Nadere regelgeving:
- Besluit aanwijzing Halt-feiten
- Besluit
Buitengewoon Strafrecht (BBS)
- Besluit gedragsbeïnvloeding jeugdigen
- Besluit OM-afdoening
- Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994
- Besluit
tenuitvoerlegging ontnemings- en schadevergoedingsmaatregelen
- Besluit tenuitvoerlegging taakstraffen
- Penitentiaire
maatregel
- Reclasseringsregeling
1995
- Regeling strafonderbreking jeugdigen
- Reglement
justitiële jeugdinrichtingen
- Reglement verpleging terbeschikkinggestelden
- Transactiebesluit 1994
- Transactiebesluit milieudelicten
- Uitvoeringsbesluit
Wet op de jeugdzorg
- Uitvoeringsregeling
reclassering 2005'
WET van 3 maart 1881
WIJ WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van
Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is een
nieuw Wetboek van Strafrecht vast te stellen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze, vast te stellen de navolgende
bepalingen, welke zullen uitmaken het Wetboek van Strafrecht.
Eerste Boek. Algemene bepalingen
Titel I. Omvang van de werking van de
strafwet
Artikel 1
1.Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan
voorafgegane wettelijke strafbepaling.
2.Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit
begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen
toegepast.
Artikel 2
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich in
Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt.
Artikel 3
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten
Nederland aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig aan
enig strafbaar feit schuldig maakt.
Artikel 4
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten
Nederland schuldig maakt:
1°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 92-96,
97a, 98-98c, 105 en 108-110;
2°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 131 tot en
met 134 en 189, indien het strafbare feit of het misdrijf waarvan in
die artikelen wordt gesproken, is een misdrijf als onder 1°
bedoeld;
3°. aan enig misdrijf ten opzichte van muntspeciën, munt- of
bankbiljetten, van rijkswege uitgegeven zegels of rijksmerken;
4°. aan valsheid in schuldbrieven of certificaten van schuld van
de Nederlandse staat of van een Nederlandse provincie, gemeente of
openbare instelling, de talons, dividend- en rentebewijzen tot deze
stukken behorende, en de bewijzen, uitgegeven in plaats van deze
stukken, inbegrepen, of aan het opzettelijk gebruik maken van
zodanig vals of vervalst stuk als ware het echt en onvervalst;
5°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 216,
tweede lid, 381-385, 409 en 410 of aan de overtreding omschreven in
artikel 446a;
6°. aan het misdrijf omschreven in artikel 207a;
7°.
a. aan het misdrijf omschreven in artikel 168, begaan tegen
een luchtvaartuig in bedrijf, indien dit een Nederlands
luchtvaartuig is of wanneer de verdachte zich in Nederland
bevindt;
b. aan het misdrijf omschreven in artikel 385a, begaan aan
boord van een luchtvaartuig in vlucht, wanneer de verdachte zich
in Nederland bevindt;
c. aan het misdrijf omschreven in artikel 385b, indien het
daar bedoelde luchtvaartuig een Nederlands luchtvaartuig is of
wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt;
d. aan het misdrijf omschreven in artikel 385c, wanneer het
is begaan, hetzij tegen een Nederlands luchtvaartuig, hetzij aan
boord van een luchtvaartuig dat vervolgens in Nederland landt
met de verdachte aan boord;
e. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 162,
162a, 166 en 385d, wanneer de verdachte zich in Nederland
bevindt.
8°.
a. aan de misdrijven omschreven in de artikelen 166, 168,
350, 352, 354, 385a, vierde lid, 385b, tweede lid, en 385c,
indien het feit is begaan tegen een Nederlands zeegaand
vaartuig, hetzij tegen of aan boord van enig ander zeegaand
vaartuig en de verdachte zich in Nederland bevindt;
b. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 350,
352, 354, 385a, vierde lid, en 385b, tweede lid, begaan tegen
een installatie ter zee, wanneer de verdachte zich in Nederland
bevindt.
9°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 177 en
177a, voor zover het feit is gepleegd tegen een Nederlander of een
Nederlandse ambtenaar en daarop door de wet van het land waar het
begaan is, straf is gesteld;
10°. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 177,
177a, 225, 227b en 323a, voor zover het feit is gepleegd door een
Nederlandse ambtenaar of door een persoon in de openbare dienst van
een in Nederland gevestigde volkenrechtelijke organisatie en daarop
door de wet van het land waar het is begaan, straf is gesteld;
11°. aan het misdrijf, omschreven in artikel 282a, wanneer
hetzij het feit is begaan met het oogmerk een Nederlandse overheid
te dwingen een handeling te verrichten of zich te onthouden van het
verrichten daarvan, hetzij de verdachte zich in Nederland bevindt;
12°.
a. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 117,
117a, 117b en 285, voor zover het feit is gepleegd tegen een in
Nederlandse dienst zijnde, of tot zijn gezin behorende,
internationaal beschermd persoon als bedoeld in artikel 87b,
eerste lid, of tegen diens beschermde goederen;
b. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 117,
117a, 117b, 282a en 285, voor zover het feit is gepleegd tegen
een internationaal beschermd persoon als bedoeld in artikel 87b,
tweede lid, die Nederlander is, of tegen diens beschermde
goederen;
c. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 117,
117a, 117b en 285, voor zover het feit is gepleegd tegen een
internationaal beschermd persoon als bedoeld in artikel 87b,
eerste of tweede lid, of tegen diens beschermde goederen,
wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt;
13°. aan een terroristisch misdrijf dan wel een der misdrijven,
omschreven in de artikelen 115, 117, 117b, 121 tot en met 123, 157,
161, 161bis, 161quater, 161sexies, 162, 162a, 164, 166, 168, 170,
172, 173a, 285, 287, 288, 289, 350, 350a, 351, 352, 354, 385b en
385d, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2
van het op 15 december 1997 te New York totstandgekomen Verdrag
inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen (Trb. 1998,
84) en hetzij het feit is gepleegd tegen een Nederlander, hetzij de
verdachte zich in Nederland bevindt.
14°. aan een terroristisch misdrijf dan wel een der misdrijven,
omschreven in de artikelen 115, 117, 117b, 121 tot en met 123, 140,
157, 161, 161bis, 161quater, 161sexies, 162, 162a, 164, 166, 168,
170, 172, 173a, 285, 287, 288, 289, 350, 350a, 351, 352, 354, 385a,
385b en 385d, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van
artikel 2 van het op 9 december 1999 te New York totstandgekomen
Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van
terrorisme (Trb. 2000, 12) en hetzij het feit is gericht tegen een
Nederlander hetzij de verdachte zich in Nederland bevindt;
15°. aan een terroristisch misdrijf, indien het misdrijf is
gepleegd met het oogmerk de bevolking of een deel der bevolking van
Nederland vrees aan te jagen, een Nederlandse overheid of een in
Nederland gevestigde instelling of organisatie van de Europese Unie
wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden,
of de fundamentele politieke, constitutionele, economische of
sociale structuren van Nederland of een in Nederland gevestigde
instelling of organisatie van de Europese Unie ernstig te
ontwrichten of te vernietigen;
16°. aan een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van
een terroristisch misdrijf, indien het misdrijf is gepleegd met het
oogmerk een terroristisch misdrijf als in onderdeel 15° omschreven
voor te bereiden of gemakkelijk te maken;
17°. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 157,
161quater, 284, eerste lid, 284a, 285, 310 tot en met 312, 317, 318,
321, 322, 326, en in de artikelen 79 en 80 van de Kernenergiewet,
voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 7 van
het op 3 maart 1980 te Wenen/New York totstandgekomen Verdrag inzake
de fysieke beveiliging van kernmateriaal (Trb. 1980, 166), wanneer
de verdachte zich in Nederland bevindt;
18°. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen
161quater, 173a, 284, eerste lid, 284a, 285, 310 tot en met 312, 317
en 318, en in de artikelen 15, 21, 29, eerste lid, 32, eerste lid,
34, eerste lid, 67, eerste lid, 73, 76, derde lid, en 76a van de
Kernenergiewet juncto artikel 1a van de Wet op de economische
delicten, en in de artikelen 79 en 80 van de Kernenergiewet, voor
zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het op
13 april 2005 te New York totstandgekomen Internationaal Verdrag ter
bestrijding van daden van nucleair terrorisme (Trb. 2005, 290) en
hetzij het feit is gepleegd tegen een Nederlander, hetzij de
verdachte zich in Nederland bevindt.
Artikel 4a
1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder tegen wie de
strafvervolging door Nederland van een vreemde staat is overgenomen op
grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor
Nederland volgt.
2. De Nederlandse strafwet is voorts toepasselijk op ieder wiens
uitlevering of overlevering ter zake van een terroristisch misdrijf
dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een
terroristisch misdrijf, ontoelaatbaar is verklaard, is afgewezen of
geweigerd.
Artikel 5
1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die
zich buiten Nederland schuldig maakt:
1°. aan een der misdrijven omschreven in de Titels I en II van
het Tweede Boek, en in de artikelen 192a, 192b, 192c, 197a, 197b,
197c, 206, 237,272 en 273 alsmede – voor zover het betreft een
misdrijf, gericht tegen de rechtspleging van het Internationaal
Strafhof, als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het op 17
juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het
Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120) – in de artikelen 177,
177a, 178, 179, 180, 189, 200, 207a, 285a en 361;
2°. aan een feit hetwelk door de Nederlandse strafwet als
misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar
het begaan is, straf is gesteld.
3°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b,
242 tot en met 250 en 273f, voor zover het feit is gepleegd ten
aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog
niet heeft bereikt dan wel aan een der misdrijven omschreven in de
artikelen 300 tot en met 303, voor zover het feit oplevert
genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht
die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
4°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 138a,
138b, 139c, 139d, 161sexies, 225, 226, 227, 240a, 240b, 326, 326c,
350, 350a en 351, voor zover het feit valt onder de omschrijving
van de artikelen 2 tot en met 10 van het op 23 november 2001 te
Budapest tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de
bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische
netwerken (Trb. 2002, 18, en 2004, 290);
5°. aan een der misdrijven omschreven in artikel 273f, voor
zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de
leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, en in de artikelen 231,
321, 350 en 416 tot en met 417bis, voor zover het feit valt onder
de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te
Warschau totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van
mensenhandel, indien het feit is gepleegd buiten de rechtsmacht
van enige staat.
2. In de gevallen, omschreven in het eerste lid, onderdelen 2° en
3°, kan de vervolging ook plaatshebben, als de verdachte eerst na het
feit Nederlander wordt.
Artikel 5a
1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die in
Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten
Nederland schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in de
artikelen 240b, 242 tot en met 250 en 273f, voor zover het feit is
gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien
jaren nog niet heeft bereikt dan wel aan een der misdrijven omschreven
in de artikelen 300 tot en met 303, voor zover het feit oplevert
genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht die
de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, een
terroristisch misdrijf, dan wel een der misdrijven omschreven in de
artikelen 225, derde lid, 311, eerste lid, onder 6°, 312, tweede lid,
onder 5°, alsmede 317, derde lid, jo. 312, tweede lid, onder 5°.
2. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die
een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft en zich buiten
Nederland schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in artikel
273f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die
de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, en in de artikelen 231,
321, 350 en 416 tot en met 417bis, en op het feit door de wet van het
land waar het begaan is, straf is gesteld.
3. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die
een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft en zich buiten
Nederland schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in artikel
273f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die
de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, en in de artikelen 231,
321, 350 en 416 tot en met 417bis, voor zover het feit valt onder de
omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau
totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel, indien
het feit is gepleegd buiten de rechtsmacht van enige staat.
4. De vervolging kan ook plaatshebben, indien de verdachte eerst na
het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
heeft gekregen.
Artikel 5b
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich schuldig
maakt:
1°. aan een der misdrijven omschreven in artikel 273f, en in de
artikelen 231, 321, 350 en 416 tot en met 417bis, voor zover het
feit valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei
2005 te Warschau totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van
mensenhandel, indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander;
2°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242
tot en met 250 en 273f, indien het feit is gepleegd tegen een
Nederlander of een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of
verblijfplaats heeft die de leeftijd van achttien jaren nog niet
heeft bereikt.
Artikel 6
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op:
1°. de Nederlandse ambtenaar die zich buiten Nederland schuldig
maakt aan een der misdrijven omschreven in Titel XXVIII van het
Tweede Boek;
2°. de persoon in de openbare dienst van een in Nederland
gevestigde volkenrechtelijke organisatie die zich buiten Nederland
schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 362
tot en met 364a.
Artikel 7
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de schipper en de
opvarenden van een Nederlands vaartuig die zich buiten Nederland, ook
buiten boord, schuldig maken aan een der strafbare feiten omschreven in
Titel XXIX van het Tweede Boek en Titel IX van het Derde Boek.
Artikel 8
De toepasselijkheid van de artikelen 2-7 wordt beperkt door de
uitzonderingen in het volkenrecht erkend.
Titel II. Straffen
Artikel 9
1.De straffen zijn:
a. hoofdstraffen:
1°. gevangenisstraf;
2°. hechtenis;
3°. taakstraf;
4°. geldboete;
b. bijkomende straffen:
1°. ontzetting van bepaalde rechten;
2°. verbeurdverklaring;
3°. openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
2.Ten aanzien van misdrijven die worden bedreigd met een
vrijheidsstraf of een geldboete of ten aanzien van overtredingen die
worden bedreigd met een vrijheidsstraf kan in plaats daarvan een
taakstraf worden opgelegd. Een taakstraf bestaat uit een werkstraf,
zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, of een leerstraf, zijnde
het volgen van een leerproject, of een combinatie van beide.
3.In het geval gevangenisstraf, hechtenis, vervangende hechtenis
daaronder niet begrepen, of een taakstraf wordt opgelegd, kan tevens
een geldboete worden opgelegd.
4.In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis,
vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het
onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden
bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.
5.Een bijkomende straf kan, in de gevallen waarin de wet haar
oplegging toelaat, zowel afzonderlijk als te zamen met hoofdstraffen
en met andere bijkomende straffen worden opgelegd.
Artikel 9a
Indien de rechter dit raadzaam acht in verband met de geringe ernst
van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden
waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan,
kan hij in het vonnis bepalen dat geen straf of maatregel zal worden
opgelegd.
Artikel 10
1.De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk.
2.De duur van de tijdelijke gevangenisstraf is ten minste een dag
en ten hoogste vijftien achtereenvolgende jaren.
3.Zij kan voor ten hoogste dertig achtereenvolgende jaren worden
opgelegd in de gevallen waarin op het misdrijf levenslange en
tijdelijke gevangenisstraf ter keuze van de rechter zijn gesteld, en
in die waarin wegens strafverhoging ter zake van samenloop van
misdrijven, terroristische misdrijven, herhaling van misdrijf of het
bepaalde bij artikel 44, de tijd van vijftien jaren wordt
overschreden.
4.Zij kan in geen geval de tijd van dertig jaren te boven gaan.
Artikel 11
Bij of krachtens wet worden regels gesteld ten aanzien van de
tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende
maatregelen. Deze regels betreffen in elk geval:
a. de aanwijzing en de bestemming van inrichtingen bestemd voor
deze tenuitvoerlegging;
b. de selectie van de personen ten aanzien van wie de
tenuitvoerlegging van de voornoemde straffen en maatregelen
plaatsvindt voor de inrichtingen;
c. het beheer van de inrichtingen en het toezicht daarop;
d. het regime in de inrichtingen;
e. gevallen waarin en de wijze waarop beperkingen op de
grondrechten van de onder b omschreven personen plaats kan vinden;
f. de rechtsgang voor de onder b omschreven personen aangaande
hun rakende beslissingen het regime van de inrichting betreffende
alsmede aangaande hun betreffende beslissingen tot plaatsing en
overplaatsing.
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 12a [Vervallen per 01-06-1953]
Artikel 13
1.Een veroordeelde tot gevangenisstraf die wegens de gebrekkige
ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens daarvoor
in aanmerking komt, kan worden geplaatst in een justitiële inrichting
voor verpleging van ter beschikking gestelden; de artikelen 37c, 37d
en 37e zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.
2.Indien een veroordeelde tot gevangenisstraf tevens de maatregel
van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege
is opgelegd, wordt op regelmatige tijdstippen beoordeeld of de
veroordeelde dient te worden geplaatst in een justitiële inrichting
voor verpleging van ter beschikking gestelden. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven omtrent
deze beoordeling. Deze regels betreffen in elk geval de frequentie van
de beoordelingen, de te volgen procedure, waaronder de advisering door
gedragsdeskundigen, en de wijze waarop de beoordelingen dienen plaats
te vinden.
3.De plaatsing ingevolge het eerste lid en de beëindiging daarvan
geschieden volgens regels, bij algemene maatregel van bestuur te
stellen, op last van de Minister van Justitie, gegeven na een met
redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van ten minste twee
gedragsdeskundigen van verschillende disciplines - waaronder een
psychiater - die de betrokkene hebben onderzocht. Zodanig advies dient
door de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen
afzonderlijk te zijn uitgebracht.
4.Tegen de beslissing tot plaatsing, de beslissing tot beëindiging
daarvan en de beslissing tot niet plaatsing in afwijking van het
advies van de rechter overeenkomstig het bepaalde in artikel 37b,
tweede lid, kan de veroordeelde binnen vier weken nadat die beslissing
aan hem is medegedeeld beroep instellen bij de Raad voor
strafrechtstoepassing en jeugdbescherming. Het bepaalde in Hoofdstuk
XVI van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden is van
overeenkomstige toepassing.
5.De overplaatsing en het beroep daartegen van de veroordeelden
geschieden overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op de
overplaatsing en het beroep daartegen van ter beschikking gestelden
ten aanzien van wie een bevel tot verpleging van overheidswege als
bedoeld in artikel 37b of 38c is gegeven.
Artikel 13a [Vervallen per 17-02-1999]
Artikel 13b [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 13c [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 13d [Vervallen per 24-12-1975]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 14a
1.In geval van veroordeling tot gevangenisstraf van ten hoogste
twee jaren, tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet
begrepen, tot taakstraf of tot geldboete, kan de rechter bepalen dat
de straf of een gedeelte daarvan niet zal worden tenuitvoergelegd.
2.Ingeval van veroordeling tot gevangenisstraf van meer dan twee
jaren en ten hoogste vier jaren kan de rechter bepalen dat een
gedeelte van de straf, tot ten hoogste twee jaren, niet zal worden
tenuitvoergelegd.
3.De rechter kan voorts bepalen dat opgelegde bijkomende straffen
geheel of gedeeltelijk niet zullen worden tenuitvoergelegd.
Artikel 14b
1. De rechter die bepaalt dat een door hem opgelegde straf geheel
of gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, stelt daarbij een
proeftijd vast.
2. De proeftijd bedraagt in de gevallen bedoeld in artikel 14c,
eerste lid en tweede lid, onder 3° en 5°, ten hoogste twee jaren en
in de overige gevallen ten hoogste drie jaren. De proeftijd kan ten
hoogste tien jaren bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden
gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat
gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van
het lichaam van een of meer personen.
3. De proeftijd gaat in:
a. indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, eerste
en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is uitgereikt of
toegezonden, op de vijftiende dag nadat de einduitspraak is
gedaan, tenzij door de tijdige aanwending van een rechtsmiddel het
vonnis of arrest niet onherroepelijk is geworden;
b. indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, derde
lid, van het Wetboek van Strafvordering moet worden betekend, op
de vijftiende dag na die betekening, tenzij door de tijdige
aanwending van een rechtsmiddel het vonnis of arrest niet
onherroepelijk is geworden.
4. De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde
rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
Artikel 14c
1.Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde
dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig
maakt aan een strafbaar feit.
2.Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende
bijzondere voorwaarden worden gesteld:
1°. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het
strafbare feit veroorzaakte schade binnen een door de rechter te
bepalen termijn, korter dan de proeftijd;
2°. opneming van de veroordeelde in een inrichting ter
verpleging gedurende een door de rechter te bepalen termijn, ten
hoogste gelijk aan de proeftijd;
3°. storting van een door de rechter vast te stellen
waarborgsom, ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het
maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd en
de opgelegde boete;
4°. storting van een door de rechter vast te stellen som gelds
in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een
instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van
strafbare feiten te behartigen. Het bedrag kan niet hoger zijn dan
de geldboete die ten hoogste voor het strafbare feit kan worden
opgelegd.
5°. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de
veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd, of
een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, heeft te
voldoen.
3.De bijzondere voorwaarden mogen de vrijheid van de veroordeelde
zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige
vrijheid niet beperken.
4.Bij het stellen van één van de bijzondere voorwaarden genoemd
in het tweede lid, onder 3° en 4°, vinden de artikelen 23, eerste en
tweede lid, en 24 overeenkomstige toepassing.
Artikel 14d
1.Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden is het
openbaar ministerie belast.
2.De rechter kan aan een krachtens algemene maatregel van bestuur
aangewezen reclasseringsinstelling dan wel aan een bijzondere
reclasseringsambtenaar opdracht geven de veroordeelde bij de naleving
van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Artikel 14e [Vervallen per 02-02-1998]
Artikel 14f
1.De rechter die de voorwaarde heeft gesteld kan hetzij na de
ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie, hetzij op
verzoek van de veroordeelde de proeftijd verkorten of deze éénmaal
verlengen. De verlenging geschiedt met ten hoogste één jaar.
2.Evenzo kan de in het eerste lid bedoelde rechter gedurende de
proeftijd of gedurende de tijd dat deze is geschorst in de gestelde
bijzondere voorwaarden of in de termijn waartoe deze voorwaarden in
haar werking binnen de proeftijd zijn beperkt wijziging brengen, deze
voorwaarden opheffen, alsnog bijzondere voorwaarden stellen en een
opdracht als bedoeld in artikel 14d geven, wijzigen of opheffen.
Artikel 14g
1.Indien enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd kan de
rechter, indien hij daartoe termen vindt, na ontvangst van een
vordering van het openbaar ministerie en onverminderd het bepaalde in
artikel 14f ,
1°. gelasten dat de niet ten uitvoergelegde straf alsnog zal
worden tenuitvoergelegd;
2°. al of niet onder instandhouding of wijziging van de
voorwaarden gelasten dat een gedeelte van de niet
tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.
2.In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf te geven kan de rechter een taakstraf als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, gelasten. De artikelen
22c tot en met 22k zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Tot behandeling van de vordering is bevoegd de rechter die de
straf heeft opgelegd. Indien de veroordeelde wordt vervolgd wegens een
strafbaar feit, begaan voor het einde van de proeftijd, is tot
behandeling van de vordering bevoegd:
a. de rechtbank, indien deze bevoegd is tot kennisneming in
eerste aanleg van het feit,
b. de kantonrechter, indien deze bevoegd is tot kennisneming
van dat feit en van feiten, terzake waarvan de veroordeling,
waarop de vordering betrekking heeft, is uitgesproken.
De vordering wordt in dat geval ingediend door het openbaar
ministerie belast met de vervolging van het feit en kan slechts bij
gelegenheid van een veroordeling terzake worden toegewezen. Strekt de
vordering tot de tenuitvoerlegging van gevangenisstraf van meer dan
een jaar, dan wordt zij niet door een enkelvoudige kamer van de
rechtbank behandeld.
4.Wanneer overeenkomstig artikel 14c, tweede lid, onder 3°, een
waarborgsom is gestort kan de rechter voorts een beslissing nemen,
krachtens welke die som geheel of ten dele aan de Staat vervalt.
5.De in het eerste en tweede lid bedoelde vordering wordt
gedagtekend op de dag van ontvangst ter griffie. Het openbaar
ministerie is in zijn vordering niet ontvankelijk wanneer zij later
wordt ingediend dan drie maanden na het verstrijken der proeftijd.
Artikel 14h
1.In de gevallen in de artikelen 14f en 14g bedoeld brengt het
openbaar ministerie de zaak aan door de indiening van een met redenen
omklede vordering. Is door de veroordeelde een verzoek tot toepassing
van artikel 14f tot de rechter gericht, dan dient het openbaar
ministerie ten spoedigste nadat het verzoekschrift in zijn handen is
gesteld een met redenen omklede conclusie in.
2.Onmiddellijk na de indiening van de vordering of de conclusie
bepaalt de rechter, tenzij de summiere kennisneming van de stukken hem
aanleiding geeft om de vordering of het verzoek buiten behandeling te
laten, een dag voor het onderzoek van de zaak. In het geval, bedoeld
in artikel 14g, derde lid, tweede volzin, geschiedt de behandeling van
de vordering gelijktijdig met de behandeling van het feit waarvoor de
veroordeelde wordt vervolgd.
3.Het openbaar ministerie doet de veroordeelde en degene die met
het verlenen van hulp en steun was belast tot bijwoning van het
onderzoek oproepen, onder betekening van de vordering of de conclusie
aan de veroordeelde.
4.Zowel het openbaar ministerie als de veroordeelde is bevoegd
getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen
oproepen om bij het onderzoek tegenwoordig te zijn. De artikelen 260
en 263 van het Wetboek van Strafvordering vinden overeenkomstige
toepassing.
5.De veroordeelde en degene die met het verlenen van hulp en steun
is belast kunnen vóór de aanvang van het onderzoek van de stukken
kennis nemen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de raadsman van de
veroordeelde of, indien de zaak bij de kantonrechter wordt behandeld,
ten aanzien van een bijzonder daartoe door de veroordeelde
gemachtigde. Het bepaalde bij en krachtens artikel 34 van het Wetboek
van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14i
1.Het onderzoek vindt plaats ter openbare terechtzitting.
2.Het openbaar ministerie is bij het onderzoek tegenwoordig en
wordt terzake gehoord.
3.De veroordeelde en degene die met het verlenen van hulp en steun
is belast kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn en worden alsdan
gehoord. De veroordeelde kan zich door een raadsman of, indien de zaak
bij de kantonrechter wordt behandeld, door een bijzonder daartoe door
de veroordeelde gemachtigde, doen bijstaan.
4.In gevallen waarin de behandeling van de zaak niet gelijktijdig
geschiedt met de behandeling van een feit waarvoor de veroordeelde
wordt vervolgd, vinden de artikelen 260, eerste lid, 268, tweede lid,
269 tot en met 277, 278, tweede lid, 281, 284, eerste lid, 286, 287,
tweede en derde lid, 288, 289, eerste, tweede en derde lid, 290 tot en
met 297, 299, 300, 301, 309, 310, 311, 315, 316, 318, 319, 320, eerste
en tweede lid, 322, 324, 326 tot en met 329, 331, 345, eerste en derde
lid, en 346 van het Wetboek van Strafvordering overeenkomstige
toepassing.
5.De in het vierde lid genoemde artikelen vinden geen toepassing
voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet
of slechts ten dele blijkt.
6.Gedurende het onderzoek kan het openbaar ministerie zijn
ingediende vordering of conclusie en de veroordeelde zijn verzoek
wijzigen.
Artikel 14j
1.Rechterlijke beslissingen omtrent vorderingen van het openbaar
ministerie of verzoeken van de veroordeelde zijn met redenen omkleed
en worden in het openbaar uitgesproken. Zij zijn, voor zover zij geen
deel uitmaken van uitspraken terzake van andere strafbare feiten, niet
aan enig rechtsmiddel onderworpen.
2.De inhoud van de in het eerste lid bedoelde beslissingen wordt
onverwijld vanwege het openbaar ministerie schriftelijk medegedeeld
aan de veroordeelde en aan degene die met het verlenen van hulp en
steun is belast, zomede aan degene die bij de beslissing daarvan wordt
ontheven. Indien de beslissing een wijziging van de bijzondere
voorwaarden bevat of daarbij alsnog bijzondere voorwaarden zijn
gesteld wordt de mededeling aan de veroordeelde in persoon betekend.
