Nadere regelgeving:
- Besluit aanwijzing Halt-feiten
- Besluit
Buitengewoon Strafrecht (BBS)
- Besluit gedragsbeïnvloeding jeugdigen
- Besluit OM-afdoening
- Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994
- Besluit
tenuitvoerlegging ontnemings- en schadevergoedingsmaatregelen
- Besluit tenuitvoerlegging taakstraffen
- Penitentiaire
maatregel
- Reclasseringsregeling
1995
- Regeling strafonderbreking jeugdigen
- Reglement
justitiële jeugdinrichtingen
- Reglement verpleging terbeschikkinggestelden
- Transactiebesluit 1994
- Transactiebesluit milieudelicten
(vervallen)
- Uitvoeringsbesluit
Wet op de jeugdzorg
- Uitvoeringsregeling
reclassering 2005'
WET van 3 maart 1881
WIJ WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van
Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is een
nieuw Wetboek van Strafrecht vast te stellen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze, vast te stellen de navolgende
bepalingen, welke zullen uitmaken het Wetboek van Strafrecht.
Eerste Boek. Algemene bepalingen
Titel I. Omvang van de werking van de
strafwet
Artikel 1
1. Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane
wettelijke strafbepaling.
2. Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit
begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.
Artikel 2
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich in Nederland
aan enig strafbaar feit schuldig maakt.
Artikel 3
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten
Nederland aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig aan
enig strafbaar feit schuldig maakt.
Artikel 4
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten
Nederland schuldig maakt:
1°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 92-96, 97a,
98-98c, 105 en 108-110;
2°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 131 tot en met
134 en 189, indien het strafbare feit of het misdrijf waarvan in die
artikelen wordt gesproken, is een misdrijf als onder 1° bedoeld;
3°. aan enig misdrijf ten opzichte van muntspeciën, munt- of
bankbiljetten, van rijkswege uitgegeven zegels of rijksmerken;
4°. aan valsheid in schuldbrieven of certificaten van schuld van de
Nederlandse staat of van een Nederlandse provincie, gemeente of openbare
instelling, de talons, dividend- en rentebewijzen tot deze stukken
behorende, en de bewijzen, uitgegeven in plaats van deze stukken,
inbegrepen, of aan het opzettelijk gebruik maken van zodanig vals of
vervalst stuk als ware het echt en onvervalst;
5°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 216, tweede lid,
381-385, 409 en 410 of aan de overtreding omschreven in artikel 446a;
6°. aan het misdrijf omschreven in artikel 207a;
7°.
a. aan het misdrijf omschreven in artikel 168, begaan tegen een
luchtvaartuig in bedrijf, indien dit een Nederlands luchtvaartuig is of
wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt;
b. aan het misdrijf omschreven in artikel 385a, begaan aan boord van een
luchtvaartuig in vlucht, wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt;
c. aan het misdrijf omschreven in artikel 385b, indien het daar bedoelde
luchtvaartuig een Nederlands luchtvaartuig is of wanneer de verdachte
zich in Nederland bevindt;
d. aan het misdrijf omschreven in artikel 385c, wanneer het is begaan,
hetzij tegen een Nederlands luchtvaartuig, hetzij aan boord van een
luchtvaartuig dat vervolgens in Nederland landt met de verdachte aan
boord;
e. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 162, 162a, 166 en
385d, wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt.
8°.
a. aan de misdrijven omschreven in de artikelen 140, 157, 161quater,
166, 168,173a, 189, 285, 287, 288, 289, 302, 303, 350, 352, 354, 385a,
vierde lid, 385b, tweede lid, 385c en 413, van deze wet, in de artikelen
79 en 80 van de Kernenergiewet, in de artikelen 2, eerste en derde lid,
3 en 4 van de Uitvoeringswet verdrag biologische wapens in samenhang met
artikel 1 van de Wet op de economische delicten, en in de artikelen 2 en
3, eerste lid, van de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens in
samenhang met artikel 1 van de Wet op de economische delicten, indien
het feit is begaan tegen een Nederlands zeegaand vaartuig, hetzij tegen
of aan boord van enig ander zeegaand vaartuig en de verdachte zich in
Nederland bevindt;
b. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 161quater, 173a,
285, 287, 288, 289, 302, 303, 350, 352, 354, 385a, vierde lid, en 385b,
tweede lid, begaan op of tegen een installatie ter zee, wanneer de
verdachte zich in Nederland bevindt.
9°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 177 en 177a, voor
zover het feit is gepleegd tegen een Nederlander of een Nederlandse
ambtenaar en daarop door de wet van het land waar het begaan is, straf
is gesteld;
10°. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 177, 177a, 225,
227b en323a, voor zover het feit is gepleegd door een Nederlandse
ambtenaar of door een persoon in de openbare dienst van een in Nederland
gevestigde volkenrechtelijke organisatie en daarop door de wet van het
land waar het is begaan, straf is gesteld;
11°. aan het misdrijf, omschreven in artikel 282a, wanneer hetzij het
feit is begaan met het oogmerk een Nederlandse overheid te dwingen een
handeling te verrichten of zich te onthouden van het verrichten daarvan,
hetzij de verdachte zich in Nederland bevindt;
12°.
a. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 117, 117a, 117b en
285, voor zover het feit is gepleegd tegen een in Nederlandse dienst
zijnde, of tot zijn gezin behorende, internationaal beschermd persoon
als bedoeld in artikel 87b, eerste lid, of tegen diens beschermde
goederen;
b. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 117, 117a, 117b,
282a en285, voor zover het feit is gepleegd tegen een internationaal
beschermd persoon als bedoeld in artikel 87b, tweede lid, die
Nederlander is, of tegen diens beschermde goederen;
c. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 117, 117a, 117b en
285, voor zover het feit is gepleegd tegen een internationaal beschermd
persoon als bedoeld in artikel 87b, eerste of tweede lid, of tegen diens
beschermde goederen, wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt;
13°. aan een terroristisch misdrijf dan wel een der misdrijven,
omschreven in de artikelen 115, 117, 117b, 121 tot en met 123, 157, 161,
161bis, 161quater, 161sexies, 162, 162a, 164, 166, 168, 170, 172, 173a,
285, 287, 288, 289, 350, 350a, 351, 352, 354, 385b en 385d, voor zover
het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het op 15
december 1997 te New York totstandgekomen Verdrag inzake de bestrijding
van terroristische bomaanslagen (Trb. 1998, 84) en hetzij het feit is
gepleegd tegen een Nederlander, hetzij de verdachte zich in Nederland
bevindt.
