuitvoerlegging op de
minuut van het schriftelijke bericht uitgegeven ten laste van de
in de tweede volzin van artikel 195 genoemde partij of partijen.
In geval van mondeling verslag wordt dit bevelschrift gegeven op
een in executoriale vorm uitgegeven uittreksel uit het
proces-verbaal van dat verslag.
3.Voor zover ten gevolge van
artikel 195, derde tot en met vijfde volzin, het tweede lid niet
kan worden toegepast, betaalt de griffier het bedrag waarop de
deskundigen aanspraak hebben ten laste van 's Rijks kas. Hangende
het geding wordt het ten laste van 's Rijks kas betaalde bedrag
voorlopig in debet gesteld.
Artikel 200
1.De rechter kan een partij op haar
verzoek toestaan deskundigen te doen horen die niet door de
rechter zijn benoemd.
2.De rechter ten overstaan van wie
in een zaak bewijs wordt bijgebracht, kan aan partijen toestaan,
bij die gelegenheid ook zodanige deskundigen te doen horen.
3.Indien de rechter een verhoor van
een zodanige deskundige heeft toegestaan, is ook de wederpartij
bevoegd op dezelfde voet deskundigen te doen horen.
4.De rechter kan, op verzoek van
een partij of ambtshalve, aan een zodanige deskundige het geven
van nadere, mondelinge of schriftelijke, toelichting bevelen.
5.De artikelen 166, derde lid, 167
tot en met 170, 174 tot en met 177, eerste lid, 179, tweede, derde
en vierde lid, en 180 tot en met 185 omtrent het getuigenverhoor
zijn van overeenkomstige toepassing op het verhoor van deze
deskundigen.
§ 7. Plaatsopneming en bezichtiging
Artikel 201
1.De rechter kan op verzoek van een
partij of ambtshalve, vergezeld van de griffier, een plaatselijke
gesteldheid opnemen of zaken bezichtigen die niet of bezwaarlijk
ter terechtzitting kunnen worden overgebracht.
2.Het daartoe strekkende vonnis
vermeldt de plaats of de zaak welke in ogenschouw moet worden
genomen, bepaalt de tijd van de plaatsopneming, de tijd en de
plaats van de bezichtiging, de termijn waarbinnen het van de
verrichting op te maken proces-verbaal ter griffie moet zijn
neergelegd, alsmede de dag waarop de zaak weer op de rol zal
komen.
3.De rechter heeft voor het doen
van een plaatsopneming of een bezichtiging als bedoeld in het
eerste lid, toegang tot elke plaats. Op het proces-verbaal als
bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 10 en 11, tweede lid,
van de Algemene wet op het binnentreden van overeenkomstige
toepassing.
4.Partijen worden in de gelegenheid
gesteld opmerkingen te maken of verzoeken te doen. Uit het
proces-verbaal moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Van
de inhoud van de opmerkingen of verzoeken wordt in het
proces-verbaal melding gemaakt. Het proces-verbaal wordt door de
rechter die de verrichting heeft gedaan, en door de griffier
ondertekend. De rechter kan ter plaatse getuigen horen. De vierde
paragraaf van deze afdeling is, behoudens artikel 170, hierop van
toepassing.
5.De rechter kan zich tot de
uitoefening van de in dit artikel toegekende bevoegdheden buiten
zijn rechtsgebied begeven.
6.De reis- en verblijfkosten van de
rechter en de griffier komen ten laste van de Staat.
§ 8. Voorlopig bericht of verhoor
van deskundigen, voorlopige plaatsopneming en bezichtiging
Artikel 202
1.Voordat een zaak aanhangig is,
kan op verzoek van de belanghebbende een voorlopig bericht of
verhoor van deskundigen of een voorlopige plaatsopneming en
bezichtiging worden bevolen.
2.Tijdens een reeds aanhangig
geding kan dit op verzoek van een partij worden bevolen.
Artikel 203
1.Het verzoek wordt gedaan aan de
rechter waar het geding aanhangig is of, indien het niet aanhangig
is, aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn daarvan
kennis te nemen. Indien de zaak door de kantonrechter moet worden
behandeld en beslist, wordt het verzoek gedaan aan de
kantonrechter. De rechter beoordeelt summierlijk of hij absoluut
bevoegd is en of de zaak door de kantonrechter moet worden
behandeld en beslist.
2.Het verzoekschrift houdt in:
a. de aard en het beloop van de
vordering;
b. de punten waarover het
oordeel van de deskundigen wordt gevraagd of de plaats of de
zaak die in ogenschouw moet worden genomen;
c. de naam en de woonplaats van
de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend
is.
3.Tenzij de wederpartij onbekend is
en behoudens gevallen van onverwijlde spoed, wordt op het
verzoekschrift niet eerder beschikt dan nadat een behandeling
heeft plaatsgevonden, waartoe de verzoeker en de wederpartij
worden opgeroepen.
Artikel 204
1.Indien de rechter het verzoek
toestaat, bepaalt hij tevens de uiterste dag waarop de verzoeker
een afschrift van het verzoekschrift, indien dit nog niet is
toegezonden, en van de beschikking aan de wederpartij, zo die
bekend is, moet doen toekomen.
2.Voor zover het verzoek wordt
toegewezen, is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 205
1.De bepalingen betreffende
deskundigen en betreffende plaatsopneming en bezichtiging zijn van
overeenkomstige toepassing.
2.Indien ten aanzien van een
partij, met toepassing van het derde lid van artikel 199, het
bedrag van de schadeloosstelling en het loon van deskundigen
voorlopig in debet zijn gesteld, stelt de rechter op het moment
van toezending van het schriftelijke bericht aan partijen of
afgifte van het proces-verbaal van de slotsom van het mondelinge
verslag, dan wel zo spoedig mogelijk daarna, vast welk deel van
dit bedrag elk der partijen dient te dragen en veroordeelt hen
dienovereenkomstig tot voldoening aan de griffier. Artikel 243,
derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.Het tweede lid blijft buiten
toepassing wanneer op het moment van de toezending aan de rechter
is gebleken dat tussen partijen een gedingaanhangig is over de
vordering waarop het bericht of verhoor van deskundigen betrekking
heeft.
Artikel 206
Met inachtneming van de termijn,
krachtens artikel 204 bepaald, zendt de verzoeker een afschrift van
het verzoekschrift, indien dit nog niet is toegezonden, en de
beschikking van de rechter bij aangetekende brief aan de
wederpartij, zo die bekend is, of doet hij deze afschriften bij
exploot aan de wederpartij betekenen. Alvorens tot de verrichting
over te gaan, vergewist de rechter zich ervan dat aan dit
voorschrift is voldaan.
Artikel 207
1.Indien alle partijen bij de
verrichting aanwezig zijn geweest, hebben de verklaringen van de
deskundigen, de plaatsopneming en de bezichtiging dezelfde
bewijskracht als die, welke op de gewone wijze in een aanhangig
geding hebben plaatsgehad.
2.Zijn niet alle partijen aanwezig
geweest, dan kan de rechter een en ander buiten beschouwing laten.
Tiende afdeling. Incidentele
vorderingen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 208
1.Incidentele vorderingen worden
ingesteld bij dagvaarding of bij met redenen omklede conclusie. De
artikelen 85, 86, 128, 133 en 134 zijn van toepassing.
2.De rechter kan in bijzondere
gevallen het nemen van conclusies van repliek en dupliek toestaan.
3.Incidentele vorderingen worden
zoveel mogelijk tegelijk ingesteld.
Artikel 209
Op de incidentele vorderingen wordt,
indien de zaak dat medebrengt, eerst en vooraf beslist. Voor zover
de hoofdzaak niet gelijktijdig is afgedaan, bepaalt de rechter bij
de beslissing op het incident tevens de dag waarop de zaak weer op
de rol zal komen.
§ 2. Vrijwaring
Artikel 210
1.Indien de gedaagde meent gronden
te hebben om iemand in vrijwaring op te roepen en hij die
oproeping niet heeft gedaan vóór de dag waarop de hoofdzaak moet
dienen, neemt hij zijn daartoe strekkende, met redenen omklede
conclusie vóór alle weren op de voor het nemen van de conclusie
van antwoord bepaalde roldatum.
2.Indien de eiser meent gronden te
hebben om iemand in vrijwaring op te roepen, neemt hij zijn
daartoe strekkende, met redenen omklede conclusie uiterlijk op de
roldatum, op zijn verzoek bepaald bij de verschijning van partijen
ter terechtzitting op de voet van artikel 131. Vindt geen
verschijning van partijen op de voet van artikel 131 plaats, dan
neemt de eiser zijn conclusie uiterlijk op de voor het nemen van
de conclusie van repliek bepaalde datum.
3.Indien de vordering wordt
toegewezen, bepaalt de rechter de dag waarop zowel de hoofdzaak
als de zaak in vrijwaring weer op de rol zullen komen. Betreft de
zaak in vrijwaring een vordering die ongeacht het beloop of de
waarde door de kantonrechter moet worden behandeld, dan verwijst
de rechter beide zaken daarbij zo nodig, met overeenkomstige
toepassing van artikel 71, naar de kantonrechter.
4.Het vonnis waarbij de dagvaarding
in vrijwaring is toegestaan, behoeft aan de waarborg niet betekend
te worden. De dagvaarding moet de in het vonnis vermelde
beslissing behelzen; bij die dagvaarding moet de dagvaarding in de
hoofdzaak in afschrift worden betekend.
5.Indien de vordering wordt
afgewezen, bepaalt de rechter bij die beslissing de dag waarop de
zaak weer op de rol zal komen of beveelt hij een verschijning van
partijen ter terechtzitting.
Artikel 211
Indien de vordering tot oproeping in
vrijwaring niet tijdig is gedaan, wordt zonder uitstel in de
hoofdzaak voortgeprocedeerd.
Artikel 212
In geval van vrijwaring wegens
uitwinning van een goed of wegens een recht waarmee het goed niet
belast had mogen zijn, mag de waarborg de hoofdzaak van de
gewaarborgde overnemen met dien verstande dat de gewaarborgde als
partij in het geding blijft.
Artikel 213
1.In het geval, bedoeld in artikel
212, kan het tegen de waarborg gewezen vonnis tegen de
gewaarborgde ten uitvoer worden gelegd.
2.Wat de kosten en de vordering tot
schadevergoeding betreft, kunnen de vereffening en de
tenuitvoerlegging slechts tegen de waarborg geschieden.
3.Indien echter de waarborg geen
verhaal biedt, moet de gewaarborgde de kosten dragen en, zo
daartoe gronden zijn, ook de schade vergoeden.
Artikel 214
In zaken van eenvoudige vrijwaring
mag de waarborg zich in de hoofdzaak slechts voegen zonder de zaak
van de gewaarborgde over te nemen.
Artikel 215
In geval de hoofdzaak en de zaak in
vrijwaring tegelijk in staat van wijzen zijn, wordt daarin
gelijktijdig beslist. Indien dit niet het geval is, wordt op
vordering van de oorspronkelijke eiser of gedaagde de hoofdzaak
afzonderlijk beslist.
Artikel 216
Hij die ter zake van vrijwaring is
gedagvaard, moet procederen voor de rechter waar de hoofdzaak
aanhangig is, zelfs indien hij ontkent waarborg te zijn.
§ 3. Voeging en tussenkomst
Artikel 217
Ieder die een belang heeft bij een
tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te
mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen.
Artikel 218
Deze vordering wordt ingesteld bij
incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste
conclusie in het aanhangige geding wordt genomen.
Artikel 219
1.De conclusie vermeldt:
a. de voornaam, de naam en de
woonplaats van degene die de vordering instelt;
b. de vordering en de gronden
waarop zij berust;
c. in zaken waarin partijen
niet in persoon kunnen procederen, de naam van degene die als
advocaat wordt gesteld.
2.De in het eerste lid aangeduide
gegevens worden vermeld op straffe van nietigheid. Artikel 122 is
van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Verwijzing en voeging van zaken
Artikel 220
1.In zaken die reeds eerder bij een
andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig zijn gemaakt
tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp, of in geval de
zaak verknocht is aan een zaak die reeds bij een andere gewone
rechter van gelijke rang aanhangig is, kan de verwijzing naar die
andere rechter worden gevorderd. Verwijzing is ook mogelijk indien
één der zaken bij de kantonrechter in behandeling is en de
andere niet.
2.Door de eiser kan deze vordering
slechts worden ingesteld bij de inleidende dagvaarding of bij
incidentele conclusie vóór het antwoord.
3.Door de gedaagde moet de
vordering worden ingesteld bij met redenen omklede conclusie
vóór alle weren op de voor het nemen van de conclusie van
antwoord bepaalde roldatum.
4.In het geval van verwijzing naar
een andere kamer van hetzelfde gerecht vermeldt de rechter in de
beslissing tot verwijzing een nieuwe roldatum alsmede, indien
daarin een wijziging optreedt, op welke wijze partijen in het
geding moeten verschijnen. Indien tegen de gedaagde verstek is
verleend, beveelt de rechter dat de nieuwe roldatum door de eiser
bij exploot aan de gedaagde wordt aangezegd onder betekening van
de beslissing tot verwijzing. Artikel 221 is bij verwijzing naar
een andere kamer van hetzelfde gerecht niet van toepassing.
5.Indien bij hetzelfde gerecht
één der zaken in behandeling is bij de kantonrechter en deze een
vordering betreft als bedoeld in artikel 93 onder c of d, kan in
de andere zaak verwijzing van die andere zaak naar de
kantonrechter worden gevorderd, ook als die zaak reeds eerder
aanhangig was.
Artikel 221
Indien een zaak naar een andere
rechter wordt verwezen, heeft iedere partij het recht de overige
partijen bij exploot op te roepen tegen de dag waarop zij de zaak
ter rolle wil doen dienen. Voor deze oproeping moeten de voor
dagvaarding voorgeschreven termijnen in acht worden genomen. Is met
het oog op het geding voor de eerste rechter woonplaats gekozen, dan
kan het in dit artikel bedoelde exploot ook aan die woonplaats
worden gedaan.
Artikel 222
1.In geval voor dezelfde rechter
tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp tegelijk
zaken aanhangig zijn, of voor dezelfde rechter verknochte zaken
aanhangig zijn, kan daarvan de voeging worden gevorderd.
2.Artikel 220, tweede en derde lid,
zijn op deze vordering van toepassing.
§ 5. Voorlopige voorzieningen
Artikel 223
1.Tijdens een aanhangig geding kan
iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening
zal treffen voor de duur van het geding.
2.Deze vordering moet samenhangen
met de hoofdvordering.
§ 6. Zekerheidstelling voor
proceskosten
Artikel 224
1.Allen zonder woonplaats of gewone
verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een
vordering instellen of zich voegen of tussenkomen in een geding
alhier, zijn verplicht op vordering van de wederpartij zekerheid
te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot
betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden.
2.Geen verplichting tot het stellen
van zekerheid bestaat:
a. indien dit voortvloeit uit
een verdrag of uit een EG-verordening;
b. indien een veroordeling tot
betaling van proceskosten en schadevergoeding op grond van het
Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, een verdrag of
een EG-verordening ten uitvoer zal kunnen worden gelegd ter
plaatse waar degene van wie zekerheid gevorderd wordt, zijn
woonplaats of gewone verblijfplaats heeft;
c. indien redelijkerwijs
aannemelijk is dat verhaal voor een veroordeling tot betaling
van proceskosten en schadevergoeding in Nederland mogelijk zal
zijn;
d. indien daardoor voor degene
van wie zekerheid wordt gevorderd de effectieve toegang tot de
rechter zou worden belemmerd.
3.De wederpartij is bevoegd de
vordering, bedoeld in het eerste lid, in te stellen vóór alle
weren.
4.De partij die het stellen van
zekerheid vordert, wordt niet geacht daardoor de rechtsmacht van
de rechter te hebben erkend.
5.Het vonnis waarbij het stellen
van zekerheid wordt bevolen, drukt de som uit tot beloop waarvan
de zekerheid moet worden verstrekt.
Elfde afdeling. Schorsing en
hervatting
Artikel 225
1.Gronden voor schorsing van het
geding zijn:
a. de dood van een partij;
b. verandering van de
persoonlijke staat van een partij;
c. het ophouden van de
betrekkingen waarin een partij het geding voerde, hetzij ten
gevolge van rechtsopvolging onder algemene titel op een ander,
hetzij door een andere oorzaak.
2.Schorsing vindt plaats door
betekening van de ingeroepen grond voor de schorsing aan de
wederpartij dan wel door een daartoe strekkende akte ter rolle.
Bij gebreke hiervan wordt het geding op naam van de
oorspronkelijke partij voortgezet.
3.Alle proceshandelingen, verricht
nadat de schorsing is ingetreden, zijn nietig.
4.Schorsing kan niet meer
plaatsvinden nadat de dag is bepaald waarop het vonnis zal worden
uitgesproken.
Artikel 226
1.In zaken waarin partijen niet in
persoon kunnen procederen, wordt het geding van rechtswege
geschorst doordat de gestelde advocaat overlijdt of doordat hij
zijn hoedanigheid van advocaat verliest.
2.Artikel 225, derde en vierde lid,
is van toepassing.
Artikel 227
1.In de gevallen, bedoeld in
artikel 225, eerste lid, wordt het geding hervat in de stand
waarin dit zich bij de schorsing bevond:
a. doordat de partij bij wie de
grond voor de schorsing is opgekomen bij de betekening van de
schorsingsgrond verklaart dat het geding wordt hervat;
b. doordat een der partijen,
met instemming van de andere partij, een daartoe strekkende
akte ter rolle neemt, dan wel bij exploot verklaart dat het
geding wordt hervat.