Artikel 14k
1.Wanneer overeenkomstig artikel 14c, tweede lid, onder 3°, een
waarborgsom is gestort, wordt deze aan de veroordeelde teruggegeven,
voor zover die som niet krachtens een rechterlijke beslissing, als
bedoeld in artikel 14g, derde lid, aan de Staat is vervallen. De
teruggave geschiedt zodra vaststaat dat zodanige beslissing niet meer
kan worden genomen, onverminderd de bevoegdheid van de rechter om, op
vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de
veroordeelde, te bevelen dat gehele of gedeeltelijke teruggave op een
eerder tijdstip zal plaats hebben.
2.In geval van een vordering of verzoek als bedoeld in het vorige
lid vinden de artikelen 14h-14j overeenkomstige toepassing.
3.De aanspraak op teruggave is niet overdraagbaar.
Artikel 14l [Vervallen per 01-01-1987]
Artikel 15
1. De veroordeelde tot vrijheidsstraf van meer dan een jaar en ten
hoogste twee jaren, wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer
de vrijheidsbeneming ten minste een jaar heeft geduurd en van het
alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf eenderde
gedeelte is ondergaan.
2. De veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee
jaren wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer hij tweederde
gedeelte daarvan heeft ondergaan.
3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien:
a. de rechter op grond van artikel 14a heeft bepaald dat een
gedeelte van de vrijheidsstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd;
b. de rechter een last als bedoeld in artikel 14g, eerste lid,
heeft gegeven.
4. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt de
tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de
uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie in
het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering is
doorgebracht onder de termijn begrepen, tenzij die tijd, met
toepassing van artikel 68, eerste lid, laatste volzin, van het Wetboek
van Strafvordering, reeds in mindering is gebracht op een andere straf
die de veroordeelde heeft ondergaan.
5. Indien de veroordeelde meer dan één vrijheidsstraf heeft te
ondergaan, worden deze zo enigszins mogelijk aaneensluitend ten
uitvoer gelegd. In dat geval worden geheel onvoorwaardelijk ten
uitvoer te leggen vrijheidsstraffen gezamenlijk, met uitzondering van
vervangende hechtenis, als één vrijheidsstraf aangemerkt, waarop dit
artikel en de artikelen 15a tot en met 15l van toepassing zijn.
6. De artikelen 570 en 570a van het Wetboek van Strafvordering zijn
van toepassing.
Artikel 15a
1.De voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt onder de algemene
voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd
niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
2.Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen daarnaast
bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde
worden gesteld.
3.De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden deelname aan
programmatische activiteiten gericht op terugkeer in de maatschappij
of het ondergaan van bijzondere zorg, zoals verslavingszorg of
geestelijke gezondheidszorg. De bijzondere voorwaarden kunnen tevens
beperkingen betreffende het gedrag en de bewegingsvrijheid van de
veroordeelde omvatten. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch
toezicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel w, van de Penitentiaire
beginselenwet worden verbonden.
4.De bijzondere voorwaarden mogen de vrijheid van de veroordeelde
zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige
vrijheid niet beperken.
5.Het openbaar ministerie neemt de beslissing omtrent het stellen
van bijzondere voorwaarden.
6.De directeur van de penitentiaire inrichting adviseert omtrent de
te stellen bijzondere voorwaarden. De reclassering kan adviseren
omtrent de te stellen bijzondere voorwaarden.
7.Het openbaar ministerie kan de gestelde bijzondere voorwaarden
aanvullen, wijzigen of opheffen. Zodanige wijziging wordt de
veroordeelde terstond schriftelijk medegedeeld.
8.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de totstandkoming van de beslissing,
bedoeld in het vijfde en het zevende lid.
Artikel 15b
1.Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden is het
openbaar ministerie belast.
2.Het openbaar ministerie kan een reclasseringsinstelling als
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Reclasseringsregeling 1995
opdracht geven de veroordeelde begeleiding te bieden bij en toezicht
te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden. Indien een
voorwaarde niet wordt nageleefd, doet de reclasseringsinstelling
daarvan onverwijld melding aan het openbaar ministerie.
3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent het uit te oefenen toezicht.
Artikel 15c
1.De proeftijd gaat in op de dag van de voorwaardelijke
invrijheidstelling.
2.De proeftijd van de algemene voorwaarde is gelijk aan de periode
waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, maar
bedraagt ten minste een jaar.
3.De proeftijd van een bijzondere voorwaarde wordt door het
openbaar ministerie vastgesteld, maar is ten hoogste gelijk aan de
periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
4.De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde
rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
Artikel 15d
1. Voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden uitgesteld of
achterwege blijven indien:
a. de veroordeelde op grond van de gebrekkige ontwikkeling of
ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens is geplaatst in een
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden en zijn
verpleging voortzetting behoeft;
b. is gebleken dat de veroordeelde zich na de aanvang van de
tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen, welke
misdraging kan blijken uit:
1°. ernstige bezwaren of een veroordeling terzake van een
misdrijf;
2°. gedrag dat tijdens de tenuitvoerlegging van de straf
meermalen heeft geleid tot het opleggen van een disciplinaire
straf;
c. de veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van
zijn straf zich hieraan onttrekt of hiertoe een poging doet;
d. door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor
misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt dan wel indien de
veroordeelde zich niet bereid verklaart de voorwaarden na te
leven;
e. de vrijheidsstraf die ten uitvoer wordt gelegd, voortvloeit
uit een onherroepelijke veroordeling door een buitenlandse rechter
en de tenuitvoerlegging overeenkomstig het toepasselijke verdrag
is overgenomen, voorzover de mogelijkheid van uitstel of
achterwege blijven van voorwaardelijke invrijheidstelling de
instemming van de buitenlandse autoriteit met de overbrenging
heeft bevorderd.
2. Voorwaardelijke invrijheidstelling kan tevens worden uitgesteld
of achterwege blijven, indien de feiten of omstandigheden als genoemd
in het eerste lid, onder b, c of d, zich hebben voorgedaan gedurende
de periode die ingevolge artikel 27, eerste lid, op de vrijheidsstraf
in mindering wordt gebracht.
3. Indien Onze Minister van Justitie van oordeel is dat er op een
van de gronden, genoemd in het eerste lid, reden is de voorwaardelijke
invrijheidstelling met een bepaalde termijn uit te stellen of
achterwege te laten, verzoekt hij het openbaar ministerie om een
daartoe strekkende vordering in te dienen.
4. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat er op een van
de gronden, genoemd in het eerste lid, reden is de voorwaardelijke
invrijheidstelling met een bepaalde termijn uit te stellen of
achterwege te laten, richt het onverwijld een daartoe strekkende
schriftelijke vordering tot de rechtbank die in eerste aanleg heeft
kennisgenomen van het strafbare feit terzake waarvan de straf die ten
uitvoer wordt gelegd, is opgelegd. De vordering bevat de grond waarop
zij berust. Een afschrift van de vordering wordt toegezonden aan de
veroordeelde.
5. In de gevallen, bedoeld in artikel 15, vijfde lid, is tot
kennisneming van de vordering bevoegd de rechtbank die in eerste
aanleg heeft geoordeeld terzake van het feit waarvoor de langste
onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd. Bij straffen van gelijke
lengte zijn rechtbanken gelijkelijk bevoegd. In het geval van de
tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing is tot
kennisneming van de vordering bevoegd de rechtbank die het verlof tot
tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet
overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen heeft verleend, dan wel de
rechtbank in het arrondissement waar op grond van artikel 43, vijfde
lid, van die wet de tenuitvoerlegging is gelast.
6. De vordering, bedoeld in het vierde lid, dient uiterlijk dertig
dagen vóór het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling te
zijn ontvangen op de griffie van de rechtbank. Het openbaar ministerie
is in een later ingediende vordering ontvankelijk indien het
aannemelijk maakt dat een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid
zich eerst nadien heeft voorgedaan.
7. De voorwaardelijke invrijheidstelling kan telkens opnieuw met
een bepaalde termijn worden uitgesteld dan wel, nadat zij is
uitgesteld, achterwege blijven. Het derde tot en met zesde lid zijn
van toepassing.
Artikel 15e
1. Bij de vordering, bedoeld in artikel 15d, vierde lid, zendt het
openbaar ministerie de daarop betrekking hebbende stukken aan de
rechtbank toe. De voorzitter van de rechtbank bepaalt daarop
onverwijld een dag voor het onderzoek van de zaak, tenzij hij
vaststelt dat het openbaar ministerie in zijn vordering niet kan
worden ontvangen.
2. Hangende de beslissing van de rechtbank wordt de veroordeelde
niet voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
3. Indien niet blijkt dat de veroordeelde een raadsman heeft, geeft
de voorzitter op verzoek van de veroordeelde aan het bestuur van de
raad voor rechtsbijstand last tot toevoeging van een raadsman. De
veroordeelde en zijn raadsman kunnen voor de aanvang van het onderzoek
van de stukken kennis nemen. Artikel 34 van het Wetboek van
Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
4. Zowel het openbaar ministerie als de veroordeelde is bevoegd
getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen
oproepen om bij het onderzoek tegenwoordig te zijn. De artikelen 260
en 263 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
5. De zaak kan worden behandeld en beslist door een enkelvoudige
kamer van de rechtbank. Het onderzoek van de zaak vindt plaats ter
openbare terechtzitting. De veroordeelde wordt in de gelegenheid
gesteld bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn en zich
door een raadsman te doen bijstaan. Het openbaar ministerie is bij het
onderzoek aanwezig en wordt ter zake gehoord. Gedurende het onderzoek
kan het openbaar ministerie zijn ingediende vordering wijzigen.
6. De artikelen 268, tweede en derde lid, 269 tot en met 277, 278,
tweede lid, 279, 281, 284, eerste lid, 286, 287, tweede en derde lid,
288 tot en met 311, 315, 316, 318, 319, 320, eerste en tweede lid,
321, 322, 324, 326 tot en met 331, 345, eerste en derde lid, en 346
van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
7. De in het zesde lid genoemde artikelen vinden geen toepassing
voorzover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet
of slechts ten dele blijkt.
Artikel 15f
1.Indien de rechtbank de vordering van het openbaar ministerie,
bedoeld in artikel 15d, vierde lid, toewijst, bepaalt hij dat de
veroordeelde op het in de vordering aangegeven tijdstip in vrijheid
zal worden gesteld.
2.Indien de rechtbank de vordering geheel of gedeeltelijk afwijst,
bepaalt hij op welk tijdstip de veroordeelde voorwaardelijk in
vrijheid zal worden gesteld.
3.De rechtbank kan in zijn beslissing omtrent de vordering
adviseren omtrent aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te
verbinden bijzondere voorwaarden.
4.De beslissing van de rechtbank omtrent de vordering is met
redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Het openbaar
ministerie stelt de veroordeelde onverwijld schriftelijk in kennis van
de beslissing van de rechtbank.
5.Tegen de beslissing van de rechtbank staat geen rechtsmiddel
open.
Artikel 15g
1.Voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden herroepen indien de
veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd.
2.De voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk
worden herroepen. Indien de voorwaardelijke invrijheidstelling
gedeeltelijk is herroepen, wordt de veroordeelde, nadat hij het alsnog
ten uitvoer te leggen gedeelte van de vrijheidsstraf heeft ondergaan,
opnieuw voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
Artikel 15h
1. Indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een
veroordeelde die voorwaardelijk in vrijheid is gesteld zich zodanig
heeft gedragen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden
herroepen, kan zijn aanhouding worden bevolen door het openbaar
ministerie.
2. Het openbaar ministerie dient indien het de aanhouding
noodzakelijk blijft vinden, naast de vordering, bedoeld in artikel
15i, tweede lid, onverwijld een vordering tot schorsing van de
voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de rechter-commissaris.
3. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur
na aanhouding. Hangende de beslissing van de rechter-commissaris wordt
de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
4. De veroordeelde wordt door de rechter-commissaris gehoord. De
artikelen 40 en 191 van het Wetboek van Strafvordering zijn van
overeenkomstige toepassing. De raadsman is bevoegd bij het onderzoek
tegenwoordig te zijn en van de daarop betrekking hebbende stukken
kennis te nemen.
5. Indien de rechter-commissaris de vordering van het openbaar
ministerie toewijst, beveelt hij de schorsing van de voorwaardelijke
invrijheidstelling. Indien hij de vordering afwijst, beveelt hij de
hervatting van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de
veroordeelde.
6. Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde onverwijld
schriftelijk in kennis van de beslissing van de rechter-commissaris.
7. De termijn van de schorsing eindigt van rechtswege met ingang
van het tijdstip waarop de duur van de vrijheidsbeneming gelijk wordt
aan de duur van de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling
is verleend.
8. Het bevel tot schorsing van de voorwaardelijke
invrijheidstelling kan door de rechtbank worden opgeheven. Zij kan dit
ambtshalve doen, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van
het openbaar ministerie.
Artikel 15i
1. Indien Onze Minister van Justitie van oordeel is dat de
veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd en gehele of
gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling
geboden is, verzoekt hij het openbaar ministerie om een daartoe
strekkende vordering in te dienen.
2. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat de
veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd en herroeping van de
voorwaardelijke invrijheidstelling geboden is, dient het onverwijld
een daartoe strekkende schriftelijke vordering in bij de rechtbank. De
vordering bevat de grond waarop zij berust.
3. Tot kennisneming van de vordering is bevoegd de rechtbank die in
eerste aanleg heeft kennisgenomen van het strafbare feit terzake
waarvan de straf die ten uitvoer wordt gelegd, is opgelegd. Indien de
veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit begaan voor het
einde van de proeftijd en de vordering strekt tot herroeping van de
voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met dat strafbare feit
is bevoegd de rechtbank die bevoegd is tot kennisneming van het
strafbare feit. De vordering wordt ingediend door het openbaar
ministerie dat is belast met de vervolging van het strafbare feit en
kan bij gelegenheid van een veroordeling terzake van dat strafbare
feit worden toegewezen.
4. In de gevallen, bedoeld in artikel 15, vijfde lid, is tot
kennisneming van de vordering bevoegd de rechtbank die in eerste
aanleg heeft geoordeeld terzake van het feit waarvoor de langste
onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd. Bij straffen van gelijke
lengte zijn rechtbanken gelijkelijk bevoegd. In het geval van de
tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing is tot
kennisneming van de vordering bevoegd de rechtbank die het verlof tot
tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet
overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen heeft verleend, dan wel de
rechtbank in het arrondissement waar op grond van artikel 43, vijfde
lid, van die wet de tenuitvoerlegging is gelast.
5. Bij de vordering zendt het openbaar ministerie de daarop
betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toe. De voorzitter van de
rechtbank bepaalt daarop onverwijld een dag voor het onderzoek van de
zaak, tenzij hij vaststelt dat het openbaar ministerie in zijn
vordering niet kan worden ontvangen. In het geval bedoeld in het derde
lid, tweede volzin, geschiedt de behandeling van de zaak gelijktijdig
met de behandeling van het strafbare feit waarvoor de veroordeelde
wordt vervolgd.
6. Het openbaar ministerie doet de veroordeelde en indien artikel
15b, tweede lid, is toegepast, degene die met begeleiding en toezicht
is belast, tot bijwoning van de zitting oproepen onder betekening van
de vordering aan de veroordeelde.
7. In de gevallen waarin de behandeling van de zaak niet
gelijktijdig geschiedt met de behandeling van een feit waarvoor de
veroordeelde wordt vervolgd, is artikel 15e, derde tot en met zevende
lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15j
1. Indien de vordering van het openbaar ministerie, bedoeld in
artikel 15i, tweede lid, wordt toegewezen, gelast de rechtbank dat het
gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de
regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is
gelegd, alsnog geheel of gedeeltelijk moet worden ondergaan. De
rechtbank kan in zijn beslissing omtrent de vordering adviseren
omtrent aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden
bijzondere voorwaarden.
2. In het geval dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt
herroepen nadat zij is geschorst, wordt de tenuitvoerlegging van de
vrijheidsstraf geacht te zijn hervat op de dag van de aanhouding,
bedoeld in artikel 15h, eerste lid.
3. De beslissing van de rechtbank omtrent de vordering is met
redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Het openbaar
ministerie stelt de veroordeelde onverwijld in kennis van de
beslissing van de rechtbank.
4. Tegen de beslissing van de rechtbank over de vordering tot
herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling staat, voor zover
zij geen deel uitmaakt van uitspraken terzake van andere strafbare
feiten, geen rechtsmiddel open. De rechter die in hoger beroep of
beroep in cassatie kennisneemt van een vordering tot herroeping van de
voorwaardelijke invrijheidstelling, heeft gelijke bevoegdheid als in
het eerste lid en in artikel 15h, achtste lid, aan de rechtbank is
toegekend.
Artikel 15k
In de gevallen waarin een vordering tot herroeping van de
voorwaardelijke invrijheidstelling wordt afgewezen of het openbaar
ministerie in zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, kan het
gerecht in feitelijke aanleg dat als laatste over de vordering heeft
geoordeeld op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste
van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge
van vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 15h, vijfde lid.
De artikelen 89, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, en zesde lid, 90
en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 15l
1.In afwijking van artikel 15, eerste en tweede lid, kan Onze
Minister van Justitie bepalen dat voor een bepaalde periode en voor
bepaalde categorieën gedetineerden de voorwaardelijke
invrijheidstelling op een eerder tijdstip kan plaatsvinden in verband
met een tekort aan plaatsen voor de tenuitvoerlegging van
vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen in penitentiaire
inrichtingen.
2.Indien Onze Minister van Justitie toepassing geeft aan het eerste
lid, wordt daarvan mededeling gedaan in de Staatscourant. Van de
plaatsing in de Staatscourant wordt onverwijld mededeling gedaan aan
de beide kamers der Staten-Generaal.
3.Indien Onze Minister van Justitie toepassing geeft aan het eerste
lid, wordt het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling met
niet meer dan drie maanden vervroegd.
4.De periode, bedoeld in het eerste lid, is niet langer dan zes
maanden. De toepassing van het eerste lid kan door Onze Minister van
Justitie te allen tijde worden beëindigd. Indien Onze Minister van
Justitie voortzetting van de toepassing van het eerste lid
noodzakelijk acht, kan de periode worden verlengd met zes maanden. Het
tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
Voorschriften tot nadere regeling van het verlenen van hulp en steun
aan veroordeelden worden vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur.
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-1987]
Artikel 17a [Vervallen per 01-06-1953]
Artikel 18
1.De duur van de hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste een
jaar.
2.Zij kan voor ten hoogste een jaar en vier maanden worden opgelegd
in de gevallen waarin wegens strafverhoging ter zake van samenloop,
herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 44, de tijd van een
jaar wordt overschreden.
3.Zij kan in geen geval de tijd van een jaar en vier maanden te
boven gaan.
Artikel 19
Artikel 13 is op de tot hechtenis of vervangende hechtenis
veroordeelde van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 21
De duur van de tijdelijke gevangenisstraf en de hechtenis wordt in de
rechterlijke uitspraak aangewezen in dagen, weken, maanden en jaren,
niet in gedeelten daarvan.
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 22a
Het hoofd van het Departement van Justitie is bevoegd in bijzondere
omstandigheden in het belang van de veiligheid van de staat te bepalen,
dat vrijheidsstraffen buiten het Rijk in Europa ten uitvoer worden
gelegd.
Artikel 22b [Vervallen per 01-02-2001]
Artikel 22c
1.Het vonnis dan wel de strafbeschikking vermeldt of de taakstraf
bestaat uit een werkstraf, een leerstraf of een combinatie van beide,
alsmede het aantal uren dat de straf zal duren. Het vonnis dan wel de
strafbeschikking kan de aard van de te verrichten werkzaamheden of het
te volgen leerproject vermelden.
2.Het aantal uren dat de taakstraf duurt bedraagt ten hoogste
vierhonderdentachtig, waarvan niet meer dan tweehonderdenveertig uren
werkstraf.
3.De termijn binnen welke de taakstraf moet worden voltooid
bedraagt een jaar na het onherroepelijk worden van het vonnis, dan wel
zes maanden na het onherroepelijk worden van de strafbeschikking. Het
openbaar ministerie kan ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde
deze termijn eenmaal met eenzelfde termijn verlengen. Het zendt
hiervan zo spoedig mogelijk een kennisgeving aan de veroordeelde.
4.De termijn binnen welke de taakstraf moet worden verricht wordt
verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is
ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.
Artikel 22d
1.In het vonnis waarbij taakstraf wordt opgelegd, beveelt de
rechter, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar
behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast.
2.De duur van de vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken
of maanden vastgesteld.
3.De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten
hoogste acht maanden. Voor elke twee uren van de taakstraf wordt niet
meer dan één dag opgelegd.
4.Wanneer een gedeelte van de te verrichten taakstraf is voldaan,
vermindert de duur van de vervangende hechtenis naar evenredigheid.
Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag
vervangende hechtenis zou moeten worden ondergaan, dan vindt afronding
naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.
Artikel 22e
Over de wijze waarop de taakstraf wordt of is verricht, kan het
openbaar ministerie, naar regelen te stellen bij algemene maatregel van
bestuur, inlichtingen inwinnen bij lichamen en personen die werkzaam
zijn op het gebied van de reclassering. Artikel 147 van het Wetboek van
Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22f
1.Het openbaar ministerie kan de opgelegde straf wijzigen voor wat
betreft de aard van de te verrichten werkzaamheden of het te volgen
leerproject, bedoeld in artikel 22c, eerste lid, tweede volzin, indien
het van oordeel is dat de veroordeelde de taakstraf niet geheel
overeenkomstig de opgelegde straf kan of heeft kunnen verrichten. Het
openbaar ministerie benadert daarbij zo veel mogelijk de opgelegde
straf. Het openbaar ministerie geeft hiervan kennis aan de
veroordeelde.
2.Het openbaar ministerie doet deze kennisgeving zo spoedig
mogelijk aan de veroordeelde betekenen. De kennisgeving behelst het
aantal uren taakstraf dat naar het oordeel van het openbaar ministerie
is verricht, alsmede de straf zoals deze voor het overige nader is
vastgesteld.
3.Tegen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, kan de
veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening daarvan een
bezwaarschrift indienen bij de rechter die de straf oplegde. De
rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie wijzigen. Het
eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22g
1.Indien de door de rechter tot een taakstraf veroordeelde niet
aanvangt met de taakstraf of het openbaar ministerie van oordeel is
dat de veroordeelde de opgelegde taakstraf niet naar behoren verricht
of heeft verricht, kan het openbaar ministerie de tenuitvoerlegging
van de vervangende hechtenis bevelen. Het openbaar ministerie geeft
hiervan kennis aan de veroordeelde.
2.Het openbaar ministerie doet deze kennisgeving zo spoedig
mogelijk aan de veroordeelde betekenen. De kennisgeving behelst het
aantal uren taakstraf dat naar het oordeel van het openbaar ministerie
is verricht, alsmede het aantal dagen vervangende hechtenis.
3.Tegen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, kan de
veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening daarvan een
bezwaarschrift indienen bij de rechter die de straf oplegde. De
rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie wijzigen.
Artikel 22h
Op de behandeling van het bezwaarschrift als bedoeld in artikel 22f,
derde lid, en artikel 22g, derde lid, zijn de artikelen 14h, met
uitzondering van de eerste volzin van het eerste lid, 14i en 14j van dit
wetboek en artikel 449, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22i
Het openbaar ministerie kan een beslissing als bedoeld in artikel
22f, eerste lid, of artikel 22g, eerste lid, slechts nemen gedurende de
termijn waarbinnen de taakstraf dient te zijn voltooid, genoemd in
artikel 22c, derde lid, of binnen drie maanden na afloop van deze
termijn.
Artikel 22j
Indien naar het oordeel van het openbaar ministerie de opgelegde taak
naar behoren is verricht, stelt het zo spoedig mogelijk de veroordeelde
hiervan in kennis.
Artikel 22k
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld over de inhoud van de taakstraf, de tenuitvoerlegging van de
taakstraf en de rechten en plichten van de tot een taakstraf
veroordeelde.
Artikel 23
1. Hij die tot een geldboete is veroordeeld is verplicht tot
betaling van het vastgestelde bedrag aan de staat binnen de termijn
door het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van de
strafbeschikking of het vonnis of arrest is belast, te stellen.
2. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 3.
3. De geldboete die voor een strafbaar feit ten hoogste kan worden
opgelegd, is gelijk aan het bedrag van de categorie die voor dat feit
is bepaald.
4. Er zijn zes categorieën:
de eerste categorie, € 335 [Red: Per 1 januari 2010: € 380.] ;
de tweede categorie, € 3 350 [Red: Per 1 januari 2010: € 3
800.] ;
de derde categorie, € 6 700 [Red: Per 1 januari 2010: € 7 600.]
;
de vierde categorie, € 16 750 [Red: Per 1 januari 2010: € 19
000.] ;
de vijfde categorie, € 67 000 [Red: Per 1 januari 2010: € 76
000.] ;
de zesde categorie, € 670 000 [Red: Per 1 januari 2010: € 760
000.] .
5. Voor een overtreding, onderscheidenlijk een misdrijf, waarop
geen geldboete is gesteld, kan een geldboete worden opgelegd tot ten
hoogste het bedrag van de eerste, onderscheidenlijk de derde
categorie.
6. Voor een overtreding, onderscheidenlijk een misdrijf, waarop een
geldboete is gesteld, maar waarvoor geen boetecategorie is bepaald,
kan een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de
eerste, onderscheidenlijk de derde categorie, indien dit bedrag hoger
is dan het bedrag van de op het betrokken strafbare feit gestelde
geldboete.
7. Bij veroordeling van een rechtspersoon kan, indien de voor het
feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een
geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de naast
hogere categorie.
8. Het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing bij
veroordeling van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid,
maatschap, rederij of doelvermogen.
9. De in het vierde lid genoemde bedragen worden elke twee jaar,
met ingang van 1 januari van een jaar, bij algemene maatregel van
bestuur aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex
sinds de vorige aanpassing van deze bedragen. Bij deze aanpassing
wordt het geldbedrag van de eerste categorie op een veelvoud van € 5
naar beneden afgerond en worden, uitgaande van het geldbedrag van deze
eerste categorie en onder instandhouding van de onderlinge verhouding
tussen de bedragen van de geldboetecategorieën, de bedragen van de
tweede tot en met de zesde geldboetecategorie bepaald.
Artikel 24
Bij de vaststelling van de geldboete wordt rekening gehouden met de
draagkracht van de verdachte in de mate waarin dat nodig is met het oog
op een passende bestraffing van de verdachte zonder dat deze in zijn
inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen.
Artikel 24a
1.Indien een of meer geldboeten worden opgelegd tot een bedrag van
ten minste € 225, kan in de uitspraak dan wel de strafbeschikking
worden bepaald dat degene aan wie de geldboete is opgelegd het bedrag
in gedeelten mag voldoen. Elk van die gedeelten wordt daarbij op ten
minste € 45 bepaald.
2.In geval van toepassing van het eerste lid worden in de uitspraak
of strafbeschikking tevens termijnen vastgesteld voor de betaling van
het tweede en - zo de geldboete in meer gedeelten mag worden voldaan -
de volgende gedeelten.