14°. aan een terroristisch misdrijf dan wel een der misdrijven,
omschreven in de artikelen 115, 117, 117b, 121 tot en met 123, 140, 157,
161, 161bis, 161quater, 161sexies, 162, 162a, 164, 166, 168, 170, 172,
173a, 285, 287, 288, 289, 350, 350a, 351, 352, 354, 385a, 385b en 385d,
voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 2 van het
op 9 december 1999 te New York totstandgekomen Internationaal Verdrag
ter bestrijding van de financiering van terrorisme (Trb. 2000, 12) en
hetzij het feit is gericht tegen een Nederlander hetzij de verdachte
zich in Nederland bevindt;
15°. aan een terroristisch misdrijf, indien het misdrijf is gepleegd
met het oogmerk de bevolking of een deel der bevolking van Nederland
vrees aan te jagen, een Nederlandse overheid of een in Nederland
gevestigde instelling of organisatie van de Europese Unie
wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, of
de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale
structuren van Nederland of een in Nederland gevestigde instelling of
organisatie van de Europese Unie ernstig te ontwrichten of te
vernietigen;
16°. aan een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een
terroristisch misdrijf, indien het misdrijf is gepleegd met het oogmerk
een terroristisch misdrijf als in onderdeel 15° omschreven voor te
bereiden of gemakkelijk te maken;
17°. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 157, 161quater,
284, eerste lid, 284a, 285, 310 tot en met 312, 317, 318, 321, 322, 326,
en in de artikelen 79 en 80 van de Kernenergiewet, voor zover het feit
valt onder de omschrijvingen van artikel 7 van het op 3 maart 1980 te
Wenen/New York totstandgekomen Verdrag inzake de fysieke beveiliging van
kernmateriaal (Trb. 1980, 166), wanneer de verdachte zich in Nederland
bevindt;
18°. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 161quater,
173a, 284, eerste lid, 284a, 285, 310 tot en met 312, 317 en 318, en in
de artikelen 15, 21, 29, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 67,
eerste lid, 73, 76, derde lid, en 76a van de Kernenergiewet juncto
artikel 1a van de Wet op de economische delicten, en in de artikelen 79
en 80 van de Kernenergiewet, voor zover het feit valt onder de
omschrijvingen van artikel 2 van het op 13 april 2005 te New York
totstandgekomen Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van
nucleair terrorisme (Trb. 2005, 290) en hetzij het feit is gepleegd
tegen een Nederlander, hetzij de verdachte zich in Nederland bevindt.
Artikel 4a
1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder tegen wie de
strafvervolging door Nederland van een vreemde staat is overgenomen op
grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor
Nederland volgt.
2. De Nederlandse strafwet is voorts toepasselijk op ieder wiens
uitlevering of overlevering ter zake van een terroristisch misdrijf dan
wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een
terroristisch misdrijf, ontoelaatbaar is verklaard, is afgewezen of
geweigerd.
3. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder tegen wie de
strafvervolging door het Nederlands openbaar ministerie is overgenomen
op grond van een daartoe strekkend verzoek van het openbaar ministerie
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
4. De Nederlandse strafwet is voorts toepasselijk op ieder tegen wie de
strafvervolging door Nederland is overgenomen van een krachtens verdrag
of besluit van een volkenrechtelijke organisatie ingesteld
internationaal gerecht.
Artikel 5
1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich
buiten Nederland schuldig maakt:
1°. aan een der misdrijven omschreven in de Titels I en II van het
Tweede Boek, en in de artikelen 192a, 192b,192c, 197a, 197b, 197c, 206,
237,272 en273 alsmede – voor zover het betreft een misdrijf, gericht
tegen de rechtspleging van het Internationaal Strafhof, als bedoeld in
artikel 70, eerste lid, van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand
gekomen Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000,
120) – in de artikelen 177, 177a, 178, 179, 180, 189, 200, 207a, 285a
en 361;
2°. aan een feit hetwelk door de Nederlandse strafwet als misdrijf
wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is,
straf is gesteld.
3°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot en
met 250 en 273f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een
persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt dan
wel aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 300 tot en met
303, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon
van het vrouwelijke geslacht die de leeftijd van achttien jaren nog niet
heeft bereikt;
4°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 138ab, 138b,
139c, 139d, 161sexies, 225, 226, 227, 240a, 240b, 326, 326c, 350, 350a
en 351, voor zover het feit valt onder de omschrijving van de artikelen
2 tot en met 10 van het op 23 november 2001 te Budapest tot stand
gekomen Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van strafbare
feiten verbonden met elektronische netwerken (Trb. 2002, 18, en 2004,
290), en een der misdrijven omschreven in deartikelen 137c tot en met
137e, 261, 262, 266, 284 en 285, voor zover het feit valt onder de
omschrijving van de artikelen 3 tot en met 6 van het op 28 januari 2003
te Straatsburg totstandgekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag
inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische
netwerken, betreffende de strafbaarstelling van handelingen van
racistische of xenofobische aard verricht via computersystemen;
5°. aan een der misdrijven omschreven in artikel 273f, voor zover het
feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van
achttien jaar heeft bereikt, en in de artikelen 231, 321, 350 en 416 tot
en met 417bis, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van
artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Verdrag
inzake bestrijding van mensenhandel, indien het feit is gepleegd buiten
de rechtsmacht van enige staat.
2. In de gevallen, omschreven in het eerste lid, onderdelen 2° en 3°,
kan de vervolging ook plaatshebben, als de verdachte eerst na het feit
Nederlander wordt.
Artikel 5a
1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die in
Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten
Nederland schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in de
artikelen 240b, 242 tot en met 250 en273f, voor zover het feit is
gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren
nog niet heeft bereikt dan wel aan een der misdrijven omschreven in de
artikelen 300 tot en met 303, voor zover het feit oplevert genitale
verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht die de leeftijd
van achttien jaren nog niet heeft bereikt, een terroristisch misdrijf,
dan wel een der misdrijven omschreven in de artikelen 225, derde lid,
311, eerste lid, onder 6°, 312, tweede lid, onder 5°, alsmede 317,
derde lid, jo. 312, tweede lid, onder 5°.
2. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die een
vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft en zich buiten
Nederland schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in artikel
273f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de
leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, en in de artikelen 231, 321,
350 en416 tot en met 417bis, en op het feit door de wet van het land
waar het begaan is, straf is gesteld.
3. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die een
vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft en zich buiten
Nederland schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in artikel
273f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de
leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, en in de artikelen 231, 321,
350 en416 tot en met 417bis, voor zover het feit valt onder de
omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau
totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel, indien het
feit is gepleegd buiten de rechtsmacht van enige staat.
4. De vervolging kan ook plaatshebben, indien de verdachte eerst na het
begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft
gekregen.
Artikel 5b
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich schuldig
maakt:
1°. aan een der misdrijven omschreven in artikel 273f, en in de
artikelen 231,321, 350 en 416 tot en met 417bis, voor zover het feit
valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te
Warschau totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel,
indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander;
2°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot en
met 250en 273f, indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander of een
vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft die
de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.
Artikel 6
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op:
1°. de Nederlandse ambtenaar die zich buiten Nederland schuldig maakt
aan een der misdrijven omschreven in Titel XXVIII van het Tweede Boek;
2°. de persoon in de openbare dienst van een in Nederland gevestigde
volkenrechtelijke organisatie die zich buiten Nederland schuldig maakt
aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 362 tot en met 364a.
Artikel 7
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de schipper en de opvarenden
van een Nederlands vaartuig die zich buiten Nederland, ook buiten boord,
schuldig maken aan een der strafbare feiten omschreven in Titel XXIX van
het Tweede Boek en Titel IX van het Derde Boek.
Artikel 8
De toepasselijkheid van de artikelen 2-7 wordt beperkt door de
uitzonderingen in het volkenrecht erkend.
Titel II. Straffen
Artikel 9
1. De straffen zijn:
a. hoofdstraffen:
1°. gevangenisstraf;
2°. hechtenis;
3°. taakstraf;
4°. geldboete;
b. bijkomende straffen:
1°. ontzetting van bepaalde rechten;
2°. verbeurdverklaring;
3°. openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
2. Ten aanzien van misdrijven die worden bedreigd met een vrijheidsstraf
of een geldboete of ten aanzien van overtredingen die worden bedreigd
met een vrijheidsstraf kan, behoudens in bij de wet bepaalde gevallen,
in plaats daarvan een taakstraf worden opgelegd.
3. In het geval gevangenisstraf, hechtenis, vervangende hechtenis
daaronder niet begrepen, of een taakstraf wordt opgelegd, kan tevens een
geldboete worden opgelegd.
4. In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis,
vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het
onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden
bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.
5. Een bijkomende straf kan, in de gevallen waarin de wet haar oplegging
toelaat, zowel afzonderlijk als te zamen met hoofdstraffen en met andere
bijkomende straffen worden opgelegd.
Artikel 9a
Indien de rechter dit raadzaam acht in verband met de geringe ernst van
het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder
het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, kan hij
in het vonnis bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Artikel 10
1. De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk.
2. De duur van de tijdelijke gevangenisstraf is ten minste een dag en
ten hoogste vijftien achtereenvolgende jaren.
3. Zij kan voor ten hoogste dertig achtereenvolgende jaren worden
opgelegd in de gevallen waarin op het misdrijf levenslange en tijdelijke
gevangenisstraf ter keuze van de rechter zijn gesteld, en in die waarin
wegens strafverhoging ter zake van samenloop van misdrijven,
terroristische misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij
artikel 44, de tijd van vijftien jaren wordt overschreden.
4. Zij kan in geen geval de tijd van dertig jaren te boven gaan.
Artikel 11
Bij of krachtens wet worden regels gesteld ten aanzien van de
tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende
maatregelen. Deze regels betreffen in elk geval:
a. de aanwijzing en de bestemming van inrichtingen bestemd voor deze
tenuitvoerlegging;
b. de selectie van de personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging
van de voornoemde straffen en maatregelen plaatsvindt voor de
inrichtingen;
c. het beheer van de inrichtingen en het toezicht daarop;
d. het regime in de inrichtingen;
e. gevallen waarin en de wijze waarop beperkingen op de grondrechten van
de onder b omschreven personen plaats kan vinden;
f. de rechtsgang voor de onder b omschreven personen aangaande hun
rakende beslissingen het regime van de inrichting betreffende alsmede
aangaande hun betreffende beslissingen tot plaatsing en overplaatsing.
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 12a [Vervallen per 01-06-1953]
Artikel 13
1. Een veroordeelde tot gevangenisstraf die wegens de gebrekkige
ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens daarvoor in
aanmerking komt, kan worden geplaatst in een justitiële inrichting voor
verpleging van ter beschikking gestelden; de artikelen 37c, 37d en 37e
zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.
2. Indien een veroordeelde tot gevangenisstraf tevens de maatregel van
terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is
opgelegd, wordt op regelmatige tijdstippen beoordeeld of de veroordeelde
dient te worden geplaatst in een justitiële inrichting voor verpleging
van ter beschikking gestelden. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gegeven omtrent deze beoordeling. Deze
regels betreffen in elk geval de frequentie van de beoordelingen, de te
volgen procedure, waaronder de advisering door gedragsdeskundigen, en de
wijze waarop de beoordelingen dienen plaats te vinden.
3. De plaatsing ingevolge het eerste lid en de beëindiging daarvan
geschieden volgens regels, bij algemene maatregel van bestuur te
stellen, op last van de Minister van Justitie, gegeven na een met
redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van ten minste twee
gedragsdeskundigen van verschillende disciplines - waaronder een
psychiater - die de betrokkene hebben onderzocht. Zodanig advies dient
door de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen
afzonderlijk te zijn uitgebracht.
