Nadere regelgeving:
- Besluit aanspraken van
schepelingen
- Besluit aanspraken van schepelingen die niet verzekerd zijn
ingevolge de Ziektewet
- Besluit
nationaliteitstoets zeeschepen
- Schepelingenbesluit
Wetboek van Koophandel
Algemeene bepaling
Artikel 1
Het Burgerlijk Wetboek is, voor zoo
verre daarvan bij dit Wetboek niet bijzonderlijk is afgeweken, ook
op de in dit Wetboek behandelde onderwerpen toepasselijk.
Eerste Boek. Van den koophandel in
het algemeen
Eerste titel. Van kooplieden en van
daden van koophandel
Artikel 2 [Vervallen per 01-01-1935]
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-1935]
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-1935]
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-1935]
Tweede titel. Vervallen.
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2002]
Derde titel. Van de vennootschap
onder ene firma en van die bij wijze van geldschieting of "en
commandite" genaamd
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1935]
Artikel 15
De in dezen titel genoemde
vennootschappen worden geregeerd door de overeenkomsten van
partijen, door dit Wetboek en door het Burgerlijk Regt.
Artikel 16
De vennootschap onder eene firma is
de maatschap, tot de uitoefening van een bedrijf onder eenen
gemeenschappelijken naam aangegaan.
Artikel 17
1.Elk der vennooten, die daarvan
niet is uitgesloten, is bevoegd ten name der vennootschap te
handelen, gelden uit te geven en te ontvangen, en de vennootschap
aan derden, en derden aan de vennootschap te verbinden.
2.Handelingen welke niet tot de
vennootschap betrekkelijk zijn, of tot welke de vennooten volgens
de overeenkomst onbevoegd zijn, worden onder deze bepaling niet
begrepen.
Artikel 18
In vennootschappen onder eene firma
is elk der vennooten, wegens de verbindtenissen der vennootschap,
hoofdelijk verbonden.
Artikel 19
1.De vennootschap bij wijze van
geldschieting, anders en commandite genaamd, wordt aangegaan
tusschen eenen persoon, of tusschen meerdere hoofdelijk verbonden
vennoten, en eenen of meer andere personen als geldschieters.
2.Eene vennootschap kan alzoo te
gelijker tijd zijn eene vennootschap onder eene firma, ten aanzien
van de vennooten onder de firma, en eene vennootschap bij wijze
van geldschieting, ten aanzien van den geldschieter.
3.De vennootschap bij wijze van
geldschieting heeft geen in aandelen verdeeld kapitaal.
Artikel 20
1.Behoudens de uitzondering, in het
tweede lid van art. 30 voorkomende, mag de naam van den vennoot
bij wijze van geldschieting in de firma niet worden gebezigd.
2.Deze vennoot mag geene daad van
beheer verrigten of in de zaken van de vennootschap werkzaam zijn,
zelfs niet uit kracht eener volmagt.
3.Hij draagt niet verder in de
schade dan ten beloope der gelden, welke hij in de vennootschap
heeft ingebragt of heeft moeten inbrengen, zonder dat hij immer
tot teruggave van genotene winsten verpligt zij.
Artikel 21
De vennoot bij wijze van
geldschieting, die de bepalingen van het eerste of van het tweede
lid van het vorige artikel overtreedt, is wegens alle de schulden en
verbindtenissen van de vennootschap hoofdelijk verbonden.
Artikel 22
De vennootschappen onder eene firma
moeten worden aangegaan bij authentieke of bij onderhandsche akte,
zonder dat het gemis eener akte aan derden kan worden tegengeworpen.
Artikel 23
De vennooten onder eene firma zijn
verpligt de vennootschap te doen inschrijven in het handelsregister,
overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke bepalingen.
Artikel 24 [Vervallen per 15-03-1921]
Artikel 25 [Vervallen per 15-03-1921]
Artikel 26 [Vervallen per 15-03-1921]
Artikel 27 [Vervallen per 15-03-1921]
Artikel 28 [Vervallen per 15-03-1921]
Artikel 29
Zoolang de inschrijving in het
handelsregister niet is geschied, zal de vennootschap onder eene
firma, ten aanzien van derden, worden aangemerkt als algemeen voor
alle zaken, als aangegaan voor eenen onbepaalden tijd, en als geenen
der vennooten uitsluitende van het regt om voor de firma te handelen
en te teekenen.
Artikel 30
1.De firma van eene ontbondene
vennootschap kan, het zij uit kracht der overeenkomst, het zij
indien de gewezen vennoot, wiens naam in de firma voorkwam, daarin
uitdrukkelijk toestemt, of, bij overlijden, deszelfs erfgenamen
zich niet daartegen verzetten, door eenen of meer personen worden
aangehouden, welke, ten blijke daarvan, eene akte moeten
uitbrengen, en dezelve doen inschrijven in het handelsregister,
overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke bepalingen.
2.De bepaling van het eerste lid
van art. 20 is niet toepasselijk, indien de afgetredene, van
vennoot onder eene firma, vennoot bij wijze van geldschieting is
geworden.
Artikel 31
De ontbinding eener vennootschap
onder eene firma vóór den tijd bij de overeenkomst bepaald, of
door afstand of opzegging tot stand gebragt, derzelver verlenging na
verloop van het bepaalde tijdstip, mitsgaders alle veranderingen in
de oorspronkelijke overeenkomst gemaakt, welke derden aangaan, zijn
aan de voormelde inschrijving onderworpen.
Artikel 32
1. Bij de ontbinding der
vennootschap zullen de vennooten, die het regt van beheer hebben
gehad, de zaken der gewezen vennootschap moeten vereffenen in naam
van dezelfde firma, ten zij bij de overeenkomst anders ware
bepaald, of de gezamenlijke vennooten (die bij wijze van
geldschieting niet daaronder begrepen), hoofdelijk en bij
meerderheid van stemmen, eenen anderen vereffenaar hadden benoemd.
2. Indien de stemmen staken
beschikt de rechtbank, zoodanig als zij in het belang der
ontbondene vennootschap meest geraden zal achten.
Artikel 33
Indien de staat der kas van de
ontbondene vennootschap niet toereikt om de opeischbare schulden te
betalen, zullen zij, die met de vereffening belast zijn, de
benoodigde penningen kunnen vorderen, welke door elk der vennooten,
voor zijn aandeel in de vennootschap, zullen moeten worden ingebragt.
Artikel 34
De gelden die gedurende de
vereffening uit de kas der vennootschap kunnen gemist worden, zullen
voorloopig worden verdeeld.
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 36 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 37 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 38 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 39 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 40 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 41 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 42 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 43 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 44 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 45 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 46 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 47 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 48 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 49 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 50 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 51 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 52 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 53 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 54 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 55 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 56 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 57 [Vervallen per 26-07-1976]
Artikel 58 [Vervallen per 26-07-1976]
Vierde titel. Van beurzen van
koophandel en tussenpersonen
Eerste afdeeling. Van beurzen van
koophandel
Artikel 59
De beurs van koophandel is de
zamenkomst van kooplieden, schippers, tussenpersonen, kassiers en
andere personen tot den koophandel in betrekking staande. Zij heeft
plaats op gezag van het plaatselijk bestuur.
Artikel 60
1.Uit de handelingen en afspraken,
ter beurze gesloten, worden opgemaakt de bepaling van den
wisselkoers, de prijs der koopmanschappen, der assurantien, der
zeevrachten, der kosten van vervoer te water en te lande, der
binnen- en buitenlandsche obligatien, fondsen en andere papieren,
die voor bepaling van koers vatbaar zijn.
2.Deze onderscheidene koersen of
prijzen worden volgens plaatselijke reglementen of gebruiken
opgemaakt.
Artikel 61
Het uur van het aangaan en afloopen
der beurs, en alles wat de goede orde aldaar betreft, wordt door
plaatselijke reglementen bepaald.
Tweede afdeeling. Van tussenpersonen
Artikel 62
1.Onder tussenpersoon wordt
verstaan degene die:
a. zijn bedrijf maakt van het
verlenen van bemiddeling bij het totstandbrengen en het
sluiten van overeenkomsten in opdracht en op naam van personen
tot wie hij niet in een vaste dienstbetrekking staat,
b. beherend vennoot van een
vennootschap of bestuurder van een rechtspersoon is die haar
bedrijf maakt van het verrichten van de in onderdeel a
genoemde handelingen, of
c. in arbeidsovereenkomst
staande tot een persoon, vennootschap of rechtspersoon als
bedoeld in dit artikel, namens zijn werkgever de in onderdeel
a genoemde handelingen verricht.
2.Het in het eerste lid bedoelde
bedrijf kan mede omvatten het bemonsteren en waarderen van
goederen en het uitbrengen van deskundigenberichten.
Artikel 63 [Vervallen per 01-03-2001]
Artikel 63a [Vervallen per
01-03-2001]
Artikel 63b [Vervallen per
01-03-2001]
Artikel 63c [Vervallen per
01-03-2001]
Artikel 63cc [Vervallen per
01-03-2001]
Artikel 63d [Vervallen per
01-03-2001]
Artikel 63e [Vervallen per
01-03-2001]
Artikel 64 [Vervallen per 01-03-2001]
Artikel 65 [Vervallen per 01-03-2001]
Artikel 65a [Vervallen per
01-03-2001]
Artikel 65b [Vervallen per
01-03-2001]
Artikel 65c [Vervallen per
01-03-2001]
Artikel 66 [Vervallen per 01-03-2001]
Artikel 66a [Vervallen per
01-03-2001]
Artikel 66b [Vervallen per
01-03-2001]
Artikel 67 [Vervallen per 01-09-1993]
Artikel 67a [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 68
De tussenpersoon is verplicht van
iedere door hem gesloten overeenkomst aantekening te houden; hij
doet van de aantekening aan ieder der partijen terstond een door hem
gewaarmerkt afschrift toekomen.
Artikel 68a [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 68b
1.Tenzij hij daarvan door partijen
is ontslagen, is de tussenpersoon verplicht van elke door hem op
monster verkochte partij goederen het monster, voorzien van een
duidelijk herkenningsteken, te bewaren gedurende een redelijke
termijn overeenkomstig de gebruiken in de handel.
2.De rechter kan aan een
tussenpersoon de overlegging van het door hem bewaarde monster in
rechte bevelen teneinde dit te bezichtigen en hij kan daaromtrent
zijn toelichting vorderen.
Artikel 69
De tussenpersoon die een door hem
verhandelde wisselbrief of ander handelspapier aan de koper ter hand
stelt, staat in voor de echtheid van de zich daarop bevindende
handtekening van de verkoper.
Artikel 70
De artikelen 68, 68b en 69 zijn van
overeenkomstige toepassing op de vennootschap en de rechtspersoon
die bemiddeling door middel van tussenpersonen tot bedrijf hebben.
Artikel 71 [Vervallen per 01-01-1967]
Artikel 72 [Vervallen per 15-10-1922]
Artikel 73 [Vervallen per 15-10-1922]
Derde afdeling. Van de
agentuurovereenkomst
Artikel 74 [Vervallen per 01-09-1993]
Artikel 74a [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74b [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74c [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74d [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74e [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74f [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74g [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74h [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74i [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74j [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74k [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74l [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74m [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74n [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74o [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74p [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74q [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74r [Vervallen per
01-09-1993]
Artikel 74s [Vervallen per
01-09-1993]
Vierde afdeling. Van de
handelsreizigersovereenkomst
Artikel 75 [Vervallen per 01-04-1997]
Artikel 75a [Vervallen per
01-04-1997]
Artikel 75b [Vervallen per
01-04-1997]
Artikel 75c [Vervallen per
01-04-1997]
Vijfde titel. Van commissionairs
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 77 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 78 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 79 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 80 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 81 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 82 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 83 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 84 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 85 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 85a [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 86 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 87 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 88 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 89 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 90 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 91 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 92 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 93 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 94 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 95 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 96 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 97 [Vervallen per 01-11-1952]
Artikel 98 [Vervallen per 01-11-1952]
Artikel 99 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 99a [Vervallen per
01-04-1991]
Zesde titel. Van wisselbrieven en
orderbriefjes
Eerste afdeeling. Van de uitgifte en
den vorm van den wisselbrief
Artikel 100
De wisselbrief behelst:
1°. de benaming
"wisselbrief", opgenomen in den tekst zelf en
uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;
2°. de onvoorwaardelijke
opdracht tot betaling van een bepaalde som;
3°. den naam van dengene, die
betalen moet (betrokkene);
4°. de aanwijzing van den
vervaldag;
5°. die van de plaats, waar de
betaling moet geschieden;
6°. den naam van dengene, aan
wien of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;
7°. de vermelding van de
dagteekening, alsmede van de plaats, waar de wisselbrief is
getrokken;
8°. de handteekening van dengene,
die den wisselbrief uitgeeft (trekker).
Artikel 101
1.De titel, waarin ééne der
vermeldingen, in het voorgaande artikel aangegeven, ontbreekt,
geldt niet als wisselbrief, behoudens in de hieronder genoemde
gevallen:
2.De wisselbrief, waarvan de
vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op
zicht.
3.Bij gebreke van een bijzondere
aanwijzing wordt de plaats, aangegeven naast den naam van den
betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling en tevens de
plaats van het domicilie des betrokkenen.
4.De wisselbrief, welke niet de
plaats aanwijst, waar hij is getrokken, wordt geacht te zijn
onderteekend in de plaats, aangegeven naast den naam des trekkers.
Artikel 102
1.De wisselbrief kan aan de order
van den trekker luiden.
2.Hij kan worden getrokken op den
trekker zelf.
3.Hij kan worden getrokken voor
rekening van eenen derde. De trekker wordt geacht voor zijne
eigene rekening te hebben getrokken, indien uit den wisselbrief of
uit den adviesbrief niet blijkt, voor wiens rekening zulks is
geschied.
Artikel 102a
1.Wanneer de trekker op den
wisselbrief de vermelding "waarde ter incasseering",
"ter incasso", "in lastgeving", of eenige
andere vermelding met zich brengend een bloote opdracht tot
inning, heeft geplaatst, kan de nemer alle uit den wisselbrief
voortvloeiende rechten uitoefenen, maar hij kan dezen niet anders
endosseeren dan bijwege van lastgeving.
2.Bij een zoodanigen wisselbrief
kunnen de wisselschuldenaren aan den houder slechts de
verweermiddelen tegenwerpen, welke aan den trekker zouden kunnen
worden tegengeworpen.
3.De opdracht, vervat in een
incasso-wisselbrief, eindigt niet door den dood of de latere
onbekwaamheid van den lastgever.
Artikel 103
Een wisselbrief kan betaalbaar zijn
aan de woonplaats van eenen derde, hetzij in de plaats, waar de
betrokkene zijn domicilie heeft, hetzij in een andere plaats.
Artikel 104
1.In eenen wisselbrief, betaalbaar
op zicht of een zekeren tijd na zicht, kan de trekker bepalen, dat
de som rente draagt. In elken anderen wisselbrief wordt deze
clausule voor niet geschreven gehouden.
2.De rentevoet moet in den
wisselbrief worden aangegeven. Bij gebreke hiervan wordt de
renteclausule voor niet geschreven gehouden.
3.De rente loopt te rekenen van de
dagteekening van den wisselbrief, tenzij een andere dag is
aangegeven.
Artikel 105
1.De wisselbrief, waarvan het
bedrag voluit in letters en tevens in cijfers is geschreven,
geldt, in geval van verschil, ten beloope van de som, voluit in
letters geschreven.
2.De wisselbrief, waarvan het
bedrag meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij
in cijfers, geldt, in geval van verschil, slechts ten beloope van
de kleinste som.
Artikel 106
Indien de wisselbrief handteekeningen
bevat van personen, die onbekwaam zijn zich door middel van eenen
wisselbrief te verbinden, valsche handteekeningen, of
handteekeningen van verdichte personen, of handteekeningen, welke,
onverschillig om welke andere reden, de personen, die die
handteekeningen hebben geplaatst of in wier naam zulks is geschied,
niet kunnen verbinden, zijn de verbintenissen der andere personen,
wier handteekeningen op den wisselbrief voorkomen, desniettemin
geldig.
Artikel 107
Ieder, die zijne handteekening op
eenen wisselbrief plaatst als vertegenwoordiger van eenen persoon,
voor wien hij niet de bevoegdheid had te handelen, is zelf krachtens
den wisselbrief verbonden, en heeft, betaald hebbende, dezelfde
rechten, als de beweerde vertegenwoordigde zou hebben gehad.
Hetzelfde geldt ten aanzien van den vertegenwoordiger, die zijne
bevoegdheid heeft overschreden.
Artikel 108
1.De trekker staat in voor de
acceptatie en voor de betaling.
2.Hij kan zijne verplichting, voor
de acceptatie in te staan, uitsluiten; elke clausule, waarbij hij
de verplichting, voor de betaling in te staan, uitsluit, wordt
voor niet-geschreven gehouden.
Artikel 109
Indien een wisselbrief, onvolledig
ten tijde der uitgifte, is volledig gemaakt in strijd met de
aangegane overeenkomsten, kan de niet-naleving van die
overeenkomsten niet worden tegengeworpen aan den houder, die de
wissel te goeder trouw heeft verkregen.
Artikel 109a
De trekker is verplicht, ter keuze
van den nemer, den wisselbrief te stellen betaalbaar aan den nemer
zelven, of aan eenigen anderen persoon, in beide gevallen aan order
of zonder bijvoeging van order dan wel met bijvoeging van eene
uitdrukking, als bedoeld in artikel 110, tweede lid.
Artikel 109b
De trekker, of degene voor wiens
rekening de wisselbrief is getrokken, is verplicht zorg te dragen,
dat de betrokkene, ten vervaldage, in handen hebbe het noodige fonds
tot betaling, zelfs indien de wisselbrief bij eenen derde is
betaalbaar gesteld, met dien verstande echter, dat de trekker zelf
in alle gevallen aan den houder en de vroegere endossanten
persoonlijk verantwoordelijk blijft.
Artikel 109c
De betrokkene wordt geacht, het
noodige fonds in handen te hebben, indien hij bij het vervallen van
den wisselbrief of op het tijdstip, waarop ingevolge het derde lid
van artikel 142 de houder regres kan nemen, aan den trekker of aan
dengene voor wiens rekening is getrokken, eene opeischbare som
schuldig is, ten minste gelijkstaande met het beloop van den
wisselbrief.
Tweede afdeeling. Van het endossement
Artikel 110
1.Elke wisselbrief, ook die welke
niet uitdrukkelijk aan order luidt, kan door middel van
endossement worden overgedragen.
2.Indien de trekker in den
wisselbrief de woorden: "niet aan order" of een
soortgelijke uitdrukking heeft opgenomen, kan het stuk slechts
worden overgedragen in den vorm en met de gevolgen van een gewone
cessie. Een op zulk een wisselbrief geplaatst endossement geldt
als een gewone cessie.
3.Het endossement kan worden
gesteld zelfs ten voordeele van den betrokkene, al of niet
acceptant, van den trekker, of van elken anderen
wisselschuldenaar. Deze personen kunnen den wisselbrief opnieuw
endosseeren.
Artikel 111
1.Het endossement moet
onvoorwaardelijk zijn. Elke daarin opgenomen voorwaarde wordt voor
niet-geschreven gehouden.
2.Het gedeeltelijke endossement is
nietig.
3.Het endossement aan toonder geldt
als endossement in blanco.
Artikel 112
1.Het endossement moet worden
gesteld op den wisselbrief of op een daaraan vastgehecht blad
(verlengstuk). Het moet worden onderteekend door den endossant.
2.Het endossement kan den
geëndosseerde onvermeld laten of bestaan uit de enkele
handteekening van den endossant (endossement in blanco). In het
laatste geval moet het endossement, om geldig te zijn, op de
rugzijde van den wisselbrief of op het verlengstuk worden gesteld.
Artikel 113
1.Door het endossement worden alle
uit den wisselbrief voortvloeiende rechten overgedragen.
2.Indien het endossement in blanco
is, kan de houder:
1°. het blanco invullen,
hetzij met zijn eigen naam, hetzij met den naam van een
anderen persoon;
2°. den wisselbrief wederom in
blanco of aan een anderen persoon endosseeren;
3°. den wisselbrief aan eenen
derde overgeven, zonder het blanco in te vullen en zonder hem
te endosseeren.
Artikel 114
1.Tenzij het tegendeel bedongen is,
staat de endossant in voor de acceptatie en voor de betaling.
2.Hij kan een nieuw endossement
verbieden; in dat geval staat hij tegenover de personen, aan wie
de wisselbrief later is geëndosseerd, niet in voor de acceptatie
en voor de betaling.
Artikel 115
1.Hij, die eenen wisselbrief onder
zich heeft, wordt beschouwd als de rechtmatige houder, indien hij
van zijn recht doet blijken door een ononderbroken reeks van
endossementen, zelfs indien het laatste endossement in blanco is
gesteld. De doorgehaalde endossementen worden te dien aanzien voor
niet geschreven gehouden. Wanneer een endossement in blanco door
een ander endossement is gevolgd, wordt de onderteekenaar van dit
laatste geacht den wisselbrief door een endossement in blanco
verkregen te hebben.
2.Indien iemand, op welke wijze dan
ook, het bezit van den wisselbrief heeft verloren, is de houder,
die van zijn recht doet blijken op de wijze, bij het voorgaande
lid aangegeven, niet verplicht den wisselbrief af te geven, indien
hij deze te goeder trouw heeft verkregen.
Artikel 116
Zij, die uit hoofde van den
wisselbrief worden aangesproken, kunnen de verweermiddelen, gegrond
op hun persoonlijke verhouding tot den trekker of tot vroegere
houders, niet aan den houder tegenwerpen, tenzij deze bij de
verkrijging van den wisselbrief desbewust ten nadeele van den
schuldenaar heeft gehandeld.
Artikel 117
1.Wanneer het endossement de
vermelding bevat: "waarde ter incasseering", "ter
incasso", "in lastgeving", of eenige andere
vermelding, met zich brengend een bloote opdracht tot inning, kan
de houder alle uit den wisselbrief voortvloeiende rechten
uitoefenen, maar hij kan dezen niet anders endosseeren dan bij
wege van lastgeving.
2.De wisselschuldenaren kunnen in
dat geval aan den houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen,
welke aan den endossant zouden kunnen worden tegengeworpen.
3.De opdracht, vervat in een
incasso-endossement, eindigt niet door den dood of door de latere
onbekwaamheid van den lastgever.
Artikel 118
1.Wanneer een endossement de
vermelding bevat: "waarde tot zekerheid", "waarde
tot pand", of eenige andere vermelding, welke inpandgeving
met zich brengt, kan de houder alle uit den wisselbrief
voortvloeiende rechten uitoefenen, maar een door hem gesteld
endossement geldt slechts als endossement bij wege van lastgeving.
2.De wisselschuldenaren kunnen den
houder de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding
tot den endossant, niet tegenwerpen, tenzij de houder bij de
ontvangst van den wisselbrief desbewust ten nadeele van den
schuldenaar heeft gehandeld.
Artikel 119
1.Een endossement, gesteld na den
vervaldag, heeft dezelfde gevolgen als een endossement, gesteld
vóór den vervaldag. Echter heeft het endossement, gesteld na het
protest van non-betaling of na het verstrijken van den termijn,
voor het opmaken van het protest bepaald, slechts de gevolgen
eener gewone cessie.
2.Behoudens tegenbewijs wordt het
endossement zonder dagteekening geacht te zijn gesteld vóór het
verstrijken van den termijn, voor het opmaken van het protest
bepaald.
Derde afdeeling. Van de acceptatie
Artikel 120
De wisselbrief kan tot den vervaldag
door den houder of door iemand, die hem enkel onder zich heeft, aan
den betrokkene te zijner woonplaats ter acceptatie worden
aangeboden.
Artikel 121
1.In elken wisselbrief kan de
trekker, al dan niet met vaststelling van een termijn, bepalen,
dat deze ter acceptatie moet worden aangeboden.
2.Hij kan in den wisselbrief de
aanbieding ter acceptatie verbieden, behoudens in wisselbrieven,
betaalbaar bij eenen derde, of betaalbaar in een andere plaats dan
die van het domicilie des betrokkenen of betaalbaar een zekeren
tijd na zicht.
3.Hij kan ook bepalen, dat de
aanbieding ter acceptatie niet kan plaats hebben vóór een
bepaalden dag.
4.Tenzij de trekker heeft
verklaard, dat de wisselbrief niet vatbaar is voor acceptatie, kan
elke endossant, al dan niet met vaststelling van eenen termijn,
bepalen, dat hij ter acceptatie moet worden aangeboden.
Artikel 122
1.Wisselbrieven, betaalbaar een
zekeren tijd na zicht, moeten ter acceptatie worden aangeboden
binnen een jaar na hunne dagteekening.
2.De trekker kan dezen termijn
verkorten of verlengen.
3.De endossanten kunnen deze
termijnen verkorten.
Artikel 123
1.De betrokkene kan verzoeken, dat
hem een tweede aanbieding wordt gedaan den dag, volgende op de
eerste. Belanghebbenden zullen zich er niet op mogen beroepen, dat
aan dit verzoek geen gevolg is gegeven, tenzij het verzoek in het
protest is vermeld.
2.De houder is niet verplicht, den
ter acceptatie aangeboden wisselbrief aan den betrokkene af te
geven.
Artikel 124
1.De acceptatie wordt op den
wisselbrief gesteld. Zij wordt uitgedrukt door het woord:
"geaccepteerd", of door een soortgelijk woord; zij wordt
door den betrokkene onderteekend. De enkele handteekening van den
betrokkene, op de voorzijde van den wisselbrief gesteld, geldt als
acceptatie.
2.Wanneer de wisselbrief betaalbaar
is een zekeren tijd na zicht, of wanneer hij krachtens een
uitdrukkelijk beding ter acceptatie moet worden aangeboden binnen
een bepaalden termijn, moet de acceptatie als dagteekening
inhouden den dag, waarop zij is geschied, tenzij de houder dien
van de aanbieding eischt. Bij gebreke van dagteekening moet de
houder dit verzuim door een tijdig protest doen vaststellen, op
straffe van verlies van zijn recht van regres op de endossanten en
op den trekker, die fonds heeft bezorgd.
Artikel 125
1.De acceptatie is
onvoorwaardelijk, maar de betrokkene kan haar beperken tot een
gedeelte van de som.
2.Elke andere wijziging, door den
acceptant met betrekking tot het in den wisselbrief vermelde
aangebracht, geldt als weigering van acceptatie. De acceptant is
echter gehouden overeenkomstig den inhoud zijner acceptatie.
Artikel 126
1.Wanneer de trekker den
wisselbrief op een andere plaats dan die van het domicilie des
betrokkenen heeft betaalbaar gesteld, zonder eenen derde aan te
wijzen, bij wien de betaling moet worden gedaan, kan de betrokkene
dezen bij de acceptatie aanwijzen. Bij gebreke van zoodanige
aanwijzing wordt de acceptant geacht zich verbonden te hebben zelf
te betalen op de plaats van betaling.
2.Indien de wisselbrief betaalbaar
is aan het domicilie des betrokkenen, kan deze, in de acceptatie,
een adres aanwijzen, in dezelfde plaats, waar de betaling moet
worden gedaan.
Artikel 127
1.Door de acceptatie verbindt de
betrokkene zich, den wisselbrief op den vervaldag te betalen.
2.Bij gebreke van betaling heeft de
houder, al ware hij de trekker, tegen den acceptant een
rechtstreeksche vordering, uit den wisselbrief voortspruitend,
voor al hetgeen kan worden gevorderd krachtens de artikelen 147 en
148.
Artikel 127a
Hij, die het noodige fonds in handen
heeft, bijzonderlijk bestemd tot de betaling van eenen getrokken
wisselbrief, is, op straffe van schadevergoeding jegens den trekker,
tot de acceptatie verplicht.
Artikel 127b
1.Belofte om eenen wisselbrief te
zullen accepteeren geldt niet als acceptatie, maar geeft aan den
trekker eene rechtsvordering tot schadevergoeding tegen den
belover, die weigert zijne belofte gestand te doen.
2.Deze schade bestaat in de kosten
van protest en herwissel, wanneer de wisselbrief voor des trekkers
eigene rekening was getrokken.