2.De partij die bij de in het
eerste lid, onder a, bedoelde betekening of het in het eerste lid,
onder b, bedoelde exploot verklaart dat het geding wordt hervat,
roept daarbij de andere partij op tegen de dag waarop zij de zaak
ter rolle wil doen dienen. Voor deze oproeping moeten de voor
dagvaarding voorgeschreven termijnen in acht worden genomen.
3.In zaken waarin partijen niet in
persoon kunnen procederen, stellen zij opnieuw advocaat.
Artikel 228
1.In geval van schorsing wegens
overlijden of verlies van de hoedanigheid van de gestelde
advocaat, wordt het geding hervat in de stand waarin dit zich bij
de schorsing bevond doordat een der partijen, met instemming van
de andere partij, een daartoe strekkende akte ter rolle neemt, dan
wel bij exploot verklaart dat het geding wordt hervat.
2.Artikel 227, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing. Partijen stellen opnieuw advocaat.
Twaalfde afdeling. Het vonnis
§ 1. Algemeen
Artikel 229
De rechter bepaalt de dag waarop hij
uitspraak zal doen en deelt deze dag aan de eiser en aan de in het
geding verschenen gedaagde mede. Op verlangen van de in het geding
verschenen partijen stelt de rechter de uitspraak uit.
Artikel 230
1.Het vonnis vermeldt:
a. de namen en de woonplaats
van de partijen, en de namen van hun gemachtigden of
advocaten;
b. het verloop van het geding;
c. de slotsom van de
dagvaarding en de conclusies van partijen;
d. de slotsom van de conclusie
van het openbaar ministerie in de gevallen waarin het is
gehoord;
e. de gronden van de
beslissing, waaronder begrepen de feiten waarop de beslissing
rust;
f. de beslissing;
g. de naam van de rechter of,
bij een meervoudige kamer, de namen van de rechters door wie
het vonnis is gewezen;
h. de dag van de uitspraak.
2.Indien tegen de gedaagde of, bij
meer gedaagden, tegen hen allen verstek is verleend en de
vorderingen van de eiser geheel of gedeeltelijk worden toegewezen,
kan ten aanzien van de ingevolge het eerste lid onder a, c, e en f
te vermelden gegevens worden volstaan met verwijzing naar een door
de griffier gewaarmerkt afschrift van het exploot van dagvaarding
waarop het vonnis wordt gesteld of dat aan het vonnis wordt
gehecht.
3.Het vonnis wordt door de rechter,
of, bij een meervoudige kamer, door de voorzitter en de griffier
ondertekend. Het vonnis kan ook worden ondertekend door de rechter
die het uitspreekt.
Artikel 231
1.Van de vonnissen verstrekt de
griffier op de dag van de uitspraak een afschrift aan de eiser en
aan de gedaagde die in het geding is verschenen. Betreft het een
eindvonnis, dan is het afschrift dat wordt verstrekt aan een
partij die tot tenuitvoerlegging van dat vonnis kan overgaan,
opgemaakt in executoriale vorm.
2.De griffier verstrekt desverlangd
tweede of verdere in executoriale vorm opgemaakte afschriften van
een vonnis aan de partij die tot tenuitvoerlegging van dat vonnis
kan overgaan, dan wel aan de rechtverkrijgenden onder algemene
titel van deze partij. Artikel 28, vijfde en zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3.Elk afschrift dat in executoriale
vorm is opgemaakt, wordt gedagtekend.
Artikel 232
1.De rechter kan, voordat hij
definitief over de zaak beslist, een tussenvonnis wijzen.
2.Van de artikelen 230 en 231,
eerste lid, kan, voor zover nodig, worden afgeweken:
a. indien een tussenvonnis
wordt gewezen bij een verschijning van partijen ter
terechtzitting als bedoeld in de artikelen 87 en 88 en indien
alle partijen aldaar zijn verschenen;
b. indien een tussenvonnis
wordt gewezen ter beslissing op een incidentele vordering en
de wederpartij te kennen geeft tegen toewijzing geen bezwaar
te hebben.
Artikel 233
1.Tenzij uit de wet of uit de aard
van de zaak anders voortvloeit, kan de rechter, indien dit wordt
gevorderd, verklaren dat zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal
zijn niettegenstaande daartegen aan te wenden rechtsmiddelen. De
rechter kan een vonnis waarbij op de voet van artikel 195 wordt
beslist omtrent een voorschot ter zake van de kosten van
deskundigen, ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
2.De uitvoerbaarverklaring bij
voorraad kan het gehele vonnis betreffen of een gedeelte daarvan.
3.De rechter kan aan de
uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde verbinden dat tot
een door hem te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld.
Artikel 234
Indien het vonnis niet uitvoerbaar
bij voorraad is verklaard en tegen dat vonnis een rechtsmiddel is
aangewend, kan alsnog een incidentele vordering tot
uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dat vonnis worden ingesteld.
Artikel 235
Indien het vonnis uitvoerbaar bij
voorraad is verklaard, evenwel zonder dat daaraan de voorwaarde is
verbonden dat zekerheid wordt gesteld, en indien tegen dat vonnis
een rechtsmiddel is aangewend, kan alsnog een daartoe strekkende
incidentele vordering worden ingesteld.
Artikel 236
1.Beslissingen die de
rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in
kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding
tussen dezelfde partijen bindende kracht.
2.Onder partijen worden mede
begrepen de rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel,
tenzij uit de wet anders voortvloeit.
3.Het gezag van gewijsde wordt niet
ambtshalve toegepast.
§ 2. Kosten
Artikel 237
1.De partij die bij vonnis in het
ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld. De kosten
mogen echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen
echtgenoten of geregistreerde partners of andere levensgezellen,
bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of
aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en
weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de
rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt,
voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of
veroorzaakte.
2.Bij een tussenvonnis kan de
beslissing over de kosten tot het eindvonnis worden aangehouden.
3.Het bedrag van de kosten waarin
de verliezende partij wordt veroordeeld, wordt, voor zover die
kosten vóór de uitspraak zijn gemaakt en niet aan haar zijde
zijn gevallen, bij het vonnis vastgesteld.
4.De na de uitspraak ontstane
kosten worden op verzoek van de partij in het voordeel van wie een
kostenveroordeling is uitgesproken, begrootdoor de rechter die het
vonnis heeft gewezen. Deze geeft daarvoor een bevelschrift af.
Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 238
1.In zaken waarin partijen in
persoon kunnen procederen, wordt, indien de wederpartij van de in
het ongelijk gestelde partij zonder gemachtigde procedeert, onder
de kosten waarin laatstgenoemde partij wordt veroordeeld,
opgenomen een door de rechter te bepalen bedrag voor noodzakelijke
reis- en verblijfkosten van die wederpartij. De rechter kan onder
de kosten waarin de in het ongelijk gestelde partij wordt
veroordeeld, ook opnemen een door hem te bepalen bedrag voor
noodzakelijke verletkosten van de wederpartij.
2.Procedeert de wederpartij van de
in het ongelijk gestelde partij met een gemachtigde, dan wordt
onder die kosten een door de rechter te bepalen bedrag opgenomen
voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde,
tenzij de rechter om in het vonnis te vermelden redenen anders
beslist.
Artikel 239
In zaken waarin partijen niet in
persoon kunnen procederen, kunnen van de kosten van de wederpartij
slechts de salarissen en verschotten van de advocaat van die
wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden
gebracht.
Artikel 240
Kosten terzake van ambtshandelingen,
verricht door gerechtsdeurwaarders, worden berekend overeenkomstig
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde
tarieven.
Artikel 241
Ter zake van verrichtingen waarvoor
de in de artikelen 237 tot en met 240 bedoelde kosten een vergoeding
plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken
en ter instructie van de zaak, kan jegens de wederpartij geen
vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het
Burgerlijk Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels
betreffende proceskosten van toepassing.
Artikel 242
1.De rechter kan bedragen die
geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van
proceskosten of van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in
artikel 96, tweede lid, onder b en c, van Boek 6 van het
Burgerlijk Wetboek ambtshalve matigen, doch niet tot onder het
bedrag van de krachtens de wet te begroten proceskosten
respectievelijk het bedrag van de buitengerechtelijke kosten die,
gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de
opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de
wederpartij redelijk zijn.
2.Het eerste lid geldt niet voor
overeenkomsten die strekken tot regeling van een reeds gerezen
geschil.
Artikel 243
1.Indien er termen zijn om de
wederpartij van hem aan wie ter zake van het gevoerde geding
krachtens de Wet op de rechtsbijstand een toevoeging is verleend,
in de kosten te verwijzen, veroordeelt de rechter haar ambtshalve
om aan de griffier te voldoen de ingevolge de artikelen 17 en 18
van de Wet tarieven in burgerlijke zaken in debet gestelde
griffierechten, alsmede de onder deze kosten begrepen salarissen
van advocaten of deurwaarders, en verschotten.
2.Uit het ingevolge het eerste lid
ontvangen bedrag stelt de griffier degene aan wie een toevoeging
is verleend, zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane
eigen bijdrage. Het eventueel resterende bedrag voldoet de
griffier, na aftrek van zijn verschotten, en de ingevolge artikel
37 van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat of deurwaarder
te betalen vergoeding, aan de advocaat of deurwaarder.
3.Bij gebreke van de betaling
geschiedt de invordering krachtens een door de griffier uit te
vaardigen dwangbevel. Artikel 22 van de Wet tarieven in
burgerlijke zaken is van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de tenuitvoerlegging wordt opgeschort indien blijkt
dat de veroordeling nog niet in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 244
1.Indien ten aanzien van een
partij, met toepassing van het derde lid van artikel 199, het
bedrag van de schadeloosstelling en het loon van deskundigen
voorlopig in debet zijn gesteld, veroordeelt de rechter de partij
die in de kosten van het geding wordt verwezen ambtshalve om dit
bedrag aan de griffier te voldoen.
2.Indien de kosten geheel of
gedeeltelijk worden gecompenseerd, stelt de rechter vast welk deel
van het in het eerste lid bedoelde bedrag elk der partijen dient
te dragen en veroordeelt hen dienovereenkomstig tot voldoening aan
de griffier.
3.Artikel 243, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 245
1.Indien blijkt dat een partij niet
bestaat, of dat zij niet rechtsgeldig in het geding is verschenen
doordat een daartoe niet bevoegde voor haar is opgetreden of tot
het voeren van een geding opdracht heeft gegeven, geschiedt een
veroordeling in de kosten, wanneer daartoe aanleiding is, in
plaats van ten laste van de partij in naam van wie in rechte is
opgetreden, ten laste van de gemachtigde of advocaat van die
partij, of van degene die tot het voeren van het geding opdracht
heeft gegeven, in het eerste geval onverminderd het verhaal van
die advocaat of gemachtigde op zijn opdrachtgever.
2.Alvorens aldus te beslissen,
stelt de rechter de betrokkene in de gelegenheid zijn standpunt
naar voren te brengen en toe te lichten.
Dertiende afdeling. Afbreking van de
instantie
§ 1. Doorhaling op de rol
Artikel 246
1.Op verlangen van partijen wordt
de zaak op de rol doorgehaald.
2.De enkele doorhaling op de rol
heeft geen rechtsgevolgen. Partijen kunnen de rechtsgevolgen bij
overeenkomst bepalen.
Artikel 247
Indien geen van partijen er, na in de
gelegenheid te zijn gesteld zich daarover uit te laten, blijk van
geeft het geding te willen voortzetten, kan de zaak ook ambtshalve
op de rol worden doorgehaald.
Artikel 248
Indien ten aanzien van een partij,
met toepassing van het derde lid van artikel 199, het bedrag van de
schadeloosstelling en het loon van deskundigen voorlopig in debet
zijn gesteld, beslist de rechter met overeenkomstige toepassing van
artikel 244, tweede lid, welk deel van dit bedrag elk der partijen
dient te dragen en veroordeelt hen dienovereenkomstig tot voldoening
aan de griffier.
§ 2. Afstand van instantie
Artikel 249
1.Zolang de gedaagde niet voor
antwoord heeft geconcludeerd, kan de eiser afstand doen van de
instantie.
2.De eiser is verplicht de
proceskosten van de gedaagde te betalen.
3.Artikel 248 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 250
1.Afstand van instantie wordt
gedaan bij akte ter rolle.
2.Indien de afstand door een
advocaat of een gemachtigde wordt gedaan, legt deze een hem
daartoe door de eiser verstrekte bijzondere volmacht over.
3.Door afstand van instantie worden
partijen van rechtswege hersteld in de toestand als ware het
geding niet in deze instantie aanhangig geweest, onverminderd het
bepaalde in artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek.
4.Ter zake van de betaling van de
kosten vaardigt de rechter op verlangen van de gedaagde een
bevelschrift uit. Het bevelschrift is uitvoerbaar bij voorraad.
5.Nadat hij de kosten heeft
betaald, kan de eiser de vordering opnieuw instellen.
§ 3. Verval van instantie
Artikel 251
1.Indien de proceshandeling
waarvoor de zaak staat, langer dan twaalf maanden niet is
verricht, bepaalt de rechter op verlangen van de wederpartij van
de partij die de proceshandeling moet verrichten, een roldatum
waarop deze wederpartij verval van instantie kan vorderen, dan wel
kan vragen om een laatste uitstel te verlenen aan de partij die de
proceshandeling moet verrichten of om vonnis te wijzen. De rechter
kan hiertoe, eveneens na verloop van twaalf maanden, ook
ambtshalve een roldatum bepalen.
2.De in het eerste lid bedoelde
roldatum wordt in beide gevallen bepaald op een termijn van ten
hoogste drie maanden.
3.Verval van instantie kan op de
bepaalde roldatum slechts worden gevorderd indien het voornemen
daartoe ten minste twee weken vóór die roldatum aan de nalatige
partij is aangezegd.
4.De rechter wijst de vordering tot
verval van instantie toe, tenzij voor of op die roldatum
a. de proceshandeling alsnog
wordt verricht, of
b. de wederpartij van de partij
die het verval vordert, aannemelijk maakt dat voor de
vertraging van het geding een reden bestaat die deze in
redelijkheid kan rechtvaardigen.
5.Indien op de ingevolge het eerste
lid bepaalde roldatum de proceshandeling waarvoor de zaak staat
niet alsnog is of wordt verricht, en voorts de wederpartij van
degene die de proceshandeling moet verrichten geen verval van
instantie vordert noch zich anderszins uitlaat over de voortgang
van het geding als bedoeld in het eerste lid, wordt de zaak op de
rol doorgehaald.
Artikel 252
1.De kosten van de vervallen
instantie worden van rechtswege gecompenseerd. De rechter kan
echter, indien hij daartoe gronden aanwezig acht, een partij
geheel of gedeeltelijk in de kosten veroordelen.
2.Artikel 248 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 253
1.Door verval van instantie worden
partijen van rechtswege hersteld in de toestand als ware het
geding niet in deze instantie aanhangig geweest, onverminderd het
bepaalde in artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek.
2.Wordt de vordering opnieuw
ingesteld, dan kan wederom gebruik worden gemaakt van in de
vervallen instantie gedane gerechtelijke erkentenissen en
bijgebracht bewijs.
Veertiende afdeling. Het kort geding
Artikel 254
1.In alle spoedeisende zaken
waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke
voorziening bij voorraad wordt vereist, is de voorzieningenrechter
bevoegd deze te geven.
2.Op aanvraag van de belanghebbende
partij kan de voorzieningenrechter de dagvaarding bevelen tegen de
dag en het uur, de zondag daarbij inbegrepen, voor elk geval te
bepalen. Hij kan daarbij tevens bevelen dat de terechtzitting op
een andere plaats dan in het gerechtsgebouw wordt gehouden. De
voorzieningenrechter kan aan de dagbepaling voorwaarden verbinden,
die door de eiser in acht moeten worden genomen. Deze voorwaarden
moeten uit de dagvaarding blijken.
3.De zaak kan ook worden
aangebracht op een terechtzitting, door de voorzieningenrechter te
houden op de daartoe door hem te bepalen werkdagen.
4.In zaken die ten gronde door de
kantonrechter worden behandeld en beslist is ook de kantonrechter
bevoegd tot het geven van een voorziening als in deze afdeling
bedoeld. Daarbij is op de kantonrechter van toepassing hetgeen
omtrent de voorzieningenrechter is bepaald.
Artikel 255
1.De gedaagde kan in de zaken,
bedoeld in artikel 79, tweede lid, behalve bij advocaat ook in
persoon procederen, maar niet vertegenwoordigd door een
gemachtigde die geen advocaat is.
2.Partijen kunnen ook vrijwillig
ter terechtzitting van de voorzieningenrechter in kort geding
verschijnen. Het eerste lid is van toepassing.
3.In andere korte gedingen niet
ingeleid met een dagvaarding, kunnen partijen behalve bij advocaat
ook in persoon procederen, maar niet vertegenwoordigd door een
gemachtigde die geen advocaat is.
Artikel 256
Indien de voorzieningenrechter
oordeelt dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden
beslist, weigert hij de voorziening.
Artikel 257
De beslissingen bij voorraad brengen
geen nadeel toe aan de zaak ten principale.
Artikel 258
De voorzieningenrechter kan zijn
vonnis ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Artikel 259
Het verzet moet worden gedaan bij de
voorzieningenrechter. Artikel 255, eerste lid, is niet van
toepassing.