4. Tegen de beslissing tot plaatsing, de beslissing tot beëindiging
daarvan en de beslissing tot niet plaatsing in afwijking van het advies
van de rechter overeenkomstig het bepaalde in artikel 37b, tweede lid,
kan de veroordeelde binnen vier weken nadat die beslissing aan hem is
medegedeeld beroep instellen bij de Raad voor strafrechtstoepassing en
jeugdbescherming. Het bepaalde in Hoofdstuk XVI van de Beginselenwet
verpleging ter beschikking gestelden is van overeenkomstige toepassing.
5. De overplaatsing en het beroep daartegen van de veroordeelden
geschieden overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op de
overplaatsing en het beroep daartegen van ter beschikking gestelden ten
aanzien van wie een bevel tot verpleging van overheidswege als bedoeld
in artikel 37b of 38c is gegeven.
Artikel 13a [Vervallen per 17-02-1999]
Artikel 13b [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 13c [Vervallen per 01-06-1999]
Artikel 13d [Vervallen per 24-12-1975]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 14a
1. In geval van veroordeling tot gevangenisstraf van ten hoogste twee
jaren, tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, tot
taakstraf of tot geldboete, kan de rechter bepalen dat de straf of een
gedeelte daarvan niet zal worden tenuitvoergelegd.
2. Ingeval van veroordeling tot gevangenisstraf van meer dan twee jaren
en ten hoogste vier jaren kan de rechter bepalen dat een gedeelte van de
straf, tot ten hoogste twee jaren, niet zal worden tenuitvoergelegd.
3. De rechter kan voorts bepalen dat opgelegde bijkomende straffen
geheel of gedeeltelijk niet zullen worden tenuitvoergelegd.
Artikel 14b
1. De rechter die bepaalt dat een door hem opgelegde straf geheel of
gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, stelt daarbij een
proeftijd vast.
2. De proeftijd bedraagt ten hoogste drie jaren. De proeftijd kan ten
hoogste tien jaren bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden
gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht
is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam
van een of meer personen.
3. De proeftijd kan eveneens ten hoogste tien jaren bedragen indien er
ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom
een misdrijf zal begaan dat de gezondheid of het welzijn van een of meer
dieren benadeelt. Onder het benadelen van de gezondheid of het welzijn
van een dier wordt voor de toepassing van dit artikel mede begrepen het
misdrijf, bedoeld in de artikelen 254 en 254a.
4. De proeftijd gaat in:
a. indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, eerste en tweede
lid, van het Wetboek van Strafvordering is uitgereikt of toegezonden, op
de vijftiende dag nadat de einduitspraak is gedaan, tenzij door de
tijdige aanwending van een rechtsmiddel het vonnis of arrest niet
onherroepelijk is geworden;
b. indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, derde lid, van
het Wetboek van Strafvordering moet worden betekend, op de vijftiende
dag na die betekening, tenzij door de tijdige aanwending van een
rechtsmiddel het vonnis of arrest niet onherroepelijk is geworden;
c. indien de rechter een bevel als bedoeld in artikel 14e, eerste lid,
heeft gegeven, op de dag van de einduitspraak.
5. De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde
rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
Artikel 14c
1. Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarden
dat:
a. de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig
maakt aan een strafbaar feit, en
b. de veroordeelde, voor zover aan de toepassing van artikel 14a
bijzondere voorwaarden als bedoeld in het tweede lid zijn gesteld:
1°. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking
verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een
identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en
2°. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in
artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder
begrepen.
2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere
voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de
proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan
wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk
aan de proeftijd, heeft te voldoen:
1°. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit
veroorzaakte schade;
2°. geheel of gedeeltelijk herstel van de door het strafbare feit
veroorzaakte schade;
3°. storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom, ten
hoogste gelijk aan het verschil tussen het maximum van de geldboete die
voor het feit kan worden opgelegd en de opgelegde boete;
4°. storting van een door de rechter vast te stellen geldbedrag in het
schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich
ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten te
behartigen. Het bedrag kan niet hoger zijn dan de geldboete die ten
hoogste voor het strafbare feit kan worden opgelegd;
5°. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde
personen of instellingen;
6°. een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde
locatie te bevinden;
7°. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde
periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;
8°. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een
bepaalde instantie;
9°. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de
verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken
aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
10°. opneming van de veroordeelde in een zorginstelling;
11°. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een
deskundige of zorginstelling;
12°. het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of
maatschappelijke opvang;
13°. het deelnemen aan een gedragsinterventie;
14°. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht worden
verbonden.
4. Bij het stellen van één van de bijzondere voorwaarden genoemd in
het tweede lid, onder 3° en 4°, vinden de artikelen 23, eerste en
tweede lid, en 24 overeenkomstige toepassing.
Artikel 14d
1. Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden is het openbaar
ministerie belast.
2. De rechter kan aan een krachtens algemene maatregel van bestuur
aangewezen reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te houden op
de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te
begeleiden. Bij het houden van toezicht op de naleving van de
voorwaarden stelt de reclasseringsinstelling de identiteit van de
veroordeelde vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid,
eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Indien
een voorwaarde niet wordt nageleefd, doet de reclasseringsinstelling
daarvan onverwijld melding aan het openbaar ministerie.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent het uit te oefenen toezicht.
Artikel 14e
1. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het
openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde
voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden
gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht
is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam
van een of meer personen.
2. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan door de rechter die
kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, op verzoek van de
veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden
opgeheven.
Artikel 14f
1. De rechter die de voorwaarde heeft gesteld kan hetzij na de ontvangst
van een vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de
veroordeelde de proeftijd verkorten of deze éénmaal verlengen. De
verlenging geschiedt met ten hoogste twee jaren.
2. Evenzo kan de in het eerste lid bedoelde rechter gedurende de
proeftijd of gedurende de tijd dat deze is geschorst in de gestelde
bijzondere voorwaarden of in de termijn waartoe deze voorwaarden in haar
werking binnen de proeftijd zijn beperkt wijziging brengen, deze
voorwaarden opheffen, alsnog bijzondere voorwaarden stellen en een
opdracht als bedoeld in artikel 14d geven, wijzigen of opheffen.
