Nadere regelgeving:
- Besluit
griffierechten burgerlijke zaken
- Besluit
tarieven in burgerlijke zaken (vervallen)
- Maatregel
te boek gestelde luchtvaartuigen 1996
- Regeling
griffierechten burgerlijke zaken
- Regeling tarieven in burgerlijke zaken
(vervallen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Eerste Boek. De wijze van
procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
Eerste titel. Algemene bepalingen
Eerste afdeling. Rechtsmacht van de
Nederlandse rechter
Artikel 1
Onverminderd het omtrent rechtsmacht in
verdragen en EG-verordeningen bepaalde en onverminderd artikel 13a van
de Wet algemene bepalingen wordt de rechtsmacht van de Nederlandse
rechter beheerst door de volgende bepalingen.
Artikel 2
In zaken die bij dagvaarding moeten
worden ingeleid, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht indien de
gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.
Artikel 3
In zaken die bij verzoekschrift moeten
worden ingeleid, met uitzondering van zaken als bedoeld in de
artikelen 4 en 5, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht indien:
a. hetzij de verzoeker of, indien
er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het
verzoekschrift genoemde belanghebbenden in Nederland zijn
woonplaats of gewone verblijfplaats heeft,
b. het verzoek betrekking heeft op
een bij dagvaarding ingeleid of in te leiden geding ten aanzien
waarvan de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, of
c. de zaak anderszins voldoende met
de rechtssfeer van Nederland verbonden is.
Artikel 4
1.Indien de Verordening (EG) nr.
2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003
betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van
beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke
verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr.
1347/2000 (PbEU L 338) niet van toepassing is, wordt de rechtsmacht
van de rechter met betrekking tot echtscheiding, scheiding van tafel
en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed,
nietigverklaring, alsmede nietigheid en geldigheid van het huwelijk
uitsluitend bepaald overeenkomstig de artikelen 3, 4 en 5 van deze
verordening.
2.Heeft de Nederlandse rechter
rechtsmacht met betrekking tot echtscheiding, scheiding van tafel en
bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed,
nietigheid, nietigverklaring of geldigheid van huwelijken, dan heeft
hij, voorzover de in het eerste lid genoemde verordening daarop niet
van toepassing is en onverminderd artikel 1, tevens rechtsmacht tot
het treffen van voorlopige en bewarende maatregelen voorzover die
verband houden met echtscheiding, scheiding van tafel en bed en
ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed,
nietigverklaring, alsmede nietigheid en geldigheid van huwelijken.
3.Heeft de Nederlandse rechter
rechtsmacht met betrekking tot echtscheiding, scheiding van tafel en
bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed,
nietigheid, nietigverklaring of geldigheid van huwelijken, dan heeft
hij, voorzover de in het eerste lid genoemde verordening daarop niet
van toepassing is en onverminderd artikel 1, tevens rechtsmacht ter
zake van daarmee verband houdende nevenvoorzieningen, met dien
verstande
a. dat met betrekking tot de
voorzieningen als bedoeld in artikel 827, eerste lid, onder d en
e, de Nederlandse rechter uitsluitend rechtsmacht heeft als de
woning in Nederland is gelegen, en
b. dat met betrekking tot
verzoeken tot regeling van het gezag en het omgangsrecht de
Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart indien hij zich,
wegens de geringe verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer
van Nederland, niet in staat acht het belang van het kind naar
behoren te beoordelen.
4.Met betrekking tot het
geregistreerd partnerschap zijn het eerste tot en met het derde lid
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
Nederlandse rechter steeds rechtsmacht heeft indien het
geregistreerd partnerschap in Nederland is aangegaan.
Artikel 5
Onverminderd artikel 1 heeft de
Nederlandse rechter in zaken betreffende ouderlijke
verantwoordelijkheid geen rechtsmacht indien het kind zijn gewone
verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij hij zich in een
uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de
rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind naar
behoren te beoordelen.
Artikel 6
De Nederlandse rechter heeft eveneens
rechtsmacht in zaken betreffende:
a. verbintenissen uit overeenkomst,
indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag
ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
b. een individuele
arbeidsovereenkomst of een agentuurovereenkomst, indien de arbeid
gewoonlijk in Nederland wordt verricht of laatstelijk gewoonlijk
in Nederland werd verricht;
c. een individuele
arbeidsovereenkomst, indien de arbeid tijdelijk in Nederland wordt
verricht, voorzover het betreft een rechtsvordering met betrekking
tot arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, welke is gegrond
op artikel 1 van de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende
arbeid, artikel 7 of 15 van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag, artikel 2, zesde lid, van de Wet op het
algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen
van collectieve arbeidsovereenkomsten, artikel 8 of 11 van de Wet
allocatie arbeidskrachten door intermediairs, alsmede artikel 5,
eerste lid, onder b, d, e, of f, van de Algemene wet gelijke
behandeling;
d. een overeenkomst die wordt
gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf en een natuurlijke persoon die niet handelt in
de uitoefening van een beroep of bedrijf, indien die natuurlijke
persoon in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats
heeft en de partij die handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf aldaar commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit, of
dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op
Nederland en de overeenkomst onder die activiteiten valt;
e. verbintenissen uit onrechtmatige
daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft
voorgedaan of zich kan voordoen;
f. zakelijke rechten op, alsmede
huur en verhuur, pacht en verpachting van in Nederland gelegen
onroerende zaken;
g. nalatenschappen, indien de
erflater zijn laatste woonplaats of gewone verblijfplaats in
Nederland had;
h. de geldigheid, de nietigheid of
de ontbinding van in Nederland gevestigde vennootschappen of
rechtspersonen; de geldigheid, nietigheid of rechtsgevolgen van
hun besluiten of die van hun organen, dan wel de rechten en
verplichtingen van hun leden of vennoten als zodanig;
i. faillissement, surséance van
betaling of schuldsaneringsregeling natuurlijke personen indien
het faillissement, de surséance van betaling of de toepassing van
de schuldsaneringsregeling in Nederland is uitgesproken of
verleend.
Artikel 6a
Voor de toepassing van artikel 6,
onderdeel a, is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van
uitvoering in Nederland gelegen:
a. voor de koop en verkoop van
roerende zaken, indien de zaken volgens de overeenkomst in
Nederland geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;
b. voor de verstrekking van
diensten, indien de diensten volgens de overeenkomst in Nederland
verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden.
Artikel 7
1.Indien in zaken die bij dagvaarding
moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter ten aanzien van een
van de gedaagden rechtsmacht heeft, komt hem deze ook toe ten
aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits
tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige
samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke
behandeling rechtvaardigen.
2.Indien in zaken die bij dagvaarding
moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft,
komt hem deze ook toe ten aanzien van een vordering in reconventie
en ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, voeging of
tussenkomst, tenzij tussen deze vorderingen en de oorspronkelijke
vordering onvoldoende samenhang bestaat.
Artikel 8
1.De Nederlandse rechter heeft
rechtsmacht indien partijen met betrekking tot een bepaalde
rechtsbetrekking die tot hun vrije bepaling staat, bij overeenkomst
een Nederlandse rechter of de Nederlandse rechter hebben aangewezen
voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van die
rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, tenzij daarvoor
geen redelijk belang aanwezig is.
2.De Nederlandse rechter heeft geen
rechtsmacht indien partijen met betrekking tot een bepaalde
rechtsbetrekking die tot hun vrije bepaling staat, bij overeenkomst
een rechter of de rechter van een vreemde staat bij uitsluiting
hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar
aanleiding van die rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen
ontstaan.
3.Een overeenkomst als bedoeld in het
tweede lid laat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter onverlet
indien de zaak een individuele arbeidsovereenkomst betreft of een
overeenkomst als bedoeld in artikel 6, onder d.
4.Het derde lid vindt geen toepassing
indien:
a. de in het tweede lid bedoelde
overeenkomst is aangegaan na het ontstaan van het geschil, of
b. de werknemer, of de partij die
niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zich
op de overeenkomst beroept om zich tot de rechter van een
vreemde staat te wenden.
5.Een overeenkomst als bedoeld in het
eerste of het tweede lid wordt bewezen door een geschrift. Daarvoor
is voldoende een geschrift dat een dergelijk beding bevat of dat
verwijst naar algemene voorwaarden die een dergelijk beding
bevatten, mits dat geschrift door of namens de wederpartij
uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard.
6.Een overeenkomst als bedoeld in het
eerste of het tweede lid dient als een afzonderlijke overeenkomst te
worden beschouwd en beoordeeld. De aangewezen rechter is bevoegd te
oordelen over de rechtsgeldigheid van de hoofdovereenkomst waarvan
een overeenkomst als bedoeld in het eerste of het tweede lid deel
uitmaakt of waarop zij betrekking heeft.
Artikel 9
Komt de Nederlandse rechter niet op
grond van de artikelen 2 tot en met 8 rechtsmacht toe, dan heeft hij
niettemin rechtsmacht indien:
a. het een rechtsbetrekking betreft
die ter vrije bepaling van partijen staat en de gedaagde of
belanghebbende in de procedure is verschenen niet uitsluitend of
mede met het doel de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te
betwisten, tenzij voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter geen
redelijk belang aanwezig is,
b. een gerechtelijke procedure
buiten Nederland onmogelijk blijkt, of
c. een zaak die bij dagvaarding
moet worden ingeleid voldoende met de rechtssfeer van Nederland
verbonden is en het onaanvaardbaar is van de eiser te vergen dat
hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat
onderwerpt.
Artikel 10
De Nederlandse rechter heeft
rechtsmacht in het geval, bedoeld in artikel 767, alsmede indien dit
voortvloeit uit andere wettelijke bepalingen tot aanwijzing van een
bevoegde rechter dan die vervat in de derde afdeling van de tweede
titel en de tweede afdeling van de derde titel.
Artikel 11
Het verweer dat de Nederlandse rechter
geen rechtsmacht heeft, wordt in zaken die bij dagvaarding moeten
worden ingeleid op straffe van verval van het recht daartoe gevoerd
vóór alle weren ten gronde.
Artikel 12
Indien een zaak voor een rechter van
een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan
worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor
tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, kan de Nederlandse rechter
bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde
onderwerp is aangebracht, de behandeling aanhouden totdat daarin door
eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning
en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar
blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd.
Indien het een zaak betreft die bij dagvaarding moet worden ingeleid,
is artikel 11 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13
De bevoegdheid van de Nederlandse
rechter tot het treffen van bewarende of voorlopige maatregelen kan
niet worden betwist op de enkele grond dat hij met betrekking tot de
zaak ten principale geen rechtsmacht heeft.
Artikel 14
Voor de toepassing van de regels
betreffende de rechtsmacht van de Nederlandse rechter wordt het
Nederlandse gedeelte van het continentale plat gelijk gesteld met het
grondgebied van Nederland.
Tweede afdeling. Enkelvoudige en
meervoudige kamers
Artikel 15
1.Bij de rechtbank worden zaken,
behoudens in de wet genoemde uitzonderingen, behandeld en beslist
door een enkelvoudige kamer.
2.Indien de zaak naar het oordeel van
de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling en beslissing
door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer,
bestaande uit drie leden. De enkelvoudige kamer kan ook in andere
gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen.
3.Verwijzing kan geschieden in elke
stand van de procedure. De behandeling van een verwezen zaak wordt
voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
4.De meervoudige kamer kan bepalen
dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een
zoveel als mogelijk uit haar midden aangewezen rechter-commissaris.
De rechter-commissaris oefent daarbij de bevoegdheden uit, aan de
rechtbank toegekend.
5.De meervoudige kamer kan na het
wijzen van een tussenvonnis de zaak verwijzen naar de enkelvoudige
kamer voor verdere behandeling. Het tweede lid en het derde lid,
tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
1.Bij het gerechtshof worden zaken,
behoudens in de wet genoemde uitzonderingen, behandeld en beslist
door een meervoudige kamer, bestaande uit drie raadsheren.
2.Tenzij de zaak in eerste aanleg
door een meervoudige kamer is beslist, kan de meervoudige kamer naar
een enkelvoudige kamer verwijzen de zaken die aanhangig zijn gemaakt
ingevolge het bij of krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
bepaalde en die naar haar oordeel daarvoor geschikt zijn.
3.Indien de verwezen zaak naar het
oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling en
beslissing door één raadsheer, wijst zij deze terug naar de
meervoudige kamer.
4.Verwijzing of terugwijzing kan
geschieden in elke stand van de procedure. De behandeling van een
verwezen of teruggewezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin
zij zich bevindt.
5.De meervoudige kamer kan bepalen
dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een
zoveel als mogelijk uit haar midden aangewezen rechter-commissaris.
De raadsheer-commissaris oefent daarbij de bevoegdheden uit, aan het
gerechtshof toegekend.
Artikel 17
1.Bij de Hoge Raad worden zaken,
behoudens in de wet genoemde uitzonderingen, behandeld en beslist
door vijf leden van de meervoudige kamer.
2.De voorzitter van de meervoudige
kamer kan bepalen dat een zaak die daarvoor naar zijn oordeel
geschikt is, wordt behandeld en beslist door drie leden van die
kamer. Indien de zaak naar het oordeel van een van deze leden
ongeschikt is voor behandeling en beslissing door drie leden, wordt
de behandeling voortgezet door vijf leden.
3.De leden kunnen bepalen dat de
behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een uit hun
midden aangewezen raadsheer-commissaris. De raadsheer-commissaris
oefent daarbij de bevoegdheden uit, aan de Hoge Raad toegekend.
Artikel 18
1.De kamer bij welke een zaak in
behandeling is, kan deze, met toestemming van het bestuur van het
gerecht, verwijzen naar een andere kamer van gelijk getal. Tegen de
verwijzing staat geen voorziening open.
2.Vonnissen, arresten en
beschikkingen, gewezen onderscheidenlijk gegeven door een
meervoudige kamer, kunnen worden uitgesproken door een enkelvoudige
kamer.
Derde afdeling. Algemene voorschriften
voor procedures
Artikel 19
De rechter stelt partijen over en weer
in de gelegenheid hun standpunten naar voren te brengen en toe te
lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle
bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de
rechter zijn gebracht, een en ander tenzij uit de wet anders
voortvloeit. Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel, ten
nadele van een der partijen, niet op bescheiden of andere gegevens
waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten.
Artikel 20
1.De rechter waakt tegen onredelijke
vertraging van de procedure en treft, zo nodig, op verzoek van een
partij of ambtshalve maatregelen.
2.Partijen zijn tegenover elkaar
verplicht onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen.
Artikel 21
Partijen zijn verplicht de voor de
beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te
voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter
daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Artikel 22
De rechter kan in alle gevallen en in
elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen bepaalde
stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende
bescheiden over te leggen. Partijen kunnen dit weigeren indien
daarvoor gewichtige redenen zijn. De rechter beslist of de weigering
gerechtvaardigd is, bij gebreke waarvan hij daaruit de gevolgtrekking
kan maken die hij geraden acht.
Artikel 23
De rechter beslist over al hetgeen
partijen hebben gevorderd of verzocht.
Artikel 24
De rechter onderzoekt en beslist de
zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek
of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders
voortvloeit.
Artikel 25
De rechter vult ambtshalve de
rechtsgronden aan.
Artikel 26
De rechter mag niet weigeren te
beslissen.
Artikel 27
1.De terechtzitting is openbaar. De
rechter kan evenwel gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten
deuren of slechts met toelating van bepaalde personen bevelen:
a. in het belang van de openbare
orde of de goede zeden,
b. in het belang van de
veiligheid van de Staat,
c. indien de belangen van
minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
van partijen dit eisen, of
d. indien openbaarheid het belang
van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.
2.Indien iemand op een terechtzitting
de orde verstoort, kan de rechter hem laten verwijderen.
Artikel 28
1. De uitspraak geschiedt in het
openbaar.
2. Onverminderd de artikelen 231,
eerste lid, en 290, derde lid, verstrekt de griffier aan een ieder
die dat verlangt afschrift van vonnissen, arresten en beschikkingen,
tenzij verstrekking naar het oordeel van de griffier ter bescherming
van zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen,
geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste
geval kan de griffier volstaan met verstrekking van een
geanonimiseerd afschrift of uittreksel van het vonnis, het arrest of
de beschikking.
3. Onder vonnissen, arresten en
beschikkingen zijn begrepen stukken die aan de uitspraak zijn
gehecht. Van andere tot een procesdossier behorende stukken wordt
geen afschrift of uittreksel aan derden verstrekt.
4. Van vonnissen, arresten en
beschikkingen in zaken die met gesloten deuren zijn behandeld, wordt
uitsluitend een geanonimiseerd afschrift of uittreksel verstrekt.
5. Een verzoek om afschrift als
bedoeld in het tweede lid dient te worden gericht tot de griffier
van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan. Deze zal bij
inwilliging van het verzoek een griffierecht in rekening brengen die
wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 21, tweede lid, van de Wet
griffierechten burgerlijke zaken.
6. Gedurende twee weken na de
dagtekening van een gehele of gedeeltelijke weigering om aan een
verzoek om afschrift te voldoen, kan verzoeker daartegen
schriftelijk in verzet komen bij de voorzieningenrechter.
7. Tegen de beslissing van de
voorzieningenrechter staat geen voorziening open.
8. Ingevolge artikel 15, tweede lid,
van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van de Europese Unie van
16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels
van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEG 2003, L 1) verstrekt
de griffier onverwijld een afschrift van vonnissen, arresten en
beschikkingen met betrekking tot de toepassing van artikel 81 of 82
van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap aan de
Commissie van de Europese Gemeenschappen. De verstrekking geschiedt,
behalve wanneer het arresten of beschikkingen van de Hoge Raad
betreft, door tussenkomst van de Raad voor de rechtspraak. Wanneer
naar het oordeel van de griffier de bescherming van zwaarwegende
belangen van anderen, waaronder die van partijen, daartoe aanleiding
geeft, kan de griffier volstaan met de verstrekking van een
geanonimiseerd afschrift van het vonnis, het arrest of de
beschikking.
Artikel 29
1.Het is aan partijen verboden aan
derden mededelingen te doen omtrent:
a. het verhandelde op een
terechtzitting met gesloten deuren of een terechtzitting waarbij
slechts bepaalde personen zijn toegelaten;
b. andere gegevens uit een
procedure, indien de rechter zulks heeft bepaald.
2.De rechter kan het verbod, bedoeld
in het eerste lid, op verzoek van een der partijen geheel of
gedeeltelijk opheffen.
Artikel 30
Vonnissen, arresten en beschikkingen
houden de gronden in waarop zij rusten, tenzij uit de wet anders
voortvloeit.
Artikel 31
1.De rechter verbetert te allen tijde
op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis, arrest of
beschikking een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere
kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechter
gaat niet tot de verbetering over dan na partijen in de gelegenheid
te hebben gesteld zich daarover uit te laten.
2.De verbetering wordt op een door de
rechter nader te bepalen dag uitgesproken en wordt met vermelding
van deze dag en van de naleving van de tweede volzin van het eerste
lid op de minuut van het vonnis, het arrest of de beschikking
gesteld.
3.Van de verbeterde minuut verstrekt
de griffier op de dag van de uitspraak aan de in de oorspronkelijke
procedure verschenen partijen een afschrift, zo nodig opgemaakt in
executoriale vorm. Een eerder verstrekt afschrift opgemaakt in
executoriale vorm verliest hierdoor zijn kracht. De partij die in
het bezit is van een afschrift als bedoeld in de vorige zin, geeft
dit af aan de griffier. Was de executie reeds aangevangen, dan kan
deze met inachtneming van de verbetering worden voortgezet op grond
van een na de verbetering afgegeven afschrift opgemaakt in
executoriale vorm.
4.Tegen de verbetering of de
weigering daarvan staat geen voorziening open.
Artikel 32
1.De rechter vult te allen tijde op
verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aan indien
hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het
gevorderde of verzochte. De rechter gaat niet tot de aanvulling over
dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover
uit te laten.
2.Artikel 31, tweede en derde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
3.Tegen de weigering van de
aanvulling staat geen voorziening open.
Artikel 33
1.Verzoeken en mededelingen kunnen
ook elektronisch worden gedaan, indien van deze mogelijkheid voor
het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht
vastgesteld procesreglement. Een gerecht kan een verzoek of
mededeling dat tot een of meer geadresseerden is gericht,
elektronisch verzenden indien de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt
dat hij daarvoor langs deze weg bereikbaar is. De bereikbaarheid
langs deze weg geldt voor de duur van een procedure, tenzij de
geadresseerde meedeelt dat hij haar wijzigt of intrekt. De
voorgaande zinnen gelden mede voor de indiening van processtukken
ter griffie en de verzending van processtukken door de griffier.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gegeven aangaande de betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid van het doen van verzoeken en mededelingen en de
indiening en de verzending van processtukken als bedoeld in het
eerste lid en kunnen in verband met deze wijze van verzending nadere
regels worden gesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald in welke gevallen het doen van verzoeken en mededelingen en
de indiening en verzending van processtukken uitsluitend
elektronisch kunnen plaatsvinden.
3.Als tijdstip waarop een verzoek,
mededeling of processtuk door een gerecht elektronisch is ontvangen,
geldt het tijdstip waarop het verzoek, mededeling en processtuk een
systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor het gerecht
verantwoordelijkheid draagt. Verzendingen die voor 24.00 uur van de
laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, gelden als
binnen de termijn ingediend.
4.Als tijdstip waarop een verzoek,
mededeling of processtuk door een gerecht elektronisch is verzonden,
geldt het tijdstip waarop het bericht een systeem voor
gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor het gerecht geen
verantwoordelijkheid draagt.
5.De voordracht voor een krachtens
het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt
niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers
der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 34
1.Wanneer een procedure na verwijzing
of na toepassing van een rechtsmiddel voor een andere rechter wordt
voortgezet, is de aanlegger verplicht aan de rechter over te leggen:
a. een afschrift als bedoeld in
artikel 231 onderscheidenlijk artikel 290 van het vonnis, het
arrest of de beschikking waarbij de procedure is verwezen of
waartegen het rechtsmiddel is aangewend;
b. afschriften van de overige op
de procedure betrekking hebbende stukken.
2.De rechter kan nadere aanwijzingen
geven over het tijdstip van overlegging.
3.Wanneer een procedure na verwijzing
of toepassing van een rechtsmiddel voor een andere rechter wordt
voortgezet, zendt de griffier van het gerecht waar de procedure
aanhangig was afschriften van de op de procedure betrekking hebbende
stukken op diens verzoek aan de griffier van het gerecht waar de
procedure wordt voortgezet. Desverzocht zendt de griffier de stukken
in origineel.
Artikel 35
1.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot door de
rechter te stellen termijnen voor het verrichten van
proceshandelingen en kunnen beperkingen worden gesteld aan de
mogelijkheid om daarvoor uitstel te verkrijgen.
2.Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen ook andere nadere regels worden gesteld betreffende het
verloop van de procedure, alsmede nadere regels ter bevordering van
de eenheid van de wijze van rechtspleging bij de verschillende
gerechten.
Vierde afdeling. Wraking en verschoning
van rechters
Artikel 36
Op verzoek van een partij kan elk van
de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van
feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid
schade zou kunnen lijden.
Artikel 37
1.Het verzoek wordt gedaan zodra de
feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2.Het verzoek geschiedt schriftelijk
en is gemotiveerd. Na de aanvang van een terechtzitting kan het ook
mondeling geschieden.
3.Alle feiten of omstandigheden
moeten tegelijk worden voorgedragen.
4.Een volgend verzoek tot wraking van
dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of
omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek
aan de verzoeker bekend zijn geworden.
5.Aanstonds na een verzoek tot
wraking wordt de behandeling geschorst.
Artikel 38
Een rechter van wie wraking is
verzocht, kan in de wraking berusten.
Artikel 39
1.Het verzoek tot wraking wordt zo
spoedig mogelijk ter terechtzitting behandeld door een meervoudige
kamer waarin de rechter van wie wraking is verzocht, geen zitting
heeft.
2.De verzoeker en de rechter van wie
wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te worden
gehoord. De meervoudige kamer kan ambtshalve of op verzoek van de
verzoeker of de rechter van wie wraking is verzocht, bepalen dat zij
niet in elkaars aanwezigheid zullen worden gehoord.
3.De meervoudige kamer beslist zo
spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld
in het openbaar uitgesproken en aan de verzoeker, de andere partijen
en de rechter van wie wraking was verzocht, medegedeeld.
4.In geval van misbruik kan de
meervoudige kamer bepalen dat een volgend verzoek niet in
behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding
gemaakt.
5.Tegen de beslissing staat geen
voorziening open.
Artikel 40
1.Op grond van feiten of
omstandigheden als bedoeld in artikel 36 kan elk van de rechters die
een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen.
2.Het verzoek geschiedt schriftelijk
en is gemotiveerd. Na de aanvang van een terechtzitting kan het ook
mondeling geschieden.
3.Aanstonds na een verzoek zich te
mogen verschonen wordt de behandeling geschorst.
Artikel 41
1.Het verzoek zich te mogen
verschonen wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een meervoudige
kamer waarin de rechter die dat verzoek heeft gedaan, geen zitting
heeft.
2.De meervoudige kamer beslist zo
spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld
aan partijen en de rechter die het verzoek had gedaan, medegedeeld.
3.Tegen de beslissing staat geen
voorziening open.
Vijfde afdeling. Het openbaar
ministerie en de procureur-generaal bij de Hoge Raad
Artikel 42
1.Het openbaar ministerie is bevoegd
alle op een zaak betrekking hebbende bescheiden in te zien en op
elke terechtzitting tegenwoordig te zijn.
2.Het openbaar ministerie kan op
verzoek van de rechter of een partij bescheiden waarover het
beschikt, in de procedure brengen. Indien een zodanig verzoek niet
wordt ingewilligd, wordt dit gemotiveerd.
3.In zaken bij de Hoge Raad zijn het
eerste en het tweede lid van toepassing, met dien verstande dat voor
het openbaar ministerie wordt gelezen: de procureur-generaal bij de
Hoge Raad.
Artikel 43
1.Wanneer het openbaar ministerie als
partij optreedt, geschieden de inleiding en de behandeling van de
zaak volgens de gewone regels, voor zover daarvan in dit artikel
niet is afgeweken.
2.Het openbaar ministerie kan in
rechte optreden zonder advocaat. In cassatie is echter
vertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad vereist.
3.Hoger beroep en cassatie worden
ingesteld door en tegen de ambtenaar van het openbaar ministerie bij
het gerecht dat de beslissing waarvan beroep heeft genomen. Bij de
verdere behandeling in hoger beroep treedt echter voor deze in de
plaats de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het college dat
het hoger beroep behandelt. Bij de verdere behandeling in cassatie
blijft als partij optreden de ambtenaar van het openbaar ministerie
bij het gerecht dat de beslissing waarvan beroep heeft genomen.
4.Een beslissing omtrent de kosten
wordt ten aanzien van het openbaar ministerie genomen ten name van
de Staat.
Artikel 44
1.Wanneer het openbaar ministerie
niet als partij optreedt, wordt het gehoord indien het, al dan niet
op verzoek van de rechter, de wens daartoe te kennen heeft gegeven.
2.In cassatieprocedures wordt de
procureur-generaal bij de Hoge Raad steeds gehoord.
3.Na de conclusie van het openbaar
ministerie, onderscheidenlijk de procureur-generaal bij de Hoge
Raad, is geen plaats meer voor debat door partijen. Wel kunnen
partijen binnen twee weken nadat de conclusie is genomen dan wel een
afschrift daarvan aan partijen is verzonden, hun schriftelijk
commentaar daarop, zo nodig in een brief vervat, aan de rechter, of,
bij een meervoudige kamer, aan de voorzitter, of, bij de Hoge Raad,
aan de President van de Hoge Raad doen toekomen, met afschrift aan
de wederpartij en het openbaar ministerie, onderscheidenlijk de
procureur-generaal.
Vijfde A afdeling. De raad van bestuur
van de Nederlandse Mededingingsautoriteit en de commissie van de
Europese gemeenschappen
Artikel 44a
1.De raad van bestuur van de
Nederlandse Mededingingsautoriteit of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen kan, niet optredende als partij, schriftelijke
opmerkingen maken ingevolge artikel 15, derde lid, eerste alinea,
van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van de Europese Unie van
16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingregels
van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEG 2003, L 1), indien
deze de wens daartoe te kennen heeft gegeven. Met toestemming van de
rechter kan de raad van bestuur van de Nederlandse
Mededingingsautoriteit of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen ook mondelinge opmerkingen maken. De rechter kan
daartoe een roldatum bepalen.
2.Op een verzoek ingevolge artikel
15, derde lid, tweede alinea, van de verordening verstrekt de
rechter aan de raad van bestuur van de Nederlandse
Mededingingsautoriteit of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen de in die bepaling bedoelde stukken. Partijen kunnen
binnen een door de rechter te bepalen termijn hun mening over de te
verstrekken stukken geven.
3.Partijen kunnen binnen een door de
rechter te bepalen termijn op de opmerkingen van de raad van bestuur
van de Nederlandse Mededingingsautoriteit of de Commissie van de
Europese Gemeenschappen reageren.
Zesde afdeling. Exploten
Artikel 45
1.Exploten worden door een daartoe
bevoegde deurwaarder gedaan op de wijze in deze afdeling bepaald.
2.Een daartoe bevoegde deurwaarder
kan, indien de wet dit bepaalt, ook elektronisch exploot doen.
3.Het exploot vermeldt ten minste:
a. de datum van de betekening;
b. de naam, en in het geval van
een natuurlijke persoon tevens de voornamen, en de woonplaats
van degene op wiens verzoek de betekening geschiedt;
c. de voornamen, de naam en het
kantooradres van de deurwaarder;
d. de naam en de woonplaats van
degene voor wie het exploot is bestemd;
e. degene aan wie afschrift van
het exploot is gelaten, onder vermelding van diens hoedanigheid
of, indien het exploot elektronisch is gedaan als bedoeld in het
tweede lid, het elektronisch adres waaraan afschrift van het
exploot is gelaten.
4.Indien het exploot een vordering
tot ontruiming betreft van een gebouwde onroerende zaak of een
gedeelte daarvan door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers
krachtens een persoonlijk of zakelijk recht, van wie naam en
woonplaats in redelijkheid niet kunnen worden achterhaald, behoeft
het deze naam en deze woonplaats niet te vermelden, noch de persoon
aan wie afschrift van het exploot is gelaten.
5.Het exploot en de afschriften
daarvan worden door de deurwaarder ondertekend.
Artikel 46
1.De deurwaarder laat een afschrift
van het exploot aan degene voor wie het is bestemd in persoon of aan
de woonplaats aan een huisgenoot van deze of aan een andere persoon
die zich daar bevindt en van wie aannemelijk is dat deze zal
bevorderen dat het afschrift degene voor wie het exploot is bestemd,
tijdig bereikt. Is het exploot voor meer personen bestemd, dan
verstrekt hij voor ieder van hen een afschrift.
2.Voor degene voor wie het exploot is
bestemd, geldt het afschrift als het oorspronkelijke exploot.
3.Indien degene voor wie het exploot
is bestemd, weigert het afschrift in ontvangst te nemen, vermeldt de
deurwaarder die weigering op het exploot en wordt degene voor wie
het exploot is bestemd, geacht het afschrift in persoon te hebben
ontvangen. Voorts laat de deurwaarder een afschrift in een gesloten
envelop aan de woonplaats, dan wel verzendt hij een afschrift per
post. Zijn achterlating aan de woonplaats en verzending per post
redelijkerwijs niet zinvol of niet mogelijk, dan kan de deurwaarder
het afschrift in een gesloten envelop achterlaten in de macht van
degene voor wie het exploot is bestemd. Artikel 47, eerste lid,
derde zin, en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing..
Artikel 47
1.Indien de deurwaarder aan geen van
de in artikel 46, eerste lid, bedoelde personen afschrift kan laten,
laat hij een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten
envelop. Indien ook dat feitelijk onmogelijk is, bezorgt hij
terstond een afschrift ter post. De deurwaarder maakt, zowel in het
ene als het andere geval tevens onder vermelding van de reden van de
feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen melding in het
exploot.
2.Op de envelop waarin het afschrift
ingevolge het eerste lid wordt achtergelaten of ter post wordt
bezorgd, worden vermeld de naam en de woonplaats van degene voor wie
het exploot is bestemd. De envelop vermeldt tevens de naam, de
hoedanigheid, het kantooradres en het telefoonnummer van de
deurwaarder, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke
aandacht behoeft.
Artikel 48
Ten aanzien van de Koning, de
vermoedelijke opvolger van de Koning, hun echtgenoten en de Regent,
alsmede ten aanzien van de Staat, geschiedt de betekening aan het
parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Indien afschrift
van een voor de Staat bestemd exploot wordt gelaten aan een persoon
ten parkette die daartoe is aangewezen, is het exploot gedaan aan de
Staat in persoon. Indien mogelijk wordt in het exploot vermeld welk
ministerie het betreft.
Artikel 49
Ten aanzien van een rechtspersoon als
bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met
uitzondering van de Staat, geschiedt de betekening ter plaatse waar
het bestuur zitting of kantoor houdt, of aan de persoon of de
woonplaats van het hoofd van dat bestuur. Indien afschrift van het
exploot wordt gelaten aan een bestuurder of aan een persoon die
daartoe is aangewezen, is het exploot gedaan aan de rechtspersoon in
persoon.
Artikel 50
Ten aanzien van andere rechtspersonen
geschiedt de betekening aan hun kantoor of aan de persoon of de
woonplaats van een van de bestuurders. Na de ontbinding geschiedt zij
aan het kantoor, de persoon of de woonplaats van een van de
vereffenaars. Indien afschrift van het exploot wordt gelaten aan een
bestuurder, of, na de ontbinding, aan een vereffenaar, is het exploot
gedaan aan de rechtspersoon in persoon.
Artikel 51
1.Ten aanzien van vennootschappen
onder firma en commanditaire vennootschappen geschiedt de betekening
aan hun kantoor of aan de persoon of de woonplaats van een van de
beherende vennoten. Na de ontbinding geschiedt zij aan het kantoor,
de persoon of de woonplaats van een van de vereffenaars. Indien
afschrift van het exploot wordt gelaten aan een beherende vennoot,
of, na de ontbinding, aan een vereffenaar, is het exploot gedaan aan
de vennootschap in persoon.