Artikel 260 [Vervallen per
01-05-2007]
Derde titel. De
verzoekschriftprocedure in eerste aanleg
Eerste afdeling. Algemene bepaling
Artikel 261
1.Voor zover uit de wet niet anders
voortvloeit, is deze titel van toepassing op alle zaken die met
een verzoekschrift moeten worden ingeleid, alsmede op zaken waarin
de rechter ambtshalve een beschikking geeft.
2.Met een verzoekschrift worden
ingeleid de zaken ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit.
Tweede afdeling. Relatieve
bevoegdheid
Artikel 262
Tenzij de wet anders bepaalt, is
bevoegd:
a. de rechter van de woonplaats
van hetzij de verzoeker of één van de verzoekers, hetzij één
van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden dan wel,
als zodanige woonplaats in Nederland niet bekend is, de rechter
van het werkelijk verblijf van één van hen.
b. indien het verzoek betrekking
heeft op een bij dagvaarding ingeleid of in te leiden geding, de
rechter die bevoegd is van dat geding kennis te nemen, tenzij
het verzoek niet behoort tot diens absolute bevoegdheid.
Artikel 263
In zaken die uitsluitend betreffen de
aanvulling van de registers van de burgerlijke stand of de
inschrijving, doorhaling of wijziging van daarin in te schrijven of
ingeschreven akten, is bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied
de akte is of moet worden ingeschreven.
Artikel 264
In zaken betreffende huur van
gebouwde onroerende zaken of een gedeelte daarvan is uitsluitend
bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde of het
grootste gedeelte daarvan is gelegen.
Artikel 265
In zaken betreffende minderjarigen is
bevoegd de rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een
woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de
minderjarige.
Artikel 266
In zaken betreffende curatele,
onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen of
mentorschap ten behoeve van meerderjarigen is bevoegd de rechter van
de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van
het werkelijk verblijf van degene wiens curatele onderscheidenlijk
goederen of mentorschap het betreft.
Artikel 267
In zaken van afwezigheid of
vermissing is bevoegd de rechter van de verlaten woonplaats van de
afwezige of vermiste. Ten aanzien van de vaststelling van overlijden
is bevoegd de rechter te 's-Gravenhage.
Artikel 268
1.In zaken betreffende
nalatenschappen is bevoegd de rechter van de laatste woonplaats
van de overledene. In afwijking van de eerste zin is in zaken die
volgens afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 van het Burgerlijk
Wetboek met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, bevoegd de
rechter van de woonplaats van de rechthebbende.
2.Van de in artikel 12, vierde lid,
tweede volzin, bedoelde beschikking wordt door de griffier
afschrift gezonden aan de als uitsluitend bevoegde aangewezen
kantonrechter, aan de onder curatele gestelde, de rechthebbende en
degene ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld en voorts
aan de curator, de mentor en aan ieder der bewindvoerders. Van de
beslissing is geen hogere voorziening toegelaten. De kantonrechter
die als uitsluitend bevoegde is aangewezen, is aan die aanwijzing
gebonden.
Artikel 269
Wijzen de artikelen 262 tot en met
268 geen bevoegde rechter aan, dan is de rechter te 's-Gravenhage
bevoegd.
Artikel 270
1.Indien de rechter, zonodig
ambtshalve, beslist dat niet hij, maar een andere rechter van
gelijke rang bevoegd is, verwijst hij de zaak in de stand waarin
deze zich bevindt, naar die andere rechter. De griffier zendt een
afschrift van de beschikking aan de rechter naar wie de zaak is
verwezen. Verwijzing als bedoeld in dit lid vindt niet plaats
indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben
aangegeven dat zij geen verwijzing wensen.
2.In zaken met betrekking tot
echtscheiding, scheiding van tafel en bed, ontbinding van het
huwelijk na scheiding van tafel en bed en ontbinding van een
geregistreerd partnerschap en daarmee verband houdende verzoeken
tot het treffen van een voorlopige voorziening of een
nevenvoorziening, vindt een verwijzing als bedoeld in het eerste
lid slechts plaats indien de andere echtgenoot of geregistreerde
partner de bevoegdheid betwist.
3.Tegen de beslissing waarbij een
betwisting van bevoegdheid wordt verworpen of de zaak naar een
andere rechter wordt verwezen, is geen hogere voorziening
toegelaten. De rechter naar wie de zaak is verwezen, is aan die
verwijzing gebonden. De vorige zin mist toepassing indien de
rechter zich tevens absoluut onbevoegd verklaart en de zaak
verwijst naar een hogere rechter.
Derde afdeling. Oproeping
Artikel 271
De oproeping van verzoekers of van in
de procedure verschenen belanghebbenden geschiedt door de griffier
bij gewone brief, tenzij de rechter anders bepaalt.
Artikel 272
De oproeping van niet in de procedure
verschenen belanghebbenden geschiedt door de griffier bij
aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt.
Artikel 273
De oproeping van een rechterlijke
autoriteit, het openbaar ministerie of de raad voor de
kinderbescherming geschiedt door de griffier bij gewone brief.
Artikel 274
Oproepingen die bij brief geschieden,
vermelden de dag van de verzending. Deze vermelding geschiedt niet
slechts op de envelop.
Artikel 275
Indien de griffier een bij
aangetekende brief verzonden oproeping terug ontvangt en hem blijkt
dat de geadresseerde op de dag van verzending of uiterlijk een week
nadien in de daartoe bestemde registers ingeschreven stond op het op
de oproeping vermelde adres, verzendt hij de oproeping onverwijld
bij gewone brief. In de overige gevallen waarin de griffier de
oproeping terug ontvangt, verbetert de griffier, indien mogelijk,
het op de oproeping vermelde adres en verzendt hij de oproeping
opnieuw bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt.
Artikel 276
Oproepingen vermelden de plaats, de
dag en het uur van de terechtzitting. Zij worden zo spoedig mogelijk
en ten minste een week vóór die dag verzonden, tenzij de rechter
anders bepaalt.
Artikel 277
1.De oproeping bij brief van
verzoekers of belanghebbenden die geen bekende woonplaats of
bekend werkelijk verblijf in Nederland hebben, maar wel een
bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf in een Staat
waar de verordening 1393/2007 van het Europees Parlement en de
Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving
in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken
in burgerlijke of in handelszaken («de betekening en de
kennisgeving van stukken»), en tot intrekking van Verordening
(EG) nr. 1348/2000 (PbEU L 324/79) van toepassing is, geschiedt
door rechtstreekse verzending overeenkomstig artikel 14 van de
verordening. In plaats daarvan mag het gerecht ook een vertaling
van de oproeping verzenden in een taal als bedoeld in artikel 8,
eerste lid, van de verordening. Het gerecht maakt in de oproeping
melding van de verzending, alsmede van het volgende:
a. de datum van verzending;
b. de wijze van verzending;
c. of een vertaling is
verzonden en zo ja, in welke taal;
d. de mededeling in een van de
in artikel 8, eerste lid, van de verordening bedoelde talen,
dat degene voor wie het stuk bestemd is, dit mag weigeren als
het niet gesteld is in of niet vergezeld gaat van een
vertaling in een van de in artikel 8, eerste lid, van de
verordening bedoelde talen en dat geweigerde stukken naar hem
moeten worden gezonden.
2.Het gerecht mag de oproeping ook
verrichten door verzending daarvan of van een vertaling daarvan
als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de in het eerste lid
bedoelde verordening aan een ontvangende instantie als bedoeld in
artikel 2, tweede lid, van die verordening, ter betekening aan
degene voor wie de oproeping bestemd is. Het gerecht maakt in de
oproeping melding van de verzending, alsmede van volgende
gegevens:
a. de datum van verzending;
b. de naam en het adres van de
ontvangende instantie;
c. de wijze van verzending;
d. of een vertaling is
verzonden en, zo ja, in welke taal;
e. de taal waarin het formulier
als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de verordening is
ingevuld;
f. de gevraagde wijze van
betekening.
Vierde afdeling. Verloop van de
procedure
Artikel 278
1.Het verzoekschrift vermeldt de
voornamen, naam en woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats
in Nederland, het werkelijk verblijf van de verzoeker, alsmede een
duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het
berust. In zaken betreffende een nalatenschap vermeldt het
verzoekschrift tevens de laatste woonplaats van de overledene of
de reden waarom deze vermelding niet mogelijk is.
2.Het verzoekschrift wordt
ondertekend en ter griffie ingediend. Indien de
voorzieningenrechter daarop moet beschikken, kan het aan deze ter
hand worden gesteld.
3.Tenzij indiening bij de
kantonrechter plaatsvindt of ingevolge bijzondere wettelijke
bepaling niet door een advocaat behoeft te geschieden, wordt het
verzoekschrift ondertekend door een advocaat. Het kantoor van die
advocaat geldt als gekozen woonplaats van de verzoeker.
4.De griffier tekent de dag van
indiening of de dag van terhandstelling aan de
voorzieningenrechter op het verzoekschrift aan.
Artikel 279
1.De rechter bepaalt, tenzij hij
zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst,
onverwijld dag en uur waarop de behandeling aanvangt. Hij beveelt
tevens oproeping van de verzoeker en voor zover nodig van de in
het verzoekschrift genoemde belanghebbenden. Bovendien kan hij te
allen tijde belanghebbenden, bekende of onbekende, doen oproepen.
2.De oproepingen, behalve die van
de verzoeker, gaan vergezeld van een afschrift van het
verzoekschrift, tenzij een oproeping op andere wijze dan bij brief
of exploot geschiedt, of de rechter anders bepaalt; in deze
gevallen bevat de oproeping een korte omschrijving van het
verzoek.
3.De opgeroepene verschijnt ter
terechtzitting in persoon of bij een gemachtigde. In zaken waarin
het verzoekschrift door een advocaat moet worden ingediend,
verschijnt de opgeroepene in persoon of bij advocaat. De rechter
kan verschijning in persoon bevelen. De opgeroepene die in persoon
verschijnt, mag zich laten bijstaan door zijn raadsman. In zaken
waarin het verzoekschrift door een advocaat moet worden ingediend,
is de raadsman een advocaat.
4.Van het verhandelde en van de
zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen wordt een
proces-verbaal opgemaakt, dat door de rechter voor wie de
mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, en de griffier wordt
ondertekend.
5.Indien de behandeling van een
zaak wordt aangehouden, blijft een hernieuwde oproeping van
diegenen, aan wie de dag en het uur reeds mondeling ter
terechtzitting waren medegedeeld, achterwege.
Artikel 280
In zaken waarin de indiening van het
verzoekschrift niet door een advocaat behoeft te geschieden, zijn de
artikelen 80 en 81 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 281
1.Indien het verzoekschrift ten
onrechte niet door een advocaat is ingediend, biedt de rechter de
verzoeker de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn
dit verzuim te herstellen. Maakt de verzoeker van deze gelegenheid
geen gebruik, dan wordt hij in het verzoek niet ontvankelijk
verklaard.
2.Tegen een beslissing ingevolge
het eerste lid staat geen hogere voorziening open.
Artikel 282
1.Iedere belanghebbende kan tot de
aanvang van de behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in
de loop van de behandeling een verweerschrift indienen. Artikel
278 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat,
indien de rechter dit bepaalt, indiening van een verweerschrift in
de loop van de behandeling kan geschieden ter terechtzitting onder
verstrekking van een afschrift aan de verzoeker en de andere
opgeroepen belanghebbenden.
2.Het verweerschrift en de
overgelegde bescheiden gaan vergezeld van de nodige afschriften.
Tenzij de indiening overeenkomstig het eerste lid ter
terechtzitting plaatsvindt, zendt de griffier onverwijld een
afschrift toe aan de verzoeker en aan de andere opgeroepen
belanghebbenden.
3.De griffier roept, voor zover dat
nog niet is geschied, hen die verweerschriften hebben ingediend op
tegen de dag van de behandeling.
4.Het verweerschrift mag een
zelfstandig verzoek bevatten, mits dit betrekking heeft op het
onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. De rechter kan aan de
verzoeker en aan de overige belanghebbenden gelegenheid geven
tegen dit zelfstandige verzoek een verweerschrift in te dienen.
Artikel 283
Zolang de rechter nog geen
eindbeschikking heeft gegeven, is de verzoeker bevoegd het verzoek
of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te
veranderen of te vermeerderen. In het geval van verandering of
vermeerdering is artikel 130 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 284
1.De negende afdeling van de tweede
titel is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de
zaak zich hiertegen verzet.
2.Indien de rechter een
getuigenverhoor beveelt, kan hij ook door hem aangewezen personen
als getuigen doen oproepen. In dit geval kan de oproeping door de
griffier geschieden.
3.Het verschoningsrecht komt aan de
in artikel 165, tweede lid, onder a, genoemde personen niet toe in
procedures betreffende de toepassing van de bepalingen van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek, vervat in de titels 5, 5a en 9 tot en
met 20, of van die vervat in titel 6 voor zover het betreft
procedures tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Evenwel
kunnen ouders en kinderen van de echtgenoten of van de
geregistreerde partners zich in procedures tot echtscheiding en
tot scheiding van tafel en bed, onderscheidenlijk tot ontbinding
van het geregistreerd partnerschap, verschonen.
4.De overeenkomstige toepassing van
de artikelen 195 en 199 vindt aldus plaats dat de daarin bedoelde
voorschotheffing, tenuitvoerlegging of voorlopige indebetstelling
geschiedt ten laste van de belanghebbende die het verzoekschrift
heeft ingediend dan wel mede of uitsluitend ten laste van een of
meer andere door de rechter aangewezen belanghebbenden.
Artikel 285
1.De rechter kan, indien een
verzoekschrift over hetzelfde of een verknocht onderwerp reeds bij
een andere rechter is ingediend, de verwijzing naar die andere
rechter bevelen. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot de
aanvang van de behandeling. De griffier zendt een afschrift van de
beschikking aan de rechter naar wie is verwezen.
2.Indien bij dezelfde rechter meer
verzoekschriften over hetzelfde of een verknocht onderwerp zijn
ingediend, kan de voeging daarvan worden bevolen. Een verzoek
daartoe kan worden gedaan tot het einde van de behandeling.
Artikel 286
De rechter bepaalt na afloop van de
behandeling de dag waarop hij uitspraak zal doen en deelt deze dag
aan de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden
mede. Op verlangen van de verzoeker en de in de procedure verschenen
belanghebbenden kan de rechter de uitspraak uitstellen.
Artikel 287
1.Op een beschikking is artikel
230, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
2.Indien het verzoekschrift
rechtstreeks aan de voorzieningenrechter ter hand is gesteld en de
voorzieningenrechter toewijzend op het verzoek beschikt, is ook
artikel 230, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 288
De rechter kan de eindbeschikking
uitvoerbaar bij voorraad verklaren, met of zonder zekerheidstelling.
Artikel 289
De eindbeschikking kan tevens een
veroordeling in de proceskosten inhouden. De artikelen 243 en 244
zijn van toepassing.
Artikel 290
1.De verzoeker en iedere
belanghebbende hebben recht op inzage en afschrift van het
verzoekschrift, de verweerschriften, de op de zaak betrekking
hebbende bescheiden en de processen-verbaal.
2.De griffier verstrekt zo spoedig
mogelijk een afschrift van processen-verbaal aan de verzoeker en
aan de in de procedure verschenen belanghebbenden.
3.Van de beschikkingen verstrekt de
griffier zo spoedig mogelijk een afschrift aan de verzoeker en aan
de in de procedure verschenen belanghebbenden. Betreft het een
eindbeschikking, dan is het afschrift dat wordt verstrekt aan
degene die tot tenuitvoerlegging van de beschikking kan overgaan,
opgemaakt in executoriale vorm.
4.De griffier verstrekt desverlangd
tweede of verdere in executoriale vorm opgemaakte afschriften van
een beschikking aan de belanghebbende die tot tenuitvoerlegging
van die beschikking kan overgaan, dan wel aan de
rechtverkrijgenden onder algemene titel van deze belanghebbende.
Artikel 28, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
5.Elk afschrift dat in executoriale
vorm is opgemaakt, wordt gedagtekend.
Artikel 291
De verzending van processtukken en
van mededelingen aan de verzoeker en belanghebbenden, geschiedt op
de wijze als in de derde afdeling van deze titel voor oproepingen
bepaald.
Vierde titel
Artikel 303 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 304 [Vervallen per
01-01-1935]
Artikel 305 [Vervallen per
01-01-1935]
Artikel 306 [Vervallen per
01-01-1935]
Artikel 307 [Vervallen per
01-01-1935]
Artikel 308 [Vervallen per
01-01-1935]
Artikel 309 [Vervallen per
01-01-1935]
Artikel 310 [Vervallen per
01-01-1935]
Artikel 311 [Vervallen per
01-01-1935]
Artikel 312 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 313 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 314 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 315 [Vervallen per
01-01-1935]
Artikel 316 [Vervallen per
01-01-1935]
Artikel 317 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 319 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 320 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 320a [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320b [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320c [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320d [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320e [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320f [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320g [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320h [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320i [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320j [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320k [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320l [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320m [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320n [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320o [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320p [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320q [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320r [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320s [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320t [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320u [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320v [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320w [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320x [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320y [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 320z [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 321 [Vervallen per
01-04-1991]
Vijfde titel
Artikel 322 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 323 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 324 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 325 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 326 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 327 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 328 [Vervallen per
01-01-2002]
Zesde titel. Prorogatie van
rechtspraak aan het gerechtshof
Artikel 329
In alle voor hoger beroep bij het
gerechtshof vatbare geschillen over zaken die ter vrije bepaling van
de partijen staan, kunnen partijen overeenkomen die geschillen bij
de aanvang van het geding dadelijk ter kennis te brengen van het
gerechtshof dat in hoger beroep bevoegd zou zijn.