Artikel 14fa
1. In geval van veroordeling tot een vrijheidsstraf waarvan de rechter
heeft bepaald dat de straf of een gedeelte daarvan niet ten uitvoer zal
worden gelegd, kan het openbaar ministerie de aanhouding van de
veroordeelde bevelen, indien er ernstige redenen bestaan voor het
vermoeden dat enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd. Indien het
bevel van het openbaar ministerie niet kan worden afgewacht, kan de
hulpofficier de aanhouding van de veroordeelde bevelen. De hulpofficier
geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan
het openbaar ministerie.
2. Het openbaar ministerie dient, indien het de aanhouding noodzakelijk
blijft vinden, onverwijld een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging
in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in artikel
14g, eerste lid, in bij de rechter.
3. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na
aanhouding. Hangende de beslissing van de rechter-commissaris wordt de
veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
4. De veroordeelde wordt door de rechter-commissaris gehoord. De
artikelen 40 en 191 van het Wetboek van Strafvordering zijn van
overeenkomstige toepassing. De raadsman is bevoegd bij het onderzoek
tegenwoordig te zijn en van de daarop betrekking hebbende stukken kennis
te nemen.
5. Indien de rechter-commissaris de vordering van het openbaar
ministerie toewijst, beveelt hij de voorlopige tenuitvoerlegging van de
niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf. Indien hij de vordering
afwijst, beveelt hij de invrijheidstelling van de veroordeelde.
6. Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde onverwijld schriftelijk
in kennis van de beslissing van de rechter-commissaris.
7. De termijn van de voorlopige tenuitvoerlegging eindigt van rechtswege
met ingang van het tijdstip waarop de duur van de vrijheidsbeneming
gelijk wordt aan de duur van de ten uitvoer te leggen straf.
8. Het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging kan door de rechter die
bevoegd is te oordelen over de vordering tot tenuitvoerlegging
ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het
openbaar ministerie, worden opgeheven.
Artikel 14g
1. Indien enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd kan de rechter,
na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie en
onverminderd het bepaalde in artikel 14f,
1°. gelasten dat de niet ten uitvoergelegde straf alsnog zal worden
tenuitvoergelegd;
2°. al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden
gelasten dat een gedeelte van de niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal
worden tenuitvoergelegd.
2. In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf
te geven kan de rechter een taakstraf als bedoeld in artikel 9, eerste
lid, onderdeel a, onder 3°, gelasten. De artikelen 22b tot en met 22k
zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Tot behandeling van de vordering is bevoegd de rechter die de straf
heeft opgelegd. Indien de veroordeelde wordt vervolgd wegens een
strafbaar feit, begaan voor het einde van de proeftijd, is tot
behandeling van de vordering bevoegd:
a. de rechtbank, indien deze bevoegd is tot kennisneming in eerste
aanleg van het feit,
b. de kantonrechter, indien deze bevoegd is tot kennisneming van dat
feit en van feiten, terzake waarvan de veroordeling, waarop de vordering
betrekking heeft, is uitgesproken.
De vordering wordt in dat geval ingediend door het openbaar ministerie
belast met de vervolging van het feit en kan slechts bij gelegenheid van
een veroordeling terzake worden toegewezen. Strekt de vordering tot de
tenuitvoerlegging van gevangenisstraf van meer dan een jaar, dan wordt
zij niet door een enkelvoudige kamer van de rechtbank behandeld.
4. Wanneer overeenkomstig artikel 14c, tweede lid, onder 3°, een
waarborgsom is gestort kan de rechter voorts een beslissing nemen,
krachtens welke die som geheel of ten dele aan de Staat vervalt.
5. De in het eerste en tweede lid bedoelde vordering wordt gedagtekend
op de dag van ontvangst ter griffie. Het openbaar ministerie is in zijn
vordering niet ontvankelijk wanneer zij later wordt ingediend dan drie
maanden na het verstrijken der proeftijd.
6. Bij toepassing van het eerste of tweede lid, beveelt de rechter dat
de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 14fa geheel in
mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf.
Indien hij dit bevel geeft terzake van een taakstraf, bepaalt hij in
zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.
Artikel 14h
1. In de gevallen in de artikelen 14f en 14g bedoeld brengt het openbaar
ministerie de zaak aan door de indiening van een met redenen omklede
vordering. In het geval dat enige gestelde voorwaarde niet is nageleefd,
ziet het openbaar ministerie slechts af van een vordering als bedoeld in
artikel 14g, eerste lid, indien naar het oordeel van het openbaar
ministerie met een vordering als bedoeld in artikel 14f of met een
waarschuwing kan worden volstaan. Is door de veroordeelde een verzoek
tot toepassing van artikel 14f tot de rechter gericht, dan dient het
openbaar ministerie ten spoedigste nadat het verzoekschrift in zijn
handen is gesteld een met redenen omklede conclusie in.
2. Onmiddellijk na de indiening van de vordering of de conclusie bepaalt
de rechter, tenzij de summiere kennisneming van de stukken hem
aanleiding geeft om de vordering of het verzoek buiten behandeling te
laten, een dag voor het onderzoek van de zaak. In het geval, bedoeld in
artikel 14g, derde lid, tweede volzin, geschiedt de behandeling van de
vordering gelijktijdig met de behandeling van het feit waarvoor de
veroordeelde wordt vervolgd. In de overige gevallen geschiedt het
onderzoek van de zaak binnen dertig dagen nadat de rechter-commissaris
op grond van artikel 14fa de voorlopige tenuitvoerlegging heeft bevolen.
3. Het openbaar ministerie doet de veroordeelde en degene die met
reclasseringstoezicht is belast tot bijwoning van het onderzoek
oproepen, onder betekening van de vordering of de conclusie aan de
veroordeelde.
4. Zowel het openbaar ministerie als de veroordeelde is bevoegd getuigen
en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen oproepen om
bij het onderzoek tegenwoordig te zijn. De artikelen 260 en 263 van het
Wetboek van Strafvordering vinden overeenkomstige toepassing.
5. De veroordeelde en degene die met reclasseringstoezicht is belast
kunnen vóór de aanvang van het onderzoek van de stukken kennis nemen.