3.Deze termijnen worden op ten minste één en ten hoogste drie
maanden gesteld. Zij mogen in het geval van een uitspraak tezamen een
tijdvak van twee jaar niet overschrijden; in het geval van een
strafbeschikking mogen zij een tijdvak van een jaar niet
overschrijden.
Artikel 24b
1.Wanneer een ingevolge een voor tenuitvoerlegging vatbare
geldboete te betalen bedrag binnen de daarvoor gestelde termijn niet
in zijn geheel is voldaan, wordt de veroordeelde door het openbaar
ministerie schriftelijk tot betaling aangemaand. Het bedrag wordt
daarbij, in het geval de rechterlijke veroordeling of strafbeschikking
onherroepelijk is, van rechtswege verhoogd met € 15. Het openbaar
ministerie wijst de veroordeelde op het bepaalde in het tweede lid.
2.Is het overeenkomstig het eerste lid verhoogde bedrag na verloop
van de bij de aanmaning gestelde termijn geheel of ten dele onbetaald
gebleven, dan wordt het bedrag, dan wel het nog verschuldigde gedeelte
daarvan, van rechtswege verder verhoogd met een vijfde, doch ten
minste met € 30.
3.Een geldboete die overeenkomstig artikel 24a in gedeelten mag
worden voldaan, of ten aanzien waarvan het openbaar ministerie
betaling in termijnen heeft toegestaan, is onmiddellijk in haar geheel
opeisbaar, zodra een verhoging krachtens het eerste lid is ingetreden.
4.In gevallen waarin het openbaar ministerie, nadat de veroordeelde
reeds in verzuim was, alsnog uitstel van betaling heeft verleend, dan
wel afbetaling heeft toegestaan, vinden de voorgaande leden van dit
artikel geen toepassing, zolang de veroordeelde zijn verplichtingen
volgens de getroffen nadere regeling nakomt.
5.Betalingen door de veroordeelde gedaan, worden geacht in de
eerste plaats tot voldoening van de krachtens het eerste en tweede lid
ingetreden verhogingen te strekken.
Artikel 24c
1.Bij de uitspraak waarbij geldboete wordt opgelegd, beveelt de
rechter voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig
verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis
zal worden toegepast. Indien de veroordeelde een rechtspersoon is,
blijft dit bevel achterwege. Artikel 51, laatste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2.De duur van de vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken
of maanden vastgesteld.
3.De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten
hoogste een jaar. Voor elke volle € 25 van de geldboete wordt niet
meer dan één dag opgelegd.
4.Wanneer een gedeelte van het verschuldigde bedrag is voldaan,
vermindert de duur van de vervangende hechtenis naar evenredigheid.
Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag
vervangende hechtenis zou moeten worden ondergaan, dan vindt afronding
naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.
5.Het vorige lid is ook van toepassing in gevallen waarin de
betaling geschiedt nadat reeds een deel van de vervangende hechtenis
ten uitvoer is gelegd.
6.Indien ter zake van het strafbare feit waarvoor de vervangende
hechtenis wordt bepaald of ten uitvoer gelegd tevens gijzeling is
toegepast, wordt de tijd die in gijzeling is doorgebracht in mindering
gebracht op de vervangende hechtenis.
Artikel 24d [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 24e [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 26
De gevangenisstraf en de hechtenis gaan, voor zover elk van deze
straffen betreft, in:
a. ten aanzien van veroordeelden die zich in voorlopige hechtenis
bevinden ter zake van het feit waarvoor zij veroordeeld zijn, op de
dag waarop de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is
gegaan;
b. ten aanzien van andere veroordeelden, op de dag van de
tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak.
Artikel 27
1.Bij het opleggen van tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of
taakstraf beveelt de rechter, dat de tijd die door de veroordeelde
vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in
voorlopige hechtenis, in gijzeling ingevolge artikel 578b van het
Wetboek van Strafvordering, in een psychiatrisch ziekenhuis of een
inrichting voor klinische observatie bestemd ingevolge een bevel tot
observatie of in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands
verzoek om uitlevering of om overlevering is doorgebracht, bij de
uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Indien hij dit bevel geeft terzake van een taakstraf, bepaalt hij in
zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden. Het
vorenstaande blijft buiten toepassing voor zover die tijd reeds met
toepassing van artikel 68, eerste lid, laatste volzin, van het Wetboek
van Strafvordering in mindering is gebracht op een andere
vrijheidsstraf die de veroordeelde heeft ondergaan.
2.Bij het berekenen van de in mindering te brengen tijd geldt de
eerste dag van de verzekering als een volle dag en blijft de dag
waarop zij is geëindigd buiten beschouwing.
3.De rechter kan een overeenkomstig bevel geven bij het opleggen
van geldboete. Indien hij dit bevel geeft, bepaalt hij in zijn
uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.
4.De voorgaande leden van dit artikel zijn ook van toepassing in
gevallen waarin, bij gelijktijdige vervolging wegens twee of meer
feiten, de veroordeling wordt uitgesproken ter zake van een ander feit
dan dat waarvoor de verzekering , de voorlopige hechtenis of de
gijzeling ingevolge artikel 578b van het Wetboek van Strafvordering is
bevolen.
Artikel 27a
De tijd die door de tot gevangenisstraf of hechtenis veroordeelde in
het buitenland in detentie is doorgebracht ingevolge een Nederlands
verzoek om uitlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging of verdere
tenuitvoerlegging van deze straf, komt daarop in mindering.
Artikel 27bis [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 27ter [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 27quater [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 28
1.De rechten waarvan de schuldige, in de bij de wet bepaalde
gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:
1°. het bekleden van ambten of van bepaalde ambten;
2°. het dienen bij de gewapende macht;
3°. het recht de leden van algemeen vertegenwoordigende
organen te verkiezen en tot lid van deze organen te worden
verkozen;
4°. het zijn van raadsman of gerechtelijk bewindvoerder;
5°. de uitoefening van bepaalde beroepen.
2.Ontzetting van leden van de rechterlijke macht die, hetzij voor
hun leven, hetzij voor een bepaalde tijd, zijn aangesteld, of van
andere voor hun leven aangestelde ambtenaren, geschiedt, ten opzichte
van het ambt waartoe zij aldus zijn aangesteld, alleen in de gevallen
en op de wijze bij de wet bepaald.
3.Ontzetting van het recht bedoeld in het eerste lid, onder 3°,
kan alleen worden uitgesproken bij veroordeling tot gevangenisstraf
van ten minste een jaar.
Artikel 29
Ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleden en
bij de gewapende macht te dienen kan, behalve in de gevallen in het
Tweede Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeling wegens enig
ambtsmisdrijf of wegens enig misdrijf waardoor de schuldige een
bijzondere ambtsplicht schond of waarbij hij gebruik maakte van macht,
gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.
Artikel 30 [Vervallen per 01-12-1905]
Artikel 31
1.Wanneer ontzetting van rechten wordt uitgesproken, bepaalt de
rechter de duur als volgt:
1°. bij veroordeling tot levenslange gevangenisstraf, voor het
leven;
2°. bij veroordeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot
hechtenis, voor een tijd de duur van de hoofdstraf ten minste twee
en ten hoogste vijf jaren te boven gaande;
3°. bij veroordeling tot geldboete, voor een tijd van ten
minste twee en ten hoogste vijf jaren;
4°. bij afzonderlijke oplegging, voor een tijd van ten minste
twee en ten hoogste vijf jaren.
2.De ontzetting van het recht vermeld in artikel 28, eerste lid,
onder 3°, gaat in op de dag dat de veroordeling daartoe
onherroepelijk is geworden. De ontzetting van een van de andere in
artikel 28, eerste lid, vermelde rechten gaat in op de dag waarop de
rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd.
Artikel 32 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 33
1.Verbeurdverklaring kan worden uitgesproken bij veroordeling
wegens enig strafbaar feit.
2.Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33a
1.Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij
geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of
grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen;
b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;
c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of
voorbereid;
d. voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het
misdrijf is belemmerd;
e. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn
vervaardigd of bestemd;
f. zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van
de onder a tot en met e bedoelde voorwerpen.
2.Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e die
niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden
verklaard indien:
a. degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging
door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de
bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat
gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, of
b. niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.
3.Rechten als bedoeld in het eerste lid, onder f, die niet aan de
veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien
degene aan wie zij toebehoren bekend was met de verkrijging van de
voorwerpen waarop of ten aanzien waarvan deze rechten bestaan, door
middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in
verband daarmede, danwel die verkrijging, dat gebruik of die
bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden.
4.Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle
vermogensrechten.
Artikel 33b
In de verbeurdverklaring van een voorwerp is begrepen die van de
verpakking waarin het zich bevindt, tenzij de rechter het tegendeel
bepaalt.
Artikel 33c
1.Bij de verbeurdverklaring van voorwerpen kan de rechter voor het
geval waarin de verbeurd verklaarde voorwerpen meer zouden opbrengen
dan een in de uitspraak vastgesteld bedrag, bevelen dat het verschil
wordt vergoed.
2.De rechter kent een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, of
een geldelijke tegemoetkoming toe wanneer dit nodig is om te voorkomen
dat de verdachte, of een ander aan wie de verbeurd verklaarde
voorwerpen toebehoren, onevenredig zou worden getroffen.
3.De rechter bepaalt aan wie het bedrag van de vergoeding of
tegemoetkoming wordt uitbetaald; zulks laat ieders recht op dit bedrag
onverlet.
Artikel 34
1.Niet in beslag genomen voorwerpen worden, bij verbeurdverklaring,
in de uitspraak op een bepaald geldelijk bedrag geschat.
2.De voorwerpen moeten in dit geval worden uitgeleverd of de
geschatte waarde moet worden betaald.
3.De artikelen 24b, 24c en 25 vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 35
1.De kosten van gevangenisstraf en hechtenis komen, voor zover niet
bij of krachtens enige wet anders is bepaald, ten laste van de Staat.
2.Al hetgeen wordt verkregen uit geldboeten en verbeurdverklaringen
komt ten bate van de Staat.
Artikel 36
1.In de gevallen waarin de rechter krachtens de wet de
openbaarmaking van zijn uitspraak gelast, bepaalt hij tevens de wijze
waarop aan die last uitvoering wordt gegeven.
2.De kosten van openbaarmaking worden in de uitspraak op een
bepaald bedrag geschat.
3.De artikelen 24b, 24c en 25 vinden overeenkomstige toepassing.
Titel IIA. Maatregelen
Eerste afdeling. Onttrekking aan het verkeer, ontneming van het
wederrechtelijk verkregen voordeel en schadevergoeding
Artikel 36a
Alle kosten van tenuitvoerlegging van de in deze afdeling bedoelde
maatregelen - met uitzondering van de kosten van het verhaal, de
invorderingskosten daaronder begrepen, - komen ten laste, al hetgeen
door die tenuitvoerlegging wordt verkregen, komt ten bate van de staat,
met uitzondering van hetgeen door de tenuitvoerlegging van de maatregel,
genoemd in artikel 36f, wordt verkregen.
Artikel 36b
1.Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan
worden opgelegd:
1°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een
strafbaar feit wordt veroordeeld;
2°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij overeenkomstig
artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd;
3°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande
vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld
dat een strafbaar feit is begaan;
4°. bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op
vordering van het openbaar ministerie;
5°. bij een strafbeschikking.
2.De artikelen 33b en 33c, tweede en derde lid, alsmede artikel 446
van het Wetboek van Strafvordering, zijn van overeenkomstige
toepassing.
3.De maatregel kan te zamen met straffen en met andere maatregelen
worden opgelegd.
Artikel 36c
Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1°. die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten
van het feit zijn verkregen;
2°. met betrekking tot welke het feit is begaan;
3°. met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
4°. met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
5°. die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het
ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het
algemeen belang.
Artikel 36d
Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de
dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het
ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het
algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door
hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn
aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het
begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de
belemmering van de opsporing daarvan.
Artikel 36e
1.Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een
afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld
wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling
van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel.
2.De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid
bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit
de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten
of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden
opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem
zijn begaan.
3.Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een
afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld
wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie
kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een
strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting
worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter
ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat
onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten
er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde
wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
4.De rechter stelt het bedrag vast waarop het wederrechtelijk
verkregen voordeel wordt geschat. Onder voordeel is de besparing van
kosten begrepen. De waarde van voorwerpen die door de rechter tot het
wederrechtelijk verkregen voordeel worden gerekend, kan worden geschat
op de marktwaarde op het tijdstip van de beslissing of door verwijzing
naar de bij openbare verkoop te behalen opbrengst, indien verhaal moet
worden genomen. De rechter kan het te betalen bedrag lager vaststellen
dan het geschatte voordeel. Op het gemotiveerde verzoek van de
verdachte of veroordeelde kan de rechter, indien de huidige en de
redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de verdachte
of veroordeelde niet toereikend zullen zijn om het te betalen bedrag
te voldoen, bij de vaststelling van het te betalen bedrag daarmee
rekening houden. Bij het ontbreken van zodanig verzoek kan de rechter
ambtshalve of op vordering van de officier van justitie deze
bevoegdheid toepassen.
5.Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle
vermogensrechten.
6.Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het
wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan
benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering
gebracht.
7.Bij de oplegging van de maatregel wordt rekening gehouden met uit
hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling
van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen
voordeel.
8.Lijfsdwang kan met toepassing van artikel 577c van het Wetboek
van Strafvordering door de rechter tot maximaal drie jaar worden
bevolen en geldt als maatregel.
Artikel 36f
1.Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar
feit wordt veroordeeld dan wel jegens wie een strafbeschikking wordt
uitgevaardigd, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de
staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer. De staat
keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer.
2.De maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de
verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk
is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.
3.De maatregel kan te zamen met straffen en andere maatregelen
worden opgelegd.
4.De artikelen 24a en 24b, eerste tot en met vierde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de verhoging van
het ingevolge de maatregel verschuldigde bedrag vervalt aan de staat.
5.Betalingen door de veroordeelde aan de staat verricht, strekken
in de eerste plaats tot voldoening van de maatregel en vervolgens tot
voldoening van de krachtens het vierde lid ingetreden verhogingen.
6.De artikelen 24c en 77l, tweede tot en met zesde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de toepassing van
de vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie de verplichting
ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het
slachtoffer niet opheft.
Tweede afdeling. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis en
terbeschikkingstelling
Artikel 37
1.De rechter kan gelasten dat degene aan wie een strafbaar feit
wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn
geestvermogens niet kan worden toegerekend, in een psychiatrisch
ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van een jaar, doch
alleen indien hij gevaarlijk is voor zichzelf, voor anderen, of voor
de algemene veiligheid van personen of goederen.
2.De rechter geeft een last als bedoeld in het eerste lid slechts
nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend
advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen
van verschillende disciplines - waaronder een psychiater - die de
betrokkene hebben onderzocht. Zodanig advies dient door de
gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk
te zijn uitgebracht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de
aanvang van de terechtzitting is gedagtekend kan de rechter hiervan
slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de
verdachte.
3.Het tweede lid blijft buiten toepassing indien de betrokkene
weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van
het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk maken de
gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel ieder van hen afzonderlijk over
de reden van de weigering rapport op. De rechter doet zich zoveel
mogelijk een ander advies of rapport, dat hem over de wenselijkheid of
noodzakelijkheid van een last als bedoeld in het eerste lid kan
voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid
is om medewerking te verlenen, overleggen.
Artikel 37a
1. De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige
ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan
op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien:
1°. het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de
wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer
is gesteld dan wel behoort tot een der misdrijven omschreven in de
artikelen 132, 285, eerste lid, 285b, en 395 van het Wetboek van
Strafrecht, 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in
verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de
Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de Opiumwet, en
2°. de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid
van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.
2. Bij toepassing van het vorige lid kan de rechter afzien van het
opleggen van straf, ook indien hij bevindt dat het feit wel aan de
verdachte kan worden toegerekend.
3. Het tweede en derde lid van artikel 37 zijn van overeenkomstige
toepassing.
4. Bij het geven van een last als bedoeld in het eerste lid neemt
de rechter de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de
persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de ernst
van het begane feit of de veelvuldigheid van voorafgegane
veroordelingen wegens misdrijf in aanmerking.
Artikel 37b
1.De rechter kan bevelen dat de ter beschikking gestelde van
overheidswege wordt verpleegd, indien de veiligheid van anderen dan
wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging
eist.
2.Indien de rechter naast de maatregel van terbeschikkingstelling
met bevel tot verpleging van overheidswege een gevangenisstraf heeft
opgelegd kan de rechter in zijn uitspraak een advies opnemen omtrent
het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van
overheidswege dient aan te vangen.
Artikel 37c
1.Bij of krachtens de wet worden regels gesteld ten aanzien van de
verpleging van overheidswege en de rechtspositie van de ter
beschikking gestelden.
2.De Minister van Justitie ziet erop toe, dat de ter beschikking
gestelde die van overheidswege wordt verpleegd de nodige behandeling
krijgt. Hij kan met betrekking tot bepaalde verpleegden aan het hoofd
van de inrichting bijzondere aanwijzingen geven in het belang van de
veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of
goederen.
Artikel 37d
1.Ter beschikking gestelden kunnen worden verpleegd in door de
Minister van Justitie aangewezen:
a. particuliere inrichtingen, in beheer bij een in Nederland
gevestigde rechtspersoon;
b. rijksinrichtingen.
2.De verpleging geschiedt bij voorkeur in een particuliere
inrichting.
Artikel 37e
De kosten van de verpleging en behandeling van ter beschikking
gestelden komen, voor zover niet bij of krachtens enige wet anders is
bepaald, ten laste van de Staat.
Artikel 37f [Vervallen per 01-09-1988]
Artikel 37g [Vervallen per 01-09-1988]
Artikel 37h [Vervallen per 01-09-1988]
Artikel 37i [Vervallen per 01-09-1988]
Artikel 37j [Vervallen per 01-09-1988]
Artikel 38
1.Indien de rechter niet een bevel als bedoeld in artikel 37b
geeft, stelt hij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel
de algemene veiligheid van personen of goederen voorwaarden
betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. De rechter
geeft tevens een in de uitspraak aangewezen instelling, die aan
bepaalde, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen,
eisen voldoet opdracht de ter beschikking gestelde bij de naleving van
de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
2.Indien bij de uitspraak tevens een vrijheidsstraf wordt opgelegd,
kan deze in het in het eerste lid van dit artikel bedoelde geval ten
hoogste op drie jaar worden bepaald.
3.Een voorwaarde als bedoeld in het eerste lid kan de rechter
slechts stellen, indien de ter beschikking gestelde zich bereid heeft
verklaard tot naleving van de voorwaarde.
4.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de procedure van terbeschikkingstelling met
voorwaarden.
Artikel 38a
1.De voorwaarden bedoeld in het eerste lid van artikel 38 kunnen
inhouden dat de ter beschikking gestelde zich in een door de rechter
aangewezen inrichting laat opnemen, zich onder behandeling stelt van
een in de uitspraak aangewezen deskundige, of door de behandelend arts
voorgeschreven geneesmiddelen inneemt dan wel gedoogt dat deze door de
behandelend arts aan hem worden toegediend.
2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de eisen waaraan een door de rechter aan te
wijzen inrichting moet voldoen.
3.Het openbaar ministerie houdt, volgens regels te stellen bij
algemene maatregel van bestuur, toezicht op de naleving van de
gestelde voorwaarden.
4.De in artikel 38, eerste lid, bedoelde voorwaarden mogen de
vrijheid de godsdienst of levensovertuiging te belijden en de
staatkundige vrijheid niet beperken.
Artikel 38b
De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie of op
verzoek van de ter beschikking gestelde of diens raadsman, met
inachtneming van het bepaalde in de voorgaande artikelen van deze
afdeling:
1°. de voorwaarden aanvullen, wijzigen of opheffen;
2°. aan een andere instelling dan die welke daarmede tevoren was
belast het verlenen van hulp en steun bij de naleving van de
voorwaarden opdragen.
Artikel 38c
De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, indien een
gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd of anderszins het belang van de
veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of
goederen zulks eist bevelen dat de ter beschikking gestelde alsnog van
overheidswege zal worden verpleegd.
Artikel 38d
1.De terbeschikkingstelling geldt voor de tijd van twee jaar, te
rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij zij is
opgelegd onherroepelijk is geworden.
2.De termijn van de terbeschikkingstelling kan, behoudens het
bepaalde in artikel 38e of artikel 38j, door de rechter, op vordering
van het openbaar ministerie, telkens hetzij met een jaar hetzij met
twee jaar worden verlengd, indien de veiligheid van anderen, dan wel
de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging eist.
Een tweede verlenging is slechts mogelijk wanneer een bevel als
bedoeld in artikel 37b of artikel 38c is gegeven.
Artikel 38e
1.De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling gaat
een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de
terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van een misdrijf dat
gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van
het lichaam van een of meer personen.
2.Indien de totale duur van de terbeschikkingstelling niet in tijd
is beperkt, kan de termijn van de terbeschikkingstelling telkens
worden verlengd, wanneer de veiligheid van anderen, dan wel de
algemene veiligheid van personen die verlenging eist.
Artikel 38f
1.De termijn van de terbeschikkingstelling loopt niet:
a. gedurende de tijd dat de ter beschikking gestelde die van
overheidswege wordt verpleegd uit anderen hoofde rechtens zijn
vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige
vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;
b. gedurende de tijd dat de ter beschikking gestelde met
voorwaarden, bedoeld in artikel 38, eerste lid, rechtens zijn
vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige
vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;
c. gedurende de tijd dat de ter beschikking gestelde die van
overheidswege wordt verpleegd, langer dan een week achtereen
ongeoorloofd afwezig is uit de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden;
d. gedurende de tijd dat de ter beschikking gestelde met
voorwaarde langer dan een week achtereen ongeoorloofd afwezig is
uit de inrichting waarin hij krachtens de voorwaarde is opgenomen.
2.In afwijking van het eerste lid, onder a, loopt de termijn van de
terbeschikkingstelling wel indien de ter beschikking gestelde:
a. krachtens een last als bedoeld in artikel 13 of ingevolge
het bepaalde bij of krachtens de Penitentiaire beginselenwet in
een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden of in
een ander psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen, tenzij hij langer
dan een week ongeoorloofd afwezig is uit die inrichting of dat
ziekenhuis;
b. nadat de termijn van de terbeschikkingstelling een aanvang
heeft genomen, in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen,
tenzij hij langer dan een week ongeoorloofd afwezig is uit dat
ziekenhuis.
Artikel 38g
1.De verpleging van overheidswege kan bij de beslissing tot
verlenging van de terbeschikkingstelling voor de tijd van een jaar,
dan wel voor de tijd van twee jaren, door de rechter ambtshalve, op
vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de ter
beschikking gestelde of zijn raadsman voorwaardelijk worden
beëindigd.
2.Indien de rechter de verpleging van overheidswege op grond van
het eerste lid beëindigt, stelt hij ter bescherming van de veiligheid
van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen
voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. De
artikelen 38, eerste lid, tweede volzin en derde lid en 38a zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.De in het tweede lid, bedoelde voorwaarden mogen de vrijheid de
godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige
vrijheid niet beperken.
4.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de procedure van de voorwaardelijke beëindiging van het
bevel tot verpleging.
Artikel 38h
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 38g, eerste lid, kan, indien
het proefverlof van een ter beschikking gestelde ten minste twaalf
maanden onafgebroken heeft voortgeduurd, zonder dat in deze periode de
terbeschikkingstelling is verlengd, de rechter op vordering van het
openbaar ministerie of op verzoek van de ter beschikking gestelde of
diens raadsman de verpleging van overheidswege voorwaardelijk
beëindigen. Artikel 38g, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2.In zodanig geval beëindigt de rechter de verpleging van
overheidswege voorwaardelijk voor de duur van het gegeven bevel tot
terbeschikkingstelling.
3.De artikelen 509p, 509r, 509s, 509t, eerste en vijfde lid, en
509u bis van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 38i
De rechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie
of op verzoek van de ter beschikking gestelde of diens raadsman, met
inachtneming van het bepaalde in de voorgaande artikelen van deze
afdeling:
1°. de voorwaarden aanvullen, wijzigen of opheffen;
2°. aan een andere instelling dan die welke daarmede tevoren was
belast het verlenen van hulp en steun bij de naleving van
voorwaarden opdragen.
Artikel 38j
1.In geval van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van
overheidswege kan de terbeschikkingstelling telkens met een jaar, dan
wel met twee jaren, worden verlengd.
2.De totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de
verpleging bedraagt ten hoogste negen jaren.
3.Indien de in het tweede lid bedoelde termijn is verstreken,
zonder dat een last tot hervatting van de verpleging van overheidswege
als bedoeld in artikel 38k is gegeven, eindigt de
terbeschikkingstelling van rechtswege.
Artikel 38k
De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, een last
tot hervatting van de verpleging van overheidswege geven, indien:
1°. een gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd of
2°. het belang van de veiligheid van anderen dan wel van de
algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, of
3°. wanneer toepassing is gegeven aan artikel 38e, het belang
van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van
personen zulks eist.
Artikel 38l
1.Een terbeschikkingstelling vervalt bij het onherroepelijk worden
van een rechterlijke uitspraak waarbij dezelfde persoon wederom ter
beschikking wordt gesteld.
2.Een last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis vervalt
bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij
ten aanzien van dezelfde persoon wederom een last tot plaatsing in een
psychiatrisch ziekenhuis is gegeven.
3.Een last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis eindigt
van rechtswege bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke
uitspraak waarbij ten aanzien van dezelfde persoon een
terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege dan
wel een last tot hervatting van zodanig bevel is gegeven.
Artikel 38la
1. Onze Minister kan de terbeschikkingstelling met bevel tot
verpleging van overheidswege beëindigen ten aanzien van de
vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin
van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.
2. Toepassing van het eerste lid kan slechts geschieden ten aanzien
van een vreemdeling voor wie door Onze Minister een passende
voorziening in het land van herkomst is geregeld, gericht op in ieder
geval vermindering van de stoornis en het daarmee samenhangende
recidivegevaar en die daadwerkelijk uit Nederland is uitgezet.
3. Aan de beëindiging wordt de voorwaarde verbonden dat de
vreemdeling niet naar Nederland terugkeert.
4. Indien Onze Minister het voornemen heeft om toepassing te geven
aan het bepaalde in het eerste lid, stelt hij de veroordeelde van dit
voornemen in kennis. Onze Minister kan over het voornemen tot
toepassing van het eerste lid advies vragen aan het openbaar
ministerie. In dat geval wordt het advies gevoegd bij de kennisgeving
van het voornemen aan de veroordeelde.
5. De veroordeelde kan binnen veertien dagen na ontvangst van de
kennisgeving tegen het voornemen van Onze Minister een bezwaarschrift
indienen bij het gerecht, dat in hoogste feitelijke instantie de tot
vrijheidsbeneming strekkende sanctie heeft opgelegd. Zo spoedig
mogelijk na ontvangst van een tijdig ingediend bezwaarschrift
onderzoekt het gerecht of Onze Minister bij afweging van de betrokken
belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing kan komen. De
veroordeelde wordt bij het onderzoek gehoord, althans opgeroepen.
Indien niet blijkt dat de veroordeelde reeds een raadsman heeft, geeft
de voorzitter aan het bureau rechtsbijstandvoorziening last tot
toevoeging van een raadsman. De artikelen 21 tot en met 25 van het
Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. Van
zijn beslissing stelt het gerecht Onze Minister en de veroordeelde
schriftelijk in kennis.