Artikel 330
Voogden, curators of bewindvoerders
zijn hiervan niet uitgesloten, mits daarbij in achtnemende de
verpligtingen aan hen bij de wet opgelegd.
Artikel 331
1.Voor het geregtshof gelden, bij
deze regtsgedingen, de voorschriften, ten aanzien van het
regtsgeding in eersten aanleg.
2.Het gerechtshof doet uitspraak in
eerste aanleg, tevens in hoogste ressort.
Zevende titel. Hoger beroep
Eerste afdeeling. Van de zaken aan
hooger beroep onderworpen
Artikel 332
1.Partijen kunnen van een in eerste
aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering
waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer
beloopt dan € 1750 of, in geval van een vordering van onbepaalde
waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen
hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1750, een en ander tenzij
de wet anders bepaalt. Voor de toepassing van de eerste zin wordt
de tot aan de dag van dagvaarding in eerste aanleg verschenen
rente bij de vordering inbegrepen.
2.Indien de zaak meer dan één
vordering tussen dezelfde partijen betreft, is voor de toepassing
van het eerste lid beslissend het totale beloop of de totale
waarde van deze vorderingen.
3.Was in eerste aanleg een eis in
reconventie ingesteld, dan is voor de toepassing van het eerste
lid beslissend het totale beloop of de totale waarde van de
vordering in conventie en van de vordering in reconventie, met
dien verstande dat met betrekking tot de vordering in reconventie
de rente wordt berekend tot aan de dag van instelling van de eis
in reconventie. Indien echter de beide zaken zijn gesplitst en
daarin afzonderlijk is beslist, zijn op elk van beide vonnissen de
gewone regels voor de vatbaarheid voor hoger beroep van
toepassing.
Artikel 333
Geen hoger beroep staat open in zaken
die slechts rechtsgevolgen betreffen die ter vrije bepaling van
partijen staan en waarbij partijen zijn overeengekomen van hoger
beroep af te zien. In zaken als bedoeld in artikel 96 staat hoger
beroep slechts open indien partijen zich dat beroep, binnen de
grenzen van artikel 332, hebben voorbehouden.
Artikel 334
Elke partij welke zal berust hebben
in een vonnis, kan niet meer ontvankelijk zijn om daarvan te komen
in hooger beroep.
Artikel 335
1.Van veroordeelingen bij verstek
valt geen hooger beroep, doch indien de oorspronkelijke eischer
van het vonnis in hooger beroep komt, zal de gedaagde alle zijne
verdedigingen insgelijks in het hooger beroep kunnen doen gelden,
zelfs bij wege van incidenteel beroep, zonder van het middel van
verzet in eersten aanleg meer te kunnen gebruik maken.
2.In afwijking van het eerste lid
kan de niet verschenen gedaagde van een vonnis als bedoeld in
artikel 140, tweede lid, in hoger beroep komen, mits hij vooraf
bij voorraad, tegen het stellen van zekerheid, aan het vonnis
voldoet, zelfs wanneer dat vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad
was verklaard.
Artikel 336 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 337
1.Van vonnissen waarbij een
voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, kan hoger
beroep worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen.
2.Van andere tussenvonnissen kan
hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden
ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.
Artikel 338 [Vervallen per
01-01-1897]
Tweede afdeeling. Van den termijn van
beroep
Artikel 339
1.De termijn van beroep is drie
maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis.
2.In afwijking van het eerste lid
is de termijn van beroep van een vonnis in kort geding vier weken.
3.De gedaagde in hoger beroep kan
incidenteel beroep instellen, zelfs na verloop van deze termijnen
en na berusting in het vonnis. Het incidenteel beroep wordt, op
straffe van verval, ingesteld bij de conclusie van antwoord.
4.De afstand van instantie laat de
mogelijkheid incidenteel beroep in te stellen onverlet. De
gedaagde in hoger beroep kan op de roldatum waarop de afstand van
instantie is gedaan, de rechter verzoeken voor het instellen van
incidenteel beroep een termijn te bepalen. De gedaagde in hoger
beroep kan het incidenteel beroep ook instellen op een roldatum
die binnen twee weken na de afstand van instantie bij exploot aan
eiser in hoger beroep is aangezegd. Artikel 74, eerste lid, tweede
tot en met vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
5.Indien in eerste aanleg een
vordering tot vrijwaring geheel of gedeeltelijk is afgewezen op
grond van de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, staat het
hoger beroep daartegen open tot het moment dat in de hoofdzaak in
hoger beroep de conclusie van antwoord wordt genomen.
Artikel 340
Indien tijdig beroep in cassatie van
een vonnis is ingesteld, doch dit vonnis voor cassatie niet vatbaar
wordt bevonden, vangt de termijn van beroep van dat vonnis opnieuw
aan te rekenen van de dag der uitspraak in cassatie, mits het beroep
in cassatie werd ingesteld binnen de termijn van beroep.
Artikel 341
Bij overlijden van de in het ongelijk
gestelde partij gedurende de loop van de termijn voor het hoger
beroep, kan het beroep door haar erfgenamen of rechtverkrijgenden
nog worden ingesteld binnen drie maanden na het overlijden, of
binnen vier weken na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 185
van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 342 [Vervallen per
09-08-1982]
Derde afdeeling. Van de regtspleging
in hooger beroep en de gevolgen van hetzelve
Artikel 343
Het hoger beroep wordt aangevangen
door een dagvaarding in dezelfde vorm en met dezelfde vereisten als
die in eerste aanleg, zonder dat zij de middelen waarop het hoger
beroep gegrond is, behoeft uit te drukken. Artikel 111, tweede lid,
onder i, en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel 344
1.Alle zaken die in hoger beroep
bij de hogere rechter aanhangig worden gemaakt, worden
ingeschreven ter rolle van een enkelvoudige kamer en door haar
behandeld.
2.De enkelvoudige kamer verwijst
een zaak, ingevolge dit artikel bij haar aanhangig, naar een
meervoudige kamer indien haar dit wenselijk toeschijnt, doch
uiterlijk wanneer pleidooi wordt gevraagd of recht op de stukken
wordt verzocht.
Artikel 344a [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 344b
De voorschriften omtrent de
behandeling in hoger beroep zijn zowel op de behandeling door de
enkelvoudige als op die door de meervoudige kamer van toepassing,
met dien verstande, dat degene die zitting heeft in een enkelvoudige
kamer tevens de bevoegdheden bezit die aan de voorzitter van een
meervoudige kamer toekomen.
Artikel 345 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 346 [Vervallen per
01-01-1897]
Artikel 347
1.In hoger beroep worden een
conclusie van eis en een conclusie van antwoord genomen.
2.[Vervallen.]
3.Niettemin zal ingeval van
incidenteel beroep of indien door den verweerder eene exceptie
tegen het principaal beroep wordt aangevoerd, den appellant, op
zijn verlangen, een termijn verleend worden om het incidenteel
beroep of de voorgestelde exceptie bij conclusie te beantwoorden.
Artikel 348
De oorspronkelijke verweerder kan
nieuwe weren van regten, eene verdediging ten principale
opleverende, inbrengen, tenzij dezelve in het geding ter eerster
instantie zijn gedekt, waaronder niet begrepen is het geval, dat het
regt om ten principale te antwoorden ingevolge artikel 128 vervallen
is.
Artikel 349
Zoo wel in het principaal als in het
incidenteel beroep, kunnen de nieuwe verweringen, waarvan in het
voorgaande artikel is gesproken, gedaan worden bij met redenen
omkleede conclusiën.
Artikel 350
1.Het hooger beroep schorst de ten
uitvoerlegging van het vonnis, indien daarbij niet is bepaald, dat
hetzelve bij voorraad zal worden ten uitvoer gelegd in de gevallen
waarin dit is toegelaten.
2.Het hoger beroep, ingesteld tegen
een tussenvonnis waartegen ingevolge artikel 337, tweede lid, geen
hoger beroep openstaat voordat het eindvonnis is gewezen of
ingesteld met gebruikmaking van de nieuwe termijn ingevolge
artikel 340, schorst de tenuitvoerlegging niet.
Artikel 351
Indien hoger beroep is ingesteld
tegen een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan de
hogere rechter op vordering van een partij alsnog de
tenuitvoerlegging van het vonnis schorsen.
Artikel 352 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 353
1.Voor zover uit deze titel dan wel
uit een andere wettelijke regeling niet anders voortvloeit, is de
tweede titel in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat partijen slechts bij advocaat kunnen
procederen, dat artikel 131 niet van toepassing is en dat geen eis
in reconventie kan worden ingesteld.
2.Niettemin is artikel 224 niet
anders van toepassing dan behoudens de navolgende bepalingen:
De oorspronkelijke gedaagde,
eischer wordende in hooger beroep, is niet gehouden tot de in dat
artikel bedoelde zekerheidstelling.
De gedaagde in hooger beroep is
daartoe evenmin gehouden, zelfs niet bij het instellen van
incidenteel beroep.
De in eersten aanleg gestelde
zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van hooger beroep.
De zekerheidstelling wordt
gevorderd vóór alle weren van regten.
Artikel 354 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 355
In geval van beroep van een
tussenvonnis verwijst de rechter in beroep, wanneer hij het vonnis
bekrachtigt, de zaak naar de rechter in eerste aanleg om op de
hoofdzaak te worden beslist.
Niettemin kan de rechter in beroep de
hoofdzaak in het hoogste ressort zelf afdoen op eenstemmig verlangen
van partijen of indien het geding in staat van wijzen is.
Artikel 356
Wanneer de rechter in hoger beroep
een tussenvonnis vernietigt, kan hij de zaak aan zich houden om in
hoger beroep op de hoofdzaak te beslissen.
Artikel 357 [Vervallen per
01-01-2002]
Vierde afdeling. Hoger beroep tegen
beschikkingen
Artikel 358
1.Tegen eindbeschikkingen in zaken
als bedoeld in artikel 261 staat, behoudens berusting, hoger
beroep open.
2.Door de verzoeker en door de in
de procedure verschenen belanghebbenden moet het hoger beroep
worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de
uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de
betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze
bekend is geworden. De artikelen 340 en 350, tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de nieuwe
termijn van hoger beroep openstaat voor degene die beroep in
cassatie heeft ingesteld. Bij het beroepschrift worden zoveel
afschriften gevoegd als er anderen dan hij in eerste aanleg zijn
opgeroepen.
3.De termijn loopt in zaken die
volgens afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 van het Burgerlijk
Wetboek met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, vanaf de
dag van de uitspraak, behoudens voor zover het niet verschenen
belanghebbenden betreft die, hoewel zij ten tijde van de indiening
van het verzoekschrift bekend waren, niet bij name, en zo zij toen
onbekend waren, in het geheel niet zijn opgeroepen. Voor de in de
vorige zin bedoelde belanghebbenden loopt de termijn vanaf de
betekening van de beschikking of het tijdstip waarop de
beschikking hun op andere wijze bekend geworden is. Hetzelfde
geldt in zaken betreffende executele en vereffening van een
nalatenschap.
4.Van tussenbeschikkingen kan hoger
beroep slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden
ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.
5.Indien hoger beroep is ingesteld,
kan ondanks het verstrijken van de in de eerste zin van het tweede
lid genoemde termijn en ondanks berusting ieder van de aldaar
genoemde personen alsnog bij verweerschrift incidenteel hoger
beroep instellen.
Artikel 359
Hoger beroep wordt ingesteld door
indiening van een beroepschrift ter griffie van het gerechtshof. Het
beroepschrift vermeldt, naast hetgeen ingevolge artikel 278, eerste
lid, in het verzoekschrift moet worden vermeld, naam en woonplaats
van hen die in eerste aanleg in de procedure zijn verschenen of bij
name zijn opgeroepen.
Artikel 360
1.Hoger beroep schorst de werking,
tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
2.Deze uitvoerbaarverklaring bij
voorraad kan ook in hoger beroep geschieden. Niettegenstaande de
uitvoerbaarverklaring bij voorraad in eerste aanleg kan de hogere
rechter schorsing van de werking bevelen.
3.Het hoger beroep ingesteld tegen
een tussenbeschikking waartegen ingevolge artikel 358, derde lid,
geen hoger beroep openstaat, schorst de werking niet.
Artikel 361
1.De rechter bepaalt dag en uur
waarop de behandeling aanvangt. Hij beveelt tevens oproeping van
de appellant, van de verzoeker in eerste aanleg en van de in
eerste aanleg in de procedure verschenen belanghebbenden.
Bovendien kan hij te allen tijde belanghebbenden, bekende of
onbekende, doen oproepen.
2.Indien aangaande dezelfde
beschikking meer beroepschriften zijn ingediend, kan voeging
worden bevolen.
3.Iedere belanghebbende kan een
verweerschrift indienen. Door belanghebbenden die in hoger beroep
zijn opgeroepen, moet het verweerschrift worden ingediend binnen
vier weken na de toezending aan hen van een afschrift van het
beroepschrift, tenzij de rechter anders bepaalt.
4.Indien een belanghebbende
incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, kunnen de appellant en
de in hoger beroep opgeroepen belanghebbenden daartegen binnen
vier weken na de toezending aan hen van een afschrift van het
verweerschrift waarbij dit incidentele hoger beroep is ingesteld,
een verweerschrift indienen, tenzij de rechter anders bepaalt.
Artikel 362
Voor zover uit deze afdeling dan wel
uit een andere wettelijke regeling niet anders voortvloeit, is de
derde titel in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat artikel 285 niet van toepassing is en dat geen
zelfstandig verzoek kan worden gedaan.
Achtste titel
Artikel 363 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 364 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 365 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 366 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 367 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 368 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 369 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 370 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 371 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 372 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 373 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 374 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 375 [Vervallen per
01-01-2002]
Negende titel. Verzet door derden
Artikel 376
Derden zijn bevoegd zich te verzetten
tegen een vonnis hetwelk hunne regten benadeelt, indien zij noch in
persoon, noch wettiglijk vertegenwoordigd, of indien zij welke zij
vertegenwoordigen, in het regtsgeding niet zijn geroepen, of door
voeging of tusschenkomst geene partij zijn geweest.
Artikel 377
Dit verzet wordt beoordeeld door den
regter, bij wien zoodanig vonnis is gewezen. Het wordt aangebragt
door eene dagvaarding tegen alle de partijen tusschen welke hetzelve
is gevallen, en de algemeene voorschriften wegens de wijze van
procederen zijn op dit verzet toepasselijk.
Artikel 378
Indien zoodanig vonnis aan eenen
derde is tegengeworpen in een regtsgeding, en het verzet daartegen
is ingesteld op den voet van het vorige artikel, staat het vrij aan
den regter voor wien dat regtsgeding aanhangig is, indien daartoe
gronden bestaan, de schorsing van hetzelve toe te staan, tot dat het
ingestelde verzet zal zijn uitgewezen.
Artikel 379
De regter die over een verzet van
derden oordeelt, kan, indien daartoe gronden bestaan, de uitvoering
van het aangevallen vonnis schorsen, tot dat het verzet zal zijn
uitgewezen.
Artikel 380
Bij wettiging van het verzet wordt
het vonnis, waartegen dit gerigt is geweest, alleen in zoo verre
verbeterd als het de regten van derden heeft benadeeld, ten zij het
onsplitsbare der gevallene uitspraak eene geheele vernietiging
daarvan noodzakelijk mogt maken.
Artikel 381 [Vervallen per
10-04-1869]
Tiende titel. Herroeping
Eerste afdeling. Herroeping van
vonnissen
Artikel 382
Een vonnis dat in kracht van gewijsde
is gegaan, kan op vordering van een partij worden herroepen indien:
a. het berust op bedrog door de
wederpartij in het geding gepleegd,
b. het berust op stukken, waarvan
de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is
vastgesteld, of
c. de partij na het vonnis
stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door
toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
Artikel 383
1.Het rechtsmiddel moet worden
aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is
ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De termijn vangt
niet aan dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
2.Indien de partij die gronden
heeft de herroeping te vorderen binnen die termijn is overleden,
is artikel 341 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 384
1.De vordering tot herroeping wordt
gebracht voor de rechter die in laatste feitelijke instantie over
de zaak heeft geoordeeld.
2.Indien de Hoge Raad na
vernietiging ten principale recht heeft gedaan, wordt de vordering
gebracht voor de rechter van wie het vonnis of het arrest door de
Hoge Raad is vernietigd.
3.Is in laatste feitelijke
instantie beslist door de voorzieningenrechter in kort geding, dan
wordt de vordering gebracht voor de rechtbank.
Artikel 385
Het geding wordt ingeleid met een
dagvaarding die voldoet aan de eisen van artikel 111 en wordt verder
gevoerd op de wijze als in de tweede titel is bepaald.
Artikel 386
De vordering tot herroeping schorst
de tenuitvoerlegging van het vonnis niet. De rechter die over de
herroeping oordeelt, kan evenwel, desgevorderd, bij voorlopige
voorziening de tenuitvoerlegging schorsen.
Artikel 387
De rechter die de voor herroeping
aangevoerde grond of gronden juist bevindt, heropent het geding
geheel of gedeeltelijk. Hij geeft partijen gelegenheid hun
stellingen en verweren te wijzigen en aan te vullen.
Artikel 388
1.Het vonnis waarbij het geding is
heropend, schorst de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis in
zoverre.
2.De beslissing inzake de
heropening van het geding is niet vatbaar voor hoger beroep. Een
vordering tot herroeping kan daartegen evenmin worden ingesteld.