Hetzelfde geldt ten aanzien van de raadsman van de veroordeelde of,
indien de zaak bij de kantonrechter wordt behandeld, ten aanzien van een
bijzonder daartoe door de veroordeelde gemachtigde. Het bepaalde bij en
krachtens artikel 32 van het Wetboek van Strafvordering is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 14i
1. Het onderzoek vindt plaats ter openbare terechtzitting.
2. Het openbaar ministerie is bij het onderzoek tegenwoordig en wordt
terzake gehoord.
3. De veroordeelde en degene die met reclasseringstoezicht is belast
kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn en worden alsdan gehoord. De
veroordeelde kan zich door een raadsman of, indien de zaak bij de
kantonrechter wordt behandeld, door een bijzonder daartoe door de
veroordeelde gemachtigde, doen bijstaan.
4. In gevallen waarin de behandeling van de zaak niet gelijktijdig
geschiedt met de behandeling van een feit waarvoor de veroordeelde wordt
vervolgd, vinden de artikelen 260, eerste lid, 268, tweede lid, 269 tot
en met 277, 278, tweede lid, 281, 284, eerste lid, 286, 287, tweede en
derde lid, 288, 289, eerste, tweede en derde lid, 290 tot en met 297,
299, 300, 301, 309, 310, 311, 315, 316, 318, 319, 320, eerste en tweede
lid, 322, 324, 326 tot en met 329, 331, 345, eerste en derde lid, en 346
van het Wetboek van Strafvordering overeenkomstige toepassing.
5. De in het vierde lid genoemde artikelen vinden geen toepassing voor
zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of
slechts ten dele blijkt.
6. Gedurende het onderzoek kan het openbaar ministerie zijn ingediende
vordering of conclusie en de veroordeelde zijn verzoek wijzigen.
Artikel 14j
1. Rechterlijke beslissingen omtrent vorderingen van het openbaar
ministerie of verzoeken van de veroordeelde zijn met redenen omkleed en
worden in het openbaar uitgesproken. Zij zijn, voor zover zij geen deel
uitmaken van uitspraken terzake van andere strafbare feiten, niet aan
enig rechtsmiddel onderworpen.
2. De inhoud van de in het eerste lid bedoelde beslissingen wordt
onverwijld vanwege het openbaar ministerie schriftelijk medegedeeld aan
de veroordeelde en aan degene die met reclasseringstoezicht is belast,
zomede aan degene die bij de beslissing daarvan wordt ontheven. Indien
de beslissing een wijziging van de bijzondere voorwaarden bevat of
daarbij alsnog bijzondere voorwaarden zijn gesteld wordt de mededeling
aan de veroordeelde in persoon betekend.
Artikel 14k
1. Wanneer overeenkomstig artikel 14c, tweede lid, onder 3°, een
waarborgsom is gestort, wordt deze aan de veroordeelde teruggegeven,
voor zover die som niet krachtens een rechterlijke beslissing, als
bedoeld in artikel 14g, derde lid, aan de Staat is vervallen. De
teruggave geschiedt zodra vaststaat dat zodanige beslissing niet meer
kan worden genomen, onverminderd de bevoegdheid van de rechter om, op
vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde,
te bevelen dat gehele of gedeeltelijke teruggave op een eerder tijdstip
zal plaats hebben.
2. In geval van een vordering of verzoek als bedoeld in het vorige lid
vinden de artikelen 14h-14j overeenkomstige toepassing.
3. De aanspraak op teruggave is niet overdraagbaar.
Artikel 14l
In de gevallen waarin een vordering tot tenuitvoerlegging, als bedoeld
in artikel 14g, eerste lid, wordt afgewezen of het openbaar ministerie
in zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, kan het gerecht in
feitelijke aanleg dat als laatste over de vordering heeft geoordeeld op
verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van de staat
toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van
vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 14fa. De artikelen
89, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, en zesde lid, 90 en 93 van
het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15
1. De veroordeelde tot vrijheidsstraf van meer dan een jaar en ten
hoogste twee jaren, wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer de
vrijheidsbeneming ten minste een jaar heeft geduurd en van het alsdan
nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf eenderde gedeelte is
ondergaan.
2. De veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee
jaren wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer hij tweederde
gedeelte daarvan heeft ondergaan.
3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien:
a. de rechter op grond van artikel 14a heeft bepaald dat een gedeelte
van de vrijheidsstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd;
b. de rechter een last als bedoeld in artikel 14g, eerste lid, heeft
gegeven;
c. de veroordeelde een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf heeft
in Nederland in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.
4. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt de tijd die
door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in
verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie in het buitenland
ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering is doorgebracht onder de
termijn begrepen, tenzij die tijd, met toepassing van artikel 68, eerste
lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, reeds in
mindering is gebracht op een andere straf die de veroordeelde heeft
ondergaan.
5. Indien de veroordeelde meer dan één vrijheidsstraf heeft te
ondergaan, worden deze zo enigszins mogelijk aaneensluitend ten uitvoer
gelegd. In dat geval worden geheel onvoorwaardelijk ten uitvoer te
leggen vrijheidsstraffen gezamenlijk, met uitzondering van vervangende
hechtenis, als één vrijheidsstraf aangemerkt, waarop dit artikel en de
artikelen 15a tot en met 15l van toepassing zijn.
6. De artikelen 570 en 570a van het Wetboek van Strafvordering zijn van
toepassing.
7. In afwijking van het eerste en het tweede lid, kan Onze Minister van
Veiligheid en Justitie bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling
op een eerder tijdstip plaatsvindt in het geval van de tenuitvoerlegging
van een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf in Nederland, indien
de veroordeelde op dat eerdere tijdstip voorwaardelijk in vrijheid zou
zijn gesteld, als de tenuitvoerlegging niet aan Nederland zou zijn
overgedragen.
Artikel 15a
1. De voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt onder de algemene
voorwaarden dat:
a. de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig
maakt aan een strafbaar feit, en
b. de veroordeelde, voor zover aan de voorwaardelijke invrijheidstelling
bijzondere voorwaarden als bedoeld in het tweede lid worden gesteld:
1°. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking
verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een
identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en
2°. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in
artikel 15b, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder
begrepen.
2. Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen daarnaast bijzondere
voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde worden gesteld.
