Nadere regelgeving:
-
Besluit
Buitengewoon Strafrecht (BBS)
- Besluit regime militairen
die voorlopig arrest, gevangenisstraf, hechtenis of militaire
detentie ondergaan
- Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht
WET van 27 april 1903 tot vaststelling
van een Wetboek van Militair Strafrecht
WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is een
nieuw Wetboek van Militair Strafrecht vast te stellen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze, vast te stellen de volgende bepalingen,
welke zullen uitmaken het WETBOEK VAN MILITAIR STRAFRECHT.
Eerste Boek. Algemene bepalingen
Inleiding Toepasselijkheid van het gemene strafrecht
Artikel 1
Bij de toepassing van dit Wetboek gelden de bepalingen van het gemene
strafrecht, daaronder begrepen de negende titel van het eerste boek van
het Wetboek van Strafrecht, behoudens de afwijkingen bij de wet
vastgesteld.
Artikel 2
Op de niet in dit Wetboek omschreven strafbare feiten, begaan door in
artikel 2 van de Wet militaire strafrechtspraak genoemde personen, is
het gemene strafrecht toepasselijk, behoudens de afwijkingen bij de wet
vastgesteld.
Artikel 3
De in het Wetboek van Strafrecht voorkomende bepalingen betreffende
feiten, begaan aan boord van of met betrekking tot een Nederlands schip,
zijn ook toepasselijk op die feiten, begaan aan boord van of met
betrekking tot een vaartuig der krijgsmacht, tenzij de inhoud dier
bepalingen deze toepasselijkheid uitsluit of het feit valt onder een
zwaardere strafbepaling.
Titel I. Omvang van de werking der strafwet
Artikel 4
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de militair, die zich
buiten Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt.
Artikel 5
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich, in tijd
van oorlog, buiten Nederland schuldig maakt aan een strafbaar feit,
waarvan onder die omstandigheden de kennisneming behoort aan de
gerechten bedoeld in de Wet militaire strafrechtspraak.
Titel IA. Bepalingen omtrent feiten begaan in of met betrekking tot
Aruba, Curaçao en Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba
Artikel 5a
1. Op feiten door in artikel 2 van de Wet militaire
strafrechtspraak genoemde personen begaan in of met betrekking tot
Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in of met betrekking tot de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is het aldaar
geldende strafrecht toepasselijk, indien de Nederlandse strafwet tegen
zodanige feiten geen straf bedreigt.
2. Indien het strafrecht van een der in het vorige lid genoemde
Rijksdelen wordt toegepast, kunnen tevens worden toegepast de
bepalingen van de Nederlandse strafwet, die betrekking hebben op de
voorwaardelijke veroordeling en op de terbeschikkingstelling wegens
gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.
Artikel 5b
Indien de Nederlandse strafwet op feiten door in artikel 2 van de Wet
militaire strafrechtspraak genoemde personen begaan in of met betrekking
tot Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in of met betrekking tot de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een lagere
vrijheidsstraf of geldboete stelt dan de strafwet van Aruba, Curaçao of
Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
kan een vrijheidsstraf of geldboete worden opgelegd van ten hoogste de
tijd dan wel het bedrag, gesteld bij laatstbedoelde strafwet.
Titel II. Straffen
Artikel 6
Onverminderd het bepaalde met betrekking tot de straffen in het
Wetboek van Strafrecht kan de militair worden opgelegd:
a. als hoofdstraf: militaire detentie;
b. als bijkomende straf: ontzetting van bepaalde bevoegdheden,
met dien verstande dat de bijkomende straf van plaatsing in een
rijkswerkinrichting niet kan worden opgelegd.
Artikel 6a [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 10
Voor de gevangenisstraf en de hechtenis gelden de in het gemene recht
daarvoor gegeven regelen met dien verstande dat Wij voor militairen
bijzondere voorschriften met betrekking tot de arbeid, de bestemming van
de opbrengst van de verplichte arbeid en de geestelijke, culturele en
sociale verzorging kunnen vaststellen.
Artikel 11
1.Ingeval gevangenisstraf of hechtenis kan worden uitgesproken is
de rechter bevoegd in plaats daarvan tot militaire detentie te
veroordelen.
2.De duur van de militaire detentie zal de duur van de tegen het
feit bedreigde vrijheidsstraf en die van zes maanden niet mogen
overschrijden.
3.Artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht is bij het opleggen van
militaire detentie van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12
1.Militaire detentie wordt als regel in algehele of beperkte
gemeenschap ondergaan. De straf wordt ten uitvoer gelegd hetzij in een
militair gesticht hetzij in een huis van bewaring.
2.Met betrekking tot de indeling en het beheer van en het regiem in
militaire gestichten, als bedoeld in het vorige lid, de arbeid, de
bestemming van de opbrengst van de verplichte arbeid, de geestelijke,
culturele en sociale verzorging en de tucht zijn, voor zover Wij niet
anders bepalen, de voorschriften van toepassing welke gelden ten
aanzien van de huizen van bewaring en de wijze waarop militaire
detentie daarin wordt ten uitvoer gelegd.
3.Voor militairen, die de militaire detentie in een huis van
bewaring ondergaan, kunnen Wij bijzondere voorschriften met betrekking
tot de arbeid, de bestemming van de opbrengst van de verplichte arbeid
en de geestelijke, culturele en sociale verzorging vaststellen.
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 14
Voor de toepassing van de bepalingen, die betrekking hebben op de
voorwaardelijke veroordeling, wordt de militaire detentie als
gevangenisstraf beschouwd.
Artikel 15
Een opdracht tot het verlenen van bijstand aan een voorwaardelijk
veroordeelde kan aan elke instelling, houder van een inrichting of
bijzondere ambtenaar, die daarmede in een der rijksdelen belast is,
worden gegeven.
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 21
1. Veroordelingen tot vrijheidsstraffen, vervangende hechtenis
daaronder begrepen, kunnen in de gevallen en op de wijze door Ons te
bepalen geheel of ten dele worden ten uitvoer gelegd in
strafgestichten in Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2. Veroordelingen tot gevangenisstraf, tot militaire detentie of
hechtenis, vervangende hechtenis daaronder begrepen, kunnen, indien de
gelegenheid ontbreekt om gebruik te maken van een daartoe bestemd
gesticht of gebouw, in de gevallen en op de wijze door Ons te bepalen
geheel of ten dele worden ten uitvoer gelegd hetzij in een
strafgesticht buiten het Koninkrijk, hetzij op een andere plaats
geschikt tot het ondergaan van straf.
Artikel 22 [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 24 [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 25a [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 26 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 30 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 31 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 33 [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 34 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 35
1.Ontzetting van de rechten, vermeld in artikel 28, eerste lid, nos.
1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht, kan worden uitgesproken bij
veroordeling wegens enig opzettelijk gepleegd misdrijf, in dit wetboek
omschreven.
2.Ontzetting van het recht, vermeld in artikel 28, eerste lid, no.
3 van het Wetboek van Strafrecht, kan worden uitgesproken bij
veroordeling tot gevangenisstraf van tenminste een jaar wegens het
plegen van een misdrijf als omschreven in het Tweede Boek, Titel I,
van dit wetboek.
Artikel 35a
Indien een persoon genoemd in artikel 2 van de Wet militaire
strafrechtspraak naar aanleiding van een strafbaar feit begaan in of met
betrekking tot Aruba, Curaçao en Sint Maarten of de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is ontzet uit een van de rechten
vermeld in artikel 28, eerste lid, onderdelen 1° tot en met 5°, van
het Wetboek van Strafrecht, heeft deze ontzetting ook betrekking op de
uitoefening van die rechten in de betrokken rijksdelen en openbare
lichamen.
Artikel 35b
1. Ingeval tegen de bestuurder van een motorrijtuig proces-verbaal
wordt opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 163 of artikel
164 van dit wetboek, is artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in laatstgenoemd
artikel omschreven verplichting tot overgifte betrekking heeft op elk
aan de bestuurder ingevolge enige binnen het Koninkrijk geldende
regeling afgegeven rijbewijs alsmede op het hem in het buitenland
uitgereikt internationaal rijbewijs.