6. De terbeschikkingstelling herleeft, indien de vreemdeling de
voorwaarde, bedoeld in het derde lid, niet naleeft. In dat geval kan
de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, een last tot
hervatting van de verpleging van overheidswege geven. De termijn van
de terbeschikkingstelling begint te lopen op het tijdstip waarop de
vreemdeling is aangehouden. Indien tussen de datum van uitzetting van
de veroordeelde en de datum van indiening van de vordering door het
openbaar ministerie een periode van drie jaar of meer is gelegen, is
artikel 37, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
7. De terbeschikkingstelling die op grond van het zesde lid is
herleefd, eindigt van rechtswege, indien de officier van justitie een
vordering als bedoeld in het zesde lid heeft ingediend en de rechter
deze heeft afgewezen.
Artikel 38lb [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De rechter kan, ambtshalve dan wel op vordering van het openbaar
ministerie, ten aanzien van een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf
heeft in Nederland in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000,
de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege beëindigen
onder de voorwaarde dat de vreemdeling niet naar Nederland terugkeert.
Artikel 38la, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Derde afdeling. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
Artikel 38m
1. De rechter kan op vordering van het openbaar ministerie de
maatregel opleggen tot plaatsing van een verdachte in een inrichting
voor stelselmatige daders, indien:
1°. het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft
waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
2°. de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem
begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk
tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een
vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld dan
wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is
opgelegd, het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze
straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet
worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan,
en
3°. de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de
maatregel eist.
2. De maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de
beëindiging van de recidive van de verdachte.
3. Indien de verdachte verslaafde is dan wel ten aanzien van hem
andere specifieke problematiek bestaat waarmee het plegen van
strafbare feiten samenhangt, strekt de maatregel er mede toe een
bijdrage te leveren aan de oplossing van zijn verslavingsproblematiek
dan wel van die andere problematiek.
4. De rechter legt de maatregel slechts op, nadat hij een met
redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies over de
wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel heeft doen
overleggen. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van
de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter hiervan slechts
gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de
verdachte.
5. Het vierde lid blijft buiten toepassing indien de verdachte
weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van
het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk wordt over de
reden van de weigering rapport opgemaakt. De rechter doet zich zo veel
mogelijk een ander advies of rapport dat hem over de wenselijkheid of
noodzakelijkheid van de maatregel kan voorlichten en aan de
totstandkoming waarvan de verdachte wel bereid is om medewerking te
verlenen, overleggen.
6. Bij het opleggen van de maatregel neemt de rechter de inhoud van
de overige adviezen en rapporten die over de verdachte zijn
uitgebracht, alsmede de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen
wegens misdrijf in aanmerking.
7. Onder een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder 2°,
wordt mede verstaan een onherroepelijke veroordeling door een
strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens
soortgelijke feiten.
Artikel 38n
1.De maatregel geldt voor de tijd van ten hoogste twee jaren, te
rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij hij is
opgelegd, onherroepelijk is geworden.
2.Bij het bepalen van de duur van de maatregel kan de rechter
rekening houden met de tijd die door de veroordeelde vóór de
tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in voorlopige
hechtenis, in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting voor
klinische observatie bestemd ingevolge een bevel tot observatie, is
doorgebracht.
Artikel 38o
1.De plaatsing geschiedt in een door onze Minister van Justitie
aangewezen inrichting voor stelselmatige daders.
2.Bij of krachtens de wet worden regels gesteld ten aanzien van de
tenuitvoerlegging van de maatregel in en buiten de inrichting en de
rechtspositie van degene aan wie de maatregel is opgelegd.
3.De kosten van de tenuitvoerlegging van de maatregel komen ten
laste van de Staat. De kosten van de tenuitvoerlegging van de laatste
fase van de maatregel komen overeenkomstig bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels ten laste van gemeenten die
deelnemen aan de tenuitvoerlegging daarvan.
Artikel 38p
1.De rechter kan bepalen dat de maatregel niet ten uitvoer zal
worden gelegd.
2.De rechter die bepaalt dat de door hem opgelegde maatregel niet
ten uitvoer zal worden gelegd stelt daarbij een proeftijd vast van ten
hoogste drie jaren.
3.Bij de toepassing van het eerste lid geldt als algemene
voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd
niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
4.De rechter stelt ter bescherming van de veiligheid van personen
of goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde. De
rechter kan een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen
reclasseringsinstelling opdracht geven de veroordeelde bij de naleving
van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
5.Een voorwaarde als bedoeld in het vierde lid kan inhouden dat de
veroordeelde zich ambulant of intramuraal laat behandelen. Opname in
een inrichting vindt in dit verband plaats voor een door de rechter te
bepalen duur van ten hoogste twee jaren. Deze voorwaarde wordt slechts
gesteld, indien de veroordeelde zich bereid heeft verklaard de
behandeling te ondergaan.
6.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de eisen waaraan een inrichting en een
behandeling als bedoeld in het vijfde lid moeten voldoen.
7.De in het vierde lid gestelde voorwaarden mogen de vrijheid van
de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de
staatkundige vrijheid niet beperken.
8.Het openbaar ministerie houdt toezicht op de naleving van de
gestelde voorwaarden.
Artikel 38q
De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek
van de veroordeelde of diens raadsman dan wel ambtshalve met
inachtneming van de artikelen 38m tot en met 38p:
1°. de voorwaarden aanvullen, wijzigen of opheffen;
2°. aan een andere reclasseringsinstelling dan die welke daarmee
tevoren was belast het verlenen van hulp en steun bij de naleving
van de voorwaarden opdragen.
Artikel 38r
De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, indien een
voorwaarde niet wordt nageleefd, bevelen dat de maatregel alsnog zal
worden tenuitvoergelegd.
Artikel 38s
1.De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, op
verzoek van de verdachte of diens raadsman dan wel ambtshalve, bij of
na het opleggen van de maatregel beslissen tot een tussentijdse
beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de
tenuitvoerlegging van de maatregel. Het openbaar ministerie bericht
hem daarover binnen een door hem te bepalen termijn. Bij het bericht
is gevoegd een verklaring van de directeur van de inrichting omtrent
de stand van de uitvoering van het verblijfsplan van de veroordeelde.
2.Indien de rechter bij het opleggen van de maatregel niet beslist
tot een tussentijdse beoordeling dan wel beslist tot een beoordeling
na een jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel, kan
een verzoek als bedoeld in het eerste lid worden gedaan na zes maanden
na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel. In de overige
gevallen kan een verzoek worden gedaan na zes maanden na het
onherroepelijk worden van de beslissing om niet tussentijds te
beoordelen of van de beslissing dat voortzetting van de
tenuitvoerlegging van de maatregel is vereist.
3.Indien de rechter naar aanleiding van de in het eerste lid
bedoelde inlichtingen beslist dat de voortzetting van de
tenuitvoerlegging van de maatregel niet langer is vereist, beëindigt
hij deze met ingang van een door hem te bepalen tijdstip.
Artikel 38t
De termijn van de maatregel loopt niet:
a. gedurende de tijd dat aan degene aan wie deze is opgelegd, uit
anderen hoofde zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat
hij ongeoorloofd afwezig is;
b. zodra degene die in een inrichting geplaatst is, langer dan
een dag ongeoorloofd afwezig is.
Artikel 38u
Onze Minister van Justitie kan de maatregel te allen tijde
beëindigen.
Titel III. Uitsluiting en verhoging van strafbaarheid
Artikel 39
Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de
gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens
niet kan worden toegerekend.
Artikel 39bis a [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39ter [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39quater [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39quinquies [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39sexies [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39septies [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39octies [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39novies [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39decies [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 40
Niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht
is gedrongen.
Artikel 41
1.Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de
noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid
of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
2.Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van
noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is
geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding
veroorzaakt.
Artikel 42
Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een
wettelijk voorschrift.
Artikel 43
1.Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een
ambtelijk bevel, gegeven door het daartoe bevoegde gezag.
2.Een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel heft de strafbaarheid niet
op, tenzij het door de ondergeschikte te goeder trouw als bevoegd
gegeven werd beschouwd en de nakoming daarvan binnen de kring van zijn
ondergeschiktheid was gelegen.
Artikel 43a
De op een misdrijf gestelde tijdelijke gevangenisstraf of hechtenis
kan, onverminderd artikel 10, met een derde worden verhoogd indien
tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen
sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf
wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is
gegaan. De termijn van vijf jaren wordt verlengd met de tijd waarin de
veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
Artikel 43b
Als misdrijven welke soortgelijk zijn aan elkaar worden in elk geval
aangemerkt:
1°. de misdrijven omschreven in de artikelen 105, 174, 208 tot
en met 210, 213, 214, 216 tot en met 222bis, 225 tot en met 232,
310, 311, 312, 315, 317, 318, 321 tot en met 323a, 326 tot en met
332, 341, 343, 344, 359, 361, 366, 373, laatste lid, 402, 416, 417,
420bis en 420ter;
2°. de misdrijven omschreven in de artikelen 92, 108, 109, 110,
115, 116, 117 tot en met 117b, 141, 181, 182, 287 tot en met 291,
293, eerste lid, 296, 300 tot en met 303, 381, 382, 395 en 396;
3°. de misdrijven omschreven in de artikelen 111 tot en met 113,
118, 119, 261 tot en met 271, 418 en 419;
4°. de misdrijven omschreven in de Opiumwet;
5°. de misdrijven omschreven in de Wet wapens en munitie.
Artikel 43c [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 44
Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een
bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit
gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt
geschonken, kan de op het feit gestelde straf, met uitzondering van
geldboete, met een derde worden verhoogd.
Titel IIIa. Gronden voor vermindering van straf
Artikel 44a
1.Op vordering van de officier van justitie kan de rechter na een
op grond van artikel 226h, derde lid, van het Wetboek van
Strafvordering gemaakte afspraak de straf verminderen die hij overwoog
op te leggen op de in het tweede lid bepaalde wijze. Bij de
strafvermindering houdt de rechter ermee rekening dat door het
afleggen van een getuigenverklaring een belangrijke bijdrage is of kan
worden geleverd aan de opsporing of vervolging van misdrijven.
2.Bij toepassing van het eerste lid kan de strafvermindering
bestaan in:
a. maximaal de helft bij een onvoorwaardelijke tijdelijke
vrijheidsstraf, taakstraf, bestaande uit een werkstraf, of
geldboete, of
b. de omzetting van maximaal de helft van het onvoorwaardelijke
gedeelte van een vrijheidsstraf, taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, of van een geldboete in een voorwaardelijk gedeelte, of
c. de vervanging van maximaal een derde gedeelte van een
vrijheidsstraf door taakstraf, bestaande uit een werkstraf, of een
onvoorwaardelijke geldboete.
3.Bij toepassing van het tweede lid, onder b, blijft artikel 14a,
eerste en tweede lid, buiten toepassing.
Titel IV. Poging en voorbereiding
Artikel 45
1.Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de
dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.
2.Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt
bij poging met een derde verminderd.
3.Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is
gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste twintig
jaren.
4.De bijkomende straffen zijn voor poging dezelfde als voor het
voltooide misdrijf.
Artikel 46
1.Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke
omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is
strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen,
informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan
van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert
of voorhanden heeft.
2.Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt
bij voorbereiding met de helft verminderd.
3.Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is
gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien
jaren.
4.De bijkomende straffen zijn voor voorbereiding dezelfde als voor
het voltooide misdrijf.
5.Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle
vermogensrechten.
Artikel 46a
Poging om een ander door een der in artikel 47, eerste lid onder 2e,
vermelde middelen te bewegen om een misdrijf te begaan, is strafbaar,
met dien verstande dat geen zwaardere straf wordt uitgesproken dan ter
zake van poging tot het misdrijf of, indien zodanige poging niet
strafbaar is, terzake van het misdrijf zelf kan worden opgelegd.
Artikel 46b
Voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is
voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader
afhankelijk.
Titel V. Deelneming aan strafbare feiten
Artikel 47
1.Als daders van een strafbaar feit worden gestraft:
1°. zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegen;
2°. zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld,
bedreiging, of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid,
middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken.
2.Ten aanzien van de laatsten komen alleen die handelingen in
aanmerking die zij opzettelijk hebben uitgelokt, benevens hun
gevolgen.
Artikel 48
Als medeplichtigen van een misdrijf worden gestraft:
1°. zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het
misdrijf;
2°. zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen
verschaffen tot het plegen van het misdrijf.
Artikel 49
1.Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt
bij medeplichtigheid met een derde verminderd.
2.Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is
gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste twintig
jaren.
3.De bijkomende straffen zijn voor medeplichtigheid dezelfde als
voor het misdrijf zelf.
4.Bij het bepalen van de straf komen alleen die handelingen in
aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt
of bevorderd, benevens hun gevolgen.
Artikel 50
De persoonlijke omstandigheden waardoor de strafbaarheid uitgesloten,
verminderd of verhoogd wordt, komen bij de toepassing van de strafwet
alleen in aanmerking ten aanzien van die dader of medeplichtige wie zij
persoonlijk betreffen.
Artikel 50a [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 51
1.Strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen
en rechtspersonen.
2.Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon,
kan de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet
voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking
komen, worden uitgesproken:
1°. tegen die rechtspersoon, dan wel
2°. tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven,
alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de
verboden gedraging, dan wel
3°. tegen de onder 1° en 2° genoemden te zamen.
3.Voor de toepassing van de vorige leden wordt met de rechtspersoon
gelijkgesteld: de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de
maatschap, de rederij en het doelvermogen.
Artikel 52
Medeplichtigheid aan overtreding is niet strafbaar.
Artikel 53
1.Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de
uitgever als zodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam
en woonplaats vermeldt en de dader bekend is of op de eerste aanmaning
nadat tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek is
overgegaan, door de uitgever is bekendgemaakt.
2.Deze bepaling is niet toepasselijk, indien de dader op het
tijdstip van de uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het
Rijk in Europa gevestigd was.
Artikel 54
1.Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de
drukker als zodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam
en woonplaats vermeldt en de persoon op wiens last het stuk is
gedrukt, bekend is of op de eerste aanmaning nadat tot het instellen
van een gerechtelijk vooronderzoek is overgegaan, door de drukker is
bekendgemaakt.
2.Deze bepaling is niet toepasselijk, indien de persoon op wiens
last het stuk is gedrukt, op het tijdstip van het drukken
strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het Rijk in Europa
gevestigd was.
Artikel 54a
Een tussenpersoon die een telecommunicatiedienst verleent bestaande
in de doorgifte of opslag van gegevens die van een ander afkomstig zijn,
wordt als zodanig niet vervolgd indien hij voldoet aan een bevel van de
officier van justitie, na schriftelijke machtiging op vordering van de
officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris, om alle
maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om
de gegevens ontoegankelijk te maken.
Titel VI. Samenloop van strafbare feiten
Artikel 55
1.Valt een feit in meer dan één strafbepaling, dan wordt slechts
één van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de
zwaarste hoofdstraf is gesteld.
2.Indien voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een
bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.
Artikel 56
1.Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zichzelf misdrijf of
overtreding opleverende, in zodanig verband dat zij moeten worden
beschouwd als één voortgezette handeling, dan wordt slechts één
strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste
hoofdstraf is gesteld.
2.Insgelijks wordt slechts één strafbepaling toegepast bij
schuldigverklaring aan valsheid of muntschennis en aan het
gebruikmaken van het voorwerp ten opzichte waarvan de valsheid of
muntschennis gepleegd is.
Artikel 57
1.Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen
moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop
gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2.Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen
op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of
hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.
Artikel 58
Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen
moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop
ongelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, kan elk van die straffen
worden opgelegd, doch deze mogen - voor zover het gevangenisstraf en
hechtenis betreft - te zamen in duur de langstdurende niet meer dan een
derde overtreffen.
Artikel 59
Bij veroordeling tot levenslange gevangenisstraf kunnen daarnevens
geen andere straffen worden opgelegd dan ontzetting van bepaalde
rechten, verbeurdverklaring van reeds in beslag genomen voorwerpen en
openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
Artikel 60
In de gevallen van de artikelen 57 en 58 gelden ten aanzien van
bijkomende straffen de volgende bepalingen:
1°. de straffen van ontzetting van dezelfde rechten worden
opgelost in één straf, in duur de opgelegde hoofdstraf of
hoofdstraffen ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven
gaande, of ingeval geen andere hoofdstraf dan geldboete is opgelegd,
in één straf van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren;
2°. de straffen van ontzetting van verschillende rechten worden
voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd;
3°. de straffen van verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen
worden voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering
opgelegd; de vervangende vrijheidsstraffen mogen gezamenlijk het
maximum, bepaald in artikel 24c, derde lid, niet overschrijden.
Artikel 60a
Bij samenloop op de wijze in de artikelen 57 en 58 bedoeld, geldt
voor de maatregel genoemd in artikel 36f dat de vervangende
vrijheidsstraffen gezamenlijk het maximum, bepaald in artikel 24c, derde
lid, niet mogen overschrijden.
Artikel 61
1.De betrekkelijke zwaarte van ongelijksoortige hoofdstraffen wordt
bepaald door de volgorde van artikel 9.
2.Waar de rechter de keuze tussen twee hoofdstraffen is gelaten,
komt bij de vergelijking alleen de zwaarste van die straffen in
aanmerking.
3.De betrekkelijke zwaarte van gelijksoortige hoofdstraffen wordt
bepaald door het maximum.
4.De betrekkelijke duur, zowel van ongelijksoortige als van
gelijksoortige hoofdstraffen, wordt eveneens bepaald door het maximum.
Artikel 62
1.Bij samenloop op de wijze in de artikelen 57 en 58 bedoeld,
hetzij van overtredingen met misdrijven, hetzij van overtredingen
onderling, wordt voor elke overtreding zonder vermindering straf
opgelegd.
2.De vervangende vrijheidsstraffen mogen voor de misdrijven en
overtredingen of voor de overtredingen gezamenlijk het maximum,
bepaald in artikel 24c, derde lid, niet overschrijden.
Artikel 63
Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt
verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging
gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig
straf wordt opgelegd van toepassing.
Artikel 63a [Vervallen per 01-02-2001]
Titel VII. Indiening en intrekking van de klacht bij misdrijven
alleen op klacht vervolgbaar
Artikel 64
Inzake een misdrijf dat alleen op klacht wordt vervolgd, is degene
tegen wie het feit is begaan, tot de klacht gerechtigd.
Artikel 65
1.Indien de in artikel 64 aangewezen persoon de leeftijd van
zestien jaren nog niet heeft bereikt of anders dan wegens verkwisting
onder curatele is gesteld, dan wel aan een zodanige gebrekkige
ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat
hij niet in staat is te beoordelen of zijn belang gediend is met de
klacht, geschiedt de klacht door zijn wettige vertegenwoordiger in
burgerlijke zaken.
2.Indien de in artikel 64 aangewezen persoon overleden is, zijn tot
de klacht gerechtigd: zijn ouders, zijn kinderen en zijn overlevende
echtgenoot, tenzij blijkt dat hij een vervolging niet heeft gewild.
3.Indien de klacht tegen de wettige vertegenwoordiger in
burgerlijke zaken van de in artikel 64 aangewezen persoon moet
geschieden, zijn tot de klacht gerechtigd: de echtgenoot, een
bloedverwant in de rechte linie of, bij het ontbreken van al die
personen, een broer en een zuster.
4.Indien een in het tweede of derde lid aangewezen persoon de
leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt of anders dan wegens
verkwisting onder curatele is gesteld, dan wel aan een zodanige
gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens
lijdt dat hij niet in staat is te beoordelen of zijn belang gediend is
met de klacht, kan vervolging plaatsvinden op klacht van diens wettige
vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.
Artikel 66
1.De klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag
waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het
gepleegde feit.
2.Indien degene tegen wie het feit is begaan, nadat de termijn een
aanvang heeft genomen, is overleden, dan wel het recht tot het
indienen van de klacht heeft verloren, verkregen of herkregen, loopt
deze termijn zonder verlenging door.
Artikel 67
Hij die de klacht indient, blijft gedurende acht dagen na de dag der
indiening bevoegd deze in te trekken.
Artikel 67a [Vervallen per 26-04-1978]
Titel VIII. Verval van het recht tot strafvordering en van de straf
Artikel 68
1.Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor
herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens
een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in
Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba onherroepelijk is beslist.
2.Is het gewijsde afkomstig van een andere rechter, dan heeft tegen
dezelfde persoon wegens hetzelfde feit geen vervolging plaats in geval
van:
1°. vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging;
2°. veroordeling, indien een straf is opgelegd, gevolgd door
gehele uitvoering, gratie of verjaring der straf.
3.Niemand kan worden vervolgd wegens een feit dat te zijnen aanzien
in een vreemde staat onherroepelijk is afgedaan door de voldoening aan
een voorwaarde, door de bevoegde autoriteit gesteld ter voorkoming van
strafvervolging.
Artikel 69
Het recht tot strafvordering vervalt door de dood van de verdachte.
Artikel 70
1.Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
1°. in drie jaren voor alle overtredingen;
2°. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete,
hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is
gesteld;
3°. in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke
gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;
4°. in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf
van meer dan tien jaren is gesteld.
2.In afwijking van het eerste lid verjaart het recht tot
strafvordering niet voor misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf
is gesteld.
Artikel 71
De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit
is gepleegd, behoudens in de volgende gevallen:
1°. bij de misdrijven omschreven in de artikelen 172, eerste
lid, 173, eerste lid, 173a en 173b, vangt de termijn aan op de dag
na die waarop het misdrijf ter kennis is gekomen van een ambtenaar
belast met de opsporing van strafbare feiten;
2°. bij valsheid op de dag na die waarop gebruik is gemaakt van
het voorwerp ten opzichte waarvan de valsheid gepleegd is;
3°. bij de misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot
en met 250 en 273f, dan wel 300 tot en met 303, voor zover het feit
oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke
geslacht en gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van
achttien jaren nog niet heeft bereikt, op de dag na die waarop die
persoon achttien jaren is geworden;
4°. bij de misdrijven omschreven in de artikelen 278, 279, 282
en 282a op de dag na die van de bevrijding of de dood van hem tegen
wie onmiddellijk het misdrijf gepleegd is;
5°. bij de overtredingen omschreven in de artikelen 465, 466 en
467, op de dag na die waarop ingevolge de voorschriften gegeven in
of ter uitvoering van artikel 18c van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek, de aldaar bedoelde registers waaruit zodanige overtreding
blijkt, naar de centrale bewaarplaats, bedoeld in afdeling 8 van
hoofdstuk 1 van het Besluit burgerlijke stand 1994 zijn
overgebracht.
Artikel 72
1.Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van
anderen dan de vervolgde.
2.Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht
tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na
tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de
oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is
verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende
verjaringstermijn.
Artikel 73
De schorsing van de strafvervolging ter zake van een prejudicieel
geschil schorst de verjaring.
Artikel 74
1.De officier van justitie kan voor de aanvang van de
terechtzitting een of meer voorwaarden stellen ter voorkoming van de
strafvervolging wegens misdrijven, met uitzondering van die waarop
naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van meer
dan zes jaar, en wegens overtreding. Door voldoening aan die
voorwaarden vervalt het recht tot strafvordering.
2.De volgende voorwaarden kunnen worden gesteld:
a. betaling aan de staat van een geldsom, te bepalen op ten
minste € 3 en ten hoogste het maximum van de geldboete die voor
het feit kan worden opgelegd;
b. afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar
zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;
c. uitlevering, of voldoening aan de staat van de geschatte
waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring;
d. voldoening aan de staat van een geldbedrag of overdracht van
inbeslaggenomen voorwerpen ter gehele of gedeeltelijke ontneming
van het ingevolge artikel 36e voor ontneming vatbare
wederrechtelijk verkregen voordeel;
e. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare
feit veroorzaakte schade;
f. het verrichten van onbetaalde arbeid of het volgen van een
leerproject gedurende ten hoogste honderdtwintig uren.
3.De officier van justitie doet in geval van misdrijf aan de
rechtstreeks belanghebbende die hem bekend is, onverwijld schriftelijk
mededeling van de datum waarop hij die voorwaarden heeft gesteld.
4.Op de in het tweede lid, onder f, bedoelde voorwaarde is het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 22c, eerste en vierde lid, 22e
en 22k met betrekking tot taakstraffen, van overeenkomstige
toepassing. De onbetaalde arbeid of het leerproject wordt binnen een
termijn van zes maanden na instemming met de voorwaarde voltooid. Het
openbaar ministerie kan deze termijn eenmaal met zes maanden
verlengen. Het zendt hiervan zo spoedig mogelijk een kennisgeving aan
de betrokkene.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven omtrent de nakoming van de voorwaarde, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel a. Deze voorschriften hebben in ieder
geval betrekking op de plaats en wijze van betaling van de geldsom, de
termijn waarbinnen die betaling moet zijn geschied en de
verantwoording van de ontvangen geldbedragen. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven
omtrent de nakoming van de overige in het tweede lid bedoelde
voorwaarden.
Artikel 74a
Is op het strafbare feit naar de wettelijke omschrijving geen andere
hoofdstraf gesteld dan geldboete en biedt de verdachte aan, binnen een
door de officier van justitie te bepalen termijn, het maximum van de
geldboete te betalen en aan alle overige, overeenkomstig artikel 74,
tweede lid, te stellen voorwaarden te voldoen, dan mag de officier van
justitie het stellen van voorwaarden, als bedoeld in artikel 74, niet
weigeren.
Artikel 74b
1.Een bevel als bedoeld in artikel 12k van het Wetboek van
Strafvordering doet, na voldoening aan de overeenkomstig artikel 74
gestelde voorwaarden, het recht tot strafvordering herleven als ware
het niet vervallen geweest.
2.Na een bevel, als bedoeld in het vorige lid, worden bedragen,
betaald in toepassing van artikel 74, tweede lid, onder a, c en d,
onverwijld terugbetaald aan degene die ze heeft betaald.
3.Volgt na een bevel als bedoeld in het eerste lid een
veroordeling, dan houdt de rechter rekening met de afstand of
uitlevering door de veroordeelde van voorwerpen op grond van artikel
74, tweede lid, onder b en c, met de vergoeding van schade op grond
van artikel 74, tweede lid, onder e, en met de onbetaalde arbeid die
is verricht of het leerproject dat is gevolgd op grond van artikel 74,
tweede lid, onder f.
4.Eindigt, na een bevel als bedoeld in het eerste lid, de zaak
waarbij een voorwaarde is gesteld als bedoeld in artikel 74, tweede
lid, onder f, zonder oplegging van straf of maatregel, dan kan de
rechter, op verzoek van de gewezen verdachte, deze een vergoeding ten
laste van de staat toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van
de verrichtte onbetaalde arbeid of het gevolgde leerproject heeft
geleden. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in
vermogensschade bestaat. De artikelen 89, derde tot en met zesde lid,
90, 91 en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 74c
1.Bij algemene maatregel van bestuur kan aan daartoe aan te wijzen
opsporingsambtenaren in bij die algemene maatregel van bestuur
aangewezen zaken betreffende overtredingen, begaan door personen die
de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt, tot wederopzeggens de
bevoegdheid worden verleend die bij artikel 74, eerste lid, aan de
officier van justitie is toegekend.
2.De te stellen voorwaarde bestaat in de betaling van een bepaalde
geldsom. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven omtrent de plaats en wijze van betaling en de
termijn waarbinnen de betaling moet zijn geschied.
3.Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
op zaken betreffende misdrijven, als bedoeld in artikel 74, eerste
lid, van eenvoudige aard, welke zijn begaan door personen die de
leeftijd van achttien jaren hebben bereikt, met dien verstande dat de
te betalen geldsom ten hoogste € 350 bedraagt.