3.Wanneer de trekking voor rekening
van eenen derde was gedaan, bestaat de schade in de kosten van
protest en herwissel, en in het beloop van hetgeen de trekker, uit
hoofde van de bekomene toezegging van den belover, aan dien derde,
op het crediet van den wisselbrief, heeft voorgeschoten.
Artikel 127c
De trekker is verplicht aan den
betrokkene tijdig kennis of advies te geven van den door hem
getrokken wisselbrief, en, bij nalatigheid daarvan, gehouden tot
vergoeding van de kosten, door weigering van acceptatie of betaling
uit dien hoofde gevallen.
Artikel 127d
Indien de wisselbrief voor rekening
van eenen derde is getrokken, is deze alleen daarvoor aan den
acceptant verbonden.
Artikel 128
1.Indien de betrokkene zijn op den
wisselbrief gestelde acceptatie heeft doorgehaald vóór de
teruggave van den wisselbrief, wordt de acceptatie geacht te zijn
geweigerd. Behoudens tegenbewijs wordt de doorhaling geacht te
zijn geschied vóór de teruggave van den wisselbrief.
2.Indien echter de betrokkene van
zijne acceptatie schriftelijk heeft doen blijken aan den houder of
aan iemand, wiens handteekening op den wisselbrief voorkomt, is
hij tegenover dezen gehouden overeenkomstig den inhoud van zijne
acceptatie.
Vierde afdeeling. Van het aval
Artikel 129
1.De betaling van eenen wisselbrief
kan voor het geheel of een gedeelte van de wisselsom door eenen
borgtocht (aval) worden verzekerd.
2.Deze borgtocht kan door eenen
derde, of zelfs door iemand, wiens handteekening op den
wisselbrief voorkomt, worden gegeven.
Artikel 130
1.Het aval wordt op den wisselbrief
of op een verlengstuk gesteld.
2.Het wordt uitgedrukt door de
woorden: "goed voor aval" of door een soortgelijke
uitdrukking; het wordt door den avalgever onderteekend.
3.De enkele handteekening van den
avalgever, gesteld op de voorzijde van den wisselbrief, geldt als
aval, behalve wanneer de handteekening die is van den betrokkene
of van den trekker.
4.Het kan ook geschieden bij een
afzonderlijk geschrift of bij een brief, vermeldende de plaats,
waar het is gegeven.
5.In het aval moet worden vermeld,
voor wien het is gegeven. Bij gebreke hiervan wordt het geacht
voor den trekker te zijn gegeven.
Artikel 131
1.De avalgever is op dezelfde wijze
verbonden als degenen, voor wien het aval is gegeven.
2.Zijne verbintenis is geldig,
zelfs indien, wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek, de
door hem gewaarborgde verbintenis nietig is.
3.Door te betalen verkrijgt de
avalgever de rechten, welke krachtens den wisselbrief kunnen
worden uitgeoefend tegen dengene, voor wien het aval is gegeven en
tegen degenen, die tegenover dezen krachtens den wisselbrief
verbonden zijn.
Vijfde afdeeling. Van den vervaldag
Artikel 132
1.Een wisselbrief kan worden
getrokken:
op zicht;
op een zekeren tijd na zicht;
op een zekeren tijd na dagteekening;
op een bepaalden dag.
2.Wisselbrieven met anders bepaalde
vervaldagen of in termijnen betaalbaar zijn nietig.
Artikel 133
1.De wisselbrief, getrokken op
zicht, is betaalbaar bij de aanbieding. Hij moet ter betaling
worden aangeboden binnen een jaar na zijne dagteekening. De
trekker kan dezen termijn verkorten of verlengen. De endossanten
kunnen deze termijnen verkorten.
2.De trekker kan voorschrijven, dat
een wisselbrief niet ter betaling mag worden aangeboden vóór een
bepaalden dag. In dat geval loopt de termijn van aanbieding van
dien dag af.
Artikel 134
1.De vervaldag van eenen
wisselbrief, getrokken op een zekeren tijd na zicht, wordt
bepaald, hetzij door de dagteekening der acceptatie, hetzij door
die van het protest.
2.Bij gebreke van protest wordt de
niet-gedagteekende acceptatie ten aanzien van den acceptant geacht
te zijn gedaan op den laatsten dag van den termijn, voor de
aanbieding ter acceptatie voorgeschreven.
Artikel 135
1.De wisselbrief, getrokken op een
of meer maanden na dagteekening of na zicht, vervalt op den
overeenkomstigen dag van de maand, waarin de betaling moet worden
gedaan. Bij gebreke van een overeenkomstigen dag vervalt een
zoodanige wisselbrief op den laatsten dag van die maand.
2.Bij eenen wisselbrief, getrokken
op een of meer maanden en een halve maand na dagteekening of na
zicht, worden eerst de geheele maanden gerekend.
3.Is de vervaldag bepaald op het
begin, het midden (half Januari, half Februari enz.) of op het
einde van eene maand, dan wordt onder die uitdrukkingen verstaan:
de eerste, de vijftiende, de laatste van die maand.
4.Onder de uitdrukkingen:
"acht dagen", "vijftien dagen", moet worden
verstaan niet ééne of twee weken, maar een termijn van acht of
van vijftien dagen.
5.De uitdrukking "halve
maand" duidt eenen termijn van vijftien dagen aan.
Artikel 136
1.De vervaldag van eenen
wisselbrief, betaalbaar op een bepaalden dag, in eene plaats, waar
de tijdrekening een andere is dan die van de plaats van uitgifte,
wordt geacht te zijn vastgesteld volgens de tijdrekening van de
plaats van betaling.
2.De dag van uitgifte van eenen
wisselbrief, getrokken tusschen twee plaatsen met verschillende
tijdrekening en betaalbaar een zekeren tijd na dagteekening, wordt
herleid tot den overeenkomstigen dag van de tijdrekening van de
plaats van betaling en de vervaldag wordt dienovereenkomstig
vastgesteld.
3.De termijnen van aanbieding der
wisselbrieven worden berekend overeenkomstig de bepalingen van het
voorgaande lid.
4.Dit artikel is niet van
toepassing, indien uit eene in den wisselbrief opgenomen clausule
of uit zijne bewoordingen een afwijkende bedoeling kan worden
afgeleid.
Zesde afdeeling. Van de betaling
Artikel 137
1.De houder van eenen wisselbrief,
betaalbaar op een bepaalden dag of een zekeren tijd na
dagteekening of na zicht, moet dezen ter betaling aanbieden,
hetzij den dag, waarop hij betaalbaar is, hetzij eenen der twee
daaropvolgende werkdagen.
2.De aanbieding van eenen
wisselbrief aan eene verrekeningskamer geldt als aanbieding ter
betaling. Bij algemeenen maatregel van bestuur zullen de
instellingen worden aangewezen, die in den zin van dezen Titel als
verrekeningskamers worden beschouwd.
Artikel 138
1.Buiten het geval, in artikel 167b
vermeld, kan de betrokkene, den wisselbrief betalende, vorderen,
dat hem deze, van behoorlijke kwijting van den houder voorzien,
wordt uitgeleverd.
2.De houder mag niet weigeren een
gedeeltelijke betaling aan te nemen.
3.In geval van gedeeltelijke
betaling kan de betrokkene vorderen, dat van die betaling op den
wisselbrief melding wordt gemaakt en dat hem daarvoor kwijting
wordt gegeven.
Artikel 139
1.De houder van eenen wisselbrief
kan niet genoodzaakt worden, vóór den vervaldag betaling te
ontvangen.
2.De betrokkene, die vóór den
vervaldag betaalt, doet zulks op eigen verantwoordelijkheid.
3.Hij, die op den vervaldag
betaalt, is deugdelijk gekweten, mits er zijnerzijds geen bedrog
plaats heeft of grove schuld aanwezig is. Hij is gehouden, de
regelmatigheid van de reeks van endossementen, maar niet de
handteekening der endossanten te onderzoeken.
4.Indien hij, niet bevrijdend
betaald hebbende, verplicht wordt, ten tweede male te betalen,
heeft hij verhaal op allen die de wissel niet te goeder trouw
hebben verkregen.
Artikel 140
1.Een wisselbrief, waarvan de
betaling is bedongen in ander geld dan dat van de plaats van
betaling, kan worden betaald in het geld van het land volgens
zijne waarde op den vervaldag. Indien de schuldenaar in gebreke
is, kan de houder te zijner keuze vorderen, dat de wisselsom
betaald wordt in het geld van het land volgens den koers, hetzij
van den vervaldag, hetzij van den dag van betaling.
2.De waarde van het vreemde geld
wordt bepaald volgens de gebruiken van de plaats van betaling. De
trekker kan echter voorschrijven, dat het te betalen bedrag moet
worden berekend volgens een in den wisselbrief voorgeschreven
koers.
3.Het bovenstaande is niet van
toepassing, indien de trekker heeft voorgeschreven, dat de
betaling moet geschieden in een bepaald aangeduid geld (clausule
van werkelijke betaling in vreemd geld).
4.Indien het bedrag van den
wisselbrief is aangegeven in geld, hetwelk dezelfde benaming, maar
eene verschillende waarde heeft in het land van uitgifte en in dat
van betaling, wordt men vermoed het geld van de plaats van
betaling te hebben bedoeld.
Artikel 141
Bij gebreke van aanbieding ter
betaling van den wisselbrief binnen den termijn, bij artikel 137
vastgesteld, heeft elke schuldenaar de bevoegdheid, het bedrag te
bevoegder plaatse in consignatie te geven, op kosten en onder
verantwoordelijkheid van den houder.
Zevende afdeeling. Van het recht van
regres in geval van non-acceptatie of non-betaling
Artikel 142
1.De houder kan zijn recht van
regres op de endossanten, den trekker en de andere
wisselschuldenaren uitoefenen:
Op den vervaldag:
indien de betaling niet heeft
plaats gehad;
2.Zelfs vóór den vervaldag:
1°. indien de acceptatie
geheel of gedeeltelijk is geweigerd;
2°. in geval van faillissement
van den betrokkene, al of niet acceptant, of het ten aanzien
van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen en van het
oogenblik af, waarop eene hem verleende surséance van
betaling is ingegaan;
3°. in geval van faillissement
van den trekker of het ten aanzien van hem van toepassing
verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
van een niet voor acceptatie vatbaren wisselbrief.
Artikel 143
1.De weigering van acceptatie of
van betaling moet worden vastgesteld bij authentieke acte (protest
van non-acceptatie of van non-betaling).
2.Het protest van non-acceptatie
moet worden opgemaakt binnen de termijnen, voor de aanbieding ter
acceptatie vastgesteld. Indien, in het geval bij artikel 123, lid
1, voorzien, de eerste aanbieding heeft plaats gehad op den
laatsten dag van den termijn, kan het protest nog op den volgenden
dag worden gedaan.
3.Het protest van non-betaling van
eenen wisselbrief, betaalbaar op een bepaalden dag of zekeren tijd
na dagteekening of na zicht, moet worden gedaan op éénen der
twee werkdagen, volgende op den dag, waarop de wisselbrief
betaalbaar is. Indien het eenen wisselbrief, betaalbaar op zicht,
betreft, moet het protest worden gedaan, overeenkomstig de
bepalingen bij het voorgaande lid vastgesteld voor het opmaken van
het protest van non-acceptatie.
4.Het protest van non-acceptatie
maakt de aanbieding ter betaling en het protest van non-betaling
overbodig.
5.In geval van benoeming van
bewindvoerders op verzoek van den betrokkene, al of niet
acceptant, tot surséance van betaling kan de houder zijn recht
van regres niet uitoefenen, dan nadat de wisselbrief ter betaling
aan den betrokkene is aangeboden en protest is opgemaakt.
6.Indien de betrokkene, al of niet
acceptant, is failliet verklaard, of indien de trekker van eenen
wisselbrief, welke niet vatbaar is voor acceptatie, is failliet
verklaard, kan de houder, voor de uitoefening van zijn recht van
regres, volstaan met overlegging van het vonnis, waarbij het
faillissement is uitgesproken.
7.Het zesde lid is van
overeenkomstige toepassing indien de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard.
Artikel 143a
1.De betaling van eenen wisselbrief
moet gevraagd en het daarop volgende protest gedaan worden ter
woonplaats van den betrokkene.
2.Indien de wisselbrief getrokken
is om in eene andere aangewezene woonplaats of door eenen anderen
aangewezen persoon, hetzij in dezelfde, hetzij in eene andere
gemeente te worden betaald, moet de betaling gevraagd en het
protest opgemaakt worden ter aangewezene woonplaats of aan den
aangewezen persoon.
3.Artikel 54 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 143b
1.De protesten, zowel van
non-acceptatie als van non-betaling, worden gedaan door een
deurwaarder. Deze kan zich desverkiezende doen vergezellen door
een of twee getuigen.
2.De protesten behelzen:
1°. een letterlijk afschrift
van den wisselbrief, van de acceptatie, van de endossementen,
van het aval en van de adressen daarop gesteld;
2°. de vermelding dat zij de
acceptatie of betaling aan de personen, of ter plaatse in het
voorgaand artikel gemeld, afgevraagd en niet bekomen hebben;
3°. de vermelding van de
opgegevene reden van non-acceptatie of non-betaling;
4°. de aanmaning om het
protest te teekenen, en de redenen van weigering;
5°. de vermelding, dat hij,
deurwaarder, wegens die non-acceptatie of non-betaling heeft
geprotesteerd.
3.Indien het protest een vermisten
wisselbrief betreft, volstaat, in plaats van het bepaalde onder
1°. van het voorgaande lid, eene zoo nauwkeurig mogelijke
omschrijving van den inhoud des wisselbriefs.
Artikel 143c
De deurwaarders zijn verplicht, op
straffe van schadevergoeding, afschrift van het protest te laten, en
hiervan melding in het afschrift te maken, en hetzelve, naar orde
des tijds, in te schrijven in een bijzonder register, genommerd en
gewaarmerkt door de kantonrechter van de rechtbank van het
arrondissement waarin hun woonplaats is gelegen, en om wijders,
zulks begeerd wordende, een of meer afschriften van het protest aan
de belanghebbenden te leveren.
Artikel 143d
Als protest van non-acceptatie,
onderscheidenlijk van non-betaling geldt de door dengene, aan wien
de acceptatie of de betaling wordt afgevraagd, met toestemming van
den houder op den wisselbrief gestelde, gedagteekende en
onderteekende verklaring, dat hij dezelve weigert, tenzij de trekker
heeft aangeteekend, dat hij een authentiek protest verlangt.
Artikel 144
1.De houder moet van de
non-acceptatie of van de non-betaling kennis geven aan zijnen
endossant en aan den trekker binnen de vier werkdagen, volgende op
den dag van het protest of, indien de wisselbrief getrokken is met
de clausule zonder kosten, volgende op dien der aanbieding. Elke
endossant moet binnen de twee werkdagen, volgende op den dag van
ontvangst der kennisgeving, de door hem ontvangen kennisgeving aan
zijnen endossant mededeelen, met aanwijzing van de namen en
adressen van degenen, die de voorafgaande kennisgevingen hebben
gedaan, en zoo vervolgens, teruggaande tot den trekker. Deze
termijnen loopen van de ontvangst der voorafgaande kennisgeving
af.
2.Indien overeenkomstig het
voorgaande lid eene kennisgeving is gedaan aan iemand, wiens
handteekening op den wisselbrief voorkomt, moet gelijke
kennisgeving binnen denzelfden termijn aan diens avalgever worden
gedaan.
3.Indien een endossant zijn adres
niet of op onleesbare wijze heeft aangeduid, kan worden volstaan
met kennisgeving aan den voorafgaanden endossant.
4.Hij, die eene kennisgeving heeft
te doen, kan zulks doen in iederen vorm, zelfs door enkele
terugzending van den wisselbrief.
5.Hij moet bewijzen, dat hij de
kennisgeving binnen den vastgestelden termijn heeft gedaan. Deze
termijn wordt gehouden te zijn in acht genomen, wanneer een brief,
die de kennisgeving behelst, binnen den genoemden termijn ter post
is bezorgd.
6.Hij, die de kennisgeving niet
binnen den bovenvermelden termijn doet, stelt zich niet bloot aan
verval van zijn recht; hij is, indien daartoe aanleiding bestaat,
verantwoordelijk voor de schade, door zijne nalatigheid
veroorzaakt, zonder dat echter de schadevergoeding de wisselsom
kan te boven gaan.
Artikel 145
1.De trekker, een endossant of een
avalgever kan, door de clausule "zonder kosten",
"zonder protest", of een andere soortgelijke op den
wisselbrief gestelde en onderteekende clausule, den houder van het
opmaken van een protest van non-acceptatie of van non-betaling,
ter uitoefening van zijn recht van regres, ontslaan.
2.Deze clausule ontslaat den houder
niet van de aanbieding van den wisselbrief binnen de
voorgeschreven termijnen, noch van het doen van de kennisgevingen.
Het bewijs van de niet-inachtneming der termijnen moet worden
geleverd door dengene, die zich daarop tegenover den houder
beroept.
3.Is de clausule door den trekker
gesteld, dan heeft zij gevolgen ten aanzien van allen, wier
handteekeningen op den wisselbrief voorkomen; is zij door eenen
endossant of door eenen avalgever gesteld, dan heeft zij gevolgen
alleen voor dezen endossant of avalgever. Indien de houder,
ondanks de door den trekker gestelde clausule, toch protest doet
opmaken, zijn de kosten daarvan voor zijne rekening. Indien de
clausule van eenen endossant of eenen avalgever afkomstig is,
kunnen de kosten van het protest, indien dit is opgemaakt, op
allen, wier handteekeningen op den wisselbrief voorkomen, worden
verhaald.
Artikel 146
1.Allen, die eenen wisselbrief
hebben getrokken, geaccepteerd, geëndosseerd, of voor aval
geteekend, zijn hoofdelijk tegenover den houder verbonden.
Bovendien is ook de derde, voor wiens rekening de wisselbrief is
getrokken en die de waarde daarvoor heeft genoten, jegens den
houder aansprakelijk.
2.De houder kan deze personen,
zoowel ieder afzonderlijk, als gezamenlijk, aanspreken, zonder
verplicht te zijn de volgorde, waarin zij zich hebben verbonden,
in acht te nemen.
3.Hetzelfde recht komt toe aan
ieder, wiens handteekening op den wisselbrief voorkomt en die
dezen, ter voldoening aan zijnen regresplicht, heeft betaald.
4.De vordering, ingesteld tegen
éénen der wisselschuldenaren, belet niet de anderen aan te
spreken, al hadden dezen zich later verbonden dan de eerst
aangesprokene.
Artikel 146a
1.De houder van eenen
geprotesteerden wisselbrief heeft in geen geval eenig recht op het
fonds, dat de betrokkene van den trekker in handen heeft.
2.Indien de wisselbrief niet is
geaccepteerd, behooren die penningen, bij faillissement van den
trekker of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard, aan diens
boedel.
3.In geval van acceptatie, blijft
het fonds, tot het beloop van den wisselbrief, aan den betrokkene,
behoudens de verplichting van dezen om jegens den houder aan zijne
acceptatie te voldoen.
Artikel 147
1.De houder kan van dengene, tegen
wien hij zijn recht van regres uitoefent, vorderen:
1°. de som van den
niet-geaccepteerden of niet betaalden wisselbrief met de
rente, zoo deze bedongen is;
2°. de wettelijke rente, te
rekenen van de vervaldag, voor wissels die in Nederland
uitgegeven en betaalbaar zijn, en een rente van zes ten
honderd, te rekenen van de vervaldag, voor alle overige
wissels;
3°. de kosten van protest, die
van de gedane kennisgevingen alsmede de andere kosten.
2.Zoo de uitoefening van het recht
van regres vóór den vervaldag plaats heeft, wordt op de
wisselsom eene korting toegepast. Deze korting wordt berekend
volgens het officiëele disconto (bankdisconto), geldende ter
woonplaats van den houder, op den dag van de uitoefening van het
recht van regres.
Artikel 148
Hij, die ter voldoening aan zijnen
regresplicht den wisselbrief heeft betaald, kan van degenen, die
tegenover hem regresplichtig zijn, vorderen:
1°. het geheele bedrag, dat hij
betaald heeft;
2°. de wettelijke rente, te
rekenen van de dag der betaling, voor wissels die in Nederland
uitgegeven en betaalbaar zijn, en een rente van zes ten honderd,
te rekenen van de dag der betaling, voor alle overige wissels;
3°. de door hem gemaakte kosten.
Artikel 149
1.Elke wisselschuldenaar, tegen
wien het recht van regres wordt of kan worden uitgeoefend, kan,
tegen betaling ter voldoening aan zijnen regresplicht, de afgifte
vorderen van den wisselbrief met het protest, alsmede een voor
voldaan geteekende rekening.
2.Elke endossant, die ter
voldoening aan zijnen regresplicht den wisselbrief heeft betaald,
kan zijn endossement en dat van de volgende endossanten doorhalen.
Artikel 150
Bij gedeeltelijke acceptatie kan
degene, die ter voldoening aan zijnen regresplicht het niet
geaccepteerde gedeelte van de wisselsom heeft betaald, vorderen, dat
die betaling op den wisselbrief wordt vermeld en dat hem daarvan
kwijting wordt gegeven. De houder moet hem daarenboven uitleveren
een voor eensluidend geteekend afschrift van den wisselbrief,
alsmede het protest, om hem de uitoefening van zijn verdere
regresrechten mogelijk te maken.
Artikel 151
1.Ieder, die een recht van regres
kan uitoefenen, kan, tenzij het tegendeel bedongen is, zich de
vergoeding bezorgen door middel van een nieuwen wisselbrief
(herwissel), getrokken op zicht op éénen van degenen, die
tegenover hem regresplichtig zijn en betaalbaar te diens
woonplaats.
2.De herwissel omvat, behalve de
bedragen in de artikelen 147 en 148 aangegeven, de bedragen van
provisie en het zegel van den herwissel.
3.Indien de herwissel door den
houder is getrokken, wordt het bedrag bepaald volgens den koers
van eenen zichtwissel, getrokken van de plaats, waar de
oorspronkelijke wisselbrief betaalbaar was, op de woonplaats van
den regresplichtige. Indien de herwissel is getrokken door eenen
endossant, wordt het bedrag bepaald volgens den koers van eenen
zichtwissel, getrokken van de woonplaats van den trekker van den
herwissel op de woonplaats van den regresplichtige.
Artikel 152
1.Na afloop van de termijnen
vastgesteld:
voor de aanbieding van eenen
wisselbrief getrokken op zicht of zekeren tijd na zicht;
voor het opmaken van het protest
van non-acceptatie of van non-betaling;
voor de aanbieding ter betaling in
geval van beding zonder kosten,
vervalt het recht van den houder
tegen de endossanten, tegen den trekker, en tegen de andere
wisselschuldenaren, met uitzondering van den acceptant.
2.Bij gebreke van aanbieding ter
acceptatie binnen den door den trekker voorgeschreven termijn,
vervalt het recht van regres van den houder, zoowel wegens
non-betaling als wegens non-acceptatie, tenzij uit de bewoordingen
van den wisselbrief blijkt, dat de trekker zich slechts heeft
willen bevrijden van zijne verplichting, voor de acceptatie in te
staan.
3.Indien de bepaling van eenen
termijn voor de aanbieding in een endossement is vervat, kan
alleen de endossant daarop een beroep doen.
Artikel 152a
1.De wisselbrief van non-acceptatie
of van non-betaling zijnde geprotesteerd, is niettemin de trekker,
al ware het protest niet intijds gedaan, tot vrijwaring gehouden,
tenzij hij bewees, dat de betrokkene op den vervaldag het noodige
fonds tot betaling des wisselbriefs in handen had. Indien het
vereischte fonds slechts gedeeltelijk aanwezig was, is de trekker
voor het ontbrekende gehouden.
2.Was de wisselbrief niet
geaccepteerd, dan is, ingeval van niet tijdig protest, de trekker,
op straffe van tot vrijwaring te zijn gehouden, verplicht, den
houder af te staan en over te dragen de vordering op het fonds,
dat de betrokkene van hem ten vervaldage heeft in handen gehad, en
zulks tot het beloop van den wisselbrief; en hij moet aan den
houder, te diens koste, de noodige bewijzen verschaffen om die
vordering te doen gelden. Indien de trekker in staat van
faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, zijn de curatoren onderscheidenlijk de bewindvoerders
in zijnen boedel tot dezelfde verplichtingen gehouden, ten ware
deze mochten verkiezen, den houder als schuldeischer, voor het
beloop van den wisselbrief, toe te laten.
Artikel 153
1.Wanneer de aanbieding van den
wisselbrief of het opmaken van het protest binnen de
voorgeschreven termijnen wordt verhinderd door een onoverkomelijk
beletsel (wettelijk voorschrift van eenigen Staat of ander geval
van overmacht), worden deze termijnen verlengd.
2.De houder is verplicht, van de
overmacht onverwijld aan zijnen endossant kennis te geven, en deze
kennisgeving gedagteekend en onderteekend op den wisselbrief of op
een verlengstuk te vermelden; voor het overige zijn de bepalingen
van artikel 144 toepasselijk.
3.Na het ophouden van de overmacht
moet de houder onverwijld den wisselbrief ter acceptatie of ter
betaling aanbieden en, indien daartoe aanleiding bestaat, protest
doen opmaken.
4.Indien de overmacht meer dan
dertig dagen, te rekenen van den vervaldag, aanhoudt, kan het
recht van regres worden uitgeoefend, zonder dat de aanbieding of
het opmaken van protest noodig is.
5.Voor wisselbrieven, getrokken op
zicht of op zekeren tijd na zicht, loopt de termijn van dertig
dagen van den dag, waarop de houder, al ware het vóór het einde
van den aanbiedingstermijn, van de overmacht aan zijnen endossant
heeft kennis gegeven; voor wisselbrieven, getrokken op zekeren
tijd na zicht, wordt de termijn van dertig dagen verlengd met den
zichttermijn, in den wisselbrief aangegeven.
6.Feiten, welke voor den houder, of
voor dengene, dien hij met de aanbieding van den wisselbrief of
met het opmaken van het protest belastte, van zuiver persoonlijken
aard zijn, worden niet beschouwd als gevallen van overmacht.
Achtste afdeeling. Van de
tusschenkomst
1. Algemeene bepalingen
Artikel 154
1.De trekker, een endossant, of een
avalgever, kan iemand aanwijzen om, in geval van nood, te
accepteeren of te betalen.
2.Onder de hierna vastgestelde
voorwaarden kan de wisselbrief worden geaccepteerd of betaald door
iemand, die tusschenkomt voor eenen schuldenaar, op wien recht van
regres kan worden uitgeoefend.
3.De interveniënt kan een derde
zijn, zelfs de betrokkene, of een reeds krachtens den wisselbrief
verbonden persoon, behalve de acceptant.
4.De interveniënt geeft binnen den
termijn van twee werkdagen van zijne tusschenkomst kennis aan
dengene, voor wien hij tusschenkwam. In geval van
niet-inachtneming van dien termijn is hij, indien daartoe
aanleiding bestaat, verantwoordelijk voor de schade, door zijne
nalatigheid veroorzaakt, zonder dat echter de schadevergoeding de
wisselsom kan te boven gaan.
2. Acceptatie bij tusschenkomst
Artikel 155
1.De acceptatie bij tusschenkomst
kan plaats hebben in alle gevallen, waarin de houder van eenen
voor acceptatie vatbaren wisselbrief vóór den vervaldag recht
van regres kan uitoefenen.
2.Wanneer op den wisselbrief iemand
is aangewezen om dezen, in geval van nood, ter plaatse van
betaling te accepteeren of te betalen, kan de houder zijn recht
tegen dengene, die de aanwijzing heeft gedaan en tegen hen, die
daarna hunne handteekeningen op den wisselbrief hebben geplaatst,
niet vóór den vervaldag uitoefenen, tenzij hij den wisselbrief
aan den aangewezen persoon heeft aangeboden, en van diens
weigering tot acceptatie protest is opgemaakt.
3.In de andere gevallen van
tusschenkomst kan de houder de acceptatie bij tusschenkomst
weigeren. Indien hij haar echter aanneemt, verliest hij zijn recht
van regres, hetwelk hem vóór den vervaldag toekomt tegen dengene,
voor wien de acceptatie is gedaan, en tegen hen, die daarna hunne
handteekeningen op den wisselbrief hebben geplaatst.