2.Ten aanzien van maatschappen die
een gemeenschappelijke naam voeren, geschiedt de betekening aan hun
kantoor.
Artikel 52
Ten aanzien van curatoren in een
faillissement, bewindvoerders in een surséance van betaling dan wel
in een schuldsaneringsregeling natuurlijke personen geschiedt de
betekening aan het kantoor, de persoon of de woonplaats van een van
hen.
Artikel 53
Bij een betekening ten aanzien van de
gezamenlijke erfgenamen van een overledene kan vermelding van hun
namen en woonplaatsen achterwege blijven indien deze geschiedt:
a. aan de laatste woonplaats van de
overledene, mits aldaar nog de overlevende echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel, een broer, een
zuster of een nabestaande in de rechte lijn woont,
b. aan de persoon of de woonplaats
van een executeur of door de rechtbank benoemde vereffenaar van de
nalatenschap, van een ten tijde van het overlijden fungerend
curator of bewindvoerder, of, indien bij een dagvaarding verzet,
hoger beroep of beroep in cassatie wordt ingesteld, aan het
kantoor van de advocaat of deurwaarder bij wie de overledene
laatstelijk woonplaats heeft gekozen, of
c. aan de persoon of de woonplaats
van een van de erfgenamen, mits binnen een jaar na het overlijden,
in welk geval het exploot tevens moet worden aangekondigd in een
landelijk dagblad of een dagblad verschijnend in de streek waar de
laatste woonplaats van de overledene was; een en ander
onverminderd de mogelijkheid van betekening aan ieder van de
erfgenamen afzonderlijk op de gewone wijze.
Artikel 54
1.Ten aanzien van hen die geen
bekende woonplaats in Nederland hebben, geschiedt de betekening ter
plaatse van hun werkelijk verblijf.
2.Indien de woonplaats en het
werkelijk verblijf onbekend zijn en het exploot een te voeren of
aanhangige procedure betreft, alsmede indien in rechte worden
opgeroepen houders van aandelen of andere effecten, welke niet op
naam staan of waarvan de houders niet bij name bekend zijn,
geschiedt de betekening aan het parket van de ambtenaar van het
openbaar ministerie bij het gerecht waar de zaak moet dienen of
dient. Indien de zaak dient of moet dienen bij de Hoge Raad,
geschiedt de betekening aan het parket van de procureur-generaal bij
de Hoge Raad. Voorts wordt een uittreksel van het exploot zo spoedig
mogelijk bekend gemaakt in een landelijk dagblad of in een dagblad
verschijnend in de streek waar voormeld gerecht zitting houdt onder
vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder of van de
advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden verkregen.
3.Gelijkelijk wordt gehandeld ten
aanzien van rechtspersonen, bestaande of ontbonden, bij gebreke van
kantoor, bestuurder of vereffenaar, of wanneer de bestuurder of
vereffenaar geen bekend kantoor, bekende woonplaats of bekend
werkelijk verblijf heeft.
4.Indien het exploot niet een te
voeren of aanhangige procedure betreft, geschiedt de betekening aan
het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de
rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de verzoeker zijn
woonplaats of, bij gebreke daarvan, zijn werkelijk verblijf heeft,
terwijl een uittreksel van het exploot voorts bekend wordt gemaakt
in een landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in de streek
waar de verzoeker woonplaats of werkelijk verblijf heeft, onder
vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder of van de
advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden verkregen.
Heeft de verzoeker geen bekende woonplaats of bekend werkelijk
verblijf in Nederland, dan geschiedt de betekening aan het parket
van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank te
's-Gravenhage.
5.Indien het exploot ten verzoeke van
de ene echtgenoot of geregistreerde partner aan de andere wordt
gedaan, houdt het de naam van de raadsman van die andere echtgenoot
of geregistreerde partner in, indien deze bekend is.
Artikel 55
1. Ten aanzien van hen die geen
bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf in Nederland hebben,
maar van wie de woonplaats of het werkelijk verblijf buiten
Nederland bekend is, geschiedt de betekening aan het parket van de
ambtenaar van het openbaar ministerie, onderscheidenlijk de
procureur-generaal, bedoeld in artikel 54, tweede en vierde lid, die
een afschrift van het exploot ten behoeve van degene voor wie het
bestemd is, toezendt aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken of,
indien de woonplaats of het werkelijk verblijf van de betrokkene
zich in Aruba, Curaçao of Sint Maarten bevindt, aan het Kabinet van
de Gevolmachtigd Minister van Aruba, Curaçao respectievelijk Sint
Maarten in Nederland dan wel, indien de woonplaats of het werkelijk
verblijf van de betrokkene zich in een van de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt, aan Onze Minister van
Justitie. Een tweede afschrift wordt door de deurwaarder per
aangetekende brief onverwijld toegezonden aan de woonplaats of het
werkelijk verblijf van de betrokkene.
2. Heeft degene voor wie het exploot
bestemd is, een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf
buiten Nederland in een Staat die partij is bij het op 15 november
1965 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening
en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en
buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken (Trb.
1966, 91) en ontvangt deze het afschrift op een wijze die aldaar
wordt aangemerkt als betekening in persoon, dan wordt het exploot
geacht te zijn gedaan aan hem in persoon.
Artikel 56
1.Voorzover nodig in afwijking van
hetgeen elders in deze afdeling is bepaald, geschiedt de betekening
ten aanzien van hen die geen bekende woonplaats of bekend werkelijk
verblijf in Nederland hebben, maar wel een bekende woonplaats of
bekend werkelijk verblijf hebben in een Staat waar de verordening
(EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13
november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de
lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in
burgerlijke of in handelszaken («de betekening en de kennisgeving
van stukken»), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000
(PbEU L 324/79) van toepassing is, met inachtneming van het tweede
tot en met vijfde lid.
2.Een deurwaarder die is aangewezen
als verzendende instantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van
de verordening, verzendt een afschrift van het te betekenen stuk aan
een ontvangende instantie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van
de verordening ter betekening aan degene voor wie het stuk bestemd
is. In plaats van een afschrift kan de deurwaarder ook een vertaling
van het stuk verzenden in een taal als bedoeld in artikel 8, eerste
lid, van de verordening. De gerechtsdeurwaarder maakt in het stuk
melding van de verzending, alsmede van de volgende gegevens:
a. de datum van verzending;
b. de naam en het adres van de
ontvangende instantie;
c. de wijze van verzending;
d. of een vertaling is verzonden
en, zo ja, in welke taal;
e. de taal waarin het formulier
als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de verordening is
ingevuld;
f. de gevraagde wijze van
betekening.
3.Een deurwaarder die is aangewezen
als verzendende instantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van
de verordening, mag een afschrift van het te betekenen stuk of een
vertaling van het stuk als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de
verordening, ook rechtstreeks verzenden aan degene voor wie het stuk
bestemd is, overeenkomstig artikel 14 van de verordening. De
gerechtsdeurwaarder maakt in het stuk melding van de verzending,
alsmede van het volgende:
a. de datum van verzending;
b. de wijze van verzending;
c. of een vertaling is verzonden
en zo ja, in welke taal;
d. de mededeling in een van de in
artikel 8, eerste lid, van de verordening bedoelde talen, dat
degene voor wie het stuk bestemd is, dit mag weigeren als het
niet gesteld is in of niet vergezeld gaat van een vertaling in
een van de in artikel 8, eerste lid, van de verordening bedoelde
talen en dat geweigerde stukken naar hem moeten worden gezonden.
4.Wanneer de betekening binnen een
bepaalde termijn moet worden verricht, wordt ten aanzien van degene
op wiens verzoek de betekening geschiedt, de datum van verzending
overeenkomstig het tweede of derde lid in aanmerking genomen als de
datum van betekening.
5.Ontvangt degene voor wie het stuk
bestemd is het afschrift of de vertaling op een wijze die in de
desbetreffende Staat wordt aangemerkt als betekening in persoon, dan
wordt het stuk geacht te zijn betekend aan hem in persoon.
Artikel 57
1.Ten aanzien van hem die met degene
ten verzoeke van wie het exploot wordt gedaan de woning deelt,
geschiedt de betekening aan hem in persoon.
2.Indien betekening in persoon niet
kan geschieden, handelt de deurwaarder overeenkomstig artikel 47 en
doet hij bovendien een afschrift van het exploot toekomen aan het
parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht
waarvoor de zaak moet dienen of dient, dan wel, indien het exploot
niet een te voeren of aanhangige procedure betreft, bij de rechtbank
binnen welker rechtsgebied de woning gelegen is. Indien de zaak
dient of moet dienen bij de Hoge Raad, geschiedt de betekening aan
het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. De ambtenaar
van het openbaar ministerie, onderscheidenlijk de
procureur-generaal, bevordert dat het exploot de betrokkene bereikt.
Artikel 58
Ten aanzien van de eigenaar en ten
aanzien van de leden dan wel de boekhouder van een rederij van een
schip dat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1
van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, te boek staat, indien het
exploot het schip dan wel een in of krachtens Boek 8 van het
Burgerlijk Wetboek geregeld onderwerp betreft, geschiedt de betekening
aan de in artikel 194, zesde lid, of artikel 784, zevende lid, van
Boek 8 genoemde woonplaats.
Artikel 59
Ten aanzien van de opvarenden van een
schip die geen bekende woonplaats in Nederland hebben en die noch aan
boord van dat schip, noch elders worden aangetroffen, geschiedt de
betekening, indien het exploot het schip of een in of krachtens Boek 8
van het Burgerlijk Wetboek geregeld onderwerp betreft, aan boord aan
de kapitein of de schipper van dat schip.
Artikel 60
Ten aanzien van de eigenaar van een
luchtvaartuig dat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van
titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, te boek staat,
geschiedt de betekening, indien het exploot het luchtvaartuig dan wel
een in of krachtens Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek geregeld
onderwerp betreft, aan de in artikel 1303, zesde lid, van Boek 8 van
het Burgerlijk Wetboek genoemde woonplaats.
Artikel 61
Ten aanzien van hen die verblijven in
een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, indien het
exploot een vordering tot ontruiming daarvan door anderen dan
gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk
recht betreft, zonder dat de naam en de woonplaats van degenen voor
wie het exploot is bestemd, alsmede de persoon aan wie afschrift wordt
gelaten, worden vermeld, geschiedt de betekening op de wijze als
vermeld in artikel 47, met dien verstande dat voor «aan de
woonplaats» in het eerste lid van dat artikel wordt gelezen: ter
plaatse, en dat degenen voor wie het exploot bestemd is, daarin en op
de envelop waarin een afschrift wordt achtergelaten of ter post wordt
bezorgd, worden aangeduid als: zij die verblijven in de desbetreffende
onroerende zaak of een gedeelte daarvan. Voorts wordt een uittreksel
van het exploot zo spoedig mogelijk bekend gemaakt in een landelijk
dagblad of in een dagblad verschijnend in de streek waarin de
onroerende zaak gelegen is, onder vermelding van naam en kantooradres
van de deurwaarder of van de advocaat van wie afschrift van het
exploot kan worden verkregen.
Artikel 62
Ten aanzien van hen die algemene
voorwaarden gebruiken waarin bedingen voorkomen waarvan gesteld wordt
dat zij onredelijk bezwarend zijn, geschiedt, indien ingevolge artikel
1003, onder 1°, hun naam en woonplaats niet afzonderlijk in het
exploot worden vermeld, de betekening aan het parket van de
procureur-generaal bij het gerecht waar de zaak aanhangig wordt
gemaakt, is of laatstelijk was, terwijl een uittreksel van het exploot
zo spoedig mogelijk bekend wordt gemaakt in een landelijk dagblad
onder vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder of van de
advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden verkregen.
Artikel 63
1.Een exploot waarbij verzet wordt
gedaan of waarbij hoger beroep of beroep in cassatie wordt
ingesteld, kan ook worden gedaan aan het kantoor van de advocaat of
deurwaarder bij wie degene voor wie het exploot is bestemd,
laatstelijk ter zake woonplaats heeft gekozen, ook indien deze een
bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf heeft in een Staat
waar de in artikel 56, eerste lid, bedoelde verordening van
toepassing is. Deze advocaat of deurwaarder bevordert dat het
exploot degene voor wie het is bestemd, tijdig bereikt.
2.Aan een in verband met executie
volgens wettelijk voorschrift gekozen woonplaats kunnen alle
exploten worden gedaan, zelfs van verzet, hoger beroep en cassatie.
Artikel 64
1.Geen exploot mag worden gedaan
tussen acht uur 's avonds en zeven uur 's ochtends.
2.Evenmin mag een exploot worden
gedaan op een zondag of een algemeen erkende feestdag. Indien de
laatste dag van de termijn, waarbinnen het exploot kan worden
gedaan, op een zondag of een algemeen erkende feestdag valt, kan het
exploot de daarop volgende dag worden gedaan.
3.De voorzieningenrechter of, in
kantonzaken, de kantonrechter van het gerecht, waarvoor bij dat
exploot wordt gedagvaard of opgeroepen, en in alle andere gevallen
de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen het rechtsgebied
waarvan het exploot wordt uitgebracht, kan, in afwijking van het
eerste en tweede lid, verlof verlenen het exploot uit te brengen op
alle dagen en uren.
Artikel 65
Een exploot of akte van rechtspleging
kan slechts nietig worden verklaard, indien dit exploot of deze akte
lijdt aan een gebrek dat uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of
indien de nietigheid voortvloeit uit de aard van het gebrek.
Artikel 66
1.De niet-naleving van hetgeen in
deze afdeling is voorgeschreven, brengt slechts nietigheid mee voor
zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd,
door het gebrek onredelijk is benadeeld.
2.Een gebrek in een exploot dat
nietigheid meebrengt, kan, tenzij uit de wet anders voortvloeit, bij
exploot worden hersteld.
Zevende afdeling. Inlichtingen over
buitenlands recht en communautair mededingingsrecht
Artikel 67
1.Indien de rechter inlichtingen wil
inwinnen overeenkomstig artikel 3 van de op 7 juni 1968 te Londen
gesloten Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van
inlichtingen over buitenlands recht (Trb. 1968, 142) dan wel
inlichtingen of advies wil vragen ingevolge artikel 15, eerste lid,
vanverordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van de Europese Unie van
16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingregels
van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEG 2003, L 1), doet hij
aan partijen schriftelijk opgave van de te stellen vragen en de te
verzenden stukken.
2.Partijen kunnen binnen een door de
rechter te bepalen termijn schriftelijk hun mening omtrent de te
stellen vragen en de te verzenden stukken geven.
3.De rechter stelt de inhoud van het
verzoek om inlichtingen of advies in een tussenbeslissing vast. Voor
zover het inlichtingen over buitenlands recht betreft, neemt hij
artikel 4 van de Overeenkomst daarbij in acht.
4.Tegen deze tussenbeslissing staat
geen voorziening open, voor zover het de inhoud van de te stellen
vragen en de te verzenden stukken betreft.
5.Indien aan de rechter op grond van
artikel 13 van de Overeenkomst aanvullende inlichtingen worden
gevraagd, stelt hij partijen in de gelegenheid binnen een door hem
te bepalen termijn schriftelijk op dit verzoek te reageren.
Artikel 68
1.De griffier zendt een afschrift van
het antwoord op het verzoek om inlichtingen of van het advies aan
partijen. Alsdan bepaalt de rechter de dag waarop de procedure wordt
voortgezet.
2.Partijen kunnen binnen een door de
rechter te bepalen termijn hun beschouwingen over het antwoord of
het advies geven.
Achtste afdeling. Herstel van verkeerd
inleiden van een procedure, verwijzing door of naar de kantonrechter
en verwijzing bij absolute onbevoegdheid
Artikel 69
1.Indien een procedure met een
verzoekschrift is ingeleid in plaats van met een dagvaarding of met
een dagvaarding in plaats van met een verzoekschrift, beveelt de
rechter, zo nodig, de aanlegger binnen een door de rechter te
bepalen termijn op kosten van de aanlegger het stuk waarmee de
procedure is ingeleid, te verbeteren of aan te vullen. De procedure
is aanhangig vanaf de oorspronkelijke dag van indiening of
dagvaarding.
2.De rechter beveelt voorts, zo nodig
met verwijzing naar een andere kamer, dat de procedure in de stand
waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die
gelden voor de dagvaardingsprocedure respectievelijk de
verzoekschriftprocedure.
3.Beveelt de rechter dat de procedure
wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de
dagvaardingsprocedure, dan bepaalt hij tevens een dag waarop de zaak
op de rol zal komen. Heeft nog geen oproeping van de verweerder
plaatsgevonden, dan beveelt hij dat deze dag door de aanlegger bij
exploot aan de verweerder wordt aangezegd.
4.De rechter stelt partijen, zo
nodig, in de gelegenheid hun stellingen aan de dan toepasselijke
procesregels aan te passen.
5.Tegen een beslissing ingevolge het
eerste, tweede, derde of vierde lid staat geen hogere voorziening
open.
Artikel 70
1.Voor zover de rechter de aanlegger
in zijn vordering of verzoek niet-ontvankelijk verklaart omdat
bezwaar kon worden gemaakt, administratief beroep kon worden
ingesteld of beroep bij een administratieve rechter kon worden
ingesteld, wordt dit in het vonnis, het arrest of de beschikking
vermeld.
2.Indien de niet-ontvankelijkheid
voor de aanlegger onduidelijk kon zijn, vermeldt de rechter tevens
in het vonnis, het arrest of de beschikking bij welk orgaan alsnog
bezwaar kan worden gemaakt of alsnog beroep kan worden ingesteld.
Het orgaan waarbij alsnog bezwaar kan worden gemaakt of alsnog
beroep kan worden ingesteld, is aan die beslissing gebonden.
3.De termijn voor het alsnog indienen
van het bezwaar- of beroepschrift vangt aan met ingang van de dag na
die waarop het vonnis, het arrest of de beschikking onherroepelijk
is geworden.
Artikel 71
1. Moet een zaak, in behandeling bij
de kantonrechter, verder worden behandeld en beslist door een kamer
die niet tot de sector kanton behoort, dan wordt de zaak daartoe op
verlangen van een der partijen of ambtshalve naar een zodanige kamer
verwezen.
2. Moet een zaak, in behandeling bij
een kamer die niet tot de sector kanton behoort, verder worden
behandeld en beslist door de kantonrechter, dan wordt de zaak
daartoe op verlangen van een der partijen of ambtshalve verwezen
naar een kamer die tot de sector kanton behoort.
3. De vraag of verwijzing nodig is
beoordeelt de rechter, voor zover daarvoor het onderwerp van het
geschil bepalend is, aan de hand van zijn voorlopig oordeel over het
onderwerp van het geschil.
4. In de beslissing tot verwijzing
vermeldt de rechter op welke wijze partijen in de procedure moeten
verschijnen en, voor zover van toepassing, het griffierecht of het
verhoogde griffierecht dat ingevolge artikel 8 van de Wet
griffierechten burgerlijke zaken van partijen wordt geheven en
binnen welke termijn dit griffierecht of dit verhoogde griffierecht
betaald dient te worden. De volledige volzin in artikel 111, tweede
lid, onderdeel k, is van overeenkomstige toepassing. In het geval
van een dagvaardingsprocedure vermeldt de rechter tevens een nieuwe
roldatum en beveelt hij, indien tegen de gedaagde verstek is
verleend, dat deze door de eiser bij exploot aan de gedaagde wordt
aangezegd onder betekening van de beslissing tot verwijzing.
5. Tegen een verwijzing en tegen het
achterwege laten van verwijzing staat geen voorziening open. De
rechter naar wie de zaak is verwezen, is aan de verwijzing gebonden.
Artikel 72
Indien een zaak niet behoort tot de
absolute bevoegdheid van de rechter, verklaart deze zich, zo nodig
ambtshalve, onbevoegd.
Artikel 73
Verklaart de rechter zich onbevoegd en
is een andere gewone rechter wel bevoegd, dan verwijst hij de zaak
naar deze rechter. Artikel 71, vierde lid, eerste zin, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 74
1.Betreft de verwijzing een zaak die
bij dagvaarding moet worden ingeleid, dan heeft iedere partij het
recht de overige partijen bij exploot op te roepen tegen de dag
waarop zij de zaak ter rolle wil doen dienen. Voor deze oproeping
moeten de voor dagvaarding voorgeschreven termijnen in acht worden
genomen. Het exploot kan ook worden gedaan aan het kantoor van de
advocaat of deurwaarder bij wie degene voor wie het exploot bestemd
is, laatstelijk ter zake woonplaats heeft gekozen. Deze advocaat of
deurwaarder bevordert dat het exploot degene voor wie het is
bestemd, tijdig bereikt.
2.Betreft de verwijzing een zaak die
met een verzoekschrift moet worden ingeleid, dan zendt de griffier
een afschrift van de beschikking aan de rechter naar wie de zaak is
verwezen.
3.De procedure wordt, in de stand
waarin zij zich bij de verwijzing bevindt, voortgezet voor de
rechter naar wie de zaak is verwezen. Een lagere rechter is aan de
verwijzing gebonden, een hogere rechter niet.
Artikel 75
1.Tegen een arrest of beschikking
waarbij de rechter zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar
een lagere rechter, kan beroep in cassatie slechts worden ingesteld
binnen acht weken, te rekenen van de dag van de uitspraak van het
arrest of de beschikking.
2.Tegen een vonnis of beschikking
waarbij de rechter zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar
een hogere rechter, is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 76
Indien de rechter in hoger beroep een
vonnis of beschikking van een lagere rechter, waarbij deze zich
onbevoegd had verklaard wegens ontbreken van rechtsmacht of in verband
met een overeenkomst tot arbitrage, vernietigt, verwijst de rechter de
zaak naar deze lagere rechter om op de hoofdzaak te worden beslist,
tenzij partijen verklaren te verlangen dat de rechter in beroep de
zaak aan zich houdt.
Negende afdeling. Slotbepaling
Artikel 77
1.In alle procedures waarin de Koning
als eiser of als verzoeker optreedt, wordt de zaak ingeleid en
voortgezet ten name van en door een door hem aan te wijzen
gemachtigde.
2.Alle procedures tegen de Koning
worden voortgezet ten name van een door hem aan te wijzen
gemachtigde. Betreft het een zaak die bij dagvaarding moet worden
ingeleid, dan wordt, indien de gemachtigde niet in het geding opkomt
en indien daartoe gronden zijn, het verstek verleend en vonnis
gewezen ten name van de procureur-generaal bij de Hoge Raad.
Tweede titel. De dagvaardingsprocedure
in eerste aanleg
Eerste afdeling. Algemene bepalingen
Artikel 78
1.Deze titel is van toepassing op
alle zaken waarop niet ingevolge artikel 261 de derde titel van
toepassing is, en voor zover daarop niet een andere, bijzondere
wettelijke regeling van toepassing is.
2.De zaken, bedoeld in het eerste
lid, worden elders in dit wetboek aangeduid als: zaken die bij
dagvaarding moeten worden ingeleid.
Artikel 79
1.Partijen kunnen in zaken voor de
kantonrechter in persoon procederen.
2.In alle overige zaken kunnen
partijen niet in persoon procederen, maar slechts bij advocaat. Zij
worden geacht tot aan het eindvonnis bij de gestelde advocaat
woonplaats te hebben gekozen, tenzij zij hebben verklaard een andere
woonplaats te hebben gekozen. Zij kunnen de door hen gestelde
advocaat niet herroepen zonder tevens een andere advocaat te
stellen.
Artikel 80
1.In zaken waarin partijen in persoon
kunnen procederen, kunnen zij zich laten bijstaan of zich door een
gemachtigde laten vertegenwoordigen.
2.De kantonrechter kan van een
gemachtigde overlegging van een schriftelijke volmacht verlangen.
3.Het tweede lid is niet van
toepassing op advocaten en deurwaarders.
4.Partijen worden geacht tot aan het
eindvonnis bij de gemachtigde woonplaats te hebben gekozen, tenzij
zij hebben verklaard een andere woonplaats te hebben gekozen.
Artikel 81
1.De kantonrechter kan bij met
redenen omklede beschikking bijstand of vertegenwoordiging door een
persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan en die geen advocaat of
deurwaarder is, weigeren. De weigering geldt voor een bepaalde zaak
of voor een door de kantonrechter te bepalen tijd.
2.De weigering wordt aan de
desbetreffende partij en aan de in het eerste lid bedoelde persoon
schriftelijk meegedeeld met vermelding van de reden van de
weigering. Tevens stelt de kantonrechter de partij in de gelegenheid
een andere persoon aan te wijzen. Daartoe houdt hij de zaak zo nodig
aan.
3.De kantonrechter kan bepalen dat
een beschikking, op grond van het eerste lid gegeven, uitvoerbaar
bij voorraad is.
4.De persoon die is geweigerd, kan
binnen vier weken na de verzending van de beschikking in beroep
komen bij het gerechtshof.
5.Het gerechtshof beslist na de
betrokken kantonrechter te hebben uitgenodigd de nodige inlichtingen
te verstrekken en na de appellant te hebben gehoord.
Artikel 82
1.In zaken waarin partijen in persoon
kunnen procederen, worden conclusies en akten genomen ter
terechtzitting, dan wel door indiening ter griffie vóór de
roldatum.
2.In deze zaken kunnen conclusies en
akten ook mondeling ter terechtzitting worden genomen.
3.In zaken waarin partijen niet in
persoon kunnen procederen, worden, indien op de roldatum een
terechtzitting plaatsvindt, conclusies en akten ter terechtzitting
genomen. Indien niet een terechtzitting plaatsvindt, worden
conclusies en akten op de roldatum genomen door indiening ter
griffie vóór of op de roldatum.
Artikel 83
1.In zaken waarin partijen in persoon
kunnen procederen, worden de conclusies en akten, wanneer zij niet
mondeling worden genomen, ondertekend door de partij van wie het
stuk afkomstig is of door haar gemachtigde.
2.In zaken waarin partijen niet in
persoon kunnen procederen, worden deze stukken ondertekend door de
advocaat.
Artikel 84
1.Conclusies en akten worden, wanneer
zij ter terechtzitting worden genomen, aan de griffier verstrekt.
2.In zaken waarin partijen in persoon
kunnen procederen, zendt de griffier zo spoedig mogelijk een
afschrift van deze stukken aan de wederpartij, voor zover dit
afschrift niet reeds aan haar of aan haar gemachtigde ter
terechtzitting is overhandigd.
3.Indien mondeling is geconcludeerd
zonder dat de wederpartij of haar gemachtigde daarbij aanwezig was,
zendt de griffier een weergave van de zakelijke inhoud van de
conclusie aan de wederpartij of aan haar gemachtigde.
4.In zaken waarin partijen niet in
persoon kunnen procederen, doet de advocaat uiterlijk op de roldatum
een afschrift van deze stukken aan de advocaat van de wederpartij
toekomen.
Artikel 85
1.Indien een partij zich bij
dagvaarding, conclusie of akte op enig stuk beroept, is zij
verplicht een afschrift van het stuk bij te voegen, tenzij een
afschrift reeds bij een eerder processtuk in dezelfde zaak was
gevoegd. De in de vorige volzin bedoelde verplichting vervalt indien
de wederpartij verklaart geen afschrift te verlangen.
2.Indien de wederpartij verklaart
inzage in het stuk zelf te verlangen, is de partij die zich op het
stuk beroept bovendien verplicht dit ter griffie te deponeren. In
zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, kan in
plaats daarvan het stuk aan de advocaat van de wederpartij tegen
ontvangstbewijs worden afgegeven.
3.Indien een partij nog enig stuk in
het geding wenst te brengen nadat de dag voor een verschijning van
partijen ter terechtzitting of het houden van pleidooien is bepaald,
zendt zij een afschrift aan de wederpartij. Tegelijkertijd verstrekt
zij een afschrift van het stuk aan de griffier.
4.Indien ten aanzien van enig stuk
aan enig voorschrift van dit artikel niet is voldaan, of dermate
laat dat de wederpartij dientengevolge niet voldoende in staat is
zich daarover uit te laten, kan zij zich daarop tot aan het
eindvonnis beroepen. In dat geval of indien zodanig beroep niet
wordt gedaan, terwijl de rechter reden heeft om te veronderstellen
dat de wederpartij geen afschrift van het stuk heeft ontvangen,
biedt hij de wederpartij de gelegenheid zich alsnog over het stuk
uit te laten, dan wel houdt hij bij zijn beslissing ten nadele van
de wederpartij met het stuk geen rekening.
Artikel 86
De in artikel 85, tweede lid, bedoelde
stukken worden teruggegeven binnen een week na dagtekening van het
ontvangstbewijs of, op verlangen van de partij die zich op de stukken
beroept, binnen een week na de kennisgeving aan de wederpartij dat de
stukken ter griffie zijn gedeponeerd.
Artikel 87
1.De rechter kan, op verzoek van
partijen of van een van hen dan wel ambtshalve, in alle gevallen en
in elke stand van het geding een verschijning van partijen ter
terechtzitting bevelen teneinde een schikking te beproeven.
2.Partijen verschijnen ter
terechtzitting in persoon of bij gemachtigde. In zaken waarin zij
niet in persoon kunnen procederen, verschijnen zij in persoon of bij
advocaat. De rechter kan verschijning in persoon bevelen. Partijen
die ter terechtzitting in persoon verschijnen, mogen zich laten
bijstaan door hun raadsman. In zaken waarin partijen niet in persoon
kunnen procederen, is de raadsman een advocaat.
3.Indien een schikking tot stand
komt, wordt, wanneer een partij dat verlangt, een proces-verbaal
opgemaakt, dat mede wordt ondertekend door partijen of hun tot dat
doel bijzonderlijk gevolmachtigden en waarin de verbintenissen die
partijen ten gevolge van die schikking op zich nemen, worden
uitgedrukt. De uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in
executoriale vorm.
4.Indien geen schikking tot stand
komt, bepaalt de rechter de dag waarop de zaak weer op de rol zal
komen.
Artikel 88
1.Een verschijning van partijen ter
terechtzitting kan ook worden bevolen tot het geven van inlichtingen
aan de rechter. Artikel 87, tweede lid, is van toepassing.
2.De rechter ondervraagt partijen.
Partijen kunnen elkaar vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van
de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt
gegeven.
3.Van het verhandelde wordt een
proces-verbaal opgemaakt dat na voorlezing door de rechter en door
de griffier, alsmede door partijen wordt ondertekend. Indien geen
inlichtingen zijn gegeven of de verschenen partijen daarmee
instemmen, kan de rechter bepalen dat voorlezing en ondertekening
door partijen achterwege blijven. Weigert een partij te ondertekenen
of verklaart zij dit niet te kunnen, dan wordt die weigering of die
verklaring inhoudende de oorzaak van verhindering, in het
proces-verbaal vermeld. Eveneens vermeldt het proces-verbaal de door
de rechter bepaalde dag waarop de zaak weer op de rol zal komen.
4.Een verklaring omtrent door haar te
bewijzen feiten kan in het voordeel van de partij die haar aflegde
geen bewijs opleveren. Overigens kan de rechter uit de afgelegde
verklaringen, uit een niet-verschijnen ter terechtzitting of uit een
weigering om te antwoorden of het proces-verbaal te ondertekenen de
gevolgtrekking maken die hij geraden acht, behoudens artikel 154.
Artikel 89
Indien met het oog op een verschijning
ter terechtzitting als bedoeld in artikel 87 of artikel 88 een bevel
als bedoeld in artikel 22 wordt gegeven, moeten de bescheiden
uiterlijk op een door de rechter te bepalen dag vóór de datum van de
verschijning aan de rechter en in afschrift aan de wederpartij zijn
overgelegd.
Artikel 90
1.In alle gevallen waarin de rechter
een dag bepaalt waarop de zaak weer op de rol zal komen, bepaalt hij
tevens welke proceshandeling dan moet worden verricht.
2.Dient een zaak in enige stand van
het geding wederom voor een proceshandeling ter rolle, dan geschiedt
dit bij een enkelvoudige kamer.
Artikel 91
De griffier verstrekt zo spoedig
mogelijk een afschrift van processen-verbaal aan de eiser en aan de in
het geding verschenen gedaagde.
Artikel 92
Indien de griffier aan partijen stukken
toezendt, geschiedt dit, tenzij de rechter anders bepaalt, bij gewone
brief.
Tweede afdeling. Kantonzaken
Artikel 93
Door de kantonrechter worden behandeld
en beslist:
a. zaken betreffende vorderingen
met een beloop van ten hoogste € 25.000, de tot aan de dag van
dagvaarding verschenen rente daarbij inbegrepen, tenzij de
rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt
betwist;
b. zaken betreffende vorderingen
van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan
dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan €
25.000;
c. zaken betreffende een
arbeidsovereenkomst, een collectieve arbeidsovereenkomst, algemeen
verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve
arbeidsovereenkomst, een vut-overeenkomst als bedoeld in de Wet
kaderregeling vut overheidspersoneel, een krediettransactie als
bedoeld in de Wet op het consumentenkrediet of een agentuur-,
huur-,huurkoop- of consumentenkoopovereenkomst, ongeacht het
beloop of de waarde van de vordering;
d. andere zaken ten aanzien waarvan
de wet dit bepaalt.
Artikel 94
1.Indien een zaak meer dan één
vordering als bedoeld in artikel 93 onder a en b betreft, is voor de
toepassing van dat artikel beslissend het totale beloop of de totale
waarde van deze vorderingen.
2.Indien een zaak meer vorderingen
betreft en tenminste één daarvan een vordering is als bedoeld in
artikel 93 onder c of d, worden deze vorderingen alle door de
kantonrechter behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen
de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.
3.In het geval van zaken in conventie
en in reconventie, waarvan er tenminste één een vordering betreft
als bedoeld in artikel 93 onder c of d, is het tweede lid van
overeenkomstige toepassing.
4.In het geval van een hoofdzaak en
een zaak in vrijwaring, waarvan er tenminste één een vordering
betreft als bedoeld in artikel 93 onder c of d, worden deze
vorderingen alle door de kantonrechter behandeld en beslist.
Artikel 95
Voor de toepassing van de artikelen 93
en 94 wordt mede gelet op een wijziging van de eis.