Artikel 389
Indien de rechter met betrekking tot
het geding voor zover het is heropend, tot een ander oordeel komt,
doet hij daarin opnieuw uitspraak met herroeping in zoverre van het
bestreden vonnis.
Tweede afdeling. Herroeping van
beschikkingen
Artikel 390
Een beschikking kan op verzoek van de
oorspronkelijke verzoeker of van een belanghebbende worden herroepen
op de gronden genoemd in artikel 382, tenzij de aard van de
beschikking zich daartegen verzet.
Artikel 391
De artikelen 382 tot en met 384 en
386 tot en met 389 zijn van overeenkomstige toepassing. Overigens
wordt het verzoek tot herroeping behandeld op de wijze als in de
derde titel is bepaald.
Artikel 392 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 393 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 394 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 395 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 396 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 397 [Vervallen per
01-01-2002]
Elfde titel. Cassatie
Eerste afdeling. Van de zaken aan
cassatie onderworpen
Artikel 398
Partijen kunnen beroep in cassatie
instellen:
1°. tegen uitspraken, die hetzij
in eerste en hoogste ressort hetzij in hoger beroep zijn
gewezen;
2°. tegen vonnissen die in
eerste ressort op tegenspraak zijn gewezen, indien partijen
nadien zijn overeengekomen het hoger beroep over te slaan.
Artikel 399
Het beroep staat niet open voor hem
die zijn bezwaren kan doen herstellen door dezelfde rechter bij wie
de zaak heeft gediend.
Artikel 400
Het beroep staat niet open voor hem,
die in de uitspraak heeft berust.
Artikel 401 [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 401a
1.Van uitspraken, waarbij een
voorlopige voorziening wordt toegestaan of geweigerd, kan beroep
in cassatie worden ingesteld voordat de einduitspraak is gewezen.
2.Van andere tussenvonnissen of
tussenarresten kan beroep in cassatie slechts tegelijk met dat van
het eindvonnis of eindarrest worden ingesteld, tenzij de rechter
anders heeft bepaald of artikel 75, eerste lid, van toepassing is.
Artikel 401b
1.Tegen een bij verstek gewezen
uitspraak kan de niet-verschenen partij geen beroep in cassatie
instellen.
2.Zij kan echter, indien een der
andere partijen beroep in cassatie instelt, bij de Hoge Raad
verweer voeren en zelfs incidenteel beroep instellen.
Artikel 401c
1.Indien het beroep tegen een bij
verstek gewezen uitspraak wordt ingesteld, terwijl verzet nog open
staat, kan de verweerder niet meer verzet doen, indien hij heeft
gebruik gemaakt van de bevoegdheid, hem in artikel 401b, tweede
lid, toegekend.
2.Ingeval van verzet vervalt het
geding bij de Hoge Raad, onverminderd het recht van partijen om,
na de uitspraak op het verzet, in cassatie op te komen tegen die
uitspraak, zomede van de oorspronkelijke eiser om alsdan binnen
dezelfde termijn in cassatie op te komen tegen de uitspraak bij
verstek voor wat betreft de beslissingen, die door het verzet niet
zijn getroffen.
3.Ingeval, voordat verzet is
gedaan, het geding bij de Hoge Raad geëindigd is, belet dit niet
het alsnog doen van verzet. Indien de Hoge Raad ten principale
uitspraak deed, moet het verzet bij hem worden gedaan. In alle
gevallen is de rechter gebonden aan hetgeen de Hoge Raad omtrent
rechtspunten had beslist.
Tweede afdeling. Van de termijn van
beroep en van deszelfs schorsende kracht
Artikel 402
1.Het beroep in cassatie moet -
behoudens in de gevallen waarin de wet een kortere cassatietermijn
voorschrijft - worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen
van de dag van de uitspraak.
2.In de gevallen, waarin de wet
voor het hoger beroep een kortere termijn heeft voorgeschreven,
wordt ook de termijn voor het beroep in cassatie verkort en
gesteld op het dubbele van de termijn in die gevallen voor het
hoger beroep bepaald.
3.Indien in de vorige instantie een
vordering tot vrijwaring geheel of gedeeltelijk is afgewezen op
grond van de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, staat het
beroep in cassatie daartegen open tot het moment dat in de
hoofdzaak in cassatie de conclusie van antwoord wordt genomen.
Artikel 403
1.Bij overlijden van de in het
ongelijk gestelde partij gedurende de loop van de cassatietermijn
vangt voor de erfgenamen of rechtverkrijgenden een nieuwe termijn
aan op de dag na die van het overlijden.
2.In ieder geval kan het beroep nog
worden ingesteld binnen vier weken na afloop van de termijn,
bedoeld in artikel 185 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 404
Buiten de gevallen, waarin de rechter
de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegestaan, heeft het beroep
in cassatie schorsende kracht.
Artikel 405 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 406 [Vervallen per
01-01-1992]
Derde afdeling. Van de rechtspleging
in cassatie
Artikel 407
1.Het beroep in cassatie wordt
ingesteld bij een dagvaarding in dezelfde vorm en met dezelfde
vereisten als in eerste aanleg, behoudens de volgende leden:
2.De dagvaarding behelst, in plaats
van hetgeen in artikel 111, tweede lid, onder d, is vermeld, de
omschrijving van de middelen, waarop het beroep steunt. Artikel
111, tweede lid, onder i, en derde lid, is niet van toepassing.
3.De eiser is gehouden in het
exploit van dagvaarding een advocaat bij de Hoge Raad aan te
wijzen, die hem in het geding zal vertegenwoordigen, op straffe
van nietigheid.
4.Hij wordt geacht woonplaats te
hebben gekozen bij die advocaat, tenzij het exploit een andere
binnen de gemeente 's-Gravenhage gekozen woonplaats uitdrukt.
Artikel 408
De verweerder kan de termijn, waarop
hij gedagvaard is, verkorten door bij een aan de gekozen woonplaats
des eisers betekend exploit deze tegen een vroegere dan in het
exploit van dagvaarding opgegeven rechtsdag op te roepen.
Artikel 408a
1.Alle zaken worden ingeschreven
ter rolle van de enkelvoudige kamer en door haar behandeld.
2.De enkelvoudige kamer verwijst de
zaak naar de meervoudige kamer:
a. wanneer pleidooi wordt
gevraagd, tenzij volstaan zal worden met het overleggen van
schriftelijke toelichtingen
b. wanneer recht op de stukken
wordt verzocht
c. steeds wanneer zij
verwijzing wenselijk acht.
3.Is volstaan met het overleggen
van schriftelijke toelichtingen, dan vindt verwijzing plaats
wanneer arrest wordt gevraagd.
4.[Vervallen.]
5.Voor de toepassing van de
artikelen 412, tweede lid, 417 en 418, eerste lid geldt de
schriftelijke toelichting als bedoeld in het tweede lid, onderdeel
a, en in het derde lid als pleidooi.
Artikel 409
1.De advocaat bij de Hoge Raad, die
voor de verweerder optreedt, verklaart dit bij de oproeping der
zaak ter terechtzitting.
2.Van deze verklaring geschiedt
aantekening in het zittingblad.
3.De verweerder wordt geacht
woonplaats te hebben gekozen bij zijn advocaat. Hij kan echter ook
een andere woonplaats mits binnen de gemeente 's-Gravenhage, in
het zittingblad opgeven.
Artikel 410
1.De verweerder, van zijn zijde in
cassatie wensend te komen, doet dit, op straffe van verval van het
recht daartoe, bij zijn conclusie van antwoord, welke alsdan een
omschrijving behelst van de middelen, waarop het beroep steunt.
2.De verweerder is in dit
incidentele beroep ontvankelijk ook na verloop van de in artikel
402 gestelde termijnen en zelfs na berusting in de uitspraak.
3.De afstand van instantie laat de
mogelijkheid incidenteel beroep in te stellen onverlet. De
verweerder kan op de roldatum waarop de afstand van instantie is
gedaan, de rechter verzoeken voor het instellen van incidenteel
beroep een termijn te bepalen. De verweerder kan het incidenteel
beroep ook instellen op een roldatum die binnen twee weken na de
afstand van instantie bij exploot aan eiser is aangezegd. Artikel
74, eerste lid, tweede tot en met vierde volzin, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 411
1.Wanneer de verweerder niet reeds
op de eerste rechtsdag zijn conclusie van antwoord neemt, wordt
hem tot dat einde, op zijn verlangen, een termijn van ten hoogste
vier weken verleend.
2.Hij is op straffe van verval van
het recht exceptiën aan te voeren, gehouden deze met zijn
antwoord ten principale te verenigen.
3.Alleen de in artikel 128, vierde
lid, bedoelde exceptie wordt op straffe van verval afzonderlijk
voor alle weren van rechten voorgedragen.
Artikel 412
1.Ingeval van incidenteel beroep of
indien door de verweerder een exceptie tegen het principale beroep
wordt aangevoerd, wordt aan de eiser, op zijn verlangen, een
termijn van ten hoogste vier weken verleend om het incidentele
beroep of de voorgestelde exceptie bij conclusie te beantwoorden.
2.Is het een noch het ander het
geval, dan wordt onmiddellijk na het nemen der conclusie van
antwoord de dag van pleidooi bepaald, tenzij partijen, onder
overlegging der stukken, daarop recht vragen.
Artikel 413
Partijen zijn gehouden de bescheiden,
waarop zij zich beroepen, elkander over en weer mede te delen in
afschrift of door nederlegging van het oorspronkelijke ter griffie
gedurende tenminste drie dagen.
Artikel 414
1.Artikel 224 is van toepassing in
cassatie.
2.Niettemin is de oorspronkelijke
verweerder, eiser zijnde in cassatie, niet gehouden tot
zekerheidstelling.
3.De verweerder in cassatie is
daartoe evenmin gehouden, zelfs niet bij het instellen van
incidenteel beroep.
4.De in vroegere instantiën
gestelde zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van
cassatie.
5.De zekerheidstelling wordt
gevorderd vóór alle weren van rechten.
Artikel 415
1.De vordering tot
zekerheidstelling en alle andere incidentele vorderingen worden
ingesteld bij conclusie ter rolle.
2.De verweerder op het incident
neemt in dezelfde of in een nadere door de Hoge Raad te bepalen
terechtzitting zijn conclusie van antwoord op het incident, dat
door de Hoge Raad, na partijen, zo zij dit verlangen, en de
procureur-generaal bij de Hoge Raad te hebben gehoord,
afzonderlijk wordt beslist.
Artikel 416
De aangewezen advocaat blijft de
partij vertegenwoordigen totdat hetzij door haar een andere advocaat
bij de Hoge Raad is aangewezen bij aan de wederpartij betekend
exploit, hetzij de advocaat zelf aan deze laatste bij betekend
exploit of ter terechtzitting heeft aangezegd, dat hij zich aan de
verdere behandeling der zaak onttrekt.
Artikel 417
De pleidooien kunnen ook worden
gehouden door andere dan de volgens de artikelen 407 en 409
aangewezen advocaten, zonder dat de daaruit ontstaande vermeerdering
van kosten in de uitspraak over de kosten begrepen is.
Artikel 418
Na de pleidooien, of nadat partijen
recht op de stukken hebben verzocht, neemt de procureur-generaal bij
de Hoge Raad conclusie, hetzij onmiddellijk, hetzij op een daartoe
te bepalen dag.
Tenzij de Hoge Raad dadelijk
uitspraak doet, bepaalt hij de dag, waarop dit zal geschieden.
Artikel 418a
Voor zover uit deze titel niet anders
voortvloeit, zijn van de tweede titel de artikelen 87 tot en met 92,
de artikelen 111 tot en met 122, artikel 125, de zevende tot en met
de negende afdeling, alsmede de elfde tot en met de dertiende
afdeling van overeenkomstige toepassing.
Vierde afdeling. Van de uitspraak in
cassatie
Artikel 419
1.De Hoge Raad bepaalt zich bij
zijn onderzoek tot de middelen waarop het beroep steunt.
2.De feitelijke grondslag der
middelen kan alleen worden gevonden in de bestreden uitspraak en
in de stukken van het geding.
3.De Hoge Raad is gebonden aan
hetgeen in de bestreden uitspraak omtrent de feiten is
vastgesteld.
4.De Hoge Raad geeft omtrent de
kosten van het geding zodanige uitspraak als hij vermeent te
behoren.
Artikel 420
Bij vernietiging van de bestreden
uitspraak doet de Hoge Raad het geding zelf af, voor zover er niet
op de voet van de navolgende bepalingen gronden zijn voor
verwijzing.
Artikel 421
Indien na de vernietiging dient te
worden beslist over feiten, waaromtrent nog geen uitspraak is
gedaan, verwijst de Hoge Raad het geding, tenzij het een punt van
ondergeschikte aard betreft, waarover de Hoge Raad op grond van de
stukken van het geding een beslissing kan geven.
Artikel 422
Indien na de vernietiging dient te
worden beslist over rechtspunten, waaromtrent nog geen uitspraak is
gedaan, zal de Hoge Raad naar bevind van omstandigheden daaromtrent
een beslissing geven dan wel daartoe het geding verwijzen.
Artikel 422a
Het geding wordt verwezen naar de
rechter, wiens uitspraak vernietigd is, tenzij er overeenkomstig het
bepaalde bij de artikelen 76 en 355 reden is tot verwijzing naar de
rechter van eerste aanleg.
Artikel 423
De Hoge Raad kan, in stede van het
geding te verwijzen naar de rechter, wiens uitspraak vernietigd is,
het verwijzen naar een andere rechter en wel:
1°. wanneer de vernietigde
uitspraak was gewezen door een rechtbank, naar het gerechtshof
van het ressort;
2°. wanneer de vernietigde
uitspraak was gewezen door een gerechtshof, naar een ander
gerechtshof.
Artikel 424
De rechter, naar wie het geding is
verwezen, zet de behandeling daarvan voort en beslist met
inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.
Artikel 425
Er wordt geen verzet toegelaten tegen
arresten door de Hoge Raad bij verstek in cassatie gewezen, dan
alleen wanneer er gronden waren tot nietigverklaring van de
dagvaarding of het beroep was ingesteld na verloop van de wettelijke
termijn en mits het verzet geschiedde binnen veertien dagen na de
betekening van het arrest.
Vijfde afdeling. Van beroep in
cassatie tegen beschikkingen op rekest
Artikel 426
1.Tegen beschikkingen op rekest kan
beroep in cassatie worden ingesteld door degenen, die in een der
vorige instantiën verschenen zijn, binnen drie maanden, te
rekenen van de dag van de uitspraak.
2.In de gevallen, waarin de wet
voor het hoger beroep een kortere termijn heeft voorgeschreven,
wordt ook de termijn voor het beroep in cassatie verkort en
gesteld op het dubbele van de termijn in die gevallen voor het
hoger beroep bepaald.
3.In de gevallen, waarin de wet
voor het hoger beroep een ander aanvangstijdstip heeft
voorgeschreven dan de dag van de uitspraak, geldt dat andere
aanvangstijdstip ook voor de termijn van het beroep in cassatie.
4.De artikelen 399, 400, en 401a en
de artikelen 79 en 80 van de Wet op de rechterlijke organisatie
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 426a
1.Het beroep in cassatie wordt
aangebracht bij een verzoekschrift, dat wordt getekend door een
advocaat bij de Hoge Raad en ingediend bij deszelfs griffie.
2.Het verzoekschrift behelst de
omschrijving van de middelen waarop het beroep steunt.
Artikel 426b
1.De verzoeker doet zijn
verzoekschrift vergezeld gaan van zoveel afschriften als er
anderen dan hij in de vorige instantie verschenen zijn.
2.De griffier zendt onverwijld een
afschrift aan ieder hunner toe.
3.Binnen 3 weken na de toezending
kunnen de verweerders een door een advocaat bij de Hoge Raad
getekend verweerschrift ter griffie van de Hoge Raad indienen.
4.De Hoge Raad kan in een bepaald
geval een andere termijn vaststellen.
5.De griffier vermeldt bij de
toezending de termijn, binnen welke het verweerschrift moet worden
ingediend.
Artikel 427
1.Bij het verweerschrift kan de
verweerder, ondanks het verstrijken van de in artikel 426 gestelde
termijnen en ondanks berusting, van zijn zijde in cassatie komen.
2.Artikel 426a, tweede lid, en
artikel 410, derde lid, zijn van toepassing.
Artikel 427a
1.Het verweerschrift gaat vergezeld
van een afschrift, dat de griffier onverwijld aan de advocaat van
de verzoeker tot cassatie toezendt.
2.In geval van incidenteel beroep
of indien door de verweerder een exceptie tegen het principaal
beroep wordt aangevoerd, kan de verzoeker tot cassatie binnen 3
weken na de toezending daarop bij door zijn advocaat getekend
verweerschrift antwoorden. Het verweerschrift gaat vergezeld van
een afschrift, hetwelk de griffier onverwijld aan de advocaat van
de verweerder toezendt.
3.Het vierde en vijfde lid van
artikel 426b zijn van toepassing.
Artikel 428
1.Indien het belang der zaak dit
geraden doet voorkomen, kan de Hoge Raad, hetzij ambtshalve,
hetzij op daartoe strekkend verzoek, een toelichting door de
advocaten bevelen.
2.Geschiedt de toelichting
mondeling, dan vindt deze voor de meervoudige kamer plaats. Wordt
de toelichting schriftelijk gegeven, dan geschiedt dit voor de
enkelvoudige kamer.
3.De toelichting kan ook worden
gegeven door andere advocaten, zonder dat de daaruit ontstaande
vermeerdering van kosten in de uitspraak over de kosten begrepen
is.