4.De ambtenaren bekleed met de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, maken hiervan gebruik volgens richtlijnen, vast te stellen door
het College van procureurs-generaal.
5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven met betrekking tot de aanwijzing van de in het
eerste lid bedoelde opsporingsambtenaren, het toezicht op de wijze
waarop zij van de hun verleende bevoegdheid gebruik maken en de
intrekking van de aanwijzing van een opsporingsambtenaar.
6.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven inzake de verantwoording van ingevolge het
tweede en derde lid betaalde geldbedragen.
7.Bij het stellen van voorwaarden door opsporingsambtenaren zijn de
artikelen 74, derde lid, en 74b van overeenkomstige toepassing.
Artikel 75
Het recht tot uitvoering van de straf of maatregel vervalt door de
dood van de veroordeelde, met uitzondering van de maatregel tot
ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Artikel 76
1.Het recht tot uitvoering van de straf of maatregel vervalt door
verjaring.
2.De termijn van deze verjaring is een derde langer dan de termijn
van verjaring van het recht tot strafvordering. In geen geval is de
termijn korter dan de duur van de opgelegde straf.
Artikel 76a
1.De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop de
rechterlijke uitspraak of de strafbeschikking kan worden ten uitvoer
gelegd.
2.Bij ongeoorloofde afwezigheid van een veroordeelde die zijn straf
in een inrichting ondergaat, vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op
de dag na die waarop de ongeoorloofde afwezigheid aanving. Bij
herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling vangt een nieuwe
verjaringstermijn aan op de dag na die van de herroeping.
3.De termijn loopt niet gedurende de bij de wet bevolen schorsing
van de tenuitvoerlegging, noch gedurende de tijd dat de veroordeelde,
zij het ook ter zake van een andere veroordeling, in verzekerde
bewaring is.
4.Wanneer een geldboete wegens een overtreding is opgelegd en in de
uitspraak dan wel de strafbeschikking is bepaald dat het bedrag
daarvan in gedeelten mag worden voldaan, dan wel het openbaar
ministerie aan de veroordeelde op diens verzoek uitstel van betaling
heeft verleend of betaling in termijnen heeft toegestaan, wordt de
verjaringstermijn verlengd met twee jaren.
5.De termijn loopt niet gedurende de tijd dat de tenuitvoerlegging
aan een vreemde Staat is overgedragen, zolang de Minister van Justitie
van de autoriteiten van die Staat geen mededeling, houdende een
beslissing omtrent de overname van de tenuitvoerlegging, heeft
ontvangen.
6.Indien, nadat de tenuitvoerlegging door een vreemde Staat is
overgenomen, die Staat afstand doet van zijn recht tot
tenuitvoerlegging ten behoeve van Nederland, vangt een nieuwe
verjaringstermijn aan op de dag waarop de Minister van Justitie de
mededeling van de autoriteiten van die Staat omtrent de afstand heeft
ontvangen.
7.De termijn loopt ten aanzien van veroordelingen tot betaling als
bedoeld in artikel 358, vierde lid, onder a tot en met c, van de
Faillissementswet niet gedurende de tijd dat de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op de veroordeelde van
toepassing is.
Artikel 77
1.Het recht tot strafvordering en het recht tot uitvoering van de
straf vervallen door de overdracht van de strafvervolging aan een
vreemde staat overeenkomstig de bepalingen van de derde afdeling van
titel X van het vierde boek van het Wetboek van Strafvordering.
2.In het geval, bedoeld in het vorige lid, herleven het recht tot
strafvordering en het recht tot uitvoering van de straf, indien de
autoriteiten van de staat die de strafvervolging had overgenomen op
die beslissing terugkomen of mededelen dat geen strafvervolging wordt
ingesteld dan wel een ingestelde vervolging is gestaakt.
Artikel 77bis [Vervallen per 01-09-1995]
Titel VIII A. Bijzondere bepalingen voor jeugdige personen
Artikel 77a
Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar
feit de leeftijd van twaalf jaren doch nog niet die van achttien jaren
heeft bereikt, zijn de artikelen 9, eerste lid, 10 tot en met 22a, 24c,
37 tot en met 38i, 44 en 57 tot en met 62 niet van toepassing. In de
plaats daarvan treden de bijzondere bepalingen vervat in de artikelen
77d tot en met 77gg.
Artikel 77b
1.Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een
strafbaar feit de leeftijd van zestien jaren doch nog niet die van
achttien jaren heeft bereikt, kan de rechter de artikelen 77g tot en
met 77gg buiten toepassing laten en recht doen overeenkomstig de
bepalingen in de voorgaande titels vervat, indien hij daartoe grond
vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader
of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
2.Bij toepassing van het eerste lid kan levenslange gevangenisstraf
niet worden opgelegd.
Artikel 77c
Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van het strafbaar
feit de leeftijd van achttien jaren doch nog niet die van eenentwintig
jaren heeft bereikt, kan de rechter, indien hij daartoe grond vindt in
de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit
is begaan, recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg.
De uitvoering van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor
jeugdigen vindt dan plaats overeenkomstig artikel 37c.
Artikel 77d
1. De verjaringstermijn van het recht tot strafvordering, genoemd
in artikel 70, wordt ten aanzien van misdrijven tot de helft van de
daar bedoelde duur ingekort.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op misdrijven omschreven
in de artikelen 240b, 242 tot en met 250 en 273f, gepleegd door een
persoon die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de
leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, ten aanzien van een persoon
die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.
3. Het recht tot strafvordering voor misdrijven waarop levenslange
gevangenisstraf is gesteld, verjaart in twintig jaren.
Artikel 77e
1.De opsporingsambtenaar die daartoe door de officier van justitie
is aangewezen, kan na verkregen toestemming door de officier van
justitie aan de verdachte voorstellen dat deze deelneemt aan een
project. De deelneming strekt tot voorkoming van toezending van het
opgemaakte proces-verbaal aan de officier van justitie. Bij algemene
maatregel van bestuur worden de strafbare feiten aangewezen die op
deze wijze kunnen worden afgedaan.
2.Bij een voorstel als bedoeld in het eerste lid, deelt de
opsporingsambtenaar de verdachte mede dat hij niet verplicht is aan
het project deel te nemen en licht hem in over de mogelijke gevolgen
van niet-deelneming. Het voorstel, de mededeling en de inlichtingen
over de mogelijke gevolgen worden daarbij de verdachte tevens
schriftelijk ter hand gesteld.
3.De officier van justitie geeft algemene aanwijzingen omtrent de
wijze van afdoening ingevolge het eerste lid. Deze aanwijzingen
betreffen in ieder geval:
a. de projecten en de categorieën van strafbare feiten die,
gelet op de aard van deze projecten, in aanmerking komen voor deze
wijze van afdoening;
b. de duur van de deelneming, afhankelijk van de aard van het
strafbare feit en het project en
c. de wijze waarop de toestemming van de officier van justitie
kan worden verkregen.
4.De duur van de deelneming is ten hoogste twintig uren.
5.Indien de opsporingsambtenaar, bedoeld in het eerste lid, van
oordeel is dat de verdachte naar behoren aan een project heeft
deelgenomen, stelt hij de officier van justitie en de verdachte
hiervan schriftelijk in kennis. Daarmee vervalt het recht tot
strafvordering, behalve indien een bevel wordt gegeven als bedoeld in
artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering. In dat geval houdt de
rechter, indien hij een straf oplegt, rekening met de voltooide
deelneming.
Artikel 77f
1.In een strafbeschikking kan de officier van justitie tevens de
aanwijzing geven dat de verdachte zich zal richten naar de
aanwijzingen van een stichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel f,
van de Wet op de jeugdzorg, voor een daarbij te bepalen termijn van
ten hoogste zes maanden.
2.In afwijking van artikel 257a, tweede lid, onderdeel a, van het
Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie in een
strafbeschikking een taakstraf opleggen voor ten hoogste zestig uren,
te verrichten binnen een termijn van ten hoogste drie maanden. Artikel
77m, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 77g
1.In plaats van de op een feit gestelde straffen worden de straffen
en maatregelen opgelegd, in deze Titel voorzien.
2.Een hoofdstraf kan zowel afzonderlijk als tezamen met andere
hoofdstraffen of met bijkomende straffen worden opgelegd.
3.Een maatregel kan zowel afzonderlijk als tezamen met
hoofdstraffen, met bijkomende straffen en met andere maatregelen
worden opgelegd.
Artikel 77g bis [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 77h
1.De hoofdstraffen zijn:
a. in geval van misdrijf: jeugddetentie, taakstraf of
geldboete;
b. in geval van overtreding: taakstraf of geldboete.
2.Een taakstraf bestaat uit:
a. een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid
of het verrichten van arbeid tot herstel van de door het strafbare
feit aangerichte schade, of
b. een leerstraf, zijnde het volgen van een leerproject, of
c. een combinatie van werkstraf en leerstraf.
3.De bijkomende straffen zijn:
a. verbeurdverklaring;
b. ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.
4.De maatregelen zijn:
a. plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
b. maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige;
c. onttrekking aan het verkeer;
d. ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;
e. schadevergoeding.
Artikel 77h bis [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 77i
1.De duur van de jeugddetentie is:
a. voor degene die ten tijde van het begaan van het misdrijf de
leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt: ten minste een
dag en ten hoogste twaalf maanden, en
b. overigens ten hoogste vierentwintig maanden.
2.De duur van de jeugddetentie wordt in de rechterlijke uitspraak
aangewezen in dagen, weken of maanden.
3.De artikelen 26 en 27 zijn bij veroordeling tot jeugddetentie van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 77j
1.In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Justitie bepalen dat
de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie gedurende een tijdvak van
ten hoogste drie maanden wordt onderbroken.
2.Onze Minister van Justitie kan nadere regels stellen aangaande
het onderbreken van de tenuitvoerlegging, bedoeld in het eerste lid.
Deze betreffen in elk geval de criteria waaraan de betrokkene moet
voldoen om voor strafonderbreking in aanmerking te komen, de
bevoegdheid tot en de wijze van verlening alsmede de voorwaarden die
hieraan kunnen worden verbonden.
3.Ten aanzien van de beslissingen omtrent de onderbreking van de
tenuitvoerlegging als bedoeld in het eerste lid is Hoofdstuk XV van de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing.
4.De rechter die de straf heeft opgelegd kan te allen tijde de
jeugdige aan wie een jeugddetentie is opgelegd, voorwaardelijk in
vrijheid stellen.
5.In geval van een voorwaardelijke invrijheidstelling wordt een
proeftijd bepaald van ten hoogste twee jaren. De duur van de proeftijd
en de gestelde voorwaarden worden de veroordeelde in persoon betekend.
De artikelen 77y, derde lid, 77z, 77aa en 77cc tot en met 77ee zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 77k
De straf van jeugddetentie kan door de rechter op vordering van het
openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde geheel of
gedeeltelijk worden vervangen door een van de straffen genoemd in
artikel 9, eerste lid, indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde
straf geheel of gedeeltelijk zou moeten plaatsvinden nadat de
veroordeelde de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt en deze naar
het oordeel van de rechter niet meer voor een zodanige straf in
aanmerking komt.
Artikel 77l
1.Het bedrag van de geldboete is ten minste het bedrag, genoemd in
artikel 23, tweede lid, en ten hoogste het maximum van een geldboete
van de tweede categorie. Artikel 24a is van overeenkomstige toepassing
met dien verstande dat de rechter of de officier van justitie bij elke
geldboete kan bepalen dat het bedrag in gedeelten kan worden voldaan.
De rechter of de officier van justitie stelt daarbij de hoogte van elk
van die gedeelten vast.
2.De rechter kan bij de uitspraak waarbij geldboete wordt opgelegd,
bevelen dat voor het geval volledige betaling noch volledig verhaal
van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende jeugddetentie zal
worden toegepast.
3.Indien geen of geen volledige betaling van het bedrag van de
geldboete heeft plaatsgevonden en geen of geen volledig verhaal
mogelijk is, kan de rechter die de straf heeft opgelegd het nog te
betalen bedrag op vordering van het openbaar ministerie vervangen door
jeugddetentie of op verzoek van de veroordeelde vervangen door een
taakstraf. Indien de rechter gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid
van het tweede lid, kan hij de duur van de eerder opgelegde
vervangende jeugddetentie ook wijzigen, tenzij deze reeds is
aangevangen.
4.De taakstraf, bedoeld in het derde lid, wordt opgelegd in
evenredigheid met het nog verschuldigde bedrag. De artikelen 77m tot
en met 77q en 77ff, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
De straf kan slechts worden opgelegd zolang de veroordeelde de
leeftijd van achttien jaren niet heeft bereikt.
5.Indien de veroordeelde bij aanvang van de tenuitvoerlegging van
de vervangende jeugddetentie de leeftijd van achttien jaren heeft
bereikt, wordt deze ten uitvoer gelegd als vervangende hechtenis,
tenzij in het vonnis of de beslissing op grond van het derde lid is
bepaald dat de veroordeelde ook in het geval hij de leeftijd van
achttien jaren heeft bereikt in aanmerking komt voor vervangende
jeugddetentie.
6.De duur van de vervangende jeugddetentie of vervangende hechtenis
is ten minste één dag en ten hoogste drie maanden. Voor elke volle
€ 15 van de nog te betalen geldboete wordt niet meer dan één dag
opgelegd. Door betaling van het nog te betalen bedrag vervalt de
vervangende jeugddetentie of de vervangende hechtenis. Artikel 24c,
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
7.Artikel 27, derde en vierde lid, is bij veroordeling tot een
geldboete van overeenkomstige toepassing.
Artikel 77m
1.Het vonnis of de strafbeschikking vermeldt of de taakstraf
bestaat uit een werkstraf, een leerstraf of een combinatie van beide,
alsmede het aantal uren dat de straf zal duren. Het vonnis of de
strafbeschikking kan de aard en inhoud van de te verrichten
werkzaamheden of het te volgen leerproject vermelden.
2.De duur van de door de rechter opgelegde onbetaalde arbeid of van
de arbeid tot herstel van de door het strafbare feit aangerichte
schade, is ten hoogste tweehonderd uren.
3.De termijn waarbinnen de arbeid moet zijn verricht bedraagt ten
hoogste zes maanden indien niet meer dan honderd uren is opgelegd en
overigens ten hoogste een jaar. Het openbaar ministerie kan evenwel
bij toepassing van artikel 77o, tweede lid, de duur verlengen.
4.De duur van een leerproject is ten hoogste tweehonderd uren.
5.De termijn waarbinnen een leerproject plaatsvindt bedraagt ten
hoogste zes maanden.
6.Indien meer dan één taakstraf wordt opgelegd, bedraagt het
totaal aantal uren niet meer dan tweehonderdenveertig.
7.Artikel 27, eerste en vierde lid, is bij veroordeling tot een
taakstraf door de rechter van overeenkomstige toepassing.
8.Het openbaar ministerie kan de termijn, genoemd in het derde en
vijfde lid, ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde, eenmaal met
een zelfde periode verlengen. Het openbaar ministerie zendt hiervan zo
spoedig mogelijk een kennisgeving aan de veroordeelde.
9.De termijnen, genoemd in het derde en vijfde lid, worden verlengd
met de tijd dat de veroordeelde uit anderen hoofde rechtens zijn
vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig
is.
Artikel 77n
1.In het vonnis waarbij taakstraf wordt opgelegd, beveelt de
rechter voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar
behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast.
2.De duur van de vervangende jeugddetentie wordt in gehele dagen,
weken of maanden vastgesteld.
3.De vervangende jeugddetentie beloopt ten minste één dag en ten
hoogste vier maanden. Voor elke twee uren van de taakstraf wordt niet
meer dan één dag opgelegd.
4.Wanneer een gedeelte van de te verrichten taakstraf is voldaan,
vermindert de duur van de vervangende jeugddetentie naar
evenredigheid. Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een
gedeelte van een dag vervangende jeugddetentie zou moeten worden
ondergaan, dan vindt afronding naar boven plaats tot het naaste aantal
gehele dagen.
Artikel 77o
1.De raad voor de kinderbescherming heeft tot taak de voorbereiding
en de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van taakstraffen. Over de
wijze waarop de veroordeelde de taakstraf uitvoert, kan het openbaar
ministerie inlichtingen inwinnen bij de raad voor de
kinderbescherming. Het openbaar ministerie kan diens medewerking
inroepen en hem de nodige opdrachten geven. De raad voor de
kinderbescherming is bevoegd aanwijzingen te geven aan de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, wanneer het
de tenuitvoerlegging van een taakstraf door de stichting, bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg betreft.
2.Het openbaar ministerie kan na overleg met de raad voor de
kinderbescherming en de veroordeelde, de opgelegde straf, behoudens
voor wat betreft het aantal opgelegde uren, wijzigen indien het van
oordeel is dat de veroordeelde de taakstraf niet geheel overeenkomstig
het vonnis of de strafbeschikking kan of heeft kunnen volbrengen. Hij
benadert daarbij zo veel mogelijk de opgelegde taakstraf. Het openbaar
ministerie geeft hiervan kennis aan de veroordeelde en de raad voor de
kinderbescherming.
3.Het openbaar ministerie doet deze kennisgeving zo spoedig
mogelijk aan de veroordeelde betekenen. De kennisgeving behelst het
aantal uren dat naar het oordeel van het openbaar ministerie reeds
naar behoren is volbracht, alsmede de straf zoals deze voor het
overige nader is vastgesteld.
4.Tegen de kennisgeving, bedoeld in het derde lid, kan de
veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening een bezwaarschrift
indienen bij de rechter die de straf oplegde. De rechter kan de
beslissing van het openbaar ministerie wijzigen. Het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 77p
1.Indien de door de rechter tot een taakstraf veroordeelde niet
aanvangt met de taakstraf of het openbaar ministerie van oordeel is
dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde taakstraf niet naar
behoren verricht of heeft verricht, kan het openbaar ministerie de
tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie bevelen. Het
openbaar ministerie geeft hiervan kennis aan de veroordeelde en de
raad voor de kinderbescherming.
2.Het openbaar ministerie doet deze kennisgeving zo spoedig
mogelijk aan de veroordeelde betekenen. De kennisgeving behelst het
aantal uren taakstraf dat naar het oordeel van het openbaar ministerie
is verricht, alsmede het aantal dagen vervangende jeugddetentie.
3.Tegen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, kan de
veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening daarvan een
bezwaarschrift indienen bij de rechter die de straf oplegde. De
rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie wijzigen.
4.Indien de veroordeelde bij aanvang van de tenuitvoerlegging de
leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, wordt de vervangende
jeugddetentie ten uitvoer gelegd als vervangende hechtenis, tenzij in
het vonnis is bepaald dat de veroordeelde ook in het geval hij de
leeftijd van achttien jaren heeft bereikt in aanmerking komt voor
vervangende jeugddetentie.
Artikel 77q
1.Het openbaar ministerie kan slechts een beslissing nemen of een
bevel geven krachtens artikel 77o, tweede lid, onderscheidenlijk
artikel 77p, eerste lid, binnen drie maanden na afloop van de termijn
waarbinnen de arbeid moet zijn verricht of waarbinnen het leerproject
moet zijn gevolgd krachtens artikel 77m.
2.Indien naar het oordeel van het openbaar ministerie de opgelegde
taakstraf naar behoren is uitgevoerd, stelt het zo spoedig mogelijk de
veroordeelde hiervan in kennis.
Artikel 77r
Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is slechts
mogelijk in de gevallen genoemd in de artikelen 179, 179a en 180 van de
Wegenverkeerswet 1994 en in artikel 30, zesde lid, van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (Stb. 1963, 228). Die
artikelen zijn dan van overeenkomstige toepassing.
Artikel 77s
1.De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan
slechts worden opgelegd, indien
a. het een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is
toegelaten;
b. de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van
personen of goederen het opleggen van die maatregel eist, en
c. de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke
verdere ontwikkeling van de verdachte.
2.De rechter legt de maatregel slechts op, nadat hij zich een met
redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen
overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende
disciplines. Het advies wordt door de deskundigen gezamenlijk dan wel
door ieder van hen afzonderlijk uitgebracht. Indien dit advies eerder
dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend kan
de rechter hier slechts gebruik van maken met instemming van het
openbaar ministerie en de verdachte.
3.De maatregel kan ook worden opgelegd indien de verdachte niet
strafbaar is op de grond dat het feit hem wegens de gebrekkige
ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet kan
worden toegerekend. Indien bij de verdachte tijdens het begaan van het
feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de
geestvermogens bestond, dient bij toepassing van het eerste lid één
van de gedragsdeskundigen een psychiater te zijn.
4.Het tweede lid blijft buiten toepassing indien de betrokkene
weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van
het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk maken de
gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel ieder van hen afzonderlijk over
de reden van weigering rapport op. De rechter doet zich zoveel
mogelijk een ander advies of rapport, dat hem over de wenselijkheid of
noodzakelijkheid van de oplegging van de maatregel kan voorlichten en
aan de totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is om
medewerking te verlenen, overleggen.
5.Indien de maatregel is opgelegd draagt Onze Minister van Justitie
de tenuitvoerlegging op aan een inrichting als bedoeld in artikel 1,
onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, of doet
hij de veroordeelde elders opnemen.
6.De maatregel geldt voor de tijd van twee jaar. De termijn gaat in
nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden. De
maatregel vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke
uitspraak waarbij de betrokkene wederom de maatregel wordt opgelegd.
7.De termijn van de maatregel loopt niet:
a. gedurende de tijd dat aan de veroordeelde uit anderen hoofde
rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij
uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;
b. wanneer de veroordeelde langer dan een week ongeoorloofd
afwezig is uit de plaats die voor de tenuitvoerlegging van de
maatregel is aangewezen.
8.Onze Minister van Justitie kan de maatregel te allen tijde, na
advies te hebben ingewonnen van de raad voor de kinderbescherming,
voorwaardelijk of onvoorwaardelijk beëindigen.
Artikel 77s bis [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 77t
1.De rechter die in eerste aanleg heeft kennis genomen van het
misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, kan op vordering
van het openbaar ministerie de termijn, bedoeld in artikel 77s, zesde
lid, telkens met ten hoogste twee jaren verlengen. Niet eerder dan
twee maanden en niet later dan een maand voor het tijdstip waarop de
maatregel door tijdsverloop zal eindigen, kan het openbaar ministerie
een vordering indienen tot verlenging van de maatregel. De artikelen
509oa en 509q van het Wetboek van Strafvordering zijn van
overeenkomstige toepassing.
2.Verlenging van de termijn van de maatregel is slechts mogelijk
voor zover de maatregel daardoor de duur van vier jaar niet te boven
gaat, tenzij de maatregel is opgelegd aan een verdachte als bedoeld in
artikel 77s, derde lid, tweede volzin. In zodanig geval is verlenging
mogelijk voor zover de maatregel de duur van zes jaar niet te boven
gaat.
3.De verlenging is slechts mogelijk, indien de maatregel is
opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar
veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of
meer personen. Artikel 77s, eerste lid, onder b en c, is van
overeenkomstige toepassing. De verlenging is niet mogelijk indien
gebruik is gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 77x.
4.Een vordering tot verlenging van de maatregel van plaatsing in
een inrichting voor jeugdigen wordt bij de rechtbank behandeld door de
meervoudige kamer.
5.Bij de vordering worden overgelegd:
a. een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend
advies afkomstig van het hoofd van de inrichting, en
b. een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke
en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde.
6.De maatregel kan zonder advies, bedoeld in het vierde lid, onder
a, worden verlengd indien dit door gebrek aan medewerking van de
veroordeelde niet kan worden uitgebracht.
Artikel 77u
Een beslissing op grond van artikel 77t wordt bij beschikking
genomen, nadat de veroordeelde en indien deze minderjarig is, ook
degenen die het gezag over hem uitoefenen, zijn gehoord of behoorlijk
opgeroepen. De artikelen 14h, 14i, tweede tot en met zesde lid, en 14j
van dit wetboek alsmede artikel 495b van het Wetboek van Strafvordering
zijn van overeenkomstige toepassing, onverminderd de artikelen 502 en
503 van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 77v
1.Indien jeugddetentie of plaatsing in een inrichting voor
jeugdigen wordt opgelegd, kan de rechter in zijn uitspraak een advies
opnemen over de plaats waar en de wijze waarop deze straf of maatregel
zal moeten worden ten uitvoer gelegd. De rechter kan bij een
beslissing als bedoeld in artikel 77t zodanig advies opnemen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing indien met gebruikmaking
van artikel 77x, de straf of maatregel geheel niet wordt ten uitvoer
gelegd. Indien ingevolge artikel 77dd de straf of maatregel alsnog
geheel of gedeeltelijk ten uitvoer wordt gelegd, kan de rechter een
advies opnemen in de last tot tenuitvoerlegging.
3.Het openbaar ministerie stelt Onze Minister van Justitie in
kennis van rechterlijke uitspraken, zodra deze voor tenuitvoerlegging
vatbaar zijn geworden. Het voegt daarbij, in voorkomende gevallen, het
advies van de rechter omtrent de plaatsing.
4.Onze Minister kan het advies van de raad voor de
kinderbescherming inwinnen omtrent de plaats van de tenuitvoerlegging.
Artikel 77w
1.De maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige kan slechts
worden opgelegd, indien:
a. de ernst van het begane misdrijf of de veelvuldigheid van de
begane misdrijven of voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf
hiertoe aanleiding geven, en
b. de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke
verdere ontwikkeling van de verdachte.
2.De rechter legt de maatregel slechts op, nadat hij zich een met
redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen
overleggen van de raad voor de kinderbescherming, dat wordt
ondersteund door ten minste een gedragsdeskundige. Indien dit advies
eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is
gedagtekend kan de rechter hier slechts gebruik van maken met
instemming van het openbaar ministerie en de verdachte.
3.De rechter geeft in zijn uitspraak aan waar de maatregel uit
bestaat. De maatregel kan inhouden dat de veroordeelde aan een
programma deelneemt in een door de rechter aan te wijzen instelling of
dat de veroordeelde een ambulant programma zal volgen onder
begeleiding van een door de rechter aan te wijzen organisatie.
4.Het programma, bedoeld in het derde lid, mag de vrijheid van de
veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden, en de
staatkundige vrijheid niet beperken.
5.De instellingen of organisaties, bedoeld in het derde lid,
stellen voor de uitvoering van het programma een plan vast dat is
afgestemd op de problematiek van de veroordeelde. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de
eisen waaraan het plan, alsmede waaraan de programma’s en de
instellingen of organisaties, bedoeld in het derde lid, moeten
voldoen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorts
regels worden gesteld omtrent de werkwijze van de instellingen of
organisaties, bedoeld in het derde lid.
6.De maatregel wordt opgelegd voor de tijd van ten minste zes
maanden en ten hoogste een jaar. De termijn gaat in nadat de
rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden.
7.De jeugdreclassering heeft tot taak de voorbereiding en de
ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Over de wijze
waarop de veroordeelde de maatregel uitvoert, kan het openbaar
ministerie inlichtingen inwinnen bij de jeugdreclassering.
8.De termijn van de maatregel loopt niet gedurende de tijd dat aan
de veroordeelde uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen
en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming
ongeoorloofd afwezig is.
Artikel 77wa
1.De rechter kan bepalen dat het in artikel 77w, derde lid,
bedoelde programma geheel of ten dele komt te bestaan uit een vorm van
zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdelen a en b, van de
Wet op de jeugdzorg, indien de stichting, bedoeld in artikel 1, onder
f, van die wet ten aanzien van de verdachte een besluit heeft genomen
waaruit blijkt dat deze op deze vorm van zorg is aangewezen. Het
besluit wordt overgelegd bij het advies van de raad voor de
kinderbescherming.