2. Indien artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 wordt toegepast
in Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba, worden onder opsporingsambtenaren als bedoeld
in dat artikel mede begrepen de militairen die aldaar zijn aangesteld
als buitengewoon agent van politie.
Artikel 36
1.Bij veroordeling van de bestuurder van een motorrijtuig wegens
overtreding van artikel 163, 164, 167 of 169 kan hem de bevoegdheid
motorrijtuigen te besturen voor de duur van ten hoogste vijf jaren
worden ontzegd.
2.Artikel 179, vierde en zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 36a
Bij veroordeling van een lid van de bemanning van een luchtvaartuig
wegens overtreding van artikel 168 en artikel 169 kan aan hem de
bevoegdheid de luchtvaart uit te oefenen voor ten hoogste zes maanden
worden ontzegd.
Artikel 36b
Wij kunnen regelen stellen met betrekking tot het tijdstip van ingang
van de bijkomende straffen, bedoeld in de artikelen 36 en 36a, en de
daaraan verbonden administratieve gevolgen.
Artikel 37 [Vervallen per 01-01-1991]
Titel III. Uitsluiting, vermindering en verhoging der strafbaarheid
Artikel 38
1. Niet strafbaar is hij die in tijd van oorlog binnen de grenzen
zijner bevoegdheid een naar de regelen van het oorlogsrecht geoorloofd
feit begaat, of wiens bestraffing strijdig zou zijn met een verdrag,
geldende tussen Nederland en de mogendheid waarmede Nederland in
oorlog is, of met enig voorschrift, ingevolge zodanig verdrag
vastgesteld.
2. Niet strafbaar is de militair die geweld gebruikt in de
rechtmatige uitoefening van zijn taak en in overeenstemming met de
regels die voor de uitoefening van die taak zijn vastgesteld.
Artikel 39 [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2000]
Artikel 43 [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 44 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 44a
De verpleging van personen die krachtens uitspraak van een van de
gerechten bedoeld in de Wet militaire strafrechtspraak ter beschikking
zijn gesteld, kan in de gevallen en op de wijze door Ons te bepalen
geschieden in Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 45 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 46
Indien een militair door het begaan van een misdrijf waarop hechtenis
is gesteld, een dienstplicht schendt, wordt hij, onverminderd de
toepassing van artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste de duur der op dat misdrijf gestelde
hechtenis.
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 48
Ten aanzien van een militair die opzettelijk met een militair van
mindere rang aan enig opzettelijk gepleegd misdrijf deelneemt, wordt het
maximum van de daarop gestelde tijdelijke gevangenisstraf met de helft
verhoogd.
Titel IV. Poging
Artikel 49 [Vervallen per 01-01-1991]
Titel V. Deelneming aan strafbare feiten
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-1991]
Titel VI. Samenloop van strafbare feiten
Artikel 51 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 52 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 53 [Vervallen per 01-01-1991]
Titel VII. Misdrijven naar het gemene strafrecht alleen op klachte
vervolgbaar
Artikel 54
Indien een der misdrijven omschreven in deartikelen 245, 248a en 281
van het Wetboek van Strafrecht, gepleegd is in tijd van oorlog, door een
persoon genoemd in artikel 2 van de Wet militaire strafrechtspraak, kan
de vervolging ambtshalve plaatshebben.
Titel VIII. Verval van het recht tot strafvordering en van de straf
Artikel 55 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 56
Het recht tot strafvordering ter zake van de misdrijven omschreven in
de artikelen 100, 109 en 110, vervalt door verjaring in twaalf jaren.
Artikel 57
1.Ten aanzien van een persoon die vóór het begaan van het
misdrijf de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, wordt
de in artikel 56 vermelde verjaringstermijn tot de helft van de daar
bedoelde duur ingekort.
2.Ten aanzien van zodanige persoon is de termijn der verjaring van
het recht tot uitvoering der straf, opgelegd wegens een misdrijf als
bedoeld bij artikel 56, een derde langer dan de bij het voorgaande lid
bepaalde termijn der verjaring van het recht tot strafvordering wegens
dat misdrijf.
Artikel 58
De termijn van verjaring van het recht tot strafvordering ter zake
van ongeoorloofde afwezigheid, van desertie en van de misdrijven
omschreven in de artikelen 109 en 110, vangt aan met de dag na die
waarop de afwezigheid is aangevangen.
Artikel 59
1.De krachtens artikel 59 van de Wet Militaire strafrechtspraak
aangewezen bevelvoerende militairen kunnen buiten het Koninkrijk of
binnen de territoriale zee onder omstandigheden en in zaken bij
algemene maatregel van Rijksbestuur vast te stellen de bevoegdheid
uitoefenen, welke in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht aan de
officier van justitie is toegekend. De artikelen 74a en 74b van dat
wetboek zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.
2.Bij algemene maatregel van Rijksbestuur worden voorschriften
gegeven met betrekking tot de wijze waarop de in het voorgaande lid
bedoelde bevoegdheid wordt uitgeoefend.
3.De bevelvoerende militairen bekleed met de bevoegdheid, bedoeld
in het eerste lid, maken hiervan gebruik volgens richtlijnen, vast te
stellen door het College van procureurs-generaal.
Titel IX. Betekenis van sommige in het wetboek voorkomende
uitdrukkingen - Uitbreiding der toepasselijkheid van sommige bepalingen
Artikel 60
1.Onder militairen worden verstaan:
1°. zij wier vrijwillig dienstverband bij de krijgsmacht tot
doorlopende werkelijke dienst verplicht, tijdens de gehele duur
van dat dienstverband;
2°. alle andere vrijwilligers bij de krijgsmacht en de
dienstplichtigen, zo vaak en zolang zij in werkelijke dienst zijn,
alsmede wanneer zij buiten werkelijke dienst in het tijdvak
gedurende hetwelk zij voor die dienst kunnen worden opgeroepen,
een der feiten plegen omschreven in de artikelen 109 en 110 van
dit Wetboek.
Artikel 60a
Wij kunnen bepalen, dat vreemde militairen en een vreemde krijgsmacht
voor de toepassing van door Ons aan te wijzen wettelijke bepalingen
worden gelijkgesteld met Nederlandse militairen dan wel de Nederlandse
krijgsmacht.
Artikel 61
Hij die feitelijk dient bij de krijgsmacht, wordt van rechtswege als
militair aangemerkt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt, dat hij niet
onder een der bepalingen van het voorgaande artikel valt.
Artikel 62
De in artikel 60 no. 2 bedoelde vrijwilliger bij de krijgsmacht of de
dienstplichtige wordt geacht in werkelijke dienst te zijn:
1°. zodra hij, voor de werkelijke dienst opgeroepen of
vrijwillig in werkelijke dienst komende, op de plaats van zijn
bestemming is aangekomen, zodra hij zich voor deze dienst heeft
aangemeld of zodra hij voor deze dienst is overgenomen, een en ander
totdat hij met groot verlof vertrekt;
2°. zolang hij deelneemt aan militaire oefening of militair
onderricht, dan wel enige andere militaire werkzaamheid verricht;
3°. zolang hij als vrijwilliger of dienstplichtige of als
verdachte in een militaire strafzaak bij enig onderzoek tegenwoordig
is;
4°. zolang hij uniformkleding of het voor hem vastgestelde
kenteken of onderscheidingsteken draagt;
5°. zolang hij in een militaire inrichting of aan boord van een
vaartuig der krijgsmacht straf ondergaat.
Artikel 63
1.Onder militairen worden mede begrepen de tot enige militaire
dienst gebruikt wordende gewezen militairen, in welk geval zij worden
geacht de laatstelijk door hen beklede rang of de hogere, die hun bij
of na het verlaten van de militaire dienst is toegekend, te bekleden.
Artikel 64 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 65
1.Krijgsgevangenen en geïnterneerde personen die ingevolge artikel
4, onder B, van het Verdrag van Genève betreffende de behandeling van
krijgsgevangenen, van 12 augustus 1949 als krijgsgevangenen moeten
worden behandeld, daaronder begrepen degenen die onder belofte of
voorwaarde zijn vrijgelaten, worden, met inachtneming van de door hen
beklede rang, gelijkgesteld met Nederlandse militairen ten aanzien van
door hen begane strafbare feiten, waartegen is voorzien bij het gemene
recht, bij artikel 80 of bij de titels IV-VI en VIII-XI van het tweede
boek van dit wetboek, met uitzondering van de artikelen 159-162.