Artikel 96
In alle zaken die slechts
rechtsgevolgen betreffen die ter vrije bepaling van partijen staan,
kunnen zij zich samen tot een kantonrechter van hun keuze wenden en
zijn beslissing inroepen. Het geding wordt gevoerd op de wijze als
door de kantonrechter bepaald.
Artikel 97
1.Buiten de gevallen als bedoeld in
artikel 94, derde lid, wordt een zaak in reconventie ook in
afwijking van de artikelen 93 tot en met 96 behandeld en beslist
door de rechter die de zaak in conventie behandelt en beslist, voor
zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke
behandeling verzet.
2.Buiten de gevallen als bedoeld in
artikel 94, vierde lid, wordt een zaak in vrijwaring ook in
afwijking van de artikelen 93 tot en met 96 behandeld en beslist
door de rechter die de hoofdzaak behandelt en beslist.
Artikel 98
Indien de kantonrechter in de gevallen,
bedoeld in de artikelen 94, tweede tot en met vierde lid, en 97,
eerste lid, van oordeel is dat de zaak ongeschikt is voor behandeling
en beslissing door één rechter, kan hij de zaak met toepassing van
artikel 15, tweede lid, verwijzen naar een meervoudige kamer van een
andere sector dan de sector kanton.
Derde afdeling. Relatieve bevoegdheid
Artikel 99
1. Tenzij de wet of een krachtens
artikel 108avastgestelde algemene maatregel van bestuur anders
bepaalt, is bevoegd de rechter van de woonplaats van de gedaagde.
2. Bij gebreke van een bekende
woonplaats van de gedaagde in Nederland is bevoegd de rechter van
zijn werkelijk verblijf.
Artikel 100
In zaken betreffende een individuele
arbeidsovereenkomst, een agentuurovereenkomst, een collectieve
arbeidsovereenkomst of algemeen verbindend verklaarde bepalingen van
een collectieve arbeidsovereenkomst is mede bevoegd de rechter van de
plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt of laatstelijk gewoonlijk werd
verricht. In zaken betreffende een individuele arbeidsovereenkomst is,
indien de arbeid tijdelijk in Nederland wordt verricht, mede bevoegd
de rechter van de plaats waar de werknemer de arbeid tijdelijk
verricht, voorzover het betreft een rechtsvordering met betrekking tot
arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, welke is gegrond op
artikel 1 van de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid,
artikel 7 of 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag,
artikel 2, zesde lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het
onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve
arbeidsovereenkomsten, artikel 8 of 11 van de Wet allocatie
arbeidskrachten door intermediairs, alsmede artikel 5, eerste lid,
onder b, d, e, of f, van de Algemene wet gelijke behandeling.
Artikel 101
In zaken betreffende een overeenkomst
die wordt gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van
een beroep of bedrijf en een natuurlijk persoon die niet handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, is mede bevoegd de rechter van
de woonplaats of, bij gebreke daarvan, van het werkelijk verblijf van
die natuurlijke persoon.
Artikel 102
In zaken betreffende verbintenissen uit
onrechtmatige daad is mede bevoegd de rechter van de plaats waar het
schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.
Artikel 103
In zaken betreffende onroerende zaken
is mede bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied de zaak of het
grootste gedeelte daarvan is gelegen. In zaken betreffende huur van
woonruimte of huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is echter uitsluitend bevoegd de
rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde of het grootste
gedeelte daarvan is gelegen.
Artikel 104
1.In zaken betreffende
nalatenschappen is mede bevoegd de rechter van de laatste woonplaats
van de overledene.
2.In zaken betreffende
schuldvorderingen ten laste van de overledene is de in het eerste
lid aangewezen rechter eveneens bevoegd.
Artikel 105
In zaken betreffende de geldigheid, de
nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen, de
geldigheid, nietigheid of rechtsgevolgen van hun besluiten of die van
hun organen dan wel de rechten en verplichtingen van hun leden of
vennoten als zodanig, is mede bevoegd de rechter van de woonplaats of
de plaats van vestiging van de rechtspersoon of de vennootschap.
Artikel 106
In zaken betreffende de toepassing van
de wettelijke bepalingen inzake faillissement, surséance van betaling
en schuldsaneringsregeling natuurlijke personen is mede bevoegd de
rechtbank waaruit de rechter-commissaris is benoemd of, indien in
geval van surséance geen rechter-commissaris is benoemd, de rechtbank
die over het verzoek tot het verlenen van surséance heeft geoordeeld.
Artikel 107
Indien een rechter ten aanzien van een
van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd is, is
die rechter ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd, mits
tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige
samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke
behandeling rechtvaardigen.
Artikel 108
1. Hebben partijen bij overeenkomst
een rechter aangewezen voor de kennisneming van geschillen die zijn
ontstaan of zullen ontstaan naar aanleiding van een bepaalde
rechtsbetrekking die tot hun vrije bepaling staat, dan is die
rechter bij uitsluiting bevoegd van de zaak kennis te nemen,
voorzover niet uit de overeenkomst anders voortvloeit.
2. Beloopt de vordering evenwel ten
hoogste € 25.000 of betreft het een individuele
arbeidsovereenkomst dan wel een zaak als bedoeld in artikel 101 of
artikel 103, tweede zin, dan heeft een overeenkomst als bedoeld in
het eerste lid geen gevolg, tenzij:
a. zij is aangegaan na het
ontstaan van het geschil, of
b. de werknemer, de partij die
niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf dan wel de
huurder zich tot de aangewezen rechter wendt.
3. Een overeenkomst tot aanwijzing
van een bevoegde rechter wordt bewezen door een geschrift. Daarvoor
is voldoende een geschrift dat een dergelijk beding bevat of dat
verwijst naar algemene voorwaarden die een dergelijk beding
bevatten, mits dat geschrift door of namens de wederpartij
uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard.
4. Een overeenkomst tot aanwijzing
van een bevoegde rechter dient als een afzonderlijke overeenkomst te
worden beschouwd en beoordeeld. De aangewezen rechter is bevoegd te
oordelen over de rechtsgeldigheid van de hoofdovereenkomst waarvan
een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter deel
uitmaakt of waarop zij betrekking heeft.
Artikel 108a
Indien een voortdurend gebrek aan
voldoende zittingscapaciteit bij een rechtbank daartoe noodzaakt, kan
bij algemene maatregel van bestuur voor de duur van ten hoogste twee
jaar een andere dan de overeenkomstig de artikelen 99 tot en met
108bevoegde rechtbank worden aangewezen als bevoegde rechtbank voor
zaken die behoren tot een bij die maatregel aangewezen categorie.
Onder zittingscapaciteit wordt verstaan hetgeen daaronder wordt
verstaan in artikel 1, onder h, van de Wet op de rechterlijke
organisatie.
Artikel 109
Wijzen de artikelen 99 tot en met 108
of een krachtensartikel 108a vastgestelde algemene maatregel van
bestuur geen bevoegde rechter aan, dan is bevoegd de rechter van de
woonplaats van de eiser dan wel, indien er meer eisers zijn, elk van
de eisers of, bij gebreke daarvan, de rechter te 's-Gravenhage.
Artikel 110
1. Het verweer dat de rechter niet
relatief bevoegd is, wordt op straffe van verval van het recht
daartoe gevoerd vóór alle weren ten gronde. In zaken waarin de
vordering ten hoogste€ 25.000 beloopt, zaken betreffende een
individuele arbeidsovereenkomst en zaken als bedoeld in artikel 101
en 103, tweede zin, beoordeelt de rechter ook zonder daartoe
strekkend verweer of hij relatief bevoegd is.
2. Indien de rechter beslist dat niet
hij, maar een andere rechter relatief bevoegd is, verwijst hij de
zaak naar deze rechter. Artikel 74, eerste lid en derde lid, eerste
zin, zijn van toepassing.
3. Tegen een vonnis waarbij een
verweer als bedoeld in het eerste lid wordt verworpen of de zaak
naar een andere rechter wordt verwezen, is geen hogere voorziening
toegelaten. De rechter naar wie de zaak is verwezen, is aan die
verwijzing gebonden. De vorige zin mist toepassing indien de rechter
zich tevens absoluut onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar
een hogere rechter.
Vierde afdeling. Dagvaarding
Artikel 111
1. Dagvaarding geschiedt bij exploot.
2. Naast de gegevens bedoeld in
artikel 45, derde lid, vermeldt het exploot van dagvaarding:
a. de door eiser gekozen
woonplaats in Nederland;
b. in zaken waarin partijen in
persoon kunnen procederen, indien de eiser bij gemachtigde
procedeert, de naam en het adres van de gemachtigde;
c. in zaken waarin partijen niet
in persoon kunnen procederen, de naam en het kantooradres van de
advocaat die door de eiser wordt gesteld;
d. de eis en de gronden daarvan;
e. de aanwijzing van de rechter
die van de zaak kennisneemt, onder vermelding van het adres van
het gerecht dan wel, indien de zaak moet worden behandeld op een
nevenvestigingsplaats of nevenzittingsplaats van het gerecht,
het adres van die nevenvestigingsplaats of nevenzittingsplaats
alsmede, indien de zaak moet worden behandeld op een
nevenzittingsplaats waar geen stukken kunnen worden ingediend,
het adres waar stukken kunnen worden ingediend;
f. de roldatum waartegen wordt
gedagvaard en, indien alsdan een terechtzitting plaatsvindt, het
uur daarvan;
g. in zaken waarin partijen in
persoon kunnen procederen: de wijze waarop de gedaagde in het
geding moet verschijnen, te weten in persoon of vertegenwoordigd
door een gemachtigde en de wijze waarop de gedaagde kan
antwoorden, zoals bepaald in artikel 82, eerste en tweede lid;
h. in zaken waarin partijen niet
in persoon kunnen procederen: de wijze waarop de gedaagde in het
geding moet verschijnen, te weten vertegenwoordigd door een
advocaat;
i. de in artikel 139 genoemde
rechtsgevolgen die intreden indien de gedaagde niet op de
voorgeschreven wijze in het geding verschijnt of, behalve in
zaken bij de sector kanton, het door zijn verschijning
verschuldigde griffierecht niet tijdig voldoet;
j. indien er meer gedaagden zijn,
het in artikel 140, tweede lid, genoemde rechtsgevolg dat
intreedt indien niet alle gedaagden op de voorgeschreven wijze
in het geding verschijnen;
k. indien het exploot van
dagvaarding een zaak betreft anders dan bij de sector kanton, de
mededeling dat van gedaagde bij verschijning in de procedure een
griffierecht zal worden geheven, binnen welke termijn dit
griffierecht betaald dient te worden, alsmede de hoogte daarvan.
Hierbij wordt vermeld dat van een persoon die onvermogend is,
een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip
waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
1°. een afschrift van het
besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op
de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten
gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem
zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag als
bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de
Rechtsbijstand, dan wel
2°. een verklaring van de
raad als bedoeld in artikel 1, onder b, van die wet, waaruit
blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen,
bedoeld in artikel 35, derde en vierde lid, telkens
onderdelen a tot en met d dan wel in die artikelleden,
telkens onderdeel e, van die wet;
l. indien het exploot van
dagvaarding een zaak betreft waarbij meerdere gedaagden zijn
betrokken, de mededeling dat van partijen die bij dezelfde
advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende conclusies
nemen, op basis van artikel 15 van de Wet griffierechten
burgerlijke zaken slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht
wordt geheven.
3. Het exploot van dagvaarding
vermeldt de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de
gronden daarvoor. Verder vermeldt het exploot de bewijsmiddelen
waarover eiser kan beschikken en de getuigen die hij kan doen horen
ter staving van de aldus betwiste gronden van de eis.
Artikel 112 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 113 [Vervallen per 15-10-2005]
Artikel 114
De gewone termijn van dagvaarding is
ten minste een week.
Artikel 115
1.Indien de gedaagde een bekende
woonplaats of een bekend werkelijk verblijf buiten Nederland heeft
in een Staat waar de in artikel 56, eerste lid, bedoelde verordening
van toepassing is, of in een Staat die in Europa is gelegen en die
partij is bij het op 15 november 1965 te 's-Gravenhage tot stand
gekomen Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het
buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in
burgerlijke en in handelszaken (Trb. 1966, 91), is de termijn van
dagvaarding ten minste vier weken.
2.Indien de gedaagde noch in
Nederland, noch in een Staat als bedoeld in het eerste lid, een
bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft, is de
termijn van dagvaarding ten minste drie maanden.
3.Indien de gedaagde in Nederland
geen bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf heeft, is de
termijn van dagvaarding in afwijking van het eerste en tweede lid
ten minste een week, indien het exploot in Nederland wordt gedaan
aan de gedaagde in persoon, dan wel aan een door de gedaagde voor
deze zaak gekozen woonplaats.
Artikel 116
1.Indien in rechte worden opgeroepen
houders van aandelen of andere effecten welke niet op naam staan of
waarvan de houders niet bij name bekend zijn, is de termijn van
dagvaarding ten minste vier weken.
2.Deze termijn geldt eveneens indien
in rechte worden opgeroepen zij die algemene voorwaarden gebruiken
waarin bedingen voorkomen waarvan gesteld wordt dat zij onredelijk
bezwarend zijn, in het geval dat ingevolge artikel 1003, onder 1°,
hun naam en woonplaats niet afzonderlijk in het exploot worden
vermeld.
Artikel 117
De in de artikelen 114, 115 en 116
genoemde termijnen kunnen op mondeling of schriftelijk verzoek van de
eiser door de voorzieningenrechter of, in kantonzaken, de
kantonrechter, zo nodig onder het stellen van voorwaarden, worden
verkort. De beschikking wordt vermeld aan het hoofd van het exploot
van dagvaarding.
Artikel 118
1. Oproepingen van derden als partij
in het geding geschieden met inachtneming van de voor dagvaarding
geldende termijnen. Indien de oproeping niet geschiedt bij hetzelfde
exploot waarmee de gedaagde is gedagvaard, wordt het exploot,
waarmee de gedaagde is gedagvaard, met de oproeping aan de derde
betekend. Artikel 111, tweede lid, aanhef en onderdelen g, h, i, j
en k, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Artikel 128, tweede, zesde en
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 119
1.De termijn van dagvaarding vangt
aan op de dag, volgend op die waarop het exploot is uitgebracht.
Wordt de dagvaarding gedaan met toepassing van artikel 56, dan vangt
de termijn van dagvaarding aan op de dag, volgend op de datum van
verzending als bedoeld in het tweede lid, onder a, van dat artikel.
2.Bij het bepalen van de termijn van
dagvaarding wordt de roldatum niet meegerekend.
Artikel 120
1.Al hetgeen in deze afdeling is
voorgeschreven, wordt op straffe van nietigheid in acht genomen.
2.Een gebrek in een exploot van
dagvaarding dat nietigheid meebrengt, kan bij exploot, uitgebracht
voor de roldatum, worden hersteld.
3.Bij het uitbrengen van dat exploot
moet de voor dagvaarding voorgeschreven termijn in acht worden
genomen. Indien inachtneming van de termijn van dagvaarding
meebrengt dat de roldatum niet kan worden gehandhaafd, moet een
andere roldatum worden aangezegd, met vermelding van het uur indien
alsdan een terechtzitting plaatsvindt.
4.Het eerste lid is niet van
toepassing op hetgeen is voorgeschreven in artikel 111, derde lid.
De rechter kan eiser bevelen alsnog de ontbrekende gegevens te
verstrekken.
Artikel 121
1.Verschijnt de gedaagde niet in het
geding dan wel verzuimt hij advocaat te stellen hoewel hem dat bij
dagvaarding was aangezegd, en blijkt aan de rechter dat het exploot
van dagvaarding lijdt aan een gebrek dat nietigheid meebrengt, dan
verleent de rechter geen verstek tegen hem.
2.In het geval bedoeld in het eerste
lid bepaalt de rechter een nieuwe roldatum en beveelt hij dat deze
door de eiser bij exploot aan de gedaagde wordt aangezegd met
herstel van het gebrek op kosten van de eiser.
3.Is echter aannemelijk dat het
exploot van dagvaarding de gedaagde als gevolg van het gebrek niet
heeft bereikt, dan spreekt de rechter de nietigheid van het exploot
uit.
Artikel 122
1.Verschijnt de gedaagde in het
geding, of komt hij, na bij verstek te zijn veroordeeld, in verzet,
en beroept hij zich op de nietigheid van het exploot van
dagvaarding, dan verwerpt de rechter dat beroep indien naar zijn
oordeel het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen
heeft geschaad.
2.De rechter kan echter in dit geval,
zo daartoe gronden zijn, het herstel van het gebrek op kosten van de
eiser bevelen.
Artikel 123
1.Indien echter de eiser ten onrechte
geen advocaat heeft gesteld, biedt de rechter hem en, indien in dit
geval de gedaagde wel in het geding was verschenen maar eveneens ten
onrechte geen advocaat had gesteld, ook deze, de gelegenheid binnen
een door hem te bepalen termijn alsnog advocaat te stellen.
2.Indien de eiser van de hem
ingevolge het eerste lid geboden gelegenheid geen gebruik maakt,
wordt de gedaagde van de instantie ontslagen, met veroordeling van
de eiser in de kosten.
3.Indien alleen de gedaagde van de
aan partijen ingevolge het eerste lid geboden gelegenheid om alsnog
advocaat te stellen, geen gebruik maakt, zijn de artikelen 139 tot
en met 142 van toepassing.
4.Indien de eiser en de gedaagde
alsnog advocaat hebben gesteld, wordt het geding in de stand waarin
het zich bevindt, voortgezet, met dien verstande dat de rechter,
indien hij reeds de dag heeft bepaald waarop hij uitspraak zal doen,
partijen alsnog de gelegenheid biedt zich binnen een door hem te
bepalen termijn over de zaak uit te laten.
5.Tegen een beslissing ingevolge het
eerste, tweede of vierde lid staat geen hogere voorziening open.
Artikel 124
Indien de eiser ten onrechte advocaat
heeft gesteld, wordt de zaak voortgezet met inachtneming van de
voorschriften voor zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen.
Vijfde afdeling. Verloop van het geding
Artikel 125
1.Het geding is aanhangig vanaf de
dag van dagvaarding.
2.Het exploot van dagvaarding wordt
door de eiser ter griffie ingediend uiterlijk op de laatste dag
waarop de griffie is geopend, voorafgaande aan de in de dagvaarding
vermelde roldatum.
3.De griffier schrijft de zaak in op
de rol van een enkelvoudige kamer.
4.De aanhangigheid van het geding
vervalt indien het exploot van dagvaarding niet uiterlijk op het in
het tweede lid vermelde tijdstip ter griffie is ingediend, tenzij
binnen twee weken na de in de dagvaarding vermelde roldatum een
geldig herstelexploot is uitgebracht.
Artikel 126
1.De gedaagde kan de roldatum,
vermeld in het exploot van dagvaarding, vervroegen door aan de eiser
bij exploot een vroegere roldatum te doen aanzeggen, met vermelding
van het uur indien alsdan een terechtzitting plaatsvindt. In zaken
waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, wordt hierbij
tevens advocaat gesteld.
2.Die aanzegging geschiedt op straffe
van nietigheid op een termijn van ten minste een week voor de
aangezegde vroegere roldatum. De gedaagde dient het exploot van
aanzegging uiterlijk op de laatste dag waarop de griffie is geopend,
voorafgaande aan de vervroegde roldatum, in ter griffie.
3.Zijn er medegedaagden, dan wordt de
aanzegging, voor zover zij niet mede van hen uitgaat, bij exploot
ook aan hen op straffe van nietigheid gedaan met inachtneming van
zodanige termijn tussen dat exploot en de vervroegde roldatum, als
waarop ieder van hen, als gedaagde, volgens de wet aanspraak zou
kunnen maken.
4.Wordt door meer dan één gedaagde
van het recht de roldatum te vervroegen gebruik gemaakt, dan geldt
de aanzegging van de vroegste roldatum.
Artikel 127
1.Indien de in artikel 125, tweede
lid, bedoelde indiening ter griffie van het exploot van dagvaarding
niet tijdig heeft plaats gehad, is de gedaagde bevoegd, onder
overlegging van het exploot van dagvaarding, de zaak op de rol te
laten inschrijven.
2.Indien de gedaagde van zijn in het
eerste lid bedoelde bevoegdheid gebruik maakt, is hij tevens
bevoegd, te vorderen dat hij van de instantie wordt ontslagen met
veroordeling van de eiser in de kosten. In dat geval biedt de
rechter gedurende een door hem te bepalen termijn aan de eiser
gelegenheid om hetzij op de voet van artikel 123, eerste lid,
advocaat te stellen, hetzij bij akte te verklaren dat hij wenst
voort te procederen. Indien de eiser van deze gelegenheid geen
gebruik maakt, wordt de vordering toegewezen.
3.Indien de gedaagde een vroegere
roldatum heeft aangezegd en het exploot van aanzegging niet tijdig
ter griffie heeft ingediend, blijft de oorspronkelijke, in het
exploot van dagvaarding vermelde roldatum gehandhaafd.
Artikel 127a
1. De rechter houdt de zaak aan
zolang de eiser het griffierecht niet heeft voldaan en de termijn
genoemd in artikel 3, derde lid, van de Wet griffierechten
burgerlijke zaken nog loopt.
2. Indien de eiser het griffierecht
niet tijdig heeft voldaan, ontslaat de rechter de gedaagde van de
instantie, met veroordeling van de eiser in de kosten.
3. De rechter laat het eerste en
tweede lid geheel of ten dele buiten toepassing, indien hij van
oordeel is dat de toepassing van die bepaling, gelet op het belang
van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal
leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4. Tegen beslissingen ingevolge het
tweede en derde lid staat geen hogere voorziening open.
Artikel 128
1. Indien de gedaagde bij gemachtigde
of bij advocaat procedeert, deelt hij op de eerste roldatum de naam
en het adres van de gemachtigde of de naam en het kantooradres van
de advocaat mede.
2. De gedaagde neemt zijn met redenen
omklede conclusie van antwoord op de eerste of op een door de
rechter nader te bepalen roldatum, doch niet dan nadat hij het
verschuldigde griffierecht heeft voldaan. De rechter houdt de zaak
aan zolang de gedaagde het griffierecht niet heeft voldaan en de
termijn genoemd in artikel 3, derde lid, van de Wet griffierechten
burgerlijke zaken nog loopt.
3. De gedaagde brengt alle excepties
en zijn antwoord ten principale tegelijk naar voren, op straffe van
verval van de niet aangevoerde excepties en, indien niet ten
principale is geantwoord, van het recht om dat alsnog te doen.
4. In afwijking van het derde lid
kunnen zij die beroep willen doen op de termijn van artikel 104 van
Boek 1 of van artikel 185 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, hun
verweer tot dit beroep beperken.
5. De conclusie van antwoord vermeldt
de bewijsmiddelen waarover gedaagde kan beschikken tot staving van
de gronden van zijn verweer, alsmede de getuigen die hij daartoe kan
doen horen. De rechter kan gedaagde bevelen alsnog de ontbrekende
gegevens te verstrekken.
6. Indien de verschenen gedaagde het
griffierecht niet tijdig heeft voldaan, zijn de artikelen 139 tot en
met 142 van toepassing behalve in het geval datartikel 127a, tweede
lid, van toepassing is.
7. Artikel 127a, derde en vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 129
Zolang de rechter nog geen eindvonnis
heeft gewezen, kan de eiser te allen tijde zijn eis verminderen.
Artikel 130
1.Zolang de rechter nog geen
eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden
daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen
of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te
maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met
de eisen van een goede procesorde. De rechter beslist, partijen
gehoord, zo spoedig mogelijk. De rechter kan op dezelfde grond ook
ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten
beschouwing laten.
2.Tegen de beslissingen van de
rechter, bedoeld in het eerste lid, staat geen hogere voorziening
open.
3.Indien een partij niet in het
geding is verschenen, is een verandering of vermeerdering van eis
tegen die partij uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of
vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. In
laatstgenoemd geval is artikel 120, derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 131
Nadat de gedaagde voor antwoord heeft
geconcludeerd, beveelt de rechter een verschijning van partijen ter
terechtzitting als bedoeld in artikel 87 of artikel 88, tenzij hij
oordeelt dat de zaak daarvoor niet geschikt is. Uiterlijk twee weken
na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip beslist de rechter
hieromtrent. Tegen deze beslissing staat geen hogere voorziening open.
Artikel 132
1.Indien geen verschijning van
partijen ter terechtzitting op de voet van artikel 131 is bevolen,
geeft de rechter aan de eiser gelegenheid voor repliek te
concluderen. Hierna kan de gedaagde voor dupliek concluderen.
2.Is wel een verschijning van
partijen ter terechtzitting op de voet van artikel 131 bevolen, dan
wordt aan partijen slechts gelegenheid geboden voor repliek en
dupliek, indien zulks met het oog op artikel 19 of met het oog op
een goede instructie van de zaak noodzakelijk is.
3.De rechter staat het nemen van nog
meer conclusies toe, indien zulks met het oog op artikel 19 of met
het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is.
4.Tegen beslissingen over de
toepassing van het tweede lid en het derde lid staat geen hogere
voorziening open.
Artikel 133
1.De rechter stelt de termijnen voor
het nemen van de conclusies vast.
2.Partijen kunnen uitstel vragen voor
het nemen van conclusies. De rechter volgt een daartoe strekkend,
eenstemmig verzoek van partijen, tenzij dit zou leiden tot
onredelijke vertraging van het geding.
3.Het eerste en het tweede lid zijn
van overeenkomstige toepassing op de termijnen voor het verrichten
van andere proceshandelingen dan conclusies en op de mogelijkheid om
daarvoor uitstel te krijgen.
4.Wanneer een proceshandeling niet is
verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen
uitstel kan worden verkregen, vervalt het recht om de desbetreffende
proceshandeling te verrichten.
Artikel 134
1.Voordat de rechter over de zaak
beslist, wordt aan partijen desverlangd gelegenheid geboden voor
pleidooien. Indien partijen op een terechtzitting op de voet van
artikel 131 hun standpunt in voldoende mate mondeling hebben kunnen
uiteenzetten, kan de rechter bepalen dat geen gelegenheid zal worden
gegeven voor pleidooien.
2.Indien de pleidooien op de bepaalde
dag niet plaatsvinden, wordt, behoudens bijzondere omstandigheden,
geen nieuwe dag voor pleidooien bepaald.
3.Partijen mogen hun eigen zaak
bepleiten.
4.De rechter kan bepalen dat partijen
bij de pleidooien in persoon aanwezig moeten zijn.
Artikel 135
In zaken waarin partijen in persoon
kunnen procederen, stelt de griffier zo spoedig mogelijk de eiser en
de in het geding verschenen gedaagde, voor zover zij niet in persoon
of bij gemachtigde aanwezig waren op de terechtzitting, op de hoogte
van het procesverloop.
Zesde afdeling. Reconventie
Artikel 136
De gedaagde is bevoegd een eis in
reconventie in te stellen, tenzij de eiser in conventie is opgetreden
in hoedanigheid en de reconventie hem persoonlijk zou betreffen of
omgekeerd.
Artikel 137
De eis in reconventie moet dadelijk bij
het antwoord worden ingesteld. Artikel 111, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 138
1.De zaken in conventie en in
reconventie worden tegelijk voldongen en bij een en hetzelfde
eindvonnis beslist, tenzij de rechter van oordeel is dat de zaak in
conventie of die in reconventie vroeger kan worden afgedaan.
2.De zaken worden gesplitst indien in
één van beide zaken de rechter beveelt dat de procedure wordt
voortgezet volgens de regels die gelden voor de
verzoekschriftprocedure dan wel de rechter met toepassing van
artikel 71 verwijst of zich absoluut onbevoegd verklaart.
Zevende afdeling. Verstek
Artikel 139
Indien de gedaagde niet op de eerste of
op een door de rechter nader bepaalde roldatum in het geding
verschijnt dan wel verzuimt advocaat te stellen of, indien
verschuldigd, het griffierecht niet tijdig voldoet hoewel hem dat bij
dagvaarding was aangezegd, en de voorgeschreven termijnen en
formaliteiten in acht zijn genomen, verleent de rechter verstek tegen
hem en wijst hij de vordering toe, tenzij deze hem onrechtmatig of
ongegrond voorkomt.
Artikel 140
1. Zijn er meer gedaagden en is ten
minste een van hen in het geding verschenen, dan wordt, indien ten
aanzien van de overige gedaagden de voorgeschreven formaliteiten en
termijnen in acht zijn genomen, tegen dezen verstek verleend en
tussen de eiser en de verschenen gedaagden voortgeprocedeerd.
2. Tussen alle partijen wordt één
vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
3. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing in geval van oproeping van derden als
partij in het geding als bedoeld in artikel 118.
Artikel 141
De kosten die een gevolg zijn van het
feit dat een partij niet in het geding is verschenen of het
griffierecht niet tijdig heeft voldaan, komen ten laste van die
partij, tenzij verstek was verleend op een dagvaarding die nietig
wordt verklaard.
Artikel 142
De gedaagde tegen wie verstek is
verleend, heeft, zolang het eindvonnis nog niet is gewezen, de
bevoegdheid om alsnog in het geding te verschijnen, of om alsnog het
griffierecht te voldoen, waardoor de gevolgen van het tegen hem
verleende verstek vervallen, behalve ten aanzien van de daardoor
veroorzaakte kosten.
Achtste afdeling. Verzet
Artikel 143
1.De gedaagde die bij verstek is
veroordeeld, kan daartegen verzet doen.
2.Het verzet moet worden gedaan bij
exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het
vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering
daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het
plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat
het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is. De
in de eerste volzin bedoelde termijn is acht weken indien de
gedaagde ten tijde van de in de eerste volzin bedoelde betekening of
daad geen bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf in
Nederland heeft, maar zijn woonplaats of werkelijk verblijf buiten
Nederland bekend is.
3.Buiten de gevallen bedoeld in het
tweede lid vangt de termijn waarbinnen het verzet moet worden
gedaan, aan op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd.
4.De veroordeelde die in het vonnis
heeft berust, kan daartegen niet meer in verzet komen.
Artikel 144
Het vonnis wordt geacht ten uitvoer te
zijn gelegd:
a. in geval van gerechtelijke
verkoop van goederen, na de verkoop;
b. in geval van derdenbeslag op een
vordering, na de uitbetaling aan de beslaglegger, of, indien dit
beslag wordt gelegd op een vordering tot periodieke betalingen, na
de eerste uitbetaling;
c. in geval van tenuitvoerlegging
van een veroordeling tot levering of afgifte van goederen die geen
registergoederen zijn, nadat de levering of afgifte heeft
plaatsgevonden;
d. in geval van gedwongen
ontruiming van onroerende zaken, nadat de ontruiming heeft
plaatsgevonden.
Artikel 145
Het verzet, mits tijdig en op de
voorgeschreven wijze gedaan, schorst de tenuitvoerlegging van het
vonnis, tenzij dit uitvoerbaar bij voorraad was verklaard.
Artikel 146
1.Op het exploot van verzet is
artikel 111, tweede lid, onder a tot en met c en e tot en met h van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat niet vermeld
hoeft te worden de wijze waarop de oorspronkelijk eiser kan
antwoorden,
2.Indien een eis in reconventie wordt
ingesteld, vermeldt het exploot deze eis met de gronden daarvan.
Artikel 111, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 147
1. Door het verzet wordt de instantie
heropend. Het geding verloopt als in de vijfde afdeling bepaald, met
dien verstande dat het exploot van verzet als conclusie van antwoord
geldt.
2. Was het verstek tegen de
oorspronkelijk gedaagde verleend wegens het niet tijdig voldoen van
het door hem verschuldigde griffierecht, dan zorgt de oorspronkelijk
gedaagde dat het verschuldigde griffierecht is voldaan op de eerste
roldatum van het verzet. Is het verschuldigde griffierecht, bedoeld
in de eerste zin, niet alsnog tijdig voldaan, dan bekrachtigt de
rechter het verstekvonnis.
3. Was het verstek tegen de
oorspronkelijk gedaagde verleend wegens het niet verschijnen in het
geding, dan houdt de rechter de zaak aan zolang de gedaagde het
verschuldigde griffierecht niet heeft voldaan en de termijn genoemd
in artikel 3, tweede lid, van de Wet griffierechten burgerlijke
zaken nog loopt. De tweede zin van het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing.
4. Artikel 127a, derde en vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 148
Door verval van instantie na verzet
vervalt ook het verstekvonnis.
Negende afdeling. Bewijs
§ 1. Algemene bepalingen van
bewijsrecht
Artikel 149
1.Tenzij uit de wet anders
voortvloeit, mag de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn
beslissing ten grondslag leggen, die in het geding aan hem ter
kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die overeenkomstig de
voorschriften van deze afdeling zijn komen vast te staan. Feiten of
rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij
niet of niet voldoende zijn betwist, moet de rechter als vaststaand
beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak
aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat
niet ter vrije bepaling van partijen staat.
2.Feiten of omstandigheden van
algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels mogen door de
rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd, ongeacht of
zij zijn gesteld, en behoeven geen bewijs.
Artikel 150
De partij die zich beroept op
rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de
bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere
regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere
verdeling van de bewijslast voortvloeit.
Artikel 151
1.Dwingend bewijs houdt in dat de
rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar
aan te nemen dan wel verplicht is de bewijskracht te erkennen die de
wet aan bepaalde gegevens verbindt.
2.Tegenbewijs, ook tegen dwingend
bewijs, staat vrij, tenzij de wet het uitsluit.
Artikel 152
1.Bewijs kan worden geleverd door
alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt.
2.De waardering van het bewijs is aan
het oordeel van de rechter overgelaten, tenzij de wet anders
bepaalt.
Artikel 153
Overeenkomsten waarbij van het
wettelijke bewijsrecht wordt afgeweken, blijven buiten toepassing,
wanneer zij betrekking hebben op het bewijs van feiten waaraan het
recht gevolgen verbindt, die niet ter vrije bepaling van partijen
staan, zulks onverminderd de gronden waarop zij krachtens het
Burgerlijk Wetboek buiten toepassing blijven.
Artikel 154
1.Een gerechtelijke erkentenis is het
in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van
de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij.