2.In afwijking van het eerste lid kan de rechter, indien de
stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg een besluit waaruit blijkt of de verdachte op deze vorm van
zorg is aangewezen niet of niet tijdig neemt, op een daartoe strekkend
advies van de raad voor de kinderbescherming bepalen dat het in
artikel 77w, derde lid, bedoelde programma geheel of ten dele komt te
bestaan uit een vorm van zorg als bedoeld in het eerste lid.
3.Indien de rechter toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in
het tweede lid, doet de raad daarvan onverwijld mededeling aan de
stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg.
Artikel 77wb
1.Indien het gedrag van de veroordeelde daartoe aanleiding geeft of
wijziging van de maatregel in het belang is van de ontwikkeling van de
veroordeelde, kan de rechter, op vordering van het openbaar
ministerie, beslissen dat de maatregel een andere invulling krijgt.
2.De rechter beslist slechts tot een andere invulling van de
maatregel, nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en
ondertekend advies heeft doen overleggen van de raad voor de
kinderbescherming.
3.Artikel 77w, tweede lid, eerste volzin, derde tot en met vijfde,
zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing op de
beslissing tot wijziging van de maatregel.
Artikel 77wc
1.In het vonnis waarbij de maatregel betreffende het gedrag van de
jeugdige wordt opgelegd, beveelt de rechter voor het geval dat de
veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de
maatregel heeft meegewerkt, dat vervangende jeugddetentie zal worden
toegepast.
2.De duur van de vervangende jeugddetentie wordt in gehele dagen,
weken of maanden vastgesteld. Voor elke maand waarvoor de maatregel is
opgelegd beloopt de vervangende jeugddetentie maximaal een maand.
3.Wanneer een gedeelte van de maatregel ten uitvoer is gelegd,
vermindert de duur van de vervangende jeugddetentie naar
evenredigheid.
4.Artikel 77p is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 77wd
1.Indien het gedrag van de veroordeelde daartoe aanleiding geeft en
verlenging in het belang is van de ontwikkeling van de veroordeelde,
kan de rechter de termijn van de maatregel, op vordering van het
openbaar ministerie, eenmaal verlengen voor ten hoogste dezelfde tijd
als waarvoor de maatregel was opgelegd. Niet eerder dan twee maanden
en niet later dan een maand voor het tijdstip waarop de maatregel door
tijdsverloop zal eindigen, kan het openbaar ministerie een vordering
indienen tot verlenging van de maatregel. Artikel 77u is van
overeenkomstige toepassing.
2.Een vordering als bedoeld in het eerste lid, die later dan een
maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal
eindigen, doch binnen een redelijke termijn is ingediend, is niettemin
ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de
verdere ontwikkeling van de jeugdige de verlenging van de maatregel
eist.
3.Bij de vordering worden overgelegd:
a. een recent opgemaakt, met redenen omkleed advies, afkomstig
van de raad voor de kinderbescherming;
b. een afschrift van de aantekeningen omtrent het gedrag van de
veroordeelde, afkomstig van de instelling of organisatie die
belast is met de uitvoering van de maatregel.
4.In de beslissing omtrent de verlenging geeft de rechter aan
waaruit de verlenging van de maatregel bestaat. De verlenging kan
inhouden dat het programma waaraan de veroordeelde deelneemt wordt
verlengd. De verlenging kan ook inhouden dat de veroordeelde deelneemt
aan een door de rechter aan te wijzen programma in een daarbij aan te
wijzen inrichting of dat de veroordeelde een door de rechter aan te
wijzen ambulant programma zal volgen onder begeleiding van een in de
beslissing aangewezen organisatie.
5.Artikel 77wa is van overeenkomstige toepassing op de beslissing
tot verlenging.
Artikel 77x
In geval van een veroordeling tot jeugddetentie, vervangende
jeugddetentie daaronder niet begrepen, tot taakstraf, tot geldboete, tot
plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, tot de maatregel betreffende
het gedrag van de jeugdige of tot ontzegging van de bevoegdheid
motorrijtuigen te besturen, kan de rechter bepalen dat deze geheel of
gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd. De rechter kan de
werking van de bijzondere voorwaarden beperken tot een bij de uitspraak
te bepalen tijdsduur binnen de proeftijd.
Artikel 77y
1.De rechter die bepaalt dat een door hem opgelegde straf of
maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, stelt daarbij een
proeftijd vast van ten hoogste twee jaren.
2.De proeftijd gaat in:
a. indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, eerste
en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is uitgereikt of
toegezonden, op de vijftiende dag nadat de einduitspraak is
gedaan, tenzij door de tijdige aanwending van een rechtsmiddel het
vonnis of arrest niet onherroepelijk is geworden;
b. indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, derde
lid, van het Wetboek van Strafvordering moet worden betekend, op
de vijftiende dag na die betekening, tenzij door de tijdige
aanwending van een rechtsmiddel het vonnis of arrest niet
onherroepelijk is geworden.
3.De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde
rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de veroordeelde uit zodanige
vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is.
Artikel 77z
Toepassing van artikel 77x geschiedt onder de algemene voorwaarde dat
de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt
aan een strafbaar feit. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald
welke bijzondere voorwaarden die het gedrag van de veroordeelde
betreffen daarnaast kunnen worden gesteld. Deze mogen de vrijheid van de
verdachte zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden, en de
staatkundige vrijheid niet beperken. De rechter kan de werking van de
bijzondere voorwaarden beperken tot een bij de uitspraak te bepalen
tijdsduur binnen de proeftijd.
Artikel 77aa
1.Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden is het
openbaar ministerie belast.
2.De rechter kan aan een stichting als bedoeld in artikel 1, onder
f, van de Wet op de jeugdzorg, of, in bijzondere gevallen en na
overleg met een dergelijke rechtspersoon, aan een particulier persoon,
opdragen aan de veroordeelde ter zake van de naleving der bijzondere
voorwaarden hulp en steun te verlenen.
3.De rechter kan, indien de veroordeelde ingevolge artikel 254 van
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek onder toezicht is gesteld, aan een
stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg opdragen aan de veroordeelde ter zake van de naleving der
bijzondere voorwaarden hulp en steun te verlenen.
4.Is de veroordeelde meerderjarig dan is artikel 14d, tweede lid,
van overeenkomstige toepassing.
5.Bij algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze
Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang van de hulp
en steun, bedoeld in het tweede en derde lid.
Artikel 77bb
Artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is van
overeenkomstige toepassing op de mededeling van de veroordeling, waarbij
artikel 77x en 77z zijn toegepast.
Artikel 77cc
1.De rechter die de voorwaarde heeft gesteld, kan na ontvangst van
een vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van
veroordeelde, de proeftijd verkorten of deze eenmaal verlengen. De
verlenging geschiedt met ten hoogste één jaar.
2.Evenzo kan de in het eerste lid bedoelde rechter gedurende de
proeftijd of gedurende de tijd dat deze is geschorst, in de gestelde
bijzondere voorwaarden of in de termijn waartoe deze voorwaarden in
haar werking binnen de proeftijd zijn beperkt, wijziging brengen, deze
voorwaarden opheffen, alsnog bijzondere voorwaarden stellen en een
opdracht als bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, geven, wijzigen of
opheffen.
Artikel 77dd
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 77cc kan de rechter, indien
enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd en hij daartoe termen
vindt, na ontvangst van de vordering van het openbaar ministerie:
a. gelasten dat de niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel,
alsnog zal worden ten uitvoer gelegd;
b. al of niet onder instandhouding of wijziging van de
voorwaarden gelasten dat een gedeelte van de niet ten uitvoer
gelegde straf of maatregel, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.
2.Artikel 14g, tweede, derde en vijfde lid is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat indien bij overeenkomstige
toepassing van artikel 14g, derde lid, onder a, het daar bedoelde
strafbare feit wordt vervolgd voor de politierechter, deze tevens
bevoegd is tot toepassing van het eerste lid voor zover de ten uitvoer
te leggen straf een geldboete, een taakstraf, een jeugddetentie van
niet meer dan twaalf maanden of een gedragsmaatregel betreft.
3.Indien de veroordeelde bij aanvang van de tenuitvoerlegging de
leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, wordt de jeugddetentie
waarvan de rechter op grond van het eerste lid de tenuitvoerlegging
heeft gelast, ten uitvoer gelegd als gevangenisstraf, tenzij de
veroordeelde naar het oordeel van de rechter ook in het geval hij de
leeftijd van achttien jaren heeft bereikt in aanmerking komt voor
jeugddetentie.
Artikel 77ee
1.Indien in het kader van de tenuitvoerlegging van een sanctie
enige beslissing wordt genomen met gebruikmaking van de artikelen 77k,
77l, derde lid, 77o, vierde lid, 77p, derde lid, 77cc of 77dd, eerste
lid, zijn de artikelen 14h, 14i, tweede tot en met zesde lid, en 14j
van dit wetboek alsmede artikel 495b van het Wetboek van
Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
2.Indien de veroordeelde op het tijdstip dat de procedure op zijn
verzoek of op vordering van het openbaar ministerie is ingesteld, de
leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, zijn daarenboven
de artikelen 496 tot en met 498, 504 en 505 van het Wetboek van
Strafvordering van overeenkomstige toepassing. Heeft hij de leeftijd
van zestien jaren nog niet bereikt, dan is tevens artikel 503 van
toepassing.
Artikel 77ff
1.De kosten van jeugddetentie en van plaatsing in een inrichting
voor jeugdigen komen ten laste van de staat.
2.Bij of krachtens de wet worden regels gesteld ten aanzien van de
tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende
maatregelen als bedoeld in artikel 77h en de rechtspositie van
jeugdigen.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
voor de verstrekking van rijkswege van een bijdrage in de bekostiging
van de voorbereiding en uitvoering van
a. projecten als bedoeld in de artikelen 77e en 77f, eerste
lid, onder b,
b. taakstraffen als bedoeld in artikel 77h, tweede lid, en
c. maatregelen betreffende het gedrag van de jeugdige als
bedoeld in artikel 77h, vierde lid, onderdeel b.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over de inhoud van de taakstraf, de tenuitvoerlegging
van de taakstraf en de rechten en plichten van de tot een taakstraf
veroordeelde. Daarbij kan van het aantal uren dat een leerproject kan
duren, genoemd in artikel 77m, vierde lid, worden afgeweken indien de
aard van het leerproject daartoe aanleiding geeft.
Artikel 77gg
1.De straffen en maatregelen als bedoeld in deze Titel, zijn voor
poging, voorbereiding, deelneming en medeplichtigheid dezelfde als die
voor het voltooide misdrijf.
2.Bij samenloop worden meer feiten die als op zichzelf staande
handelingen moeten worden beschouwd, voor de toepassing van straffen
en maatregelen als één feit aangemerkt. Artikel 63 is met betrekking
tot straffen van toepassing.
Artikel 77hh
1.De raad voor de kinderbescherming heeft tot taak toezicht te
houden op de uitvoering van reclasseringswerkzaamheden als bedoeld in
artikel 77f, eerste lid, artikel 77j, vierde en vijfde lid, artikel
77s, achtste lid, 77w, derde en zevende lid, artikel 77aa, tweede en
derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, en artikel 493 van het
Wetboek van Strafvordering, en is in dat kader bevoegd de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg aanwijzingen
te geven.
2.In door Onze Minister van Justitie aan te wijzen gevallen kan de
raad voor de kinderbescherming de stichting inschakelen voor
vrijwillige begeleiding van een jeugdige.
Artikel 77ii [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 77jj [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 77kk [Vervallen per 01-09-1995]
Titel IX. Betekenis van sommige in het wetboek voorkomende
uitdrukkingen
Artikel 78
Waar van misdrijf in het algemeen of van enig misdrijf in het
bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder medeplichtigheid aan, poging
tot en voorbereiding van dat misdrijf begrepen, voorzover niet uit enige
bepaling het tegendeel volgt.
Artikel 78a
1.Waar in dit wetboek de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen,
verhoren of ondervragen van personen, wordt daaronder, met
uitzondering van bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
gevallen, mede begrepen horen, verhoren of ondervragen per
videoconferentie, waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding
totstandkomt tussen de betrokken personen.
2.De voorzitter van het college, de rechter, de rechter-commissaris
of ambtenaar die met de leiding over het horen is belast, beslist of
van videoconferentie gebruik gemaakt wordt, waarbij het belang van het
onderzoek in aanmerking wordt genomen. Alvorens te beslissen wordt de
te horen persoon of diens raadsman en in voorkomende gevallen de
officier van justitie, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te
maken over de toepassing van videoconferentie. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen hierover nadere regels worden gesteld.
3.Tegen de beslissing om van videoconferentie gebruik te maken
staat geen afzonderlijk rechtsmiddel open.
4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent:
a. de eisen waaraan de techniek van videoconferentie dient te
voldoen, onder meer met het oog op de onschendbaarheid van
vastgelegde waarnemingen;
b. de controle op de naleving van de eisen, bedoeld onder a.
Artikel 78b
Waar van veroordeling wordt gesproken wordt daaronder een
strafbeschikking begrepen, voorzover niet uit enige bepaling het
tegendeel volgt.
Artikel 78c
Waar van een voorafgegane of vroegere veroordeling wegens een
strafbaar feit wordt gesproken, wordt daaronder mede verstaan een
voorafgegane of vroegere onherroepelijke veroordeling door een
strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens
soortgelijke feiten.
Artikel 79
Aanslag tot een feit bestaat, zodra het voornemen van de dader zich
door een begin van uitvoering, in de zin van artikel 45, heeft
geopenbaard.
Artikel 80
Samenspanning bestaat zodra twee of meer personen overeengekomen zijn
om het misdrijf te plegen.
Artikel 80bis
Onder omwenteling wordt verstaan het vernietigen of op onwettige
wijze veranderen van de grondwettige regeringsvorm of de orde van
troonopvolging.
Artikel 80ter
Onder verboden plaats wordt verstaan iedere plaats die als verboden
plaats is aangewezen ingevolge de Wet bescherming staatsgeheimen.
Artikel 80quater
Onder gegeven waarvan de geheimhouding door het belang van de staat
wordt geboden, wordt mede verstaan een gegeven, behorende tot of
ontleend aan gegevens, hulpmiddelen of materialen of met behulp daarvan
verrichte onderzoekingen of toegepaste werkmethoden, ter zake van de
geheimhouding waarvan krachtens artikel 68 van de Kernenergiewet
gestelde regelen gelden.
Artikel 80quinquies
Onder gegevens wordt verstaan iedere weergave van feiten, begrippen
of instructies, op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht,
interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken.
Artikel 80sexies
Onder geautomatiseerd werk wordt verstaan een inrichting die bestemd
is om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over
te dragen.
Artikel 81
Met het plegen van geweld wordt gelijkgesteld het brengen in een
staat van bewusteloosheid of onmacht.
Artikel 82
1.Onder zwaar lichamelijk letsel worden begrepen: ziekte die geen
uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid
tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden, en afdrijving of
dood van de vrucht van een vrouw.
2.Onder zwaar lichamelijk letsel wordt mede begrepen storing van de
verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft.
Artikel 82a
Onder een ander, of een kind bij of kort na de geboorte, van het
leven beroven wordt begrepen: het doden van een vrucht die naar
redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het moederlichaam
in leven te blijven.
Artikel 83
Onder terroristisch misdrijf wordt verstaan:
1º. elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 92 tot en
met 96, 108, tweede lid, 115, tweede lid, 117, tweede lid, 121, 122,
157, onderdeel 3°, 161quater, onderdeel 2°, 164, tweede lid, 166,
onderdeel 3°, 168, onderdeel 2°, 170, onderdeel 3°, 174, tweede
lid, en 289, alsmede in artikel 80, tweede lid, Kernenergiewet,
indien het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;
2º. elk van de misdrijven waarop ingevolge de artikelen 114a,
114b, 120a, 120b, 130a, 176a, 176b, 282c, 289a, 304a, 304b, 415a en
415b, alsmede artikel 80, derde lid, van de Kernenergiewet
gevangenisstraf is gesteld;
3º. elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 140a, 282b,
285, derde lid, en 288a, alsmede in artikel 55, vijfde lid, van de
Wet wapens en munitie, artikel 6, vierde lid, van de Wet op de
economische delicten, artikel 33b van de Wet explosieven voor civiel
gebruik en artikel 79 van de Kernenergiewet.
Artikel 83a
Onder terroristisch oogmerk wordt verstaan het oogmerk om de
bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te
jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie
wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan
wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale
structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te
ontwrichten of te vernietigen.
Artikel 83b
Onder misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een
terroristisch misdrijf wordt verstaan elk van de misdrijven omschreven
in de artikelen 131, tweede lid, 132, derde lid, 205, derde lid, 225,
derde lid, 285, vierde lid, 311, eerste lid, onderdeel 6°, 312, tweede
lid, onderdeel 5°, 317, derde lid, jo. 312, tweede lid, onder 5°, 318,
tweede lid, 322a, 326, tweede lid, en 354a.
Artikel 83bis [Vervallen per 29-03-1971]
Artikel 84
1.Onder ambtenaren worden begrepen leden van algemeen
vertegenwoordigende organen.
2.Onder ambtenaren en onder rechters worden begrepen
scheidsrechters; onder rechters zij die administratieve rechtsmacht
oefenen.
3.Allen die tot de gewapende macht behoren worden mede als
ambtenaar beschouwd.
Artikel 84bis
Onder koopman wordt verstaan ieder die een bedrijf uitoefent.
Artikel 84ter [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 85
1.Onder schipper wordt verstaan elke gezagvoerder van een vaartuig
of die deze vervangt.
2.Opvarenden zijn allen die zich aan boord bevinden, met
uitzondering van de schipper.
3.Schepelingen zijn allen die zich als scheepsofficieren of
scheepsgezellen aan boord bevinden.
4.Vaartuigen in aanbouw noch schepen in aanbouw worden als
vaartuigen of schepen aangemerkt.
Artikel 86
Onder Nederlandse schepen worden alleen verstaan die vaartuigen welke
door de wet betrekkelijk de afgifte van zeebrieven en vergunningen tot
het voeren van de Nederlandse vlag als zeeschepen worden aangemerkt.
Artikel 86a
1.Onder Nederlandse luchtvaartuigen worden verstaan:
a. luchtvaartuigen die zijn ingeschreven in Nederlandse
luchtvaartuigregisters;
b. luchtvaartuigen die zonder bemanning zijn verhuurd aan een
huurder die de hoofdzetel van zijn bedrijf, of, indien de huurder
niet een zodanige zetel heeft, zijn vaste verblijfplaats, in
Nederland heeft.
2.Een luchtvaartuig is in vlucht van het moment af waarop alle
buitendeuren, na het instappen, zijn gesloten tot het moment waarop
een van de deuren wordt geopend voor het uitstappen. In geval van een
noodlanding wordt de vlucht geacht voort te duren, totdat de bevoegde
autoriteiten de verantwoordelijkheid voor het luchtvaartuig en voor de
personen en goederen aan boord overnemen.
3.Een luchtvaartuig is in bedrijf van het begin van het gereedmaken
van dat luchtvaartuig voor een bepaalde vlucht door het grondpersoneel
of door de bemanning tot het moment dat sedert de landing
vierentwintig uren zijn verstreken. De periode tijdens welke het
luchtvaartuig in bedrijf is strekt zich in elk geval uit tot de gehele
periode tijdens welke het luchtvaartuig in vlucht is, zoals omschreven
in het tweede lid.
Artikel 87
1.Onder vijand worden begrepen opstandelingen.
2.Onder oorlog wordt begrepen burgeroorlog.
3.Onder tijd van oorlog wordt begrepen de tijd waarin oorlog
dreigende is. Tijd van oorlog wordt mede geacht te bestaan zodra
dienstplichtigen buitengewoon in werkelijke dienst worden opgeroepen
en zolang zij buitengewoon in werkelijke dienst worden gehouden.
Artikel 87a
Onder een bevriende staat wordt verstaan een buitenlandse mogendheid
waarmede Nederland niet in een gewapend conflict is gewikkeld.
Artikel 87b
1. Onder internationaal beschermd persoon wordt verstaan een
persoon vallende onder de omschrijving van artikel 1, eerste lid, van
het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van misdrijven tegen
internationaal beschermde personen, met inbegrip van diplomaten van 14
december 1973 (Trb. 1981, 69).
2. Onder internationaal beschermd persoon wordt mede verstaan een
persoon vallende onder de omschrijving van artikel 1, onderdeel a of
b, van het Verdrag inzake de veiligheid van VN-personeel en
geassocieerd personeel van 9 december 1994 (Trb. 1996, 62), zoals
aangevuld door het Facultatief Protocol van 8 december 2005 ( Trb.
2006, 211).
3. Onder beschermde goederen worden verstaan de goederen bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onder b, van het in het eerste lid genoemde
verdrag en artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van het in het tweede
lid genoemde verdrag.
Artikel 88
Onder maand wordt verstaan een tijd van dertig dagen, onder dag,
behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van
vierentwintig uren.
Artikel 89
Onder inklimming wordt begrepen ondergraving, alsmede het
overschrijden van sloten of grachten tot afsluiting dienende.
Artikel 90
Onder valse sleutels worden begrepen alle tot opening van het slot
niet bestemde werktuigen.
Artikel 90bis
1.Onder opkoper wordt verstaan hij die van opkopen een beroep of
een gewoonte maakt.
2.Onder opkopen worden begrepen alle handelingen, hoe ook genaamd,
waarmede kennelijk hetzelfde wordt beoogd.
Artikel 90ter
1.Onder electriciteitswerken worden verstaan werken dienende tot
voortbrenging, geleiding, transformatie of levering van electriciteit
en daarmede in verband staande beveiligings-, bevestigings-,
ondersteunings- en waarschuwingswerken.
2.Onder electriciteitswerken worden niet begrepen telegraaf- en
telefoonwerken.
Artikel 90quater
Onder discriminatie of discrimineren wordt verstaan elke vorm van
onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft
of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening
op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op
andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan of
aangetast.
Artikel 90quinquies
1.Onder inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden
wordt verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 37d, eerste lid.
2.Onder justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden wordt verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 37d,
eerste lid, onder a waarvan de verpleegkosten vanwege de Minister van
Justitie worden vergoed op grond van een door hem goedgekeurde
inrichtingsbegroting, dan wel een inrichting als bedoeld in artikel
37d, eerste lid, onder b waarvan de algehele exploitatiekosten ten
laste van het Ministerie van Justitie komen.
Artikel 90sexies
Onder psychiatrisch ziekenhuis wordt verstaan:
1°. een krachtens artikel 5 van de Wet toelating
zorginstellingen als ziekenhuis, verpleeginrichting of
zwakzinnigeninrichting toegelaten instelling, voor zover die
instelling blijkens de toelating gericht is op de behandeling van
psychiatrische patiënten;
2°. een psychiatrische afdeling van een academisch ziekenhuis.
Artikel 90septies
Onder psychiater wordt verstaan een arts die bevoegd is de titel van
psychiater of zenuwarts te voeren.
Artikel 90octies
Waar van huwelijk of echtgenoot wordt gesproken wordt, met
uitzondering van artikel 449, daaronder mede begrepen geregistreerd
partnerschap dan wel geregistreerde partner.
Slotbepaling
Artikel 91
De bepalingen van de Titels I-VIII A van dit Boek zijn ook
toepasselijk op feiten waarop bij andere wetten of verordeningen straf
is gesteld, tenzij de wet anders bepaalt.
Tweede Boek. Misdrijven
Titel I. Misdrijven tegen de veiligheid van de staat
Artikel 92
De aanslag ondernomen met het oogmerk om de Koning, de regerende
Koningin of de Regent van het leven of de vrijheid te beroven of tot
regeren ongeschikt te maken, wordt gestraft met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
Artikel 93
De aanslag ondernomen met het oogmerk om het Rijk geheel of
gedeeltelijk onder vreemde heerschappij te brengen of om een deel
daarvan af te scheiden, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf
of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 94
De aanslag ondernomen met het oogmerk om de grondwettige
regeringsvorm of de orde van troonopvolging te vernietigen of op
onwettige wijze te veranderen, wordt gestraft met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
Artikel 95
Hij die door geweld of bedreiging met geweld een vergadering van de
regeringsraad uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van enig besluit
dwingt, een lid uit die vergadering verwijdert of opzettelijk een lid
verhindert die vergadering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd
zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf
of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 95a
Hij die door geweld of bedreiging met geweld een vergadering van de
raad van ministers uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van enig
besluit dwingt, een lid uit die vergadering verwijdert of opzettelijk
een lid verhindert die vergadering bij te wonen of daarin vrij en
onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
Artikel 96
1.De samenspanning tot een der in de artikelen 92-95a omschreven
misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2.Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, met het oogmerk om een
der in de artikelen 92-95a omschreven misdrijven voor te bereiden of
te bevorderen:
1°. een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te
doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om
daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;
2°. gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van
het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;
3°. voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij
bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;
4°. plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd
zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of
onder zich heeft;
5°. enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering
van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te
beletten, te belemmeren of te verijdelen.
Artikel 97
1.Hij die met een buitenlandse mogendheid in verbinding treedt, met
het oogmerk om haar tot het plegen van vijandelijkheden of het voeren
van oorlog tegen de staat te bewegen, haar in het daartoe opgevatte
voornemen te versterken, haar daarbij hulp toe te zeggen of bij de
voorbereiding hulp te verlenen, wordt gestraft met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
2.Handelingen gepleegd ter voorbereiding van een misdrijf als
omschreven in het voorgaande lid, worden gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 97a
Hij die met een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam in
verbinding treedt met het oogmerk om een zodanig persoon of lichaam tot
het verschaffen van steun aan het voorbereiden, bevorderen of
teweegbrengen van omwenteling te bewegen, om een zodanig persoon of
lichaam in het daartoe opgevatte voornemen te versterken of aan een
zodanig persoon of lichaam daarbij hulp toe te zeggen of te verlenen, of
om omwenteling voor te bereiden, te bevorderen of teweeg te brengen,
wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten
hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 97b
Met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de
vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die enig voorwerp invoert dat geschikt is tot het
verschaffen van stoffelijke steun aan het voorbereiden, bevorderen
of teweegbrengen van omwenteling, indien hij weet of ernstige reden
heeft om te vermoeden dat het daartoe bestemd is;
2°. hij die enig voorwerp onder zich heeft of tot onderwerp van
een overeenkomst maakt dat geschikt is tot het verschaffen van
stoffelijke steun aan het voorbereiden, bevorderen of teweegbrengen
van omwenteling, indien hij weet of ernstige reden heeft om te
vermoeden, dat het daartoe bestemd is en dat het voorwerp of enig
ander voorwerp waarvoor het in de plaats is getreden, hetzij met die
bestemming is ingevoerd, hetzij door of vanwege een in het
buitenland gevestigd persoon of lichaam daartoe is bestemd.
Artikel 98
1.Hij die een inlichting waarvan de geheimhouding door het belang
van de staat of van zijn bondgenoten wordt geboden, een voorwerp
waaraan een zodanige inlichting kan worden ontleend, of zodanige
gegevens opzettelijk verstrekt aan of ter beschikking stelt van een
tot kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon of lichaam, wordt,
indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een zodanige
inlichting, een zodanig voorwerp of zodanige gegevens betreft,
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
2.Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een inlichting die van
een verboden plaats afkomstig is en tot de veiligheid van de staat of
van zijn bondgenoten in betrekking staat, een voorwerp waaraan een
zodanige inlichting kan worden ontleend, of zodanige gegevens
opzettelijk verstrekt aan of ter beschikking stelt van een tot
kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon of lichaam, indien hij
weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een zodanige inlichting,
een zodanig voorwerp of zodanige gegevens betreft.