Geïnterneerde vreemde militairen die krachtens beschikking van het
bevoegd Nederlands gezag andere vreemde militairen onder hun bevelen
hebben, worden ten aanzien van hun verhouding tot die andere personen,
met inachtneming van de door hen beklede rang gelijkgesteld met
Nederlandse militairen.
2.Zij worden geacht tot dat deel van de krijgsmacht te behoren,
onder welks bewaring zij zich bevinden.
Artikel 66
In de uitdrukking "hij die ....", gebezigd in de
omschrijving van een strafbaar feit wordt onder het woord
"hij" verstaan ieder persoon genoemd in artikel 2 van de Wet
militaire strafrechtspraak.
Artikel 67
De verhouding van meerdere tot mindere bestaat tussen militairen:
1°. krachtens hogere militaire rang;
2°. bij gelijkheid van rang, krachtens meerdere ouderdom daarin,
doch alleen in betrekking tot dienstaangelegenheden;
3°. onafhankelijk van hun rang of stand, wanneer en voor zover
de ene, hetzij krachtens zijn betrekking als bevelvoerend militair,
hetzij krachtens beschikking van het bevoegd gezag, de andere onder
zijn bevelen heeft.
Artikel 67a
Ten aanzien van vreemde militairen kan een gelijkstelling van vreemde
militaire rangen met Nederlandse plaatsvinden door Ons of van Onzentwege
door Onze daarbij betrokken Minister van Defensie.
Artikel 68 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 69
Onder schildwacht wordt verstaan iedere militair, die met een door
Onze Minister van Defensie vast te stellen wapen uitgerust of van een
door Onze Minister van Defensie vast te stellen kenteken voorzien, op
post of uitkijk is gesteld.
Artikel 70
Onder oorlogsvaartuig wordt verstaan elk ten behoeve der zeemacht
gebezigd vaartuig, waarover een militair der zeemacht het bevel voert.
Artikel 71
In dit wetboek wordt onder oorlog mede verstaan: een gewapend
conflict dat niet als oorlog kan worden aangemerkt en waarbij het
Koninkrijk is betrokken, hetzij ter individuele of collectieve
zelfverdediging, hetzij tot herstel van internationale vrede en
veiligheid.
Artikel 71a
1. Voor de toepassing van de titels III-X en de artikelen 156 en
159-162 van het tweede boek zal de rechter, onverminderd het bepaalde
in de artikelen 71b en 72, de aanwezigheid van tijd van oorlog slechts
aannemen, hetzij onder feitelijke oorlogsomstandigheden, hetzij indien
Wij zulks bepalen in verband met het feit dat Wij een oorlog dreigende
achten.
2. Ons desbetreffende besluit kan betrekking hebben op de gehele
krijgsmacht of op een deel daarvan.
Artikel 71b
Voor de toepassing van de artikelen 122, 123, 142, 156 en 159-162
wordt tijd van oorlog mede aanwezig geacht indien de in die artikelen
omschreven feiten worden begaan aan boord van een oorlogsvaartuig of
luchtvaartuig van de krijgsmacht dat zich ergens bevindt waar geen
onmiddellijke hulp te verkrijgen is.
Artikel 72
Waar gesproken wordt van een misdrijf, gepleegd in tijd van oorlog,
wordt daaronder mede begrepen het geval, dat de schuldige het misdrijf
pleegt met het oog op een door hem aanstaand geachte oorlog tegen
Nederland.
Artikel 73
Waar gesproken wordt van een misdrijf, gepleegd bij een gevecht met
de vijand, wordt daaronder mede begrepen het geval, dat de schuldige het
misdrijf pleegt met het oog op een door hem aanstaand geacht gevecht of
bij een terugtocht uit een gevecht met de vijand.
Artikel 74 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 75
1. De bepalingen van dit wetboek zijn toepasselijk, indien de
daarin omschreven feiten worden gepleegd tegen of met betrekking tot
vreemde mogendheden, hun krijgsmachten of personen, die daarvan deel
uitmaken, voor zover:
a. hetzij die mogendheden bondgenoten zijn van de Staat in een
gemeenschappelijke oorlog;
b. hetzij strijdkrachten van die mogendheden gemeenschappelijk
optreden met strijdkrachten van de Staat in een gewapend conflict
als bedoeld in artikel 71;
c. hetzij met die mogendheden een overeenkomst is gesloten ter
collectieve zelfverdediging en een gemeenschappelijke oorlog
dreigende is.
2. De bepalingen van dit wetboek zijn voorts toepasselijk indien de
feiten omschreven in de titels IV-VI, VIII en IX van het tweede boek
worden gepleegd tegen of met betrekking tot vreemde mogendheden
waarmede een overeenkomst is gesloten ter collectieve zelfverdediging,
hun krijgsmachten of personen, die daarvan deel uitmaken.
Artikel 75a
Een verhouding van meerdere tot mindere bestaat ten opzichte van
vreemde militairen slechts voor zover zulks door Ons of van Onzentwege
door door Ons aan te wijzen autoriteiten wordt bepaald.
Artikel 75b
Voor de toepassing van de artikelen 164, 166 en 169 worden onder rij-,
voer-, vaar- en luchtvaartuigen, die bij de krijgsmacht in gebruik zijn,
mede begrepen rij-, voer-, vaar- en luchtvaartuigen in gebruik bij een
vreemde krijgsmacht als bedoeld in artikel 75.
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-1991]
Tweede Boek. Misdrijven
Titel I. Misdrijven tegen de veiligheid van de Staat
Artikel 77
1.De militair die in tijd van oorlog opzettelijk de vijand hulp
verleent of de Staat tegenover de vijand benadeelt, wordt, als
schuldig aan militair verraad, gestraft met, levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
2.Met gelijke straf wordt gestraft de militair die in tijd van
oorlog tot het plegen van militair verraad samenspant.
Artikel 78
1.Als schuldig aan verspieding wordt gestraft met, levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of
geldboete van de vijfde categorie:
1°. hij die opzettelijk ten behoeve van de vijand een
inlichting betreffende enig krijgsbelang tracht in te winnen aan
boord van een vaartuig of luchtvaartuig der krijgsmacht, binnen de
voorpostenlinie, in een versterkte of bezette plaats of post, of
in een inrichting van de krijgsmacht, dan wel in een verboden
plaats;
2°. hij die in tijd van oorlog tersluik, onder een vals
voorgeven, door middel van een vermomming of langs een andere dan
de gewone toegang binnen een van de in no. 1 vermelde plaatsen
tracht te komen, aldaar in dier voege aanwezig wordt gevonden, of
zich op een van die wijzen of door een van die middelen vandaar
tracht te verwijderen;
3°. hij die in tijd van oorlog opzettelijk een opneming doet
of een afbeelding of beschrijving maakt, betreffende enige zaak
van militair belang.
2.De bepalingen van nos. 2 en 3 zijn niet toepasselijk, indien de
rechter blijkt, dat de dader niet ten behoeve van de vijand heeft
gehandeld.
Artikel 79 [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 80
De in geval van een oorlog waarin Nederland niet betrokken is, hier
te lande geïnterneerde militair van een der oorlogvoerende mogendheden,
die opzettelijk in strijd met een door hem gegeven belofte zich
verwijdert of een door hem gegeven belofte of aangenomen voorwaarde
waaronder hem verlof is verleend om zich tijdelijk of voorgoed te
verwijderen, schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 81
De militair die, hetzij enige handeling waarvan hij weet, althans
redelijkerwijze kan vermoeden, dat de staat daardoor in gevaar van
oorlogsverwikkeling wordt gebracht, opzettelijk, zonder daartoe
gerechtigd te zijn, verricht, hetzij opzettelijk enig voorschrift tot
handhaving van de goede betrekkingen van de Staat met andere mogendheden
van regeringswege gegeven en bekendgemaakt, overtreedt, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
Artikel 82 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 83
1.Tegen de deelnemer aan enige in deze titel vermelde
samenspanning, die, voordat de overheid met het bestaan daarvan bekend
is, haar op zodanige wijze daarvan kennis geeft, dat dientengevolge
het plegen van het voorgenomen misdrijf wordt voorkomen, is de
strafvervolging uitgesloten.