2.Een gerechtelijke erkentenis kan
slechts worden herroepen, indien aannemelijk is dat zij door een
dwaling of niet in vrijheid is afgelegd.
Artikel 155
1.De rechter ten overstaan van wie in
een zaak bewijs is bijgebracht, zal daarin zoveel als mogelijk het
eindvonnis wijzen of medewijzen.
2.Van een afwijking van deze regel en
de oorzaak daarvan wordt in het vonnis melding gemaakt. Tegen de
afwijking staat geen voorziening open.
§ 2. Akten en vonnissen
Artikel 156
1.Akten zijn ondertekende
geschriften, bestemd om tot bewijs te dienen.
2.Authentieke akten zijn akten in de
vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren, aan wie bij
of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van
door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Als authentieke akten
worden tevens beschouwd de akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren
is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde
gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt.
3.Onderhandse akten zijn alle akten
die niet authentieke akten zijn.
Artikel 156a
1. Onderhandse akten kunnen op een
andere wijze dan bij geschrift worden opgemaakt op zodanige wijze
dat het degene ten behoeve van wie de akte bewijs oplevert, in staat
stelt om de inhoud van de akte op te slaan op een wijze die deze
inhoud toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een
periode die is afgestemd op het doel waarvoor de akte bestemd is te
dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de inhoud van de
akte mogelijk maakt.
2. Aan een wettelijke verplichting
tot het verschaffen van een onderhandse akte kan alleen op een
andere wijze dan bij geschrift worden voldaan met uitdrukkelijke
instemming van degene aan wie de akte moet worden verschaft. Een
instemming ziet, zolang zij niet is herroepen, eveneens op het
verschaffen van een gewijzigde onderhandse akte. Het in de eerste
zin van dit lid bepaalde lijdt uitzondering indien de akte eveneens
is ondertekend door degene aan wie de akte op grond van de wet moet
worden verschaft.
Artikel 157
1.Authentieke akten leveren tegen een
ieder dwingend bewijs op van hetgeen de ambtenaar binnen de kring
van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen
heeft verklaard.
2.Een authentieke of onderhandse akte
levert ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen
de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen,
tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die
verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat
niet ter vrije bepaling van partijen staat. Onder partij wordt
begrepen de rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel,
voor zover het desbetreffende recht is verkregen na het opmaken van
de akte.
Artikel 158
1.Op een onderhandse akte waarin
verbintenissen van slechts één partij zijn aangegaan of
vastgelegd, is, voor zover die verbintenissen strekken tot
voldoening van een geldsom, het tweede lid van artikel 157 niet van
toepassing, tenzij deze partij de akte geheel met de hand heeft
geschreven of heeft voorzien van een goedkeuring die de geldsom
voluit in letters vermeldt.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing op aandelen in een obligatielening en op verbintenissen
door de schuldenaar in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf
aangegaan.
Artikel 159
1.Een geschrift dat het uiterlijk
heeft van een authentieke akte, geldt als zodanig behoudens bewijs
van het tegendeel.
2.Een onderhandse akte waarvan de
ondertekening door de partij, tegen welke zij dwingend bewijs zou
leveren, stellig wordt ontkend, levert geen bewijs op, zolang niet
bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Is degeen tegen
wie de akte wordt ingeroepen een ander dan hij die haar ondertekend
zou hebben, dan kan worden volstaan met de verklaring, dat men de
echtheid van de ondertekening niet erkent.
Artikel 160
1.De kracht van het schriftelijke
bewijs is in de oorspronkelijke akte gelegen.
2.Grossen en gehele afschriften van
een authentieke akte die volgens wettelijk voorschrift moet worden
bewaard, leveren, wanneer zij zijn afgegeven door een daartoe
bevoegde ambtenaar, hetzelfde bewijs op als de oorspronkelijke akte.
Artikel 161
Een in kracht van gewijsde gegaan, op
tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen
heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert dwingend
bewijs op van dat feit.
§ 3. Openlegging van boeken,
bescheiden en geschriften
Artikel 162
1.De rechter kan in de loop van een
geding, op verzoek of ambtshalve, aan partijen of aan een van hen de
openlegging bevelen van de boeken, bescheiden en geschriften, die
zij ingevolge de wet moeten houden, maken of bewaren.
2.Wordt aan dit bevel niet voldaan,
dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden
acht.
3.In een geding betreffende een
jaarrekening kan de rechter ook ambtshalve de openlegging bevelen op
straffe van een dwangsom.
§ 4. Getuigen
Artikel 163
Een getuigenverklaring kan slechts als
bewijs dienen, voor zover zij betrekking heeft op aan de getuige uit
eigen waarneming bekende feiten.
Artikel 164
1.Ook partijen kunnen als getuige
optreden.
2.Indien een partij als getuige is
gehoord, kan haar verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten
geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt
ter aanvulling van onvolledig bewijs.
3.Indien een partij die gehouden is
als getuige een verklaring af te leggen, niet ter terechtzitting
verschijnt, niet antwoordt op de haar gestelde vragen of weigert
haar verklaring te ondertekenen, kan de rechter daaruit de
gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Artikel 165
1.Een ieder, daartoe op wettige wijze
opgeroepen, is verplicht getuigenis af te leggen.
2.Van deze verplichting kunnen zich
verschonen:
a. de echtgenoot en de vroegere
echtgenoot dan wel de geregistreerde partner en de vroegere
geregistreerde partner van een partij, de bloed- of aanverwanten
van een partij of van de echtgenoot of van de geregistreerde
partner van een partij, tot de tweede graad ingesloten, een en
ander tenzij de partij in hoedanigheid optreedt;
b. zij die tot geheimhouding
verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking
omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.
3.De getuige kan zich verschonen van
het beantwoorden van een hem gestelde vraag, indien hij daardoor of
zichzelf, of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn
of in de zijlijn in de tweede of derde graad, of zijn echtgenoot of
vroegere echtgenoot onderscheidenlijk zijn geregistreerde partner of
vroegere geregistreerde partner aan het gevaar van een
strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf zou
blootstellen.
Artikel 166
1.Indien bewijs door getuigen bij de
wet is toegelaten, beveelt de rechter een getuigenverhoor zo vaak
een van de partijen het verzoekt en de door haar te bewijzen
aangeboden feiten betwist zijn en tot de beslissing van de zaak
kunnen leiden. Hij kan dit ook ambtshalve doen.
2.Het vonnis vermeldt aan welke
partij en omtrent welke feiten bewijs worden opgedragen alsmede de
plaats waar, en de dag en het uur waarop de getuigen zullen worden
gehoord. Plaats, dag en uur van het getuigenverhoor kunnen ook later
door de rechter worden vastgesteld.
3.Het verhoor van getuigen geschiedt
ter terechtzitting.
Artikel 167
De rechter kan bepalen dat partijen bij
de getuigenverhoren in persoon aanwezig moeten zijn.
Artikel 168
Het verhoor van getuigen tot het
leveren van tegenbewijs staat van rechtswege vrij en wordt gehouden op
de plaats, de dag en het uur te bepalen dadelijk na afloop van het
verhoor van de voor het bewijs gehoorde getuigen of op een later
tijdstip, tenzij de rechter, na overleg met partijen, dit verhoor doet
plaatsvinden in aansluiting op het verhoor van de voor het bewijs
gehoorde getuigen.
Artikel 169
Indien een partij verkorting of
verlenging van de termijnen, bedoeld in de artikelen 166 en 168,
verzoekt, wordt op dit verzoek na verhoor of behoorlijke oproeping van
de wederpartij beslist. Tegen de beslissing staat geen hogere
voorziening open.
Artikel 170
1.De namen en woonplaatsen van de
getuigen worden ten minste een week voor het verhoor aan de
wederpartij en aan de griffier opgegeven. De belanghebbende partij
roept de getuigen ten minste een week voor het verhoor bij exploot
of bij aangetekende brief op. De dag van de oproeping en de dag van
het verhoor worden niet meegerekend bij het bepalen van deze
termijn. Indien een partij meer getuigen heeft voorgebracht dan
redelijkerwijs noodzakelijk was, kan de rechter daarmee bij de
veroordeling in de kosten rekening houden.
2.De oproeping maakt melding van dag,
uur en plaats van het verhoor, van de feiten waaromtrent bewijs moet
worden geleverd en van de gevolgen, verbonden aan het niet
verschijnen ter terechtzitting.
Artikel 171
Indien een bij aangetekende brief
opgeroepen getuige niet ter terechtzitting verschijnt, bepaalt de
rechter op verzoek van de belanghebbende partij een dag waartegen de
getuige bij exploot kan worden opgeroepen. Daarbij wordt de termijn,
bedoeld in artikel 170, eerste lid, in acht genomen.
Artikel 172
De rechter kan bevelen, dat de op een
oproeping bij exploot niet ter terechtzitting verschenen getuige door
de openbare macht voor hem wordt gebracht op een door hem te bepalen
dag en uur om aan zijn verplichting te voldoen.
Artikel 173
1.Indien een getuige weigert zijn
verklaring af te leggen, kan de rechter op verzoek van de
belanghebbende partij bevelen, dat hij op kosten van die partij in
gijzeling zal worden gesteld totdat hij aan zijn verplichting zal
hebben voldaan, met dien verstande dat de gijzeling ten hoogste een
jaar kan duren. Deze bepaling is niet van toepassing als het een
partij betreft die als getuige wordt gehoord.
2.De rechter beveelt de gijzeling
slechts indien naar zijn oordeel het belang van de waarheidsvinding
toepassing van die maatregel rechtvaardigt.
3.De rechter die de gijzeling heeft
bevolen, beëindigt ambtshalve of op verzoek van de gegijzelde de
gijzeling indien voortzetting ervan naar zijn oordeel niet meer door
het belang dat met toepassing van de dwangmaatregel werd gediend,
wordt gerechtvaardigd.
Artikel 174
1.Indien een getuige te ver
verwijderd woont, kan de rechter het verhoor opdragen aan de rechter
van gelijke rang van de woonplaats van de getuige.
2.Het eerste lid is niet van
toepassing indien het een partij betreft die als getuige wordt
gehoord.
Artikel 175
Indien een getuige verhinderd is uit
hoofde van ziekte of anderszins om naar het gerechtsgebouw te komen,
kan de rechter zich bij hem vervoegen tot het ontvangen van zijn
verklaring of de rechter, in artikel 174 bedoeld, verzoeken hem te
verhoren.
Artikel 176
1.Voor zover bij verdrag of
EG-verordening niet anders is bepaald, kan de rechter, indien een
getuige in het buitenland woont, aan een door hem aan te wijzen
autoriteit van het land waar de getuige zijn woonplaats heeft,
verzoeken het verhoor, indien mogelijk onder ede, te houden, of dat
verhoor opdragen aan de Nederlandse consulaire ambtenaar tot wiens
ressort de woonplaats van die getuige behoort.
2.De rechter bepaalt dan tevens de
termijn die in acht genomen moet worden bij het betekenen aan de
wederpartij van de plaats, de dag en het uur waarop dit verhoor
wordt gehouden en stelt mede de dag vast waarop de zaak weer op de
rol zal komen.
3.Het proces-verbaal van dit
getuigenverhoor heeft gelijke kracht als dat van het door de
Nederlandse rechter gehouden verhoor.
Artikel 177
1.Op de bepaalde dag vraagt de
rechter de getuigen hun naam, voornamen, leeftijd, beroep en woon-
of verblijfplaats, of zij bloed- of aanverwant zijn van de partijen
of van een van hen, en zo ja in welke graad, alsmede of zij in
dienstverband staan tot partijen of een van hen.
2.De getuigen zweren, alvorens hun
getuigenis af te leggen, op de bij de wet bepaalde wijze de eed de
gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.
3.Indien een getuige de betekenis van
de eed niet voldoende kan beseffen of de leeftijd van zestien jaren
nog niet heeft bereikt, wordt hij niet beëdigd, maar wordt hij
aangemaand de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen.
Indien het bewijs mede wordt aangenomen op de verklaring van een
zodanige getuige, geeft het vonnis daarvan in het bijzonder reden.
4.Overigens mag de rechter aan een
onbeëdigde verklaring slechts bewijs ontlenen indien hij in het
vonnis vermeldt dat de eed ten onrechte niet is afgenomen en dat het
niet mogelijk is de getuige opnieuw te horen.
Artikel 178
De opgeroepen getuige die niet ter
terechtzitting verschijnt of, verschenen zijnde, weigert de eed of
zijn verklaring af te leggen, kan worden veroordeeld tot vergoeding
van de vergeefs aangewende kosten, onverminderd zijn aansprakelijkheid
tot schadevergoeding indien daartoe gronden zijn.
Artikel 179
1.De rechter hoort ieder van de
getuigen buiten tegenwoordigheid van de mede ter terechtzitting
verschenen getuigen die nog niet zijn gehoord, voor zover deze
laatste getuigen niet tevens partij zijn.
2.Partijen en hun raadslieden kunnen
aan de getuigen vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de
rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt
gegeven. De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een partij
getuigen tegenover elkaar of tegenover partijen of een van hen
stellen.
3.De rechter kan naar aanleiding van
de getuigenverklaringen aan partijen vragen stellen. Indien het
betreft het verhoor van een getuige die niet tevens partij is,
kunnen ook partijen elkaar zelf of bij monde van hun raadslieden
vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te
beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven.
4.Een verklaring omtrent door haar te
bewijzen feiten kan in het voordeel van de partij die haar aflegde
geen bewijs opleveren. Overigens kan de rechter uit de op de voet
van het derde lid afgelegde verklaringen, uit het niet-verschijnen
ter terechtzitting of uit een weigering om te antwoorden of het
proces-verbaal te ondertekenen, de gevolgtrekking maken die hij
geraden acht, behoudens hetgeen in artikel 154 is bepaald.
Artikel 180
1.Van het getuigenverhoor wordt
proces-verbaal opgemaakt, waarin achtereenvolgens aantekening
geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met
betrekking tot de zaak voorvalt.
2.Dit proces-verbaal wordt aan iedere
getuige voorgelezen voor het gedeelte dat hem betreft. Hij mag
daarin zodanige veranderingen en bijvoegingen maken als hem
goeddunkt.
3.De getuige ondertekent zijn
verklaring. Weigert hij te ondertekenen of verklaart hij dit niet te
kunnen, dan wordt die weigering of die verklaring, inhoudende de
oorzaak van verhindering, in het proces-verbaal vermeld.
4.Op de door partijen afgelegde
verklaringen zijn het eerste, tweede en derde lid van
overeenkomstige toepassing.
5.Het proces-verbaal wordt
ondertekend door de rechter voor wie het getuigenverhoor heeft
plaatsgehad en door de griffier.
Artikel 181
1.In afwijking van artikel 180
behoeft in zaken die niet aan hoger beroep zijn onderworpen, geen
proces-verbaal van het getuigenverhoor te worden opgemaakt. Het naar
aanleiding van het getuigenverhoor te wijzen vonnis houdt, behalve
de vermelding van de opgave, verklaringen en eedsaflegging bij
artikel 177 aangeduid, de summiere inhoud van de afgelegde
getuigenverklaringen in.
2.Het eerste lid wordt niet toegepast
in zaken die in eerste aanleg door een gerechtshof worden behandeld.
Artikel 182
Indien de getuige schadeloosstelling
vordert, wordt deze door de rechter begroot. Daarvan wordt melding
gemaakt in het proces-verbaal. De schadeloosstelling wordt voldaan
door de partij die de getuige heeft voorgebracht.
Artikel 183
In geval de getuigen niet op één dag
kunnen worden gehoord, stelt de rechter het verdere horen tot een
nadere dag uit en geschiedt er noch aan de ter terechtzitting
verschenen getuigen noch aan de al dan niet aldaar verschenen partij
enige nieuwe oproeping.
Artikel 184
Het nalaten van een van de in deze
paragraaf voorgeschreven formaliteiten heeft, met uitzondering van
artikel 177 omtrent het afleggen van de eed, alleen de nietigheid van
het verhoor ten gevolge indien de belanghebbende partij daardoor in
haar belangen is benadeeld en het verzuim niet kan worden hersteld; in
het tegenovergestelde geval kan de rechter, zo daartoe gronden zijn,
herstel van begane onregelmatigheden bevelen.
Artikel 185
Na afloop van het getuigenverhoor of
indien dit achterwege blijft, bepaalt de rechter de dag waarop de zaak
weer op de rol zal komen.
§ 5. Voorlopig getuigenverhoor
Artikel 186
1.In de gevallen waarin bij de wet
het bewijs door getuigen is toegelaten, kan, voordat een zaak
aanhangig is, op verzoek van de belanghebbende onverwijld een
voorlopig getuigenverhoor worden bevolen.
2.Tijdens een reeds aanhangig geding
kan de rechter op verzoek van een partij een voorlopig
getuigenverhoor bevelen.
Artikel 187
1.Het verzoek wordt gedaan aan de
rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak, indien deze
aanhangig wordt gemaakt, kennis te nemen, of aan de rechter tot
wiens absolute bevoegdheid de zaak behoort en binnen wiens
rechtsgebied de personen die men als getuigen wil doen horen, of het
grootste aantal van hen, woonachtig zijn of verblijven. Indien de
zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, wordt
het verzoek gedaan aan de kantonrechter. De rechter beoordeelt
summierlijk of hij absoluut bevoegd is en of de zaak door de
kantonrechter moet worden behandeld en beslist.
2.Indien het geding reeds aanhangig
is, wordt het verzoek gedaan aan de rechter waar het geding
aanhangig is.
3.Het verzoekschrift houdt in:
a. de aard en het beloop van de
vordering;
b. de feiten of rechten die men
wil bewijzen;
c. de namen en woonplaatsen van
de personen die men als getuigen wil doen horen;
d. de naam en de woonplaats van
de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
4.Tenzij de wederpartij onbekend is
en behoudens gevallen van onverwijlde spoed, wordt op het
verzoekschrift niet eerder beschikt dan nadat een behandeling heeft
plaatsgevonden, waartoe de verzoeker en de wederpartij worden
opgeroepen.
Artikel 188
1.Indien de rechter het verzoek
toestaat, bepaalt hij de plaats, de dag en het uur waarop het
voorlopig getuigenverhoor zal plaatshebben en de dag waarop
uiterlijk de verzoeker een afschrift van het verzoekschrift, indien
dit nog niet is toegezonden, en van de beschikking aan de
wederpartij, zo die bekend is, moet doen toekomen.
2.Voor zover het verzoek wordt
toegewezen, is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 189
De bepalingen omtrent het
getuigenverhoor zijn op het voorlopig getuigenverhoor van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 190
1.Met inachtneming van de termijn die
krachtens artikel 188 door de rechter is bepaald, zendt de
verzoeker, indien de wederpartij bekend is, haar bij aangetekende
brief een afschrift van het verzoekschrift, indien dit nog niet is
toegezonden, en van de beschikking van de rechter, of doet hij haar
deze afschriften betekenen. Alvorens tot het houden van het
voorlopig getuigenverhoor over te gaan, vergewist de rechter zich
ervan dat aan dit voorschrift is voldaan.
2.Verschijnt de wederpartij bij het
verhoor ter terechtzitting, dan bepaalt de rechter na afloop daarvan
op haar verzoek de plaats waar en het tijdstip waarop het voorlopig
getuigenverhoor voor tegenbewijs kan plaatshebben.
Artikel 191
1. De rechter kan, op verzoek van
partijen of van een van hen dan wel ambtshalve, na afloop van het
voorlopig getuigenverhoor of het voorlopig getuigenverhoor voor
tegenbewijs een verschijning van partijen bevelen teneinde een
schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de
rechter. Artikel 87, tweede en derde lid, en artikel 88, tweede lid,
derde lid, eerste, tweede en derde zin, en vierde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. Bij een verschijning van partijen
ter terechtzitting kan ook de verdere wijze van behandeling van
geschillen over de vordering worden besproken. Afspraken
dienaangaande worden, wanneer een partij dat verlangt, met
overeenkomstige toepassing van artikel 87, derde lid, in een
proces-verbaal vastgelegd. Een beroep in rechte op deze afspraken
kan niet worden gedaan, voor zover zij in strijd komen met een
dwingende wetsbepaling, met fundamentele beginselen van behoorlijke
rechtspleging of voor zover een beroep daarop in verband met
onvoorziene omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden gedaan.
Artikel 192
1.Indien alle partijen bij het
verhoor aanwezig of vertegenwoordigd zijn geweest, hebben de
getuigenverklaringen in een voorlopig getuigenverhoor afgelegd,
dezelfde bewijskracht als die, welke op de gewone wijze in een
aanhangig geding zijn afgelegd.
2.Zijn niet alle partijen bij het
voorlopig getuigenverhoor aanwezig of vertegenwoordigd geweest, dan
kan de rechter de daarin afgelegde verklaringen buiten beschouwing
laten.
Artikel 193
Indien een getuige aannemelijk maakt
dat de verzoeker met het voorlopig getuigenverhoor beoogt inlichtingen
van hem te verkrijgen ten behoeve van een tegen hem in te stellen
vordering, houdt de rechter het verhoor met inachtneming van de
bepalingen die van toepassing zijn op het verhoor van de partij als
getuige. Van een en ander wordt melding gemaakt in het proces-verbaal.
§ 6. Deskundigen
Artikel 194
1.De rechter kan op verzoek van een
partij of ambtshalve een bericht of een verhoor van deskundigen
bevelen. Het vonnis vermeldt de punten waarover het oordeel van
deskundigen wordt gevraagd.
2.De rechter benoemt bij vonnis of
bij latere rolbeschikking een of meer deskundigen na overleg met
partijen, met opdracht bij hem schriftelijk bericht in te leveren of
aan hem mondeling verslag uit te brengen. Tegen deze benoeming staat
geen hogere voorziening open.
3.De griffier zendt afschrift van
deze benoeming aan de deskundigen.
4.Indien een deskundige de benoeming
niet aanneemt of zijn taak niet naar behoren zal kunnen volbrengen
of weigerachtig is dit te doen, kan de rechter ambtshalve of op
verzoek van de meest gerede partij, na overleg met partijen, een
andere deskundige in zijn plaats benoemen.
5.De rechter kan, op verzoek van een
partij of ambtshalve, aan de deskundigen het geven van nadere
mondelinge of schriftelijke toelichting of aanvulling bevelen, dan
wel, na overleg met partijen, een of meer andere deskundigen
benoemen.
Artikel 195
De rechter kan ambtshalve of op verzoek
van een of meer partijen deskundigen vragen hun kosten te begroten.
Door de eisende partij wordt een door de rechter te bepalen voorschot
en, indien dit is bepaald, een nader voorschot, ter zake van die
kosten ter griffie gedeponeerd, voor zover niet bij het vonnis,
bedoeld in artikel 194, eerste lid, in verband met de omstandigheden
van het geding de wederpartij of beide partijen te zamen daartoe is of
zijn aangewezen. Aan partijen aan wie ingevolge de Wet op de
rechtsbijstand een toevoeging is verleend of ten aanzien van wie
ingevolge artikel 16 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken het
griffierecht voor onvermogenden is geheven, wordt geen voorschot
opgelegd. Evenmin wordt een voorschot opgelegd aan de partijen van wie
geen griffierecht is geheven en ten aanzien van wie de griffier
verklaart dat zij, indien van hen wel griffierecht zou zijn geheven,
van hen het griffierecht voor onvermogenden geheven zou zijn. Weigert
de griffier een verklaring als bedoeld in de vorige zin af te geven,
dan staat daartegen verzet open op de wijze als voorzien in artikel 29
van de Wet griffierechten burgerlijke zaken.
Artikel 196
1.De rechter kan, zo nodig
ambtshalve, bij de bepaling van een voorschot als bedoeld in artikel
195, of nadien, een termijn vaststellen voor de voldoening van het
voorschot. Deze termijn kan een of meermalen worden verlengd. Tegen
beslissingen ingevolge de eerste en tweede zin staat geen hogere
voorziening open.
2.Wanneer een partij het voorschot
niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldoet, kan de rechter
daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Artikel 197
1.Indien de deskundigen een onderzoek
moeten verrichten, bepaalt de rechter bij hun benoeming of op een
later tijdstip waar en wanneer zij tot het onderzoek zullen
overgaan.
2.Bij de in het eerste lid bedoelde
beslissing bepaalt de rechter tevens de termijn waarbinnen de
deskundigen hun schriftelijke bericht ter griffie moeten inleveren
of de terechtzitting waarop zij mondeling verslag moeten uitbrengen.
In het eerste geval wordt mede de dag bepaald waarop de zaak weer op
de rol zal komen. In het tweede geval wordt deze dag bepaald op de
terechtzitting waarop het verslag is uitgebracht.
3.Wanneer op die dag het bericht van
deskundigen nog niet mocht zijn ingekomen, kan de rechter op verzoek
van partijen of van een van hen een nadere roldatum bepalen.
Eveneens kan een nadere terechtzitting worden bepaald, wanneer op de
daarvoor vastgestelde terechtzitting het mondelinge verslag niet
wordt uitgebracht.
Artikel 198
1.De deskundige die zijn benoeming
heeft aanvaard, is verplicht de opdracht onpartijdig en naar beste
weten te volbrengen.
2.De deskundigen stellen hun
onderzoek in, hetzij onder leiding van de rechter, hetzij
zelfstandig. De deskundigen moeten bij hun onderzoek partijen in de
gelegenheid stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Uit
het schriftelijke bericht moet blijken of aan dit voorschrift is
voldaan. Van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken wordt in het
schriftelijke bericht melding gemaakt. Indien een partij
schriftelijke opmerkingen of verzoeken aan de deskundigen doet
toekomen, verstrekt zij daarvan terstond afschrift aan de
wederpartij.
3.Partijen zijn verplicht mee te
werken aan een onderzoek door deskundigen. Wordt aan deze
verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de
gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
4.Het schriftelijke bericht is met
redenen omkleed zonder dat het persoonlijke gevoelen van ieder van
de deskundigen behoeft te blijken. Ieder van de deskundigen kan van
zijn afwijkende mening doen blijken. Het schriftelijke bericht wordt
door de deskundigen ondertekend. Indien een of meer deskundigen niet
hebben ondertekend, wordt de oorzaak hiervan zo mogelijk op het
schriftelijke bericht vermeld. Indien geen van de deskundigen zich
in de gelegenheid bevindt te ondertekenen, wordt het bericht door de
griffier ondertekend. De griffier zendt aan partijen afschrift van
het schriftelijke bericht.
5.Het proces-verbaal van de slotsom
van het mondelinge verslag wordt na voorlezing, behalve door de
griffier, ondertekend door de rechter aan wie het verslag is
uitgebracht en door de deskundigen. Verklaart een deskundige niet te
kunnen ondertekenen, dan wordt die verklaring, inhoudende de oorzaak
van verhindering, in het proces-verbaal vermeld.
Artikel 199
1.De deskundigen hebben aanspraak op
schadeloosstelling en op loon, door de rechter te begroten onder de
minuut van het schriftelijke bericht of onder het van het mondelinge
verslag opgemaakte proces-verbaal.
2.De griffier betaalt het bedrag ten
laste van het gestorte voorschot aan de deskundigen. Indien het
vastgestelde voorschot niet toereikend is, wordt voor het resterende
bedrag een bevelschrift van tenuitvoerlegging op de minuut van het
schriftelijke bericht uitgegeven ten laste van de in de tweede
volzin van artikel 195 genoemde partij of partijen. In geval van
mondeling verslag wordt dit bevelschrift gegeven op een in
executoriale vorm uitgegeven uittreksel uit het proces-verbaal van
dat verslag.
3.Voor zover ten gevolge van artikel
195, derde tot en met vijfde volzin, het tweede lid niet kan worden
toegepast, betaalt de griffier het bedrag waarop de deskundigen
aanspraak hebben ten laste van 's Rijks kas. Hangende het geding
wordt het ten laste van 's Rijks kas betaalde bedrag voorlopig in
debet gesteld.
Artikel 200
1.De rechter kan een partij op haar
verzoek toestaan deskundigen te doen horen die niet door de rechter
zijn benoemd.
2.De rechter ten overstaan van wie in
een zaak bewijs wordt bijgebracht, kan aan partijen toestaan, bij
die gelegenheid ook zodanige deskundigen te doen horen.
3.Indien de rechter een verhoor van
een zodanige deskundige heeft toegestaan, is ook de wederpartij
bevoegd op dezelfde voet deskundigen te doen horen.
4.De rechter kan, op verzoek van een
partij of ambtshalve, aan een zodanige deskundige het geven van
nadere, mondelinge of schriftelijke, toelichting bevelen.
5.De artikelen 166, derde lid, 167
tot en met 170, 174 tot en met 177, eerste lid, 179, tweede, derde
en vierde lid, en 180 tot en met 185 omtrent het getuigenverhoor
zijn van overeenkomstige toepassing op het verhoor van deze
deskundigen.
§ 7. Plaatsopneming en bezichtiging
Artikel 201
1.De rechter kan op verzoek van een
partij of ambtshalve, vergezeld van de griffier, een plaatselijke
gesteldheid opnemen of zaken bezichtigen die niet of bezwaarlijk ter
terechtzitting kunnen worden overgebracht.
2.Het daartoe strekkende vonnis
vermeldt de plaats of de zaak welke in ogenschouw moet worden
genomen, bepaalt de tijd van de plaatsopneming, de tijd en de plaats
van de bezichtiging, de termijn waarbinnen het van de verrichting op
te maken proces-verbaal ter griffie moet zijn neergelegd, alsmede de
dag waarop de zaak weer op de rol zal komen.
3.De rechter heeft voor het doen van
een plaatsopneming of een bezichtiging als bedoeld in het eerste
lid, toegang tot elke plaats. Op het proces-verbaal als bedoeld in
het tweede lid, zijn de artikelen 10 en 11, tweede lid, van de
Algemene wet op het binnentreden van overeenkomstige toepassing.
4.Partijen worden in de gelegenheid
gesteld opmerkingen te maken of verzoeken te doen. Uit het
proces-verbaal moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Van
de inhoud van de opmerkingen of verzoeken wordt in het
proces-verbaal melding gemaakt. Het proces-verbaal wordt door de
rechter die de verrichting heeft gedaan, en door de griffier
ondertekend. De rechter kan ter plaatse getuigen horen. De vierde
paragraaf van deze afdeling is, behoudens artikel 170, hierop van
toepassing.
5.De rechter kan zich tot de
uitoefening van de in dit artikel toegekende bevoegdheden buiten
zijn rechtsgebied begeven.
6.De reis- en verblijfkosten van de
rechter en de griffier komen ten laste van de Staat.
§ 8. Voorlopig bericht of verhoor van
deskundigen, voorlopige plaatsopneming en bezichtiging
Artikel 202
1.Voordat een zaak aanhangig is, kan
op verzoek van de belanghebbende een voorlopig bericht of verhoor
van deskundigen of een voorlopige plaatsopneming en bezichtiging
worden bevolen.
2.Tijdens een reeds aanhangig geding
kan dit op verzoek van een partij worden bevolen.
Artikel 203
1.Het verzoek wordt gedaan aan de
rechter waar het geding aanhangig is of, indien het niet aanhangig
is, aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn daarvan kennis
te nemen. Indien de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld
en beslist, wordt het verzoek gedaan aan de kantonrechter. De
rechter beoordeelt summierlijk of hij absoluut bevoegd is en of de
zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist.
2.Het verzoekschrift houdt in:
a. de aard en het beloop van de
vordering;
b. de punten waarover het oordeel
van de deskundigen wordt gevraagd of de plaats of de zaak die in
ogenschouw moet worden genomen;
c. de naam en de woonplaats van
de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
3.Tenzij de wederpartij onbekend is
en behoudens gevallen van onverwijlde spoed, wordt op het
verzoekschrift niet eerder beschikt dan nadat een behandeling heeft
plaatsgevonden, waartoe de verzoeker en de wederpartij worden
opgeroepen.
Artikel 204
1.Indien de rechter het verzoek
toestaat, bepaalt hij tevens de uiterste dag waarop de verzoeker een
afschrift van het verzoekschrift, indien dit nog niet is
toegezonden, en van de beschikking aan de wederpartij, zo die bekend
is, moet doen toekomen.
2.Voor zover het verzoek wordt
toegewezen, is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 205
1. De bepalingen betreffende
deskundigen en betreffende plaatsopneming en bezichtiging zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. Indien ten aanzien van een partij,
met toepassing van het derde lid van artikel 199, het bedrag van de
schadeloosstelling en het loon van deskundigen voorlopig in debet
zijn gesteld, stelt de rechter op het moment van toezending van het
schriftelijke bericht aan partijen of afgifte van het proces-verbaal
van de slotsom van het mondelinge verslag, dan wel zo spoedig
mogelijk daarna, vast welk deel van dit bedrag elk der partijen
dient te dragen en veroordeelt hen dienovereenkomstig tot voldoening
aan de griffier. Bij gebreke van de betaling geschiedt de
invordering krachtens een door de griffier uit te vaardigen
dwangbevel. Artikel 30 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken
is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
tenuitvoerlegging wordt opgeschort indien blijkt dat de veroordeling
nog niet in kracht van gewijsde is gegaan.
3. Het tweede lid blijft buiten
toepassing wanneer op het moment van de toezending aan de rechter is
gebleken dat tussen partijen een geding aanhangig is over de
vordering waarop het bericht of verhoor van deskundigen betrekking
heeft.
Artikel 206
Met inachtneming van de termijn,
krachtens artikel 204 bepaald, zendt de verzoeker een afschrift van
het verzoekschrift, indien dit nog niet is toegezonden, en de
beschikking van de rechter bij aangetekende brief aan de wederpartij,
zo die bekend is, of doet hij deze afschriften bij exploot aan de
wederpartij betekenen. Alvorens tot de verrichting over te gaan,
vergewist de rechter zich ervan dat aan dit voorschrift is voldaan.
Artikel 207
1.Indien alle partijen bij de
verrichting aanwezig zijn geweest, hebben de verklaringen van de
deskundigen, de plaatsopneming en de bezichtiging dezelfde
bewijskracht als die, welke op de gewone wijze in een aanhangig
geding hebben plaatsgehad.
2.Zijn niet alle partijen aanwezig
geweest, dan kan de rechter een en ander buiten beschouwing laten.