3. De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden:
1°. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde
personen of instellingen;
2°. een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde
locatie te bevinden;
3°. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde
periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;
4°. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een
bepaalde instantie;
5°. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de
verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken
aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
6°. opneming van de veroordeelde in een zorginstelling gedurende een
bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;
7°. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een
deskundige of zorginstelling gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste
gelijk aan de proeftijd;
8°. het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of
maatschappelijke opvang gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste
gelijk aan de proeftijd;
9°. het deelnemen aan een gedragsinterventie;
10°. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende,
waaraan deze gedurende de proeftijd heeft te voldoen.
4. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht worden
verbonden.
5. Het openbaar ministerie neemt de beslissing omtrent het stellen van
bijzondere voorwaarden.
6. De directeur van de penitentiaire inrichting adviseert omtrent de te
stellen bijzondere voorwaarden. De reclassering kan adviseren omtrent de
te stellen bijzondere voorwaarden.
7. Het openbaar ministerie kan de gestelde bijzondere voorwaarden
aanvullen, wijzigen of opheffen. Zodanige wijziging wordt de
veroordeelde terstond schriftelijk medegedeeld.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent de totstandkoming van de beslissing, bedoeld in
het vijfde en het zevende lid.
Artikel 15b
1. Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden is het openbaar
ministerie belast.
2. Het openbaar ministerie kan aan een krachtens algemene maatregel van
bestuur aangewezen reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te
houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve
daarvan te begeleiden. Bij het houden van toezicht op de naleving van de
voorwaarden stelt de reclasseringsinstelling de identiteit van de
veroordeelde vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid,
eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Indien
een voorwaarde niet wordt nageleefd, doet de reclasseringsinstelling
daarvan onverwijld melding aan het openbaar ministerie.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent het uit te oefenen toezicht.
Artikel 15c
1. De proeftijd gaat in op de dag van de voorwaardelijke
invrijheidstelling.
2. De proeftijd van de algemene voorwaarde is gelijk aan de periode
waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, maar
bedraagt ten minste een jaar.
3. De proeftijd van een bijzondere voorwaarde wordt door het openbaar
ministerie vastgesteld, maar is ten hoogste gelijk aan de periode
waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
4. De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde
rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
Artikel 15d
1. Voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden uitgesteld of
achterwege blijven indien:
a. de veroordeelde op grond van de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke
stoornis van zijn geestvermogens is geplaatst in een inrichting voor
verpleging van ter beschikking gestelden en zijn verpleging voortzetting
behoeft;
b. is gebleken dat de veroordeelde zich na de aanvang van de
tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen, welke
misdraging kan blijken uit:
1°. ernstige bezwaren of een veroordeling terzake van een misdrijf;
2°. gedrag dat tijdens de tenuitvoerlegging van de straf meermalen
heeft geleid tot het opleggen van een disciplinaire straf;
c. de veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf
zich hieraan onttrekt of hiertoe een poging doet;
d. door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven
onvoldoende kan worden ingeperkt dan wel indien de veroordeelde zich
niet bereid verklaart de voorwaarden na te leven;
e. de vrijheidsstraf die ten uitvoer wordt gelegd, voortvloeit uit een
onherroepelijke veroordeling door een buitenlandse rechter en de
tenuitvoerlegging overeenkomstig het toepasselijke verdrag is
overgenomen, voorzover de mogelijkheid van uitstel of achterwege blijven
van voorwaardelijke invrijheidstelling de instemming van de buitenlandse
autoriteit met de overbrenging heeft bevorderd.
2. Voorwaardelijke invrijheidstelling kan tevens worden uitgesteld of
achterwege blijven, indien de feiten of omstandigheden als genoemd in
het eerste lid, onder b, c of d, zich hebben voorgedaan gedurende de
periode die ingevolge artikel 27, eerste lid, op de vrijheidsstraf in
mindering wordt gebracht.
3. Indien Onze Minister van Justitie van oordeel is dat er op een van de
gronden, genoemd in het eerste lid, reden is de voorwaardelijke
invrijheidstelling met een bepaalde termijn uit te stellen of achterwege
te laten, verzoekt hij het openbaar ministerie om een daartoe strekkende
vordering in te dienen.
4. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat er op een van de
gronden, genoemd in het eerste lid, reden is de voorwaardelijke
invrijheidstelling met een bepaalde termijn uit te stellen of achterwege
te laten, richt het onverwijld een daartoe strekkende schriftelijke
vordering tot de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van
het strafbare feit terzake waarvan de straf die ten uitvoer wordt
gelegd, is opgelegd. De vordering bevat de grond waarop zij berust. Een
afschrift van de vordering wordt toegezonden aan de veroordeelde.
5. In de gevallen, bedoeld in artikel 15, vijfde lid, is tot
kennisneming van de vordering bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg
heeft geoordeeld terzake van het feit waarvoor de langste
onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd. Bij straffen van gelijke
lengte zijn rechtbanken gelijkelijk bevoegd. In het geval van de
tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing is tot
kennisneming van de vordering bevoegd de rechtbank die het verlof tot
tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet
overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen heeft verleend, dan wel de
rechtbank in het arrondissement waar de tenuitvoerlegging van de
vrijheidsstraf plaatsvindt.
6. De vordering, bedoeld in het vierde lid, dient uiterlijk dertig dagen
vóór het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling te zijn
ontvangen op de griffie van de rechtbank. Het openbaar ministerie is in
een later ingediende vordering ontvankelijk indien het aannemelijk maakt
dat een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid zich eerst nadien
heeft voorgedaan.
7. De voorwaardelijke invrijheidstelling kan telkens opnieuw met een
bepaalde termijn worden uitgesteld dan wel, nadat zij is uitgesteld,
achterwege blijven. Het derde tot en met zesde lid zijn van toepassing.
Artikel 15e
1. Bij de vordering, bedoeld in artikel 15d, vierde lid, zendt het
openbaar ministerie de daarop betrekking hebbende stukken aan de
rechtbank toe. De voorzitter van de rechtbank bepaalt daarop onverwijld
een dag voor het onderzoek van de zaak, tenzij hij vaststelt dat het
openbaar ministerie in zijn vordering niet kan worden ontvangen.