2.Deze bepaling geldt niet voor hem van wie blijkt, dat hij
aanlegger is.
Titel II. Schending van krijgsplichten, zonder oogmerk om de vijand
hulp te verlenen of de Staat tegenover de vijand te benadelen
Artikel 84
Met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig
jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de militair
die in tijd van oorlog opzettelijk:
1°. enige onder zijn bevelen staande versterkte of bezette
plaats of post, ofwel de krijgsmacht of enig deel daarvan aan de
vijand overgeeft of in 's vijands macht doet of laat overgaan,
zonder daarvoor of daarbij alles gedaan of bedongen te hebben wat
zijn plicht onder die omstandigheden van hem eiste;
2°. de onder zijn bevelen staande plaats, post, vaartuig of
luchtvaartuig der krijgsmacht buiten noodzaak eigendunkelijk
ontruimt of verlaat;
3°. bij een gevecht met de vijand zijn plicht niet nakomt om met
de onder zijn bevelen staande krijgsmacht aan het gevecht deel te
nemen of tegenover de vijand stand te houden.
4°. de onder zijn bevelen staande krijgsmacht, geheel of ten
dele, buiten noodzaak naar onzijdig gebied doet of laat overgaan.
Artikel 85
Met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig
jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die opzettelijk bij een gevecht met de vijand of in een
door de vijand aangevallen of met aanval bedreigde plaats of post
zonder uitdrukkelijke last van of vanwege de ter plaatse aanwezige
met het hoogste gezag beklede militair het teken van overgave geeft;
2°. hij die in tijd van oorlog het krijgsvolk tracht te
misleiden, te ontmoedigen of in verwarring te brengen.
Artikel 86
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete
van de vijfde categorie wordt gestraft:
1°. de militair die opzettelijk bij een gevecht met de vijand,
met schending van zijn plicht als militair, hetzij op de vlucht
gaat, hetzij enig oorlogsmaterieel vernielt, beschadigt of
onbruikbaar maakt, hetzij zich ontdoet van enig wapen, munitie of
krijgstoerusting, hem van rijkswege verstrekt of tot zijn
voorgeschreven wapening of uitrusting behorende, hetzij zich
krijgsgevangen geeft;
2°. de militair die zich in tijd van oorlog opzettelijk,
hetzij tersluik, hetzij door een listige kunstgreep of een
samenweefsel van verdichtsels, hetzij door dronkenschap of
zelfverminking aan het gevecht of aan het ogenblikkelijk gevaar in
het gevecht onttrekt.
2.De schuldige wordt gestraft met, levenslange gevangenisstraf of
tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of geldboete van de vijfde
categorie, indien hij tevens een andere militair tot een der onder 1°
en 2° van dit artikel omschreven handelingen aanzet, alsmede indien
hij het misdrijf begaat als bevelvoerend militair.
Artikel 87
1.Hij die in tijd van oorlog opzettelijk een militaire operatie
doet mislukken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2.De schuldige wordt gestraft met, levenslange gevangenisstraf of
tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of geldboete van de vijfde
categorie, indien hij het misdrijf begaat als bevelvoerend militair of
als belast zijnde met het bestuur of toezicht over benodigdheden ten
dienste van de krijgsmacht.
Artikel 88
Met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de
vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die zonder verlof van of vanwege de ter plaatse
aanwezige met het hoogste gezag beklede militair zich in betrekking
stelt tot iemand die zich bij de vijandelijke krijgsmacht of in 's
vijands macht bevindt, of tot een onderdaan ener vijandelijke
mogendheid of macht;
2°. hij die een bescheid, bericht, inlichting of vraag van
iemand die zich bij de vijandelijke krijgsmacht of in 's vijands
macht bevindt, of van een onderdaan ener vijandelijke mogendheid of
macht ontvangen of onderschept hebbende, opzettelijk nalaat daarvan
dadelijk aan de militaire overheid mededeling te doen;
3°. hij die in tijd van oorlog een gebeurtenis, bijzonderheid of
beschouwing, welker ruchtbaarheid enig krijgsbelang kan schaden,
opzettelijk bekendmaakt, zonder van ambtswege daartoe verplicht of
bevoegd te zijn.
Artikel 89
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van
de vierde categorie wordt gestraft hij die in tijd van oorlog
opzettelijk een bevel, gegeven door een daartoe bevoegde militair,
niet opvolgt, of opzettelijk een maatregel, door een militair in het
belang van de dienst ondernomen of bevolen, belet, belemmert of
verijdelt, indien als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan
schade ontstaat aan of te duchten is voor de gereedheid tot het
daadwerkelijk uitvoeren van een operatie of oefening van enig
onderdeel van de krijgsmacht.
2.Het derde lid van artikel 127 en de artikelen 131, 132 en 150
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 90
1.De samenspanning tot de in de artikelen 84, 85 en 87, tweede lid,
omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2.Artikel 83 is toepasselijk.
Artikel 91 [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 92 [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 93 [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 94
1.Hij aan wiens schuld te wijten is dat, in tijd van oorlog, enige
versterkte of bezette plaats of post, ofwel de krijgsmacht of enig
deel daarvan verloren gaat, dat een militaire operatie mislukt, of dat
een vaartuig of luchtvaartuig der krijgsmacht onbruikbaar wordt, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete
van de vierde categorie.
2.Indien de schuldige het misdrijf pleegt als bevelvoerend militair
of als belast zijnde met het bestuur of toezicht over benodigdheden
ten dienste van de krijgsmacht, wordt hij gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 95
1.De militair, aan wiens schuld te wijten is dat enige versterkte
of bezette plaats of post, ofwel de krijgsmacht of enig deel daarvan
door de vijand wordt overvallen, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
2.Indien de schuldige het misdrijf pleegt als bevelvoerend
militair, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf
jaren of geldboete van de vierde categorie.
Titel III. Misdrijven waardoor de militair zich aan de vervulling van
dienstverplichtingen onttrekt
Artikel 96
Met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of
geldboete van de derde categorie wordt gestraft de militair wiens
ongeoorloofde afwezigheid in tijd van vrede aan zijn schuld is te
wijten:
1°. indien als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan
schade ontstaat aan of te duchten is voor de gereedheid tot het
daadwerkelijk uitvoeren van een operatie of oefening van enig
onderdeel van de krijgsmacht;
2°. indien de afwezigheid langer dan vier dagen duurt;
3°. indien hij daardoor een reis naar of van een plaats buiten
het Koninkrijk of naar een plaats in een ander rijksdeel die, naar
hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, is bevolen, geheel of
gedeeltelijk niet meemaakt.
Artikel 97
Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of
geldboete van de vierde categorie wordt gestraft de militair wiens
ongeoorloofde afwezigheid in tijd van oorlog aan zijn schuld is te
wijten:
1°. indien hij daardoor niet kan deelnemen aan een gevecht met
de vijand;
2°. indien hij daardoor een bevolen reis, bedoeld in artikel 96,
onder 3°, niet of niet geheel meemaakt;
3°. indien als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan
schade ontstaat aan of te duchten is voor de gereedheid tot het
daadwerkelijk uitvoeren van een operatie of oefening van enig
onderdeel van de krijgsmacht;
4°. indien de afwezigheid langer dan vier dagen duurt.
Artikel 98
Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de
derde categorie wordt gestraft de militair die zich in tijd van vrede
schuldig maakt aan opzettelijke ongeoorloofde afwezigheid:
1°. indien als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan
schade ontstaat aan of te duchten is voor de gereedheid tot het
daadwerkelijk uitvoeren van een operatie of oefening van enig
onderdeel van de krijgsmacht;
2°. indien de afwezigheid langer dan vier dagen duurt.
Artikel 99
Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft de militair die zich in tijd van oorlog
schuldig maakt aan opzettelijke ongeoorloofde afwezigheid:
1°. indien als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan
schade ontstaat aan of te duchten is voor de gereedheid tot het
daadwerkelijk uitvoeren van een operatie of oefening van enig
onderdeel van de krijgsmacht;
2°. indien de afwezigheid langer dan twee dagen duurt.