Tiende afdeling. Incidentele
vorderingen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 208
1.Incidentele vorderingen worden
ingesteld bij dagvaarding of bij met redenen omklede conclusie. De
artikelen 85, 86, 128, 133 en 134 zijn van toepassing.
2.De rechter kan in bijzondere
gevallen het nemen van conclusies van repliek en dupliek toestaan.
3.Incidentele vorderingen worden
zoveel mogelijk tegelijk ingesteld.
Artikel 209
Op de incidentele vorderingen wordt,
indien de zaak dat medebrengt, eerst en vooraf beslist. Voor zover de
hoofdzaak niet gelijktijdig is afgedaan, bepaalt de rechter bij de
beslissing op het incident tevens de dag waarop de zaak weer op de rol
zal komen.
§ 2. Vrijwaring
Artikel 210
1.Indien de gedaagde meent gronden te
hebben om iemand in vrijwaring op te roepen en hij die oproeping
niet heeft gedaan vóór de dag waarop de hoofdzaak moet dienen,
neemt hij zijn daartoe strekkende, met redenen omklede conclusie
vóór alle weren op de voor het nemen van de conclusie van antwoord
bepaalde roldatum.
2.Indien de eiser meent gronden te
hebben om iemand in vrijwaring op te roepen, neemt hij zijn daartoe
strekkende, met redenen omklede conclusie uiterlijk op de roldatum,
op zijn verzoek bepaald bij de verschijning van partijen ter
terechtzitting op de voet van artikel 131. Vindt geen verschijning
van partijen op de voet van artikel 131 plaats, dan neemt de eiser
zijn conclusie uiterlijk op de voor het nemen van de conclusie van
repliek bepaalde datum.
3.Indien de vordering wordt
toegewezen, bepaalt de rechter de dag waarop zowel de hoofdzaak als
de zaak in vrijwaring weer op de rol zullen komen. Betreft de zaak
in vrijwaring een vordering die ongeacht het beloop of de waarde
door de kantonrechter moet worden behandeld, dan verwijst de rechter
beide zaken daarbij zo nodig, met overeenkomstige toepassing van
artikel 71, naar de kantonrechter.
4.Het vonnis waarbij de dagvaarding
in vrijwaring is toegestaan, behoeft aan de waarborg niet betekend
te worden. De dagvaarding moet de in het vonnis vermelde beslissing
behelzen; bij die dagvaarding moet de dagvaarding in de hoofdzaak in
afschrift worden betekend.
5.Indien de vordering wordt
afgewezen, bepaalt de rechter bij die beslissing de dag waarop de
zaak weer op de rol zal komen of beveelt hij een verschijning van
partijen ter terechtzitting.
Artikel 211
Indien de vordering tot oproeping in
vrijwaring niet tijdig is gedaan, wordt zonder uitstel in de hoofdzaak
voortgeprocedeerd.
Artikel 212
In geval van vrijwaring wegens
uitwinning van een goed of wegens een recht waarmee het goed niet
belast had mogen zijn, mag de waarborg de hoofdzaak van de
gewaarborgde overnemen met dien verstande dat de gewaarborgde als
partij in het geding blijft.
Artikel 213
1.In het geval, bedoeld in artikel
212, kan het tegen de waarborg gewezen vonnis tegen de gewaarborgde
ten uitvoer worden gelegd.
2.Wat de kosten en de vordering tot
schadevergoeding betreft, kunnen de vereffening en de
tenuitvoerlegging slechts tegen de waarborg geschieden.
3.Indien echter de waarborg geen
verhaal biedt, moet de gewaarborgde de kosten dragen en, zo daartoe
gronden zijn, ook de schade vergoeden.
Artikel 214
In zaken van eenvoudige vrijwaring mag
de waarborg zich in de hoofdzaak slechts voegen zonder de zaak van de
gewaarborgde over te nemen.
Artikel 215
In geval de hoofdzaak en de zaak in
vrijwaring tegelijk in staat van wijzen zijn, wordt daarin
gelijktijdig beslist. Indien dit niet het geval is, wordt op vordering
van de oorspronkelijke eiser of gedaagde de hoofdzaak afzonderlijk
beslist.
Artikel 216
Hij die ter zake van vrijwaring is
gedagvaard, moet procederen voor de rechter waar de hoofdzaak
aanhangig is, zelfs indien hij ontkent waarborg te zijn.
§ 3. Voeging en tussenkomst
Artikel 217
Ieder die een belang heeft bij een
tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te
mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen.
Artikel 218
Deze vordering wordt ingesteld bij
incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste
conclusie in het aanhangige geding wordt genomen.
Artikel 219
1.De conclusie vermeldt:
a. de voornaam, de naam en de
woonplaats van degene die de vordering instelt;
b. de vordering en de gronden
waarop zij berust;
c. in zaken waarin partijen niet
in persoon kunnen procederen, de naam van degene die als
advocaat wordt gesteld.
2.De in het eerste lid aangeduide
gegevens worden vermeld op straffe van nietigheid. Artikel 122 is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 219a
1. De rechter houdt de zaak aan
zolang degene die vordert zich te mogen voegen of te mogen
tussenkomen het griffierecht niet heeft voldaan en de termijn
genoemd in artikel 5, tweede lid, van de Wet griffierechten
burgerlijke zaken nog loopt.
2. Heeft degene die de vordering
instelt, het griffierecht niet tijdig voldaan, dan verklaart de
rechter hem niet ontvankelijk in de vordering.
3. Artikel 127a, derde en vierde lid,
zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Verwijzing en voeging van zaken
Artikel 220
1. In zaken die reeds eerder bij een
andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig zijn gemaakt tussen
dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp, of in geval de zaak
verknocht is aan een zaak die reeds bij een andere gewone rechter
van gelijke rang aanhangig is, kan de verwijzing naar die andere
rechter worden gevorderd. Verwijzing is ook mogelijk indien één
der zaken bij de kantonrechter in behandeling is en de andere niet.
2. Door de eiser kan deze vordering
slechts worden ingesteld bij de inleidende dagvaarding of bij
incidentele conclusie vóór het antwoord.
3. Door de gedaagde moet de vordering
worden ingesteld bij met redenen omklede conclusie vóór alle weren
op de voor het nemen van de conclusie van antwoord bepaalde
roldatum.
4. In het geval van verwijzing naar
een andere kamer van hetzelfde gerecht vermeldt de rechter in de
beslissing tot verwijzing een nieuwe roldatum alsmede, indien daarin
een wijziging optreedt, op welke wijze partijen in het geding moeten
verschijnen. Indien tegen de gedaagde verstek is verleend, beveelt
de rechter dat de nieuwe roldatum door de eiser bij exploot aan de
gedaagde wordt aangezegd onder betekening van de beslissing tot
verwijzing. Artikel 221 is bij verwijzing naar een andere kamer van
hetzelfde gerecht niet van toepassing.
5. Indien bij hetzelfde gerecht één
der zaken in behandeling is bij de kantonrechter en deze een
vordering betreft als bedoeld in artikel 93 onder c of d, kan in de
andere zaak verwijzing van die andere zaak naar de kantonrechter
worden gevorderd, ook als die zaak reeds eerder aanhangig was.
6. Artikel 71, vierde lid, eerste
zin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 221
Indien een zaak naar een andere rechter
wordt verwezen, heeft iedere partij het recht de overige partijen bij
exploot op te roepen tegen de dag waarop zij de zaak ter rolle wil
doen dienen. Voor deze oproeping moeten de voor dagvaarding
voorgeschreven termijnen in acht worden genomen. Is met het oog op het
geding voor de eerste rechter woonplaats gekozen, dan kan het in dit
artikel bedoelde exploot ook aan die woonplaats worden gedaan.
Artikel 222
1.In geval voor dezelfde rechter
tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken
aanhangig zijn, of voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig
zijn, kan daarvan de voeging worden gevorderd.
2.Artikel 220, tweede en derde lid,
zijn op deze vordering van toepassing.
§ 5. Voorlopige voorzieningen
Artikel 223
1.Tijdens een aanhangig geding kan
iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal
treffen voor de duur van het geding.
2.Deze vordering moet samenhangen met
de hoofdvordering.
§ 6. Zekerheidstelling voor
proceskosten
Artikel 224
1. Allen zonder woonplaats of gewone
verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een
vordering instellen of zich voegen of tussenkomen in een geding
alhier, zijn verplicht op vordering van de wederpartij zekerheid te
stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling
waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden.
2. Geen verplichting tot het stellen
van zekerheid bestaat:
a. indien dit voortvloeit uit een
verdrag of uit een EG-verordening;
b. indien een veroordeling tot
betaling van proceskosten en schadevergoeding op grond van het
Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, een verdrag, een
EG-verordening of een wet ten uitvoer zal kunnen worden gelegd
ter plaatse waar degene van wie zekerheid gevorderd wordt, zijn
woonplaats of gewone verblijfplaats heeft;
c. indien redelijkerwijs
aannemelijk is dat verhaal voor een veroordeling tot betaling
van proceskosten en schadevergoeding in Nederland mogelijk zal
zijn;
d. indien daardoor voor degene
van wie zekerheid wordt gevorderd de effectieve toegang tot de
rechter zou worden belemmerd.
3. De wederpartij is bevoegd de
vordering, bedoeld in het eerste lid, in te stellen vóór alle
weren.
4. De partij die het stellen van
zekerheid vordert, wordt niet geacht daardoor de rechtsmacht van de
rechter te hebben erkend.
5. Het vonnis waarbij het stellen van
zekerheid wordt bevolen, drukt de som uit tot beloop waarvan de
zekerheid moet worden verstrekt.
Elfde afdeling. Schorsing en hervatting
Artikel 225
1.Gronden voor schorsing van het
geding zijn:
a. de dood van een partij;
b. verandering van de
persoonlijke staat van een partij;
c. het ophouden van de
betrekkingen waarin een partij het geding voerde, hetzij ten
gevolge van rechtsopvolging onder algemene titel op een ander,
hetzij door een andere oorzaak.
2.Schorsing vindt plaats door
betekening van de ingeroepen grond voor de schorsing aan de
wederpartij dan wel door een daartoe strekkende akte ter rolle. Bij
gebreke hiervan wordt het geding op naam van de oorspronkelijke
partij voortgezet.
3.Alle proceshandelingen, verricht
nadat de schorsing is ingetreden, zijn nietig.
4.Schorsing kan niet meer
plaatsvinden nadat de dag is bepaald waarop het vonnis zal worden
uitgesproken.
Artikel 226
1.In zaken waarin partijen niet in
persoon kunnen procederen, wordt het geding van rechtswege geschorst
doordat de gestelde advocaat overlijdt of doordat hij zijn
hoedanigheid van advocaat verliest.
2.Artikel 225, derde en vierde lid,
is van toepassing.
Artikel 227
1.In de gevallen, bedoeld in artikel
225, eerste lid, wordt het geding hervat in de stand waarin dit zich
bij de schorsing bevond:
a. doordat de partij bij wie de
grond voor de schorsing is opgekomen bij de betekening van de
schorsingsgrond verklaart dat het geding wordt hervat;
b. doordat een der partijen, met
instemming van de andere partij, een daartoe strekkende akte ter
rolle neemt, dan wel bij exploot verklaart dat het geding wordt
hervat.
2.De partij die bij de in het eerste
lid, onder a, bedoelde betekening of het in het eerste lid, onder b,
bedoelde exploot verklaart dat het geding wordt hervat, roept
daarbij de andere partij op tegen de dag waarop zij de zaak ter
rolle wil doen dienen. Voor deze oproeping moeten de voor
dagvaarding voorgeschreven termijnen in acht worden genomen.
3.In zaken waarin partijen niet in
persoon kunnen procederen, stellen zij opnieuw advocaat.
Artikel 228
1.In geval van schorsing wegens
overlijden of verlies van de hoedanigheid van de gestelde advocaat,
wordt het geding hervat in de stand waarin dit zich bij de schorsing
bevond doordat een der partijen, met instemming van de andere
partij, een daartoe strekkende akte ter rolle neemt, dan wel bij
exploot verklaart dat het geding wordt hervat.
2.Artikel 227, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing. Partijen stellen opnieuw advocaat.
Twaalfde afdeling. Het vonnis
§ 1. Algemeen
Artikel 229
De rechter bepaalt de dag waarop hij
uitspraak zal doen en deelt deze dag aan de eiser en aan de in het
geding verschenen gedaagde mede. Op verlangen van de in het geding
verschenen partijen stelt de rechter de uitspraak uit.
Artikel 230
1.Het vonnis vermeldt:
a. de namen en de woonplaats van
de partijen, en de namen van hun gemachtigden of advocaten;
b. het verloop van het geding;
c. de slotsom van de dagvaarding
en de conclusies van partijen;
d. de slotsom van de conclusie
van het openbaar ministerie in de gevallen waarin het is
gehoord;
e. de gronden van de beslissing,
waaronder begrepen de feiten waarop de beslissing rust;
f. de beslissing;
g. de naam van de rechter of, bij
een meervoudige kamer, de namen van de rechters door wie het
vonnis is gewezen;
h. de dag van de uitspraak.
2.Indien tegen de gedaagde of, bij
meer gedaagden, tegen hen allen verstek is verleend en de
vorderingen van de eiser geheel of gedeeltelijk worden toegewezen,
kan ten aanzien van de ingevolge het eerste lid onder a, c, e en f
te vermelden gegevens worden volstaan met verwijzing naar een door
de griffier gewaarmerkt afschrift van het exploot van dagvaarding
waarop het vonnis wordt gesteld of dat aan het vonnis wordt gehecht.
3.Het vonnis wordt door de rechter,
of, bij een meervoudige kamer, door de voorzitter en de griffier
ondertekend. Het vonnis kan ook worden ondertekend door de rechter
die het uitspreekt.
Artikel 231
1.Van de vonnissen verstrekt de
griffier op de dag van de uitspraak een afschrift aan de eiser en
aan de gedaagde die in het geding is verschenen. Betreft het een
eindvonnis, dan is het afschrift dat wordt verstrekt aan een partij
die tot tenuitvoerlegging van dat vonnis kan overgaan, opgemaakt in
executoriale vorm.
2.De griffier verstrekt desverlangd
tweede of verdere in executoriale vorm opgemaakte afschriften van
een vonnis aan de partij die tot tenuitvoerlegging van dat vonnis
kan overgaan, dan wel aan de rechtverkrijgenden onder algemene titel
van deze partij. Artikel 28, vijfde en zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3.Elk afschrift dat in executoriale
vorm is opgemaakt, wordt gedagtekend.
Artikel 232
1.De rechter kan, voordat hij
definitief over de zaak beslist, een tussenvonnis wijzen.
2.Van de artikelen 230 en 231, eerste
lid, kan, voor zover nodig, worden afgeweken:
a. indien een tussenvonnis wordt
gewezen bij een verschijning van partijen ter terechtzitting als
bedoeld in de artikelen 87 en 88 en indien alle partijen aldaar
zijn verschenen;
b. indien een tussenvonnis wordt
gewezen ter beslissing op een incidentele vordering en de
wederpartij te kennen geeft tegen toewijzing geen bezwaar te
hebben.
Artikel 233
1.Tenzij uit de wet of uit de aard
van de zaak anders voortvloeit, kan de rechter, indien dit wordt
gevorderd, verklaren dat zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal
zijn niettegenstaande daartegen aan te wenden rechtsmiddelen. De
rechter kan een vonnis waarbij op de voet van artikel 195 wordt
beslist omtrent een voorschot ter zake van de kosten van
deskundigen, ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
2.De uitvoerbaarverklaring bij
voorraad kan het gehele vonnis betreffen of een gedeelte daarvan.
3.De rechter kan aan de
uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde verbinden dat tot
een door hem te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld.
Artikel 234
Indien het vonnis niet uitvoerbaar bij
voorraad is verklaard en tegen dat vonnis een rechtsmiddel is
aangewend, kan alsnog een incidentele vordering tot
uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dat vonnis worden ingesteld.
Artikel 235
Indien het vonnis uitvoerbaar bij
voorraad is verklaard, evenwel zonder dat daaraan de voorwaarde is
verbonden dat zekerheid wordt gesteld, en indien tegen dat vonnis een
rechtsmiddel is aangewend, kan alsnog een daartoe strekkende
incidentele vordering worden ingesteld.
Artikel 236
1. Beslissingen die de
rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in
kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen
dezelfde partijen bindende kracht.
2. Onder partijen worden mede
begrepen de rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel,
tenzij uit de wet anders voortvloeit.
3. Het gezag van gewijsde wordt niet
ambtshalve toegepast.
§ 2. Kosten
Artikel 237
1. De partij die bij vonnis in het
ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld. De kosten
mogen echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen
echtgenoten of geregistreerde partners of andere levensgezellen,
bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of aanverwanten
in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele
punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter de kosten
die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten
van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte.
2. Bij een tussenvonnis kan de
beslissing over de kosten tot het eindvonnis worden aangehouden.
3. Het bedrag van de kosten waarin de
verliezende partij wordt veroordeeld, wordt, voor zover die kosten
vóór de uitspraak zijn gemaakt en niet aan haar zijde zijn
gevallen, bij het vonnis vastgesteld.
4. De na de uitspraak ontstane kosten
worden op verzoek van de partij in het voordeel van wie een
kostenveroordeling is uitgesproken, begroot door de rechter die het
vonnis heeft gewezen. Deze geeft daarvoor een bevelschrift af.
Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 238
1.In zaken waarin partijen in persoon
kunnen procederen, wordt, indien de wederpartij van de in het
ongelijk gestelde partij zonder gemachtigde procedeert, onder de
kosten waarin laatstgenoemde partij wordt veroordeeld, opgenomen een
door de rechter te bepalen bedrag voor noodzakelijke reis- en
verblijfkosten van die wederpartij. De rechter kan onder de kosten
waarin de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld, ook
opnemen een door hem te bepalen bedrag voor noodzakelijke
verletkosten van de wederpartij.
2.Procedeert de wederpartij van de in
het ongelijk gestelde partij met een gemachtigde, dan wordt onder
die kosten een door de rechter te bepalen bedrag opgenomen voor
salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde, tenzij de
rechter om in het vonnis te vermelden redenen anders beslist.
Artikel 239
In zaken waarin partijen niet in
persoon kunnen procederen, kunnen van de kosten van de wederpartij
slechts de salarissen en verschotten van de advocaat van die
wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden
gebracht.
Artikel 240
Kosten terzake van ambtshandelingen,
verricht door gerechtsdeurwaarders, worden berekend overeenkomstig bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde tarieven.
Artikel 241
Ter zake van verrichtingen waarvoor de
in de artikelen 237 tot en met 240 bedoelde kosten een vergoeding
plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en
ter instructie van de zaak, kan jegens de wederpartij geen vergoeding
op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende
proceskosten van toepassing.
Artikel 242
1.De rechter kan bedragen die geacht
kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van proceskosten of
van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 96, tweede
lid, onder b en c, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ambtshalve
matigen, doch niet tot onder het bedrag van de krachtens de wet te
begroten proceskosten respectievelijk het bedrag van de
buitengerechtelijke kosten die, gelet op de tarieven volgens welke
zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden
gebracht, jegens de wederpartij redelijk zijn.
2.Het eerste lid geldt niet voor
overeenkomsten die strekken tot regeling van een reeds gerezen
geschil.
Artikel 243 [Vervallen per 01-11-2010]
Artikel 244
1. Indien ten aanzien van een partij,
met toepassing van het derde lid van artikel 199, het bedrag van de
schadeloosstelling en het loon van deskundigen voorlopig in debet
zijn gesteld, veroordeelt de rechter de partij die in de kosten van
het geding wordt verwezen ambtshalve om dit bedrag aan de griffier
te voldoen.
2. Indien de kosten geheel of
gedeeltelijk worden gecompenseerd, stelt de rechter vast welk deel
van het in het eerste lid bedoelde bedrag elk der partijen dient te
dragen en veroordeelt hen dienovereenkomstig tot voldoening aan de
griffier.
3. De tweede zin van artikel 205,
tweede lid, is van toepassing.
Artikel 245
1.Indien blijkt dat een partij niet
bestaat, of dat zij niet rechtsgeldig in het geding is verschenen
doordat een daartoe niet bevoegde voor haar is opgetreden of tot het
voeren van een geding opdracht heeft gegeven, geschiedt een
veroordeling in de kosten, wanneer daartoe aanleiding is, in plaats
van ten laste van de partij in naam van wie in rechte is opgetreden,
ten laste van de gemachtigde of advocaat van die partij, of van
degene die tot het voeren van het geding opdracht heeft gegeven, in
het eerste geval onverminderd het verhaal van die advocaat of
gemachtigde op zijn opdrachtgever.
2.Alvorens aldus te beslissen, stelt
de rechter de betrokkene in de gelegenheid zijn standpunt naar voren
te brengen en toe te lichten.
Dertiende afdeling. Afbreking van de
instantie
§ 1. Doorhaling op de rol
Artikel 246
1.Op verlangen van partijen wordt de
zaak op de rol doorgehaald.
2.De enkele doorhaling op de rol
heeft geen rechtsgevolgen. Partijen kunnen de rechtsgevolgen bij
overeenkomst bepalen.
Artikel 247
Indien geen van partijen er, na in de
gelegenheid te zijn gesteld zich daarover uit te laten, blijk van
geeft het geding te willen voortzetten, kan de zaak ook ambtshalve op
de rol worden doorgehaald.
Artikel 248
Indien ten aanzien van een partij, met
toepassing van het derde lid van artikel 199, het bedrag van de
schadeloosstelling en het loon van deskundigen voorlopig in debet zijn
gesteld, beslist de rechter met overeenkomstige toepassing van artikel
244, tweede lid, welk deel van dit bedrag elk der partijen dient te
dragen en veroordeelt hen dienovereenkomstig tot voldoening aan de
griffier.
§ 2. Afstand van instantie
Artikel 249
1.Zolang de gedaagde niet voor
antwoord heeft geconcludeerd, kan de eiser afstand doen van de
instantie.
2.De eiser is verplicht de
proceskosten van de gedaagde te betalen.
3.Artikel 248 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 250
1.Afstand van instantie wordt gedaan
bij akte ter rolle.
2.Indien de afstand door een advocaat
of een gemachtigde wordt gedaan, legt deze een hem daartoe door de
eiser verstrekte bijzondere volmacht over.
3.Door afstand van instantie worden
partijen van rechtswege hersteld in de toestand als ware het geding
niet in deze instantie aanhangig geweest, onverminderd het bepaalde
in artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
4.Ter zake van de betaling van de
kosten vaardigt de rechter op verlangen van de gedaagde een
bevelschrift uit. Het bevelschrift is uitvoerbaar bij voorraad.
5.Nadat hij de kosten heeft betaald,
kan de eiser de vordering opnieuw instellen.
§ 3. Verval van instantie
Artikel 251
1.Indien de proceshandeling waarvoor
de zaak staat, langer dan twaalf maanden niet is verricht, bepaalt
de rechter op verlangen van de wederpartij van de partij die de
proceshandeling moet verrichten, een roldatum waarop deze
wederpartij verval van instantie kan vorderen, dan wel kan vragen om
een laatste uitstel te verlenen aan de partij die de proceshandeling
moet verrichten of om vonnis te wijzen. De rechter kan hiertoe,
eveneens na verloop van twaalf maanden, ook ambtshalve een roldatum
bepalen.
2.De in het eerste lid bedoelde
roldatum wordt in beide gevallen bepaald op een termijn van ten
hoogste drie maanden.
3.Verval van instantie kan op de
bepaalde roldatum slechts worden gevorderd indien het voornemen
daartoe ten minste twee weken vóór die roldatum aan de nalatige
partij is aangezegd.
4.De rechter wijst de vordering tot
verval van instantie toe, tenzij voor of op die roldatum
a. de proceshandeling alsnog
wordt verricht, of
b. de wederpartij van de partij
die het verval vordert, aannemelijk maakt dat voor de vertraging
van het geding een reden bestaat die deze in redelijkheid kan
rechtvaardigen.
5.Indien op de ingevolge het eerste
lid bepaalde roldatum de proceshandeling waarvoor de zaak staat niet
alsnog is of wordt verricht, en voorts de wederpartij van degene die
de proceshandeling moet verrichten geen verval van instantie vordert
noch zich anderszins uitlaat over de voortgang van het geding als
bedoeld in het eerste lid, wordt de zaak op de rol doorgehaald.
Artikel 252
1.De kosten van de vervallen
instantie worden van rechtswege gecompenseerd. De rechter kan
echter, indien hij daartoe gronden aanwezig acht, een partij geheel
of gedeeltelijk in de kosten veroordelen.
2.Artikel 248 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 253
1.Door verval van instantie worden
partijen van rechtswege hersteld in de toestand als ware het geding
niet in deze instantie aanhangig geweest, onverminderd het bepaalde
in artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Wordt de vordering opnieuw
ingesteld, dan kan wederom gebruik worden gemaakt van in de
vervallen instantie gedane gerechtelijke erkentenissen en
bijgebracht bewijs.
Veertiende afdeling. Het kort geding
Artikel 254
1.In alle spoedeisende zaken waarin,
gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij
voorraad wordt vereist, is de voorzieningenrechter bevoegd deze te
geven.
2.Op aanvraag van de belanghebbende
partij kan de voorzieningenrechter de dagvaarding bevelen tegen de
dag en het uur, de zondag daarbij inbegrepen, voor elk geval te
bepalen. Hij kan daarbij tevens bevelen dat de terechtzitting op een
andere plaats dan in het gerechtsgebouw wordt gehouden. De
voorzieningenrechter kan aan de dagbepaling voorwaarden verbinden,
die door de eiser in acht moeten worden genomen. Deze voorwaarden
moeten uit de dagvaarding blijken.
3.De zaak kan ook worden aangebracht
op een terechtzitting, door de voorzieningenrechter te houden op de
daartoe door hem te bepalen werkdagen.
4.In zaken die ten gronde door de
kantonrechter worden behandeld en beslist is ook de kantonrechter
bevoegd tot het geven van een voorziening als in deze afdeling
bedoeld. Daarbij is op de kantonrechter van toepassing hetgeen
omtrent de voorzieningenrechter is bepaald.
Artikel 255
1.De gedaagde kan in de zaken,
bedoeld in artikel 79, tweede lid, behalve bij advocaat ook in
persoon procederen, maar niet vertegenwoordigd door een gemachtigde
die geen advocaat is.
2.Partijen kunnen ook vrijwillig ter
terechtzitting van de voorzieningenrechter in kort geding
verschijnen. Het eerste lid is van toepassing.
3.In andere korte gedingen niet
ingeleid met een dagvaarding, kunnen partijen behalve bij advocaat
ook in persoon procederen, maar niet vertegenwoordigd door een
gemachtigde die geen advocaat is.
Artikel 256
Indien de voorzieningenrechter oordeelt
dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden beslist,
weigert hij de voorziening.
Artikel 257
De beslissingen bij voorraad brengen
geen nadeel toe aan de zaak ten principale.
Artikel 258
De voorzieningenrechter kan zijn vonnis
ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Artikel 259
Het verzet moet worden gedaan bij de
voorzieningenrechter. Artikel 255, eerste lid, is niet van toepassing.
Artikel 260 [Vervallen per 01-05-2007]
Derde titel. De verzoekschriftprocedure
in eerste aanleg
Eerste afdeling. Algemene bepaling
Artikel 261
1.Voor zover uit de wet niet anders
voortvloeit, is deze titel van toepassing op alle zaken die met een
verzoekschrift moeten worden ingeleid, alsmede op zaken waarin de
rechter ambtshalve een beschikking geeft.
2.Met een verzoekschrift worden
ingeleid de zaken ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit.
Tweede afdeling. Relatieve bevoegdheid
Artikel 262
Tenzij de wet of een krachtens artikel
268avastgestelde algemene maatregel van bestuur anders bepaalt, is
bevoegd:
a. de rechter van de woonplaats van
hetzij de verzoeker of één van de verzoekers, hetzij één van
de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden dan wel, als
zodanige woonplaats in Nederland niet bekend is, de rechter van
het werkelijk verblijf van één van hen.
b. indien het verzoek betrekking
heeft op een bij dagvaarding ingeleid of in te leiden geding, de
rechter die bevoegd is van dat geding kennis te nemen, tenzij het
verzoek niet behoort tot diens absolute bevoegdheid.
Artikel 263
In zaken die uitsluitend betreffen de
aanvulling van de registers van de burgerlijke stand of de
inschrijving, doorhaling of wijziging van daarin in te schrijven of
ingeschreven akten, is bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied de
akte is of moet worden ingeschreven. In zaken als bedoeld in de eerste
zin, die betrekking hebben op krachtens Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek BES in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente
’s-Gravenhage in te schrijven of ingeschreven akten, is bevoegd de
rechter te’s-Gravenhage.
Artikel 264
In zaken betreffende huur van gebouwde
onroerende zaken of een gedeelte daarvan is uitsluitend bevoegd de
rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde of het grootste
gedeelte daarvan is gelegen.
Artikel 265
In zaken betreffende minderjarigen is
bevoegd de rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een
woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de
minderjarige.
Artikel 266
In zaken betreffende curatele,
onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen of mentorschap
ten behoeve van meerderjarigen is bevoegd de rechter van de woonplaats
of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk
verblijf van degene wiens curatele onderscheidenlijk goederen of
mentorschap het betreft.
Artikel 267
In zaken van afwezigheid of vermissing
is bevoegd de rechter van de verlaten woonplaats van de afwezige of
vermiste. Ten aanzien van de vaststelling van overlijden is bevoegd de
rechter te 's-Gravenhage.
Artikel 268
1.In zaken betreffende
nalatenschappen is bevoegd de rechter van de laatste woonplaats van
de overledene. In afwijking van de eerste zin is in zaken die
volgens afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek
met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, bevoegd de rechter
van de woonplaats van de rechthebbende.
2.Van de in artikel 12, vierde lid,
tweede volzin, bedoelde beschikking wordt door de griffier afschrift
gezonden aan de als uitsluitend bevoegde aangewezen kantonrechter,
aan de onder curatele gestelde, de rechthebbende en degene ten
behoeve van wie een mentorschap is ingesteld en voorts aan de
curator, de mentor en aan ieder der bewindvoerders. Van de
beslissing is geen hogere voorziening toegelaten. De kantonrechter
die als uitsluitend bevoegde is aangewezen, is aan die aanwijzing
gebonden.
Artikel 268a
Indien een voortdurend gebrek aan
voldoende zittingscapaciteit bij een rechtbank daartoe noodzaakt, kan
bij algemene maatregel van bestuur voor de duur van ten hoogste twee
jaar een andere dan de overeenkomstig de artikelen 262 tot en met
268bevoegde rechtbank worden aangewezen als bevoegde rechtbank voor
zaken die behoren tot een bij die maatregel aangewezen categorie.
Onder zittingscapaciteit wordt verstaan hetgeen daaronder wordt
verstaan in artikel 1, onder h, van de Wet op de rechterlijke
organisatie.
Artikel 269
Wijzen de artikelen 262 tot en met 268
of een krachtensartikel 268a vastgestelde algemene maatregel van
bestuur geen bevoegde rechter aan, dan is de rechter te 's-Gravenhage
bevoegd.
Artikel 270
1.Indien de rechter, zonodig
ambtshalve, beslist dat niet hij, maar een andere rechter van
gelijke rang bevoegd is, verwijst hij de zaak in de stand waarin
deze zich bevindt, naar die andere rechter. De griffier zendt een
afschrift van de beschikking aan de rechter naar wie de zaak is
verwezen. Verwijzing als bedoeld in dit lid vindt niet plaats indien
de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat
zij geen verwijzing wensen.
2.In zaken met betrekking tot
echtscheiding, scheiding van tafel en bed, ontbinding van het
huwelijk na scheiding van tafel en bed en ontbinding van een
geregistreerd partnerschap en daarmee verband houdende verzoeken tot
het treffen van een voorlopige voorziening of een nevenvoorziening,
vindt een verwijzing als bedoeld in het eerste lid slechts plaats
indien de andere echtgenoot of geregistreerde partner de bevoegdheid
betwist.
3.Tegen de beslissing waarbij een
betwisting van bevoegdheid wordt verworpen of de zaak naar een
andere rechter wordt verwezen, is geen hogere voorziening
toegelaten. De rechter naar wie de zaak is verwezen, is aan die
verwijzing gebonden. De vorige zin mist toepassing indien de rechter
zich tevens absoluut onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar
een hogere rechter.
Derde afdeling. Oproeping
Artikel 271
De oproeping van verzoekers of van in
de procedure verschenen belanghebbenden geschiedt door de griffier bij
gewone brief, tenzij de rechter anders bepaalt.
Artikel 272
De oproeping van niet in de procedure
verschenen belanghebbenden geschiedt door de griffier bij aangetekende
brief, tenzij de rechter anders bepaalt.
Artikel 273
De oproeping van een rechterlijke
autoriteit, het openbaar ministerie of de raad voor de
kinderbescherming geschiedt door de griffier bij gewone brief.
Artikel 274
Oproepingen die bij brief geschieden,
vermelden de dag van de verzending. Deze vermelding geschiedt niet
slechts op de envelop.
Artikel 275
Indien de griffier een bij aangetekende
brief verzonden oproeping terug ontvangt en hem blijkt dat de
geadresseerde op de dag van verzending of uiterlijk een week nadien in
de daartoe bestemde registers ingeschreven stond op het op de
oproeping vermelde adres, verzendt hij de oproeping onverwijld bij
gewone brief. In de overige gevallen waarin de griffier de oproeping
terug ontvangt, verbetert de griffier, indien mogelijk, het op de
oproeping vermelde adres en verzendt hij de oproeping opnieuw bij
aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt.
Artikel 276
1. Oproepingen vermelden de plaats,
de dag en het uur van de terechtzitting. Zij worden zo spoedig
mogelijk en ten minste een week vóór die dag verzonden, tenzij de
rechter anders bepaalt.