Artikel 156
De acceptatie bij tusschenkomst wordt
op den wisselbrief vermeld; zij wordt door den interveniënt
onderteekend. Zij wijst aan, voor wien zij is geschied; bij gebreke
van die aanwijzing wordt zij geacht voor den trekker te zijn
geschied.
Artikel 157
1.De acceptant bij tusschenkomst is
tegenover den houder en tegenover de endossanten, die den
wisselbrief hebben geëndosseerd na dengene, voor wien de
tusschenkomst is geschied, op dezelfde wijze als deze laatste
verbonden.
2.Niettegenstaande de acceptatie
bij tusschenkomst kunnen degene, voor wien zij werd gedaan en
degenen, die tegenover dezen regresplichtig zijn, van den houder,
indien daartoe aanleiding bestaat, tegen terugbetaling van de bij
artikel 147 aangewezen som, de afgifte van den wisselbrief, van
het protest en van een voor voldaan geteekende rekening vorderen.
3. Betaling bij tusschenkomst
Artikel 158
1.De betaling bij tusschenkomst kan
plaats hebben in alle gevallen, waarin, hetzij op den vervaldag,
hetzij vóór den vervaldag, de houder recht van regres heeft.
2.De betaling moet de geheele som
beloopen, welke degene, voor wien zij heeft plaats gehad, moest
voldoen.
3.Zij moet plaats hebben uiterlijk
op den dag volgende op den laatsten dag, waarop het protest van
non-betaling kan worden opgemaakt.
Artikel 159
1.Indien de wisselbrief is
geaccepteerd door interveniënten, wier domicilie ter plaatse van
betaling is gevestigd, of indien personen, wier domicilie in
dezelfde plaats is gevestigd, zijn aangeduid om in geval van nood
te betalen, moet de houder den wisselbrief aan al die personen
aanbieden, en, indien daartoe aanleiding bestaat, protest van
non-betaling doen opmaken uiterlijk op den dag volgende op den
laatsten dag, waarop dit kan geschieden.
2.Bij gebreke van protest binnen
dien termijn zijn degene, die het noodadres heeft gesteld of voor
wien de wisselbrief is geaccepteerd, en de latere endossanten van
hunne verbintenis bevrijd.
Artikel 160
De houder, die weigert de betaling
bij tusschenkomst aan te nemen, verliest zijn recht van regres op
hen, die daardoor zouden zijn bevrijd.
Artikel 161
1.De betaling bij tusschenkomst
moet worden vastgesteld door eene kwijting, geplaatst op den
wisselbrief met aanwijzing van dengene, voor wien zij is gedaan.
Bij gebreke van die aanwijzing wordt de betaling geacht voor den
trekker te zijn gedaan.
2.De wisselbrief en het protest,
indien dit is opgemaakt, moeten worden uitgeleverd aan hem, die
bij tusschenkomst betaalt.
Artikel 162
1.Hij, die bij tusschenkomst
betaalt, verkrijgt de rechten, uit den wisselbrief voortvloeiende,
tegen dengene, voor wien hij heeft betaald, en tegen degenen, die
tegenover dezen laatste krachtens den wisselbrief verbonden zijn.
Hij mag echter den wisselbrief niet opnieuw endosseeren.
2.De endossanten, volgende op
dengene, voor wien de betaling heeft plaats gehad, zijn bevrijd.
3.Indien zich meer personen tot de
betaling bij tusschenkomst aanbieden, heeft de voorkeur de
betaling, welke het grootste aantal bevrijdingen teweegbrengt. De
interveniënt, die desbewust in strijd hiermede handelt, verliest
zijn recht van regres tegen hen, die anders zouden zijn bevrijd.
Negende afdeeling. Van
wisselexemplaren, wisselafschriften en vermiste wisselbrieven
1. Wisselexemplaren
Artikel 163
1.De wisselbrief kan in meer
gelijkluidende exemplaren worden getrokken.
2.Die exemplaren moeten in den
tekst zelf van den titel worden genummerd, bij gebreke waarvan elk
exemplaar wordt beschouwd als een afzonderlijke wisselbrief.
3.Iedere houder van eenen
wisselbrief, waarin niet is vermeld, dat deze in een enkel
exemplaar getrokken is, kan op zijne kosten de levering van meer
exemplaren vorderen. Te dien einde moet hij zich tot zijn
onmiddellijken endossant wenden, die verplicht is zijne
medewerking te verleenen om zijn eigen endossant aan te spreken,
en zoo vervolgens, teruggaande tot den trekker. De endossanten
zijn verplicht, de endossementen ook op de nieuwe exemplaren aan
te brengen.
Artikel 164
1.De betaling, op één der
exemplaren gedaan, bevrijdt, ook al ware niet bedongen, dat die
betaling de kracht der andere exemplaren te niet doet. Echter
blijft de betrokkene verbonden wegens elk geaccepteerd exemplaar,
dat hem niet is uitgeleverd.
2.De endossant, die de exemplaren
aan verschillende personen heeft overgedragen, alsook de latere
endossanten, zijn verbonden wegens alle exemplaren, die hunne
handteekening dragen en die niet zijn uitgeleverd.
Artikel 165
1.Hij, die één der exemplaren ter
acceptatie heeft gezonden, moet op de andere exemplaren den naam
van den persoon aanwijzen, in wiens handen dat exemplaar zich
bevindt. Deze is verplicht, dit aan den rechtmatigen houder van
een ander exemplaar uit te leveren.
2.Weigert hij dit, dan kan de
houder slechts zijn recht van regres uitoefenen, nadat hij door
een protest heeft doen vaststellen:
1°. dat het ter acceptatie
gezonden exemplaar hem desgevraagd niet is uitgeleverd;
2°. dat hij de acceptatie of
de betaling op een ander exemplaar niet heeft kunnen
verkrijgen.
2. Wisselafschriften
Artikel 166
1.Elke houder van eenen wisselbrief
heeft het recht, daarvan afschriften te vervaardigen.
2.Het afschrift moet het
oorspronkelijke nauwkeurig weergeven met de endossementen en alle
andere vermeldingen, die er op voorkomen. Het moet aangeven, waar
het afschrift ophoudt.
3.Het kan worden geëndosseerd en
voor aval geteekend op dezelfde wijze en met dezelfde gevolgen,
als het oorspronkelijke.
Artikel 167
1.Het afschrift moet dengene, in
wiens handen het oorspronkelijke stuk zich bevindt, vermelden.
Deze is verplicht het oorspronkelijke stuk aan den rechtmatigen
houder van het afschrift uit te leveren.
2.Weigert hij dit, dan kan de
houder zijn recht van regres tegen hen, die het afschrift hebben
geëndosseerd of voor aval geteekend, slechts uitoefenen, nadat
hij door een protest heeft doen vaststellen, dat het
oorspronkelijke stuk hem desgevraagd niet is uitgeleverd.
3.Indien na het laatste daarop
geplaatste endossement, alvorens het afschrift is vervaardigd, het
oorspronkelijke stuk de clausule draagt: "van hier af geldt
het endossement slechts op de copie", of eenige andere
soortgelijke clausule, is een nadien op het oorspronkelijk stuk
geplaatst endossement nietig.
3. Vermiste wisselbrieven
Artikel 167a
Degene die een wisselbrief, waarvan
hij houder was, vermist, kan met inachtneming van artikel 49, derde
lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van de betrokkene
betaling vragen.
Artikel 167b
Degene die een wisselbrief waarvan
hij houder was, en welke is vervallen, en, zoveel nodig,
geprotesteerd, vermist, kan met inachtneming van artikel 49, derde
lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, zijn rechten alleen
tegen de acceptant en tegen de trekker uitoefenen.
Tiende afdeeling. Van veranderingen
Artikel 168
In geval van verandering van den
tekst van eenen wisselbrief, zijn zij, die daarna hunne
handteekeningen op den wisselbrief geplaatst hebben, volgens den
veranderden tekst verbonden; zij, die daarvoor hunne handteekeningen
op den wisselbrief geplaatst hebben, zijn verbonden volgens den
oorspronkelijken tekst.
Elfde afdeeling. Van verjaring
Artikel 168a
Behoudens de bepaling van het
volgende artikel gaat wisselschuld te niet door alle middelen van
schuldbevrijding, bij het Burgerlijk Wetboek aangewezen.
Artikel 169
1.Alle rechtsvorderingen, welke uit
den wisselbrief tegen den acceptant voortspruiten, verjaren door
een tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van den vervaldag.
2.De rechtsvorderingen van den
houder tegen de endossanten en tegen den trekker verjaren door een
tijdsverloop van een jaar, te rekenen van de dagteekening van het
tijdig opgemaakte protest of, ingeval van de clausule zonder
kosten, van den vervaldag.
3.De rechtsvorderingen van de
endossanten tegen elkander en tegen den trekker verjaren door
tijdsverloop van zes maanden, te rekenen van den dag, waarop de
endossant ter voldoening aan zijnen regresplicht den wisselbrief
heeft betaald, of van den dag, waarop hij zelf in rechte is
aangesproken.
4.De in het eerste lid bedoelde
verjaring kan niet worden ingeroepen door den acceptant, indien of
voor zoover hij fonds heeft ontvangen of zich ongerechtvaardigd
zou hebben verrijkt; evenmin kan de in het tweede en derde lid
bedoelde verjaring worden ingeroepen door den trekker, indien of
voor zoover hij geen fonds heeft bezorgd noch door den trekker of
de endossanten, die zich ongerechtvaardigd zouden hebben verrijkt;
alles onverminderd het bepaalde in artikel 306 van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 170
1.De stuiting der verjaring is
slechts van kracht tegen dengene, ten aanzien van wien de
stuitingshandeling heeft plaats gehad.
2.Op de in het vorige artikel
bedoelde verjaringen is artikel 321, eerste lid, onder a-d van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing; in de
gevallen bedoeld in artikel 321, eerste lid, onder b en c, van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft de onbekwame of
rechthebbende wiens rechtsvordering is verjaard, verhaal op de
wettelijke vertegenwoordiger of bewindvoerder.
Twaalfde afdeeling. Algemene
bepalingen
Artikel 171
1.De betaling van eenen
wisselbrief, waarvan de vervaldag een wettelijke feestdag is, kan
eerst worden gevorderd op den eerstvolgenden werkdag. Evenzoo
kunnen alle andere handelingen met betrekking tot wisselbrieven,
met name de aanbieding ter acceptatie en het protest, niet plaats
hebben dan op eenen werkdag.
2.Wanneer ééne van die
handelingen moet worden verricht binnen een zekeren termijn,
waarvan de laatste dag een wettelijke feestdag is, wordt deze
termijn verlengd tot den eersten werkdag, volgende op het einde
van dien termijn. De tusschenliggende feestdagen zijn begrepen in
de berekening van den termijn.
Artikel 171a
Als wettelijke feestdag in den zin
van deze Afdeeling worden beschouwd de Zondag, de Nieuwjaarsdag, de
Christelijke tweede Paasch- en Pinksterdagen, de beide Kerstdagen,
de Hemelvaartsdag en de verjaardag des Konings.
Artikel 172
In de wettelijke of bij overeenkomst
vastgestelde termijnen is niet begrepen de dag, waarop deze
termijnen beginnen te loopen.
Artikel 173
Geen enkele respijtdag, noch
wettelijke, noch rechterlijke, is toegestaan.
Dertiende afdeeling. Van
orderbriefjes
Artikel 174
Het orderbriefje behelst:
1°. hetzij de orderclausule,
hetzij de benaming "orderbriefje" of "promesse
aan order", opgenomen in den tekst zelf, en uitgedrukt in
de taal, waarin de titel is gesteld;
2°. de onvoorwaardelijke belofte
een bepaalde som te betalen;
3°. de aanwijzing van den
vervaldag;
4°. die van de plaats, waar de
betaling moet geschieden;
5°. den naam van dengene, aan
wien of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;
6°. de vermelding van de
dagteekening, alsmede van de plaats, waar het orderbiljet is
onderteekend;
7°. de handteekening van hem,
die den titel uitgeeft (onderteekenaar).
Artikel 175
1.De titel, waarin ééne der
vermeldingen, in het voorgaande artikel aangegeven, ontbreekt,
geldt niet als orderbriefje, behoudens in de hieronder genoemde
gevallen.
2.Het orderbriefje, waarvan de
vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op
zicht.
3.Bij gebreke van een bijzondere
aanwijzing wordt de plaats van de onderteekening van den titel
geacht te zijn de plaats van betaling en tevens de plaats van het
domicilie van den onderteekenaar.
4.Het orderbriefje, dat de plaats
van zijne onderteekening niet vermeldt, wordt geacht te zijn
onderteekend in de plaats, aangegeven naast den naam van den
onderteekenaar.
Artikel 176
1.Voor zooverre zij niet
onvereenigbaar zijn met den aard van het orderbriefje, zijn daarop
toepasselijk de bepalingen over wisselbrieven betreffende:
het endossement (artikelen
110-119);
den vervaldag (artikelen 132-136);
de betaling (artikelen 137-141);
het recht van regres in geval van
non-betaling (artikelen 142-149, 151-153);
de betaling bij tusschenkomst
(artikelen 154, 158-162);
de wisselafschriften (artikelen 166
en 167);
de vermiste wisselbrieven (artikel
167a);
de veranderingen (artikel 168);
de verjaring (artikelen 168a en
169-170);
de feestdagen, de berekening der
termijnen en het verbod van respijtdagen (artikelen 171, 171a, 172
en 173).
2.Eveneens zijn op het orderbriefje
toepasselijk de bepalingen betreffende den wisselbrief, betaalbaar
bij eenen derde of in een andere plaats dan die van het domicilie
van den betrokkene (artikelen 103 en 126), de renteclausule
(artikel 104), de verschillen in de vermelding met betrekking tot
de som, welke moet worden betaald (artikel 105), de gevolgen van
het plaatsen eener handteekening onder de omstandigheden bedoeld
in artikel 106, die van de handteekening van eenen persoon, die
handelt zonder bevoegdheid of die zijne bevoegdheid overschrijdt
(artikel 107), en den wisselbrief in blanco (artikel 109).
3.Eveneens zijn op het orderbriefje
toepasselijk de bepalingen betreffende het aval (artikelen
129-131); indien overeenkomstig hetgeen is bepaald bij artikel
130, laatste lid, het aval niet vermeldt, voor wien het is
gegeven, wordt het geacht voor rekening van den onderteekenaar van
het orderbriefje te zijn gegeven.
Artikel 177
1.De onderteekenaar van een
orderbriefje is op dezelfde wijze verbonden als de acceptant van
eenen wisselbrief.
2.De orderbriefjes, betaalbaar
zekeren tijd na zicht, moeten ter teekening voor
"gezien" aan den onderteekenaar worden aangeboden binnen
den bij artikel 122 vastgestelden termijn. De zichttermijn loopt
van de dagteekening van het visum, hetwelk door den onderteekenaar
op het orderbriefje moet worden geplaatst. De weigering van dezen
zijn visum te plaatsen, moet worden vastgesteld door een protest
(artikel 124), van welks dagteekening de zichttermijn begint te
loopen.
Zevende titel. Van chèques, en van
promessen en quitantiën aan toonder
Eerste afdeeling. Van de uitgifte en
den vorm van de chèque
Artikel 178
De chèque behelst:
1°. de benaming "chèque",
opgenomen in den tekst zelf en uitgedrukt in de taal, waarin de
titel is gesteld;
2°. de onvoorwaardelijke
opdracht tot betaling van een bepaalde som;
3°. den naam van dengene, die
betalen moet (betrokkene);
4°. de aanwijzing van de plaats,
waar de betaling moet geschieden;
5°. de vermelding van de
dagteekening, alsmede van de plaats, waar de chèque is
getrokken;
6°. de handteekening van dengene,
die de chèque uitgeeft (trekker).
Artikel 179
1.De titel, waarin ééne der
vermeldingen, in het voorgaande artikel aangegeven, ontbreekt,
geldt niet als chèque, behoudens in de hieronder genoemde
gevallen.
2.Bij gebreke van een bijzondere
aanwijzing, wordt de plaats, aangegeven naast den naam van den
betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling. Indien meerdere
plaatsen zijn aangegeven naast den naam van den betrokkene, is de
chèque betaalbaar op de eerstaangegeven plaats.
3.Bij gebreke van die aanwijzingen
of van iedere andere aanwijzing, is de chèque betaalbaar in de
plaats, waar het hoofdkantoor van den betrokkene is gevestigd.
4.De chèque, welke niet de plaats
aanwijst, waar zij is getrokken, wordt geacht te zijn onderteekend
in de plaats, aangegeven naast den naam des trekkers.
Artikel 180
De chèque moet worden getrokken op
eenen bankier, die fonds onder zich heeft ter beschikking van den
trekker, en krachtens een uitdrukkelijke of stilzwijgende
overeenkomst, volgens welke de trekker het recht heeft per chèque
over dat fonds te beschikken. In geval van niet-inachtneming van die
voorschriften blijft de titel echter als chèque geldig.
Artikel 181
De chèque kan niet worden
geaccepteerd. Eene vermelding van acceptatie, op de chèque gesteld,
wordt voor niet geschreven gehouden.
Artikel 182
1.De chèque kan betaalbaar worden
gesteld:
aan een met name genoemden persoon,
met of zonder uitdrukkelijke clausule: "aan order";
aan een met name genoemden persoon,
met de clausule: "niet aan order", of een soortgelijke
clausule;
aan toonder.
2.De chèque, betaalbaar gesteld
aan een met name genoemden persoon, met de vermelding: "of
aan toonder", of een soortgelijke uitdrukking, geldt als
chèque aan toonder.
3.De chèque zonder vermelding van
den nemer geldt als chèque aan toonder.
Artikel 183
1.De chèque kan aan de order van
den trekker luiden.
2.De chèque kan worden getrokken
voor rekening van eenen derde. De trekker wordt geacht voor zijn
eigene rekening te hebben getrokken, indien uit de chèque of uit
den adviesbrief niet blijkt, voor wiens rekening zulks is
geschied.
3.De chèque kan op den trekker
zelf getrokken worden.
Artikel 183a
1.Wanneer de trekker op de chèque
de vermelding "waarde ter incasseering", "ter
incasso", "in lastgeving" of eenige andere
vermelding, met zich brengend een bloote opdracht tot inning,
heeft geplaatst, kan de nemer alle uit de chèque voortvloeiende
rechten uitoefenen, maar hij kan deze niet anders overdragen dan
bijwege van lastgeving.
2.Bij een zoodanige chèque kunnen
de chèqueschuldenaren aan den houder slechts de verweermiddelen
tegenwerpen, welke aan den trekker zouden kunnen worden
tegengeworpen.
3.De opdracht, vervat in een
incasso-chèque, eindigt niet door dood of latere onbekwaamheid
van den lastgever.
Artikel 184
Eene in de chèque opgenomen
renteclausule wordt voor niet geschreven gehouden.
Artikel 185
De chèque kan betaalbaar zijn aan de
woonplaats van eenen derde, hetzij in de plaats, waar de betrokkene
zijn domicilie heeft, hetzij in een andere plaats.
Artikel 186
1.De chèque, waarvan het bedrag
voluit in letters en tevens in cijfers is geschreven, geldt, in
geval van verschil, ten beloope van de som, voluit in letters
geschreven.
2.De chèque, waarvan het bedrag
meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij in
cijfers, geldt, in geval van verschil, slechts ten beloope van de
kleinste som.
Artikel 187
Indien de chèque handteekeningen
bevat van personen, die onbekwaam zijn zich door middel van een
chèque te verbinden, valsche handteekeningen of handteekeningen van
verdichte personen, of handteekeningen, welke, onverschillig om
welke andere reden, de personen, die die handteekeningen hebben
geplaatst of in wier naam zulks is geschied, niet kunnen verbinden,
zijn de verbintenissen der andere personen, wier handteekeningen op
de chèque voorkomen, desniettemin geldig.
Artikel 188
Ieder, die zijne handteekening op
eene chèque plaatst als vertegenwoordiger van eenen persoon, voor
wien hij niet de bevoegdheid had te handelen, is zelf krachtens de
chèque verbonden, en heeft, betaald hebbende, dezelfde rechten, als
de beweerde vertegenwoordigde zou hebben gehad. Hetzelfde geldt ten
aanzien van den vertegenwoordiger, die zijne bevoegdheid heeft
overschreden.
Artikel 189
De trekker staat in voor de betaling.
Elke clausule, waarbij hij deze verplichting uitsluit, wordt voor
niet geschreven gehouden.
Artikel 190
Indien eene chèque, onvolledig ten
tijde der uitgifte, is volledig gemaakt in strijd met de aangegane
overeenkomsten, kan de niet-naleving van die overeenkomsten niet
worden tegengeworpen aan den houder, die de cheque te goeder trouw
heeft verkregen.
Artikel 190a
De trekker, of degene voor wiens
rekening de chèque is getrokken, is verplicht zorg te dragen dat
het noodige fonds tot betaling op den dag der aanbieding in handen
van den betrokkene zij, zelfs indien de chèque bij eenen derde is
betaalbaar gesteld, onverminderd de verplichting van den trekker
overeenkomstig artikel 189.
Artikel 190b
De betrokkene wordt geacht, het
noodige fonds in handen te hebben, indien hij bij de aanbieding van
de chèque aan den trekker of aan dengene voor wiens rekening is
getrokken, een opeischbare som schuldig is, ten minste gelijkstaande
met het beloop van de chèque.
Tweede afdeeling. Van de overdracht
Artikel 191
1.De chèque, die betaalbaar is
gesteld aan een met name genoemden persoon met of zonder
uitdrukkelijke clausule: "aan order", kan door middel
van endossement worden overgedragen.
2.De chèque, die betaalbaar is
gesteld aan een met name genoemden persoon met de clausule:
"niet aan order", of een soortgelijke clausule, kan
slechts worden overgedragen in den vorm en met de gevolgen van een
gewone cessie. Een op zulk een chèque geplaatst endossement geldt
als een gewone cessie.
3.Het endossement kan worden
gesteld zelfs ten voordeele van den trekker of van iederen anderen
chèqueschuldenaar. Deze personen kunnen de chèque opnieuw
endosseeren.
Artikel 192
1.Het endossement moet
onvoorwaardelijk zijn. Elke daarin opgenomen voorwaarde wordt voor
niet geschreven gehouden.
2.Het gedeeltelijke endossement is
nietig.
3.Eveneens is nietig het
endossement van den betrokkene.
4.Het endossement aan toonder geldt
als endossement in blanco.
5.Het endossement aan den
betrokkene geldt slechts als kwijting, behoudens wanneer de
betrokkene meer kantoren heeft en wanneer het endossement is
gesteld ten voordeele van een ander kantoor dan dat, waarop de
chèque is getrokken.
Artikel 193
1.Het endossement moet gesteld
worden op de chèque of op een vastgehecht blad (verlengstuk). Het
moet worden onderteekend door den endossant.
2.Het endossement kan den
geëndosseerde onvermeld laten, of bestaan uit de enkele
handteekening van den endossant (endossement in blanco). In het
laatste geval moet het endossement om geldig te zijn, op de
rugzijde van de chèque of op het verlengstuk worden gesteld.
Artikel 194
1.Door het endossement worden alle
uit de chèque voortvloeiende rechten overgedragen.
2.Indien het endossement in blanco
is, kan de houder:
1°. het blanco invullen,
hetzij met zijn eigen naam, hetzij met den naam van een
anderen persoon;
2°. de chèque wederom in
blanco of aan een anderen persoon endosseeren;
3°. de chèque aan eenen derde
overgeven, zonder het blanco in te vullen, en zonder haar te
endosseeren.
Artikel 195
1.Tenzij het tegendeel bedongen is,
staat de endossant in voor de betaling.
2.Hij kan een nieuw endossement
verbieden; in dat geval staat hij tegenover de personen, aan wie
de chèque later is geëndosseerd, niet in voor de betaling.
Artikel 196
Hij, die een door endossement
overdraagbare chèque onder zich heeft, wordt beschouwd als de
rechtmatige houder, indien hij van zijn recht doet blijken door een
ononderbroken reeks van endossementen, zelfs indien het laatste
endossement in blanco is gesteld. De doorgehaalde endossementen
worden te dien aanzien voor niet geschreven gehouden. Wanneer een
endossement in blanco door een ander endossement is gevolgd, wordt
de onderteekenaar van dit laatste geacht, de chèque door het
endossement in blanco verkregen te hebben.
Artikel 197
Een op eene chèque aan toonder
voorkomend endossement maakt den endossant verantwoordelijk
overeenkomstig de bepalingen betreffende het recht van regres; het
maakt overigens den titel niet tot eene chèque aan order.
Artikel 198
Indien iemand, op welke wijze dan
ook, het bezit van de chèque heeft verloren, is de houder, in wiens
handen de chèque zich bevindt, niet verplicht de chèque af te
geven, indien hij deze te goeder trouw heeft verkregen en zulks
onverschillig of het betreft eene chèque aan toonder, dan wel een
voor endossement vatbare chèque, ten aanzien van welke de houder op
de wijze in artikel 196 voorzien van zijn recht doet blijken.
Artikel 199
Zij, die uit hoofde van de chèque
worden aangesproken, kunnen de verweermiddelen, gegrond op hun
persoonlijke verhouding tot den trekker of tot vroegere houders,
niet aan den houder tegenwerpen, tenzij deze bij de verkrijging van
de chèque desbewust ten nadeele van den schuldenaar heeft
gehandeld.
Artikel 200
1.Wanneer het endossement de
vermelding bevat: "waarde ter incasseering", "ter
incasso", "in lastgeving" of eenige andere
vermelding, met zich brengend een bloote opdracht tot inning, kan
de houder alle uit de chèque voortvloeiende rechten uitoefenen,
maar hij kan deze niet anders endosseeren dan bijwege van
lastgeving.
2.De chèqueschuldenaren kunnen in
dat geval aan den houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen,
welke aan den endossant zouden kunnen worden tegengeworpen.
3.De opdracht, vervat in een
incasso-endossement, eindigt niet door den dood of door de latere
onbekwaamheid van den lastgever.
Artikel 201
1.Het endossement, na het protest
of de daarmede gelijkstaande verklaring, of na het einde van den
aanbiedingstermijn op de chèque gesteld, heeft slechts de
gevolgen eener gewone cessie.
2.Behoudens tegenbewijs, wordt het
endossement zonder dagteekening geacht te zijn gesteld vóór het
protest of de daarmede gelijkstaande verklaringen, of vóór het
verstrijken van den in het voorgaande lid bedoelden termijn.
Derde afdeeling. Van het aval
Artikel 202
1.De betaling van de chèque kan
zoowel voor haar geheele bedrag als voor een gedeelte daarvan door
eenen borgtocht (aval) worden verzekerd.
2.Deze borgtocht kan door eenen
derde, behalve door den betrokkene, of zelfs door iemand, wiens
handteekening op de chèque voorkomt, worden gegeven.
Artikel 203
1.Het aval wordt op de chèque of
op een verlengstuk gesteld.
2.Het wordt uitgedrukt door de
woorden: "goed voor aval", of door een soortgelijke
uitdrukking; het wordt door den avalgever onderteekend.
3.De enkele handteekening van den
avalgever, gesteld op de voorzijde van de chèque, geldt als aval,
behalve wanneer de handteekening die is van den trekker.
4.Het kan ook geschieden bij een
afzonderlijk geschrift of bij een brief, vermeldende de plaats,
waar het is gegeven.
5.In het aval moet worden vermeld,
voor wien het is gegeven. Bij gebreke hiervan wordt het geacht
voor den trekker te zijn gegeven.
Artikel 204
1.De avalgever is op dezelfde wijze
verbonden als degene, voor wien het aval is gegeven.
2.Zijne verbintenis is geldig,
zelfs indien, wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek de door
hem gewaarborgde verbintenis nietig is.
3.Door te betalen verkrijgt de
avalgever de rechten, welke krachtens de chèque kunnen worden
uitgeoefend tegen dengene, voor wien het aval is gegeven en tegen
degenen, die tegenover dezen krachtens de chèque verbonden zijn.
Vierde afdeeling. Van de aanbieding
en van de betaling
Artikel 205
1.De chèque is betaalbaar op
zicht. Elke vermelding van het tegendeel wordt voor niet
geschreven gehouden.