Artikel 100
1.Als schuldig aan desertie wordt gestraft de militair:
1°. die zich verwijdert met het oogmerk zich voorgoed aan zijn
dienstverplichtingen te onttrekken, het oorlogsgevaar te ontgaan,
naar de vijand over te lopen of, zonder daartoe gemachtigd te
zijn, bij een andere mogendheid in krijgsdienst te treden;
2°. wiens ongeoorloofde afwezigheid in tijd van vrede langer
dan dertig, in tijd van oorlog langer dan zeven dagen duurt;
3°. die zich schuldig maakt aan opzettelijke ongeoorloofde
afwezigheid en daardoor een bevolen reis, bedoeld in artikel 96,
onder 3°, niet of niet geheel meemaakt.
2.Desertie, in tijd van vrede gepleegd, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde
categorie.
3.Desertie, in tijd van oorlog gepleegd, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaar en zes maanden of geldboete
van de vijfde categorie.
Artikel 101
Het maximum der in de artikelen 98-100 gestelde gevangenisstraffen
wordt verdubbeld:
1°. Indien twee of meer personen gezamenlijk of ten gevolge van
samenspanning het misdrijf plegen;
2°. indien de schuldige bevelvoerend militair is;
3°. indien hij het misdrijf pleegt terwijl hij dienst doet;
4°. indien hij zich naar of in het buitenland verwijdert;
5°. indien hij, zich van een vaartuig van de krijgsmacht
verwijderende, het misdrijf pleegt met behulp van een tot de
krijgsmacht behorende sloep of ander licht vaartuig;
6°. indien hij het misdrijf pleegt met medeneming van een ten
behoeve van de krijgsmacht gebruikt luchtvaartuig of motorvoertuig,
wapen of munitie.
Artikel 102
Met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig
jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:
1°. desertie naar de vijand;
2°. desertie met het oogmerk om in een door de schuldige
aanstaand geachte oorlog van het Koninkrijk met een andere
mogendheid of macht bij deze in krijgsdienst te treden.
Artikel 103
1.De samenspanning tot het in artikel 102 omschreven misdrijf wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
2.Artikel 83 is toepasselijk.
Artikel 104
1.Naar de onderscheidingen, gemaakt in de artikelen 98-102 en met
de daarbij gestelde straffen wordt gestraft de militair die zich
opzettelijk door een listige kunstgreep of een samenweefsel van
verdichtsels aan de vervulling van zijn dienstverplichtingen onttrekt
of die zich opzettelijk daarvoor ongeschikt maakt of laat maken.
2.Bij de toepassing van het eerste lid wordt met afwezigheid,
bedoeld in de artikelen 98-102, gelijkgesteld de tijd, gedurende welke
de militair zijn dienstverplichtingen niet heeft vervuld.
Artikel 105
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van
de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk een militair op
diens verzoek voor de vervulling van dienstverplichting ongeschikt
maakt.
2.Indien het feit wordt begaan in tijd van oorlog wordt
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde
categorie opgelegd.
3.Indien het feit de dood ten gevolge heeft wordt gevangenisstraf
van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie
opgelegd.
Artikel 106
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de
derde categorie wordt gestraft de militair die zich opzettelijk aan de
vervulling van een bepaalde soort van dienstverplichtingen onttrekt of
zich opzettelijk daarvoor ongeschikt maakt of laat maken, indien als
rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan schade ontstaat aan of te
duchten is voor de bestrijding van gemeen gevaar voor personen of
goederen, dan wel de gereedheid tot het daadwerkelijk uitvoeren van
een operatie of oefening van enig onderdeel van de krijgsmacht.
2.Indien het feit wordt gepleegd in tijd van oorlog wordt
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde
categorie opgelegd.
Artikel 107
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van
de vierde categorie wordt gestraft de militair die zich opzettelijk
aan een bijzondere verplichting betreffende de waakzaamheid of
veiligheid onttrekt of zich opzettelijk daarvoor ongeschikt maakt of
laat maken, indien als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan
schade ontstaat aan of te duchten is voor de bestrijding van gemeen
gevaar voor personen of goederen, de gereedheid tot het daadwerkelijke
uitvoeren van een operatie of oefening van enig onderdeel van de
krijgsmacht, dan wel de veiligheid.
2.Indien het feit wordt gepleegd in tijd van oorlog wordt
gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde
categorie opgelegd.
3.Indien het feit wordt gepleegd op een door de vijand aangevallen
of met aanval bedreigde plaats, dan wel op een voor de oorlogvoering
essentiële plaats, wordt de schuldige gestraft met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 108
1.Met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of
geldboete van de tweede categorie wordt gestraft de militair aan wiens
schuld het is te wijten dat hij een bijzondere verplichting
betreffende de waakzaamheid of veiligheid niet vervult of niet in
staat is te vervullen, indien als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg
daarvan schade ontstaat aan of te duchten is voor de bestrijding van
gemeen gevaar voor personen of goederen, de gereedheid tot het
daadwerkelijk uitvoeren van een operatie of oefening van enig
onderdeel van de krijgsmacht, dan wel de veiligheid.
2.Indien het feit wordt gepleegd in tijd van oorlog wordt
gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de derde categorie opgelegd.
3.Indien het feit wordt gepleegd op een door de vijand aangevallen
of met aanval bedreigde plaats, dan wel op een voor de oorlogvoering
essentiële plaats, wordt gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste
een jaar of geldboete van de derde categorie opgelegd.
Artikel 109
Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft de militair die opzettelijk niet voldoet
aan een wettige oproeping voor de werkelijke dienst. Indien het feit
wordt gepleegd in tijd van oorlog kan gevangenisstraf van ten hoogste
vijf jaren of geldboete van de vierde categorie worden opgelegd.
Artikel 110
Met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste negen maanden of
geldboete van de derde categorie wordt gestraft de militair aan wiens
schuld het is te wijten, dat hij niet voldoet aan een wettige oproeping
voor de werkelijke dienst.
Artikel 111
1.Hij die een verlofpas valselijk opmaakt of vervalst, of die
zodanig stuk op een valse naam of voornaam of met aanwijzing van een
valse hoedanigheid doet afgeven, met het oogmerk om het te gebruiken
of door een militair te doen gebruiken als ware het echt en onvervalst
of als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een
geldboete van de vierde categorie.
2.Met gelijke straf wordt gestraft de militair die opzettelijk
gebruik maakt van een valse of vervalste verlofpas als ware hij echt
en onvervalst of als ware de inhoud in overeenstemming met de
waarheid.
Artikel 112
De militair die opzettelijk van eens anders reispas,
veiligheidskaart, reisorder of verlofpas gebruik maakt, als ware hij de
daarin genoemde persoon, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 113
Indien een der misdrijven, omschreven in de artikelen 111 en 112 van
dit wetboek of in de artikelen 228, 229 of 231 van het Wetboek van
Strafrecht, door een militair in tijd van oorlog wordt gepleegd ten
einde het misdrijf van desertie gemakkelijk te maken, wordt hij gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde
categorie.
Artikel 114
1.Onder zich verwijderen wordt in deze titel mede begrepen het zich
schuilhouden of zich niet bevinden op de plaats, waar de militair zijn
dienstverplichtingen behoort te vervullen.
2.Onder afwezigheid wordt verstaan het afwezig zijn van de in het
vorige lid bedoelde plaats. De afwezigheid wordt geacht te zijn
beëindigd op het tijdstip dat de militair wederom ter beschikking van
de militaire autoriteiten is.
3.Onder ongeoorloofde afwezigheid wordt mede verstaan de
afwezigheid van de militair zolang deze nalatig is in de uitvoering
van de door Ons opgelegde verplichtingen of de door Onze Minister
vastgestelde regelen voor het geval van verhindering tot
dienstverrichting.
Titel IV. Misdrijven waardoor de militair het functioneren van de
krijgsmacht belemmert
Artikel 115
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en negen maanden of
geldboete van de vierde categorie wordt gestraft de militair die door
het stelselmatig niet nakomen van dienstverplichtingen het
functioneren van de krijgsmacht belemmert.
2.Indien het feit wordt gepleegd in tijd van oorlog wordt
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde
categorie opgelegd.
Artikel 116
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van
de vierde categorie wordt gestraft de militair die het functioneren
van de krijgsmacht belemmert door in gezamenlijk verband met een of
meer militairen opzettelijk dienstverplichtingen niet na te komen.