2. Betreft de oproeping een
belanghebbende in een zaak anders dan bij de sector kanton, dan
bevat deze tevens de mededeling dat voor de indiening van een
verweerschrift een griffierecht zal worden geheven, binnen welke
termijn dit griffierecht betaald dient te worden, alsmede de hoogte
daarvan. Hierbij wordt vermeld dat van een persoon die onvermogend
is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip
waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
1°. een afschrift van het
besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de
rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van
omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te
rekenen, een afschrift van de aanvraag als bedoeld in artikel
24, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand, dan wel
2°. een verklaring van de raad
als bedoeld in artikel 1, onder b, van die wet, waaruit blijkt
dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen, bedoeld in
artikel 35, derde en vierde lid, telkens onderdelen a tot en met
d dan wel in die artikelleden, telkens onderdeel e, van die wet.
Artikel 277
1.De oproeping bij brief van
verzoekers of belanghebbenden die geen bekende woonplaats of bekend
werkelijk verblijf in Nederland hebben, maar wel een bekende
woonplaats of een bekend werkelijk verblijf in een Staat waar de
verordening 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13
november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de
lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in
burgerlijke of in handelszaken («de betekening en de kennisgeving
van stukken»), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000
(PbEU L 324/79) van toepassing is, geschiedt door rechtstreekse
verzending overeenkomstig artikel 14 van de verordening. In plaats
daarvan mag het gerecht ook een vertaling van de oproeping verzenden
in een taal als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de
verordening. Het gerecht maakt in de oproeping melding van de
verzending, alsmede van het volgende:
a. de datum van verzending;
b. de wijze van verzending;
c. of een vertaling is verzonden
en zo ja, in welke taal;
d. de mededeling in een van de in
artikel 8, eerste lid, van de verordening bedoelde talen, dat
degene voor wie het stuk bestemd is, dit mag weigeren als het
niet gesteld is in of niet vergezeld gaat van een vertaling in
een van de in artikel 8, eerste lid, van de verordening bedoelde
talen en dat geweigerde stukken naar hem moeten worden gezonden.
2.Het gerecht mag de oproeping ook
verrichten door verzending daarvan of van een vertaling daarvan als
bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de in het eerste lid bedoelde
verordening aan een ontvangende instantie als bedoeld in artikel 2,
tweede lid, van die verordening, ter betekening aan degene voor wie
de oproeping bestemd is. Het gerecht maakt in de oproeping melding
van de verzending, alsmede van volgende gegevens:
a. de datum van verzending;
b. de naam en het adres van de
ontvangende instantie;
c. de wijze van verzending;
d. of een vertaling is verzonden
en, zo ja, in welke taal;
e. de taal waarin het formulier
als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de verordening is
ingevuld;
f. de gevraagde wijze van
betekening.
Vierde afdeling. Verloop van de
procedure
Artikel 278
1.Het verzoekschrift vermeldt de
voornamen, naam en woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in
Nederland, het werkelijk verblijf van de verzoeker, alsmede een
duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het
berust. In zaken betreffende een nalatenschap vermeldt het
verzoekschrift tevens de laatste woonplaats van de overledene of de
reden waarom deze vermelding niet mogelijk is.
2.Het verzoekschrift wordt
ondertekend en ter griffie ingediend. Indien de voorzieningenrechter
daarop moet beschikken, kan het aan deze ter hand worden gesteld.
3.Tenzij indiening bij de
kantonrechter plaatsvindt of ingevolge bijzondere wettelijke
bepaling niet door een advocaat behoeft te geschieden, wordt het
verzoekschrift ondertekend door een advocaat. Het kantoor van die
advocaat geldt als gekozen woonplaats van de verzoeker.
4.De griffier tekent de dag van
indiening of de dag van terhandstelling aan de voorzieningenrechter
op het verzoekschrift aan.
Artikel 279
1.De rechter bepaalt, tenzij hij zich
aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst, onverwijld
dag en uur waarop de behandeling aanvangt. Hij beveelt tevens
oproeping van de verzoeker en voor zover nodig van de in het
verzoekschrift genoemde belanghebbenden. Bovendien kan hij te allen
tijde belanghebbenden, bekende of onbekende, doen oproepen.
2.De oproepingen, behalve die van de
verzoeker, gaan vergezeld van een afschrift van het verzoekschrift,
tenzij een oproeping op andere wijze dan bij brief of exploot
geschiedt, of de rechter anders bepaalt; in deze gevallen bevat de
oproeping een korte omschrijving van het verzoek.
3.De opgeroepene verschijnt ter
terechtzitting in persoon of bij een gemachtigde. In zaken waarin
het verzoekschrift door een advocaat moet worden ingediend,
verschijnt de opgeroepene in persoon of bij advocaat. De rechter kan
verschijning in persoon bevelen. De opgeroepene die in persoon
verschijnt, mag zich laten bijstaan door zijn raadsman. In zaken
waarin het verzoekschrift door een advocaat moet worden ingediend,
is de raadsman een advocaat.
4.Van het verhandelde en van de
zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen wordt een
proces-verbaal opgemaakt, dat door de rechter voor wie de mondelinge
behandeling heeft plaatsgevonden, en de griffier wordt ondertekend.
5.Indien de behandeling van een zaak
wordt aangehouden, blijft een hernieuwde oproeping van diegenen, aan
wie de dag en het uur reeds mondeling ter terechtzitting waren
medegedeeld, achterwege.
Artikel 280
In zaken waarin de indiening van het
verzoekschrift niet door een advocaat behoeft te geschieden, zijn de
artikelen 80 en 81 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 281
1.Indien het verzoekschrift ten
onrechte niet door een advocaat is ingediend, biedt de rechter de
verzoeker de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn dit
verzuim te herstellen. Maakt de verzoeker van deze gelegenheid geen
gebruik, dan wordt hij in het verzoek niet ontvankelijk verklaard.
2.Tegen een beslissing ingevolge het
eerste lid staat geen hogere voorziening open.
Artikel 282
1.Iedere belanghebbende kan tot de
aanvang van de behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in de
loop van de behandeling een verweerschrift indienen. Artikel 278 is
van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat, indien de
rechter dit bepaalt, indiening van een verweerschrift in de loop van
de behandeling kan geschieden ter terechtzitting onder verstrekking
van een afschrift aan de verzoeker en de andere opgeroepen
belanghebbenden.
2.Het verweerschrift en de
overgelegde bescheiden gaan vergezeld van de nodige afschriften.
Tenzij de indiening overeenkomstig het eerste lid ter terechtzitting
plaatsvindt, zendt de griffier onverwijld een afschrift toe aan de
verzoeker en aan de andere opgeroepen belanghebbenden.
3.De griffier roept, voor zover dat
nog niet is geschied, hen die verweerschriften hebben ingediend op
tegen de dag van de behandeling.
4.Het verweerschrift mag een
zelfstandig verzoek bevatten, mits dit betrekking heeft op het
onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. De rechter kan aan de
verzoeker en aan de overige belanghebbenden gelegenheid geven tegen
dit zelfstandige verzoek een verweerschrift in te dienen.
Artikel 282a
1. Voor zover bij of krachtens deze
wet of een andere wet niet anders is bepaald, houdt de rechter de
zaak aan zolang de verzoeker en de verweerder het griffierecht niet
hebben voldaan en de termijn genoemd in artikel 3, vierde lid, van
de Wet griffierechten burgerlijke zaken nog loopt.
2. Heeft de verzoeker het
verschuldigde griffierecht niet tijdig voldaan, dan verklaart de
rechter de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek.
3. Heeft de verweerder het
verschuldigde griffierecht niet tijdig voldaan, dan betrekt de
rechter het ingediende verweerschrift niet bij zijn beslissing op
het verzoek.
4. De rechter laat het eerste, tweede
en derde lid geheel of ten dele buiten toepassing, indien hij van
oordeel is dat de toepassing van die bepalingen gelet op het belang
van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal
leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Tegen beslissingen ingevolge het
tweede, derde of vierde lid staat geen hogere voorziening open.
6. Het eerste tot en met vijfde lid
is niet van toepassing in zaken bij de voorzieningenrechter.
Artikel 283
Zolang de rechter nog geen
eindbeschikking heeft gegeven, is de verzoeker bevoegd het verzoek of
de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen
of te vermeerderen. In het geval van verandering of vermeerdering is
artikel 130 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 284
1.De negende afdeling van de tweede
titel is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak
zich hiertegen verzet.
2.Indien de rechter een
getuigenverhoor beveelt, kan hij ook door hem aangewezen personen
als getuigen doen oproepen. In dit geval kan de oproeping door de
griffier geschieden.
3.Het verschoningsrecht komt aan de
in artikel 165, tweede lid, onder a, genoemde personen niet toe in
procedures betreffende de toepassing van de bepalingen van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek, vervat in de titels 5, 5a en 9 tot en
met 20, of van die vervat in titel 6 voor zover het betreft
procedures tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Evenwel
kunnen ouders en kinderen van de echtgenoten of van de
geregistreerde partners zich in procedures tot echtscheiding en tot
scheiding van tafel en bed, onderscheidenlijk tot ontbinding van het
geregistreerd partnerschap, verschonen.
4.De overeenkomstige toepassing van
de artikelen 195 en 199 vindt aldus plaats dat de daarin bedoelde
voorschotheffing, tenuitvoerlegging of voorlopige indebetstelling
geschiedt ten laste van de belanghebbende die het verzoekschrift
heeft ingediend dan wel mede of uitsluitend ten laste van een of
meer andere door de rechter aangewezen belanghebbenden.
Artikel 285
1.De rechter kan, indien een
verzoekschrift over hetzelfde of een verknocht onderwerp reeds bij
een andere rechter is ingediend, de verwijzing naar die andere
rechter bevelen. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot de
aanvang van de behandeling. De griffier zendt een afschrift van de
beschikking aan de rechter naar wie is verwezen.
2.Indien bij dezelfde rechter meer
verzoekschriften over hetzelfde of een verknocht onderwerp zijn
ingediend, kan de voeging daarvan worden bevolen. Een verzoek
daartoe kan worden gedaan tot het einde van de behandeling.
Artikel 286
De rechter bepaalt na afloop van de
behandeling de dag waarop hij uitspraak zal doen en deelt deze dag aan
de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden mede. Op
verlangen van de verzoeker en de in de procedure verschenen
belanghebbenden kan de rechter de uitspraak uitstellen.
Artikel 287
1.Op een beschikking is artikel 230,
eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
2.Indien het verzoekschrift
rechtstreeks aan de voorzieningenrechter ter hand is gesteld en de
voorzieningenrechter toewijzend op het verzoek beschikt, is ook
artikel 230, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 288
De rechter kan de eindbeschikking
uitvoerbaar bij voorraad verklaren, met of zonder zekerheidstelling.
Artikel 289
De eindbeschikking kan tevens een
veroordeling in de proceskosten inhouden. Artikel 244 is van
toepassing.
Artikel 290
1.De verzoeker en iedere
belanghebbende hebben recht op inzage en afschrift van het
verzoekschrift, de verweerschriften, de op de zaak betrekking
hebbende bescheiden en de processen-verbaal.
2.De griffier verstrekt zo spoedig
mogelijk een afschrift van processen-verbaal aan de verzoeker en aan
de in de procedure verschenen belanghebbenden.
3.Van de beschikkingen verstrekt de
griffier zo spoedig mogelijk een afschrift aan de verzoeker en aan
de in de procedure verschenen belanghebbenden. Betreft het een
eindbeschikking, dan is het afschrift dat wordt verstrekt aan degene
die tot tenuitvoerlegging van de beschikking kan overgaan, opgemaakt
in executoriale vorm.
4.De griffier verstrekt desverlangd
tweede of verdere in executoriale vorm opgemaakte afschriften van
een beschikking aan de belanghebbende die tot tenuitvoerlegging van
die beschikking kan overgaan, dan wel aan de rechtverkrijgenden
onder algemene titel van deze belanghebbende. Artikel 28, vijfde en
zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.Elk afschrift dat in executoriale
vorm is opgemaakt, wordt gedagtekend.
Artikel 291
De verzending van processtukken en van
mededelingen aan de verzoeker en belanghebbenden, geschiedt op de
wijze als in de derde afdeling van deze titel voor oproepingen
bepaald.
Vierde titel
Artikel 303 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 304 [Vervallen per 01-01-1935]
Artikel 305 [Vervallen per 01-01-1935]
Artikel 306 [Vervallen per 01-01-1935]
Artikel 307 [Vervallen per 01-01-1935]
Artikel 308 [Vervallen per 01-01-1935]
Artikel 309 [Vervallen per 01-01-1935]
Artikel 310 [Vervallen per 01-01-1935]
Artikel 311 [Vervallen per 01-01-1935]
Artikel 312 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 313 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 314 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 315 [Vervallen per 01-01-1935]
Artikel 316 [Vervallen per 01-01-1935]
Artikel 317 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 318 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 319 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 320 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 320a [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320b [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320c [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320d [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320e [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320f [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320g [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320h [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320i [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320j [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320k [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320l [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320m [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320n [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320o [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320p [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320q [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320r [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320s [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320t [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320u [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320v [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320w [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320x [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320y [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 320z [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 321 [Vervallen per 01-04-1991]
Vijfde titel
Artikel 322 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 323 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 324 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 325 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 326 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 327 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 328 [Vervallen per 01-01-2002]
Zesde titel. Prorogatie van rechtspraak
aan het gerechtshof
Artikel 329
In alle voor hoger beroep bij het
gerechtshof vatbare geschillen over zaken die ter vrije bepaling van
de partijen staan, kunnen partijen overeenkomen die geschillen bij de
aanvang van het geding dadelijk ter kennis te brengen van het
gerechtshof dat in hoger beroep bevoegd zou zijn.
Artikel 330
Voogden, curators of bewindvoerders
zijn hiervan niet uitgesloten, mits daarbij in achtnemende de
verpligtingen aan hen bij de wet opgelegd.
Artikel 331
1.Voor het geregtshof gelden, bij
deze regtsgedingen, de voorschriften, ten aanzien van het
regtsgeding in eersten aanleg.
2.Het gerechtshof doet uitspraak in
eerste aanleg, tevens in hoogste ressort.
Zevende titel. Hoger beroep
Eerste afdeeling. Van de zaken aan
hooger beroep onderworpen
Artikel 332
1.Partijen kunnen van een in eerste
aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering
waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer
beloopt dan € 1750 of, in geval van een vordering van onbepaalde
waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen
hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1750, een en ander tenzij de
wet anders bepaalt. Voor de toepassing van de eerste zin wordt de
tot aan de dag van dagvaarding in eerste aanleg verschenen rente bij
de vordering inbegrepen.
2.Indien de zaak meer dan één
vordering tussen dezelfde partijen betreft, is voor de toepassing
van het eerste lid beslissend het totale beloop of de totale waarde
van deze vorderingen.
3.Was in eerste aanleg een eis in
reconventie ingesteld, dan is voor de toepassing van het eerste lid
beslissend het totale beloop of de totale waarde van de vordering in
conventie en van de vordering in reconventie, met dien verstande dat
met betrekking tot de vordering in reconventie de rente wordt
berekend tot aan de dag van instelling van de eis in reconventie.
Indien echter de beide zaken zijn gesplitst en daarin afzonderlijk
is beslist, zijn op elk van beide vonnissen de gewone regels voor de
vatbaarheid voor hoger beroep van toepassing.
Artikel 333
Geen hoger beroep staat open in zaken
die slechts rechtsgevolgen betreffen die ter vrije bepaling van
partijen staan en waarbij partijen zijn overeengekomen van hoger
beroep af te zien. In zaken als bedoeld in artikel 96 staat hoger
beroep slechts open indien partijen zich dat beroep, binnen de grenzen
van artikel 332, hebben voorbehouden.
Artikel 334
Elke partij welke zal berust hebben in
een vonnis, kan niet meer ontvankelijk zijn om daarvan te komen in
hooger beroep.
Artikel 335
1. Van veroordeelingen bij verstek
valt geen hooger beroep, doch indien de oorspronkelijke eischer van
het vonnis in hooger beroep komt, zal de gedaagde alle zijne
verdedigingen insgelijks in het hooger beroep kunnen doen gelden,
zelfs bij wege van incidenteel beroep, zonder van het middel van
verzet in eersten aanleg meer te kunnen gebruik maken.
2. In afwijking van het eerste lid
kan de gedaagde die niet is verschenen of het griffierecht niet
tijdig heeft voldaan van een vonnis als bedoeld in artikel 140,
tweede lid, in hoger beroep komen, mits hij vooraf bij voorraad,
tegen het stellen van zekerheid, aan het vonnis voldoet, zelfs
wanneer dat vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad was verklaard.
Artikel 336 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 337
1.Van vonnissen waarbij een
voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, kan hoger
beroep worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen.
2.Van andere tussenvonnissen kan
hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden
ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.
Artikel 338 [Vervallen per 01-01-1897]
Tweede afdeeling. Van den termijn van
beroep
Artikel 339
1.De termijn van beroep is drie
maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis.
2.In afwijking van het eerste lid is
de termijn van beroep van een vonnis in kort geding vier weken.
3.De gedaagde in hoger beroep kan
incidenteel beroep instellen, zelfs na verloop van deze termijnen en
na berusting in het vonnis. Het incidenteel beroep wordt, op straffe
van verval, ingesteld bij de conclusie van antwoord.
4.De afstand van instantie laat de
mogelijkheid incidenteel beroep in te stellen onverlet. De gedaagde
in hoger beroep kan op de roldatum waarop de afstand van instantie
is gedaan, de rechter verzoeken voor het instellen van incidenteel
beroep een termijn te bepalen. De gedaagde in hoger beroep kan het
incidenteel beroep ook instellen op een roldatum die binnen twee
weken na de afstand van instantie bij exploot aan eiser in hoger
beroep is aangezegd. Artikel 74, eerste lid, tweede tot en met
vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
5.Indien in eerste aanleg een
vordering tot vrijwaring geheel of gedeeltelijk is afgewezen op
grond van de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, staat het
hoger beroep daartegen open tot het moment dat in de hoofdzaak in
hoger beroep de conclusie van antwoord wordt genomen.
Artikel 340
Indien tijdig beroep in cassatie van
een vonnis is ingesteld, doch dit vonnis voor cassatie niet vatbaar
wordt bevonden, vangt de termijn van beroep van dat vonnis opnieuw aan
te rekenen van de dag der uitspraak in cassatie, mits het beroep in
cassatie werd ingesteld binnen de termijn van beroep.
Artikel 341
Bij overlijden van de in het ongelijk
gestelde partij gedurende de loop van de termijn voor het hoger
beroep, kan het beroep door haar erfgenamen of rechtverkrijgenden nog
worden ingesteld binnen drie maanden na het overlijden, of binnen vier
weken na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 185 van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 342 [Vervallen per 09-08-1982]
Derde afdeeling. Van de regtspleging in
hooger beroep en de gevolgen van hetzelve
Artikel 343
Het hoger beroep wordt aangevangen door
een dagvaarding in dezelfde vorm en met dezelfde vereisten als die in
eerste aanleg, zonder dat zij de middelen waarop het hoger beroep
gegrond is, behoeft uit te drukken. Artikel 111, tweede lid, onder i,
en derde lid, is niet van toepassing. In aanvulling op artikel 111,
tweede lid, vermeldt de dagvaarding ook de gevolgen van niet tijdige
betaling van het griffierecht.
Artikel 344
1.Alle zaken die in hoger beroep bij
de hogere rechter aanhangig worden gemaakt, worden ingeschreven ter
rolle van een enkelvoudige kamer en door haar behandeld.
2.De enkelvoudige kamer verwijst een
zaak, ingevolge dit artikel bij haar aanhangig, naar een meervoudige
kamer indien haar dit wenselijk toeschijnt, doch uiterlijk wanneer
pleidooi wordt gevraagd of recht op de stukken wordt verzocht.
Artikel 344a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 344b
De voorschriften omtrent de behandeling
in hoger beroep zijn zowel op de behandeling door de enkelvoudige als
op die door de meervoudige kamer van toepassing, met dien verstande,
dat degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer tevens de
bevoegdheden bezit die aan de voorzitter van een meervoudige kamer
toekomen.
Artikel 345 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 346 [Vervallen per 01-01-1897]
Artikel 347
1.In hoger beroep worden een
conclusie van eis en een conclusie van antwoord genomen.
2.[Vervallen.]
3.Niettemin zal ingeval van
incidenteel beroep of indien door den verweerder eene exceptie tegen
het principaal beroep wordt aangevoerd, den appellant, op zijn
verlangen, een termijn verleend worden om het incidenteel beroep of
de voorgestelde exceptie bij conclusie te beantwoorden.
Artikel 348
De oorspronkelijke verweerder kan
nieuwe weren van regten, eene verdediging ten principale opleverende,
inbrengen, tenzij dezelve in het geding ter eerster instantie zijn
gedekt, waaronder niet begrepen is het geval, dat het regt om ten
principale te antwoorden ingevolge artikel 128 vervallen is.
Artikel 349
Zoo wel in het principaal als in het
incidenteel beroep, kunnen de nieuwe verweringen, waarvan in het
voorgaande artikel is gesproken, gedaan worden bij met redenen
omkleede conclusiën.
Artikel 350
1.Het hooger beroep schorst de ten
uitvoerlegging van het vonnis, indien daarbij niet is bepaald, dat
hetzelve bij voorraad zal worden ten uitvoer gelegd in de gevallen
waarin dit is toegelaten.
2.Het hoger beroep, ingesteld tegen
een tussenvonnis waartegen ingevolge artikel 337, tweede lid, geen
hoger beroep openstaat voordat het eindvonnis is gewezen of
ingesteld met gebruikmaking van de nieuwe termijn ingevolge artikel
340, schorst de tenuitvoerlegging niet.
Artikel 351
Indien hoger beroep is ingesteld tegen
een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan de hogere
rechter op vordering van een partij alsnog de tenuitvoerlegging van
het vonnis schorsen.
Artikel 352 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 353
1.Voor zover uit deze titel dan wel
uit een andere wettelijke regeling niet anders voortvloeit, is de
tweede titel in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat partijen slechts bij advocaat kunnen procederen,
dat artikel 131 niet van toepassing is en dat geen eis in
reconventie kan worden ingesteld.
2.Niettemin is artikel 224 niet
anders van toepassing dan behoudens de navolgende bepalingen:
De oorspronkelijke gedaagde, eischer
wordende in hooger beroep, is niet gehouden tot de in dat artikel
bedoelde zekerheidstelling.
De gedaagde in hooger beroep is
daartoe evenmin gehouden, zelfs niet bij het instellen van
incidenteel beroep.
De in eersten aanleg gestelde
zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van hooger beroep.
De zekerheidstelling wordt gevorderd
vóór alle weren van regten.
Artikel 354 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 355
In geval van beroep van een
tussenvonnis verwijst de rechter in beroep, wanneer hij het vonnis
bekrachtigt, de zaak naar de rechter in eerste aanleg om op de
hoofdzaak te worden beslist.
Niettemin kan de rechter in beroep de
hoofdzaak in het hoogste ressort zelf afdoen op eenstemmig verlangen
van partijen of indien het geding in staat van wijzen is.
Artikel 356
Wanneer de rechter in hoger beroep een
tussenvonnis vernietigt, kan hij de zaak aan zich houden om in hoger
beroep op de hoofdzaak te beslissen.
Artikel 357 [Vervallen per 01-01-2002]
Vierde afdeling. Hoger beroep tegen
beschikkingen
Artikel 358
1.Tegen eindbeschikkingen in zaken
als bedoeld in artikel 261 staat, behoudens berusting, hoger beroep
open.
2.Door de verzoeker en door de in de
procedure verschenen belanghebbenden moet het hoger beroep worden
ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de
uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de
betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze
bekend is geworden. De artikelen 340 en 350, tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de nieuwe termijn
van hoger beroep openstaat voor degene die beroep in cassatie heeft
ingesteld. Bij het beroepschrift worden zoveel afschriften gevoegd
als er anderen dan hij in eerste aanleg zijn opgeroepen.
3.De termijn loopt in zaken die
volgens afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek
met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, vanaf de dag van de
uitspraak, behoudens voor zover het niet verschenen belanghebbenden
betreft die, hoewel zij ten tijde van de indiening van het
verzoekschrift bekend waren, niet bij name, en zo zij toen onbekend
waren, in het geheel niet zijn opgeroepen. Voor de in de vorige zin
bedoelde belanghebbenden loopt de termijn vanaf de betekening van de
beschikking of het tijdstip waarop de beschikking hun op andere
wijze bekend geworden is. Hetzelfde geldt in zaken betreffende
executele en vereffening van een nalatenschap.
4.Van tussenbeschikkingen kan hoger
beroep slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden
ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.
5.Indien hoger beroep is ingesteld,
kan ondanks het verstrijken van de in de eerste zin van het tweede
lid genoemde termijn en ondanks berusting ieder van de aldaar
genoemde personen alsnog bij verweerschrift incidenteel hoger beroep
instellen.
Artikel 359
Hoger beroep wordt ingesteld door
indiening van een beroepschrift ter griffie van het gerechtshof. Het
beroepschrift vermeldt, naast hetgeen ingevolge artikel 278, eerste
lid, in het verzoekschrift moet worden vermeld, naam en woonplaats van
hen die in eerste aanleg in de procedure zijn verschenen of bij name
zijn opgeroepen.
Artikel 360
1.Hoger beroep schorst de werking,
tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
2.Deze uitvoerbaarverklaring bij
voorraad kan ook in hoger beroep geschieden. Niettegenstaande de
uitvoerbaarverklaring bij voorraad in eerste aanleg kan de hogere
rechter schorsing van de werking bevelen.
3.Het hoger beroep ingesteld tegen
een tussenbeschikking waartegen ingevolgeartikel 358, derde lid,
geen hoger beroep openstaat, schorst de werking niet.
Artikel 361
1.De rechter bepaalt dag en uur
waarop de behandeling aanvangt. Hij beveelt tevens oproeping van de
appellant, van de verzoeker in eerste aanleg en van de in eerste
aanleg in de procedure verschenen belanghebbenden. Bovendien kan hij
te allen tijde belanghebbenden, bekende of onbekende, doen oproepen.
2.Indien aangaande dezelfde
beschikking meer beroepschriften zijn ingediend, kan voeging worden
bevolen.
3.Iedere belanghebbende kan een
verweerschrift indienen. Door belanghebbenden die in hoger beroep
zijn opgeroepen, moet het verweerschrift worden ingediend binnen
vier weken na de toezending aan hen van een afschrift van het
beroepschrift, tenzij de rechter anders bepaalt.
4.Indien een belanghebbende
incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, kunnen de appellant en de
in hoger beroep opgeroepen belanghebbenden daartegen binnen vier
weken na de toezending aan hen van een afschrift van het
verweerschrift waarbij dit incidentele hoger beroep is ingesteld,
een verweerschrift indienen, tenzij de rechter anders bepaalt.
Artikel 362
Voor zover uit deze afdeling dan wel
uit een andere wettelijke regeling niet anders voortvloeit, is de
derde titel in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat artikel 285 niet van toepassing is en dat geen
zelfstandig verzoek kan worden gedaan.
Achtste titel
Artikel 363 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 364 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 365 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 366 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 367 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 368 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 369 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 370 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 371 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 372 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 373 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 374 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 375 [Vervallen per 01-01-2002]
Negende titel. Verzet door derden
Artikel 376
Derden zijn bevoegd zich te verzetten
tegen een vonnis hetwelk hunne regten benadeelt, indien zij noch in
persoon, noch wettiglijk vertegenwoordigd, of indien zij welke zij
vertegenwoordigen, in het regtsgeding niet zijn geroepen, of door
voeging of tusschenkomst geene partij zijn geweest.
Artikel 377
Dit verzet wordt beoordeeld door den
regter, bij wien zoodanig vonnis is gewezen. Het wordt aangebragt door
eene dagvaarding tegen alle de partijen tusschen welke hetzelve is
gevallen, en de algemeene voorschriften wegens de wijze van procederen
zijn op dit verzet toepasselijk.
Artikel 378
Indien zoodanig vonnis aan eenen derde
is tegengeworpen in een regtsgeding, en het verzet daartegen is
ingesteld op den voet van het vorige artikel, staat het vrij aan den
regter voor wien dat regtsgeding aanhangig is, indien daartoe gronden
bestaan, de schorsing van hetzelve toe te staan, tot dat het
ingestelde verzet zal zijn uitgewezen.
Artikel 379
De regter die over een verzet van
derden oordeelt, kan, indien daartoe gronden bestaan, de uitvoering
van het aangevallen vonnis schorsen, tot dat het verzet zal zijn
uitgewezen.
Artikel 380
Bij wettiging van het verzet wordt het
vonnis, waartegen dit gerigt is geweest, alleen in zoo verre verbeterd
als het de regten van derden heeft benadeeld, ten zij het onsplitsbare
der gevallene uitspraak eene geheele vernietiging daarvan noodzakelijk
mogt maken.
Artikel 381 [Vervallen per 10-04-1869]
Tiende titel. Herroeping
Eerste afdeling. Herroeping van
vonnissen
Artikel 382
Een vonnis dat in kracht van gewijsde
is gegaan, kan op vordering van een partij worden herroepen indien:
a. het berust op bedrog door de
wederpartij in het geding gepleegd,
b. het berust op stukken, waarvan
de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is
vastgesteld, of
c. de partij na het vonnis stukken
van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van
de wederpartij waren achtergehouden.
Artikel 383
1.Het rechtsmiddel moet worden
aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is
ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De termijn vangt
niet aan dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
2.Indien de partij die gronden heeft
de herroeping te vorderen binnen die termijn is overleden, is
artikel 341 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 384
1.De vordering tot herroeping wordt
gebracht voor de rechter die in laatste feitelijke instantie over de
zaak heeft geoordeeld.
2.Indien de Hoge Raad na vernietiging
ten principale recht heeft gedaan, wordt de vordering gebracht voor
de rechter van wie het vonnis of het arrest door de Hoge Raad is
vernietigd.
3.Is in laatste feitelijke instantie
beslist door de voorzieningenrechter in kort geding, dan wordt de
vordering gebracht voor de rechtbank.
Artikel 385
Het geding wordt ingeleid met een
dagvaarding die voldoet aan de eisen van artikel 111 en wordt verder
gevoerd op de wijze als in de tweede titel is bepaald.
Artikel 386
De vordering tot herroeping schorst de
tenuitvoerlegging van het vonnis niet. De rechter die over de
herroeping oordeelt, kan evenwel, desgevorderd, bij voorlopige
voorziening de tenuitvoerlegging schorsen.
Artikel 387
De rechter die de voor herroeping
aangevoerde grond of gronden juist bevindt, heropent het geding geheel
of gedeeltelijk. Hij geeft partijen gelegenheid hun stellingen en
verweren te wijzigen en aan te vullen.
Artikel 388
1.Het vonnis waarbij het geding is
heropend, schorst de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis in
zoverre.
2.De beslissing inzake de heropening
van het geding is niet vatbaar voor hoger beroep. Een vordering tot
herroeping kan daartegen evenmin worden ingesteld.
Artikel 389
Indien de rechter met betrekking tot
het geding voor zover het is heropend, tot een ander oordeel komt,
doet hij daarin opnieuw uitspraak met herroeping in zoverre van het
bestreden vonnis.
Tweede afdeling. Herroeping van
beschikkingen
Artikel 390
Een beschikking kan op verzoek van de
oorspronkelijke verzoeker of van een belanghebbende worden herroepen
op de gronden genoemd in artikel 382, tenzij de aard van de
beschikking zich daartegen verzet.
Artikel 391
De artikelen 382 tot en met 384 en 386
tot en met 389 zijn van overeenkomstige toepassing. Overigens wordt
het verzoek tot herroeping behandeld op de wijze als in de derde titel
is bepaald.
Artikel 392 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 393 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 394 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 395 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 396 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 397 [Vervallen per 01-01-2002]
Elfde titel. Cassatie
Eerste afdeling. Van de zaken aan
cassatie onderworpen
Artikel 398
Partijen kunnen beroep in cassatie
instellen:
1°. tegen uitspraken, die hetzij
in eerste en hoogste ressort hetzij in hoger beroep zijn gewezen;
2°. tegen vonnissen die in eerste
ressort op tegenspraak zijn gewezen, indien partijen nadien zijn
overeengekomen het hoger beroep over te slaan.
Artikel 399
Het beroep staat niet open voor hem die
zijn bezwaren kan doen herstellen door dezelfde rechter bij wie de
zaak heeft gediend.
Artikel 400
Het beroep staat niet open voor hem,
die in de uitspraak heeft berust.
Artikel 401 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 401a
1.Van uitspraken, waarbij een
voorlopige voorziening wordt toegestaan of geweigerd, kan beroep in
cassatie worden ingesteld voordat de einduitspraak is gewezen.
2.Van andere tussenvonnissen of
tussenarresten kan beroep in cassatie slechts tegelijk met dat van
het eindvonnis of eindarrest worden ingesteld, tenzij de rechter
anders heeft bepaald of artikel 75, eerste lid, van toepassing is.
Artikel 401b
1.Tegen een bij verstek gewezen
uitspraak kan de niet-verschenen partij geen beroep in cassatie
instellen.
2.Zij kan echter, indien een der
andere partijen beroep in cassatie instelt, bij de Hoge Raad verweer
voeren en zelfs incidenteel beroep instellen.
Artikel 401c
1.Indien het beroep tegen een bij
verstek gewezen uitspraak wordt ingesteld, terwijl verzet nog open
staat, kan de verweerder niet meer verzet doen, indien hij heeft
gebruik gemaakt van de bevoegdheid, hem in artikel 401b, tweede lid,
toegekend.
2.Ingeval van verzet vervalt het
geding bij de Hoge Raad, onverminderd het recht van partijen om, na
de uitspraak op het verzet, in cassatie op te komen tegen die
uitspraak, zomede van de oorspronkelijke eiser om alsdan binnen
dezelfde termijn in cassatie op te komen tegen de uitspraak bij
verstek voor wat betreft de beslissingen, die door het verzet niet
zijn getroffen.
3.Ingeval, voordat verzet is gedaan,
het geding bij de Hoge Raad geëindigd is, belet dit niet het alsnog
doen van verzet. Indien de Hoge Raad ten principale uitspraak deed,
moet het verzet bij hem worden gedaan. In alle gevallen is de
rechter gebonden aan hetgeen de Hoge Raad omtrent rechtspunten had
beslist.
Tweede afdeling. Van de termijn van
beroep en van deszelfs schorsende kracht
Artikel 402
1.Het beroep in cassatie moet -
behoudens in de gevallen waarin de wet een kortere cassatietermijn
voorschrijft - worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van
de dag van de uitspraak.