Artikel 98a
1.Hij die een inlichting, een voorwerp of gegevens als bedoeld in
artikel 98, hetzij opzettelijk openbaar maakt, hetzij zonder daartoe
gerechtigd te zijn opzettelijk verstrekt aan of ter beschikking stelt
van een buitenlandse mogendheid, een in het buitenland gevestigd
persoon of lichaam, dan wel een zodanig persoon of lichaam dat gevaar
ontstaat dat de inlichting of de gegevens aan een buitenlandse
mogendheid of aan een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam
bekend wordt, wordt, indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden
dat het een zodanige inlichting of zodanige gegevens betreft, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2.Indien de schuldige heeft gehandeld in tijd van oorlog dan wel in
dienst of in opdracht van een buitenlandse mogendheid of van een in
het buitenland gevestigd persoon of lichaam, kan levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of
geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd.
3.Handelingen gepleegd ter voorbereiding van een misdrijf als
omschreven in de voorgaande leden worden gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 98b
Hij aan wiens schuld te wijten is dat een inlichting, een voorwerp of
gegevens als bedoeld in artikel 98, openbaar worden gemaakt of ter
beschikking komt van een tot kennisneming daarvan niet gerechtigd
persoon of lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
een jaar of geldboete van de derde categorie.
Artikel 98c
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de
vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die opzettelijk een inlichting, een voorwerp of
gegevens als bedoeld in artikel 98, zonder daartoe gerechtigd te
zijn, onder zich neemt of houdt;
2°. hij die enige handeling verricht, ondernomen met het
oogmerk om, zonder daartoe gerechtigd te zijn, de beschikking te
krijgen over een inlichting, een voorwerp of gegevens als bedoeld
in artikel 98;
3°. hij die tersluik, onder een vals voorgeven, door middel
van een vermomming of langs een andere dan de gewone toegang op of
in een verboden plaats komt of tracht te komen, aldaar in dier
voege aanwezig is, of zich op een van die wijzen of door een van
die middelen vandaar verwijdert of tracht te verwijderen.
2.De bepaling onder 3° is niet toepasselijk, indien de rechter
blijkt dat de dader niet heeft gehandeld met het oogmerk bedoeld onder
2°.
Artikel 99
Hij die een hem van regeringswege opgedragen onderhandeling met een
buitenlandse mogendheid opzettelijk ten nadele van de staat voert, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
Artikel 100
Met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de
vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die, in geval van een oorlog waarin Nederland niet
betrokken is, opzettelijk enige handeling verricht waardoor het
gevaar ontstaat dat de staat in een oorlog wordt betrokken, of enig
van regeringswege gegeven en bekendgemaakt bijzonder voorschrift tot
handhaving van het niet deelnemen aan de oorlog opzettelijk
overtreedt;
2°. hij die, in tijd van oorlog, enig voorschrift van
regeringswege in het belang van de veiligheid van de staat gegeven
en bekendgemaakt, opzettelijk overtreedt.
Artikel 101
De Nederlander die in het vooruitzicht van een oorlog met een
buitenlandse mogendheid vrijwillig bij deze mogendheid in krijgsdienst
treedt, wordt, indien de oorlog uitbreekt, gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 102
Met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig
jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft hij die
opzettelijk, in tijd van oorlog, de vijand hulp verleent of de staat
tegenover de vijand benadeelt.
Artikel 103
De samenspanning tot het in artikel 102 omschreven misdrijf wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van
de vijfde categorie.
Artikel 103a
Niet strafbaar is hij die een der in de artikelen 102 en 103
omschreven misdrijven heeft begaan in de redelijke overtuiging het
Nederlandse belang niet te schaden.
Artikel 104
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de
vijfde categorie wordt gestraft hij die, in tijd van oorlog, zonder
oogmerk om de vijand hulp te verlenen of de staat tegenover de vijand te
benadelen, opzettelijk:
1°. een verspieder van de vijand opneemt, verbergt of
voorthelpt;
2°. desertie van een krijgsman, in dienst van het Rijk,
teweegbrengt of bevordert.
Artikel 105
1.Hij die, in tijd van oorlog, enige bedrieglijke handeling pleegt
bij levering van benodigdheden ten dienste van de krijgsmacht, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
2.Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over
de levering van de goederen belast, de bedrieglijke handeling
opzettelijk toelaat.
Artikel 106
1.Bij veroordeling wegens het in artikel 92 omschreven misdrijf,
kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°-4°,
vermelde rechten worden uitgesproken.
2.Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 93-103 omschreven
misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder
1°-3°, vermelde rechten worden uitgesproken.
3.Bij veroordeling wegens het in artikel 105 omschreven misdrijf,
kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep
waarin hij het misdrijf begaan heeft en van de in artikel 28, eerste
lid, onder 1°-4°, vermelde rechten, en kan openbaarmaking van de
rechterlijke uitspraak worden gelast.
Artikel 107
De straffen gesteld op de in de artikelen 102-105 omschreven feiten,
zijn toepasselijk indien een van die feiten wordt gepleegd tegen of met
betrekking tot de bondgenoten van de staat in een gemeenschappelijke
oorlog.
Artikel 107a
De artikelen 100, onder 2°, en 101-107 vinden overeenkomstige
toepassing in geval van een gewapend conflict dat niet als oorlog kan
worden aangemerkt en waarbij Nederland is betrokken, hetzij ter
individuele of collectieve zelfverdediging, hetzij tot herstel van
internationale vrede en veiligheid.
Titel II. Misdrijven tegen de koninklijke waardigheid
Artikel 108
1.De aanslag op het leven of de vrijheid van de echtgenoot van de
Koning, van de vermoedelijke opvolger van de Koning, of van diens
echtgenoot, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2.Indien de aanslag op het leven de dood ten gevolge heeft of met
voorbedachten rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf
of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren opgelegd of geldboete van
de vijfde categorie.
Artikel 109
Elke feitelijke aanranding van de persoon van de Koning die niet valt
in een zwaardere strafbepaling wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste zeven jaren en zes maanden of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 110
Elke feitelijke aanranding van de persoon van de echtgenoot van de
Koning, van de vermoedelijke opvolger van de Koning, van diens
echtgenoot, of van de Regent die niet valt in een zwaardere
strafbepaling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 111
Opzettelijke belediging van de Koning wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde
categorie.
Artikel 112
Opzettelijke belediging van de echtgenoot van de Koning, van de
vermoedelijke opvolger van de Koning, van diens echtgenoot, of van de
Regent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Artikel 113
1.Hij die een geschrift of afbeelding waarin een belediging
voorkomt voor de Koning, de echtgenoot van de Koning, de vermoedelijke
opvolger van de Koning, diens echtgenoot of de Regent, verspreidt,
openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk
tentoongesteld of aangeslagen te worden in voorraad heeft, wordt,
indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat in het
geschrift of de afbeelding zodanige belediging voorkomt, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde
categorie.
2.Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap
of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een zodanig
geschrift openlijk ten gehore brengt.
3.Indien de schuldige een van de misdrijven omschreven in dit
artikel in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het
misdrijf, nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere
veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven
onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep
worden ontzet.
Artikel 114
1.Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 108, 109 en 110
omschreven misdrijven kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid,
onder 1°-4°, vermelde rechten worden uitgesproken.
2.Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 111 en 112
omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28, eerste
lid, onder 1°-3°, vermelde rechten worden uitgesproken.
Artikel 114a
Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 108, eerste lid,
109 of 110, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat
artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd en
wordt, indien op het misdrijf een tijdelijke gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren is gesteld, levenslange gevangenisstraf of
tijdelijke van ten hoogste dertig jaren opgelegd.
Artikel 114b
1.De samenspanning tot de in artikel 108 omschreven misdrijven, te
begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
2.Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Titel III. Misdrijven tegen hoofden van bevriende Staten en andere
internationaal beschermde personen
Artikel 115
1.De aanslag op het leven of de vrijheid van een hoofd van een
bevriende staat wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2.Indien de aanslag op het leven de dood ten gevolge heeft of met
voorbedachten rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf
of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde
categorie opgelegd.
Artikel 116
Elke feitelijke aanranding van de persoon van een hoofd van een
bevriende staat, die niet valt in een zwaardere strafbepaling, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van
de vijfde categorie.
Artikel 117
1.De aanslag op het leven of de vrijheid van een internationaal
beschermd persoon wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2.Indien de aanslag op het leven de dood ten gevolge heeft of met
voorbedachte rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf
of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren opgelegd of geldboete van
de vijfde categorie.
Artikel 117a
Elke feitelijke aanranding van de persoon van een internationaal
beschermd persoon, die niet valt in een zwaardere strafbepaling, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van
de vierde categorie.
Artikel 117b
Hij die opzettelijk geweld pleegt tegen de beschermde goederen van
een internationaal beschermd persoon wordt, indien daardoor gevaar voor
de veiligheid of de vrijheid van die persoon te duchten is, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 118
1.Opzettelijke belediging van het hoofd of een lid van de regering
van een bevriende staat, in de uitoefening van zijn ambt in Nederland
verblijvende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee
jaren of geldboete van de vierde categorie.
2.Met dezelfde straf wordt gestraft opzettelijke belediging van een
officieel bij de Nederlandse regering toegelaten vertegenwoordiger van
een bevriende staat in diens hoedanigheid.
3.Bij veroordeling wegens een der in dit artikel omschreven
misdrijven kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder
1°-2°, vermelde rechten worden uitgesproken.
Artikel 119
1.Hij die een geschrift of afbeelding waarin een belediging
voorkomt voor het hoofd of een lid van de regering van een bevriende
staat, in de uitoefening van zijn ambt in Nederland verblijvende,
verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat, dan wel de inhoud van
zulk een geschrift openlijk ten gehore brengt, wordt, indien hij weet
of ernstige reden heeft om te vermoeden dat in het geschrift of de
afbeelding zodanige belediging voorkomt, gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
2.Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een geschrift of
afbeelding waarin een belediging voorkomt voor een officieel bij de
Nederlandse regering toegelaten vertegenwoordiger van een bevriende
staat in diens hoedanigheid, verspreidt, openlijk tentoonstelt of
aanslaat, of om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te
worden in voorraad heeft, dan wel de inhoud van zulk een geschrift
openlijk ten gehore brengt, indien hij weet of ernstige reden heeft om
te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige belediging
voorkomt.
3.Indien de schuldige een van de misdrijven omschreven in dit
artikel, in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het
misdrijf, nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere
veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven
onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep
worden ontzet.
Artikel 120
Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 115 en 116 omschreven
misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder
1°-4°, vermelde rechten worden uitgesproken.
Artikel 120a
Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 115, eerste lid,
116, 117, eerste lid, 117a of 117b, is begaan met een terroristisch
oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met
de helft verhoogd en wordt, indien op het misdrijf een tijdelijke
gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren is gesteld, levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren opgelegd.
Artikel 120b
1.De samenspanning tot de in de artikelen 115 en 117 omschreven
misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2.Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Titel IV. Misdrijven betreffende de uitoefening van staatsplichten en
staatsrechten
Artikel 121
Hij die door geweld of bedreiging met geweld een vergadering van de
beide kamers der Staten-Generaal of van een van deze uiteenjaagt of tot
het nemen of niet nemen van enig besluit dwingt, of een lid, een
minister of een staatssecretaris uit die vergadering verwijdert of
opzettelijk verhindert die bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd
zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf
of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 121a
Hij die door geweld of bedreiging met geweld een vergadering van een
commissie uit de beide kamers der Staten-Generaal of uit een van deze
uiteenjaagt of tot het nemen of niet nemen van enig besluit dwingt of
een lid, een minister of een staatssecretaris uit die vergadering
verwijdert of opzettelijk verhindert die bij te wonen of daarin vrij en
onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 122
1.De samenspanning tot het in artikel 121 omschreven misdrijf wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
2.Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 123
Hij die door geweld of bedreiging met geweld een vergadering van de
staten van een provincie uiteenjaagt of tot het nemen of niet nemen van
enig besluit dwingt of een lid, de voorzitter of een gedeputeerde uit
die vergadering verwijdert of opzettelijk verhindert die bij te wonen of
daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 123a
Hij die door geweld of bedreiging met geweld een vergadering van een
door de staten van een provincie ingestelde commissie uiteenjaagt of tot
het nemen of niet nemen van enig besluit dwingt of een lid, een
gedeputeerde of de commissaris van de Koning uit die vergadering
verwijdert of opzettelijk verhindert die bij te wonen of daarin vrij en
onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 124
Hij die door geweld of bedreiging met geweld een vergadering van de
raad van een gemeente uiteenjaagt of tot het nemen of niet nemen van
enig besluit dwingt of een lid, de voorzitter of een wethouder uit die
vergadering verwijdert of opzettelijk verhindert die bij te wonen of
daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 124a
Hij die door geweld of bedreiging met geweld een vergadering van een
door de raad van een gemeente ingestelde commissie uiteenjaagt of tot
het nemen of niet nemen van enig besluit dwingt of een lid, een
wethouder of de burgemeester uit die vergadering verwijdert of
opzettelijk verhindert die bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd
zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 125
Hij die bij gelegenheid van een krachtens wettelijk voorschrift
uitgeschreven verkiezing door geweld of bedreiging met geweld
opzettelijk iemand verhindert zijn of eens anders kiesrecht vrij en
onbelemmerd uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
Artikel 126
1.Hij die bij gelegenheid van een krachtens wettelijk voorschrift
uitgeschreven verkiezing door gift of belofte iemand omkoopt om zijn
of eens anders kiesrecht hetzij niet, hetzij op bepaalde wijze uit te
oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de derde categorie.
2.Dezelfde straf wordt toegepast op de kiezer of de gemachtigde van
een kiezer die zich door gift of belofte tot een of ander laat
omkopen.
Artikel 127
Hij die bij gelegenheid van een krachtens wettelijk voorschrift
uitgeschreven verkiezing, enige bedrieglijke handeling pleegt waardoor
een stem van onwaarde wordt of een ander dan de bij het uitbrengen van
de stem bedoelde persoon wordt aangewezen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 128
Hij die opzettelijk zich voor een ander uitgevende, aan een krachtens
wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing deelneemt, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 129
Hij die bij gelegenheid van een krachtens wettelijk voorschrift
uitgeschreven verkiezing, opzettelijk een plaats gehad hebbende stemming
verijdelt of enige bedrieglijke handeling pleegt waardoor aan de
stemming een andere uitslag wordt gegeven dan door de wettig
uitgebrachte stemmen zou zijn verkregen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van
de vierde categorie.
Artikel 130
1.Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 121 en 123
omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28, eerste
lid, onder 1°-3°, vermelde rechten worden uitgesproken.
2.Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 122, 124 en 129
omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28, eerste
lid, onder 3°, vermelde rechten worden uitgesproken.
Artikel 130a
Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 123 of 124, is
begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in deze artikelen
bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd.
Titel V. Misdrijven tegen de openbare orde
Artikel 131
1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of
afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen
het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een
terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of
vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de
gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met
een derde verhoogd.
Artikel 132
1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin tot enig strafbaar
feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt
opgeruid, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om
verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in
voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft te
vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige opruiing
voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of
geldboete van de vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke
wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een
zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.
3. Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift of afbeelding
wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter
voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf
inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid
omschreven feit, met een derde verhoogd.
Artikel 133
Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding,
aanbiedt inlichtingen, gelegenheid of middelen te verschaffen om enig
strafbaar feit te plegen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 134
1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin wordt aangeboden
inlichtingen, gelegenheid of middelen te verschaffen om enig strafbaar
feit te plegen, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om
verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in
voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te
vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanig aanbod
voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of
geldboete van de tweede categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke
wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een
zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.
Artikel 134a
Hij die zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of
inlichtingen verschaft of tracht te verschaffen tot het plegen van een
terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of
vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, dan wel zich kennis of
vaardigheden daartoe verwerft of een ander bijbrengt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 134bis [Vervallen per 01-04-1994]
Artikel 135
Hij die, kennis dragende van een strafbare samenspanning, op een
tijdstip waarop het plegen van deze misdrijven nog kan worden voorkomen,
opzettelijk nalaat daarvan tijdig voldoende kennis te geven, hetzij aan
de ambtenaren van de justitie of politie, hetzij aan de bedreigde,
wordt, indien het misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 136
1.Hij die, kennis dragende van een voornemen tot het plegen van een
der in de artikelen 92-110 omschreven misdrijven, tot desertie in tijd
van oorlog, tot militair verraad, tot moord, mensenroof of
verkrachting of tot een der in Titel VII van dit Boek omschreven
misdrijven dan wel een terroristisch misdrijf voor zover daardoor
levensgevaar wordt veroorzaakt, op een tijdstip waarop het plegen van
deze misdrijven nog kan worden voorkomen, opzettelijk nalaat daarvan
tijdig voldoende kennis te geven, hetzij aan de ambtenaren van de
justitie of politie, hetzij aan de bedreigde, wordt, indien het
misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een
jaar of geldboete van de vierde categorie.
2.Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, kennis dragende van
enig in het eerste lid vermeld reeds gepleegd misdrijf waardoor
levensgevaar is ontstaan, op een tijdstip waarop de gevolgen nog
kunnen worden afgewend, opzettelijk nalaat daarvan gelijke
kennisgeving te doen.
Artikel 137
De bepalingen van de artikelen 135 en 136 zijn niet van toepassing op
hem die door de kennisgeving gevaar voor een strafvervolging zou doen
ontstaan voor zichzelf, voor een van zijn bloedverwanten of aangehuwden
in de rechte linie of in de tweede of derde graad van de zijlinie, voor
zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot, of voor een ander bij wiens
vervolging hij zich, uit hoofde van zijn ambt of beroep, van het
afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen.
Artikel 137a [Vervallen per 26-04-1978]
Artikel 137b [Vervallen per 26-04-1978]
Artikel 137c
1.Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of
afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen
wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of
homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of
verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
2.Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een
beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde
categorie opgelegd.
Artikel 137d
1.Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of
afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of
gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras,
hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of
homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of
verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
2.Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een
beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde
categorie opgelegd.
Artikel 137e
1. Hij die, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving:
1°. een uitlating openbaar maakt die, naar hij weet of
redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun
ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of
homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of
verstandelijke handicap beledigend is, of aanzet tot haat tegen of
discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of
goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of
levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele
gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke
handicap;
2°. een voorwerp waarin, naar hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden, zulk een uitlating is vervat, aan iemand, anders dan op
diens verzoek, doet toekomen, dan wel verspreidt of ter
openbaarmaking van die uitlating of verspreiding in voorraad
heeft;
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de derde categorie.
2. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een
beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde
categorie opgelegd.
Artikel 137f
Hij die deelneemt of geldelijke of andere stoffelijke steun verleent
aan activiteiten gericht op discriminatie van mensen wegens hun ras, hun
godsdienst, hun levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of
homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of
verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 137g
1.Hij die, in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf
personen opzettelijk discrimineert wegens hun ras, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde
categorie.
2.Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een
gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde
categorie opgelegd.
Artikel 137h
Indien de schuldige een van de strafbare feiten, omschreven in de
artikelen 131 tot en met 134, 137c tot en met 137g en 147a, in zijn
beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.
Artikel 138
1.Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander
in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar
vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende
aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
2.Hij die zich de toegang heeft verschaft door middel van braak of
inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals
kostuum, of die, zonder voorkennis van de rechthebbende en anders dan
ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in
de voor de nachtrust bestemde tijd, wordt geacht te zijn
binnengedrongen.
3.Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt
om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
4.De in het eerste en derde lid bepaalde gevangenisstraffen kunnen
met een derde worden verhoogd, indien twee of meer verenigde personen
het misdrijf plegen.
Artikel 138a
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de
vierde categorie wordt, als schuldig aan computervredebreuk, gestraft
hij die opzettelijk en wederrechtelijk binnendringt in een
geautomatiseerd werk of in een deel daarvan. Van binnendringen is in
ieder geval sprake indien de toegang tot het werk wordt verworven:
a. door het doorbreken van een beveiliging,
b. door een technische ingreep,
c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel, of
d. door het aannemen van een valse hoedanigheid.
2.Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van
de vierde categorie wordt gestraft computervredebreuk, indien de dader
vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of
overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich
wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, aftapt
of opneemt.
3.Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van
de vierde categorie wordt gestraft computervredebreuk gepleegd door
tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk, indien de dader
vervolgens
a. met het oogmerk zichzelf of een ander wederrechtelijk te
bevoordelen gebruik maakt van verwerkingscapaciteit van een
geautomatiseerd werk;
b. door tussenkomst van het geautomatiseerd werk waarin hij is
binnengedrongen de toegang verwerft tot het geautomatiseerd werk
van een derde.
Artikel 138b
Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk
de toegang tot of het gebruik van een geautomatiseerd werk belemmert
door daaraan gegevens aan te bieden of toe te zenden.
Artikel 139
1.Hij die in een voor de openbare dienst bestemd lokaal
wederrechtelijk binnendringt, of, wederrechtelijk aldaar vertoevende,
zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds
verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de tweede categorie.
2.Hij die zich de toegang heeft verschaft door middel van braak of
inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals
kostuum, of die zonder voorkennis van de bevoegde ambtenaar en anders
dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar wordt
aangetroffen in de voor de nachtrust bestemde tijd, wordt geacht te
zijn binnengedrongen.
3.Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt
om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
4.De in het eerste en derde lid bepaalde gevangenisstraffen kunnen
met een derde worden verhoogd, indien twee of meer verenigde personen
het misdrijf plegen.
Artikel 139a
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van
de vierde categorie wordt gestraft hij die met een technisch
hulpmiddel een gesprek dat in een woning, besloten lokaal of erf wordt
gevoerd opzettelijk:
1°. anders dan in opdracht van een deelnemer aan dat gesprek
afluistert;
2°. zonder deelnemer aan dat gesprek te zijn en anders dan in
opdracht van zulk een deelnemer opneemt.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op het opnemen:
1°. van gegevens die worden verwerkt of overgedragen door
middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd
werk;
2°. behoudens in geval van kennelijk misbruik, met een
technisch hulpmiddel dat op gezag van degene bij wie de woning,
het lokaal of het erf in gebruik is, niet heimelijk aanwezig is;
3°. ter uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002.
Artikel 139b
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van
de derde categorie wordt gestraft hij die, met het oogmerk een gesprek
dat elders dan in een woning, besloten lokaal of erf wordt gevoerd af
te luisteren of op te nemen, dat gesprek met een technisch hulpmiddel
heimelijk:
1°. anders dan in opdracht van een deelnemer aan dat gesprek
afluistert;
2°. zonder deelnemer aan dat gesprek te zijn en anders dan in
opdracht van zulk een deelnemer opneemt.
2.Artikel 139a, tweede lid, onder 1° en 3°, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 139c
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk
met een technisch hulpmiddel gegevens aftapt of opneemt die niet voor
hem bestemd zijn en die worden verwerkt of overgedragen door middel
van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op het aftappen of opnemen:
1°. van door middel van een radio-ontvangapparaat ontvangen
gegevens, tenzij om de ontvangst mogelijk te maken een bijzondere
inspanning is geleverd of een niet toegestane ontvanginrichting is
gebruikt.
2°. door of in opdracht van de gerechtigde tot een voor de
telecommunicatie gebezigde aansluiting, behoudens in geval van
kennelijk misbruik;
3°. ten behoeve van de goede werking van een openbaar
telecommunicatienetwerk, ten behoeve van de strafvordering, dan
wel ter uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002.
Artikel 139d
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft hij die met het oogmerk dat daardoor
een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere
gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk wordt
afgeluisterd, afgetapt of opgenomen, een technisch hulpmiddel op een
bepaalde plaats aanwezig doet zijn.
2.Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het oogmerk dat
daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138a, eerste lid, 138b of
139c wordt gepleegd:
a. een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt
of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf,
vervaardigt, verkoopt, verwerft, invoert, verspreidt of anderszins
ter beschikking stelt of voorhanden heeft, of
b. een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee
vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden gekregen tot een
geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verkoopt, verwerft,
verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden
heeft.
3.Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van
de vierde categorie wordt gestraft hij die het in het tweede lid
bedoelde feit pleegt terwijl zijn oogmerk is gericht op een misdrijf
als bedoeld in artikel 138a, tweede of derde lid.
Artikel 139e
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft:
1°. hij die de beschikking heeft over een voorwerp waarop, naar
hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, gegevens zijn vastgelegd
die door wederrechtelijk afluisteren, aftappen of opnemen van een
gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere
gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk zijn verkregen;
2°. hij die gegevens die hij door wederrechtelijk afluisteren,
aftappen of opnemen van een gesprek, telecommunicatie of andere
gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een
geautomatiseerd werk heeft verkregen of die, naar hij weet of
redelijkerwijs moet vermoeden, ten gevolge van zulk afluisteren,
aftappen of opnemen te zijner kennis zijn gekomen, opzettelijk aan
een ander bekend maakt;
3°. hij die een voorwerp als omschreven onder 1° opzettelijk
ter beschikking stelt van een ander.
Artikel 139f
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft:
1°. hij die, gebruik makende van een technisch hulpmiddel
waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt,
opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een
woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats,
een afbeelding vervaardigt;
2°. hij die de beschikking heeft over een afbeelding welke, naar
hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, door of ten gevolge van
een onder 1° strafbaar gestelde handeling is verkregen.
Artikel 139g
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft hij die een afbeelding, als bedoeld in
het vorige artikel, onder 2°, openbaar maakt.
Artikel 140
1.Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen
van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2.Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een
organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden
is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een
onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, van
de Wet conflictenrecht corporaties is afgegeven, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde
categorie.
3.Ten aanzien van de oprichters, leiders of bestuurders kunnen de
gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd.
4.Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede
begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan
alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar
omschreven organisatie.
Artikel 140a
1.Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen
van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2.Oprichters, leiders of bestuurders worden gestraft met
levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren
of geldboete van de vijfde categorie.
3.Het vierde lid van artikel 140 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 141
1.Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of
goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier
jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
2.De schuldige wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien hij opzettelijk goederen vernielt
of indien het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel
ten gevolge heeft;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien dat geweld zwaar
lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien dat geweld de dood ten
gevolge heeft.
3.Artikel 81 blijft buiten toepassing.
Artikel 142
1.Hij die opzettelijk door valse alarmkreten of signalen de rust
verstoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar
of geldboete van de vierde categorie.
2.Hij die opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is,
gebruik maakt van een alarmnummer voor publieke diensten wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete
van de derde categorie.
Artikel 142a
1.Hij die een voorwerp verzendt of op een al dan niet voor het
publiek toegankelijke plaats achterlaat of plaatst, met het oogmerk
een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing
kan worden teweeggebracht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
2.Met dezelfde straf wordt gestraft hij die gegevens doorgeeft met
het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat op een al dan
niet voor het publiek toegankelijke plaats een voorwerp aanwezig is
waardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht.
Artikel 143
Hij die door geweld of bedreiging met geweld een geoorloofde openbare
vergadering of betoging verhindert, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste negen maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 144
Hij die door het verwekken van wanorde of het maken van gedruis een
geoorloofde openbare vergadering opzettelijk stoort, of door het
verwekken van wanorde een geoorloofde betoging opzettelijk stoort, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van
de tweede categorie.