2.Indien het feit wordt gepleegd in tijd van oorlog wordt
gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde
categorie opgelegd.
Artikel 117
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van
de vierde categorie wordt gestraft de militair die opzettelijk
wederrechtelijk de uitvoering van enige maatregel belet of belemmert,
indien als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan schade ontstaat
aan of te duchten is voor de gereedheid tot het daadwerkelijk
uitvoeren van een operatie of oefening van enig onderdeel van de
krijgsmacht.
2.Indien het feit wordt gepleegd in tijd van oorlog wordt
gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de
vijfde categorie opgelegd.
Artikel 118
1.Als schuldig aan feitelijke insubordinatie wordt met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde
categorie gestraft de militair die opzettelijk met geweld of
bedreiging met geweld hetzij zich tegen een meerdere in de uitoefening
van diens functie verzet, hetzij hem de vrijheid in die uitoefening
ontneemt, hetzij hem dwingt enige dienst te verrichten of na te laten.
2.De schuldige wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of
geldboete van de vierde categorie, indien het misdrijf of de
daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten
gevolge hebben;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien zij zwaar lichamelijk
letsel ten gevolge hebben;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien zij de dood ten gevolge
hebben.
Artikel 119
1.Feitelijke insubordinatie, door twee of meer militairen met
verenigde krachten gepleegd, wordt als muiterij, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
2.De schuldige wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of
geldboete van de vijfde categorie indien het door hem gepleegde
misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden enig
lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien zij zwaar lichamelijk
letsel ten gevolge hebben;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien zij de dood ten gevolge
hebben.
Artikel 120
Met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig
jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:
1°. feitelijke insubordinatie in tijd van oorlog;
2°. muiterij aan boord van een oorlogsvaartuig of luchtvaartuig
van de krijgsmacht dat zich ergens bevindt waar geen onmiddellijke
hulp te verkrijgen is.
Artikel 121
1.De samenspanning tot het in artikel 120 omschreven misdrijf wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
2.Artikel 83 is toepasselijk.
Artikel 122
1.De militair die opzettelijk met vier of meer andere militairen
samenschoolt om in vereniging hun plicht te verzaken wordt, indien het
tot enige gewelddadigheid of bedreiging daarmee is gekomen, als
schuldig aan deelneming aan militaire oproer gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2.Indien het feit is gepleegd in tijd van oorlog wordt de schuldige
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 123
1.De deelnemer aan samenscholing met vier of meer andere militairen
om in vereniging hun plicht te verzaken, die tot de orde terugkeert
voordat het tot enige gewelddadigheid of bedreiging daarmee is
gekomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren
of geldboete van de vierde categorie.
2.Indien de samenscholing is gepleegd in tijd van oorlog wordt de
schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 124
Ten aanzien van de feiten gepleegd tegen een meerdere wordt een
troepenafdeling belast met wacht- of patrouilledienst, of een
schildwacht gelijkgesteld met een meerdere, behalve in geval het feit is
begaan door hem aan wie zij, als zodanig, ondergeschikt zijn.
Titel V. Schending van het dienstbevel
Artikel 125
Onder een dienstbevel wordt verstaan een bevel dat enig militair
dienstbelang betreft en gegeven is door een meerdere aan een mindere.
Artikel 126
De militair die opzettelijk een dienstbevel niet opvolgt, wordt
gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor personen
of goederen te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander
te duchten is;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander
te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 127
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en negen maanden of
geldboete van de vierde categorie wordt gestraft de militair die
opzettelijk een dienstbevel niet opvolgt, indien als rechtstreeks en
onmiddellijk gevolg daarvan schade ontstaat aan of te duchten is voor
de gereedheid tot het daadwerkelijk uitvoeren van een operatie of
oefening van enig onderdeel van de krijgsmacht.
2.Indien het feit is gepleegd in tijd van oorlog wordt hij gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de
vierde categorie.
3.Het maximum der in het eerste en tweede lid gestelde
gevangenisstraffen wordt verdubbeld:
1°. indien twee of meer personen gezamenlijk het misdrijf
plegen;
2°. indien de schuldige tevens een andere militair tot het
misdrijf aanzet;
3°. indien hij het misdrijf pleegt bij een gevecht met de
vijand.
Artikel 128
Met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig
jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de militair
die opzettelijk een dienstbevel om aan een gevecht met de vijand deel te
nemen, of tegenover deze stand te houden, niet opvolgt.
Artikel 129
1.De samenspanning tot het in artikel 128 omschreven misdrijf wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
2.Artikel 83 is toepasselijk.
Artikel 130
De militair aan wiens schuld het is te wijten, dat hij een
dienstbevel niet opvolgt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de tweede categorie, indien daardoor gemeen
gevaar voor personen of goederen ontstaat;
2°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden
of geldboete van de derde categorie, indien daardoor levensgevaar
voor een ander ontstaat;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de derde categorie indien het feit iemands dood ten gevolge
heeft;
4°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien als rechtstreeks en onmiddellijk
gevolg daarvan schade ontstaat aan of te duchten is voor de
gereedheid tot het daadwerkelijk uitvoeren van een operatie of
oefening van enig onderdeel van de krijgsmacht en het feit is
gepleegd in tijd van oorlog;
5°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien het feit een bevel betrof om aan een
gevecht met de vijand deel te nemen of tegenover deze stand te
houden.
Artikel 130a
Onder het niet opvolgen van een dienstbevel wordt mede verstaan het
weigeren een dienstbevel op te volgen of het eigendunkelijk
overschrijden daarvan.
Artikel 131
Een feit, bedoeld in de artikelen 126-130, is niet strafbaar, indien
de bevolen gedraging onrechtmatig is.
Artikel 132
Niet strafbaar is de militair die een feit begaat, genoemd in de
artikelen 126-128, indien hij de bevolen gedraging te goeder trouw als
onrechtmatig beschouwde.
Artikel 133
Een feit, bedoeld in de artikelen 126-130, is niet strafbaar, indien
onderling strijdige dienstbevelen zijn gegeven en het niet opgevolgde
dienstbevel voorafgaat aan het laatst gehandhaafde.
Artikel 134
Met betrekking tot het dienstbevel wordt een troepenafdeling belast
met wacht- of patrouilledienst, of een schildwacht gelijkgesteld met een
meerdere, behalve in het geval het feit is begaan door hem aan wie zij,
als zodanig, ondergeschikt zijn.
Titel VI. Schending van het dienstvoorschrift
Artikel 135
Onder dienstvoorschrift wordt verstaan een bij of krachtens algemene
maatregel van Rijksbestuur of van bestuur dan wel een bij of krachtens
landsverordening onderscheidenlijk landsbesluit gegeven schriftelijk
besluit van algemene strekking dat enig militair dienstbelang betreft en
een tot de militair gericht ge- of verbod bevat.
Artikel 136
1.De militair die opzettelijk een dienstvoorschrift niet opvolgt
wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en negen
maanden of geldboete van de vierde categorie, indien als
rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan schade ontstaat aan of
te duchten is voor de gereedheid tot het daadwerkelijk uitvoeren
van een operatie of oefening van enig onderdeel van de
krijgsmacht;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie, indien daarvan gemeen gevaar
voor personen of goederen te duchten is;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of
geldboete van de vierde categorie, indien daarvan levensgevaar
voor een ander te duchten is;
4°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of
geldboete van de vierde categorie, indien daarvan levensgevaar
voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
2.Indien het feit bedoeld onder 1° is gepleegd in tijd van oorlog,
wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier
jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 137
De militair aan wiens schuld het is te wijten, dat hij een
dienstvoorschrift niet opvolgt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de tweede categorie, indien daardoor gemeen
gevaar voor personen of goederen ontstaat;
2°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden
of geldboete van de derde categorie, indien daardoor levensgevaar
voor een ander ontstaat;
3°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of
geldboete van de derde categorie, indien het feit iemands dood ten
gevolge heeft;
4°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien als rechtstreeks en onmiddellijk
gevolg daarvan schade ontstaat aan of te duchten is voor de
gereedheid tot het daadwerkelijk uitvoeren van een operatie of
oefening van enig onderdeel van de krijgsmacht en het feit is
gepleegd in tijd van oorlog.