2.In de gevallen, waarin de wet voor
het hoger beroep een kortere termijn heeft voorgeschreven, wordt ook
de termijn voor het beroep in cassatie verkort en gesteld op het
dubbele van de termijn in die gevallen voor het hoger beroep
bepaald.
3.Indien in de vorige instantie een
vordering tot vrijwaring geheel of gedeeltelijk is afgewezen op
grond van de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, staat het
beroep in cassatie daartegen open tot het moment dat in de hoofdzaak
in cassatie de conclusie van antwoord wordt genomen.
Artikel 403
1.Bij overlijden van de in het
ongelijk gestelde partij gedurende de loop van de cassatietermijn
vangt voor de erfgenamen of rechtverkrijgenden een nieuwe termijn
aan op de dag na die van het overlijden.
2.In ieder geval kan het beroep nog
worden ingesteld binnen vier weken na afloop van de termijn, bedoeld
in artikel 185 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 404
Buiten de gevallen, waarin de rechter
de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegestaan, heeft het beroep in
cassatie schorsende kracht.
Artikel 405 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 406 [Vervallen per 01-01-1992]
Derde afdeling. Van de rechtspleging in
cassatie
Artikel 407
1. Het beroep in cassatie wordt
ingesteld bij een dagvaarding in dezelfde vorm en met dezelfde
vereisten als in eerste aanleg, behoudens de volgende leden:
2. De dagvaarding behelst, in plaats
van hetgeen in artikel 111, tweede lid, onder d, is vermeld, de
omschrijving van de middelen, waarop het beroep steunt. Artikel 111,
tweede lid, onder i, en derde lid, is niet van toepassing. In
aanvulling op artikel 111, tweede lid, vermeldt de dagvaarding ook
de gevolgen van niet tijdige betaling van het griffierecht.
3. De eiser is gehouden in het
exploit van dagvaarding een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen,
die hem in het geding zal vertegenwoordigen, op straffe van
nietigheid.
4. Hij wordt geacht woonplaats te
hebben gekozen bij die advocaat, tenzij het exploit een andere
binnen de gemeente 's-Gravenhage gekozen woonplaats uitdrukt.
Artikel 408
De verweerder kan de termijn, waarop
hij gedagvaard is, verkorten door bij een aan de gekozen woonplaats
des eisers betekend exploit deze tegen een vroegere dan in het exploit
van dagvaarding opgegeven rechtsdag op te roepen.
Artikel 408a
1.Alle zaken worden ingeschreven ter
rolle van de enkelvoudige kamer en door haar behandeld.
2.De enkelvoudige kamer verwijst de
zaak naar de meervoudige kamer:
a. wanneer pleidooi wordt
gevraagd, tenzij volstaan zal worden met het overleggen van
schriftelijke toelichtingen
b. wanneer recht op de stukken
wordt verzocht
c. steeds wanneer zij verwijzing
wenselijk acht.
3.Is volstaan met het overleggen van
schriftelijke toelichtingen, dan vindt verwijzing plaats wanneer
arrest wordt gevraagd.
4.[Vervallen.]
5.Voor de toepassing van de artikelen
412, tweede lid, 417 en 418, eerste lid geldt de schriftelijke
toelichting als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en in het
derde lid als pleidooi.
Artikel 409
1.De advocaat bij de Hoge Raad, die
voor de verweerder optreedt, verklaart dit bij de oproeping der zaak
ter terechtzitting.
2.Van deze verklaring geschiedt
aantekening in het zittingblad.
3.De verweerder wordt geacht
woonplaats te hebben gekozen bij zijn advocaat. Hij kan echter ook
een andere woonplaats mits binnen de gemeente 's-Gravenhage, in het
zittingblad opgeven.
Artikel 409a
1. De Hoge Raad houdt de zaak aan
zolang de eiser het griffierecht niet heeft voldaan en de termijn
genoemd in artikel 3, derde lid, van de Wet griffierechten
burgerlijke zaken nog loopt.
2. Indien de eiser het griffierecht
niet tijdig heeft voldaan, verklaart de Hoge Raad eiser niet
ontvankelijk in zijn beroep in cassatie, met veroordeling van de
eiser in de kosten.
3. Artikel 127a, derde en vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 410
1.De verweerder, van zijn zijde in
cassatie wensend te komen, doet dit, op straffe van verval van het
recht daartoe, bij zijn conclusie van antwoord, welke alsdan een
omschrijving behelst van de middelen, waarop het beroep steunt.
2.De verweerder is in dit incidentele
beroep ontvankelijk ook na verloop van de in artikel 402 gestelde
termijnen en zelfs na berusting in de uitspraak.
3.De afstand van instantie laat de
mogelijkheid incidenteel beroep in te stellen onverlet. De
verweerder kan op de roldatum waarop de afstand van instantie is
gedaan, de rechter verzoeken voor het instellen van incidenteel
beroep een termijn te bepalen. De verweerder kan het incidenteel
beroep ook instellen op een roldatum die binnen twee weken na de
afstand van instantie bij exploot aan eiser is aangezegd. Artikel
74, eerste lid, tweede tot en met vierde volzin, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 411
1. De verweerder neemt zijn met
redenen omklede conclusie van antwoord op de eerste of op zijn
verlangen op een nader door de rechter te bepalen roldatum die ten
hoogste vier weken nadien valt, doch niet dan nadat hij het
verschuldigde griffierecht heeft voldaan. Indien de verweerder het
griffierecht niet tijdig heeft voldaan, vervalt zijn recht om in
cassatie te komen.
2. Hij is op straffe van verval van
het recht exceptiën aan te voeren, gehouden deze met zijn antwoord
ten principale te verenigen.
3. Alleen de in artikel 128, vierde
lid, bedoelde exceptie wordt op straffe van verval afzonderlijk voor
alle weren van rechten voorgedragen.
Artikel 412
1.Ingeval van incidenteel beroep of
indien door de verweerder een exceptie tegen het principale beroep
wordt aangevoerd, wordt aan de eiser, op zijn verlangen, een termijn
van ten hoogste vier weken verleend om het incidentele beroep of de
voorgestelde exceptie bij conclusie te beantwoorden.
2.Is het een noch het ander het
geval, dan wordt onmiddellijk na het nemen der conclusie van
antwoord de dag van pleidooi bepaald, tenzij partijen, onder
overlegging der stukken, daarop recht vragen.
Artikel 413
Partijen zijn gehouden de bescheiden,
waarop zij zich beroepen, elkander over en weer mede te delen in
afschrift of door nederlegging van het oorspronkelijke ter griffie
gedurende tenminste drie dagen.
Artikel 414
1.Artikel 224 is van toepassing in
cassatie.
2.Niettemin is de oorspronkelijke
verweerder, eiser zijnde in cassatie, niet gehouden tot
zekerheidstelling.
3.De verweerder in cassatie is
daartoe evenmin gehouden, zelfs niet bij het instellen van
incidenteel beroep.
4.De in vroegere instantiën gestelde
zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van cassatie.
5.De zekerheidstelling wordt
gevorderd vóór alle weren van rechten.
Artikel 415
1.De vordering tot zekerheidstelling
en alle andere incidentele vorderingen worden ingesteld bij
conclusie ter rolle.
2.De verweerder op het incident neemt
in dezelfde of in een nadere door de Hoge Raad te bepalen
terechtzitting zijn conclusie van antwoord op het incident, dat door
de Hoge Raad, na partijen, zo zij dit verlangen, en de
procureur-generaal bij de Hoge Raad te hebben gehoord, afzonderlijk
wordt beslist.
Artikel 416
De aangewezen advocaat blijft de partij
vertegenwoordigen totdat hetzij door haar een andere advocaat bij de
Hoge Raad is aangewezen bij aan de wederpartij betekend exploit,
hetzij de advocaat zelf aan deze laatste bij betekend exploit of ter
terechtzitting heeft aangezegd, dat hij zich aan de verdere
behandeling der zaak onttrekt.
Artikel 417
De pleidooien kunnen ook worden
gehouden door andere dan de volgens de artikelen 407 en 409 aangewezen
advocaten, zonder dat de daaruit ontstaande vermeerdering van kosten
in de uitspraak over de kosten begrepen is.
Artikel 418
Na de pleidooien, of nadat partijen
recht op de stukken hebben verzocht, neemt de procureur-generaal bij
de Hoge Raad conclusie, hetzij onmiddellijk, hetzij op een daartoe te
bepalen dag.
Tenzij de Hoge Raad dadelijk uitspraak
doet, bepaalt hij de dag, waarop dit zal geschieden.
Artikel 418a
Voor zover uit deze titel niet anders
voortvloeit, zijn van de tweede titel de artikelen 87 tot en met 92,
de artikelen 111 tot en met 122, artikel 125, de zevende tot en met de
negende afdeling, alsmede de elfde tot en met de dertiende afdeling
van overeenkomstige toepassing.
Vierde afdeling. Van de uitspraak in
cassatie
Artikel 419
1.De Hoge Raad bepaalt zich bij zijn
onderzoek tot de middelen waarop het beroep steunt.
2.De feitelijke grondslag der
middelen kan alleen worden gevonden in de bestreden uitspraak en in
de stukken van het geding.
3.De Hoge Raad is gebonden aan
hetgeen in de bestreden uitspraak omtrent de feiten is vastgesteld.
4.De Hoge Raad geeft omtrent de
kosten van het geding zodanige uitspraak als hij vermeent te
behoren.
Artikel 420
Bij vernietiging van de bestreden
uitspraak doet de Hoge Raad het geding zelf af, voor zover er niet op
de voet van de navolgende bepalingen gronden zijn voor verwijzing.
Artikel 421
Indien na de vernietiging dient te
worden beslist over feiten, waaromtrent nog geen uitspraak is gedaan,
verwijst de Hoge Raad het geding, tenzij het een punt van
ondergeschikte aard betreft, waarover de Hoge Raad op grond van de
stukken van het geding een beslissing kan geven.
Artikel 422
Indien na de vernietiging dient te
worden beslist over rechtspunten, waaromtrent nog geen uitspraak is
gedaan, zal de Hoge Raad naar bevind van omstandigheden daaromtrent
een beslissing geven dan wel daartoe het geding verwijzen.
Artikel 422a
Het geding wordt verwezen naar de
rechter, wiens uitspraak vernietigd is, tenzij er overeenkomstig het
bepaalde bij de artikelen 76 en 355 reden is tot verwijzing naar de
rechter van eerste aanleg.
Artikel 423
De Hoge Raad kan, in stede van het
geding te verwijzen naar de rechter, wiens uitspraak vernietigd is,
het verwijzen naar een andere rechter en wel:
1°. wanneer de vernietigde
uitspraak was gewezen door een rechtbank, naar het gerechtshof van
het ressort;
2°. wanneer de vernietigde
uitspraak was gewezen door een gerechtshof, naar een ander
gerechtshof.
Artikel 424
De rechter, naar wie het geding is
verwezen, zet de behandeling daarvan voort en beslist met inachtneming
van de uitspraak van de Hoge Raad.
Artikel 425
Er wordt geen verzet toegelaten tegen
arresten door de Hoge Raad bij verstek in cassatie gewezen, dan alleen
wanneer er gronden waren tot nietigverklaring van de dagvaarding of
het beroep was ingesteld na verloop van de wettelijke termijn en mits
het verzet geschiedde binnen veertien dagen na de betekening van het
arrest.
Vijfde afdeling. Van beroep in cassatie
tegen beschikkingen op rekest
Artikel 426
1.Tegen beschikkingen op rekest kan
beroep in cassatie worden ingesteld door degenen, die in een der
vorige instantiën verschenen zijn, binnen drie maanden, te rekenen
van de dag van de uitspraak.
2.In de gevallen, waarin de wet voor
het hoger beroep een kortere termijn heeft voorgeschreven, wordt ook
de termijn voor het beroep in cassatie verkort en gesteld op het
dubbele van de termijn in die gevallen voor het hoger beroep
bepaald.
3.In de gevallen, waarin de wet voor
het hoger beroep een ander aanvangstijdstip heeft voorgeschreven dan
de dag van de uitspraak, geldt dat andere aanvangstijdstip ook voor
de termijn van het beroep in cassatie.
4.De artikelen 399, 400, en 401a en
de artikelen 79 en 80 van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 426a
1.Het beroep in cassatie wordt
aangebracht bij een verzoekschrift, dat wordt getekend door een
advocaat bij de Hoge Raad en ingediend bij deszelfs griffie.
2.Het verzoekschrift behelst de
omschrijving van de middelen waarop het beroep steunt.
Artikel 426b
1. De verzoeker doet zijn
verzoekschrift vergezeld gaan van zoveel afschriften als er anderen
dan hij in de vorige instantie verschenen zijn.
2. De griffier zendt onverwijld een
afschrift aan ieder hunner toe.
3. Binnen 3 weken na de toezending
kunnen de verweerders een door een advocaat bij de Hoge Raad
getekend verweerschrift ter griffie van de Hoge Raad indienen.
4. De Hoge Raad kan in een bepaald
geval een andere termijn vaststellen.
5. De griffier vermeldt bij de
toezending de termijn, binnen welke het verweerschrift moet worden
ingediend. Artikel 276, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 427
1.Bij het verweerschrift kan de
verweerder, ondanks het verstrijken van de in artikel 426 gestelde
termijnen en ondanks berusting, van zijn zijde in cassatie komen.
2.Artikel 426a, tweede lid, en
artikel 410, derde lid, zijn van toepassing.
Artikel 427a
1.Het verweerschrift gaat vergezeld
van een afschrift, dat de griffier onverwijld aan de advocaat van de
verzoeker tot cassatie toezendt.
2.In geval van incidenteel beroep of
indien door de verweerder een exceptie tegen het principaal beroep
wordt aangevoerd, kan de verzoeker tot cassatie binnen 3 weken na de
toezending daarop bij door zijn advocaat getekend verweerschrift
antwoorden. Het verweerschrift gaat vergezeld van een afschrift,
hetwelk de griffier onverwijld aan de advocaat van de verweerder
toezendt.
3.Het vierde en vijfde lid van
artikel 426b zijn van toepassing.
Artikel 427b
Artikel 282a is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 428
1.Indien het belang der zaak dit
geraden doet voorkomen, kan de Hoge Raad, hetzij ambtshalve, hetzij
op daartoe strekkend verzoek, een toelichting door de advocaten
bevelen.
2.Geschiedt de toelichting mondeling,
dan vindt deze voor de meervoudige kamer plaats. Wordt de
toelichting schriftelijk gegeven, dan geschiedt dit voor de
enkelvoudige kamer.
3.De toelichting kan ook worden
gegeven door andere advocaten, zonder dat de daaruit ontstaande
vermeerdering van kosten in de uitspraak over de kosten begrepen is.
Artikel 428a
Voor zover uit deze afdeling niet
anders voortvloeit, is artikel 284 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 429
1.Nadat de procureur-generaal bij de
Hoge Raad binnen een door de Hoge Raad te bepalen termijn
schriftelijk conclusie heeft genomen, geeft de Hoge Raad zijn
beschikking.
2.De artikelen 419-424 zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.De Hoge Raad geeft bij de
beschikking zodanige uitspraak omtrent de kosten als hij vermeent te
behoren. De griffier doet onverwijld mededeling van de gevallen
beslissing aan de advocaten, die de schrifturen hebben ingediend.
Twaalfde titel
Artikel 429a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429b [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429c [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429d [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429e [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429f [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429g [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429h [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429i [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429j [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429k [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429l [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429m [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429n [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429o [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429p [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429q [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429r [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429s [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 429t [Vervallen per 01-01-2002]
Tweede Boek. Van de gerechtelijke
tenuitvoerlegging van vonissen, beschikkingen en authentieke akten
Eerste titel. Algemene regels
Artikel 430
1.De grossen van in Nederland gewezen
vonnissen, van beschikkingen van de Nederlandse rechter en van in
Nederland verleden authentieke akten alsmede van andere bij de wet
als executoriale titel aangewezen stukken kunnen in geheel Nederland
worden ten uitvoer gelegd.
2.Zij moeten aan het hoofd voeren de
woorden: In naam des Konings.
3.Zij kunnen niet worden ten uitvoer
gelegd dan na betekening aan de partij tegen wie de executie zich
zal richten.
Artikel 431
1.Behoudens het bepaalde in de
artikelen 985-994, kunnen noch beslissingen, door vreemde rechters
gegeven, noch buiten Nederland verleden authentieke akten binnen
Nederland ten uitvoer worden gelegd.
2.De gedingen kunnen opnieuw bij de
Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan.
Artikel 431a
Indien de bevoegdheid tot
tenuitvoerlegging van een executoriale titel op een ander overgaat,
kan de executie eerst worden aangevangen of voortgezet na betekening
van deze overgang aan de geëxecuteerde.
Artikel 432
Geen vonnis waarvan de voorlopige
tenuitvoerlegging niet is toegestaan kan tegen een derde worden ten
uitvoer gelegd, noch kan daaraan door die derde worden voldaan, dan
acht dagen na betekening daarvan aan de partij die in het ongelijk is
gesteld, en met overlegging van een verklaring van de griffier dat er
op zijn registers geen verzet, hoger beroep of cassatie daartegen is
aangetekend.
Artikel 433
De partij die verzet heeft gedaan, of
hoger beroep of beroep in cassatie heeft ingesteld, heeft de
bevoegdheid om daarvan ter griffie van het gerecht dat het bestreden
vonnis heeft uitgesproken, in een daartoe bestemd register aantekening
te doen houden, met vermelding van de namen van de partijen, de
dagtekening van het vonnis en die van het verzet, het hoger beroep of
het beroep in cassatie.
Artikel 434
De overhandiging van de executoriale
titel, waarvan men de uitvoering verlangt, aan de deurwaarder,
machtigt hem in die zaak tot het doen van de gehele executie, uit die
titel voortvloeiende, met uitzondering alleen van die bij lijfsdwang,
waartoe een bijzondere volmacht vereist wordt.
Artikel 434a
Kosten terzake van ambtshandelingen,
verricht door gerechtsdeurwaarders, worden voor de bepaling van de
kosten van tenuitvoerlegging in aanmerking genomen overeenkomstig bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde tarieven.
Artikel 435
1.Het staat aan de executant vrij te
gelijker tijd beslag te leggen op alle voor beslag vatbare goederen,
waartoe hij bevoegd is zijn vordering te verhalen.
2.Hij is verplicht een beslag dat
strekt tot verhaal op een goed dat aan een ander dan de schuldenaar
toebehoort, en dat ten laste van die ander wordt gelegd, binnen acht
dagen aan de schuldenaar te betekenen.
3.Wordt een beslag van de in het
vorige lid bedoelde strekking ten laste van de schuldenaar gelegd,
dan is de beslaglegger verplicht het binnen acht dagen aan de ander
te betekenen of, zo hij diens recht niet kent, onverwijld nadat hij
van dat recht kennis heeft gekregen. Indien de ander, voordat acht
dagen na deze betekening zijn verstreken, schriftelijk aan de
deurwaarder mededeelt zich tegen het verhaal op zijn goed te
verzetten, geldt het beslag jegens hem slechts als conservatoir en
kan de executie jegens hem slechts plaatsvinden uit hoofde van een
tegen hem verkregen executoriale titel om deze executie te dulden.
Artikel 436
Beslag mag niet worden gelegd op
goederen, bestemd voor de openbare dienst.
Artikel 437
Hetgeen omtrent de executie van een
goed is bepaald, is van overeenkomstige toepassing op de executie van
een beperkt recht op of een aandeel in een zodanig goed.
Artikel 438
1.Geschillen die in verband met een
executie rijzen, worden gebracht voor de rechtbank die naar de
gewone regels bevoegd zou zijn, of in welker rechtsgebied de
inbeslagneming plaatsvindt, zich een of meer van de betrokken zaken
bevinden of de executie zal geschieden.
2.Tot het verkrijgen van een
voorziening bij voorraad kan het geschil ook worden gebracht in kort
geding voor de voorzieningenrechter van de volgens het eerste lid
bevoegde rechtbank. Onverminderd zijn overige bevoegdheden kan de
voorzieningenrechter desgevorderd de executie schorsen voor een
bepaalde tijd of totdat op het geschil zal zijn beslist, dan wel
bepalen dat de executie slechts tegen zekerheidstelling mag
plaatsvinden of worden voortgezet. Hij kan beslagen, al of niet
tegen zekerheidstelling, opheffen. Hij kan gedurende de executie
herstel bevelen van verzuimde formaliteiten met bepaling welke op
het verzuim gevolgde formaliteiten opnieuw moeten worden verricht en
te wiens laste de kosten daarvan zullen komen. Hij kan bepalen dat
een in het geding geroepen derde de voortzetting van de executie
moet gedogen dan wel zijn medewerking daaraan moet verlenen, al dan
niet tegen zekerheidstelling door de executant.
3.Voor zover de zaak zich niet leent
voor behandeling in kort geding, kan de voorzieningenrechter in
plaats van de vordering af te wijzen de zaak op verlangen van de
eiser verwijzen naar de rechtbank met bepaling van de dag waarop zij
op de rol moet komen. Tegen een gedaagde die op voormeld tijdstip
niet verschijnt en ook voor de voorzieningenrechter niet bij
advocaat is verschenen, wordt slechts verstek verleend, zo hij tegen
dit tijdstip bij exploit is opgeroepen met inachtneming van de voor
dagvaarding voorgeschreven termijn, dan wel van de termijn die op
verlangen van de eiser door de voorzieningenrechter bepaald is.
4.De deurwaarder die met de executie
is belast en daarbij op een bezwaar stuit dat een onverwijlde
voorziening nodig maakt, kan zich met een daarvan door hem opgemaakt
proces-verbaal bij de voorzieningenrechter vervoegen ten einde deze
in kort geding tussen de betrokken partijen te doen beslissen. De
voorzieningenrechter zal de behandeling aanhouden tot de partijen
zijn opgeroepen, tenzij hij, gelet op de aard van het bezwaar, een
onmiddellijke beslissing geboden acht. De deurwaarder die zijn
voormelde bevoegdheid zonder instemming van de executant uitoefent,
kan persoonlijk in de kosten worden veroordeeld, indien deze
uitoefening nodeloos was.
5.Verzet tegen de executie door een
derde geschiedt door dagvaarding van zowel de executant als de
geëxecuteerde.
Artikel 438a
1.In zaken betreffende een executie
die volgens de tweede en de derde titel van dit Boek of titel 9 van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek worden ingeleid door een
verzoekschrift aan de voorzieningenrechter van de rechtbank, is
bevoegd de voorzieningenrechter in wiens rechtsgebied de te
executeren zaken zich geheel of grotendeels bevinden of de executie
zal geschieden.
2.De indiening van verzoekschriften
krachtens de artikelen 459, derde lid, 461b, 462, tweede lid, 463,
derde lid, 463a, 465, 481, eerste lid, 496, tweede lid, en 506,
tweede lid, kan ook door een deurwaarder geschieden. Hetzelfde geldt
voor een verzoekschrift krachtens artikel 234, derde lid, van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek, indien de executie door een pandhouder
geschiedt, of krachtens artikel 251 van dat Boek. Indien een
deurwaarder het verzoekschrift indient, geldt zijn kantoor als
gekozen woonplaats van de verzoeker.
Artikel 438b
Voor zover de executie andere
handelingen vergt dan het doen van een exploot, is artikel 64 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de
overeenkomstige toepassing van het derde lid van dat artikel de plaats
waar de handeling moet worden verricht, bepalend is.
Artikel 438c
Wanneer voor de tenuitvoerlegging van
een rechterlijke beslissing een financiële waarborg is vereist, wordt
een gelijkwaardige bij een in een andere lidstaat van de Europese Unie
gevestigde bank of verzekeraar gestelde waarborg erkend. Die banken
moeten in een lidstaat van de Europese Unie erkend zijn overeenkomstig
Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni
2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden
van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU 2006, L 177), en die
verzekeraars overeenkomstig de Eerste Richtlijn 73/239/EEG van de Raad
van 24 juli 1973 betreffende de toegang tot het directe
verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de
levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PbEG 1973, L
228) dan wel Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 5 november 2002 betreffende de levensverzekering (PbEG 2002,
L 345).
Tweede titel. Van de gerechtelijke
tenuitvoerlegging op goederen die geen registergoederen zijn
Eerste afdeling. Van executoriaal
beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn
Artikel 439
1.Het beslag op roerende zaken die
geen registergoederen zijn, moet worden voorafgegaan door een
exploit van een deurwaarder, houdende bevel om binnen twee dagen aan
de executoriale titel te voldoen. Eerst na verloop van die termijn
kan het beslag worden gelegd. Indien daartoe gronden zijn, kan de
voorzieningenrechter van de rechtbank, ook op mondeling verzoek van
de deurwaarder, die termijn inkorten.
2.Indien bij het betekenen van de
executoriale titel tevens het voorgeschreven bevel is gedaan, wordt
geen afzonderlijk bevel vereist.
3.Bij het bevel of de betekening moet
de executant tot het uiteinde der executie woonplaats kiezen ten
kantore van de deurwaarder, zulks op straffe van nietigheid van het
exploit. Tevens kan woonplaats worden gekozen in Nederland ten
kantore van een advocaat.
Artikel 440
1.Het beslag wordt gelegd bij een
exploit van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op
straffe van nietigheid inhoudt:
a. de vermelding van de voornaam,
naam en woonplaats van de executant en de naam en woonplaats van
de geëxecuteerde;
b. de vermelding van de
executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd;
c. indien het beslag niet wordt
gelegd door een deurwaarder ten kantore van wie woonplaats is
gekozen overeenkomstig artikel 439, derde lid, een keuze van
woonplaats ten kantore van de deurwaarder die het beslag legt.
2.De deurwaarder kan zich doen
bijstaan door een of twee getuigen, wier naam en woonplaats hij in
dat geval in het proces-verbaal zal vermelden en die dat stuk mede
zullen tekenen.
Artikel 441
1.Het beslag kan slechts worden
gedaan voor een vordering waarvan het geldelijk beloop bepaalbaar
is.
2.Indien de vordering niet is
vereffend, worden na het beslag alle verdere vervolgingen gestaakt,
totdat de vereffening is geschied.
Artikel 443
1.De deurwaarder zal dadelijk, of
uiterlijk op de volgende dag overgaan tot de meer bijzondere
aanduiding der zaken die hij in beslag neemt, en zal deze op het
door hem daarvan onverwijld op te maken proces-verbaal nauwkeurig
beschrijven met opgave van hun getal, gewicht en maat overeenkomstig
hun aard. Het proces-verbaal wordt binnen drie dagen na de
inbeslagneming betekend aan de geëxecuteerde en, als er een
bewaarder is, ook aan deze.
2.De executant mag bij de
inbeslagneming niet tegenwoordig zijn dan in geval de deurwaarder
zulks ter aanwijzing van de in beslag te nemen zaken noodzakelijk
acht.
Artikel 444
1.De deurwaarder heeft ter
inbeslagneming toegang tot elke plaats, voor zover dat
redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
2.Indien de deuren gesloten zijn, of
de opening daarvan geweigerd wordt, gelijk mede indien geweigerd
wordt enige kamer of stuk huisraad te openen, alsmede wanneer bij
niet-tegenwoordigheid van de geëxecuteerde er niemand gevonden
wordt om hem te vertegenwoordigen, zal de deurwaarder zich vervoegen
bij de burgemeester der gemeente in wiens tegenwoordigheid de
opening van de deuren en van het huisraad zal worden gedaan voor
zover dat redelijkerwijs nodig is. De burgemeester kan zich doen
vertegenwoordigen door een ambtenaar van politie die tevens
hulpofficier van justitie is. Van de tegenwoordigheid van deze
ambtenaar en van hetgeen in zijn bijzijn, uit kracht van dit en de
volgende drie artikelen, is verricht, zal melding gemaakt worden in
het proces-verbaal van beslag.
3.Bij het binnentreden in een woning
zonder toestemming van de bewoner zijn de artikelen 10 en 11, tweede
lid, van de Algemene wet op het binnentreden op het proces-verbaal
van beslag van overeenkomstige toepassing. Deze artikelen gelden
eveneens in het geval dat na het binnentreden geen beslag wordt
gelegd.
Artikel 444a
1.Indien er redelijk vermoeden
bestaat, dat in beslag te nemen zaken zich bevinden op een plaats,
van een derde gehuurd of op andere wijze in gebruik verkregen,
zodanig dat voor de toegang de medewerking van de derde nodig
blijft, zal de deurwaarder, ingeval van weigering van de
geëxecuteerde of de derde om de deuren, welke tot de plaats toegang
geven, te openen, handelen, zoals in het vorige artikel is bepaald.
Met weigering staat gelijk afwezigheid na behoorlijke sommatie om
persoonlijk of bij gemachtigde te verschijnen om de deuren te
openen. De deurwaarder kan inmiddels door een bewaarder beletten,
dat van de plaats iets wordt weggenomen.
2.De derde is gehouden de deurwaarder
op vertoon van de titel, uit krachte waarvan het beslag wordt
gelegd, aanwijzing te doen van de verhuurde of op andere wijze in
gebruik gegeven ruimte.
3.Zij die van het verhuren of op
andere wijze in gebruik geven, als bedoeld in de vorige leden, een
bedrijf maken, zijn verplicht desgewenst de deurwaarder inzage te
geven van het register of de stukken, waarin de gebruikers zijn
vermeld.
4.Van het ogenblik, dat de
deurwaarder zich tot de derde heeft gewend om tot de inbeslagneming
ingevolge dit artikel te komen, mag de derde de geëxecuteerde
toegang tot de ruimte niet meer verlenen dan in tegenwoordigheid van
de deurwaarder.
Artikel 444b
1.Indien de derde niet voldoet aan
enige hem bij het tweede, derde en vierde lid van het vorige artikel
opgelegde verplichting, kan hij worden veroordeeld tot voldoening
van het bedrag der vordering, waarvoor het beslag wordt gelegd, met
rente en kosten.
2.De schade, welke de derde lijdt
door het openbreken der deuren, wordt, indien dit niet aan hem te
wijten is, hem vergoed door de executant, behoudens het verhaal van
deze op de geëxecuteerde, indien daartoe gronden aanwezig zijn. De
derde kan verlangen, dat, alvorens tot het openmaken der deuren
wordt overgegaan, zekerheid wordt gesteld voor de voldoening der hem
verschuldigde schadevergoeding.
3.De deurwaarder en de ambtenaar, in
artikel 444 genoemd, zijn tot geheimhouding verplicht nopens de
inhoud van het register en de stukken, bedoeld in het derde lid van
het vorige artikel; echter wat de geëxecuteerde betreft, voor zover
niet anders is vereist voor een behoorlijke vervulling van hun taak
te dezen.
Artikel 445
Indien er bij de inbeslagneming gereed
geld wordt gevonden, zal het getal en de geldsoort vermeld worden; de
deurwaarder zal het geld benevens alle aandeelbewijzen, effecten en
verder geldswaarde hebbend papier aan een door hem aan te wijzen
financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel
toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen of door een
zodanige financiële onderneming gegarandeerd effectenbewaarbedrijf of
aan de Nederlandsche Bank N.V. in gerechtelijke bewaring geven, tenzij
de executant en geëxecuteerde omtrent een andere plaats van bewaring
mochten zijn overeengekomen. De bewaring geschiedt ten name van de
deurwaarder onder vermelding van het beslag, van de executant en van
de geëxecuteerde.
Artikel 446
1.De deurwaarder kan ook andere zaken
dan die bedoeld in het vorige artikel aan een door hem aan te wijzen
geschikte bewaarder in gerechtelijke bewaring geven, indien dit voor
het behoud van deze zaken redelijkerwijze noodzakelijk is. De tweede
zin van het vorige artikel is van toepassing.
2.De deurwaarder maakt van de
inbewaringgeving een afzonderlijk proces-verbaal op, dat binnen drie
dagen na de inbewaringgeving wordt betekend aan de geëxecuteerde en
aan de bewaarder.
Artikel 447
Geen beslag op roerende zaken mag, uit
welken hoofde ook, gedaan worden:
1°. op het nodige bed en beddegoed
van de geëxecuteerde en de inwonende leden van zijn gezin en op
de kleren, waarmee zij gekleed en gedekt zijn;
2°. op de gereedschappen van
ambachtslieden en werklieden, tot hun persoonlijk bedrijf
behorende;
3°. op de in het huis voorhanden
zijnde voorraad van spijs en drank, dienende tot de behoefte van
het huisgezin, gedurende een maand;
4°. op het ingevolge artikel 642c
in de kas der gerechtelijke consignaties gestorte bedrag.
Artikel 448
1.Evenmin kan beslag worden gelegd op
de boeken die de geëxecuteerde nodig heeft voor zijn beroep, en op
de werktuigen en gereedschappen, dienend tot enig onderwijs of de
beoefening van kunsten en wetenschappen, telkens tot een bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag en te zijner
keuze.
2.De in het eerste lid bedoelde zaken
kunnen wel in beslag worden genomen voor vorderingen:
1°. wegens levensbehoeften
verstrekt aan de geëxecuteerde en de inwonende leden van zijn
gezin;
2°. ter zake van de
vervaardiging of het herstel van deze zaken of de verkoop
daarvan aan de geëxecuteerde.
Artikel 449
Dag en uur van de verkoop van de in
beslag genomen zaken worden aan de geëxecuteerde betekend hetzij
tezamen met het proces-verbaal van inbeslagneming hetzij binnen drie
dagen na de betekening daarvan.
Artikel 451
1.Indien beesten of werktuigen voor
de landbouw, of vruchten te velde welke reeds van de grond zijn
afgescheiden, zijn in beslag genomen, kan de kantonrechter, op
verzoek van de executant, en na verhoor of behoorlijke oproeping van
de geëxecuteerde, een geschikte persoon aanstellen, teneinde voor
de nodige bedrijfsvoering, verzorging of inzameling zorg te dragen.
2.Tegen een toewijzende beschikking
krachtens het vorige lid is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 453a
1.Een vervreemding, bezwaring,
onderbewindstelling of verhuring van de zaak, tot stand gekomen
nadat deze in beslag genomen is, kan niet tegen de beslaglegger
worden ingeroepen.
2.Rechten door een derde anders dan
om niet verkregen, worden geëerbiedigd, mits de zaak in zijn handen
is gekomen en hij toen te goeder trouw was.