Artikel 145
Hij die door geweld of bedreiging met geweld hetzij een geoorloofde
openbare samenkomst tot het belijden van godsdienst of
levensovertuiging, hetzij een geoorloofde godsdienstige of
levensbeschouwelijke plechtigheid of lijkplechtigheid verhindert, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van
de derde categorie.
Artikel 146
Hij die door het verwekken van wanorde of het maken van gedruis
hetzij een geoorloofde openbare samenkomst tot het belijden van
godsdienst of levensovertuiging, hetzij een geoorloofde godsdienstige of
levensbeschouwelijke plechtigheid of lijkplechtigheid opzettelijk
stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden
of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 147
Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
tweede categorie wordt gestraft:
1°. hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of
afbeelding, door smalende godslasteringen op voor godsdienstige
gevoelens krenkende wijze uitlaat;
2°. hij die een bedienaar van de godsdienst in de geoorloofde
waarneming van zijn bediening bespot;
3°. hij die voorwerpen aan een eredienst gewijd, waar en wanneer
de uitoefening van die dienst geoorloofd is, beschimpt.
Artikel 147a
1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin uitlatingen voorkomen
die, als smalende godslasteringen, voor godsdienstige gevoelens
krenkend zijn, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om
verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in
voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te
vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige uitlatingen
voorkomen, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden
of geldboete van de tweede categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke
wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een
zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.
Artikel 148
Hij die opzettelijk de geoorloofde toegang tot een begraafplaats of
crematorium of het geoorloofd vervoer van een lijk naar een
begraafplaats of crematorium verhindert of belemmert, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede
categorie.
Artikel 149
Hij die opzettelijk een graf schendt of enig op een begraafplaats
opgericht gedenkteken opzettelijk en wederrechtelijk vernielt of
beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar
of geldboete van de derde categorie.
Artikel 150
Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een lijk opgraaft of wegneemt
of een opgegraven of weggenomen lijk verplaatst of vervoert, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van
de derde categorie.
Artikel 151
Hij die een lijk begraaft, verbrandt, vernietigt, verbergt, wegvoert
of wegmaakt, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het
overlijden, dan wel van het dood ter wereld komen te verhelen, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van
de vierde categorie.
Artikel 151a
Hij die uit winstbejag opzettelijk bevordert dat een kind beneden de
leeftijd van zes maanden hetwelk niet onder voogdij van een
rechtspersoon staat, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van
de raad voor de kinderbescherming, als pleegkind wordt opgenomen, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de derde categorie.
Artikel 151b
1.Degene die in de uitoefening van een beroep of bedrijf
opzettelijk teweegbrengt of bevordert dat een draagmoeder of een vrouw
die draagmoeder wenst te worden, rechtstreeks of middellijk met een
ander onderhandelt of een afspraak maakt ten einde het voornemen,
bedoeld in het derde lid, uit te voeren, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde
categorie.
2.Met dezelfde straf wordt gestraft:
a. degene die in het openbaar diensten aanbiedt, bestaande uit
het teweegbrengen of bevorderen van onderhandelingen of een
afspraak als bedoeld in het eerste lid;
b. degene die openbaar maakt dat een vrouw draagmoeder wenst te
worden of als zodanig beschikbaar is, dan wel dat een vrouw die
draagmoeder wenst te worden of als zodanig beschikbaar is, wordt
gezocht.
3.Als draagmoeder wordt aangemerkt de vrouw die zwanger is geworden
met het voornemen een kind te baren ten behoeve van een ander die het
ouderlijk gezag over dat kind wil verwerven, dan wel anderszins
duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind op zich wil nemen.
Artikel 151c
1.Degene die in de uitoefening van een beroep of bedrijf
opzettelijk teweegbrengt of bevordert dat een vrouw rechtstreeks of
middellijk met een ander onderhandelt of een afspraak maakt in verband
met de wens van die vrouw de verzorging en opvoeding van haar kind
duurzaam aan een ander over te laten, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde
categorie.
2.Onverminderd het bepaalde in artikel 151b, eerste lid, is het
eerste lid niet van toepassing
a. indien het in dat lid bedoelde teweegbrengen of bevorderen
geschiedt door de raad voor de kinderbescherming of een door de
raad daartoe aangewezen rechtspersoon;
b. indien het in dat lid bedoelde teweegbrengen of bevorderen
een verwijzing betreft naar een organisatie als bedoeld onder a.
Titel VI [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 152 [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 153 [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 154 [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 155 [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 156 [Vervallen per 01-02-2006]
Titel VII. Misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of
goederen wordt in gevaar gebracht
Artikel 157
Hij die opzettelijk brand sticht, een ontploffing teweegbrengt of een
overstroming veroorzaakt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor
goederen te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar of
gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten
hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit
iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 158
Hij aan wiens schuld brand, ontploffing of overstroming te wijten is,
wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de vierde categorie, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen
ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vierde categorie, indien daardoor levensgevaar of gevaar voor
zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
Artikel 159
Hij die opzettelijk bij of in het vooruitzicht van brand
blusgereedschappen of blusmiddelen wederrechtelijk verbergt of
onbruikbaar maakt, of op enige wijze de blussing van brand verhindert of
belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren
of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 160
Hij die opzettelijk bij of in het vooruitzicht van watersnood
dijkmaterialen of gereedschappen wederrechtelijk verbergt of onbruikbaar
maakt, enige poging tot herstel van dijken of andere waterstaatswerken
verijdelt, of de aangewende middelen tot het voorkomen of stuiten van
overstroming tegenwerkt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 161
Hij die opzettelijk enig werk dienend tot waterkering, waterlozing,
gas- of waterleiding of riolering vernielt, onbruikbaar maakt of
beschadigt, wordt gestraft:
1º. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete
van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor een overstroming
of gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
2º. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete
van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander
te duchten is;
3º. met gevangenisstraf van ten hoogste vijften jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor
een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 161bis
Hij die opzettelijk enig electriciteitswerk vernielt, beschadigt of
onbruikbaar maakt, stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk
veroorzaakt, of een ten opzichte van zodanig werk genomen
veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vijfde categorie, indien daardoor verhindering of
bemoeilijking van stroomlevering ten algemenen nutte ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete
van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen
te duchten is;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete
van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander
te duchten is;
4°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor
een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 161ter
Hij aan wiens schuld te wijten is, dat enig electriciteitswerk wordt
vernield, beschadigd, of onbruikbaar gemaakt, dat stoornis in de gang of
in de werking van zodanig werk ontstaat, of dat een ten opzichte van
zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel wordt verijdeld, wordt
gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de vierde categorie, indien daardoor verhindering of
bemoeilijking van stroomlevering ten algemenen nutte of gemeen
gevaar voor goederen ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vierde categorie, indien daardoor levensgevaar voor een ander
ontstaat;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
Artikel 161quater
Hij die opzettelijk mensen, dieren, planten of goederen aan
ioniserende stralen blootstelt, dan wel mensen, dieren, planten,
goederen, bodem, water of lucht met radioactieve stoffen besmet, wordt
gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de
openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;
2°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten
hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit
iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 161quinquies
Hij aan wiens schuld te wijten is dat mensen, dieren, planten of
goederen aan ioniserende stralen worden blootgesteld, dan wel mensen,
dieren, planten, goederen, bodem, water of lucht met radioactieve
stoffen worden besmet, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vierde categorie, indien daarvan gevaar voor de openbare
gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander
te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 161sexies
1.Hij die opzettelijk enig geautomatiseerd werk of enig werk voor
telecommunicatie vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, stoornis
in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaakt, of een ten
opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt,
wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vijfde categorie, indien daardoor wederrechtelijk
verhindering of bemoeilijking van de opslag, verwerking of
overdracht van gegevens ten algemene nutte of stoornis in een
openbaar telecommunicatienetwerk of in de uitvoering van een
openbare telecommunicatiedienst, ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete
van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor
goederen of voor de verlening van diensten te duchten is;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar
voor een ander te duchten is;
4°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar
voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
2.Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de
vijfde categorie wordt gestraft hij die, met het oogmerk dat daarmee
een misdrijf als bedoeld in het eerste lid wordt gepleegd:
a. een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt
of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf,
vervaardigt, verkoopt, verwerft, invoert, verspreidt of anderszins
ter beschikking stelt of voorhanden heeft, of
b. een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee
vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot
een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verkoopt, verwerft,
verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden
heeft.
Artikel 161septies
Hij aan wiens schuld te wijten is dat enig geautomatiseerd werk of
enig werk voor telecommunicatie wordt vernield, beschadigd of
onbruikbaar gemaakt, dat stoornis in de gang of in de werking van
zodanig werk ontstaat, of dat een ten opzichte van zodanig werk genomen
veiligheidsmaatregel wordt verijdeld, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de vierde categorie, indien daardoor verhindering of
bemoeilijking van de opslag, verwerking of overdracht van gegevens
ten algemenen nutte, stoornis in een openbaar
telecommunicatienetwerk of in de uitvoering van een openbare
telecommunicatiedienst, of gemeen gevaar voor goederen of voor de
verlening van diensten ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vierde categorie, indien daardoor levensgevaar voor een ander
ontstaat;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
Artikel 162
Hij die opzettelijk enig werk dienende voor het openbaar verkeer of
het luchtverkeer vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, enige
openbare land- of waterweg verspert of een ten aanzien van zodanig werk
of van zodanige weg genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt
gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete
van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de veiligheid
van het verkeer te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de
veiligheid van het verkeer te duchten is en het feit iemands dood
ten gevolge heeft.
Artikel 162a
Hij die opzettelijk op een luchthaven een luchtvaartuig buiten
bedrijf of enige voorziening vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt,
dan wel de diensten op een luchthaven verstoort, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete
van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de veiligheid
van de luchtvaart te duchten valt;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de
veiligheid van de luchtvaart te duchten valt en het feit iemands
dood ten gevolge heeft.
Artikel 163
Hij aan wiens schuld te wijten is dat enig werk dienende voor het
openbaar verkeer of het luchtverkeer wordt vernield, onbruikbaar gemaakt
of beschadigd, enige openbare land- of waterweg versperd of een ten
aanzien van zodanig werk of van zodanige weg genomen
veiligheidsmaatregel verijdeld wordt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de vierde categorie, indien daardoor het verkeer onveilig wordt;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
Artikel 164
1.Hij die opzettelijk gevaar veroorzaakt voor het verkeer door
mechanische kracht over een spoorweg, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2.Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de
schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van
ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 165
1.Hij aan wiens schuld te wijten is dat gevaar ontstaat voor het
verkeer door mechanische kracht over een spoorweg, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde
categorie.
2.Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de
schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Artikel 166
Hij die opzettelijk een voor de veiligheid van de scheepvaart of
luchtvaart gesteld teken of hulpmiddel vernielt, beschadigt, wegneemt of
verplaatst, de werking daarvan verijdelt of een verkeerd teken stelt,
wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de
veiligheid van de scheepvaart of luchtvaart te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de
veiligheid van de scheepvaart of luchtvaart te duchten is en het
feit het zinken, stranden of verongelukken van een vaartuig of een
luchtvaartuig ten gevolge heeft;
3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten
hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan gevaar voor de veiligheid van de scheepvaart of luchtvaart
te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 167
Hij aan wiens schuld vernieling, beschadiging, wegneming of
verplaatsing van een voor de veiligheid van de scheepvaart of luchtvaart
gesteld teken of hulpmiddel dan wel de verijdeling van de werking
daarvan of het stellen van een verkeerd teken te wijten is, wordt
gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de vierde categorie, indien daardoor de scheepvaart of de
luchtvaart onveilig wordt;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vierde categorie, indien het feit het zinken, stranden of
verongelukken van een vaartuig of een luchtvaartuig ten gevolge
heeft;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
Artikel 168
Hij die enig vaartuig, voertuig of luchtvaartuig opzettelijk en
wederrechtelijk doet zinken, stranden of verongelukken, vernielt,
onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor
een ander te duchten is;
2°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten
hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit
iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 169
Hij aan wiens schuld te wijten is dat enig vaartuig, voertuig of
luchtvaartuig zinkt, strandt of verongelukt, vernield, onbruikbaar
gemaakt of beschadigd wordt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vierde categorie, indien daardoor levensgevaar voor een ander
ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
Artikel 170
Hij die enig gebouw, getimmerte, installatie ter zee of voor het
publiek toegankelijke plaats opzettelijk vernielt of beschadigt, wordt
gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor
goederen te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor
een ander te duchten is;
3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten
hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit
iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 171
Hij aan wiens schuld de vernieling of beschadiging van enig gebouw,
getimmerte, installatie ter zee of voor het publiek toegankelijke plaats
te wijten is, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de vierde categorie, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen
ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vierde categorie, indien daardoor levensgevaar voor een ander
ontstaat;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
Artikel 172
1.Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een stof in een inrichting
ten behoeve van de drinkwatervoorziening of in een tot gezamenlijk
gebruik van of met anderen bestemde waterleiding brengt, dan wel de
aanmaak van drinkwater in of de toevoer van drinkwater vanuit de
openbare drinkwatervoorziening belemmert, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor een
ander te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar
voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolg
heeft.
2.Hij die opzettelijk enig voor de openbare drinkwatervoorziening
bestemd werk vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, stoornis in de
gang of in de werking van zodanig werk veroorzaakt, of een ten
opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt,
wordt, indien daardoor verhindering of bemoeilijking van de openbare
drinkwatervoorziening te duchten is, gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 173
1.Hij aan wiens schuld te wijten is, dat wederrechtelijk een stof
in een inrichting ten behoeve van de drinkwatervoorziening of in een
tot gezamenlijk gebruik van of met anderen bestemde waterleiding,
wordt gebracht, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vierde categorie, indien daarvan gevaar voor de openbare
gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie, indien daarvan levensgevaar
voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
2.Hij aan wiens schuld te wijten is, dat enig voor de openbare
drinkwatervoorziening bestemd werk wordt vernield, beschadigd, of
onbruikbaar gemaakt, dat stoornis in de gang of in de werking van een
zodanig werk ontstaat of dat een ten opzichte van zodanig werk genomen
veiligheidsmaatregel wordt verijdeld, wordt, indien daardoor
verhindering of bemoeilijking van de openbare drinkwatervoorziening te
duchten is, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 173a
Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in
de lucht of in het oppervlaktewater brengt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de
openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor
een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 173b
Hij aan wiens schuld te wijten is, dat wederrechtelijk een stof op of
in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater wordt gebracht,
wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vierde categorie, indien daarvan gevaar voor de openbare
gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander
te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 174
1.Hij die waren verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert of uitdeelt,
wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, en
dat schadelijk karakter verzwijgende, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2.Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de
schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van
ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 175
1.Hij aan wiens schuld te wijten is dat waren, schadelijk voor het
leven of de gezondheid, verkocht, afgeleverd of uitgedeeld worden,
zonder dat de koper of verkrijger met dat schadelijk karakter bekend
is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of
geldboete van de vierde categorie.
2.Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de
schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Artikel 175a
Hij die in geval van oorlog opzettelijk een bekendgemaakt bevel,
bedoeld in artikel 7 van de Wet bescherming bevolking (Stb. 1952, 404),
dan wel een bij of krachtens een van de algemene maatregelen van
bestuur, bedoeld in artikel 29 van de Intrekkingswet BB (Stb. 1986,
312), gegeven en bekendgemaakt voorschrift overtreedt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen
te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete
van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander
te duchten is;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete
van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander
te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 175b
Hij aan wiens schuld in geval van oorlog overtreding te wijten is van
een bekendgemaakt bevel, bedoeld in artikel 7 van de Wet bescherming
bevolking, dan wel van een bij of krachtens een van de algemene
maatregelen van bestuur, bedoeld in artikel 29 van de Intrekkingswet BB,
gegeven en bekendgemaakt voorschrift, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de vierde categorie, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen
ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vierde categorie, indien daardoor levensgevaar voor een ander
ontstaat;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
Artikel 176
1.Bij veroordeling wegens enig in deze titel omschreven misdrijf
kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep
waarin hij het misdrijf begaan heeft.
2.Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 174 en 175
omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking van zijn
uitspraak gelasten.
Artikel 176a
Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 157, 159, 160, 161,
161bis, 161quater, 161sexies, 162, 162a, 164, 166, 168, 170, 172, 173a
of 174, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel
bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd en wordt,
indien op het misdrijf een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste
vijftien jaren is gesteld, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van
ten hoogste dertig jaren opgelegd.
Artikel 176b
1.De samenspanning tot de in de artikelen 157, 161, onderdelen 2°
en 3°, 161bis, onderdelen 3° en 4°, 161quater, 161 sexies,
onderdelen 3° en 4°, 162, 164, 166, 168, 170, 172, 173a en 174
omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
2.Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Titel VIII. Misdrijven tegen het openbaar gezag
Artikel 177
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van
de vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een
dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk om hem te bewegen in
zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te
laten;
2°. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een
dienst verleent of aanbiedt ten gevolge of naar aanleiding van
hetgeen door deze in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd
met zijn plicht, is gedaan of nagelaten.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een feit als in het
eerste lid, onder 1°, omschreven, begaat jegens een persoon in het
vooruitzicht van een aanstelling als ambtenaar, indien de aanstelling
als ambtenaar is gevolgd.
3. Indien de schuldige een van de misdrijven omschreven in dit
artikel in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat
beroep worden ontzet.
4. Ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en
4°, vermelde rechten kan worden uitgesproken.
Artikel 177a
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van
de vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een
dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk om hem te bewegen in
zijn bediening, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te
handelen, iets te doen of na te laten;
2°. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een
dienst verleent of aanbiedt ten gevolge of naar aanleiding van
hetgeen door deze in zijn huidige of vroegere bediening, zonder
daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, is gedaan of
nagelaten.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een feit als in het
eerste lid, onder 1°, omschreven, begaat jegens een persoon in het
vooruitzicht van een aanstelling als ambtenaar, indien de aanstelling
van ambtenaar is gevolgd.
3. Indien de schuldige een van de misdrijven omschreven in dit
artikel in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat
beroep worden ontzet.
4. Ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en
4°, vermelde rechten kan worden uitgesproken.
Artikel 178
1. Hij die een rechter een gift of belofte doet dan wel een dienst
verleent of aanbiedt met het oogmerk invloed uit te oefenen op de
beslissing van een aan diens oordeel onderworpen zaak, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Indien die gift of belofte gedaan wordt dan wel die dienst
verleend of aangeboden wordt met het oogmerk om een veroordeling in
een strafzaak te verkrijgen, wordt de schuldige gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
3. Indien de schuldige een van de misdrijven omschreven in dit
artikel in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat
beroep worden ontzet.
4. Ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en
4°, vermelde rechten kan worden uitgesproken.
Artikel 178a
1.Met ambtenaren worden ten aanzien van de artikelen 177 en 177a
gelijkgesteld personen in de openbare dienst van een vreemde staat of
van een volkenrechtelijke organisatie.
2.Met ambtenaren worden ten aanzien van de artikelen 177, eerste
lid, onder 2°, en 177a, eerste lid, onder 2°, voormalige ambtenaren
gelijkgesteld.
3.Met rechter wordt ten aanzien van artikel 178 gelijkgesteld de
rechter van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke
organisatie.
Artikel 179
Hij die door geweld of enige andere feitelijkheid of bedreiging met
geweld of enige andere feitelijkheid een ambtenaar dwingt tot het
volvoeren van een ambtsverrichting of het nalaten van een rechtmatige
ambtsverrichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 180
Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een
ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, of
tegen personen die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op
zijn verzoek bijstand verlenen, wordt als schuldig aan wederspannigheid
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van
de derde categorie.
Artikel 181
De dwang en de wederspannigheid in de artikelen 179 en 180 omschreven
worden gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien het misdrijf of de daarmede gepaard
gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes
maanden of geldboete van de vijfde categorie, indien zij zwaar
lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien zij de dood ten gevolge
hebben.
Artikel 182
1.De dwang en de wederspannigheid in de artikelen 179 en 180
omschreven, door twee of meer personen met verenigde krachten
gepleegd, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes
jaren of geldboete van de vierde categorie.
2.De schuldige wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes
maanden of geldboete van de vijfde categorie, indien het door hem
gepleegde misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden
enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien zij zwaar lichamelijk
letsel ten gevolge hebben;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien zij de dood ten gevolge
hebben.
Artikel 183
Met ambtenaren worden ten aanzien van de artikelen 179 tot en met 182
gelijkgesteld de schipper of gezagvoerder van een luchtvaartuig die een
bevoegdheid uitoefent of een verplichting vervult welke hem als zodanig
is toegekend of opgelegd bij een bepaling van het Wetboek van
Strafvordering. Onder schipper wordt begrepen hij die het hoogste gezag
uitoefent op een overeenkomstig artikel 136a, tweede lid, van het
Wetboek van Strafvordering aangewezen installatie.
Artikel 184
1.Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering,
krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de
uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met
of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare
feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die
ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift,
belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
2.Met de in het eerste gedeelte van het vorige lid bedoelde
ambtenaar wordt gelijkgesteld ieder die, krachtens wettelijk
voorschrift, voortdurend of tijdelijk met enige openbare dienst is
belast.
3.Met een vordering of handeling als bedoeld in het eerste lid
wordt gelijkgesteld een vordering of handeling van de schipper of
gezagvoerder van een luchtvaartuig die een bevoegdheid uitoefent of
een verplichting vervult, welke hem als zodanig is toegekend of
opgelegd bij een bepaling van het Wetboek van Strafvordering. Onder
schipper wordt begrepen hij die het hoogste gezag uitoefent op een
overeenkomstig artikel 136a, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering aangewezen installatie.
4.Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren
zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens
gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan de gevangenisstraf met
een derde worden verhoogd.
Artikel 185
Hij die bij een terechtzitting of ter plaatse waar een ambtenaar in
het openbaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam
is, opschudding veroorzaakt en na het door of vanwege het bevoegd gezag
gegeven bevel zich niet verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste twee weken of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 185a
Met ambtenaren worden ten aanzien van de artikelen 179 tot en met
182, 184 en 185 gelijkgesteld personen in de openbare dienst van een
vreemde staat of van een volkenrechtelijke organisatie die in Nederland
op door het volkenrecht toegelaten wijze hun bediening uitoefenen.
Artikel 186
Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet
onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag
gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing,
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete
van de tweede categorie.
Artikel 187
Hij die een bekendmaking, vanwege het bevoegd gezag in het openbaar
gedaan, wederrechtelijk afscheurt, onleesbaar maakt of beschadigt, met
het oogmerk om de kennisneming daarvan te beletten of te bemoeilijken,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een maand of
geldboete van de tweede categorie.
Artikel 188
Hij die aangifte of klacht doet dat een strafbaar feit gepleegd is,
wetende dat het niet gepleegd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
Artikel 189
1.Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van
de derde categorie wordt gestraft:
1°. hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of
verdachte is van enig misdrijf, verbergt of hem behulpzaam is in
het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren
van de justitie of politie;
2°. hij die nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk
om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te
bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd
is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt,
verbergt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of
politie onttrekt;
3°. hij die opzettelijk voorwerpen die kunnen dienen om de
waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen
voordeel als bedoeld in artikel 36e aan te tonen, met het oogmerk
om de inbeslagneming daarvan te beletten, te belemmeren of te
verijdelen, verbergt, vernietigt, wegmaakt of aan het onderzoek
van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt, dan wel
door het opzettelijk verstrekken van gegevens of inlichtingen aan
derden die inbeslagneming belet, belemmert of verijdelt.
2.In het geval het misdrijf, bedoeld in het eerste lid, een
terroristisch misdrijf betreft, kan een gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie worden
opgelegd.
3.Deze bepalingen zijn niet van toepassing op hem die de daarin
vermelde handelingen verricht ten einde gevaar van vervolging te
ontgaan of af te wenden van een van zijn bloedverwanten of aangehuwden
in de rechte linie of in de tweede of derde graad van de zijlinie of
van zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot.
4.Met ambtenaren van de justitie of politie worden gelijkgesteld:
personen in de openbare dienst van een internationaal gerecht dat zijn
rechtsmacht ontleent aan een verdrag waarbij het Koninkrijk partij is,
die belast zijn met de opsporing of vervolging van enig misdrijf.
Artikel 190
Hij die opzettelijk een gerechtelijke lijkschouwing belet, belemmert
of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 191
Hij die opzettelijk iemand, op openbaar gezag of krachtens
rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid beroofd, bevrijdt
of bij zijn zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde
categorie.
Artikel 192
1.Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk
opgeroepen, opzettelijk niet voldoet aan enige wettelijke verplichting
die hij als zodanig te vervullen heeft, wordt gestraft:
1°. in strafzaken met gevangenisstraf van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de derde categorie;
2°. in andere zaken met gevangenisstraf van ten hoogste vier
maanden of geldboete van de tweede categorie.
2.Hij die na de totstandkoming van een afspraak met de officier van
justitie ingevolge artikel 226h, derde lid, of artikel 226k, eerste
lid, van het Wetboek van Strafvordering wettelijk als getuige
opgeroepen, opzettelijk niet voldoet aan zijn verplichting te
verklaren, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar
of geldboete van de vijfde categorie.
3.Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is niet van
toepassing op de partij in een burgerlijke procedure die, wanneer zij
als getuige wordt gehoord, weigert op de haar gestelde vragen te
antwoorden.
Artikel 192a
Hij die opzettelijk niet voldoet aan de vordering van een
parlementaire enquêtecommissie tot het hebben van inzage in of het
nemen van afschrift van of het op andere wijze kennisnemen van
documenten wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier
maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 192b
Hij die opzettelijk niet voldoet aan een vordering van een
parlementaire enquêtecommissie tot het verstrekken van schriftelijke
inlichtingen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie
maanden of een geldboete van de tweede categorie.
Artikel 192c
Hij die opzettelijk een parlementaire enquêtecommissie of door haar
aangewezen personen belet, belemmert of verhindert een plaats te
betreden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie
maanden of een geldboete van de tweede categorie.
Artikel 192d
De misdrijven genoemd in de artikelen 192 tot en met 192c worden niet
vervolgd, indien zij zijn begaan door een lid van de Staten-Generaal,
een minister of een staatssecretaris.
Artikel 193
Hij die opzettelijk niet voldoet aan een wettig bevel tot overlegging
van een stuk hetwelk beweerd wordt vals of vervalst te zijn, of hetwelk
dienen moet ter vergelijking met een ander waarvan de valsheid of
vervalsing beweerd, of de echtheid ontkend of niet erkend wordt, wordt
gestraft:
1°. in strafzaken met gevangenisstraf van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de derde categorie;
2°. in andere zaken met gevangenisstraf van ten hoogste vier
maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 194
1. Hij die, in staat van faillissement verklaard of als echtgenoot
van een gefailleerde met wie hij in gemeenschap van goederen is
gehuwd, of als bestuurder of commissaris van een rechtspersoon,
wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder
geldige reden opzettelijk wegblijft, hetzij weigert de vereiste
inlichtingen te geven, hetzij opzettelijk verkeerde inlichtingen
geeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of
geldboete van de derde categorie.
2. Terzake van het feit, bedoeld in het eerste lid, wordt met
dezelfde straf gestraft hij, ten aanzien van wie of ten aanzien van
wiens echtgenoot met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is.
3. Indien de schuldige een van de strafbare feiten, omschreven in
het eerste lid, in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van
dat beroep worden ontzet.
|