2.De chèque, die ter betaling
wordt aangeboden vóór den dag, vermeld als datum van uitgifte,
is betaalbaar op den dag van de aanbieding.
Artikel 206
1.De chèque, die in hetzelfde land
uitgegeven en betaalbaar is, moet binnen den termijn van acht
dagen ter betaling worden aangeboden. Indien echter uit de chèque
zelve blijkt, dat zij bestemd is om in een ander land te
circuleeren, wordt deze termijn verlengd, hetzij tot twintig,
hetzij tot zeventig dagen, al naar gelang zij bestemd was in
hetzelfde of in een ander werelddeel te circuleeren. Te dien
aanzien worden de chèques, uitgegeven en betaalbaar in een land
in Europa en bestemd om te circuleeren in een kustland van de
Middellandsche Zee of omgekeerd, beschouwd als bestemd om te
circuleeren in hetzelfde werelddeel.
2.De chèque, uitgegeven in het
Rijk in Europa en betaalbaar in Nederlandsch-Indië, Suriname of
Curaçao, of omgekeerd, moet ter betaling aangeboden worden binnen
den tijd van zeventig dagen.
3.De chèque, die uitgegeven is in
een ander land dan dat, waar zij betaalbaar is, moet worden
aangeboden binnen een termijn, hetzij van twintig dagen, hetzij
van zeventig dagen, naar gelang de plaats van uitgifte en de
plaats van betaling gelegen zijn in hetzelfde of in een ander
werelddeel.
4.Te dien aanzien worden de
chèques, uitgegeven in een land in Europa en betaalbaar in een
kustland van de Middellandsche Zee of omgekeerd, beschouwd als
uitgegeven en betaalbaar in hetzelfde werelddeel.
5.De bovengenoemde termijnen
beginnen te loopen van den dag, op de chèque als datum van
uitgifte vermeld.
Artikel 207
De dag van uitgifte van eene chèque,
getrokken tusschen twee plaatsen met verschillende tijdrekening,
wordt herleid tot den overeenkomstigen dag van de tijdrekening van
de plaats van betaling.
Artikel 208
1.De aanbieding aan eene
verrekeningskamer geldt als aanbieding ter betaling.
2.Bij algemeenen maatregel van
bestuur zullen de instellingen worden aangewezen, die in den zin
van dezen Titel als verrekeningskamers worden beschouwd.
Artikel 209
1.De herroeping van de chèque is
slechts van kracht na het einde van den termijn van aanbieding.
2.Indien geene herroeping plaats
heeft, kan de betrokkene zelfs na het einde van dien termijn
betalen.
Artikel 210
Noch de dood van den trekker, noch
zijn na de uitgifte opkomende onbekwaamheid zijn van invloed op de
gevolgen van de chèque.
Artikel 211
1.Buiten het geval, in artikel 227a
vermeld, kan de betrokkene de chèque betalende, vorderen, dat hem
deze, van behoorlijke kwijting van den houder voorzien, wordt
uitgeleverd.
2.De houder mag niet weigeren een
gedeeltelijke betaling aan te nemen.
3.In geval van gedeeltelijke
betaling kan de betrokkene vorderen, dat van die betaling op de
chèque melding wordt gemaakt en dat hem daarvoor kwijting wordt
gegeven.
Artikel 212
1.De betrokkene, die een door
endossement overdraagbare chèque betaalt, is gehouden de
regelmatigheid van de reeks van endossementen, maar niet de
handteekening der endossanten te onderzoeken.
2.Indien hij, niet bevrijdend
betaald hebbende, verplicht wordt, ten tweede male te betalen,
heeft hij verhaal op allen die de cheque niet te goeder trouw
hebben verkregen.
Artikel 213
1.Eene chèque, waarvan de betaling
is bedongen in ander geld dan dat van de plaats van betaling, kan
binnen den termijn van aanbieding worden betaald in het geld van
het land volgens zijne waarde op den dag van betaling. Indien de
betaling niet heeft plaats gehad bij de aanbieding, kan de houder
te zijner keuze vorderen, dat de chèquesom voldaan wordt in het
geld van het land volgens den koers, hetzij van den dag van
aanbieding, hetzij van den dag van betaling.
2.De waarde van het vreemde geld
wordt bepaald volgens de gebruiken van de plaats van betaling. De
trekker kan echter voorschrijven, dat het te betalen bedrag moet
worden berekend volgens een in de chèque voorgeschreven koers.
3.Het bovenstaande is niet van
toepassing, indien de trekker heeft voorgeschreven, dat de
betaling moet geschieden in een bepaald aangeduid geld (clausule
van werkelijke betaling in vreemd geld).
4.Indien het bedrag van de chèque
is aangegeven in geld, hetwelk dezelfde benaming maar een
verschillende waarde heeft in het land van uitgifte en in dat van
betaling, wordt men vermoed het geld van de plaats van betaling te
hebben bedoeld.
Vijfde afdeeling. Van de gekruiste
chèque en van de verrekeningschèque
Artikel 214
1.De trekker of de houder van eene
chèque kan deze kruisen met de in het volgende artikel genoemde
gevolgen.
2.De kruising geschiedt door het
plaatsen van twee evenwijdige lijnen op de voorzijde van de
chèque. Zij kan algemeen zijn of bijzonder.
3.De kruising is algemeen, indien
zij tusschen de twee lijnen geen enkele aanwijzing bevat, of wel
de vermelding: "bankier", of een soortgelijk woord; zij
is bijzonder, indien de naam van eenen bankier voorkomt tusschen
de twee lijnen.
4.De algemeene kruising kan worden
veranderd in een bijzondere, maar de bijzondere kruising kan niet
worden veranderd in een algemeene.
5.De doorhaling van de kruising of
van den naam van den aangewezen bankier wordt geacht niet te zijn
geschied.
Artikel 215
1.Eene chèque met algemeene
kruising kan door den betrokkene slechts worden betaald aan eenen
bankier of aan eenen cliënt van den betrokkene.
2.Eene chèque met bijzondere
kruising kan door den betrokkene slechts worden betaald aan den
aangewezen bankier of, indien deze de betrokkene is, slechts aan
een zijner cliënten. Echter kan de aangegeven bankier de chèque
ter incasseering aan een anderen bankier overdragen.
3.Een bankier mag een gekruiste
chèque slechts in ontvangst nemen van een van zijne cliënten of
van een anderen bankier. Hij mag haar niet innen voor rekening van
andere personen dan deze.
4.Een chèque, welke meer dan één
bijzondere kruising draagt, mag door den betrokkene slechts worden
betaald, indien er niet meer dan twee kruisingen zijn, waarvan de
ééne strekt tot inning door eene verrekeningskamer.
5.De betrokkene of de bankier, die
de bovenstaande bepalingen niet naleeft, is verantwoordelijk voor
de schade tot beloop van het bedrag van de chèque.
Artikel 216
1.De trekker, alsmede de houder van
eene chèque, kan verbieden, dat deze in baar geld betaald wordt
door op de voorzijde in schuinsche richting te vermelden: "in
rekening te brengen", of een soortgelijke uitdrukking op te
nemen.
2.In dat geval mag de chèque den
betrokkene slechts aanleiding geven tot eene boeking
(rekening-courant, giro of schuldvergelijking). De boeking geldt
als betaling.
3.De doorhaling van de vermelding:
"in rekening te brengen" wordt geacht niet te zijn
geschied.
4.De betrokkene, die de
bovenstaande bepalingen niet naleeft, is verantwoordelijk voor de
schade tot beloop van het bedrag van de chèque.
Zesde afdeeling. Van het recht van
regres in geval van non-betaling
Artikel 217
De houder kan zijn recht van regres
uitoefenen op de endossanten, den trekker en de andere
chèqueschuldenaren, indien de chèque, tijdig aangeboden, niet
wordt betaald en indien de weigering van betaling wordt vastgesteld:
1°. hetzij door een authentieke
akte (protest);
2°. hetzij door eene verklaring
van den betrokkene, gedagteekend en geschreven op de chèque
onder vermelding van den dag van aanbieding;
3°. hetzij door een
gedagteekende verklaring van eene verrekeningskamer, waarbij
vastgesteld wordt, dat de chèque tijdig aangeboden en niet
betaald is.
Artikel 217a
1.Indien de non-betaling van de
chèque door protest of een daarmede gelijkstaande verklaring is
vastgesteld, is niettemin de trekker, al ware het protest niet in
tijds gedaan of de met protest gelijkstaande verklaring niet in
tijds afgegeven, tot vrijwaring gehouden, tenzij hij bewees, dat
de betrokkene op den dag der aanbieding het noodige fonds tot
betaling van de chèque in handen had. Indien het vereischte fonds
slechts gedeeltelijk aanwezig was, is de trekker voor het
ontbrekende gehouden.
2.In geval van niet tijdig protest
of niet tijdige met protest gelijkstaande verklaring is de
trekker, op straffe van tot vrijwaring te zijn gehouden,
verplicht, den houder af te staan en over te dragen de vordering
op het fonds, dat de betrokkene van hem op den dag der aanbieding
heeft in handen gehad, en zulks tot het beloop van de chèque; en
hij moet aan den houder, te diens koste, de noodige bewijzen
verschaffen om die vordering te doen gelden. Indien de trekker in
staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, zijn de curatoren onderscheidenlijk de bewindvoerders
in zijnen boedel tot dezelfde verplichtingen gehouden, ten ware
deze mochten verkiezen, den houder als schuldeischer, voor het
beloop van de chèque, toe te laten.
Artikel 218
1.Het protest of de daarmede
gelijkstaande verklaring moet worden gedaan vóór het einde van
den termijn van aanbieding.
2.Indien de aanbieding plaats heeft
op den laatsten dag van den termijn, kan het protest of de
daarmede gelijkstaande verklaring op den eerstvolgenden werkdag
worden gedaan.
Artikel 218a
1.De betaling van eene chèque moet
gevraagd en het daaropvolgend protest gedaan worden ter
woonplaatse van den betrokkene.
2.Indien de chèque getrokken is om
in een andere aangewezen woonplaats of door een anderen aangewezen
persoon, hetzij in dezelfde, hetzij in een andere gemeente te
worden betaald, moet de betaling gevraagd en het protest opgemaakt
worden ter aangewezene woonplaats of aan den aangewezen persoon.
3.Artikel 54 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 218b
1.Het protest van non-betaling
wordt gedaan door een deurwaarder. Deze kan zich desverkiezende
doen vergezellen door een of twee getuigen.
2.Het protest behelst:
1°. een letterlijk afschrift
van de chèque, van de endossementen, van het aval en van de
adressen daarop gesteld;
2°. de vermelding dat zij de
betaling aan de personen, of ter plaatse in het voorgaand
artikel gemeld, afgevraagd en niet bekomen hebben;
3°. de vermelding van de
opgegeven reden van non-betaling;
4°. de aanmaning om het
protest te teekenen, en de redenen van weigering;
5°. de vermelding, dat hij,
deurwaarder, wegens die non-betaling heeft geprotesteerd.
3.Indien het protest een vermiste
chèque betreft, volstaat, in plaats van het bepaalde onder 1°.
van het voorgaande lid, een zoo nauwkeurig mogelijke omschrijving
van den inhoud der chèque.
Artikel 218c
De deurwaarders zijn verplicht, op
straffe van schadevergoeding, afschrift van het protest te laten, en
hiervan melding in het afschrift te maken, en hetzelve, naar orde
des tijds, in te schrijven in een bijzonder register, genommerd en
gewaarmerkt door de kantonrechter van de rechtbank van het
arrondissement waarin hun woonplaats is gelegen, en om wijders,
zulks begeerd wordende, een of meer afschriften van het protest aan
de belanghebbenden te leveren.
Artikel 219
1.De houder moet van de
non-betaling kennisgeven aan zijnen endossant en aan den trekker
binnen de vier werkdagen, volgende op den dag van het protest of
de daarmede gelijkstaande verklaring en, indien de chèque
getrokken is met de clausule zonder kosten, volgende op dien der
aanbieding. Elke endossant moet binnen de twee werkdagen, volgende
op den dag van ontvangst der kennisgeving, de door hem ontvangen
kennisgeving aan zijnen endossant mededeelen, met aanwijzing van
de namen en adressen van degenen, die de voorafgaande
kennisgevingen hebben gedaan, en zoo vervolgens, teruggaande tot
den trekker. Deze termijnen loopen van de ontvangst der
voorafgaande kennisgeving af.
2.Indien overeenkomstig het
voorgaande lid eene kennisgeving is gedaan aan iemand, wiens
handteekening op de chèque voorkomt, moet gelijke kennisgeving
binnen denzelfden termijn aan diens avalgever worden gedaan.
3.Indien een endossant zijn adres
niet of op onleesbare wijze heeft aangeduid, kan worden volstaan
met kennisgeving aan den voorafgaanden endossant.
4.Hij, die eene kennisgeving heeft
te doen, kan zulks doen in iederen vorm, zelfs door enkele
terugzending van de chèque.
5.Hij moet bewijzen, dat hij de
kennisgeving binnen den vastgestelden termijn heeft gedaan. Deze
termijn wordt gehouden te zijn in acht genomen, wanneer een brief,
die de kennisgeving behelst, binnen den genoemden termijn ter post
is bezorgd.
6.Hij, die de kennisgeving niet
binnen den bovenvermelden termijn doet, stelt zich niet bloot aan
verval van zijn recht, hij is, indien daartoe aanleiding bestaat,
verantwoordelijk voor de schade, door zijne nalatigheid
veroorzaakt, zonder dat echter de schadevergoeding de chèquesom
kan te boven gaan.
Artikel 220
1.De trekker, een endossant of een
avalgever kan door de clausule "zonder kosten",
"zonder protest", of een andere soortgelijke op de
chèque gestelde en onderteekende clausule, den houder van het
opmaken van een protest of een daarmede gelijkstaande verklaring
ter uitoefening van zijn recht van regres ontslaan.
2.Deze clausule ontslaat den houder
niet van de aanbieding van de chèque binnen de voorgeschreven
termijnen, noch van het doen van de kennisgevingen. Het bewijs van
de niet-inachtneming der termijnen moet worden geleverd door
dengene, die zich daarop tegenover den houder beroept.
3.Is de clausule door den trekker
gesteld, dan heeft zij gevolgen ten aanzien van allen, wier
handteekeningen op de chèque voorkomen; is zij door eenen
endossant of door eenen avalgever gesteld, dan heeft zij gevolgen
alleen voor dezen endossant of avalgever. Indien de houder,
ondanks de door den trekker gestelde clausule, toch de weigering
van betaling doet vaststellen door protest of een daarmede
gelijkstaande verklaring, zijn de kosten daarvan voor zijne
rekening. Indien de clausule van eenen endossant of eenen
avalgever afkomstig is, kunnen de kosten van het protest of van de
daarmede gelijkstaande verklaring, indien een akte van dien aard
is opgesteld, op allen, wier handteekeningen op de chèque
voorkomen, worden verhaald.
Artikel 221
1.Allen, die uit hoofde van eene
chèque verbonden zijn, zijn hoofdelijk jegens den houder
verbonden. Bovendien is ook de derde, voor wiens rekening de
chèque is getrokken en die de waarde daarvoor heeft genoten,
jegens den houder aansprakelijk.
2.De houder kan deze personen,
zoowel ieder afzonderlijk, als gezamenlijk, aanspreken, zonder
verplicht te zijn de volgorde, waarin zij zich hebben verbonden,
in acht te nemen.
3.Hetzelfde recht komt toe aan
ieder, wiens handteekening op de chèque voorkomt en die deze, ter
voldoening aan zijnen regresplicht, heeft betaald.
4.De vordering, ingesteld tegen
éénen der chèqueschuldenaren, belet niet de anderen aan te
spreken, al hadden dezen zich later verbonden dan de eerst
aangesprokene.
Artikel 221a
1.De houder van eene chèque,
waarvan de non-betaling door protest of een daarmede gelijk
staande verklaring is vastgesteld, heeft in geen geval eenig recht
op het fonds, dat de betrokkene van den trekker in handen heeft.
2.Bij faillissement van den trekker
of indien ten aanzien van hem van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard behooren die
penningen aan diens boedel.
Artikel 222
De houder kan van dengene, tegen wien
hij zijn recht van regres uitoefent, vorderen:
1°. de som van de niet betaalde
chèque;
2°. de wettelijke rente, te
rekenen van de dag der aanbieding, voor chèques die in
Nederland uitgegeven en betaalbaar zijn, en een rente van zes
ten honderd, te rekenen van de dag der aanbieding, voor alle
overige chèques;
3°. de kosten van protest of van
de daarmede gelijkstaande verklaring, die van de gedane
kennisgevingen, alsmede de andere kosten.
Artikel 223
Hij, die ter voldoening aan zijnen
regresplicht de chèque heeft betaald, kan van degenen, die
tegenover hem regresplichtig zijn, vorderen:
1°. het geheele bedrag, dat hij
betaald heeft;
2°. de wettelijke rente, te
rekenen van de dag der betaling, voor chèques die in Nederland
uitgegeven en betaalbaar zijn, en een rente van zes ten honderd,
te rekenen van de dag der betaling, voor alle overige chèques;
3°. de door hem gemaakte kosten.
Artikel 224
1.Elke chèqueschuldenaar, tegen
wien het recht van regres wordt of kan worden uitgeoefend, kan,
tegen betaling ter voldoening aan zijnen regresplicht, de afgifte
vorderen van de chèque met het protest, of de daarmede
gelijkstaande verklaring, alsmede een voor voldaan geteekende
rekening.
2.Elke endossant, die ter
voldoening aan zijnen regresplicht, de chèque heeft betaald, kan
zijn endossement en dat van de volgende endossanten doorhalen.
Artikel 225
1.Wanneer de aanbieding van de
chèque, het opmaken van het protest, of de daarmede gelijkstaande
verklaring, binnen de voorgeschreven termijnen wordt verhinderd
door een onoverkomelijk beletsel (wettelijk voorschrift van
eenigen Staat of ander geval van overmacht), worden deze termijnen
verlengd.
2.De houder is verplicht van de
overmacht onverwijld aan zijnen endossant kennis te geven, en deze
kennisgeving, gedagteekend en onderteekend op de chèque of op een
verlengstuk te vermelden; voor het overige zijn de bepalingen van
artikel 219 toepasselijk.
3.Na ophouden van de overmacht moet
de houder onverwijld de chèque ter betaling aanbieden, en, indien
daartoe aanleiding bestaat, de weigering van betaling doen
vaststellen door protest of een daarmede gelijkstaande verklaring.
4.Indien de overmacht meer dan
vijftien dagen aanhoudt, te rekenen van den dag, waarop de houder,
al ware het vóór het einde van den aanbiedingstermijn, van de
overmacht aan zijnen endossant heeft kennis gegeven, kan het recht
van regres worden uitgeoefend, zonder dat de aanbieding of het
opmaken van protest of de daarmede gelijkstaande verklaring noodig
zijn.
5.Feiten, welke voor den houder of
voor dengene, dien hij met de aanbieding van de chèque of met het
opmaken van het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring
belastte, van zuiver persoonlijken aard zijn, worden niet
beschouwd als gevallen van overmacht.
Zevende afdeeling. Van
chèque-exemplaren en vermiste chèques
Artikel 226
Behoudens de chèques aan toonder,
kan elke chèque, uitgegeven in een land en betaalbaar in een ander
land of in een overzeesch gebied van hetzelfde land en omgekeerd, of
wel uitgegeven en betaalbaar in een zelfde overzeesch gebied of in
verschillende overzeesche gebieden van hetzelfde land, in meer
gelijkluidende exemplaren worden getrokken. Wanneer eene chèque in
meer exemplaren is getrokken, moeten die exemplaren in den tekst
zelf van den titel worden genummerd bij gebreke waarvan elk
exemplaar wordt beschouwd als een afzonderlijke chèque.
Artikel 227
1.De betaling op één der
exemplaren gedaan, bevrijdt, ook al ware niet bedongen, dat die
betaling de kracht der andere exemplaren te niet doet.
2.De endossant, die de exemplaren
aan verschillende personen heeft overgedragen, alsook de latere
endossanten, zijn verbonden wegens alle exemplaren, die hunne
handteekening dragen en die niet zijn uitgeleverd.
Artikel 227a
Degene die de cheque waarvan hij
houder was, vermist, kan met inachtneming van artikel 49, derde lid,
van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van de betrokkene betaling
vragen.
Artikel 227b
Degene die een cheque waarvan hij
houder was, en welke is vervallen en, zoveel nodig, geprotesteerd,
vermist, kan met inachtneming van artikel 49, derde lid, van Boek 6
van het Burgerlijk Wetboek zijn rechten alleen tegen de trekker
uitoefenen.
Achtste afdeeling. Van veranderingen
Artikel 228
In geval van verandering van den
tekst van eene chèque zijn zij, die daarna hunne handteekeningen op
de chèque geplaatst hebben, volgens den veranderden tekst
verbonden; zij, die daarvoor hunne handteekeningen op de chèque
geplaatst hebben, zijn verbonden volgens den oorspronkelijken tekst.
Negende afdeeling. Van verjaring
Artikel 228a
Behoudens de bepalingen van het
volgende artikel gaat schuld uit eene chèque te niet door alle
middelen van schuldbevrijding, bij het Burgerlijk Wetboek
aangewezen.
Artikel 229
1.De regresvorderingen van den
houder tegen de endossanten, den trekker en de andere
chèqueschuldenaren, verjaren door een tijdsverloop van zes
maanden, te rekenen van het einde van den termijn van aanbieding.
2.De regresvorderingen van de
verschillende chèqueschuldenaren tegen elkander, die gehouden
zijn tot de betaling van eene chèque, verjaren door een
tijdsverloop van zes maanden, te rekenen van den dag, waarop de
chèqueschuldenaar ter voldoening aan zijnen regresplicht de
chèque heeft betaald, of van den dag, waarop hij zelf in rechte
is aangesproken.
3.De in het eerste en tweede lid
bedoelde verjaring kan niet worden ingeroepen door den trekker,
indien of voor zoover hij geen fonds heeft bezorgd noch door den
trekker of de endossanten, die zich ongerechtvaardigd zouden
hebben verrijkt; alles onverminderd het bepaalde in artikel 306
van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 229a
1.De stuiting der verjaring is
slechts van kracht tegen dengene, ten aanzien van wien de
stuitingshandeling heeft plaats gehad.
2.Op de in het vorige artikel
bedoelde verjaringen is artikel 321, eerste lid, onder a-d van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing; in de
gevallen bedoeld in artikel 321, eerste lid, onder b en c, van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft de onbekwame of
rechthebbende, wiens rechtsvordering is verjaard, verhaal op de
wettelijke vertegenwoordiger of bewindvoerder.
Tiende afdeeling. Algemeene
bepalingen
Artikel 229abis
Met bankiers, genoemd in de
voorafgaande Afdeelingen van dezen Titel worden gelijkgesteld alle
personen of instellingen, die in hun werkzaamheid regelmatig gelden
ter onmiddellijke beschikking van anderen houden.
Artikel 229b
1.De aanbieding en het protest van
eene chèque kunnen niet plaats hebben dan op eenen werkdag.
2.Wanneer de laatste dag van den
termijn, door de wet gesteld voor het verrichten van handelingen
nopens de chèque, met name voor de aanbieding en voor het opmaken
van het protest of een daarmede gelijkstaande verklaring, een
wettelijke feestdag is, wordt deze termijn verlengd tot den
eersten werkdag, volgende op het einde van dien termijn. De
tusschenliggende feestdagen zijn begrepen in de berekening van den
termijn.
Artikel 229bbis
Als wettelijke feestdag in den zin
van deze Afdeeling worden beschouwd de Zondag, de Nieuwjaarsdag, de
Christelijke tweede Paasch- en Pinksterdagen, de beide Kerstdagen,
de Hemelvaartsdag en de verjaardag des Konings.
Artikel 229c
In de termijnen, bij de voorafgaande
Afdeelingen van dezen Titel voorzien, is niet begrepen de dag,
waarop deze termijnen beginnen te loopen.
Artikel 229d
Geen enkele respijtdag, noch
wettelijke, noch rechterlijke, is toegestaan.
Artikel 229dbis [Vervallen per
01-01-1986]
Elfde afdeeling. Van quitantiën en
promessen aan toonder
Artikel 229e
Quitantiën en promessen aan toonder
moeten de juiste dagteekening der oorspronkelijke uitgifte bevatten.
Artikel 229f
De oorspronkelijke uitgever van
quitantiën aan toonder, door eenen derde betaalbaar, is jegens
iederen houder voor de voldoening aansprakelijk gedurende tien dagen
na de dagteekening, die dag niet daaronder begrepen.
Artikel 229g
1.De verantwoordelijkheid van den
oorspronkelijken uitgever blijft echter voortduren, tenzij hij
bewees, dat hij, gedurende den bij het vorige artikel bepaalden
tijd, fonds ten beloope van het uitgegeven papier bij den persoon,
op wien hetzelve is afgegeven, heeft gehad.
2.De oorspronkelijke uitgever is,
op straffe van voortduring van zijne verantwoordelijkheid,
verpligt den houder af te staan en over te dragen de vordering op
het fonds, dat de persoon, op wien het papier is afgegeven van hem
ten vervaldage heeft in handen gehad, en zulks ten beloope van het
uitgegeven papier; en hij moet aan den houder, te diens koste, de
noodige bewijzen verschaffen om die vordering te doen gelden.
Indien de oorspronkelijke uitgever in staat van faillissement is
verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard, zijn de
curatoren onderscheidenlijk de bewindvoerders in zijnen boedel tot
dezelfde verpligtingen gehouden, ten ware deze mogten verkiezen,
den houder als schuldeischer, ten beloope van het uitgegeven
papier, toe te laten.
Artikel 229h
Buiten den oorspronkelijken uitgever,
blijft een ieder die het voormeld papier in betaling heeft gegeven,
gedurende den tijd van drie dagen daarna, de dag der uitgifte niet
daaronder begrepen, aansprakelijk jegens dengenen die het van hem
heeft ontvangen.
Artikel 229i
1.De houder eener promesse aan
toonder is verpligt voldoening te vorderen binnen den tijd van
drie dagen na den dag, op welken hij dat papier heeft in betaling
genomen, die dag niet daaronder gerekend, en hij moet, bij
wanbetaling, binnen een gelijken termijn daarna, de promesse ter
intrekking aanbieden aan dengenen die hem dezelve heeft in
betaling gegeven, alles op verbeurte van zijn verhaal tegen
denzelven, doch onverminderd zijn regt tegen dengenen die de
promesse heeft geteekend.
2.Indien bij de promesse de dag is
uitgedrukt op welken dezelve betaalbaar is, begint de termijn van
drie dagen eerst te loopen daags na den uitgedrukten betaaldag.
Artikel 229j
Indien de laatste dag van eenigen
termijn, waaromtrent in deze Afdeeling eenige bepaling voorkomt,
invalt op eenen wettelijken feestdag in den zin van art. 229b bis,
blijft de verpligting en verantwoordelijkheid voortduren tot en met
den eersten daaropvolgenden dag, welke geen wettelijke feestdag is.
Artikel 229k
1.Alle regtsvordering tegen de in
deze Afdeeling vermelde uitgevers van papier, of tegen hen, die
buiten den oorspronkelijken uitgever het papier in betaling hebben
gegeven, verjaart door tijdsverloop van zes maanden, te rekenen
van den dag der oorspronkelijke uitgifte.
2.De in het vorig lid bedoelde
verjaring kan niet worden ingeroepen door den uitgever, indien of
voor zoover hij geen fonds heeft bezorgd noch door den uitgever of
door hen, die buiten den oorspronkelijken uitgever het papier in
betaling hebben gegeven, voor zoover ze zich ongeregtvaardigd
zouden hebben verrijkt; alles onverminderd het bepaalde in artikel
306 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
3.Op de in dit artikel genoemde
verjaringen is het tweede lid van art. 229a van toepassing.