Artikel 455
1.Nog niet verantwoorde en afgedragen
baten, voortgebracht door de in beslag genomen zaken, vallen mede
onder het beslag en moeten aan de deurwaarder worden verantwoord en
op zijn verlangen aan hem worden afgedragen, een en ander behoudens
de rechten van derden, die de executant moet eerbiedigen.
2.Bestaat de bate in een vordering op
een derde dan valt zij niet onder het beslag dan nadat het beslag
aan de derde is betekend. De artikelen 475c, 476 en 478 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 455a
1.Vorderingen tot vergoeding die na
inbeslagneming in de plaats van de beslagen zaak zijn getreden,
daaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van
de zaak, vallen, nadat het beslag aan de schuldenaar uit die
vordering is betekend, eveneens onder het beslag, behoudens de
rechten van derden, die de executant moet eerbiedigen. Zij moeten op
verlangen van de deurwaarder aan hem worden voldaan.
2.De artikelen 475i, 476 en 478 zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 456
1.Treft het beslag een zaak die
geheel of ten dele aan een ander toebehoort of ten aanzien waarvan
een ander een recht geldend kan maken dat de executant moet
eerbiedigen, dan kan deze ander zich tegen verkoop waarbij zijn
recht niet in acht wordt genomen tot op het tijdstip van verkoop
verzetten.
2.De eiser die in het ongelijk wordt
gesteld, zal op vordering van de executant, zo daartoe gronden zijn,
tot schadevergoeding worden veroordeeld.
Artikel 457
1.Op de in beslag genomen zaken kan
tot op het tijdstip van de verkoop opnieuw beslag worden gelegd. De
beslaglegger is verplicht een zodanig beslag onverwijld te betekenen
aan de deurwaarder die het eerdere beslag heeft gelegd en, zo deze
er is, aan de gerechtelijke bewaarder, met vermelding van de aard
van de vordering en van het beloop van het bedrag waarvoor het
nieuwe beslag is gelegd of, indien de vordering nog niet is
vereffend, van het geschatte bedrag.
2.Is het eerdere beslag gelegd op de
grondslag van het Wetboek van Strafvordering dan is de beslaglegger
verplicht het door hem later gelegde beslag onverwijld te betekenen
aan het parket van het openbaar ministerie bij het gerecht in
feitelijke aanleg waarvoor de strafzaak, op grond waarvan het
eerdere beslag is gelegd, wordt of het laatst werd vervolgd.
3.Indien onder een beslag vorderingen
tot vergoeding vallen, die voor in beslag genomen zaken in de plaats
zijn getreden, worden deze ook door volgende beslagen op die zaken
getroffen. Is een in beslag genomen zaak verloren gegaan, dan kan op
die vorderingen tot op het tijdstip van de inning daarvan beslag
worden gelegd met inachtneming van dezelfde formaliteiten als
wanneer deze zaak zich nog onder de schuldenaar zou hebben bevonden.
Artikel 458
1.Indien op de zaak meer beslagen
zijn gelegd, wordt zij verkocht door de beslaglegger die het oudste
executoriale beslag heeft gelegd.
2.Rust op een zaak een beperkt recht
dat deze beslaglegger moet eerbiedigen, maar dat niet aan een latere
beslaglegger kan worden tegengeworpen, dan wordt de zaak vrij van
het beperkte recht verkocht, indien deze laatste beslaglegger aan de
executant, de geëxecuteerde en de beperkt gerechtigde bij exploit
mededeelt dit te verlangen.
Artikel 459
1.Indien de executant in gebreke
blijft om binnen vier weken na afloop van de in artikel 462 bedoelde
termijn de verkoop tot stand te brengen, kan iedere beslaglegger die
een executoriale titel heeft, de executie van de door hem in beslag
genomen zaken overnemen door zulks bij exploit aan de executant en
de geëxecuteerde aan te zeggen.
2.De overneming kan niet geschieden
dan nadat aan de executant schriftelijk een redelijke termijn is
gesteld om alsnog tot verkoop over te gaan.
3.Indien er meer beslagleggers zijn
die de overneming verlangen, is slechts degene die het oudste
executoriale beslag heeft gelegd, daartoe bevoegd, tenzij de
voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek van de meest gerede
partij anders beslist.
4.Tegen beschikkingen krachtens het
vorige lid is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 460 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 461 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 461a
1.Indien de in beslag genomen zaak is
verpand en de pandhouder bevoegd is tot executie over te gaan, kan
hij, zo nodig overeenkomstig artikel 496 afgifte van de zaak
vorderende, de executie overnemen en zelf executeren met
inachtneming van de bepalingen betreffende executie krachtens
pandrecht.
2.Rusten op een zaak meer
pandrechten, dan komt deze bevoegdheid uitsluitend toe aan de hoogst
gerangschikte pandhouder, die tot executie wenst over te gaan.
3.De pandhouder, die van deze
bevoegdheid gebruik wil maken, dient zulks uiterlijk op het tijdstip
van de verkoop bij exploit aan de beslaglegger, aan te zeggen met
opgave van de termijn binnen welke hij tot verkoop zal overgaan.
4.Zolang geen aanzegging als voormeld
plaatsvindt, blijft de beslaglegger bevoegd de executie voort te
zetten.
Artikel 461b
1.Indien de pandhouder de in het
derde lid van het vorige artikel bedoelde termijn te lang stelt dan
wel binnen die termijn niet tot verkoop overgaat, kan de
voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek van de beslaglegger
een termijn bepalen binnen welke de pandhouder uiterlijk tot de
verkoop moet overgaan. Volgt binnen die termijn geen verkoop, dan is
de executant met uitsluiting van de pandhouder bevoegd met de
executie voort te gaan.
2.Tegen een beschikking krachtens het
vorige lid is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 461c
De schuldeiser die vóór het beslag
ten aanzien van in beslag genomen zaken het beding, bedoeld in artikel
254 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft gemaakt en van de in
het tweede lid van dat artikel bedoelde bevoegdheid tot gezamenlijke
executie gebruik wil maken, kan de executie overeenkomstig artikel
461a overnemen. De artikelen 544-548 zijn op de executie van deze
zaken van toepassing.
Artikel 461d
Bevindt de in beslag genomen zaak zich
onder een derde en beroept deze zich erop dat hij het beslag wegens de
vorm ervan of wegens een hem ten aanzien van de zaak toekomend recht
niet behoeft te dulden, dan dienen bij het beslag, voor zover de
executant de executie zonder eerbiediging van het ingeroepen recht of
bevoegdheid wenst door te zetten, de regels betreffende het
derden-beslag uit de tweede afdeling te worden gevolgd, met dien
verstande dat het reeds gelegde beslag geldt als een uitsluitend op
die zaken gelegd derden-beslag en vervalt indien niet binnen drie
dagen nadat het is gelegd, aan de derde een formulier in tweevoud als
bedoeld in artikel 475, is betekend.
Artikel 462
1.De verkoop der in beslag genomen
zaken mag geen plaats hebben vóór vier weken, te rekenen van de
dag van de betekening aan de geëxecuteerde van het proces-verbaal,
bedoeld in artikel 443, zulks op straffe van schadevergoeding.
2.Deze termijn kan verkort worden bij
onderlinge toestemming van partijen of ook ten verzoeke van de meest
gerede partij door de voorzieningenrechter van de rechtbank.
Artikel 463
1.De verkoop zal in het openbaar
worden gehouden ten overstaan van de deurwaarder en op een door deze
daartoe aan te wijzen binnen zijn ambtsgebied gelegen plaats.
2.Is de in beslag genomen zaak op een
markt of beurs verhandelbaar, dan kan de verkoop in afwijking van de
artikelen 464-466 en 469 geschieden op die markt door tussenkomst
van een tussenpersoon in het vak of ter beurze door die van een
bevoegde tussenpersoon overeenkomstig de regels en gebruiken die
aldaar voor een gewone verkoop gelden.
3.De voorzieningenrechter van de
rechtbank kan ten verzoeke van de beslaglegger of de geëxecuteerde
een verkoop als in het vorige lid bedoeld ook bepalen ten aanzien
van effecten aan toonder die niet ter beurze verhandelbaar zijn.
Artikel 463a
Geschillen over de veilconditiën, over
de wijze van verkoop of over dag, uur of plaats daarvan worden op
verzoek van de meest gerede partij of de deurwaarder beslist door de
voorzieningenrechter van de rechtbank, onverminderd de bevoegdheid van
hen wier rechten bij de executie niet worden geëerbiedigd, zich
daartegen overeenkomstig artikel 438 te verzetten.
Artikel 463b
Tegen beschikkingen krachtens de
artikelen 462, tweede lid, 463, derde lid, en 463a is geen hogere
voorziening toegelaten.
Artikel 464
1.In de gemeente binnen welke de
verkoop zal geschieden, zullen, ter plaatse daartoe bestemd,
biljetten worden aangeslagen, houdende aanduiding van de plaats, de
dag en het uur van de verkoop, alsmede van de aard van de zaken,
doch zonder vermelding van nadere bijzonderheden.
2.De biljetten worden in elk geval
aangeslagen aan de plaats waar de zaken zich bevinden en aan die
waar de verkoop zal plaatsvinden.
Artikel 465
1.Het aanslaan der biljetten moet
geschieden na de in artikel 449 bedoelde betekening en tenminste
vier dagen vóór de verkoop, tenzij die termijn door de
voorzieningenrechter van de rechtbank ten verzoeke van de meest
gerede partij is verkort.
2.Tegen een beschikking krachtens het
vorige lid is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 466
1.De verkoop zal daarenboven worden
bekend gemaakt in een dagblad van de plaats waar de verkoping zal
geschieden, en bij gebreke van zodanig dagblad, in dat van een
naburige plaats.
2.Deze bekendmaking wordt echter niet
vereist, indien het bedrag der in beslag genomen zaken
klaarblijkelijk minder dan € 180 bedraagt.
Artikel 467
De deurwaarder zal aan de voet van zijn
proces-verbaal van beslag aantekening moeten doen van het aanslaan der
biljetten en van de bekendmaking van de verkoop.
Artikel 469
1.De verkoop wordt gehouden bij opbod
of, ter keuze van de executant, bij opbod gevolgd door afmijning en
de toewijzing zal geschieden aan de meestbiedende en tegen gerede
betaling in handen van de deurwaarder.
2.De deurwaarder is bevoegd te
vorderen, dat hem door elke bieder de geboden koopsom wordt ter hand
gesteld en mag deze onder zich houden, totdat de zaak is toegewezen.
3.Stelt een bieder, na de in het
vorige lid bedoelde vordering, de geboden koopsom niet aan de
deurwaarder ter hand, dan wordt zijn bod niet aangenomen en wordt
hij gedurende de gehele verkoping niet meer als bieder toegelaten.
4.Bij de toewijzing wordt geen
rekening gehouden met biedingen die ingevolge het vorige lid niet
mogen worden aangenomen.
5.Bij gebreke van betaling zal de
zaak terstond weer verkocht worden ten laste van hem wien zij
toegewezen is.
Artikel 470
1.Men zal met de verkoop der in
beslag genomen zaken niet verder gaan dan nodig is om een opbrengst
te verkrijgen, die voor betaling van de schulden en kosten voldoende
is.
2.Te dien einde kan de geëxecuteerde
de orde regelen, volgens welke de zaken zullen worden verkocht.
Artikel 474
De deurwaarder is verantwoordelijk voor
de verkregen opbrengst en voldoet daaruit onverwijld de kosten van de
executie. Hij vermeldt in zijn proces-verbaal de namen en woonplaatsen
der kopers.
Eerste afdeling A. Van executoriaal
beslag op rechten aan toonder of order, aandelen op naam en effecten
op naam, die geen aandelen zijn
Artikel 474a
1.Het beslag op rechten aan toonder
of order geschiedt door beslag op het papier. De eerste en tweede
afdeling en de tweede afdeling B zijn, voor wat betreft het daar
omtrent beslag op zaken bepaalde, van overeenkomstige toepassing,
tenzij uit de betreffende bepaling in verband met de aard van het
recht anders volgt. Indien het recht bestaat in een opeisbare
vordering, kan de executant in plaats van tot verkoop overeenkomstig
de eerste afdeling over te gaan, de executie ook voortzetten door
beslag onder derden overeenkomstig de tweede afdeling.
2.Is ter voltooiing van de executie
endossement vereist, dan kan dit door de deurwaarder die met de
verkoop is belast, in zijn hoedanigheid van deurwaarder worden
gesteld onder vermelding van "ter executie".
3.Ingeval van verkoop moeten de
voormelde rechten op de biljetten als bedoeld in artikel 464 worden
omschreven, met opgave van de naam van degene jegens wie het recht
bestaat, van de aard van het recht, van het bedrag van de vordering
waarin het recht bestaat en van de renten welke daarbij mochten zijn
bepaald.
Artikel 474aa
1.De executie van andere aandelen op
naam dan die bedoeld in de volgende afdelingen en van effecten op
naam die geen aandelen zijn, geschiedt met overeenkomstige
toepassing van die afdeling, tenzij uit de betreffende bepaling in
verband met de aard van het aandeel of effect anders voortvloeit.
2.Lidmaatschapsrechten in
verenigingen worden als effecten op naam aangemerkt, indien zij voor
vervreemding vatbaar zijn.
Artikel 474b
1.Nog niet aan de geëxecuteerde
verantwoorde en afgedragen baten, die voortvloeien uit een recht aan
toonder of order, een aandeel op naam of een effect op naam dat geen
aandeel is, en die bestaan in geld of andere waarden, vallen mede
onder het beslag en moeten aan de deurwaarder worden verantwoord en
op zijn verlangen aan hem worden afgedragen, een en ander behoudens
de rechten van derden die de executant moet eerbiedigen.
2.Aan de schuldenaar die de in het
eerste lid bedoelde baten heeft uitgekeerd aan hem die zich door
middel van het toonder- of orderpapier als gerechtigd tot die baten
heeft gelegitimeerd, kan evenwel dit beslag niet worden
tegengeworpen.
3.De artikelen 475i, 476 en 478 zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 474ba
Het stemrecht verbonden aan een in
beslag genomen goed als bedoeld in het vorige artikel, en andere aan
een zodanig goed verbonden bevoegdheden die niet onder het vorige
artikel vallen, blijven gedurende het beslag bij de geëxecuteerde.
Desgevraagd is de bewaarder of, als deze ontbreekt, de deurwaarder
verplicht hem daartoe een bewijsstuk af te geven en verder het nodige
te verrichten om hem in de gelegenheid te stellen tot het uitoefenen
van deze rechten.
Artikel 474bb
1.Rechten waarvan de executie niet
elders geregeld is, en niet opeisbare rechten waarop beslag onder
derden mogelijk is, kunnen met overeenkomstige toepassing van de
eerste afdeling worden geëxecuteerd, tenzij uit de wet of de aard
van het recht anders volgt.
2.De artikelen 474b en 474ba zijn
onder hetzelfde voorbehoud van overeenkomstige toepassing.
3.Gaat het om een recht dat jegens
een derde moet worden uitgeoefend, dan is voor het beslag tevens
betekening van het beslagexploit aan de derde vereist.
4.Indien door een zodanige executie
van een niet opeisbaar recht waarop beslag onder derden mogelijk is,
de geëxecuteerde of een andere belanghebbende onredelijk wordt
benadeeld, beveelt de voorzieningenrechter op diens vordering dat de
executie wordt gestaakt.
Eerste afdeling B. Van executoriaal
beslag op aandelen op naam in naamloze vennootschappen en besloten
vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
Artikel 474c
1.Onverminderd het bepaalde in het
achtste lid van dit artikel geschiedt het beslag op aandelen op naam
in een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid bij exploit van een deurwaarder dat, behalve de
gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:
a. een aanzegging aan de
vennootschap van de inbeslagneming;
b. de vermelding van de voornaam,
naam en woonplaats van de executant en de naam en woonplaats van
de geëxecuteerde;
c. de vermelding van de
executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd;
d. een keuze van woonplaats ten
kantore van de deurwaarder.
2.De deurwaarder vermeldt in zijn
proces-verbaal zo mogelijk het getal en de nummers der in beslag
genomen aandelen.
3.Aan de vennootschap zal afschrift
worden gelaten van het beslagexploit en van de executoriale titel
uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd.
4.In het register van aandeelhouders
wordt terstond een namens de vennootschap ondertekende en door de
deurwaarder mede-ondertekende aantekening geplaatst vermeldende de
datum en het tijdstip van het gelegde beslag, de naam van de
beslaglegger en het getal en zo mogelijk de nummers der in beslag
genomen aandelen.
5.De vennootschap en een ieder die
toegang heeft tot de ruimte waar het register van aandeelhouders
wordt bewaard, zijn verplicht hun medewerking aan de bepaling van
het vorige lid te verlenen. Indien geen register bestaat, vermeldt
de deurwaarder dit in zijn proces-verbaal.
6.Indien voor de in beslag genomen
aandelen aandeelbewijzen zijn uitgegeven, is de vennootschap
verplicht, op verlangen van de deurwaarder, hem daarvan bij het
uitbrengen van het exploit mededeling te doen.
7.Bij gebreke van enige medewerking
als bedoeld in de drie voorafgaande leden is artikel 444b van
overeenkomstige toepassing.
8.Indien het betreft aandelen op naam
in vennootschappen als bedoeld in artikel 86c van boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, welker statuten voorschrijven, dat voor levering
daarvan al dan niet onder bepaalde omstandigheden afgifte van het
aandeelbewijs bij de vennootschap vereist is, geschiedt het beslag
bij exploit van een deurwaarder met aanzegging als in het eerste lid
vermeld na voorafgaande inbeslagneming van de desbetreffende
aandeelbewijzen op de wijze als omschreven in de eerste afdeling.
Deze inbeslagneming en de bewaargeving, bedoeld in artikel 445,
zullen onder verwijzing naar de akte of processen-verbaal, bedoeld
in de artikelen 440 en 443, in het exploit worden vermeld.
Artikel 474d
1.De deurwaarder zal van het gelegde
beslag onverwijld, zo mogelijk op dezelfde dag, schriftelijk
mededeling doen aan de geëxecuteerde.
2.Daarenboven moet, op straffe van
verval van het beslag, een afschrift van het exploit binnen acht
dagen na het beslag, aan de geëxecuteerde worden betekend.
3.Indien voor de in beslag genomen
aandelen aandeelbewijzen zijn uitgegeven, is de geëxecuteerde
verplicht aan de deurwaarder, zo mogelijk reeds bij de betekening
van het exploit van beslag, de aandeelbewijzen met de eventueel
daarbij behorende dividendbewijzen en talons ter hand te stellen of
het nodige te verrichten opdat deze stukken hem ter hand gesteld
worden. Indien voor die terhandstelling de medewerking van een derde
vereist is, is die derde verplicht zijn medewerking tegen vergoeding
der kosten te verlenen. Bij gebreke van medewerking van de derde is
artikel 444b van overeenkomstige toepassing.
4.De deurwaarder zal, in afwachting
van de executoriale verkoop, met die stukken handelen als bepaald in
artikel 445.
Artikel 474e
De in beslag genomen aandelen kunnen
niet ten nadele van de beslaglegger worden vervreemd, bezwaard of
onder bewind gesteld.
Artikel 474f
Binnen acht dagen na het beslag zal de
vennootschap aan de deurwaarder schriftelijk mededeling doen van
rechten die vóór het exploit reeds op de in beslag genomen aandelen
mochten zijn gevestigd, onder opgave van de namen en woonplaatsen der
gerechtigden.
Artikel 474g
1.Binnen één maand na het exploit
van beslag zal de beslaglegger, op straffe van verval van het
gelegde beslag, aan de rechtbank van de plaats van vestiging van de
vennootschap, zo mogelijk onder overlegging van de mededeling
bedoeld in het voorgaande artikel en de statuten der vennootschap,
verzoeken bij beschikking te bepalen, dat en binnen welke termijn
tot verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen kan
worden overgegaan.
2.De rechtbank gelast alvorens de
gevraagde beschikking te geven de oproeping van de deurwaarder, de
beslaglegger, de geëxecuteerde, de vennootschap, en, zo zij dit
nodig acht, van verdere belanghebbenden, om op het verzoek te worden
gehoord. Verzet tegen de verkoop door derden-rechthebbenden, kan
uitsluitend geschieden door tijdige indiening van een daartoe
strekkend verzoekschrift, waarvan afschrift wordt betekend aan de
beslaglegger en aan de deurwaarder, die het beslag heeft gelegd.
3.De rechtbank zal in haar
beschikking bepalen op welke wijze en onder welke voorwaarden de
verkoop en overdracht dienen te geschieden.
4.De wettelijke en statutaire
bepalingen ter zake van vervreemding van aandelen moeten worden in
acht genomen, met dien verstande, dat alle ten aanzien van de
vervreemding aan de aandeelhouder toekomende rechten en op hem
drukkende verplichtingen worden uitgeoefend en nagekomen door de
deurwaarder. Ook de beschikking der rechtbank zal ten aanzien van
deze wettelijke en statutaire bepalingen geen afwijkingen mogen
inhouden behoudens voor zover inachtneming van deze bepalingen de
executoriale verkoop onmogelijk zou maken.
Artikel 474h
1.Van de verkoop wordt door de
deurwaarder proces-verbaal opgemaakt. Tenzij artikel 86c van boek 2
van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, vermeldt het
proces-verbaal de gegevens als bedoeld in lid 2 van
onderscheidenlijk artikel 86 en artikel 196 van dat wetboek. De
koopprijs wordt de deurwaarder ter hand gesteld.
2.Tenzij artikel 86c van boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek op de vennootschap van toepassing is, is voor
de levering van het aandeel vereist dat het proces-verbaal in
Nederland ter registratie is aangeboden. De artikelen 86a en 196a
Boek 2 van dat wetboek zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de aan het aandeel verbonden rechten eerst kunnen
worden uitgeoefend nadat een afschrift van het proces-verbaal dat
ter registratie is aangeboden en de grosse van de door de rechtbank
gegeven beschikking aan de vennootschap zijn betekend. Indien het
aandelen betreft in vennootschappen als bedoeld in artikel 86c van
boek 2 van het Burgerlijk Wetboek geschiedt de levering door
betekening van de akte en grosse voormeld en inlevering van het
aandeelbewijs bij de vennootschap.
3.Indien ten aanzien van andere
aandelen dan die bedoeld in de laatste zin van het tweede lid van
dit artikel de verkrijger daarvan niet de beschikking heeft kunnen
krijgen over de aandeelbewijzen met de eventueel daarbij behorende
dividendbewijzen en talons op naam, zal de vennootschap hem daarvan
desverlangd en op zijn kosten duplicaten afgeven. Door de uitgifte
der duplicaten verliezen de oorspronkelijke stukken hun geldigheid.
Indien de bedoelde verkrijger niet de beschikking heeft kunnen
krijgen over de eventueel bij de aandeelbewijzen behorende
dividendbewijzen en talons aan toonder, zal de vennootschap hem
daarvan desverlangd en op zijn kosten slechts duplicaten afgeven na
zekerheidstelling zijnerzijds voor de door de vennootschap
tengevolge van de uitgifte der duplicaten op te lopen schade.
Artikel 474i
Bij executie van een executoriale titel
tot levering van een aandeel zijn de leden 2-4 van het vorige artikel
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van
het proces-verbaal en de beschikking, bedoeld in het tweede lid, de te
executeren titel aan de vennootschap wordt betekend.
Tweede afdeling. Van executoriaal
beslag onder derden
Artikel 475
1.Het beslag op vorderingen die de
geëxecuteerde op derden mocht hebben of uit een ten tijde van het
beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen,
en op hem toebehorende roerende zaken die onder derden mochten
berusten en geen registergoederen zijn, geschiedt bij een exploit
van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe
van nietigheid inhoudt:
a. een bevel aan de derde om het
verschuldigde of de zaken onder zich te houden op straffe van
onwaarde van elke in weerwil van het beslag gedane betaling of
afgifte;
b. een vermelding van de naam,
voornaam en woonplaats van de executant en de naam en woonplaats
van de geëxecuteerde;
c. een vermelding van de titel
uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd, en een opgave van
hetgeen de geëxecuteerde krachtens deze titel aan de executant
verschuldigd is;
d. een keuze van woonplaats ten
kantore van de deurwaarder.
2.De deurwaarder laat aan de
derde-beslagene afschrift van het beslagexploit en van de
executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd,
alsmede een formulier in tweevoud volgens een bij algemene maatregel
van bestuur vast te stellen model, waarop de verklaring bedoeld in
artikel 476b kan worden gedaan.
3.Het afschrift van het
beslagexploot, het afschrift van de executoriale titel en het
formulier, bedoeld in het tweede lid, kunnen ook elektronisch worden
gelaten aan het elektronisch adres van de derde-beslagene, mits deze
derde aan een door Onze Minister van Justitie aangewezen organisatie
een elektronisch adres heeft opgegeven, waaraan kan worden betekend.
Voor de derde-beslagene geldt het elektronische afschrift als het
oorspronkelijke exploot.
4.Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gegeven aangaande de registratie van de in het derde
lid genoemde elektronische adressen. Deze regels kunnen betrekking
hebben op de wijze van opgave, wijziging, afmelding en doorhaling
van een elektronisch adres en de gevolgen ervan. Tevens worden bij
algemene maatregel van bestuur regels gegevens aangaande de
betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van, de voorwaarden waaronder
en de wijze waarop een beslagexploot elektronisch kan worden
gelaten. Het besluit tot aanwijzing van een organisatie als bedoeld
in het derde lid wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
5.De voordracht voor de krachtens het
vierde lid vast te stellen algemene maatregelen van bestuur wordt
niet eerder gedaan dan vier weken nadat de ontwerpen aan beide
kamers der Staten-Generaal zijn overgelegd.
Artikel 475a
1.Het beslag strekt zich niet uit tot
vorderingen of zaken die volgens de wet niet voor beslag vatbaar
zijn, noch tot vorderingen die recht geven op een volgens de wet of
naar haar aard niet voor beslag vatbare prestatie.
2.Het beslag is niet geldig op het
gedeelte van een vordering dat daarop wordt ingehouden krachtens de
wet, uit hoofde van een ziektekostenverzekering of van een
pensioenspaarregeling dan wel uit hoofde van een
ondernemingsspaarregeling voor een oudedagsverzorging.
3.Vorderingen die recht geven op iets
anders dan betaling van een geldsom of dan levering van roerende
zaken die geen registergoederen zijn, of van rechten aan toonder of
order, vallen slechts onder het beslag, voor zover zij in het
beslagexploit uitdrukkelijk zijn omschreven.
Artikel 475b
1.Beslag onder een derde op een of
meer vorderingen van de schuldenaar tot periodieke betalingen
waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is slechts geldig voor
zover een periodieke betaling de beslagvrije voet overtreft.
2.Ligt beslag onder verschillende
derden op vorderingen van de schuldenaar tot periodieke betalingen
waaraan een beslagvrije voet is verbonden, dan wordt de beslagvrije
voet omgeslagen in verhouding tot de hoogte van deze periodieke
betalingen.
3.Beslag op nabetalingen is niet
verder geldig dan indien de betaling gedurende het beslag tijdig was
geschied.
Artikel 475c
Een beslagvrije voet is verbonden aan
vorderingen tot periodieke betaling van:
a. loon,
b. inkomstenbelasting begrepen in
een voorlopige teruggaaf als bedoeld in artikel 13, tweede lid,
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
c. uitkeringen op grond van sociale
zekerheidswetten, uitgezonderd kinderbijslag onder welke benaming
ook,
d. pensioen en lijfrente, waaronder
mede worden verstaan uitkeringen ten laste van een
lijfrentespaarrekening of ten laste van de waarde van een
lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a, vierde en
zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
e. uitkeringen uit levens-,
invaliditeits-, ongevallen- of ziekengeldverzekering,
f. uitkeringen tot levensonderhoud,
verschuldigd krachtens boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of tot
vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud,
g. uitkeringen of buitengewone
pensioenen op grond van een wettelijke regeling voor
oorlogsgetroffenen of voor degenen die hun vervangende
dienstplicht vervullen,
i. bezoldiging als bedoeld in
artikel 115 van de Ambtenarenwet met uitzondering van die bedragen
waarop de ambtenaar of gewezen ambtenaar niet periodiek aanspraak
heeft.
Artikel 475d
1. De beslagvrije voet bedraagt
a. voor schuldenaren die kunnen
worden aangemerkt als:
1°. een alleenstaande als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
werk en bijstand, die jonger is dan 21 jaar: 90 procent van
de norm, genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, van
de Wet werk en bijstand.
2°. een alleenstaande ouder
als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet werk en bijstand, die jonger is dan 21 jaar: 90 procent
van de norm, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a,
van de Wet werk en bijstand;
b. voor schuldenaren die kunnen
worden aangemerkt als een alleenstaande en een alleenstaande
ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b,
van de Wet werk en bijstand die 21 jaar of ouder, doch jonger
dan 65 jaar zijn:
1°. indien het periodieke
inkomen bij de beslaglegger bekend is: 90 procent van dat
inkomen inclusief de vakantie-aanspraak, doch ten minste 90
procent van de norm, genoemd in artikel 20, eerste lid,
onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel b, van de Wet werk
en bijstand en ten hoogste 90 procent van die norm nadat
deze eerst is verhoogd met het bedrag genoemd in artikel 25,
tweede lid, van die wet;
2°. indien het periodieke
inkomen niet bij de beslaglegger bekend is: 90 procent van
de norm, genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, en
het tweede lid, onderdeel b, van de Wet werk en bijstand;
c. een alleenstaande van 65 jaar
of ouder en een alleenstaande ouder van 65 jaar of ouder: 90
procent van de norm, genoemd in artikel 22, onderdeel a en b,
van die wet.
2. De beslagvrije voet bedraagt:
a. voor schuldenaren die kunnen
worden aangemerkt als behorend tot een gezin als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van Wet werk en bijstand
waarvan alle meerderjarige gezinsleden 18 jaar of ouder zijn
doch jonger dan 65 jaar: 90 procent van de norm, genoemd in
artikel 21, eerste lid, van die wet.
b. in afwijking van het bepaalde
onder a voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als
behorende tot:
1°. een gezin dat bestaat
uit twee meerderjarige personen van 18 tot en met 20 jaar en
waarbij er geen ten laste komende kinderen tot het gezin
behoren: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 21,
tweede lid, onderdeel a, onder 1, van de Wet werk en
bijstand;
2°. een gezin dat uit twee
meerderjarige personen bestaat, waarvan een persoon 18, 19
of 20 jaar is en waarvan de andere persoon 21 jaar of ouder
doch jonger dan 65 jaar is en waarbij er geen ten laste
komende kinderen tot het gezin behoren: 90 procent van de
norm, genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, onder
1, van de Wet werk en bijstand;
3°. een gezin dat bestaat
uit twee meerderjarige personen van 18, 19 of 20 jaar en
waarbij er een of meer ten laste komende kinderen tot het
gezin behoren: 90 procent van de norm, genoemd in artikel
21, tweede lid, onderdeel a, onder 2, van de Wet werk en
bijstand;
4°. een gezin dat uit twee
meerderjarige personen bestaat, waarvan een persoon 18, 19
of 20 jaar is en waarvan de andere persoon 21 jaar of ouder
doch jonger dan 65 jaar is en waarbij er ten laste komende
kinderen tot het gezin behoren: 90 procent van de norm,
genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, onder 2, van
de Wet werk en bijstand;
5°. een gezin dat uit drie
meerderjarige personen bestaat, waarvan twee personen, 18,
19 of 20 jaar zijn en waarvan een persoon 21 jaar of ouder
doch jonger dan 65 jaar is en er geen ten laste komende
kinderen tot het gezin behoren: 90 procent van de norm,
genoemd in artikel 21, tweede lid, onderdeel c, van de Wet
werk en bijstand;
c. voor schuldenaren die behoren
tot een gezin waarvan een of meer gezinsleden 65 jaar of ouder
zijn: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 22, onderdeel
c, van de Wet werk en bijstand.
3. Voor zover het een gezin betreft,
wordt de beslagvrije voet voor ten hoogste de helft verminderd met
het eigen, niet onder beslag liggende periodieke inkomen inclusief
vakantie-aanspraak van de meerderjarige gezinsleden aan wie de
bijstand samen met de schuldenaar zou kunnen toekomen.
4. Indien de schuldenaar ter
verzorging of verpleging in een daartoe bestemde inrichting is
opgenomen bedraagt de beslagvrije voet de prijs die is verschuldigd
voor verzorging dan wel verpleging. De beslagvrije voet wordt
verhoogd met twee derden van de bijstandsnorm genoemd in artikel 23
van de Wet werk en bijstand.
5. De beslagvrije voet wordt verhoogd
met:
a. de premie van een door de
schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, verminderd met de
normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag,
voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de
schuldenaar geldt ingevolge het eerste, tweede en vierde lid, en
met de krachtens die wet ontvangen zorgtoeslag, telkens wanneer
deze premie vervalt terwijl het beslag ligt;
b. de voor rekening van de
schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen
huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na
deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in
artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met dien
verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer
bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar,
uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel 21
van de Wet op de huurtoeslag ten hoogste aanspraak heeft.
6. De beslagvrije voet wordt
verminderd met de voor beslag vatbare periodieke inkomsten van de
schuldenaar waarop geen beslag ligt, alsmede met het normbedrag voor
de kosten van levensonderhoud en de toeslag voor een partner of
eenoudergezin, begrepen in aan de schuldenaar toegekende
studiefinanciering of tegemoetkoming in de studiekosten die niet
vatbaar is voor beslag.
7. Met wijziging van omstandigheden
die de beslagvrije voet verhogen, moet de beslaglegger onverwijld
rekening houden. Hij is verplicht aan degene die de periodieke
betaling moet verrichten, met het tijdstip van ingang, kennis van de
verhoging te geven onmiddellijk nadat de reden daarvoor is
aangetoond aan hem, zijn advocaat, zijn gemachtigde of de
deurwaarder.
8. Tenzij alle betalingen wekelijks
geschieden, worden zij, evenals inkomsten van degene aan wie samen
met de schuldenaar gezinsbijstand zou kunnen toekomen, voor de
|