Artikel 138
Een feit, bedoeld in een van beide voorgaande artikelen, is niet
strafbaar indien een van het dienstvoorschrift afwijkend dienstbevel is
opgevolgd.
Titel VII. Dienstweigering
Artikel 139
1.De militair die weigert of opzettelijk nalaat iedere dienst, van
welke soort ook, te verrichten wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
2.Indien het feit is gepleegd in tijd van oorlog wordt de schuldige
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete
van de vierde categorie.
Titel VIII. Misdrijven tegen de persoon
Artikel 140
Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft de militair die opzettelijk een andere
militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht
werkzaam is, feitelijk bedreigt met geweld of feitelijk aanrandt.
Artikel 141
Indien een in de artikelen 300-303 van het Wetboek van Strafrecht
bedoeld misdrijf door een militair wordt gepleegd tegen een andere
militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht
werkzaam is, kunnen de in die artikelen bepaalde gevangenisstraffen met
een derde worden verhoogd.
Artikel 142
1.Met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste
twintig jaren of geldboete van de vijfde categorie worden gestraft de
militairen die in tijd van oorlog met vereende krachten geweld tegen
een of meer personen plegen en bij het plegen van het feit misbruik
maken of dreigen te maken van macht, gelegenheid of middel, hun als
militair gegeven.
2.Met gelijke straf worden gestraft de in artikel 2 van de Wet
militaire strafrechtspraak genoemde personen die gelijke handelingen
plegen en daarbij misbruik maken of dreigen te maken van macht,
gelegenheid of middel, hun door hun betrekking tot de krijgsmacht
gegeven.
3.Artikel 81 van het Wetboek van Strafrecht blijft buiten
toepassing.
Artikel 143
1.Hij, die geweld pleegt tegen een dode, zieke of gewonde,
behorende tot de krijgsmacht van een der strijdende partijen, wordt
gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste
twintig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2.Onder hen, die behoren tot de krijgsmacht van een der strijdende
partijen, worden voor de toepassing van dit artikel gerekend allen,
die bij deze krijgsmacht in dienstbetrekking zijn of haar met
toestemming van de militaire overheid vergezellen of volgen.
Titel IX. Ambtsmisdrijven
Artikel 144
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van
de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk een mededeling,
die hij uit hoofde van zijn ambt moet doen, niet of onjuist doet,
indien als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan schade ontstaat
aan of te duchten is voor de veiligheid van de Staat dan wel de
gereedheid tot het daadwerkelijk uitvoeren van een operatie of
oefening van enig onderdeel van de krijgsmacht.
2.Indien het feit wordt gepleegd in tijd van oorlog wordt de
schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 145
Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft hij aan wiens schuld het is te wijten
dat hij in tijd van oorlog een mededeling, die hij uit hoofde van zijn
ambt moet doen, niet of onjuist doet, indien als rechtstreeks en
onmiddellijk gevolg daarvan schade ontstaat aan of te duchten is voor de
veiligheid van de Staat dan wel de gereedheid tot het daadwerkelijk
uitvoeren van een operatie of oefening van enig onderdeel van de
krijgsmacht.
Artikel 146
Indien het in artikel 365 van het Wetboek van Strafrecht omschreven
misdrijf wordt gepleegd door een militair kan de in dat artikel bepaalde
gevangenisstraf met een derde worden verhoogd.
Artikel 147
Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft de militair die een andere militair
opzettelijk door gift, belofte, bedreiging of misleiding weerhoudt van
het doen van een klacht of aangifte ter zake van een strafbaar feit.
Artikel 148
De militair, die opzettelijk toelaat, dat een mindere een misdrijf
pleegt, of die, getuige van een door een mindere gepleegd misdrijf,
opzettelijk nalaat maatregelen te nemen, voorzover die nodig zijn en van
hem kunnen worden gevergd, wordt gestraft als de medeplichtige.
Artikel 149
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
derde categorie wordt gestraft de militair die opzettelijk nalaat
maatregelen te nemen, voor zover die nodig zijn en van hem kunnen worden
gevergd, indien een onder zijn bevelen staande militair, naar hij
redelijkerwijs moet vermoeden, een misdrijf pleegt of voornemens is te
plegen.
Artikel 150
1.De militair die opzettelijk een mindere een bevel geeft,
inhoudende het plegen van een misdrijf, wordt, indien het bevel is
uitgevoerd, als dader van dat misdrijf gestraft.
2.Indien een bevel als in het eerste lid bedoeld niet is
uitgevoerd, wordt de meerdere gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie, echter met
dien verstande dat nooit een zwaardere straf mag worden uitgesproken
dan terzake van poging tot het bevolen misdrijf, of, indien zodanige
poging niet strafbaar is, terzake van het misdrijf zelf kan worden
opgelegd.
Titel X. Misdrijven tegen de openbare orde
Artikel 151
1.Hij die kennis draagt van enige in dit wetboek strafbaar gestelde
samenspanning tot misdrijf of van voornemen tot het plegen van een
misdrijf ter zake waarvan levenslange gevangenisstraf kan worden
opgelegd of van een misdrijf tegen de veiligheid van de Staat,
desertie in tijd van oorlog, feitelijke insubordinatie of militair
oproer, en op een tijdstip, waarop het begaan van het misdrijf nog kan
worden voorkomen, opzettelijk nalaat daarvan tijdig kennis te geven
hetzij aan de overheid, hetzij aan de bedreigde, wordt indien het
misdrijf is gevolgd, gestraft als de medeplichtige.
2.Met gelijke straf wordt gestraft hij die kennis draagt van enig
in het eerste lid vermeld reeds gepleegd misdrijf, en op een tijdstip,
waarop de gevolgen nog kunnen worden afgewend, opzettelijk nalaat
daarvan kennis te doen.
Artikel 152
Het vorig artikel is niet van toepassing op hem die door de
kennisgeving gevaar voor een strafvervolging zou doen ontstaan voor
zichzelf, voor een van zijn bloedverwanten of aangehuwden in de rechte
lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, voor zijn echtgenoot
of gewezen echtgenoot of degene met wie hij een geregistreerd
partnerschap is of was aangegaan, of voor een ander, bij wiens
vervolging hij zich, uit hoofde van zijn ambt of beroep, van het
afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen.
Artikel 153
1.Hij die, mondeling of bij geschrifte, een militair opruit tot
enig misdrijf, in dit wetboek omschreven of door hem te begaan onder
een der in artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht vermelde
omstandigheden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.
2.De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien de
opruiing betreft een der misdrijven omschreven in de artikelen 92-101
of 121 van het Wetboek van Strafrecht, desertie, strafbare schending
van een dienstbevel in tijd van oorlog, muiterij of militair oproer
buiten tijd van oorlog.
3.De schuldige wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of
tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of geldboete van de vijfde
categorie:
1°. indien de opruiing geschiedt in tijd van oorlog en zij
betreft een der in de artikelen 92 en 93 van het Wetboek van
Strafrecht omschreven misdrijven, militair verraad, desertie in
een der in artikel 102 omschreven gevallen, schending van een
dienstbevel als bedoeld in artikel 128, muiterij, militair oproer
of een der in de artikelen 142 en 160 omschreven misdrijven;
2°. indien de opruiing geschiedt aan boord van een
oorlogsvaartuig of luchtvaartuig der krijgsmacht, zich ergens
bevindende waar geen onmiddellijke hulp te verkrijgen is, en zij
muiterij of militair oproer betreft.
4.Met gelijke straffen wordt gestraft hij die een der in dit
artikel vermelde geschriften, waarvan hij de inhoud kent, verspreidt,
tentoonstelt, aanslaat of ter verspreiding in voorraad heeft.
Titel XI. Misdrijven met betrekking tot goederen
Artikel 154
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft hij die diefstal pleegt en daarbij
misbruik heeft gemaakt van de gelegenheid, hem verschaft door zijn
inkwartiering of door zijn huisvesting op openbaar gezag.
Artikel 155
Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de
vijfde categorie wordt gestraft diefstal door een militair gepleegd op
een onder zijn bijzondere bewaking of bescherming gestelde plaats.