Artikel 428a
Voor zover uit deze afdeling niet
anders voortvloeit, is artikel 284 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 429
1.Nadat de procureur-generaal bij
de Hoge Raad binnen een door de Hoge Raad te bepalen termijn
schriftelijk conclusie heeft genomen, geeft de Hoge Raad zijn
beschikking.
2.De artikelen 419-424 zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.De Hoge Raad geeft bij de
beschikking zodanige uitspraak omtrent de kosten als hij vermeent
te behoren. De griffier doet onverwijld mededeling van de gevallen
beslissing aan de advocaten, die de schrifturen hebben ingediend.
Twaalfde titel
Artikel 429a [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429b [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429c [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429d [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429e [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429f [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429g [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429h [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429i [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429j [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429k [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429l [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429m [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429n [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429o [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429p [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429q [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429r [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429s [Vervallen per
01-01-2002]
Artikel 429t [Vervallen per
01-01-2002]
Tweede Boek. Van de gerechtelijke
tenuitvoerlegging van vonissen, beschikkingen en authentieke akten
Eerste titel. Algemene regels
Artikel 430
1.De grossen van in Nederland
gewezen vonnissen, van beschikkingen van de Nederlandse rechter en
van in Nederland verleden authentieke akten alsmede van andere bij
de wet als executoriale titel aangewezen stukken kunnen in geheel
Nederland worden ten uitvoer gelegd.
2.Zij moeten aan het hoofd voeren
de woorden: In naam des Konings.
3.Zij kunnen niet worden ten
uitvoer gelegd dan na betekening aan de partij tegen wie de
executie zich zal richten.
Artikel 431
1.Behoudens het bepaalde in de
artikelen 985-994, kunnen noch beslissingen, door vreemde rechters
gegeven, noch buiten Nederland verleden authentieke akten binnen
Nederland ten uitvoer worden gelegd.
2.De gedingen kunnen opnieuw bij de
Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan.
Artikel 431a
Indien de bevoegdheid tot
tenuitvoerlegging van een executoriale titel op een ander overgaat,
kan de executie eerst worden aangevangen of voortgezet na betekening
van deze overgang aan de geëxecuteerde.
Artikel 432
Geen vonnis waarvan de voorlopige
tenuitvoerlegging niet is toegestaan kan tegen een derde worden ten
uitvoer gelegd, noch kan daaraan door die derde worden voldaan, dan
acht dagen na betekening daarvan aan de partij die in het ongelijk
is gesteld, en met overlegging van een verklaring van de griffier
dat er op zijn registers geen verzet, hoger beroep of cassatie
daartegen is aangetekend.
Artikel 433
De partij die verzet heeft gedaan, of
hoger beroep of beroep in cassatie heeft ingesteld, heeft de
bevoegdheid om daarvan ter griffie van het gerecht dat het bestreden
vonnis heeft uitgesproken, in een daartoe bestemd register
aantekening te doen houden, met vermelding van de namen van de
partijen, de dagtekening van het vonnis en die van het verzet, het
hoger beroep of het beroep in cassatie.
Artikel 434
De overhandiging van de executoriale
titel, waarvan men de uitvoering verlangt, aan de deurwaarder,
machtigt hem in die zaak tot het doen van de gehele executie, uit
die titel voortvloeiende, met uitzondering alleen van die bij
lijfsdwang, waartoe een bijzondere volmacht vereist wordt.
Artikel 434a
Kosten terzake van ambtshandelingen,
verricht door gerechtsdeurwaarders, worden voor de bepaling van de
kosten van tenuitvoerlegging in aanmerking genomen overeenkomstig
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde
tarieven.
Artikel 435
1.Het staat aan de executant vrij
te gelijker tijd beslag te leggen op alle voor beslag vatbare
goederen, waartoe hij bevoegd is zijn vordering te verhalen.
2.Hij is verplicht een beslag dat
strekt tot verhaal op een goed dat aan een ander dan de
schuldenaar toebehoort, en dat ten laste van die ander wordt
gelegd, binnen acht dagen aan de schuldenaar te betekenen.
3.Wordt een beslag van de in het
vorige lid bedoelde strekking ten laste van de schuldenaar gelegd,
dan is de beslaglegger verplicht het binnen acht dagen aan de
ander te betekenen of, zo hij diens recht niet kent, onverwijld
nadat hij van dat recht kennis heeft gekregen. Indien de ander,
voordat acht dagen na deze betekening zijn verstreken,
schriftelijk aan de deurwaarder mededeelt zich tegen het verhaal
op zijn goed te verzetten, geldt het beslag jegens hem slechts als
conservatoir en kan de executie jegens hem slechts plaatsvinden
uit hoofde van een tegen hem verkregen executoriale titel om deze
executie te dulden.
Artikel 436
Beslag mag niet worden gelegd op
goederen, bestemd voor de openbare dienst.
Artikel 437
Hetgeen omtrent de executie van een
goed is bepaald, is van overeenkomstige toepassing op de executie
van een beperkt recht op of een aandeel in een zodanig goed.
Artikel 438
1.Geschillen die in verband met een
executie rijzen, worden gebracht voor de rechtbank die naar de
gewone regels bevoegd zou zijn, of in welker rechtsgebied de
inbeslagneming plaatsvindt, zich een of meer van de betrokken
zaken bevinden of de executie zal geschieden.
2.Tot het verkrijgen van een
voorziening bij voorraad kan het geschil ook worden gebracht in
kort geding voor de voorzieningenrechter van de volgens het eerste
lid bevoegde rechtbank. Onverminderd zijn overige bevoegdheden kan
de voorzieningenrechter desgevorderd de executie schorsen voor een
bepaalde tijd of totdat op het geschil zal zijn beslist, dan wel
bepalen dat de executie slechts tegen zekerheidstelling mag
plaatsvinden of worden voortgezet. Hij kan beslagen, al of niet
tegen zekerheidstelling, opheffen. Hij kan gedurende de executie
herstel bevelen van verzuimde formaliteiten met bepaling welke op
het verzuim gevolgde formaliteiten opnieuw moeten worden verricht
en te wiens laste de kosten daarvan zullen komen. Hij kan bepalen
dat een in het geding geroepen derde de voortzetting van de
executie moet gedogen dan wel zijn medewerking daaraan moet
verlenen, al dan niet tegen zekerheidstelling door de executant.
3.Voor zover de zaak zich niet
leent voor behandeling in kort geding, kan de voorzieningenrechter
in plaats van de vordering af te wijzen de zaak op verlangen van
de eiser verwijzen naar de rechtbank met bepaling van de dag
waarop zij op de rol moet komen. Tegen een gedaagde die op
voormeld tijdstip niet verschijnt en ook voor de
voorzieningenrechter niet bij advocaat is verschenen, wordt
slechts verstek verleend, zo hij tegen dit tijdstip bij exploit is
opgeroepen met inachtneming van de voor dagvaarding voorgeschreven
termijn, dan wel van de termijn die op verlangen van de eiser door
de voorzieningenrechter bepaald is.
4.De deurwaarder die met de
executie is belast en daarbij op een bezwaar stuit dat een
onverwijlde voorziening nodig maakt, kan zich met een daarvan door
hem opgemaakt proces-verbaal bij de voorzieningenrechter vervoegen
ten einde deze in kort geding tussen de betrokken partijen te doen
beslissen. De voorzieningenrechter zal de behandeling aanhouden
tot de partijen zijn opgeroepen, tenzij hij, gelet op de aard van
het bezwaar, een onmiddellijke beslissing geboden acht. De
deurwaarder die zijn voormelde bevoegdheid zonder instemming van
de executant uitoefent, kan persoonlijk in de kosten worden
veroordeeld, indien deze uitoefening nodeloos was.
5.Verzet tegen de executie door een
derde geschiedt door dagvaarding van zowel de executant als de
geëxecuteerde.
Artikel 438a
1.In zaken betreffende een executie
die volgens de tweede en de derde titel van dit Boek of titel 9
van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek worden ingeleid door een
verzoekschrift aan de voorzieningenrechter van de rechtbank, is
bevoegd de voorzieningenrechter in wiens rechtsgebied de te
executeren zaken zich geheel of grotendeels bevinden of de
executie zal geschieden.
2.De indiening van verzoekschriften
krachtens de artikelen 459, derde lid, 461b, 462, tweede lid, 463,
derde lid, 463a, 465, 481, eerste lid, 496, tweede lid, en 506,
tweede lid, kan ook door een deurwaarder geschieden. Hetzelfde
geldt voor een verzoekschrift krachtens artikel 234, derde lid,
van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, indien de executie door een
pandhouder geschiedt, of krachtens artikel 251 van dat Boek.
Indien een deurwaarder het verzoekschrift indient, geldt zijn
kantoor als gekozen woonplaats van de verzoeker.
Artikel 438b
Voor zover de executie andere
handelingen vergt dan het doen van een exploot, is artikel 64 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de
overeenkomstige toepassing van het derde lid van dat artikel de
plaats waar de handeling moet worden verricht, bepalend is.
Tweede titel. Van de gerechtelijke
tenuitvoerlegging op goederen die geen registergoederen zijn
Eerste afdeling. Van executoriaal
beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn
Artikel 439
1.Het beslag op roerende zaken die
geen registergoederen zijn, moet worden voorafgegaan door een
exploit van een deurwaarder, houdende bevel om binnen twee dagen
aan de executoriale titel te voldoen. Eerst na verloop van die
termijn kan het beslag worden gelegd. Indien daartoe gronden zijn,
kan de voorzieningenrechter van de rechtbank, ook op mondeling
verzoek van de deurwaarder, die termijn inkorten.
2.Indien bij het betekenen van de
executoriale titel tevens het voorgeschreven bevel is gedaan,
wordt geen afzonderlijk bevel vereist.
3.Bij het bevel of de betekening
moet de executant tot het uiteinde der executie woonplaats kiezen
ten kantore van de deurwaarder, zulks op straffe van nietigheid
van het exploit. Tevens kan woonplaats worden gekozen in Nederland
ten kantore van een advocaat.
Artikel 440
1.Het beslag wordt gelegd bij een
exploit van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten,
op straffe van nietigheid inhoudt:
a. de vermelding van de
voornaam, naam en woonplaats van de executant en de naam en
woonplaats van de geëxecuteerde;
b. de vermelding van de
executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd;
c. indien het beslag niet wordt
gelegd door een deurwaarder ten kantore van wie woonplaats is
gekozen overeenkomstig artikel 439, derde lid, een keuze van
woonplaats ten kantore van de deurwaarder die het beslag legt.
2.De deurwaarder kan zich doen
bijstaan door een of twee getuigen, wier naam en woonplaats hij in
dat geval in het proces-verbaal zal vermelden en die dat stuk mede
zullen tekenen.
Artikel 441
1.Het beslag kan slechts worden
gedaan voor een vordering waarvan het geldelijk beloop bepaalbaar
is.
2.Indien de vordering niet is
vereffend, worden na het beslag alle verdere vervolgingen
gestaakt, totdat de vereffening is geschied.
Artikel 443
1.De deurwaarder zal dadelijk, of
uiterlijk op de volgende dag overgaan tot de meer bijzondere
aanduiding der zaken die hij in beslag neemt, en zal deze op het
door hem daarvan onverwijld op te maken proces-verbaal nauwkeurig
beschrijven met opgave van hun getal, gewicht en maat
overeenkomstig hun aard. Het proces-verbaal wordt binnen drie
dagen na de inbeslagneming betekend aan de geëxecuteerde en, als
er een bewaarder is, ook aan deze.
2.De executant mag bij de
inbeslagneming niet tegenwoordig zijn dan in geval de deurwaarder
zulks ter aanwijzing van de in beslag te nemen zaken noodzakelijk
acht.
Artikel 444
1.De deurwaarder heeft ter
inbeslagneming toegang tot elke plaats, voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
2.Indien de deuren gesloten zijn,
of de opening daarvan geweigerd wordt, gelijk mede indien
geweigerd wordt enige kamer of stuk huisraad te openen, alsmede
wanneer bij niet-tegenwoordigheid van de geëxecuteerde er niemand
gevonden wordt om hem te vertegenwoordigen, zal de deurwaarder
zich vervoegen bij de burgemeester der gemeente in wiens
tegenwoordigheid de opening van de deuren en van het huisraad zal
worden gedaan voor zover dat redelijkerwijs nodig is. De
burgemeester kan zich doen vertegenwoordigen door een ambtenaar
van politie die tevens hulpofficier van justitie is. Van de
tegenwoordigheid van deze ambtenaar en van hetgeen in zijn
bijzijn, uit kracht van dit en de volgende drie artikelen, is
verricht, zal melding gemaakt worden in het proces-verbaal van
beslag.
3.Bij het binnentreden in een
woning zonder toestemming van de bewoner zijn de artikelen 10 en
11, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden op het
proces-verbaal van beslag van overeenkomstige toepassing. Deze
artikelen gelden eveneens in het geval dat na het binnentreden
geen beslag wordt gelegd.
Artikel 444a
1.Indien er redelijk vermoeden
bestaat, dat in beslag te nemen zaken zich bevinden op een plaats,
van een derde gehuurd of op andere wijze in gebruik verkregen,
zodanig dat voor de toegang de medewerking van de derde nodig
blijft, zal de deurwaarder, ingeval van weigering van de
geëxecuteerde of de derde om de deuren, welke tot de plaats
toegang geven, te openen, handelen, zoals in het vorige artikel is
bepaald. Met weigering staat gelijk afwezigheid na behoorlijke
sommatie om persoonlijk of bij gemachtigde te verschijnen om de
deuren te openen. De deurwaarder kan inmiddels door een bewaarder
beletten, dat van de plaats iets wordt weggenomen.
2.De derde is gehouden de
deurwaarder op vertoon van de titel, uit krachte waarvan het
beslag wordt gelegd, aanwijzing te doen van de verhuurde of op
andere wijze in gebruik gegeven ruimte.
3.Zij die van het verhuren of op
andere wijze in gebruik geven, als bedoeld in de vorige leden, een
bedrijf maken, zijn verplicht desgewenst de deurwaarder inzage te
geven van het register of de stukken, waarin de gebruikers zijn
vermeld.
4.Van het ogenblik, dat de
deurwaarder zich tot de derde heeft gewend om tot de
inbeslagneming ingevolge dit artikel te komen, mag de derde de
geëxecuteerde toegang tot de ruimte niet meer verlenen dan in
tegenwoordigheid van de deurwaarder.
Artikel 444b
1.Indien de derde niet voldoet aan
enige hem bij het tweede, derde en vierde lid van het vorige
artikel opgelegde verplichting, kan hij worden veroordeeld tot
voldoening van het bedrag der vordering, waarvoor het beslag wordt
gelegd, met rente en kosten.
2.De schade, welke de derde lijdt
door het openbreken der deuren, wordt, indien dit niet aan hem te
wijten is, hem vergoed door de executant, behoudens het verhaal
van deze op de geëxecuteerde, indien daartoe gronden aanwezig
zijn. De derde kan verlangen, dat, alvorens tot het openmaken der
deuren wordt overgegaan, zekerheid wordt gesteld voor de
voldoening der hem verschuldigde schadevergoeding.
3.De deurwaarder en de ambtenaar,
in artikel 444 genoemd, zijn tot geheimhouding verplicht nopens de
inhoud van het register en de stukken, bedoeld in het derde lid
van het vorige artikel; echter wat de geëxecuteerde betreft, voor
zover niet anders is vereist voor een behoorlijke vervulling van
hun taak te dezen.
Artikel 445
Indien er bij de inbeslagneming
gereed geld wordt gevonden, zal het getal en de geldsoort vermeld
worden; de deurwaarder zal het geld benevens alle aandeelbewijzen,
effecten en verder geldswaarde hebbend papier aan een door hem aan
te wijzen financiële onderneming die ingevolge de Wet op het
financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen
of door een zodanige financiële onderneming gegarandeerd
effectenbewaarbedrijf of aan de Nederlandsche Bank N.V. in
gerechtelijke bewaring geven, tenzij de executant en geëxecuteerde
omtrent een andere plaats van bewaring mochten zijn overeengekomen.
De bewaring geschiedt ten name van de deurwaarder onder vermelding
van het beslag, van de executant en van de geëxecuteerde.
Artikel 446
1.De deurwaarder kan ook andere
zaken dan die bedoeld in het vorige artikel aan een door hem aan
te wijzen geschikte bewaarder in gerechtelijke bewaring geven,
indien dit voor het behoud van deze zaken redelijkerwijze
noodzakelijk is. De tweede zin van het vorige artikel is van
toepassing.
2.De deurwaarder maakt van de
inbewaringgeving een afzonderlijk proces-verbaal op, dat binnen
drie dagen na de inbewaringgeving wordt betekend aan de
geëxecuteerde en aan de bewaarder.
Artikel 447
Geen beslag op roerende zaken mag,
uit welken hoofde ook, gedaan worden:
1°. op het nodige bed en
beddegoed van de geëxecuteerde en de inwonende leden van zijn
gezin en op de kleren, waarmee zij gekleed en gedekt zijn;
2°. op de gereedschappen van
ambachtslieden en werklieden, tot hun persoonlijk bedrijf
behorende;
3°. op de in het huis voorhanden
zijnde voorraad van spijs en drank, dienende tot de behoefte van
het huisgezin, gedurende een maand;
4°. op het ingevolge artikel
642c in de kas der gerechtelijke consignaties gestorte bedrag.
Artikel 448
1.Evenmin kan beslag worden gelegd
op de boeken die de geëxecuteerde nodig heeft voor zijn beroep,
en op de werktuigen en gereedschappen, dienend tot enig onderwijs
of de beoefening van kunsten en wetenschappen, telkens tot een bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag en te zijner
keuze.