Achtste titel. Van reclame of
terugvordering in geval van faillissement
Artikel 230 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 231 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 232 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 233 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 234 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 235 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 236 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 237 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 238 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 239 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 240 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 241 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 242 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 243 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 244 [Vervallen per
01-01-1935]
Artikel 245 [Vervallen per
01-01-1935]
Negende titel [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 246 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 247 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 248 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 249 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 250 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 251 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 252 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 253 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 254 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 255 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 256 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 257 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 258 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 259 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 260 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 261 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 262 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 263 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 264 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 265 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 266 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 267 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 268 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 269 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 270 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 271 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 272 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 273 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 274 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 275 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 276 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 277 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 278 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 279 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 280 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 281 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 282 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 283 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 284 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 285 [Vervallen per
01-09-1896]
Artikel 286 [Vervallen per
26-07-1976]
Tiende titel [Vervallen per
01-01-2006]
Eerste afdeeling [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 287 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 288 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 289 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 290 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 291 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 292 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 293 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 294 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 295 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 296 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 297 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 298 [Vervallen per
01-01-1992]
Tweede afdeeling [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 299 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 300 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 301 [Vervallen per
01-01-2006]
Derde afdeeling [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 302 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 303 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 304 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 305 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 306 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 307 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 308 [Vervallen per
01-01-2006]
Tweede Boek. Van de regten en
verpligtingen uit scheepvaart voortspruitende
Algemeene Bepaling
Artikel 309
1.De betekenis van begrippen
voorkomende in Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering
van die voorkomende in de artikelen 5, 6, 7 en 10, geldt evenzeer
voor dit wetboek.
2.Onder zeewerkgever is te verstaan
de eigenaar of, in geval van rompbevrachting, de rompbevrachter.
Eerste titel. Van zeeschepen
Artikel 310
In den eersten tot en met den vierden
titel van dit boek worden onder schepen uitsluitend verstaan
zeeschepen.
Artikel 311
1.Een schip is een Nederlands schip
indien voldaan wordt aan de volgende vereisten:
a. het schip is eigendom van
een of meer:
1°. natuurlijke personen
die de nationaliteit bezitten van een lidstaat van de
Europese Unie, van een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte,
van Zwitserland of die worden gelijkgesteld met
EU-onderdanen ingevolge het van het Gemeenschapsrecht
afgeleide recht;
2°. vennootschappen waarop
het recht van een lidstaat van de Europese Unie, van een
van de landen, eilanden of gebieden, bedoeld in artikel
299, tweede tot en met vijfde lid en zesde lid, onder c,
van het EG-Verdrag, van een andere staat die partij is bij
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
of van Zwitserland toepasselijk is;
3°. rechtspersonen, niet
zijnde een vennootschap als bedoeld onder 2°, waarop het
recht van een lidstaat van de Europese Unie, van een van
de landen, eilanden of gebieden, bedoeld in artikel 299,
tweede tot en met vijfde lid en zesde lid, onder c, van
het EG-Verdrag, van een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
van Zwitserland toepasselijk is;
4°. natuurlijke personen,
vennootschappen of rechtspersonen niet bedoeld onder 1°,
2°, onderscheidenlijk 3°, die aanspraak kunnen maken op
het Europese recht van vrije vestiging ingevolge een
overeenkomst tussen de Europese Unie en een derde staat;
b. de eigenaar heeft in
Nederland een hoofdvestiging of nevenvestiging in de zin van
de Handelsregisterwet 2007;
c. een of meer natuurlijke
personen die in Nederland kantoor houden zijn namens de
eigenaar verantwoordelijk voor het schip, de kapitein en de
overige leden van de bemanning, alsmede voor de daarmee
verband houdende aangelegenheden en zijn dienaangaande alleen
of tezamen beslissingsbevoegd en beschikken over
vertegenwoordigingsbevoegdheid, en
d. een of meer van de
natuurlijke personen als bedoeld onder c of, bij verhindering,
een plaatsvervanger is bij voortduring bereikbaar en beschikt
over bevoegdheden om onverwijld te kunnen handelen in
situaties waarin dat geboden is.
2.Ingeval een schip eigendom is van
een natuurlijke persoon die tevens kapitein is van dat schip is
dat schip een Nederlands schip indien wordt voldaan aan het eerste
lid, onderdeel a, onder 1° of onder 4° en onderdeel b, en er in
Nederland aan de wal een vertegenwoordiger van die eigenaar is die
bij voortduring bereikbaar is en beschikt over bevoegdheden om
onverwijld te kunnen handelen in situaties waarin dat geboden is.
3.Ingeval de eigenaar de
verantwoordelijkheid voor het beheer van zijn schip overdraagt aan
een vennootschap als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder
2°, of onder 4°, en het beheer van dat schip voor rekening van
de eigenaar geschiedt, is dat schip een Nederlands schip indien
die vennootschap voldoet aan de vereisten, bedoeld in het eerste
lid, onderdelen b tot en met d. De eigenaar behoeft in dat geval
niet te voldoen aan het eerste lid, onderdelen b tot en met d.
Indien de eigenaar niet voldoet aan het eerste lid, onderdeel b,
kiest hij woonplaats ten kantore van de vestiging in Nederland van
de vennootschap waaraan het beheer is overgedragen.
4.Een schip dat uitsluitend anders
dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt, is
een Nederlands schip indien wordt voldaan aan het eerste lid,
onderdeel a, onder 1°, onder 3° of onder 4° en er in Nederland
aan de wal een natuurlijk persoon is met voldoende volmacht van de
eigenaar om onverwijld te kunnen handelen in situaties waarin dat
geboden is.
Artikel 311a
1. Door of namens Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat wordt ten behoeve van de teboekstelling,
bedoeld in artikel 194 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, op
verzoek van de reder aan deze een verklaring afgegeven, dat met
betrekking tot zijn schip wordt voldaan aan de in artikel 311
genoemde vereisten. Indien met betrekking tot een schip niet
langer wordt voldaan aan de in artikel 311 genoemde vereisten
wordt deze verklaring door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
ingetrokken. Van deze intrekking wordt, nadat de beroepstermijn is
verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is
beslist, onverwijld mededeling gedaan aan de in artikel 6 van de
Kadasterwet bedoelde bewaarder van het kadaster en de openbare
registers van het kantoor waar het schip te boek staat.
2. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld betreffende de schriftelijke
bewijsstukken en andere gegevens die de reder bij de aanvraag van
de verklaring, bedoeld in het eerste lid, dient te verstrekken,
alsmede betreffende het toezicht op het voldoen aan de in artikel
311 genoemde vereisten.
3. De kosten van aanvraag en
afgifte van een verklaring als bedoeld in de eerste volzin van het
eerste lid, komen ten laste van de aanvrager. Het tarief voor deze
kosten wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat.
Artikel 311b
1.Met het toezicht op de naleving
van het bij of krachtens de artikelen 311 en 311a bepaalde, zijn
belast de bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
aangewezen ambtenaren.
2.Van een besluit als bedoeld in
het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
3.De toezichthoudende ambtenaren
zijn bevoegd inlichtingen te verlangen, voor zover dat voor de
vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 312
Een schip, dat hier te lande is of
wordt gebouwd, wordt als een Nederlandsch schip beschouwd, totdat de
bouwer het heeft opgeleverd aan hem, voor wiens rekening het is of
wordt gebouwd, of wel het voor eigen rekening in de vaart heeft
gebracht.
Artikel 313 [Vervallen per
19-07-2006]
Artikel 314 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 315 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 316 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 317 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318b [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318c [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318d [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318e [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318f [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318g [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318h [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318i [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318j [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318k [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318l [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318m [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318n [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318o [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318p [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318q [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318r [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318s [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318t [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318u [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 318v [Vervallen per
01-05-1993]
Artikel 319
Op zeevissersschepen zijn de
artikelen 311 en 312 niet van toepassing.
Artikel 319a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 319b
De bepalingen van de artikelen 311 en
312 zijn niet van toepassing op schepen, aan het Rijk of eenig
openbaar lichaam toebehoorende, welke tot den openbaren dienst zijn
bestemd.
Tweede titel
Artikel 320 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 321 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 322 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 323 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 324 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 325 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 326 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 327 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 328 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 329 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 330 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 331 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 332 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 333 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 334 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 335 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 336 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 337 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 338 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 339 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 340
In deze titel wordt verstaan onder
Nederlands schip: een schip dat Nederlands is op grond van artikel
311 van dit boek, dan wel op grond van artikel 5 van de Wet
nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting .
Artikel 340a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 340b [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 340c [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 340d [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 340e [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 340f [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 340g [Vervallen per
01-04-1991]
Derde titel. Van den kapitein
Artikel 341
Onder opvarenden worden in dezen
titel verstaan allen, die zich aan boord bevinden, buiten den
kapitein.
Artikel 341a [Vervallen per
01-04-1998]
Artikel 341b [Vervallen per
01-02-2002]
Artikel 342
De kapitein is verplicht met
zoodanige bekwaamheid en nauwgezetheid en met zoodanig beleid te
handelen als voor eene behoorlijke vervulling zijner taak noodig is.
Artikel 343
1.De kapitein is verplicht de
gebruikelijke regels en de bestaande voorschriften ter verzekering
van de zeewaardigheid en de veiligheid van het schip, van de
veiligheid der opvarenden en der zaken aan boord, met
nauwgezetheid op te volgen.
2.Hij onderneemt de reis niet,
tenzij het schip tot het volvoeren daarvan geschikt, naar behooren
uitgerust en voldoende bemand is.
Artikel 344
De kapitein is verplicht overal waar
de wet, de gewoonte of de voorzichtigheid dit gebiedt, zich van een
loods te bedienen.
Artikel 345
De kapitein mag gedurende de vaart of
bij dreigend gevaar het schip niet verlaten, tenzij zijne
afwezigheid volstrekt noodzakelijk is of de zorg voor lijfsbehoud
hem daartoe dwingt.
Artikel 346
De kapitein is verplicht voor de aan
boord zijnde goederen van een gedurende de reis overleden opvarende
te zorgen en ten overstaan van twee der opvarenden daarvan een
behoorlijke beschrijving te maken of te doen maken, welke door hem
en door deze opvarenden wordt onderteekend.
Artikel 347
1.De kapitein moet aan boord
voorzien zijn van:
den zeebrief, den meetbrief en een
uittreksel uit de registratie voor schepen als bedoeld in artikel
101, eerste lid, van de Kadasterwet vermeldende tenminste de
gegevens, bedoeld in artikel 85, tweede lid, onder a, c, d, e, f,
g en j, van die wet, alsmede de gegevens omtrent niet doorgehaalde
voorlopige aantekeningen, met dien verstande dat, ingeval dat
uittreksel meer dan één dag vóór die van het laatste vertrek
van het schip uit een Nederlandse haven is afgegeven, op dat
uittreksel een verklaring van de bewaarder van het kadaster en de
openbare registers moet voorkomen dat sedert de afgifte de op dat
uittreksel vermelde gegevens blijkens de stukken, ingeschreven in
de desbetreffende openbare registers tot op de dag vóór die van
het vertrek, geen wijziging hebben ondergaan;
het manifest der lading, de
charter-partij en de cognossementen, dan wel afschriften van die
stukken;
de Nederlandsche wetten en
reglementen op de reis van toepassing, en alle verdere noodige
papieren.
2.Ten aanzien van de charter-partij
en de cognossementen geldt deze verplichting niet in de door Ons
te omschrijven omstandigheden.
Artikel 348
1.De kapitein zorgt, dat aan boord
een scheepsdagboek (dagregister of journaal) wordt gehouden,
waarin alles van eenig belang, dat op de reis voorvalt, nauwkeurig
wordt opgeteekend.
2.De kapitein van een schip, dat
door mechanische kracht wordt voortbewogen, zorgt bovendien, dat
door een lid van het machinekamer-personeel een machine-dagboek
wordt gehouden.
Artikel 349
1.Op Nederlandse schepen mogen
alleen dagboeken in gebruik worden genomen, welke blad voor blad
zijn genummerd.
2.De dagboeken worden, zo mogelijk,
dagelijks bijgehouden, gedagtekend en door de kapitein en de
schepeling, die hij met het houden van het boek heeft belast,
ondertekend.
3.Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het
inrichten van de dagboeken.
Artikel 350
De kapitein, de eigenaar en de
rompbevrachter zijn verplicht aan belanghebbenden op hunne aanvrage
inzage en, tegen betaling van de kosten, afschrift van de dagboeken
te geven.
Artikel 351
Wanneer de kapitein zich in zaken van
aanbelang met leden van de bemanning heeft beraden, wordt van de hem
gegeven adviezen in het scheepsdagboek melding gemaakt.
Artikel 352 [Vervallen per
01-05-1990]
Artikel 353
1.Na aankomst in een haven kan de
kapitein door een notaris eene scheepsverklaring doen opmaken
omtrent de voorvallen der reis.
2.Indien het schip of de zaken aan
boord schade hebben geleden of eenig buitengewoon voorval heeft
plaats gehad, is de kapitein verplicht binnen 48 uren na aankomst,
in de plaats van aankomst of in een nabijgelegen plaats althans
eene voorloopige verklaring te doen opmaken. Eene voorloopige
verklaring moet binnen acht dagen door eene volledige verklaring
worden gevolgd.
3.De kapitein heeft zich te wenden
in het Koninkrijk buiten Europa tot het bevoegde gezag en buiten
het Koninkrijk tot den Nederlandschen consulairen ambtenaar of,
bij ontstentenis van zoodanigen ambtenaar, tot het bevoegde gezag.
4.De notaris is verplicht van
scheepsverklaringen tegen betaling der kosten afschrift uit te
reiken aan ieder die het verlangt.
Artikel 354
1.Bij het berekenen van de in
artikel 353 genoemde wettelijke termijn tellen de Zondag en de
daarmede gelijkgestelde dagen en, in het buitenland, de aldaar
algemeen erkende wettelijke feestdagen niet mede.
2.Met den Zondag worden
gelijkgesteld de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paasch- en
Pinksterdagen, de beide Kerstdagen en de Hemelvaartsdag.
Artikel 355
De door den kapitein aan te wijzen
schepelingen zijn verplicht bij het opmaken van de scheepsverklaring
hunne medewerking te verleenen door van hunne bevinding verklaring
af te leggen.
Artikel 356
De beoordeeling van de bewijskracht
van scheepsdagboeken en scheepsverklaringen, ten aanzien van de
daarin vermelde voorvallen der reis, is voor ieder geval aan den
rechter overgelaten.
Artikel 357
De kapitein is bevoegd, indien dit
tot behoud van schip of lading noodzakelijk is, scheepstoebehooren
en bestanddeelen van de lading zoowel over boord te werpen als te
verbruiken.
Artikel 358
De kapitein is in geval van nood
gedurende de reis bevoegd, levensmiddelen, welke in het bezit zijn
van opvarenden of tot de lading behooren, tegen schadevergoeding tot
zich te nemen, ten einde die te verbruiken in het belang van allen
die zich aan boord bevinden.
Artikel 358a
1.De kapitein is verplicht aan
personen, die in gevaar verkeeren, en in het bijzonder, als zijn
schip bij eene aanvaring betrokken is geweest, aan de andere
daarbij betrokken schepen en de personen, die zich aan boord dier
schepen bevinden, de hulp te verleenen, waartoe hij bij machte is,
zonder zijn eigen schip en de opvarenden daarvan aan ernstig
gevaar bloot te stellen.
2.Hij is bovendien verplicht, voor
zooverre hem dit mogelijk is, aan de andere bij de aanvaring
betrokken schepen op te geven den naam van zijn schip, van de
haven waar het thuis behoort en van de havens van waar het komt en
waarheen het bestemd is.
3.Niet-nakoming van deze
verplichtingen door den kapitein geeft geen aanspraak tegen hem,
die uit welken hoofde dan ook verantwoordelijk is voor het
optreden van de kapitein.
Artikel 358b
1.De kapitein van een Nederlandsch,
naar Nederland bestemd schip, in eene buitenlandsche haven
vertoevend, is verplicht, zich daar bevindende, hulpbehoevende
Nederlandsche zeelieden, voorzoover aan boord voor hen plaats is,
op verlangen van den Nederlandschen consulairen ambtenaar of, waar
deze ontbreekt, van de plaatselijke overheid, naar Nederland over
te brengen.
2.De kosten hiervan zijn voor
rekening van den Staat. De vaststelling dier kosten geschiedt op
den grondslag door Ons te bepalen.
Artikel 359
De kapitein heeft de zorg voor alles
wat met het beladen en het lossen van het schip in verband staat,
voor zooverre niet andere personen daarmee zijn belast.
Artikel 360 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 361 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 362 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 363 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 364
1.Tegenover de zee-werkgever is de
kapitein steeds verplicht te handelen overeenkomstig de
bepalingen, waaronder hij is aangesteld, en de hem krachtens die
aanstelling gegeven orders, mits deze bepalingen of deze orders
niet in strijd zijn met de verplichtingen, hem als gezagvoerder
door de wet opgelegd.
2.Hij geeft de zeewerkgever
doorloopend kennis van alles wat het schip en de zaken aan boord
betreft, en vraagt diens orders, alvorens tot eenigen maatregel
van geldelijk aanbelang over te gaan.
3.Overigens is het bepaalde bij de
artikelen 359 ook op zijne verhouding tot de zeewerkgever van
toepassing.
Artikel 365 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 366 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 367
De kapitein, vernemende dat de vlag,
waaronder hij vaart, onvrij is geworden, is verplicht in de meest in
de nabijheid gelegen onzijdige haven binnen te loopen en aldaar te
blijven liggen, totdat hij op veilige wijze kan vertrekken of van
hem die daartoe bevoegd is stellige orders om te vertrekken heeft
ontvangen.
Artikel 368
Indien den kapitein blijkt, dat de
haven, waarheen het schip is bestemd, wordt geblokkeerd, is hij
verplicht in de meest geschikte in de nabijheid gelegen haven binnen
te loopen.
Artikel 369 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 370
De kapitein mag van den koers, welken
hij moet volgen, afwijken ter redding van menschenlevens.
Artikel 371 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 371a
Indien gedurende de reis iemand aan
boord wordt ontdekt, die niet in het bezit is van een geldig
reisbiljet en niet bereid of niet in staat is op eerste aanmaning
van den kapitein vracht te betalen, heeft deze het recht hem aan
boord werk te laten verrichten, waartoe hij in staat is, en hem bij
de eerste gelegenheid die zich voordoet van boord te verwijderen.
Artikel 372
Noch de kapitein, noch een opvarende
mag voor eigen rekening goederen in het schip vervoeren, tenzij
krachtens overeenkomst met of verlof van de eigenaar en, indien het
schip is vervracht, ook van den bevrachter.
Artikel 373 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 374
1.Artikel 347, het tweede lid van
artikel 348 en artikel 349, eerste lid, zijn niet van toepassing
op zeevissersschepen.
2.Aan boord moeten aanwezig zijn
een uittreksel uit de registratie voor schepen als bedoeld in
artikel 101, eerste lid, van de Kadasterwet vermeldende tenminste
de gegevens, bedoeld in artikel 85, tweede lid, onder a, c, d, e,
f, g en j, van die wet, alsmede de gegevens omtrent niet
doorgehaalde voorlopige aantekeningen, welk uittreksel op een
zodanig tijdstip moet zijn afgegeven door de bewaarder van het
kadaster en de openbare registers dat de daarin vermelde gegevens
overeenstemmen met die welke in de registratie voor schepen ten
aanzien van het betrokken schip staan vermeld ten tijde van het
uitvaren van dat schip, en de wetten en reglementen op deze
schepen van toepassing.
Artikel 375
Op de arbeidsovereenkomst tusschen de
zeewerkgever en de kapitein zijn de bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek van toepassing, voor zoover daarvan in dit wetboek niet is
afgeweken.
Artikel 376
1.De arbeidsovereenkomst tusschen
de zeewerkgever en de kapitein moet, op straffe van nietigheid,
schriftelijk worden aangegaan.
2.Kosten der akte en andere
bijkomende kosten zijn ten laste van de zeewerkgever.
Artikel 377
Een door de zeewerkgever vastgesteld
reglement betreffende den dienst aan boord is voor den kapitein
verbindend, mits hem een exemplaar daarvan is verstrekt, en voor
zooverre de inhoud niet in strijd is met de door hem aangegane
arbeidsovereenkomst.
Artikel 378
Boete kan den kapitein slechts worden
opgelegd krachtens beding in de arbeidsovereenkomst wegens
overtreding van daarin te omschrijven bepalingen en tot het daarin
vast te stellen maximum. De bestemming der boete moet in de
overeenkomst worden aangegeven. De boete mag niet de zeewerkgever
ten goede komen.
Artikel 379
1.Van het oogenblik waarop volgens
de arbeidsovereenkomst de arbeidsovereenkomst zal aanvangen heeft
de kapitein zich te houden ter beschikking van den zeewerkgever
tot het voeren van het in de overeenkomst aangewezen schip, of,
bij stilzwijgen van deze, van een door den zeewerkgever aan te
wijzen schip, mits dit behoort tot de schepen welke de
zeewerkgever voor de vaart ter zee gebruikt. Is omtrent den
aanvang van de arbeidsovereenkomst niets bepaald, dan wordt die
voor de toepassing van dit voorschrift geacht samen te vallen met
het sluiten der overeenkomst.
2.De kapitein wordt geacht in
dienst te zijn aan boord van een schip van den dag, waarop hij
zijne taak aan boord op zich neemt, tot den dag waarop hij daarvan
wordt ontheven.
Artikel 380
De kapitein heeft gedurende den tijd
dat hij in dienst is aan boord van een schip, recht op voeding en
logies.
Artikel 381
1.De kapitein heeft aanspraak op
vakantie overeenkomstig het bepaalde in artikel 414 van het
Wetboek van Koophandel.
2.Het bepaalde in het vorige lid
geldt niet voor de kapitein ter visserij.
Artikel 382
Behalve in de gevallen, bedoeld in
artikel 678, lid 2, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zullen
voor de zeewerkgever dringende redenen onder andere aanwezig geacht
kunnen worden:
1°. wanneer de kapitein een
opvarende van het door hem gevoerde schip mishandelt, grovelijk
beleedigt of op ernstige wijze bedreigt of verleidt of tracht te
verleiden tot handelingen strijdig met de wetten of de goede
zeden;
2°. wanneer de kapitein weigert
te voldoen aan eene opdracht hem gegeven overeenkomstig het
bepaalde in artikel 379;
3°. wanneer den kapitein, hetzij
tijdelijk, hetzij voor goed, de bevoegdheid wordt ontnomen, als
zoodanig op een schip dienst te doen;
4°. wanneer de kapitein, buiten
weten van de zeewerkgever, smokkelwaren aan boord heeft gebracht
of daar toegelaten.
Artikel 383
1.Ieder der partijen is te allen
tijde, ook vóórdat de arbeidsovereenkomst is aangevangen,
bevoegd zich wegens gewichtige redenen te wenden tot de
kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de
plaats van haar werkelijk verblijf gelegen is, of het schip zich
bevindt, of in het Koninkrijk buiten Europa tot het bevoegde
gezag, of buiten het Koninkrijk tot den het eerst te bereiken
Nederlandschen diplomatieken of bezoldigden consulairen ambtenaar,
met het verzoek de arbeidsovereenkomst ontbonden te verklaren.
Artikel 450d, eerste lid, vindt overeenkomstige toepassing.
2.Als gewichtige redenen worden,
behalve die genoemd in artikel 685, lid 2, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, ook beschouwd omstandigheden, na den aanvang
van den dienst aan boord aan den verzoeker gebleken of na dien
opgekomen, waardoor de voortzetting van de reis, waarop het schip
zich bevindt, den kapitein of de opvarenden aan onvoorzien, groot
levensgevaar zou blootstellen.
3.Indien het betreft eene
arbeidsovereenkomst tusschen zeewerkgever en kapitein ter
zeevisscherij, kan ieder der partijen zich alleen wenden tot den
in het eerste lid bedoelden kantonrechter.
Artikel 384
1.Eindigt de arbeidsovereenkomst in
het buitenland dan heeft de kapitein recht op vrij vervoer tot een
haven in Nederland, tenzij hij wegens de wijze, waarop de
arbeidsovereenkomst is beëindigd, schadeplichtig is geworden.
Indien de arbeidsovereenkomst is ontbonden op verzoek van de
kapitein, op grond van gewichtige redenen, heeft hij dit recht
slechts, indien de zeewerkgever schadeplichtig is geworden.
2.Onder het vrij vervoer zijn
begrepen de kosten van onderhoud en nachtverblijf van het eindigen
der arbeidsovereenkomst tot de aankomst van den kapitein in de
plaats zijner bestemming.
Artikel 385
De kapitein die de
arbeidsovereenkomst doet eindigen, terwijl het door hem gevoerde
schip zich op reis bevindt, is verplicht de maatregelen te nemen,
welke in verband daarmede noodig zijn voor de veiligheid van het
schip, de opvarenden en de zaken aan boord, op straffe van
schadevergoeding.
Artikel 386
De bepalingen van de vorige artikelen
laten onaangetast de bevoegdheid van de zeewerkgever, te allen tijde
den kapitein het gezag over het schip te ontnemen.
Artikel 387
1.De boeten en de
schadeloosstelling bedoeld in de artikelen 378, 385 en 438 in
verband met artikel 390, zijn bevoorrecht op het in geld
vastgestelde deel van het loon van den kapitein, hetwelk tot het
bedrag daarvan kan worden ingehouden.
2.Boete en schadeloosstelling komen
in de eerste plaats ten laste van het deel van het loon, dat aan
den kapitein persoonlijk moet worden uitbetaald.
3.Het laatste lid van artikel 429
vindt toepassing.
Artikel 388
Na afloop van eene reis is de
kapitein verplicht de scheepspapieren aan de zeewerkgever af te
geven tegen ontvangstbewijs.
Artikel 389
De zeewerkgever verbeurt ten behoeve
van den kapitein voor iederen dag, dat hij dezen, gedurende of bij
het einde van zijn dienst aan boord van een schip, zonder wettige
reden ophoudt in het verkrijgen van het in geld vastgestelde deel
van zijn loon, € 1,36.
Artikel 390
1.De artikelen 399, 403, 408, 413,
415, 416, 425, 426, 428, 431-435, 437, 438, 440-442, 450a, 450aa
en 450c zijn van overeenkomstige toepassing op de
arbeidsovereenkomst van den kapitein.
2.Wanneer het betreft de
arbeidsovereenkomst van een kapitein ter zeevisscherij, vinden
bovendien de artikelen 452f, 452h en 452l overeenkomstige
toepassing.
Artikel 391
De artikelen 613 tot en met 613c,
617, 620, 624, 625, 627, artikel 629, lid 10 en artikel 629b, leden
1, 2, 4 en 3 voor zover het betreft de toepassing van artikel 628,
leden 3 en 4, 652, 657, 658, 676, 683 en 684 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek vinden geen toepassing ten aanzien van de dienst
van de kapitein aan boord van een schip.
Artikel 392
Bij overeenkomst kunnen partijen niet
afwijken van het bepaalde in de artikelen 376-378, 380 en 383, noch
ook ten nadeele van den kapitein van het bepaalde in de artikelen
381, 384 en 389.
Artikel 392a
In deze titel wordt verstaan onder
Nederlands schip: een schip dat Nederlands is op grond van artikel
311 van dit boek, dan wel op grond van artikel 5 van de Wet
nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting (Stb. 1992, 541).
Vierde titel. Van de schepelingen
§ 1. Algemeene bepalingen
Artikel 393
1.Scheepsofficieren zijn de
schepelingen, aan wie de monsterrol den rang van officier toekent.
2.Scheepsgezellen zijn alle overige
schepelingen.
Artikel 394
Voor zoover de zeewerkgever de
verhouding tusschen de scheepsofficieren onderling, tusschen de
scheepsgezellen onderling en tusschen de scheepsofficieren en de
scheepsgezellen niet heeft geregeld, beslist de kapitein
daaromtrent.
Artikel 395 [Vervallen per
01-02-2002]
§ 2. Van de arbeidsovereenkomst tot
de vaart ter zee
Artikel 396
1.Als schepelingen worden alleen
aangemerkt personen, die eene arbeidsovereenkomst met de
zeewerkgever hebben aangegaan.
2.De kapitein vertegenwoordigt de
zeewerkgever in de uitvoering van de arbeidsovereenkomsten met de
schepelingen, die in dienst zijn aan boord van het door hem
gevoerde schip.
Artikel 397
Op de arbeidsovereenkomst tusschen de
zeewerkgever en den schepeling zijn de bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek van toepassing, voor zoover daarvan in dit wetboek niet is
afgeweken.