Artikel 156
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van
de vijfde categorie wordt, als schuldig aan plundering, gestraft:
1°. de militair die in tijd van oorlog bij het plegen van
diefstal misbruik maakt of dreigt te maken van macht, gelegenheid
of middel, hem als militair gegeven;
2°. de persoon, behorende tot de in artikel 2 van de Wet
militaire strafrechtspraak genoemden, die bij het plegen van
diefstal misbruik maakt of dreigt te maken van macht, gelegenheid
of middel, hem door zijn betrekking tot de krijgsmacht gegeven;
3°. hij die diefstal pleegt aan of tegen een dode, zieke of
verwonde, behorende tot de krijgsmacht van een der strijdende
partijen. Onder hen, die behoren tot de krijgsmacht van een der
strijdende partijen, worden voor de toepassing van deze bepaling
gerekend allen, die bij deze krijgsmacht in dienstbetrekking zijn
of haar met toestemming van de militaire overheid vergezellen of
volgen.
2.Indien het feit gepleegd is door twee of meer verenigde personen,
worden de schuldigen gestraft met levenslange gevangenisstraf of
tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 157
1.Als schuldig aan opzetheling wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie de
militair die:
a. een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel
een persoonlijk recht op of een zakelijk recht ten aanzien van een
goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de
verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het
vestigen van het recht wist dat het een door een der in deze titel
omschreven misdrijven verkregen goed betrof;
b. opzettelijk uit winstbejag een door een der in deze titel
omschreven misdrijven verkregen goed voorhanden heeft of
overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten
aanzien van een door zodanig misdrijf verkregen goed overdraagt.
2.Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk uit de
opbrengst van enig door zodanig misdrijf verkregen goed voordeel
trekt.
Artikel 158
1.Als schuldig aan schuldheling wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie de
militair die:
a. een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel
een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een
goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de
verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het
vestigen van het recht redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het
een door een der in deze titel omschreven misdrijven verkregen
goed betrof;
b. uit winstbejag een goed voorhanden heeft of overdraagt dan
wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een
goed overdraagt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het
een door een der in deze titel omschreven misdrijven verkregen
goed betreft.
2.Met dezelfde straf wordt gestraft hij die uit de opbrengst van
enig goed voordeel trekt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden
dat het een door zodanig misdrijf verkregen goed betreft.
Artikel 159
1.Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een dier, dat ten behoeve
van de krijgsmacht wordt gebruikt, doodt, mishandelt, voor de dienst
ongeschikt maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
2.Indien hij het feit pleegt in tijd van oorlog wordt
gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren opgelegd of geldboete van
de vijfde categorie.
Artikel 160
1.Met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste
twintig jaren of geldboete van de vijfde categorie worden gestraft de
militairen die in tijd van oorlog met verenigde krachten opzettelijk
en wederrechtelijk enig goed dat geheel of gedeeltelijk aan een ander
toebehoort, vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken, en
bij het plegen van dat feit misbruik maken of dreigen te maken van
macht, gelegenheid of middel, hun als militair gegeven.
2.Met gelijke straf worden gestraft de in artikel 2 van de Wet
militaire strafrechtspraak genoemde personen die gelijke handelingen
plegen en daarbij misbruik maken of dreigen te maken van macht,
gelegenheid of middel, hun door hun betrekking tot de krijgsmacht
gegeven.
3.Artikel 81 van het Wetboek van Strafrecht blijft buiten
toepassing.
Artikel 161
De militair, die in tijd van oorlog opzettelijk en wederrechtelijk
enige oorlogsbehoefte vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of
wegmaakt, of die zich opzettelijk en eigendunkelijk ontdoet van enig hem
van rijkswege verstrekt wapen, munitie, krijgstoerusting of
voedingsmiddel, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 162
De militair, die in tijd van oorlog enig aan hem of aan een andere
militair van rijkswege verstrekt goed, wetende dat dit behoort tot de
militaire kleding of uitrusting, hetzij zonder schriftelijke vergunning,
door of vanwege de bevoegde officier afgegeven, verkoopt, ruilt, ten
geschenke, in pand, gebruik of bewaring geeft, hetzij wegmaakt, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van
de vierde categorie.
Titel XII. Verkeersmisdrijven
Artikel 163
Hij die als bestuurder van een motorrijtuig, een rijwiel of enig
ander rij- of voertuig daarmede over enige voor het openbaar of militair
verkeer openstaande weg rijdt dan wel als bestuurder van een vaartuig
daarmede op enig voor de openbare of militaire scheepvaart openstaand
water vaart, onder zodanige invloed van het gebruik van alcoholhoudende
drank, dat hij niet in staat moet worden geacht het rij-, voer- of
vaartuig naar behoren te besturen, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 164
Hij die optreedt als bestuurder van een motorrijtuig, een rijwiel of
enig ander rij-, voer- of vaartuig, dat bij de krijgsmacht in gebruik
is, onder zodanige invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank,
dat hij niet in staat moet worden geacht zijn taak, als zodanig, naar
behoren te vervullen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
zes maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 165
Voor de toepassing van de artikelen 162 en 163 wordt met
alcoholhoudende drank gelijkgesteld elke stof, waarvan de bestuurder
weet of redelijkerwijze moet weten, dat het gebruik de rijvaardigheid
kan verminderen.
Artikel 166
Hij die opzettelijk wederrechtelijk enig motorrijtuig, vaartuig of
luchtvaartuig gebruikt, dat bij de krijgsmacht in gebruik is, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de tweede categorie.
Derde Boek. Overtredingen
Titel I. Verkeersovertredingen
Artikel 167
Hij die zich op een voor het openbaar of militair verkeer openstaande
weg dan wel op een voor de openbare of militaire scheepvaart openstaand
water zodanig gedraagt, dat de vrijheid van het verkeer dan wel van de
scheepvaart zonder noodzaak wordt belemmerd, of de veiligheid op de weg
of op het water in gevaar wordt gebracht of dat redelijkerwijze is aan
te nemen dat dit het geval kan zijn, wordt gestraft met hechtenis van
ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 167a [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 168
Hij die zich als lid van de bemanning van een luchtvaartuig zodanig
gedraagt, dat de vrijheid van het verkeer zonder noodzaak wordt
belemmerd of de veiligheid in het luchtruim dan wel op de grond of op
het water in gevaar wordt gebracht of dat redelijkerwijze is aan te
nemen, dat dit het geval kan zijn, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 169
Hij die als gebruiker van een voor het openbaar of militair verkeer
openstaande weg of als gebruiker van een voor de openbare of militaire
scheepvaart openstaand water, dan wel als bestuurder van een
motorrijtuig, een rijwiel, enig ander rij- of voertuig, een vaartuig of
een luchtvaartuig, dat bij de krijgsmacht in gebruik is, de door of
vanwege het bevoegd gezag met betrekking tot het verkeer of de
scheepvaart gegeven regels en aanwijzingen niet in acht neemt, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de
tweede categorie.
Titel II. Feiten strafbaar gesteld in de buitenlandse wet
Artikel 170
1. Hij die buiten het Koninkrijk een feit begaat, dat niet met
straf wordt bedreigd door enige ingevolge dit Wetboek toepasselijke
strafbepaling, doch waarvoor hij ingevolge enige op hem toepasselijke
wet van het land, waar het feit begaan wordt, strafbaar is, wordt
gestraft met hetzij hechtenis van ten hoogste zes maanden en geldboete
van de derde categorie, hetzij één van deze straffen. De opgelegde
hechtenis mag in duur het maximum van de tegen het feit in de
buitenlandse wet bedreigde vrijheidsstraf niet overtreffen. De
opgelegde geldboete mag evenmin het maximum van de in de buitenlandse
wet tegen het feit bedreigde geldboete te boven gaan.
2. De vrijheidsstraf en de geldboete mogen slechts gezamenlijk
worden opgelegd, indien dit ook bij toepassing van de buitenlandse wet
mogelijk ware geweest.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven op het Loo, den 27sten April 1903
WILHELMINA
De Minister van Justitie,
J.A. Loeff
De Minister van Marine,
Ellis
De Minister van Staat, Minister van Oorlog,
J.W. Bergansius
Uitgegeven den tweeden Mei 1903
De Minister van Justitie,
J.A. Loeff
|