2.De in het eerste lid bedoelde
zaken kunnen wel in beslag worden genomen voor vorderingen:
1°. wegens levensbehoeften
verstrekt aan de geëxecuteerde en de inwonende leden van zijn
gezin;
2°. ter zake van de
vervaardiging of het herstel van deze zaken of de verkoop
daarvan aan de geëxecuteerde.
Artikel 449
Dag en uur van de verkoop van de in
beslag genomen zaken worden aan de geëxecuteerde betekend hetzij
tezamen met het proces-verbaal van inbeslagneming hetzij binnen drie
dagen na de betekening daarvan.
Artikel 451
1.Indien beesten of werktuigen voor
de landbouw, of vruchten te velde welke reeds van de grond zijn
afgescheiden, zijn in beslag genomen, kan de kantonrechter, op
verzoek van de executant, en na verhoor of behoorlijke oproeping
van de geëxecuteerde, een geschikte persoon aanstellen, teneinde
voor de nodige bedrijfsvoering, verzorging of inzameling zorg te
dragen.
2.Tegen een toewijzende beschikking
krachtens het vorige lid is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 453a
1.Een vervreemding, bezwaring,
onderbewindstelling of verhuring van de zaak, tot stand gekomen
nadat deze in beslag genomen is, kan niet tegen de beslaglegger
worden ingeroepen.
2.Rechten door een derde anders dan
om niet verkregen, worden geëerbiedigd, mits de zaak in zijn
handen is gekomen en hij toen te goeder trouw was.
Artikel 455
1.Nog niet verantwoorde en
afgedragen baten, voortgebracht door de in beslag genomen zaken,
vallen mede onder het beslag en moeten aan de deurwaarder worden
verantwoord en op zijn verlangen aan hem worden afgedragen, een en
ander behoudens de rechten van derden, die de executant moet
eerbiedigen.
2.Bestaat de bate in een vordering
op een derde dan valt zij niet onder het beslag dan nadat het
beslag aan de derde is betekend. De artikelen 475c, 476 en 478
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 455a
1.Vorderingen tot vergoeding die na
inbeslagneming in de plaats van de beslagen zaak zijn getreden,
daaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van
de zaak, vallen, nadat het beslag aan de schuldenaar uit die
vordering is betekend, eveneens onder het beslag, behoudens de
rechten van derden, die de executant moet eerbiedigen. Zij moeten
op verlangen van de deurwaarder aan hem worden voldaan.
2.De artikelen 475i, 476 en 478
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 456
1.Treft het beslag een zaak die
geheel of ten dele aan een ander toebehoort of ten aanzien waarvan
een ander een recht geldend kan maken dat de executant moet
eerbiedigen, dan kan deze ander zich tegen verkoop waarbij zijn
recht niet in acht wordt genomen tot op het tijdstip van verkoop
verzetten.
2.De eiser die in het ongelijk
wordt gesteld, zal op vordering van de executant, zo daartoe
gronden zijn, tot schadevergoeding worden veroordeeld.
Artikel 457
1.Op de in beslag genomen zaken kan
tot op het tijdstip van de verkoop opnieuw beslag worden gelegd.
De beslaglegger is verplicht een zodanig beslag onverwijld te
betekenen aan de deurwaarder die het eerdere beslag heeft gelegd
en, zo deze er is, aan de gerechtelijke bewaarder, met vermelding
van de aard van de vordering en van het beloop van het bedrag
waarvoor het nieuwe beslag is gelegd of, indien de vordering nog
niet is vereffend, van het geschatte bedrag.
2.Is het eerdere beslag gelegd op
de grondslag van het Wetboek van Strafvordering dan is de
beslaglegger verplicht het door hem later gelegde beslag
onverwijld te betekenen aan het parket van het openbaar ministerie
bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de strafzaak, op
grond waarvan het eerdere beslag is gelegd, wordt of het laatst
werd vervolgd.
3.Indien onder een beslag
vorderingen tot vergoeding vallen, die voor in beslag genomen
zaken in de plaats zijn getreden, worden deze ook door volgende
beslagen op die zaken getroffen. Is een in beslag genomen zaak
verloren gegaan, dan kan op die vorderingen tot op het tijdstip
van de inning daarvan beslag worden gelegd met inachtneming van
dezelfde formaliteiten als wanneer deze zaak zich nog onder de
schuldenaar zou hebben bevonden.
Artikel 458
1.Indien op de zaak meer beslagen
zijn gelegd, wordt zij verkocht door de beslaglegger die het
oudste executoriale beslag heeft gelegd.
2.Rust op een zaak een beperkt
recht dat deze beslaglegger moet eerbiedigen, maar dat niet aan
een latere beslaglegger kan worden tegengeworpen, dan wordt de
zaak vrij van het beperkte recht verkocht, indien deze laatste
beslaglegger aan de executant, de geëxecuteerde en de beperkt
gerechtigde bij exploit mededeelt dit te verlangen.
Artikel 459
1.Indien de executant in gebreke
blijft om binnen vier weken na afloop van de in artikel 462
bedoelde termijn de verkoop tot stand te brengen, kan iedere
beslaglegger die een executoriale titel heeft, de executie van de
door hem in beslag genomen zaken overnemen door zulks bij exploit
aan de executant en de geëxecuteerde aan te zeggen.
2.De overneming kan niet geschieden
dan nadat aan de executant schriftelijk een redelijke termijn is
gesteld om alsnog tot verkoop over te gaan.
3.Indien er meer beslagleggers zijn
die de overneming verlangen, is slechts degene die het oudste
executoriale beslag heeft gelegd, daartoe bevoegd, tenzij de
voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek van de meest
gerede partij anders beslist.
4.Tegen beschikkingen krachtens het
vorige lid is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 460 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 461 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 461a
1.Indien de in beslag genomen zaak
is verpand en de pandhouder bevoegd is tot executie over te gaan,
kan hij, zo nodig overeenkomstig artikel 496 afgifte van de zaak
vorderende, de executie overnemen en zelf executeren met
inachtneming van de bepalingen betreffende executie krachtens
pandrecht.
2.Rusten op een zaak meer
pandrechten, dan komt deze bevoegdheid uitsluitend toe aan de
hoogst gerangschikte pandhouder, die tot executie wenst over te
gaan.
3.De pandhouder, die van deze
bevoegdheid gebruik wil maken, dient zulks uiterlijk op het
tijdstip van de verkoop bij exploit aan de beslaglegger, aan te
zeggen met opgave van de termijn binnen welke hij tot verkoop zal
overgaan.
4.Zolang geen aanzegging als
voormeld plaatsvindt, blijft de beslaglegger bevoegd de executie
voort te zetten.
Artikel 461b
1.Indien de pandhouder de in het
derde lid van het vorige artikel bedoelde termijn te lang stelt
dan wel binnen die termijn niet tot verkoop overgaat, kan de
voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek van de
beslaglegger een termijn bepalen binnen welke de pandhouder
uiterlijk tot de verkoop moet overgaan. Volgt binnen die termijn
geen verkoop, dan is de executant met uitsluiting van de
pandhouder bevoegd met de executie voort te gaan.
2.Tegen een beschikking krachtens
het vorige lid is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 461c
De schuldeiser die vóór het beslag
ten aanzien van in beslag genomen zaken het beding, bedoeld in
artikel 254 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft gemaakt en
van de in het tweede lid van dat artikel bedoelde bevoegdheid tot
gezamenlijke executie gebruik wil maken, kan de executie
overeenkomstig artikel 461a overnemen. De artikelen 544-548 zijn op
de executie van deze zaken van toepassing.
Artikel 461d
Bevindt de in beslag genomen zaak
zich onder een derde en beroept deze zich erop dat hij het beslag
wegens de vorm ervan of wegens een hem ten aanzien van de zaak
toekomend recht niet behoeft te dulden, dan dienen bij het beslag,
voor zover de executant de executie zonder eerbiediging van het
ingeroepen recht of bevoegdheid wenst door te zetten, de regels
betreffende het derden-beslag uit de tweede afdeling te worden
gevolgd, met dien verstande dat het reeds gelegde beslag geldt als
een uitsluitend op die zaken gelegd derden-beslag en vervalt indien
niet binnen drie dagen nadat het is gelegd, aan de derde een
formulier in tweevoud als bedoeld in artikel 475, is betekend.
Artikel 462
1.De verkoop der in beslag genomen
zaken mag geen plaats hebben vóór vier weken, te rekenen van de
dag van de betekening aan de geëxecuteerde van het
proces-verbaal, bedoeld in artikel 443, zulks op straffe van
schadevergoeding.
2.Deze termijn kan verkort worden
bij onderlinge toestemming van partijen of ook ten verzoeke van de
meest gerede partij door de voorzieningenrechter van de rechtbank.
Artikel 463
1.De verkoop zal in het openbaar
worden gehouden ten overstaan van de deurwaarder en op een door
deze daartoe aan te wijzen binnen zijn ambtsgebied gelegen plaats.
2.Is de in beslag genomen zaak op
een markt of beurs verhandelbaar, dan kan de verkoop in afwijking
van de artikelen 464-466 en 469 geschieden op die markt door
tussenkomst van een tussenpersoon in het vak of ter beurze door
die van een bevoegde tussenpersoon overeenkomstig de regels en
gebruiken die aldaar voor een gewone verkoop gelden.
3.De voorzieningenrechter van de
rechtbank kan ten verzoeke van de beslaglegger of de
geëxecuteerde een verkoop als in het vorige lid bedoeld ook
bepalen ten aanzien van effecten aan toonder die niet ter beurze
verhandelbaar zijn.
Artikel 463a
Geschillen over de veilconditiën,
over de wijze van verkoop of over dag, uur of plaats daarvan worden
op verzoek van de meest gerede partij of de deurwaarder beslist door
de voorzieningenrechter van de rechtbank, onverminderd de
bevoegdheid van hen wier rechten bij de executie niet worden
geëerbiedigd, zich daartegen overeenkomstig artikel 438 te
verzetten.
Artikel 463b
Tegen beschikkingen krachtens de
artikelen 462, tweede lid, 463, derde lid, en 463a is geen hogere
voorziening toegelaten.
Artikel 464
1.In de gemeente binnen welke de
verkoop zal geschieden, zullen, ter plaatse daartoe bestemd,
biljetten worden aangeslagen, houdende aanduiding van de plaats,
de dag en het uur van de verkoop, alsmede van de aard van de
zaken, doch zonder vermelding van nadere bijzonderheden.
2.De biljetten worden in elk geval
aangeslagen aan de plaats waar de zaken zich bevinden en aan die
waar de verkoop zal plaatsvinden.
Artikel 465
1.Het aanslaan der biljetten moet
geschieden na de in artikel 449 bedoelde betekening en tenminste
vier dagen vóór de verkoop, tenzij die termijn door de
voorzieningenrechter van de rechtbank ten verzoeke van de meest
gerede partij is verkort.
2.Tegen een beschikking krachtens
het vorige lid is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 466
1.De verkoop zal daarenboven worden
bekend gemaakt in een dagblad van de plaats waar de verkoping zal
geschieden, en bij gebreke van zodanig dagblad, in dat van een
naburige plaats.
2.Deze bekendmaking wordt echter
niet vereist, indien het bedrag der in beslag genomen zaken
klaarblijkelijk minder dan € 180 bedraagt.
Artikel 467
De deurwaarder zal aan de voet van
zijn proces-verbaal van beslag aantekening moeten doen van het
aanslaan der biljetten en van de bekendmaking van de verkoop.
Artikel 469
1.De verkoop wordt gehouden bij
opbod of, ter keuze van de executant, bij opbod gevolgd door
afmijning en de toewijzing zal geschieden aan de meestbiedende en
tegen gerede betaling in handen van de deurwaarder.
2.De deurwaarder is bevoegd te
vorderen, dat hem door elke bieder de geboden koopsom wordt ter
hand gesteld en mag deze onder zich houden, totdat de zaak is
toegewezen.
3.Stelt een bieder, na de in het
vorige lid bedoelde vordering, de geboden koopsom niet aan de
deurwaarder ter hand, dan wordt zijn bod niet aangenomen en wordt
hij gedurende de gehele verkoping niet meer als bieder toegelaten.
4.Bij de toewijzing wordt geen
rekening gehouden met biedingen die ingevolge het vorige lid niet
mogen worden aangenomen.
5.Bij gebreke van betaling zal de
zaak terstond weer verkocht worden ten laste van hem wien zij
toegewezen is.
Artikel 470
1.Men zal met de verkoop der in
beslag genomen zaken niet verder gaan dan nodig is om een
opbrengst te verkrijgen, die voor betaling van de schulden en
kosten voldoende is.
2.Te dien einde kan de
geëxecuteerde de orde regelen, volgens welke de zaken zullen
worden verkocht.
Artikel 474
De deurwaarder is verantwoordelijk
voor de verkregen opbrengst en voldoet daaruit onverwijld de kosten
van de executie. Hij vermeldt in zijn proces-verbaal de namen en
woonplaatsen der kopers.
Eerste afdeling A. Van executoriaal
beslag op rechten aan toonder of order, aandelen op naam en effecten
op naam, die geen aandelen zijn
Artikel 474a
1.Het beslag op rechten aan toonder
of order geschiedt door beslag op het papier. De eerste en tweede
afdeling en de tweede afdeling B zijn, voor wat betreft het daar
omtrent beslag op zaken bepaalde, van overeenkomstige toepassing,
tenzij uit de betreffende bepaling in verband met de aard van het
recht anders volgt. Indien het recht bestaat in een opeisbare
vordering, kan de executant in plaats van tot verkoop
overeenkomstig de eerste afdeling over te gaan, de executie ook
voortzetten door beslag onder derden overeenkomstig de tweede
afdeling.
2.Is ter voltooiing van de executie
endossement vereist, dan kan dit door de deurwaarder die met de
verkoop is belast, in zijn hoedanigheid van deurwaarder worden
gesteld onder vermelding van "ter executie".
3.Ingeval van verkoop moeten de
voormelde rechten op de biljetten als bedoeld in artikel 464
worden omschreven, met opgave van de naam van degene jegens wie
het recht bestaat, van de aard van het recht, van het bedrag van
de vordering waarin het recht bestaat en van de renten welke
daarbij mochten zijn bepaald.
Artikel 474aa
1.De executie van andere aandelen
op naam dan die bedoeld in de volgende afdelingen en van effecten
op naam die geen aandelen zijn, geschiedt met overeenkomstige
toepassing van die afdeling, tenzij uit de betreffende bepaling in
verband met de aard van het aandeel of effect anders voortvloeit.
2.Lidmaatschapsrechten in
verenigingen worden als effecten op naam aangemerkt, indien zij
voor vervreemding vatbaar zijn.
Artikel 474b
1.Nog niet aan de geëxecuteerde
verantwoorde en afgedragen baten, die voortvloeien uit een recht
aan toonder of order, een aandeel op naam of een effect op naam
dat geen aandeel is, en die bestaan in geld of andere waarden,
vallen mede onder het beslag en moeten aan de deurwaarder worden
verantwoord en op zijn verlangen aan hem worden afgedragen, een en
ander behoudens de rechten van derden die de executant moet
eerbiedigen.
2.Aan de schuldenaar die de in het
eerste lid bedoelde baten heeft uitgekeerd aan hem die zich door
middel van het toonder- of orderpapier als gerechtigd tot die
baten heeft gelegitimeerd, kan evenwel dit beslag niet worden
tegengeworpen.
3.De artikelen 475i, 476 en 478
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 474ba
Het stemrecht verbonden aan een in
beslag genomen goed als bedoeld in het vorige artikel, en andere aan
een zodanig goed verbonden bevoegdheden die niet onder het vorige
artikel vallen, blijven gedurende het beslag bij de geëxecuteerde.
Desgevraagd is de bewaarder of, als deze ontbreekt, de deurwaarder
verplicht hem daartoe een bewijsstuk af te geven en verder het
nodige te verrichten om hem in de gelegenheid te stellen tot het
uitoefenen van deze rechten.
Artikel 474bb
1.Rechten waarvan de executie niet
elders geregeld is, en niet opeisbare rechten waarop beslag onder
derden mogelijk is, kunnen met overeenkomstige toepassing van de
eerste afdeling worden geëxecuteerd, tenzij uit de wet of de aard
van het recht anders volgt.
2.De artikelen 474b en 474ba zijn
onder hetzelfde voorbehoud van overeenkomstige toepassing.
3.Gaat het om een recht dat jegens
een derde moet worden uitgeoefend, dan is voor het beslag tevens
betekening van het beslagexploit aan de derde vereist.
4.Indien door een zodanige executie
van een niet opeisbaar recht waarop beslag onder derden mogelijk
is, de geëxecuteerde of een andere belanghebbende onredelijk
wordt benadeeld, beveelt de voorzieningenrechter op diens
vordering dat de executie wordt gestaakt.
Eerste afdeling B. Van executoriaal
beslag op aandelen op naam in naamloze vennootschappen en besloten
vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
Artikel 474c
1.Onverminderd het bepaalde in het
achtste lid van dit artikel geschiedt het beslag op aandelen op
naam in een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid bij exploit van een deurwaarder dat,
behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid
inhoudt:
a. een aanzegging aan de
vennootschap van de inbeslagneming;
b. de vermelding van de
voornaam, naam en woonplaats van de executant en de naam en
woonplaats van de geëxecuteerde;
c. de vermelding van de
executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd;
d. een keuze van woonplaats ten
kantore van de deurwaarder.