Artikel 398
1.De arbeidsovereenkomst tusschen
de zeewerkgever en den schepeling moet, op straffe van nietigheid,
schriftelijk worden aangegaan en door den laatste persoonlijk
worden onderteekend.
2.Kosten der akte en andere
bijkomstige kosten zijn ten laste van de zeewerkgever.
Artikel 399
De arbeidsovereenkomst kan worden
aangegaan hetzij voor een bepaalden tijd, hetzij voor één of meer
reizen (bij de reis), hetzij voor onbepaalden tijd of tot
wederopzegging.
Artikel 400
De overeenkomst moet behelzen,
behalve hetgeen elders in de wet is voorgeschreven:
1°. den naam en de voornamen van
den schepeling, den dag van zijne geboorte of zijn leeftijd, en
zijne geboorteplaats;
2°. de plaats en den dag van het
sluiten van de overeenkomst;
3°. de aanduiding van het schip
of de schepen, waarop de schepeling zich verbindt dienst te
doen;
4°. de te ondernemen reis of
reizen, indien deze reeds vaststaan;
5°. de hoedanigheid, waarin de
schepeling in dienst zal treden;
6°. indien mogelijk, de plaats
waar en den dag waarop de dienst aan boord zal aanvangen;
7°. het bepaalde bij artikel 414
nopens het recht op vrije dagen;
8°. de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst, namelijk:
a. indien de overeenkomst
voor een bepaalden tijd wordt aangegaan, den dag waarop de
arbeidsovereenkomst eindigt, met vermelding van den inhoud
van artikel 431,
b. indien de overeenkomst bij
de reis wordt aangegaan, de haven overeengekomen voor de
beëindiging der arbeidsovereenkomst, met vermelding van den
inhoud van artikel 432, tweede lid, alsmede, indien de haven
eene Nederlandsche haven is, van het eerste of van het
tweede lid van artikel 433, naar gelang de haven al of niet
met name is genoemd,
c. indien de overeenkomst
voor onbepaalden tijd wordt aangegaan, den inhoud van
artikel 434, eerste lid.
Artikel 401
1.Voor zoover de namen, de plaats
of dag van geboorte van den schepeling niet bekend zijn, wordt dit
in de overeenkomst vermeld.
2.De aanduiding in de overeenkomst
van het schip of de schepen, waarop de schepeling zich verbindt
dienst te doen, kan ook geschieden door te bepalen, dat hij dienst
zal doen op een of meer door de zeewerkgever aan te wijzen
schepen, behoorende tot die, welke de zeewerkgever voor de vaart
ter zee gebruikt.
3.Indien partijen van het bepaalde
bij de artikelen 414, 431, 432, tweede lid, 433, eerste of tweede
lid, of 434, eerste lid, wenschen af te wijken, voor zoover
wettelijk geoorloofd, wordt in plaats daarvan die afwijkende
regeling in de overeenkomst opgenomen.
Artikel 402
Een door de zeewerkgever vastgesteld
reglement betreffende den dienst aan boord is voor den schepeling
verbindend, mits een in de Nederlandsche taal gesteld exemplaar
daarvan in een mede voor hem bestemd dagverblijf der schepelingen is
en blijft opgehangen en behoorlijk leesbaar is, en voor zooverre de
inhoud niet in strijd is met de door hem aangegane
arbeidsovereenkomst.
Artikel 403
Nietig is een beding waarbij de
schepeling wordt beperkt in zijne vrijheid, na het einde der
arbeidsovereenkomst arbeid te verrichten.
Artikel 404
Van het oogenblik waarop volgens de
overeenkomst de arbeidsovereenkomst zal aanvangen is de schepeling
verplicht zich te houden ter beschikking van de zeewerkgever om
gemonsterd te worden op een door de overeenkomst aangeduid schip. Is
omtrent den aanvang van de arbeidsovereenkomst niets bepaald, dan
wordt die voor de toepassing van dit voorschrift geacht samen te
vallen met het sluiten der overeenkomst.
Artikel 405
De schepeling wordt geacht in dienst
te zijn aan boord van een schip van den dag, in de monsterrol
daarvoor aangewezen, of, bij gebreke daarvan, van den dag, waarop de
monsterrol is opgemaakt, tot en met den dag waarop hij van zijne
werkzaamheden aan boord wordt ontheven of hij deze neerlegt.
Artikel 406
Schepelingen-dienst mag niet worden
verricht:
1°. door hen, die niet met de
zeewerkgever eene arbeidsovereenkomst hebben aangegaan,
2°. door hen, die, hoewel zij
met de zeewerkgever eene arbeidsovereenkomst hebben aangegaan,
niet in de monsterrol zijn genoemd.
Artikel 407
1. De zeewerkgever is verplicht te
zorgen voor voeding en verblijven van de schepeling aan boord,
alsmede voor een kombuis en andere ruimten voor de voeding, een en
ander op zodanige wijze dat een behoorlijke voorziening verzekerd
is.
2. Voor een schip, waarvan de
verblijven, de kombuis en andere ruimten voor de voeding voldoen
aan de in het zesde lid bedoelde voorschriften, wordt door Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat een certificaat voor de
verblijven uitgereikt.
3. Wanneer de inrichting van de
verblijven, van de kombuis en van de andere ruimten voor de
voeding niet meer voldoet aan de in het zesde lid bedoelde
voorschriften, wordt het certificaat door Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat ingetrokken.
4. [Vervallen.]
5. De kapitein mag met zijn schip
geen reis ondernemen, zonder dat voor het schip een geldig
certificaat voor de verblijven bestaat.
6. Nadere voorschriften tot
uitvoering van het bepaalde in de vorige leden worden bij algemene
maatregel van bestuur gegeven.
7. In geen geval mag de
zeewerkgever de voeding of de levering van de daarvoor benoodigde
eet- en drinkwaren bij wijze van aanbesteding opdragen aan den
kapitein of aan een schepeling.
Artikel 408
De schepeling heeft voor iederen dag,
dat hem de verschuldigde voeding niet of niet ten volle wordt
verstrekt, recht op eene vergoeding, waarvan het bedrag bij de
arbeidsovereenkomst of, bij stilzwijgen van deze, door het gebruik
of de billijkheid wordt bepaald.
Artikel 409
1.Ten verzoeke van een derde van de
schepelingen heeft buitenslands een onderzoek plaats naar de
deugdelijkheid en voldoende hoeveelheid der eet- en drinkwaren.
Het onderzoek wordt door den Nederlandschen consulairen ambtenaar
of, bij gebreke van dezen, en in het Koninkrijk buiten Europa,
door het bevoegde gezag ingesteld.
2.De kapitein is verplicht de
onbruikbare eet- en drinkwaren, op last dezer autoriteiten, tegen
bruikbare te verwisselen en het noodige zich aan te schaffen.
Artikel 410
1.Door een gelijk deel van de
schepelingen kan bij dezelfde autoriteiten buitenslands over
onvoldoende ligging of ruimte, na de afreis ontstaan, worden
geklaagd; een onderzoek wordt daarnaar ingesteld.
2.De kapitein is op last der
autoriteiten verplicht in het gebrekkige te voorzien.
3.De kapitein, die aan de hem,
overeenkomstig dit en het vorig artikel, gegeven bevelen niet
heeft voldaan, wordt geacht zich jegens de schepelingen te hebben
misdragen.
Artikel 411
1. De schepeling mag geen sterken
drank of wapens aan boord brengen of hebben zonder toestemming van
den kapitein.
2. De kapitein kan hetgeen hij in
strijd met deze bepaling aan boord aantreft, in beslag nemen en
vernietigen.
3. Dezelfde bevoegdheid heeft de
kapitein ten aanzien van smokkelwaren, contrabande en opium of
andere verdoovende middelen, welke de schepeling aan boord brengt
of heeft.
Artikel 412
1. Voor verbruik door de bemanning
mag geen sterke drank aan boord zijn boven de hoeveelheid, door
Ons bij algemeenen maatregel van bestuur te bepalen.
2. Sterke drank, in strijd met deze
bepaling aan boord aangetroffen door de ambtenaren van politie,
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, of de ambtenaren
van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, wordt door hen
in beslag genomen.
Artikel 413
1.De arbeidsovereenkomst moet, op
straffe van nietigheid, het bedrag van het in geld uit te betalen
loon bepalen of aangeven hoe het zal worden bepaald. De bepaling
kan niet aan het goedvinden van een der partijen worden
overgelaten.
2.Bij de toepassing van het
bepaalde in de artikelen 415, tweede lid, 415a, eerste lid, 415g,
423, eerste lid, 425, derde lid, 433, derde lid, 438 en 440 wordt
loon, vastgesteld bij de reis, geacht te zijn vastgesteld voor
eene tijdruimte gelijk aan den gemiddelden duur van de reis.
Artikel 414
1.De schepeling verwerft over ieder
jaar waarin hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur
recht op loon heeft gehad, aanspraak op vakantie van ten minste
dertig dagen.
2.De schepeling behoudt zijn
aanspraak op vakantie over het tijdvak gedurende hetwelk hij
studieverlof geniet en van zijn werkgever een studieuitkering
ontvangt.
3.Niet tot vakantie wordt gerekend:
a. officieel of algemeen
erkende feestdagen;
b. tijdelijk verlof om aan wal
te gaan;
c. compensatieverlof;
d. de tijd van het vervoer,
bedoeld in lid 7.
4.De werkgever van de schepeling is
verplicht om vijftien kalenderdagen van de vakantie, bedoeld in
lid 1, aaneengesloten te geven. Van deze verplichting kan worden
afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door
of namens een bevoegd publiekrechtelijk lichaam.
5.De vakantie moet zo worden
verleend dat de schepeling telkens na verloop van twee jaren alle
dagen heeft genoten waarop hij aanspraak heeft. De
verjaringstermijn, bedoeld in artikel 642 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, beloopt voor de schepeling drie jaren.
6.De vakantie, bedoeld in lid 1 en
in artikel 641, lid 3, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek,
wordt desverlangd aan de schepeling gegeven in de plaats alwaar
hij is gemonsterd, of de plaats alwaar hij is aangeworven, al naar
gelang die plaats het dichtst is gelegen bij de woonplaats van de
schepeling. Van deze regeling kan worden afgeweken bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een bevoegd
publiekrechtelijk lichaam.
7.Indien de schepeling genoodzaakt
is de vakantie, bedoeld in lid 1 en in artikel 641, lid 3, van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek aan te vangen op een andere
plaats dan die bedoeld in lid 6, is de werkgever gehouden zorg te
dragen voor kosteloos vervoer naar die andere plaats alsmede voor
de betaling van de kosten van levensonderhoud gedurende dat
vervoer.
8.Een schepeling die zijn vakantie,
bedoeld in lid 1 en in artikel 641, lid 3, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek geniet, wordt slechts in gevallen van uiterste
noodzaak teruggeroepen en wel na tijdige kennisgeving.
9.De aanspraak op vakantie zonder
behoud van loon, bedoeld in artikel 641, lid 3, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, wordt verminderd met de tijd gedurende welke
de schepeling, nadat hij de aanspraak heeft verworven, nog niet in
dienst was getreden.
Artikel 415
1. De schepeling, die ziek wordt,
blijft in het genot van het volle loon zolang hij aan boord is.
2. Na zijn herstel heeft de
schepeling, ongeacht het voortduren van de arbeidsovereenkomst,
recht op een uitkering, gelijk aan het naar tijdruimte in geld
vastgestelde loon, dat hij genoot toen hij ziek werd, indien hij
ter verpleging is achtergelaten buiten het land waar hij
thuisbehoort en elders dan ter plaatse waar hij zich bevond toen
zijn rechtsverhouding met de zeewerkgever aanving. Hij heeft
voorts aanspraak op huisvesting en voeding en recht op vrij
vervoer tot een haven in het land waar hij thuisbehoort of tot de
plaats waar hij zich bevond toen zijn rechtsverhouding met de
zeewerkgever aanving, zulks ter keuze van de zeewerkgever. Onder
vrij vervoer zijn begrepen de kosten van onderhoud en
nachtverblijf gedurende de reis. De geldelijke uitkering na zijn
herstel en het recht op huisvesting en voeding, waarop hij
ingevolge dit lid aanspraak kan maken, nemen in ieder geval een
einde zodra hij passende arbeid kan verkrijgen en verrichten dan
wel is teruggekeerd in of had kunnen terugkeren naar een haven in
het land waar hij thuisbehoort of de plaats waar hij zich bevond
toen zijn rechtsverhouding met de zeewerkgever aanving.
3. Indien de ziekte een gevolg is
van opzet, wordt de geldelijke uitkering verbeurd of verminderd,
ter beoordeling van de kantonrechter van de rechtbank van het
arrondissement waarin de zetel van het scheepsbedrijf is
gevestigd.
4. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regelen worden gesteld ter voorkoming of beperking
van samenloop van loon als bedoeld in het eerste lid met uitkering
of inkomensvoorziening ingevolge de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, dan wel met
uitkering of inkomensvoorziening ingevolge zowel de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering als de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
5. De schepeling, die ziek wordt,
heeft tot zijn herstel recht op behoorlijke verpleging en
geneeskundige behandeling. Dit recht komt evenwel niet toe aan de
schepeling, die verzekeringsplichtige is op grond van de
Zorgverzekeringswet, zolang hij verblijft in Nederland en evenmin
aan de schepeling, die verblijft in het land waar hij thuisbehoort.
Het recht eindigt, indien de schepeling is teruggekeerd in of
heeft kunnen terugkeren naar het land waar hij thuisbehoort. Op de
aanspraken, welke de schepeling heeft ingevolge het bepaalde in
dit lid, komen de aanspraken ingevolge de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten in mindering.
Artikel 415a
1.De schepeling, die op het
tijdstip, waarop hij ziek wordt, niet is verzekerd ingevolge de
Ziektewet en op wie niet enige daarmee overeenkomende wettelijke
regeling van een lidstaat van de Europese Unie van toepassing is,
heeft, zolang hij niet hersteld is, gedurende ten hoogste 52
weken, ongeacht het voortduren van de arbeidsovereenkomst, recht
op 80% van het naar tijdruimte in geld vastgestelde loon, dat hij
genoot toen hij ziek werd, verhoogd met de bij algemene maatregel
van bestuur vast te stellen geldswaarde van andere
loonbestanddelen. Deze termijn van 52 weken gaat in: 1°. als de
schepeling ziek wordt, terwijl hij niet aan boord van een schip in
dienst is, op de dag, waarop hij ziek wordt; 2°. als hij ziek
wordt, terwijl hij aan boord van een schip in dienst is, op de
dag, waarop hij aan de wal ter verpleging wordt achtergelaten of
waarop hij, nog niet hersteld, met het schip terugkomt. Wordt hij
ter verpleging achtergelaten buiten het land waar hij thuisbehoort,
dan wordt de uitkering van 80% gedurende de eerste twaalf weken
verhoogd tot 100%.
2.De geldelijke uitkering, waarop
de schepeling recht heeft ingevolge het bepaalde in de laatste
volzin van het vorige lid neemt in ieder geval een einde zodra hij
passende arbeid kan verkrijgen en verrichten dan wel is
teruggekeerd in of had kunnen terugkeren naar een haven in het
land waar hij thuisbehoort.
3.Artikel 415, derde lid, is van
toepassing.
Artikel 415b
1.De schepeling, die op het
tijdstip, waarop hem een ongeval in verband met zijn
arbeidsovereenkomst overkomt, niet is verzekerd ingevolge de
Ziektewet en op wie niet enige daarmee overeenkomende wettelijke
regeling van een lidstaat van de Europese Unie van toepassing is,
heeft, ongeacht het voortduren van de arbeidsovereenkomst, of zijn
nagelaten betrekkingen hebben, indien hij ten gevolge van een
zodanig ongeval overlijdt, recht op uitkeringen en voorzieningen
overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 415c - 415h.
2.Voor de toepassing van het
bepaalde in het vorige lid en in de artikelen 415c - 415g worden
met een ongeval, in verband met de arbeidsovereenkomst overkomen,
gelijkgesteld de ziekten, voorkomende op een bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen lijst van ziekten, indien de
schepeling die ziekte heeft gekregen in verband met de
arbeidsovereenkomst. De ziekte wordt, tenzij het tegendeel blijkt,
geacht verband te houden met de arbeidsovereenkomst, indien zij
zich gedurende de arbeidsovereenkomst of binnen een bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen termijn na het beëindigen
van de arbeidsovereenkomst openbaart.
3.De in het vorige lid bedoelde
gelijkstelling is niet van toepassing indien de schepeling zonder
deugdelijke grond ter zake van de in dat lid bedoelde ziekte
geweigerd heeft een profylactische behandeling te ondergaan dan
wel heeft nagelaten zich aan een zodanige behandeling te
onderwerpen, ofschoon hem daartoe kosteloos gelegenheid werd
geboden.
Artikel 415c
1.De schepeling, bedoeld in artikel
415b, heeft na afloop van de termijn van 52 weken, bedoeld in
artikel 415a, eerste lid, in geval van tijdelijke gehele
ongeschiktheid tot werken, recht op een uitkering van 70% van zijn
loon en, in geval van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid tot
werken, op een uitkering ter hoogte van een in verhouding tot de
verloren geschiktheid tot werken staand deel van 70% van zijn
loon.
2.De in het vorige lid bedoelde
uitkering eindigt met ingang van de dag, waarop blijvende gehele
of gedeeltelijke ongeschiktheid tot werken intreedt, dan wel,
indien de tijdelijke gehele of gedeeltelijke ongeschiktheid tot
werken voortduurt, uiterlijk met ingang van de dag, gelegen drie
jaren na afloop van de termijn van 52 weken, bedoeld in artikel
415a, eerste lid.
3.De schepeling, bedoeld in artikel
415b, die op de dag, gelegen na afloop van de termijn van 52
weken, bedoeld in artikel 415a, eerste lid, blijvend geheel of
gedeeltelijk ongeschikt is tot werken of binnen drie jaren na die
dag blijvend geheel of gedeeltelijk ongeschikt wordt tot werken,
dan wel op de dag, gelegen drie jaren na vorenbedoelde dag, nog
tijdelijk geheel of gedeeltelijk ongeschikt is tot werken, heeft
recht op een uitkering ineens van driemaal de uitkering over een
jaar, berekend naar de uitkering, waarop hij laatstelijk aanspraak
had vóór de dag, waarop dat recht ontstaat. Met ingang van de
dag, waarop recht ontstaat op een uitkering ineens als bedoeld in
de vorige volzin, kunnen ter zake van het betreffende ongeval
overigens geen rechten meer worden ontleend aan de artikelen 415b
- 415h.
4.Voor de toepassing van het
bepaalde in de vorige leden wordt een schepeling geheel of
gedeeltelijk ongeschikt geacht tot werken, indien hij ten gevolge
van een ongeval als bedoeld in artikel 415b geheel of gedeeltelijk
ongeschikt is geworden tot arbeid, die voor zijn krachten en
bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en
vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen.
5.Indien de schepeling, bedoeld in
artikel 415b, niet de medewerking verleent, die redelijkerwijs van
hem verlangd kan worden tot het herkrijgen van zijn gezondheid of
zijn arbeidsvermogen, voor zover deze door een ongeval als bedoeld
in dat artikel zijn geschaad, zal bij de schatting van de mate van
ongeschiktheid tot werken, bedoeld in de vorige leden, de toestand
in aanmerking genomen kunnen worden, die waarschijnlijk zou zijn
ontstaan, indien die medewerking ten volle zou zijn verleend.
Artikel 415d
1.De schepeling, bedoeld in artikel
415b, heeft ter zake van een ongeval als bedoeld in dat artikel
van de dag van het ongeval af recht op geneeskundige behandeling
of vergoeding daarvoor, indien hij verblijft in of heeft kunnen
terugkeren naar het land, waar hij thuisbehoort, doch uiterlijk
tot de dag, gelegen drie jaren na afloop van de termijn van 52
weken, bedoeld in artikel 415a, eerste lid en onverminderd het
bepaalde in de laatste volzin van het derde lid van artikel 415c.
Onder geneeskundige behandeling is begrepen het verstrekken van
kunstmiddelen, voor zover deze zijn geschiktheid tot werken kunnen
bevorderen of tot verbetering van zijn levensomstandigheden kunnen
bijdragen, alsmede het onderricht in het gebruik van die
kunstmiddelen.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot het
bepaalde in dit artikel.
Artikel 415e
1.Onverminderd het bepaalde in
artikel 674 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek hebben de
nagelaten betrekkingen, bedoeld in artikel 415b, eerste lid, recht
op een uitkering ineens, welke bedraagt:
1°. voor de vrouw, met wie de
overledene ten tijde van het ongeval gehuwd was of een
geregistreerd partnerschap was aangegaan: driemaal de
uitkering over een jaar, berekend naar 30% van het loon van de
overledene;
2°. voor de man, met wie de
overledene ten tijde van het ongeval gehuwd was of een
geregistreerd partnerschap was aangegaan, indien deze zijn
kostwinster was: driemaal de uitkering over een jaar, berekend
naar 30% van het loon van de overledene;
3°. voor elk kind beneden de
leeftijd van zestien jaar dat tot de overleden vader of moeder
in familierechtelijke betrekking stond: driemaal de uitkering
over een jaar, berekend naar 15% en, indien dit kind ouderloos
is, berekend naar 20% van het loon van de overledene;
4°. voor elk stiefkind beneden
de leeftijd van zestien jaar van de overledene: driemaal de
uitkering over een jaar, berekend naar 15% en, indien dit kind
ouderloos is, berekend naar 20% van het loon van de
overledene;
5°. voor degene, voor wie de
overledene ten tijde van het ongeval kostwinner was, niet
vallende onder 1°, 2°, 3° of 4°: driemaal hetgeen hij in
de regel over een jaar tot diens levensonderhoud bijdroeg,
doch niet meer dan driemaal de uitkering over een jaar,
berekend naar 30% van het loon van de overledene, met dien
verstande, dat, indien de betrokkene jonger is dan zestien
jaar, niet meer wordt uitgekeerd dan hij als kind dat in
familierechtelijke betrekking tot de overledene stond zou
hebben ontvangen.
2.De in het vorige lid bedoelde
uitkeringen zullen tezamen niet meer bedragen dan driemaal de
uitkering over een jaar, berekend naar 60% van het loon van de
overledene. De personen, bedoeld in het vorige lid, onder 5°,
hebben alleen recht op een uitkering, indien de personen, bedoeld
onder 1°, 2°, 3° en 4°, van dat lid allen hun volle uitkering
hebben ontvangen. Indien de personen, bedoeld in het vorige lid,
onder 1°, 2°, 3° en 4°, tezamen een uitkering zouden ontvangen
van meer dan driemaal de uitkering over een jaar, berekend naar
60% van het loon van de overledene, ondergaat elk van deze
uitkeringen een evenredige vermindering.
3.Voor de toepassing van dit
artikel en van artikel 415b is het bepaalde bij of krachtens
artikel 8 van de Algemene nabestaandenwet van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 415f
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regelen worden gesteld ter voorkoming of beperking van
samenloop van uitkeringen of voorzieningen, bedoeld in de artikelen
415a - 415e , met uitkeringen of voorzieningen uit anderen hoofde.
Artikel 415g
Onder loon van de schepeling wordt
voor de toepassing van de artikelen 415c en 415e verstaan het naar
tijdruimte in geld vastgestelde loon, dat hij genoot toen het
ongeval als bedoeld in artikel 415b plaatsvond, verhoogd met de bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen geldswaarde van
andere loonbestanddelen. Hetgeen het naar tijdruimte in geld
vastgestelde loon meer bedraagt dan een bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen bedrag, wordt daarbij niet in aanmerking genomen.
Artikel 415h
1.Indien een daartoe door Ons
erkende vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is opgericht,
is de zeewerkgever, die een of meer schepelingen in dienst heeft,
die, niet zijn verzekerd ingevolge de Ziektewet en op wie niet
enige daarmee overeenkomende wettelijke regeling van een lidstaat
van de Europese Unie van toepassing is, ter waarborging van zijn
tegenover die schepelingen en hun nagelaten betrekkingen uit de
artikelen 415a - 415g voortvloeiende verplichtingen van rechtswege
aangesloten bij die vereniging.
2.In het geval, bedoeld in het
vorige lid, zijn de zeewerkgever en de vereniging hoofdelijk
verbonden tegenover die schepelingen en hun nagelaten
betrekkingen.
3.Op haar verzoek kan een
vereniging worden erkend als vereniging, bedoeld in het eerste
lid, indien zij voldoet aan de volgende vereisten:
1°. dat zij opgericht is door
een of meer naar Ons oordeel representatieve organisaties van
zeewerkgevers en een of meer naar Ons oordeel representatieve
organisaties van schepelingen, al dan niet tezamen met een of
meer zeewerkgevers;
2°. dat zij niet beoogt winst
te maken.
4.Voor de in het vorige lid
bedoelde erkenning komt niet meer dan één vereniging in
aanmerking.
5.De statuten van de in het eerste
lid bedoelde vereniging moeten zodanige bepalingen inhouden, dat:
1°. het bestuur voor de helft
wordt samengesteld uit vertegenwoordigers van de zeewerkgevers
en voor de helft uit vertegenwoordigers van de schepelingen;
2°. de gezamenlijke
vertegenwoordigers van de zeewerkgevers ter vergadering
evenveel stemmen uitbrengen als de gezamenlijke
vertegenwoordigers van de schepelingen;
3°. de kosten van de uit de
artikelen 415a-415h voortvloeiende verplichtingen met
betrekking tot de in het eerste lid bedoelde schepelingen en
hun nagelaten betrekkingen, alsmede de kosten verbonden aan de
vorming en instandhouding van een reserve, per jaar worden
omgeslagen over de zeewerkgevers naar rato van het loon, dat
door hen in dat jaar aan die schepelingen is uitbetaald,
waarbij onder loon wordt verstaan loon in de zin van hoofdstuk
3 van de Wet financiering sociale verzekeringen.
Artikel 415i
1. Artikel 93, aanhef en onder c,
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van toepassing
op alle vorderingen krachtens de artikelen 415a - 415h door of
tegen de in het eerste lid van artikel 415h bedoelde schepelingen
of hun nagelaten betrekkingen ingesteld tegen onderscheidenlijk
door de in dat lid bedoelde vereniging.
2.Elk beding strijdig met enige
bepaling van dit of het vorige artikel is nietig, behoudens dat
partijen kunnen overeenkomen om een geschil omtrent een vordering
als bedoeld in het vorige lid aan de uitspraak van scheidslieden
te onderwerpen.
Artikel 416
1.Indien de schepeling, in dienst
van de zeewerkgever, overlijdt buiten het land waar hij thuis
behoort, komen voor rekening van de zeewerkgever:
1°. indien de lijkbezorging
plaats vindt buiten het land waar hij thuis behoort, de
daartoe gemaakte kosten;
2°. indien de lijkbezorging
plaats vindt in het land waar hij thuis behoort, de gemaakte
kosten van en in verband met het vervoer van het stoffelijk
overschot naar de woonplaats in dat land, alsmede de gemaakte
kosten van en in verband met de daartoe noodzakelijke
opgraving van het stoffelijk overschot, zulks met inachtneming
van bij algemene maatregel van bestuur te bepalen maximum
bedragen.
2.De in het vorige lid onder 2°
bedoelde kosten komen niet voor rekening van de zeewerkgever,
indien het vervoer van het stoffelijk overschot niet binnen
redelijke korte tijd na het overlijden plaats vindt.
Artikel 417
1.Gedurende den tijd, dat de
schepeling in dienst is aan boord van een schip, is hij verplicht
de bevelen van den kapitein met stiptheid op te volgen.
2.Indien hij meent, dat deze
bevelen onrechtmatig zijn, kan hij in de eerste haven, die het
schip aandoet, de tusschenkomst inroepen van de
inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat of in
het Koninkrijk buiten Europa van het bevoegde gezag of buiten het
Koninkrijk, indien dit redelijkerwijze zonder oponthoud van het
schip kan geschieden, van den Nederlandschen diplomatieken of
bezoldigden consulairen ambtenaar, die het eerst te bereiken is.
Artikel 418
De kapitein is verplicht den arbeid
van den schepeling te regelen in overeenstemming met de daaromtrent
bij de wet en, binnen de grenzen der wet, bij de arbeidsovereenkomst
gestelde bepalingen.