2.De deurwaarder vermeldt in zijn
proces-verbaal zo mogelijk het getal en de nummers der in beslag
genomen aandelen.
3.Aan de vennootschap zal afschrift
worden gelaten van het beslagexploit en van de executoriale titel
uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd.
4.In het register van
aandeelhouders wordt terstond een namens de vennootschap
ondertekende en door de deurwaarder mede-ondertekende aantekening
geplaatst vermeldende de datum en het tijdstip van het gelegde
beslag, de naam van de beslaglegger en het getal en zo mogelijk de
nummers der in beslag genomen aandelen.
5.De vennootschap en een ieder die
toegang heeft tot de ruimte waar het register van aandeelhouders
wordt bewaard, zijn verplicht hun medewerking aan de bepaling van
het vorige lid te verlenen. Indien geen register bestaat, vermeldt
de deurwaarder dit in zijn proces-verbaal.
6.Indien voor de in beslag genomen
aandelen aandeelbewijzen zijn uitgegeven, is de vennootschap
verplicht, op verlangen van de deurwaarder, hem daarvan bij het
uitbrengen van het exploit mededeling te doen.
7.Bij gebreke van enige medewerking
als bedoeld in de drie voorafgaande leden is artikel 444b van
overeenkomstige toepassing.
8.Indien het betreft aandelen op
naam in vennootschappen als bedoeld in artikel 86c van boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek, welker statuten voorschrijven, dat voor
levering daarvan al dan niet onder bepaalde omstandigheden afgifte
van het aandeelbewijs bij de vennootschap vereist is, geschiedt
het beslag bij exploit van een deurwaarder met aanzegging als in
het eerste lid vermeld na voorafgaande inbeslagneming van de
desbetreffende aandeelbewijzen op de wijze als omschreven in de
eerste afdeling. Deze inbeslagneming en de bewaargeving, bedoeld
in artikel 445, zullen onder verwijzing naar de akte of
processen-verbaal, bedoeld in de artikelen 440 en 443, in het
exploit worden vermeld.
Artikel 474d
1.De deurwaarder zal van het
gelegde beslag onverwijld, zo mogelijk op dezelfde dag,
schriftelijk mededeling doen aan de geëxecuteerde.
2.Daarenboven moet, op straffe van
verval van het beslag, een afschrift van het exploit binnen acht
dagen na het beslag, aan de geëxecuteerde worden betekend.
3.Indien voor de in beslag genomen
aandelen aandeelbewijzen zijn uitgegeven, is de geëxecuteerde
verplicht aan de deurwaarder, zo mogelijk reeds bij de betekening
van het exploit van beslag, de aandeelbewijzen met de eventueel
daarbij behorende dividendbewijzen en talons ter hand te stellen
of het nodige te verrichten opdat deze stukken hem ter hand
gesteld worden. Indien voor die terhandstelling de medewerking van
een derde vereist is, is die derde verplicht zijn medewerking
tegen vergoeding der kosten te verlenen. Bij gebreke van
medewerking van de derde is artikel 444b van overeenkomstige
toepassing.
4.De deurwaarder zal, in afwachting
van de executoriale verkoop, met die stukken handelen als bepaald
in artikel 445.
Artikel 474e
De in beslag genomen aandelen kunnen
niet ten nadele van de beslaglegger worden vervreemd, bezwaard of
onder bewind gesteld.
Artikel 474f
Binnen acht dagen na het beslag zal
de vennootschap aan de deurwaarder schriftelijk mededeling doen van
rechten die vóór het exploit reeds op de in beslag genomen
aandelen mochten zijn gevestigd, onder opgave van de namen en
woonplaatsen der gerechtigden.
Artikel 474g
1.Binnen één maand na het exploit
van beslag zal de beslaglegger, op straffe van verval van het
gelegde beslag, aan de rechtbank van de plaats van vestiging van
de vennootschap, zo mogelijk onder overlegging van de mededeling
bedoeld in het voorgaande artikel en de statuten der vennootschap,
verzoeken bij beschikking te bepalen, dat en binnen welke termijn
tot verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen kan
worden overgegaan.
2.De rechtbank gelast alvorens de
gevraagde beschikking te geven de oproeping van de deurwaarder, de
beslaglegger, de geëxecuteerde, de vennootschap, en, zo zij dit
nodig acht, van verdere belanghebbenden, om op het verzoek te
worden gehoord. Verzet tegen de verkoop door derden-rechthebbenden,
kan uitsluitend geschieden door tijdige indiening van een daartoe
strekkend verzoekschrift, waarvan afschrift wordt betekend aan de
beslaglegger en aan de deurwaarder, die het beslag heeft gelegd.
3.De rechtbank zal in haar
beschikking bepalen op welke wijze en onder welke voorwaarden de
verkoop en overdracht dienen te geschieden.
4.De wettelijke en statutaire
bepalingen ter zake van vervreemding van aandelen moeten worden in
acht genomen, met dien verstande, dat alle ten aanzien van de
vervreemding aan de aandeelhouder toekomende rechten en op hem
drukkende verplichtingen worden uitgeoefend en nagekomen door de
deurwaarder. Ook de beschikking der rechtbank zal ten aanzien van
deze wettelijke en statutaire bepalingen geen afwijkingen mogen
inhouden behoudens voor zover inachtneming van deze bepalingen de
executoriale verkoop onmogelijk zou maken.
Artikel 474h
1.Van de verkoop wordt door de
deurwaarder proces-verbaal opgemaakt. Tenzij artikel 86c van boek
2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, vermeldt het
proces-verbaal de gegevens als bedoeld in lid 2 van
onderscheidenlijk artikel 86 en artikel 196 van dat wetboek. De
koopprijs wordt de deurwaarder ter hand gesteld.
2.Tenzij artikel 86c van boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek op de vennootschap van toepassing is, is
voor de levering van het aandeel vereist dat het proces-verbaal in
Nederland ter registratie is aangeboden. De artikelen 86a en 196a
Boek 2 van dat wetboek zijn van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat de aan het aandeel verbonden rechten eerst
kunnen worden uitgeoefend nadat een afschrift van het
proces-verbaal dat ter registratie is aangeboden en de grosse van
de door de rechtbank gegeven beschikking aan de vennootschap zijn
betekend. Indien het aandelen betreft in vennootschappen als
bedoeld in artikel 86c van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
geschiedt de levering door betekening van de akte en grosse
voormeld en inlevering van het aandeelbewijs bij de vennootschap.
3.Indien ten aanzien van andere
aandelen dan die bedoeld in de laatste zin van het tweede lid van
dit artikel de verkrijger daarvan niet de beschikking heeft kunnen
krijgen over de aandeelbewijzen met de eventueel daarbij behorende
dividendbewijzen en talons op naam, zal de vennootschap hem
daarvan desverlangd en op zijn kosten duplicaten afgeven. Door de
uitgifte der duplicaten verliezen de oorspronkelijke stukken hun
geldigheid. Indien de bedoelde verkrijger niet de beschikking
heeft kunnen krijgen over de eventueel bij de aandeelbewijzen
behorende dividendbewijzen en talons aan toonder, zal de
vennootschap hem daarvan desverlangd en op zijn kosten slechts
duplicaten afgeven na zekerheidstelling zijnerzijds voor de door
de vennootschap tengevolge van de uitgifte der duplicaten op te
lopen schade.
Artikel 474i
Bij executie van een executoriale
titel tot levering van een aandeel zijn de leden 2-4 van het vorige
artikel van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in
plaats van het proces-verbaal en de beschikking, bedoeld in het
tweede lid, de te executeren titel aan de vennootschap wordt
betekend.
Tweede afdeling. Van executoriaal
beslag onder derden
Artikel 475
1.Het beslag op vorderingen die de
geëxecuteerde op derden mocht hebben of uit een ten tijde van het
beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal
verkrijgen, en op hem toebehorende roerende zaken die onder derden
mochten berusten en geen registergoederen zijn, geschiedt bij een
exploit van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten,
op straffe van nietigheid inhoudt:
a. een bevel aan de derde om
het verschuldigde of de zaken onder zich te houden op straffe
van onwaarde van elke in weerwil van het beslag gedane
betaling of afgifte;
b. een vermelding van de naam,
voornaam en woonplaats van de executant en de naam en
woonplaats van de geëxecuteerde;
c. een vermelding van de titel
uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd, en een opgave van
hetgeen de geëxecuteerde krachtens deze titel aan de
executant verschuldigd is;
d. een keuze van woonplaats ten
kantore van de deurwaarder.
2.De deurwaarder laat aan de
derde-beslagene afschrift van het beslagexploit en van de
executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd,
alsmede een formulier in tweevoud volgens een bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen model, waarop de verklaring
bedoeld in artikel 476b kan worden gedaan.
3.Het afschrift van het
beslagexploot, het afschrift van de executoriale titel en het
formulier, bedoeld in het tweede lid, kunnen ook elektronisch
worden gelaten aan het elektronisch adres van de derde-beslagene,
mits deze derde aan een door Onze Minister van Justitie aangewezen
organisatie een elektronisch adres heeft opgegeven, waaraan kan
worden betekend. Voor de derde-beslagene geldt het elektronische
afschrift als het oorspronkelijke exploot.
4.Bij algemene maatregel van
bestuur worden regels gegeven aangaande de registratie van de in
het derde lid genoemde elektronische adressen. Deze regels kunnen
betrekking hebben op de wijze van opgave, wijziging, afmelding en
doorhaling van een elektronisch adres en de gevolgen ervan. Tevens
worden bij algemene maatregel van bestuur regels gegevens
aangaande de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van, de
voorwaarden waaronder en de wijze waarop een beslagexploot
elektronisch kan worden gelaten. Het besluit tot aanwijzing van
een organisatie als bedoeld in het derde lid wordt gepubliceerd in
de Staatscourant.
5.De voordracht voor de krachtens
het vierde lid vast te stellen algemene maatregelen van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat de ontwerpen aan
beide kamers der Staten-Generaal zijn overgelegd.
Artikel 475a
1.Het beslag strekt zich niet uit
tot vorderingen of zaken die volgens de wet niet voor beslag
vatbaar zijn, noch tot vorderingen die recht geven op een volgens
de wet of naar haar aard niet voor beslag vatbare prestatie.
2.Het beslag is niet geldig op het
gedeelte van een vordering dat daarop wordt ingehouden krachtens
de wet, uit hoofde van een ziektekostenverzekering of van een
pensioenspaarregeling dan wel uit hoofde van een
ondernemingsspaarregeling voor een oudedagsverzorging.
3.Vorderingen die recht geven op
iets anders dan betaling van een geldsom of dan levering van
roerende zaken die geen registergoederen zijn, of van rechten aan
toonder of order, vallen slechts onder het beslag, voor zover zij
in het beslagexploit uitdrukkelijk zijn omschreven.
Artikel 475b
1.Beslag onder een derde op een of
meer vorderingen van de schuldenaar tot periodieke betalingen
waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is slechts geldig voor
zover een periodieke betaling de beslagvrije voet overtreft.
2.Ligt beslag onder verschillende
derden op vorderingen van de schuldenaar tot periodieke betalingen
waaraan een beslagvrije voet is verbonden, dan wordt de
beslagvrije voet omgeslagen in verhouding tot de hoogte van deze
periodieke betalingen.
3.Beslag op nabetalingen is niet
verder geldig dan indien de betaling gedurende het beslag tijdig
was geschied.
Artikel 475c
Een beslagvrije voet is verbonden aan
vorderingen tot periodieke betaling van:
a. loon,
b. inkomstenbelasting begrepen in
een voorlopige teruggaaf als bedoeld in artikel 13, tweede lid,
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
c. uitkeringen op grond van
sociale zekerheidswetten, uitgezonderd kinderbijslag onder welke
benaming ook,
d. pensioen en lijfrente,
waaronder mede worden verstaan uitkeringen ten laste van een
lijfrentespaarrekening of ten laste van de waarde van een
lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a, vierde
en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
e. uitkeringen uit levens-,
invaliditeits-, ongevallen- of ziekengeldverzekering,
f. uitkeringen tot
levensonderhoud, verschuldigd krachtens boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek, of tot vergoeding van schade door het derven
van levensonderhoud,
g. uitkeringen of buitengewone
pensioenen op grond van een wettelijke regeling voor
oorlogsgetroffenen of voor degenen die hun vervangende
dienstplicht vervullen,
i. bezoldiging als bedoeld in
artikel 115 van de Ambtenarenwet met uitzondering van die
bedragen waarop de ambtenaar of gewezen ambtenaar niet periodiek
aanspraak heeft.
Artikel 475d
1.De beslagvrije voet bedraagt voor
schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:
a. echtgenoten of
geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3 van Wet werk
en bijstand die beiden 21 jaar of ouder zijn: negentig procent
van de norm genoemd in artikel 21, onderdeel c,
respectievelijk artikel 22, onderdeel c en d, van die wet;
b. een alleenstaande en een
alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel a en b,
van de Wet werk en bijstand die 21 jaar of ouder, doch jonger
dan 65 jaar zijn:
1°. indien het periodieke
inkomen bij de beslaglegger bekend is: 90 procent van dat
inkomen inclusief de vakantie-aanspraak, doch ten minste
90 procent van de norm genoemd in artikel 21, onderdeel a
en b, van de Wet werk en bijstand en ten hoogste 90
procent van die norm nadat deze eerst is verhoogd met het
bedrag genoemd in artikel 25, tweede lid, van die wet;
2°. indien het periodieke
inkomen niet bij de beslaglegger bekend is: 90 procent van
de norm genoemd in artikel 21, onderdeel a en b, van de
Wet werk en bijstand;
c. een alleenstaande van 65
jaar of ouder en een alleenstaande ouder van 65 jaar of ouder:
negentig procent van de norm genoemd in artikel 22, onderdeel
a en b, van die wet.
2.De beslagvrije voet bedraagt voor
schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:
a. echtgenoten of
geregistreerde partners zonder ten laste komende kinderen die
beiden jonger zijn dan 21 jaar: 90 procent van de norm genoemd
in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk en
bijstand;
b. echtgenoten of
geregistreerde partners zonder ten laste komende kinderen
waarvan een van hen jonger is dan 21 jaar: 90 procent van de
norm genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet werk en bijstand;
c. een alleenstaande jonger dan
21 jaar: 90 procent van de norm genoemd in artikel 20, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand;
d. een alleenstaande ouder
jonger dan 21 jaar: 90 procent van de norm genoemd in artikel
20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand;
e. echtgenoten of
geregistreerde partners die beiden jonger zijn dan 21 jaar met
een of meer ten laste komende kinderen: 90 procent van de norm
genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van de Wet
werk en bijstand;
f. echtgenoten of
geregistreerde partners waarvan een van hen jonger is dan 21
jaar met een of meer ten laste komende kinderen: 90 procent
van de norm genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel c,
van de Wet werk en bijstand.
3.Voor zover het echtgenoten of
geregistreerde partners betreft, wordt de beslagvrije voet voor
ten hoogste de helft verminderd met het eigen, niet onder beslag
liggende periodieke inkomen inclusief vakantie-aanspraak van
degene aan wie de bijstand samen met de schuldenaar zou kunnen
toekomen.
4.Indien de schuldenaar ter
verzorging of verpleging in een daartoe bestemde inrichting is
opgenomen bedraagt de beslagvrije voet de prijs die is
verschuldigd voor verzorging dan wel verpleging. De beslagvrije
voet wordt verhoogd met twee derden van de bijstandsnorm genoemd
in artikel 23 van de Wet werk en bijstand.
5.De beslagvrije voet wordt
verhoogd met:
a. de premie van een door de
schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, verminderd met
de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de
zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm
zoals die voor de schuldenaar geldt ingevolge het eerste,
tweede en vierde lid, en met de krachtens die wet ontvangen
zorgtoeslag, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het
beslag ligt;
b. de voor rekening van de
schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen
huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na
deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in
artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met dien
verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer
bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar,
uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel
21 van de Wet op de huurtoeslag ten hoogste aanspraak heeft.
6.De beslagvrije voet wordt
verminderd met de voor beslag vatbare periodieke inkomsten van de
schuldenaar waarop geen beslag ligt, alsmede met het normbedrag
voor de kosten van levensonderhoud en de toeslag voor een partner
of eenoudergezin, begrepen in aan de schuldenaar toegekende
studiefinanciering of tegemoetkoming in de studiekosten die niet
vatbaar is voor beslag.
7.Met wijziging van omstandigheden
die de beslagvrije voet verhogen, moet de beslaglegger onverwijld
rekening houden. Hij is verplicht aan degene die de periodieke
betaling moet verrichten, met het tijdstip van ingang, kennis van
de verhoging te geven onmiddellijk nadat de reden daarvoor is
aangetoond aan hem, zijn advocaat, zijn gemachtigde of de
deurwaarder.
8.Tenzij alle betalingen wekelijks
geschieden, worden zij, evenals inkomsten van degene aan wie samen
met de schuldenaar gezinsbijstand zou kunnen toekomen, voor de
toepassing van dit artikel berekend per maand.
Artikel 475e
Geen beslagvrije voet geldt voor
vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast
verblijft. Indien hij evenwel aantoont dat hij buiten deze
vorderingen onvoldoende middelen van bestaan heeft, kan de
kantonrechter op zijn verzoek een beslagvrije voet vaststellen voor
zijn vorderingen op schuldenaren die woonplaats hebben in Nederland.
Artikel 475f
Indien beslag is gelegd op een
vordering tot weerkerende betalingen die niet in artikel 475c is
omschreven en de schuldenaar onvoldoende andere middelen van bestaan
heef | |