Artikel 419
1.De schepeling is verplicht het
hem door den kapitein opgedragen werk te verrichten, doch heeft
recht op een bijslag op het loon voor den tijd, gedurende welken
hij langer dan den door de wet of de arbeidsovereenkomst bepaalden
normalen arbeidsduur werk verricht, tenzij de kapitein het werk
noodzakelijk acht tot behoud van het schip, de opvarenden of de
zaken aan boord. Het bedrag van dien bijslag wordt bepaald door de
arbeidsovereenkomst of, bij haar stilzwijgen, door het gebruik of
de billijkheid.
2.De kapitein doet van ieder geval
van overwerk aanteekening houden in een daartoe bestemd register.
Elke aanteekening wordt door den daarbij betrokken schepeling
mede-onderteekend.
3.Het recht, betaling van den
bijslag te vorderen, vervalt door verloop van één maand na het
eindigen van den dienst aan boord in eene Nederlandsche haven en
van zes maanden na het eindigen van den dienst aan boord in het
buitenland.
4.Op den scheepsofficier, tevens
hoofd van dienst, den geneeskundige en den marconist zijn de
bepalingen van dit artikel niet van toepassing.
Artikel 420
Indien aan den schepeling andere
werkzaamheden worden opgedragen dan hij heeft te verrichten
overeenkomstig de hoedanigheid, waarin hij volgens de
arbeidsovereenkomst aan boord dienst doet, en deze werkzaamheden
volgens overeenkomst of gebruik hooger worden beloond, heeft hij
aanspraak op daarmede overeenkomend hooger loon.
Artikel 421
1.Zonder toestemming van den
kapitein mag de schepeling het schip niet verlaten.
2.Weigert de kapitein toestemming,
dan is hij verplicht de reden voor zijne weigering in het dagboek
te vermelden en aan den schepeling, op diens verlangen, deze
weigering binnen twaalf uur schriftelijk te bevestigen.
Artikel 422
De kapitein heeft disciplinair gezag
over den schepeling. Hij kan tot handhaving van dit gezag de
redelijkerwijze noodige maatregelen nemen.
Artikel 423
1.De kapitein kan den schepeling in
geval van verwijdering van boord zonder zijne toestemming, van
niet tijdig terugkeeren aan boord, van dienstweigering, van
gebrekkige dienstvervulling, van onbehoorlijk optreden tegen een
lid der bemanning of een der andere opvarenden en van
ordeverstoring, eene boete opleggen ten bedrage van het naar
tijdruimte in geld vastgestelde loon over ten hoogste tien dagen;
echter mag de boete nooit meer bedragen dan een derde van dat loon
voor den geheelen duur der reis. In een tijdsverloop van tien
dagen mag geen hooger bedrag aan gezamenlijke boeten worden
opgelegd dan de genoemde hoogste bedragen.
2.De oplegging der boete kan
voorwaardelijk geschieden.
3.Indien de kapitein wegens eenig
feit de arbeidsovereenkomst doet eindigen, overeenkomstig het
bepaalde in artikel 677, lid 1, van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek, kan hij te dier zake niet tevens disciplinaire straf
opleggen.
4.De bestemming der boeten moet in
de arbeidsovereenkomst worden aangegeven. De boete mag noch de
zeewerkgever noch de kapitein ten goede komen.
Artikel 424
1.Alvorens boete op te leggen is de
kapitein verplicht den betrokkene en de getuigen te hooren in het
bijzijn, zoo mogelijk, van ten minste twee schepelingen van
gelijken of hoogeren rang, overeenkomstig de monsterrol daartoe
aangewezen. Het proces-verbaal van dit verhoor moet door allen,
die daarbij tegenwoordig zijn geweest, worden onderteekend. Van
weigering om te onderteekenen wordt daarin melding gemaakt.
2.Boete kan niet vroeger worden
opgelegd dan twaalf uren en niet later dan eene week, nadat het
feit heeft plaats gehad, tenzij bijzondere omstandigheden
afwijking noodzakelijk maken.
3.Elke boete moet onverwijld worden
ingeschreven in een daartoe bestemd register, met vermelding van
het feit, dat tot de oplegging aanleiding heeft gegeven en van den
dag waarop het heeft plaats gehad, alsmede van den dag waarop de
boete is opgelegd. Iedere inschrijving moet worden onderteekend
door den kapitein en de in het eerste lid genoemde schepelingen.
4.Eene boete, niet ingeschreven in
het register, wordt geacht ten onrechte te zijn opgelegd.
5.De schepeling kan van de
oplegging van boete in beroep komen bij de rechtbank van het
arrondissement waarin de zetel van het scheepsbedrijf is gelegen.
Het beroep wordt behandeld en beslist door de kantonrechter. Het
derde lid van artikel 419 vindt overeenkomstige toepassing.
Artikel 425
1.Gedurende den tijd, dat de
schepeling in dienst van de zeewerkgever aan boord van een schip
of in het buitenland verblijft, heeft zijne niet van tafel en bed
gescheiden echtgenoote recht op uitbetaling, op den voet als in de
volgende leden bepaald, van ten hoogste het twee derde gedeelte
van het in geld vastgestelde loon, tot onderhoud van haar en hare
kinderen, die niet in staat zijn in hun onderhoud te voorzien.
2.De uitbetaling door de
zeewerkgever geschiedt aan de echtgenoote tegen overlegging van
eene met het oog op de laatste monstering afgegeven verklaring van
haren man of beschikking van de kantonrechter van de rechtbank van
het arrondissement waarin haar woonplaats is gelegen en wel voor
het gedeelte van het aan den schepeling verschuldigde loon, in die
verklaring of die beschikking genoemd. Wanneer eene onmiddellijke
voorziening wordt vereischt, zal de kantonrechter aanstonds
bepalen het gedeelte van het loon van den schepeling, op welks
uitbetaling de echtgenoote voorloopig recht heeft tot onderhoud
van haar en de kinderen in het eerste lid bedoeld. Deze
beschikking behoudt tegenover de zeewerkgever hare kracht
gedurende eene maand na den dag harer dagteekening, voor zooveel
hem niet voor den afloop van dien termijn de eindbeschikking van
den kantonrechter is overgelegd.
3.Het gedeelte van het loon, op
welks uitbetaling de echtgenoote recht heeft, wordt haar
uitgekeerd op de tijdstippen voor de uitbetaling bepaald door de
arbeidsovereenkomst of, bij stilzwijgen van deze, door het gebruik
of de billijkheid, met dien verstande, dat, indien het loon naar
tijdruimte is vastgesteld, de hierbedoelde uitbetaling uiterlijk
telkens na eene maand geschiedt.
Artikel 426
1.De uitbetaling van het in geld
vastgestelde deel van het in dienst aan boord van een schip
verdiende loon moet geschieden in de munt, waarin het bij de
arbeidsovereenkomst is uitgedrukt, of in de munt, gangbaar ter
plaatse van de uitbetaling. De koers waartegen in het laatste
geval de herleiding geschiedt, moet den schepeling schriftelijk
worden medegedeeld.
2.Onverminderd het bepaalde in
artikel 445, kan de schepeling, indien hij meent, dat de hem
medegedeelde koers niet juist is, zich na afloop van de reis
deswege wenden tot de voorzitter van de Kamer van Koophandel en
Fabrieken te Rotterdam.
Artikel 427
1.Behoudens het bepaalde in artikel
425 heeft de schepeling recht op uitbetaling van het in dienst aan
boord van een schip verdiend loon: 1°. indien het naar tijdruimte
is vastgesteld, in iedere haven, welke het schip gedurende de reis
aandoet, mits zeven dagen zijn verloopen sedert de laatste
uitbetaling, 2°. indien het niet naar tijdruimte is vastgesteld,
op de tijdstippen voor de uitbetaling bepaald door de
arbeidsovereenkomst of, bij haar stilzwijgen, door het gebruik of
de billijkheid.
2.Zoolang de reis niet is
geëindigd, is de zeewerkgever niet verplicht in het geheel meer
dan 5/6 deel van het loon uit te betalen.
3.De uitbetaling van het in het
eerste lid onder 1°. bedoelde loon geschiedt uiterlijk op den dag
volgende op dien van de aankomst, de in artikel 354 bedoelde dagen
niet medegerekend, doch in ieder geval voor het vertrek uit de
haven.
Artikel 428
De schepeling kan zijn recht op het
in geld vastgestelde deel van zijn in dienst aan boord van een schip
verdiend loon, voor zoover dit te zijner beschikking is, alleen
afstaan, in pand geven daaronder begrepen, ten behoeve van zijne
echtgenoote voor ten hoogste één derde, van zijne kinderen, de
verzorgers zijner kinderen en zijne ouders voor ten hoogste de
helft, en van andere bloedverwanten tot den vierden graad en van
aanverwanten tot denzelfden graad voor ten hoogste één derde;
alles met dien verstande, dat het bedrag van hetgeen hij afstaat,
gevoegd bij het ingevolge artikel 425 aan de echtgenoote uit te
betalen bedrag, twee derde gedeelte van het geheele in geld
vastgestelde loon niet mag overtreffen.
Artikel 429
1.De boeten en de
schadeloosstelling bedoeld in de artikelen 423 en 438 zijn
bevoorrecht op het in geld vastgestelde deel van het loon van den
schepeling, hetwelk tot het bedrag daarvan kan worden ingehouden.
2.Boete en schadeloosstelling komen
in de eerste plaats ten laste van het deel van het loon, dat aan
den schepeling persoonlijk moet worden uitbetaald.
3.Op het gedeelte van het loon, ten
aanzien waarvan volgens artikel 632 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek verrekening door de zeewerkgever voor het einde van de
arbeidsovereenkomst is toegelaten, wordt hetgeen aan boeten, als
hier bedoeld, is ingehouden in mindering gebracht.
Artikel 430 [Vervallen per
01-10-1970]
Artikel 431
De arbeidsovereenkomst, voor bepaalde
tijd aangegaan of voortgezet, eindigt in de eerste haven, welke het
schip aandoet nadat die tijd is verstreken en, voorzoveel nodig,
opzegging heeft plaats gevonden.
Artikel 432
1.De arbeidsovereenkomst, aangegaan
bij de reis, eindigt als de reis of de reizen, waarvoor zij is
aangegaan, is of zijn afgeloopen.
2.Evenwel kan de schepeling, na
verloop van anderhalf jaar, de arbeidsovereenkomst door opzegging
doen eindigen in iedere haven, welke het schip daarna aandoet. Bij
de opzegging moet hij den termijn in acht nemen, welke
redelijkerwijze noodig is voor zijne vervanging in die haven.
Artikel 433
1.Indien is overeengekomen, dat de
arbeidsovereenkomst zal eindigen bij terugkomst van het schip in
eene met name genoemde Nederlandsche haven, is de zeewerkgever
bevoegd haar te doen eindigen in eene haven, van waaruit de
genoemde Nederlandsche haven, anders dan met een luchtvaartuig,
binnen vier en twintig uur kan worden bereikt.
2.Is de Nederlandsche haven, waarop
het schip zal terugkomen, niet met name genoemd, dan is de
zeewerkgever bevoegd de arbeidsovereenkomst te doen eindigen in
eene haven in het buitenland van waaruit Amsterdam of Rotterdam op
de in het eerste lid bedoelde wijze kan worden bereikt.
3.Behalve de reiskosten heeft de
zeewerkgever den schepeling voor de dagen nà de beëindiging van
de arbeidsovereenkomst tot den dag, volgende op dien, waarop deze
ter plaatse had kunnen aankomen, loon te betalen op den voet van
het in de arbeidsovereenkomst naar tijdruimte in geld vastgesteld
deel van het loon, alsmede de kosten van onderhoud en zoo noodig
van nachtverblijf.
Artikel 434
1.De arbeidsovereenkomst, aangegaan
voor onbepaalden tijd, kan ieder der partijen gedurende den tijd,
dat de schepeling in dienst is aan boord van een schip, door
opzegging, met inachtneming van den daarvoor gestelden termijn,
doen eindigen in iedere haven, waar het schip laadt of lost.
Tenzij een langere termijn van opzegging is overeengekomen of uit
de wet voortvloeit, bedraagt deze vier en twintig uren. De
opzegging geschiedt schriftelijk.
2.De opzeggingstermijn mag voor de
zeewerkgever niet korter worden gesteld dan voor den schepeling.
3.Dit artikel is mede van
toepassing als de zeewerkgever overlijdt gedurende den tijd, dat
de schepeling in dienst is aan boord van een schip, en hetzij de
erfgenamen van de zeewerkgever hetzij de schepeling gebruik willen
maken van de bevoegdheid hun gegeven in artikel 675 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 435
Gedurende eene reis van het schip,
waarop de schepeling in dienst is, kan een der partijen de
arbeidsovereenkomst overeenkomstig het bepaalde in artikel 677,
eerste lid van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alleen doen
eindigen tegen het tijdstip, op hetwelk het schip zich in eene haven
bevindt.
Artikel 436
Behalve in de gevallen, genoemd in
artikel 678, lid 2, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zullen
voor de zeewerkgever dringende redenen onder andere aanwezig geacht
kunnen worden:
1°. wanneer de schepeling den
kapitein of een opvarende van het schip mishandelt, grovelijk
beleedigt of op ernstige wijze bedreigt of hem verleidt of
tracht te verleiden tot handelingen strijdig met de wetten of de
goede zeden;
2°. wanneer, na den aanvang der
arbeidsovereenkomst, de schepeling zich niet op den door de
zeewerkgever aangegeven tijd doet monsteren of, na de
monstering, aan boord van het schip aanmeldt;
3°. wanneer den schepeling
hetzij tijdelijk, hetzij voor goed de bevoegdheid wordt
ontnomen, op een schip dienst te doen in de hoedanigheid, waarin
hij zich heeft verbonden dienst te doen;
4°. wanneer de schepeling,
buiten weten van de zeewerkgever of den kapitein, smokkelwaren
aan boord heeft gebracht of daar onder zijne berusting heeft.
Artikel 437
Behalve in de gevallen, genoemd in
artikel 679, lid 2, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zullen
voor den schepeling dringende redenen onder andere aanwezig geacht
kunnen worden:
1°. wanneer de zeewerkgever hem
orders geeft, welke in strijd zijn met de arbeidsovereenkomst of
met verplichtingen, welke de wet den schepeling oplegt;
2°. wanneer de zeewerkgever het
schip bestemt naar eene haven van een land, dat in een
zee-oorlog is gewikkeld, of naar eene haven welke is
geblokkeerd, tenzij de arbeidsovereenkomst dit uitdrukkelijk
voorziet en is gesloten nà het uitbreken van den oorlog of nà
het afkondigen van de blokkade;
3°. wanneer in het geval van
artikel 367 de zeewerkgever orders geeft te vertrekken naar eene
vijandelijke haven;
4°. wanneer de zeewerkgever het
schip gebruikt of laat gebruiken voor slavenhandel, zeeroof,
strafbare kaapvaart of het vervoer van goederen waarvan de
invoer verboden is in het land van bestemming;
5°. wanneer de zeewerkgever het
schip bestemt voor vervoer van contrabande, tenzij de
arbeidsovereenkomst dit uitdrukkelijk voorziet en is gesloten
nà het uitbreken van den oorlog;
6°. wanneer voor hem aan boord
gevaar voor mishandeling van de zijde van den kapitein of van
een opvarende dreigt;
7°. wanneer het logies aan boord
in een toestand verkeert, welke schadelijk is voor de gezondheid
der bemanning;
8°. wanneer hem de voeding,
waarop hij recht heeft, niet of niet in deugdelijken toestand
wordt verstrekt, of wanneer de zeewerkgever handelt in strijd
met het bepaalde bij het tweede lid van artikel 407;
9°. wanneer het schip het recht
verliest de Nederlandsche vlag te voeren;
10°. wanneer de
arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een of meer bepaalde
reizen en de zeewerkgever het schip andere reizen laat maken.
Artikel 438
1.Indien de arbeidsovereenkomst
wordt beëindigd gedurende eene reis van het schip, is de
schadeloosstelling, bedoeld in artikel 680, lid 1, van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek, bij eene arbeidsovereenkomst voor een
bepaalden tijd aangegaan, gelijk aan het bedrag van het voor den
dienst aan boord van een schip in geld vastgestelde loon voor den
tijd, dat de arbeidsovereenkomst volgens de overeenkomst of de wet
had behooren voort te duren, doch niet langer dan drie maanden.
Hetzelfde geldt wanneer de arbeidsovereenkomst bij de reis is
aangegaan.
2.Bij eene arbeidsovereenkomst,
voor een onbepaalden tijd aangegaan, is de schadeloosstelling ten
minste gelijk aan het bedrag van het voor den dienst aan boord van
een schip in geld vastgestelde loon voor één maand.
Artikel 439
1.Ieder der partijen is te allen
tijde, ook vóórdat de arbeidsovereenkomst is aangevangen,
bevoegd zich wegens gewichtige redenen te wenden tot de
kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de
plaats van haar werkelijk verblijf gelegen is, of het schip zich
bevindt, of in het Koninkrijk buiten Europa tot het bevoegde gezag
of buiten het Koninkrijk tot den het eerst te bereiken
Nederlandschen diplomatieken of bezoldigden consulairen ambtenaar,
met het verzoek de arbeidsovereenkomst ontbonden te verklaren.
2.Als gewichtige redenen worden,
behalve die genoemd in artikel 685, lid 2, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, ook beschouwd omstandigheden, na den aanvang
van den dienst aan boord aan den verzoeker gebleken of na dien
opgekomen, waardoor de voortzetting van de reis, waarop het schip
zich bevindt, hem aan onvoorzien, groot levensgevaar zou
blootstellen.
3.Indien het den schepeling
mogelijk is eene hoogere betrekking te verkrijgen, is hij steeds
bevoegd het in het eerste lid bedoelde verzoek te doen, mits hij
zorgt voor zijne vervanging zonder nieuwe kosten voor de
zeewerkgever en te diens genoegen.
Artikel 440
1.Indien de arbeidsovereenkomst is
aangegaan bij de reis en tengevolge van een maatregel van hooger
hand of van andere overmacht de reis niet wordt aangevangen of,
nadat zij is aangevangen, wordt gestaakt, neemt de
arbeidsovereenkomst een einde. De schepeling heeft in het
laatstbedoelde geval recht op het naar tijdruimte in geld
vastgestelde loon, totdat hij in Nederland kan zijn teruggekomen
of totdat hij eerder werk heeft gevonden. In geval van geschil
wordt het bedrag van het loon vastgesteld door de kantonrechter
van de rechtbank van het arrondissement waarin de zetel van het
scheepsbedrijf is gelegen.
2.Indien de schepeling zich heeft
verbonden uitsluitend aan boord van een bepaald schip dienst te
doen en dit schip vergaat, geldt het in het eerste lid bepaalde
ook al is de arbeidsovereenkomst niet bij de reis aangegaan.
Artikel 441
Voor zoover het in geld uitgedrukte
deel van het loon is vastgesteld bij de reis, heeft de schepeling
recht op eene evenredige verhooging van het loon, wanneer de reis
door toedoen van de zeewerkgever, door molest of door verblijf in
eene noodhaven of eene andere soortgelijke reden in het belang van
het schip en de zaken aan boord daarvan wordt verlengd.
Artikel 442
Indien de arbeidsovereenkomst is
aangegaan bij de reis en de reis door toedoen van de zeewerkgever
niet wordt aangevangen of, nadat zij is aangevangen, wordt gestaakt,
neemt de arbeidsovereenkomst een einde. De schepeling heeft alsdan
het recht op de schadeloosstelling, bepaald in artikel 680 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met artikel 438, eerste lid.
Artikel 443
1.Eindigt de arbeidsovereenkomst in
het buitenland, dan heeft de schepeling recht op vrij vervoer,
indien hij Nederlander is, tot een haven in Nederland, indien hij
niet Nederlander is, ter keuze van de zeewerkgever, tot de plaats
waar de dienst aan boord van het schip is begonnen of tot een
haven van het land waar hij thuis behoort, mits de schepeling zijn
verlangen daartoe te kennen geeft uiterlijk op de dag volgende op
die, waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, de in artikel 354
bedoelde dagen niet medegerekend, doch in ieder geval voor het
vertrek van het schip. Echter heeft de schepeling dit recht niet,
indien hij wegens de wijze, waarop de arbeidsovereenkomst is
beëindigd, schadeplichtig is geworden. Indien de
arbeidsovereenkomst is ontbonden op verzoek van de schepeling op
grond van gewichtige redenen, heeft hij dit recht slechts, indien
de zeewerkgever schadeplichtig is geworden.
2.Onder het vrij vervoer zijn
begrepen de kosten van onderhoud en nachtverblijf van het eindigen
der arbeidsovereenkomst tot de aankomst van den schepeling in de
plaats zijner bestemming.
Artikel 444
Iedere beëindiging van den dienst
aan boord van het schip wordt door den kapitein aangeteekend op de
monsterrol.
Artikel 445
1.De zeewerkgever is verplicht bij
het einde van den dienst aan boord aan den schepeling eene
schriftelijke afrekening ter hand te stellen. Indien geschil
ontstaat over de afrekening, kan de meest gerede partij zich
wenden tot de kantonrechter van de rechtbank van het
arrondissement waar het schip is aangekomen of waar de zetel van
het scheepsbedrijf is gelegen, met het verzoek de afrekening te
onderzoeken en vast te stellen.
2.Eindigt de dienst buiten
Nederland, dan kan ieder der partijen, ter verkrijging van eene
voorloopige beslissing, zich wenden, in het Koninkrijk buiten
Europa, tot het bevoegde gezag, en buiten het Koninkrijk, tot den
Nederlandschen diplomatieken of bezoldigden consulairen ambtenaar,
die het eerst te bereiken is.
Artikel 446
Na het eindigen der reis is de
schepeling, wiens arbeidsovereenkomst is afgeloopen, niettemin
gedurende drie werkdagen gehouden op verlangen van den kapitein mede
te werken tot het opmaken van eene scheepsverklaring.
Artikel 447
De zeewerkgever verbeurt voor iederen
dag, dat hij een officier of een scheepsgezel, gedurende of bij het
einde van den dienst aan boord van een schip, zonder wettige reden,
ophoudt in het verkrijgen van het in geld vastgestelde deel van zijn
loon, ten behoeve van den officier € 1,36 en ten behoeve van den
scheepsgezel € 0,68.
Artikel 448
1.De schepelingen zijn verplicht
aan het behoud van het schip en de zaken aan boord mede te werken.
Zij hebben recht op buitengewone belooning voor de dagen,
gedurende welke zij werkzaam zijn geweest.
2.In geval van geschil wordt de
belooning vastgesteld door de rechtbank van het arrondissement
waarin de werkzaamheden tot behoud hebben plaats gehad. In het
Koninkrijk buiten Europa geschiedt de vaststelling door het
bevoegde gezag en buiten het Koninkrijk door den Nederlandschen
diplomatieken of bezoldigden consulairen ambtenaar, die het eerst
te bereiken is.
Artikel 449
1.Indien een schip, dat tot het
verrichten van sleepdienst niet is bestemd, aan een ander in open
zee aangetroffen schip sleepdienst bewijst onder omstandigheden
welke niet aanspraak geven op hulploon, hebben niettemin de
schepelingen recht op een aandeel in het sleeploon. De
zeewerkgever is verplicht iederen schepeling vóór de uitbetaling
desverlangd het bedrag van het sleeploon en de verdeeling daarvan
schriftelijk mede te deelen.
2.Het aandeel van de schepelingen
in het sleeploon wordt, in geval van geschil, door de
kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waar het
schip is aangekomen of waar de zetel van het scheepsbedrijf is
gelegen, naar billijkheid vastgesteld.
Artikel 450
1. In geval van verlies van het
schip door schipbreuk, is de zeewerkgever verplicht aan den
schepeling, zoolang hij dientengevolge werkloos is, doch ten
hoogste gedurende twee maanden, eene schadeloosstelling te betalen
tot een bedrag gelijk aan het bij de arbeidsovereenkomst in geld
vastgestelde deel van het loon. Is het loon geheel of voor een
deel niet naar tijdruimte vastgesteld, dan is een bedrag
verschuldigd gelijk aan het loon, dat volgens het gebruik wegens
eene reis als die waarop het schip is verloren gegaan, bij
vaststelling van het geheele loon naar tijdruimte, wordt betaald.
In geval van geschil beslist de kantonrechter van de rechtbank van
het arrondissement waarin de zetel van het scheepsbedrijf is
gelegen.
2. Voor zoover de schepeling
krachtens het bepaalde in artikel 440 recht heeft op loon, komt
dit loon in mindering van de hierbedoelde schadeloosstelling.
3. De vordering tot
schadeloosstelling is bevoorrecht op alle de roerende en
onroerende goederen van den zeewerkgever; het voorrecht staat in
rang gelijk met dat bedoeld in artikel 288 onder e van Boek 3 van
het Burgerlijk Wetboek.
4. De zeewerkgever die meent dat
een of meer van de schepelingen ten aanzien van de schipbreuk
grove schuld treft, kan zich wenden tot de kantonrechter met het
verzoek hem van zijn in het eerste lid bedoelde verplichting
tegenover de betrokken schepelingen te ontheffen.
Artikel 450a
1.De zeewerkgever, die verplicht is
tot vrij vervoer van den schepeling naar eene haven, heeft het
recht zich van die verplichting te kwijten, door hem, mits hij tot
werken in staat is, aan boord van een naar die haven bestemd schip
eene betrekking te verschaffen, overeenkomstig die, welke hij in
dienst van den zeewerkgever bekleedde.
2.Een Nederlandsch schepeling kan
verlangen, dat de betrekking hem aan boord van een Nederlandsch
schip wordt verschaft.
3.Geschillen over de uitvoering
dezer bepaling beslist in het Koninkrijk buiten Europa het
bevoegde gezag en buiten het Koninkrijk de Nederlandsche
diplomatieke of bezoldigde consulaire ambtenaar.
Artikel 450aa
1.Bij verlies van de gehele
uitrusting van de schepeling door een ramp aan het schip
overkomen, heeft de schepeling, die niet bij die gebeurtenis het
leven verliest, aanspraak op een uitkering ineens en heeft, indien
de schepeling bij die gebeurtenis het leven verliest, de
overlevende echtgenoot of geregistreerde partner of hebben, bij
ontstentenis van deze, de gezamenlijke kinderen of, bij
ontstentenis van dezen, de ouders recht op een uitkering ineens.
Onder verlies van de gehele uitrusting wordt verstaan, dat niets
is gered dan hetgeen de schepeling op of bij zich draagt.
2.Bij algemene maatregel van
bestuur wordt voor de verschillende groepen van schepelingen het
bedrag van de in het vorige lid bedoelde uitkering bepaald.
3.Bij verlies van een gedeelte van
de uitrusting van de schepeling door een ramp aan het schip
overkomen, bestaat een gelijke aanspraak als bedoeld in het eerste
lid, met dien verstande, dat het bedrag van de uitkering wordt
gesteld op de geldswaarde van het verloren gegane deel van de
uitrusting tot ten hoogste het krachtens het tweede lid bepaalde
bedrag.
Artikel 450b
De artikelen 613 tot en met 613c,
617, 620, 623, 624, 625, 627, artikel 629, lid 10 en artikel 629b,
leden 1, 2, 4 en 3 voor zover het betreft de toepassing van artikel
628, leden 3 en 4, 650, 652, 657, 658, 676, 683 en 684 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek vinden geen toepassing ten aanzien van de
dienst van de schepeling aan boord van een schip.
Artikel 450c
1.Bij overeenkomst kunnen partijen
niet afwijken van het bepaalde in de artikelen 398-401, 407, 408,
413, 416-419, 421-426, 428, 439, eerste en tweede lid, 445, 448 en
449, noch ook ten nadeele van den schepeling van het bepaalde in
de artikelen 402, 414, 415 - 415h, 420, 427, 432-434, 438, 439,
laatste lid, 440-443, 447, 450, 450a en 450aa.
2.Zij mogen in de
arbeidsovereenkomst geen bepalingen opnemen, welke afwijken van de
wettelijke regels betreffende de bevoegdheid des rechters kennis
te nemen van geschillen betrekkelijk deze overeenkomst,
onverminderd de mogelijkheid zich te verbinden om geschillen aan
de uitspraak van scheidslieden te onderwerpen.
Artikel 450d
1.Eene beschikking ingevolge de
artikelen 415, derde lid, 424, laatste lid, 439, 445, 448, 449 en
450 geeft de kantonrechter niet dan na verhoor of behoorlijke
oproeping van partijen. De oproeping geschiedt door den griffier
op de wijze, bij algemeenen maatregel van bestuur te bepalen. Bij
de oproeping van de wederpartij wordt een afschrift van het
verzoekschrift gevoegd.
2.In de gevallen van de artikelen
415, derde lid, 424, laatste lid, 445, 448, 449 en 450 kan de
beschikking worden gegeven in den vorm bij artikel 430 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaald.
§ 3. Van de monsterrol en het
monsterboekje
Artikel 450e [Vervallen per
01-02-2002]
Artikel 451
1.Alvorens te vertrekken, is de
kapitein verplicht tot het opmaken van de monsterrol. De
monsterrol is een staat, houdende de namen van de kapitein en van
de schepelingen en de hoedanigheid waarin iedere schepeling aan
boord dienst doet. De monsterrol vermeldt bovendien de naam van
het schip, de met het schip te maken zeereis of zeereizen, de naam
van de zeewerkgever, en wie van de schepelingen de rang van
officier zullen hebben. Nadat de monsterrol voor de eerste maal is
opgemaakt, wordt zij vervolgens ten minste eenmaal per twaalf
maanden opnieuw opgemaakt. Na een tussentijdse wijziging van de
gegevens, bedoeld in de tweede en derde volzin, wordt de
monsterrol binnen 24 uur bijgesteld.
2.De monsterrol wordt, na te zijn
opgemaakt of bijgesteld, ondertekend door of namens de
zeewerkgever, door de kapitein en door de desbetreffende
schepelingen. De kapitein dient de monsterrol aan boord te houden.
3.Nietig zijn bepalingen in de
monsterrol, welke afwijken van de met een schepeling gesloten
arbeidsovereenkomst of welke deze aanvullen.
Artikel 451a
1.Bij het opmaken van de monsterrol
is de zeewerkgever verplicht de met de schepelingen gesloten
arbeidsovereenkomsten aan de kapitein over te leggen.
2.Deze vergewist zich ervan dat de
inhoud van de arbeidsovereenkomsten door de schepelingen is
begrepen en dat de overeenkomsten door partijen zijn ondertekend.
Hij neemt daaromtrent een verklaring in de monsterrol op.
3.Door de kapitein gewaarmerkte
afschriften van de arbeidsovereenkomsten welke daartoe door de
zeewerkgever ter beschikking van de kapitein worden gesteld,
worden als bijlagen gevoegd bij het exemplaar van de monsterrol
dat aan boord blijft. Iedere schepeling moet aan boord in de
gelegenheid worden gesteld van de hem betreffende
arbeidsovereenkomst inzage te nemen.
4.Het in het eerste en het derde
lid bepaalde geldt mede voor de collectieve arbeidsovereenkomsten
op de grondslag waarvan een of meer arbeidsovereenkomsten met de
in de monsterrol genoemde schepelingen zijn gesloten.
Artikel 451b [Vervallen per
01-02-2002]
Artikel 451c [Vervallen per
01-02-2002]
Artikel 451d
De zeewerkgever draagt de kosten van
het geneeskundig onderzoek volgens een bij of krachtens de in
artikel 451i bedoelde algemene maatregel van bestuur vast te stellen
tarief.
Artikel 451e
1.Na de monstering blijft het
monsterboekje in handen van de kapitein; deze geeft het de
schepeling terug bij het einde van de dienst aan boord van het
schip.
2.De kapitein vermeldt in het
boekje den datum waarop en de plaats waar de dienst aan boord van
het schip is geëindigd.
3.Indien de kapitein het
monsterboekje niet kan teruggeven aan de schepeling, doet hij het
toekomen aan de zeewerkgever die het, onder vermelding van de
reden waarom het niet aan de schepeling is teruggegeven, zendt aan
de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
4.De Raad voor de scheepvaart kan,
op verzoek van de zeewerkgever, de inspecteur-generaal van de
Inspectie Verkeer en Waterstaat gehoord, het monsterboekje
gedurende de tijd van ten hoogste een jaar inhouden, ingeval de
schepeling de arbeidsovereenkomst heeft doen eindigen en deswege
schadeplichtig is geworden. De schepeling wordt vooraf opgeroepen
om te worden gehoord; hij kan ook verschijnen bij een bijzonder
gemachtigde of vergezeld van een raadsman.
5.De bevoegdheid van de
zeewerkgever tot het doen van het verzoek vervalt door verloop van
één maand na het eindigen van de arbeidsovereenkomst in eene
Nederlandsche haven en van zes maanden na het eindigen dier
overeenkomst in het buitenland.
Artikel 451f [Vervallen per
01-02-2002]
Artikel 451g [Vervallen per
01-02-2002]
Artikel 451h [Vervallen per
01-02-2002]
Artikel 451i [Vervallen per
01-02-2002]
Artikel 451j [Vervallen per
01-02-2002]
§ 4. Van de schepelingen ter
visscherij
Artikel 452
1.Zeevisserij is de vaart ter
bedrijfsmatige uitoefening der visserij buitengaats.
2.Schepeling ter zeevisserij is de
persoon die een schriftelijke arbeidsovereenkomst met de
zeewerkgever of een schriftelijke maatschapsovereenkomst heeft
aangegaan in het kader van de zeevisserij, uitgezonderd de
kapitein.
3.De bepalingen van de tweede en de
derde paragraaf van dezen titel vinden geen toepassing ten aanzien
van de schepelingen ter kustvisscherij. De arbeidsovereenkomsten
van deze schepelingen worden uitsluitend geregeld door de
bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.
§ 5. Van de schepelingen ter
zeevisserij die een arbeidsovereenkomst met de zeewerkgever hebben
gesloten
Artikel 452a
Ten aanzien van de schepelingen ter
zeevisserij die een arbeidsovereenkomst met de zeewerkgever hebben
gesloten vinden de bepalingen van dezen titel toepassing, voorzoover
daarvan in de volgende artikelen niet is afgeweken.
Artikel 452b
Op de arbeidsovereenkomst tusschen
zeewerkgever en een schepeling ter zeevisscherij blijft het bepaalde
bij artikel 400 onder 7° buiten toepassing.
Artikel 452c
Op de in het vorige artikel bedoelde
overeenkomst is artikel 402 van toepassing, behoudens dat het
dagverblijf kan worden vervangen door het volkslogies.
Artikel 452d
Het bij artikel 407 omtrent de
voeding bepaalde geldt ten aanzien van schepelingen ter
zeevisscherij alleen, wanneer de zeewerkgever de zorg voor de
voeding bij de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk op zich heeft
genomen.
Artikel 452e
De artikelen 409 en 410 gelden niet
ten aanzien van schepelingen ter zeevisscherij.
Artikel 452f
1.Artikel 413 geldt ten aanzien van
schepelingen ter zeevisscherij met deze aanvulling, dat het in
geld vastgesteld loon voorzoover het afhankelijk is van de
opbrengst der vangst in de arbeidsovereenkomst moet worden begroot
op zijn vermoedelijk bedrag naar tijdruimte; bij de toepassing van
de artikelen 425, 428, 438 en 450 wordt dergelijk loon berekend
naar deze begrooting.
2.De schepeling heeft geen
aanspraak tegen de zeewerkgever op grond dat krachtens artikel 425
of 428 ingevolge de begrooting aan een derde meer is uitbetaald
dan strookt met het loon, dat ten slotte aan den schepeling
verschuldigd blijkt te zijn.
Artikel 452g
Artikel 414 geldt niet ten aanzien
van schepelingen ter zeevisscherij.
Artikel 452h
Voor de toepassing van de artikelen
415, 415a en 415g geldt als loon van de schepelingen ter zeevisserij
het voor hen bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde bedrag,
indien het werkelijke loon afhankelijk is van de vangst of de
opbrengst daarvan.
Artikel 452i
Artikel 417 geldt ten aanzien van
schepelingen ter zeevisscherij, behoudens dat deze alleen in de
eerste Nederlandsche haven, welke het schip aandoet, de
tusschenkomst van den kantonrechter kunnen inroepen.
Artikel 452j
Artikel 421 geldt ten aanzien van
schepelingen ter zeevisscherij, behoudens, dat de kapitein kan
volstaan met vermelding van de reden van weigering van een gevraagd
verlof in het dagboek.
Artikel 452k
De artikelen 423 en 424 gelden niet
ten aanzien van schepelingen ter zeevisscherij.
Artikel 452l
Artikel 425 geldt ten aanzien van
schepelingen ter zeevisscherij, behoudens dat de uitbetaling aan de
echtgenoote steeds wekelijks moet geschieden.
Artikel 452m
Artikel 427 geldt niet ten aanzien
van schepelingen ter zeevisscherij.
Artikel 452n
Artikel 439 vindt toepassing op de
arbeidsovereenkomsten tusschen zeewerkgever en schepelingen ter
zeevisscherij, behoudens dat ieder der partijen zich uitsluitend kan
wenden tot den daar bedoelden kantonrechter.
Artikel 452o
1.Artikel 450 geldt voor den
zeewerkgever en de schepelingen ter zeevisscherij, behoudens dat
de schadeloosstelling is beperkt tot twee derde van het bij de
overeenkomst in geld vastgestelde deel van het loon.
2.Ten aanzien van schepen, welke
uitsluitend de seizoenvisscherij uitoefenen, bepalen Wij telken
jare op welken dag het seizoen geacht wordt te eindigen. De
zeewerkgever van zoodanig schip is in geen geval verplicht de
uitbetaling langer te doen dan tot het einde van het seizoen.
Artikel 452p
De artikelen 613 tot en met 613c,
617, 620, 624, 625, 627, artikel 629, lid 10 en artikel 629b, leden
1, 2, 4 en 3 voor zover het betreft de toepassing van artikel 628,
leden 3 en 4, 652, 658, 676, 683 en 684 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek vinden geen toepassing ten aanzien van de dienst
aan boord van de schepeling ter zeevisserij.
§ 6. Van de kapitein en de
schepelingen ter zeevisserij die een maatschapsovereenkomst hebben
gesloten
Artikel 452q
1.De maatschapsovereenkomst moet,
op straffe van nietigheid, schriftelijk worden aangegaan. In de
maatschapsovereenkomst wordt bepaald, wie van de maten de kapitein
zal zijn.
2.Artikel 400, onder 1°-4°, onder
5°, met dien verstande dat in plaats van "waarin de
schepeling in dienst zal treden" wordt gelezen: waarin de
maat op het schip werkzaam zal zijn en onder 6°, zomede artikel
401, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
3.De overeenkomst moet een regeling
bevatten omtrent de wijze waarop ieders aandeel in de opbrengst
van de maatschap (besomming) zal worden bepaald.
4.Tevens moet de
maatschapsovereenkomst behelzen de wijze van haar beëindiging,
namelijk:
a. indien de overeenkomst voor
onbepaalde tijd wordt aangegaan, de inhoud van artikel 434,
eerste lid, met dien verstande dat daarin in plaats van
"arbeidsovereenkomst" gelezen wordt:
maatschapsverhouding;
b. indien de overeenkomst voor
bepaalde tijd wordt aangegaan, de dag waarop de overeenkomst
eindigt met vermelding van de inhoud van artikel 431 met dien
verstande dat in plaats van "arbeidsovereenkomst"
wordt gelezen: maatschapsverhouding.
c. indien de overeenkomst bij
de reis wordt aangegaan, de haven overeengekomen voor de
beëindiging van de maatschapsverhouding met vermelding van de
inhoud van artikel 432, tweede lid, met dien verstande dat
daarin in plaats van "arbeidsovereenkomst" gelezen
wordt: maatschapsverhouding en, indien de haven een
Nederlandse haven is, met vermelding van de inhoud van het
eerste of tweede lid van artikel 433, naar gelang de haven al
of niet met name is genoemd, met dien verstande dat in dat
artikel in plaats van "arbeidsovereenkomst" gelezen
wordt: maatschapsverhouding en in plaats van
"zeewerkgever" elke vennoot.
5.Nietig is een beding waarbij een
maat wordt beperkt in zijn vrijheid, na het einde van de
maatschapsovereenkomst, arbeid te verrichten.
Artikel 452r
1.Vanaf het ogenblik dat de
kapitein het schip buitengaats brengt tot aan het ogenblik dat het
schip in Nederland weer binnengaats wordt gebracht, is de kapitein
bevoegd om als vertegenwoordiger van een maatschap op te treden.
2.Ten aanzien van de
maatschapskapitein zijn de artikelen 364 en 375 tot en met 392
niet van toepassing.
Artikel 452s
Schepelingendienst mag uitsluitend
worden verricht door hen die in de monsterrol zijn genoemd.
Artikel 452t
Van overeenkomstige toepassing zijn
de artikelen 405, 407, eerste-zesde lid, voorzover het de
verblijven, de kombuis en andere ruimten voor de voeding betreft,
met dien verstande dat in artikel 407, eerste lid, voor
"zeewerkgever" wordt gelezen: eigenaar, de artikelen 411,
412 en 416, met dien verstande dat in het laatstgenoemde artikel
voor "in dienst van de zeewerkgever" moet worden gelezen:
deel uitmakend van de maatschap, en voor "zeewerkgever":
maatschap.
Artikel 452u
De artikelen 444, 451, 451a, 451d en
451e zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in
de artikelen 451, 451a en 451e in plaats van «zeewerkgever» wordt
gelezen: eigenaar, of ingeval van rompbevrachting: rompbevrachter,
en in artikel 451d, tweede lid: maatschap, dat in plaats van
«arbeidsovereenkomst» wordt gelezen: maatschapsovereenkomst en dat
in plaats van «loon» wordt gelezen: aandeel in de besomming.
Artikel 452v
Na het eindigen van een reis is de
schepeling gedurende drie werkdagen gehouden op verlangen van de
kapitein mede te werken tot het opmaken van een scheepsverklaring.
Artikel 452w
Bij overeenkomst kunnen partijen niet
afwijken van het bepaalde in artikel 452q en de in artikel 452t
genoemde artikelen 407, eerste-zesde lid, 411, 412 en 416.
Vijfde titel. Van vervrachting en
bevrachting van schepen
§ 1. Algemeene bepalingen
Artikel 453 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 454 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 455 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 456 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 457 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 458 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 459 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 459a [Vervallen per
01-04-1991]
§ 2. Tijd-bevrachting
Artikel 460 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 461 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 462 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 463 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 464 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 465 [Vervallen per
01-04-1991]
Vijfde titel A. Van het vervoer van
goederen
§ 1. Algemeene bepalingen
Artikel 466 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 467 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 467a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 468 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 469 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 469a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 469b [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 470 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 470a [Vervallen per
17-12-1955]
Artikel 471 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 472 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 473 [Vervallen per
26-07-1982]
Artikel 473a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 474 [Vervallen per
01-04-1966]
Artikel 475 [Vervallen per
01-04-1966]
Artikel 476 [Vervallen per
26-07-1982]
Artikel 477 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 478 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 479 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 480 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 481 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 482 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 483 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 484 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 485 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 486 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 487 [Vervallen per
26-07-1982]
Artikel 488 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 489 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 490 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 491 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 492 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 493 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 494 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 495 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 496 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 497 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 498 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 499 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 500 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 501 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 502 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 503 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 504 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 505 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 506 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 507 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 508 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 509 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 510 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 511 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 512 [Vervallen per
17-12-1955]
Artikel 513 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 513a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 514 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 515 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 516 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517b [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517c [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517d [Vervallen per
01-04-1991]
§ 2. Vaste lijnen
Artikel 517e [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517f [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517g [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517h [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517i [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517j [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517k [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517l [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517m [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517n [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517o [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517p [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517q [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517r [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517s [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517t [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517u [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517ubis [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517v [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517w [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517x [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 517ij [Vervallen per
17-12-1955]
§ 3. Tijd-bevrachting
Artikel 517z [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518b [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518c [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518d [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518e [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518f [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518g [Vervallen per
01-05-1993]
§ 4. Reis-bevrachting
Artikel 518h [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518i [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518j [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518k [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518l [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518m [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518n [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518o [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518p [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518q [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518r [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518s [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518t [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518u [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518v [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518w [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518x [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518ij [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 518z [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519b [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519c [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519d [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519e [Vervallen per
17-12-1955]
Artikel 519f [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519g [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519h [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519i [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519j [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519k [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519l [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519m [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519n [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519o [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519p [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519q [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519r [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519s [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519t [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519u [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519v [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519w [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519x [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519ij [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 519z [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520abis [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520b [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520c [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520d [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520e [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520f [Vervallen per
01-05-1993]
§ 5. Vervoer van stukgoederen
Artikel 520g [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520h [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520i [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520j [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520k [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520l [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520m [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520n [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520o [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520p [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520q [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520r [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520s [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 520t [Vervallen per
01-04-1991]
Vijfde titel B. Van het vervoer van
personen
§ 1. Algemeene bepalingen
Artikel 521 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 522 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 523 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 524 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 524a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 524b [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 525 [Vervallen per
01-04-1966]
Artikel 526 [Vervallen per
01-04-1966]
Artikel 527 [Vervallen per
01-04-1966]
Artikel 528 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 529 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 530 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 531 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 532 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533b [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533c [Vervallen per
01-05-1993]
§ 2. Vaste lijnen
Artikel 533d [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533e [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533f [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533g [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533h [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533i [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533j [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533k [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533l [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533m [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533mbis [Vervallen per
01-04-1991]
§ 3. Tijd-bevrachting
Artikel 533n [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533o [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533p [Vervallen per
01-05-1993]
§ 4. Reis-bevrachting
Artikel 533q [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533r [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533s [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533t [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533u [Vervallen per
01-04-1991]
§ 5. Vervoer van enkele personen
Artikel 533v [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533w [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533x [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533ij [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 533z [Vervallen per
01-04-1991]
Zesde titel. Van aanvaring
Artikel 534 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 535 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 536 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 536a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 537 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 538 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 539 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 540 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 541 [Vervallen per
01-04-1966]
Artikel 542 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 543 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 544 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 544a [Vervallen per
01-04-1991]
Zevende titel. Van hulp en berging
Artikel 545 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 546 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 547 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 548 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 549 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 550 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 551 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 552 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 553 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 554 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 555 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 556 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 557 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 558 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 559 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 560 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 561 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 562 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 563 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 564 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 565 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 566 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 567 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 568 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 569 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 570 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 571 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 572 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 573 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 574 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 575 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 576 [Vervallen per
01-04-1991]
Achtste titel. Van bodemerij
Artikel 577 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 578 [Vervallen per
01-10-1838]
Artikel 579 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 580 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 581 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 582 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 583 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 584 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 585 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 586 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 587 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 588 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 589 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 590 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 591 [Vervallen per
01-02-1927]
Negende titel [Vervallen per
01-01-2006]
Eerste afdeeling [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 592 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 593 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 594 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 595 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 596 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 597 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 598 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 599 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 600 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 601 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 602 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 603 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 604 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 605 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 606 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 607 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 608 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 609 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 610 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 611 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 612 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 613 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 614 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 615 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 616 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 617 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 618 [Vervallen per
01-01-2006]
Tweede afdeeling [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 619 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 620 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 621 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 622 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 623 [Vervallen per
01-01-2006]
Derde afdeeling [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 624 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 625 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 626 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 627 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 628 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 629 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 630 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 631 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 632 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 633 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 634 [Vervallen per
01-01-2006]
Vierde afdeeling [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 635 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 636 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 637 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 638 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 639 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 640 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 641 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 642 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 643 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 644 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 645 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 646 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 647 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 648 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 649 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 650 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 651 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 652 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 653 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 654 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 655 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 656 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 657 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 658 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 659 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 660 [Vervallen per
01-02-1927]
Artikel 661 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 662 [Vervallen per
01-01-2006]
Vijfde afdeeling [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 663 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 664 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 665 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 666 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 667 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 668 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 669 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 670 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 671 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 672 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 673 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 674 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 675 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 676 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 677 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 678 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 679 [Vervallen per
01-01-1992]
Artikel 680 [Vervallen per
01-01-1992]
Zesde afdeeling [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 681 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 682 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 683 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 684 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 685 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 685a [Vervallen per
01-01-2006]
Tiende titel [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 686 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 687 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 688 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 689 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 690 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 691 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 692 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 693 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 694 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 695 [Vervallen per
01-01-2006]
Elfde titel [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 696 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 697 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 698 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 699 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 700 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 701 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 702 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 703 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 704 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 705 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 706 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 707 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 708 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 709 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 710 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 711 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 712 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 713 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 714 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 715 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 716 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 717 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 718 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 719 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 720 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 721 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 722 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 723 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 724 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 725 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 726 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 727 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 728 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 729 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 730 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 731 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 732 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 733 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 734 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 735 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 736 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 737 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 738 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 739 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 740 [Vervallen per
01-04-1991]
Elfde titel A. Van de beperking der
aansprakelijkheid
Artikel 740a [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 740b [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 740c [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 740d [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 740e [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 740f [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 740g [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 740h [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 740i [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 740j [Vervallen per
01-01-1997]
Twaalfde titel [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 741 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 742 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 743 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 744 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 745 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 746 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 747 [Vervallen per
01-01-1992]
Dertiende titel. Van de binnenvaart
Eerste afdeling. Binnenschepen en
voorwerpen aan boord daarvan
§ 1. Rechten op binnenschepen
Artikel 748 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 749 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 750 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 751 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 752 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 753 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 754 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 755 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 756 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 757 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 758 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 759 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 760 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 761 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 762 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 763 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 764 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765b [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765c [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765d [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765e [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765f [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765g [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765h [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765i [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765j [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765k [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765l [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765m [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 765n [Vervallen per
01-04-1991]
§ 2. Voorrechten op binnenschepen
Artikel 766 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 767 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 768 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 769 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 770 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 771 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 772 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 773 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 774 [Vervallen per
01-04-1991]
§ 3. Voorrechten op voorwerpen aan
boord van binnenschepen
Artikel 775 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 775a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 775b [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 775c [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 775d [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 775e [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 775f [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 776 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 777 [Vervallen per
01-05-1993]
Artikel 778 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 779 [Vervallen per
01-01-1983]
Tweede afdeeling. Van den eigenaar en
den gebruiker van een binnenschip
Artikel 780 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 781 [Vervallen per
01-04-1991]
Derde afdeeling. Van den schipper en
de schepelingen
Artikel 782
1.De schipper is verplicht de
gebruikelijke regels en de bestaande voorschriften ter verzekering
van de deugdelijkheid en de veiligheid van het schip voor de vaart
op binnenwateren, van de veiligheid der opvarenden en der zaken
aan boord met nauwgezetheid op te volgen.
2.Hij onderneemt de reis niet,
tenzij het schip tot het volvoeren daarvan geschikt, naar behooren
uitgerust en voldoende bemand is.
Artikel 783
1.De schipper kan na aankomst in
eene haven door een notaris eene scheepsverklaring doen opmaken
omtrent de voorvallen der reis. Buiten Nederland wendt hij zich
tot den Nederlandschen consulairen ambtenaar of, bij ontstentenis
van zoodanigen ambtenaar, tot het bevoegde gezag.
2.De notaris en de consulaire
ambtenaar zijn verplicht van scheepsverklaringen tegen betaling
van kosten afschrift uit te reiken aan ieder, die het verlangt.
Artikel 784 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 785
1.De schipper is verplicht aan
personen, die in gevaar verkeeren, en in het bijzonder, als zijn
schip bij eene aanvaring betrokken is geweest, aan de andere
daarbij betrokken schepen en de personen, die zich aan boord dier
schepen bevinden, de hulp te verleenen, waartoe hij bij machte is
zonder zijn eigen schip en de opvarenden daarvan aan ernstig
gevaar bloot te stellen.
2.Hij is bovendien verplicht, voor
zooverre hem dit mogelijk is, aan de andere bij de aanvaring
betrokken schepen op te geven den naam van zijn schip, van de
plaats, waar het thuis behoort, van de plaats, vanwaar het komt en
waarheen het bestemd is, alsmede inzage te verstrekken van het
bewijs van inschrijving in het register.
3.Niet-nakoming van deze
verplichtingen door den schipper geeft geen aanspraak jegens hem,
die uit welken hoofde dan ook verantwoordelijk is voor het
optreden van de schipper.
Artikel 786 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 787 [Vervallen per
01-04-1991]
Vierde afdeeling. Van vervrachting en
bevrachting van binnenschepen in het algemeen
Artikel 788 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 789 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 790 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 791 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 791a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 792 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 793 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 794 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 795 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 796 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 797 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 798 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 799 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 800 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 801 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 802 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 803 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 804 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 805 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 806 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 807 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 808 [Vervallen per
01-04-1991]
Vijfde afdeeling. Van het vervoer van
goederen
Artikel 809 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 810 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 811 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 812 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 813 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 814 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 815 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 815a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 816 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 817 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 818 [Vervallen per
01-05-1990]
Artikel 819 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 820 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 821 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 822 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 823 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 824 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 825 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 826 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 827 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 828 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 829 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 830 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 831 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 832 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 833 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 834 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 835 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 836 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 837 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 838 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 839 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 840 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 841 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 842 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 843 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 844 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 845 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 846 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 847 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 848 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 849 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 850 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 851 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 852 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 853 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 854 [Vervallen per
01-05-1993]
§ 2. Beurtvaart
Artikel 855 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 856 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 857 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 858 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 859 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 860 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 861 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 862 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 863 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 864 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 865 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 866 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 867 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 868 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 869 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 870 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 871 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 872 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 873 [Vervallen per
01-04-1991]
§ 3. Reisbevrachting
Artikel 874 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 875 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 876 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 877 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 878 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 879 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 880 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 881 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 882 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 883 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 884 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 885 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 886 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 887 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 888 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 889 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 890 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 891 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 892 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 893 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 894 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 895 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 896 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 897 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 898 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 899 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 900 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 901 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 902 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 903 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 904 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 905 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 906 [Vervallen per
01-04-1991]
§ 4. Bevrachting voor liggen en/of
varen
Artikel 907 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 908 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 909 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 910 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 911 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 912 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 913 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 914 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 915 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 916 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 917 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 918 [Vervallen per
01-04-1991]
Zesde afdeeling. Van het vervoer van
personen
Artikel 919 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 920 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 921 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 921a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 922 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 923 [Vervallen per
01-05-1990]
Artikel 924 [Vervallen per
01-04-1991]
Zevende afdeeling. Van het sleepen
van binnenschepen
Artikel 925 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 926 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 927 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 928 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 929 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 930 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 931 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 931a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 932 [Vervallen per
01-05-1990]
Artikel 933 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 934 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 935 [Vervallen per
01-05-1990]
Achtste afdeeling. Van aanvaring
Artikel 936 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 937 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 938 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 939 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 940 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 940a [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 941 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 942 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 943 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 944 [Vervallen per
01-05-1990]
Artikel 945 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 946 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 947 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 948 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 949 [Vervallen per
01-04-1991]
Negende afdeeling. Van hulp en
berging
Artikel 950 [Vervallen per
01-04-1991]
Tiende afdeeling. Van avarijen
Artikel 951 [Vervallen per
01-04-1991]
Afdeling 10A. Van de beperking der
aansprakelijkheid
Artikel 951a [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 951b [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 951c [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 951d [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 951e [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 951f [Vervallen per
01-01-1997]
Artikel 951g [Vervallen per
01-01-1997]
Elfde afdeeling [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 952 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 953 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 954 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 955 [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 956 [Vervallen per
01-04-1991]
Artikel 957 [Vervallen per
01-01-2006]
Algemene slotbepaling
Artikel 958
De Algemene termijnenwet is niet van
toepassing op de termijnen, gesteld in de hierna genoemde onderdelen
van dit wetboek:
van het eerste boek:
Artikel 82 tweede lid, Titel IV derde
en vierde afdeling en de Titels VI en VII;
van het tweede boek:
de Titels III, IV en Titel IX derde
afdeling.
Zij is echter wel van toepassing op
de termijnen, gesteld in de artikelen 419 en 451e.
[De redactie heeft
helaas niet de beschikking over het slotformulier en de ondertekening van
deze wet]
|