2. Hangende de beslissing van de rechtbank wordt de veroordeelde niet
voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
3. Indien niet blijkt dat de veroordeelde een raadsman heeft, geeft de
voorzitter op verzoek van de veroordeelde aan het bestuur van de raad
voor rechtsbijstand last tot toevoeging van een raadsman. De
veroordeelde en zijn raadsman kunnen voor de aanvang van het onderzoek
van de stukken kennis nemen. Artikel 32 van het Wetboek van
Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
4. Zowel het openbaar ministerie als de veroordeelde is bevoegd getuigen
en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen oproepen om
bij het onderzoek tegenwoordig te zijn. De artikelen 260 en 263 van het
Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
5. De zaak kan worden behandeld en beslist door een enkelvoudige kamer
van de rechtbank. Het onderzoek van de zaak vindt plaats ter openbare
terechtzitting. De veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld bij de
behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn en zich door een raadsman
te doen bijstaan. Het openbaar ministerie is bij het onderzoek aanwezig
en wordt ter zake gehoord. Gedurende het onderzoek kan het openbaar
ministerie zijn ingediende vordering wijzigen.
6. De artikelen 268, tweede en derde lid, 269 tot en met 277, 278,
tweede lid, 279, 281, 284, eerste lid, 286, 287, tweede en derde lid,
288 tot en met 311, 315, 316, 318, 319, 320, eerste en tweede lid, 321,
322, 324, 326 tot en met 331, 345, eerste en derde lid, en 346 van het
Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
7. De in het zesde lid genoemde artikelen vinden geen toepassing
voorzover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of
slechts ten dele blijkt.
Artikel 15f
1. Indien de rechtbank de vordering van het openbaar ministerie, bedoeld
in artikel 15d, vierde lid, toewijst, bepaalt hij dat de veroordeelde op
het in de vordering aangegeven tijdstip in vrijheid zal worden gesteld.
2. Indien de rechtbank de vordering geheel of gedeeltelijk afwijst,
bepaalt hij op welk tijdstip de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid
zal worden gesteld.
3. De rechtbank kan in zijn beslissing omtrent de vordering adviseren
omtrent aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden
bijzondere voorwaarden.
4. De beslissing van de rechtbank omtrent de vordering is met redenen
omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Het openbaar ministerie
stelt de veroordeelde onverwijld schriftelijk in kennis van de
beslissing van de rechtbank.
5. Tegen de beslissing van de rechtbank staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 15g
Voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk worden
herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet
heeft nageleefd. Indien de voorwaardelijke invrijheidstelling
gedeeltelijk is herroepen, wordt de veroordeelde, nadat hij het alsnog
ten uitvoer te leggen gedeelte van de vrijheidsstraf heeft ondergaan,
opnieuw voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
Artikel 15h
1. Indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een
veroordeelde die voorwaardelijk in vrijheid is gesteld zich zodanig
heeft gedragen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden
herroepen, kan zijn aanhouding worden bevolen door het openbaar
ministerie. Indien het bevel van het openbaar ministerie niet kan worden
afgewacht, kan de hulpofficier de aanhouding van de veroordeelde
bevelen. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk
of mondeling kennis aan het openbaar ministerie.
2. Het openbaar ministerie dient, indien het de aanhouding noodzakelijk
blijft vinden, onverwijld een vordering tot schorsing van de
voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de rechter-commissaris en een
vordering als bedoeld in artikel 15i, tweede lid, in bij de rechter.
3. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na
aanhouding. Hangende de beslissing van de rechter-commissaris wordt de
veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
4. De veroordeelde wordt door de rechter-commissaris gehoord. De
artikelen 40 en 191 van het Wetboek van Strafvordering zijn van
overeenkomstige toepassing. De raadsman is bevoegd bij het onderzoek
tegenwoordig te zijn en van de daarop betrekking hebbende stukken kennis
te nemen.
5. Indien de rechter-commissaris de vordering van het openbaar
ministerie toewijst, beveelt hij de schorsing van de voorwaardelijke
invrijheidstelling. Indien hij de vordering afwijst, beveelt hij de
hervatting van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de
veroordeelde.
6. Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde onverwijld schriftelijk
in kennis van de beslissing van de rechter-commissaris.
7. De termijn van de schorsing eindigt van rechtswege met ingang van het
tijdstip waarop de duur van de vrijheidsbeneming gelijk wordt aan de
duur van de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling is
verleend.
8. Het bevel tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan
door de rechtbank worden opgeheven. Zij kan dit ambtshalve doen, op
verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie.
Artikel 15i
1. Indien Onze Minister van Justitie van oordeel is dat de veroordeelde
een voorwaarde niet heeft nageleefd en gehele of gedeeltelijke
herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling geboden is,
verzoekt hij het openbaar ministerie om een daartoe strekkende vordering
in te dienen.
2. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde een
voorwaarde niet heeft nageleefd, dient het onverwijld een schriftelijke
vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in
bij de rechtbank. De vordering bevat de grond waarop zij berust. Het
openbaar ministerie ziet slechts af van de vordering, indien naar het
oordeel van het openbaar ministerie met het wijzigen van de voorwaarden
of met een waarschuwing kan worden volstaan.
3. Tot kennisneming van de vordering is bevoegd de rechtbank die in
eerste aanleg heeft kennisgenomen van het strafbare feit terzake waarvan
de straf die ten uitvoer wordt gelegd, is opgelegd. Indien de
veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit begaan voor het
einde van de proeftijd en de vordering strekt tot herroeping van de
voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met dat strafbare feit is
bevoegd de rechtbank die bevoegd is tot kennisneming van het strafbare
feit. De vordering wordt ingediend door het openbaar ministerie dat is
belast met de vervolging van het strafbare feit en kan bij gelegenheid
van een veroordeling terzake van dat strafbare feit worden toegewezen.
4. In de gevallen, bedoeld in artikel 15, vijfde lid, is tot
kennisneming van de vordering bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg
heeft geoordeeld terzake van het feit waarvoor de langste
onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd. Bij straffen van gelijke
lengte zijn rechtbanken gelijkelijk bevoegd. In het geval van de
tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing is tot
kennisneming van de vordering bevoegd de rechtbank die het verlof tot
tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet
overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen heeft verleend, dan wel de
rechtbank in het arrondissement waar de tenuitvoerlegging van de
vrijheidsstraf plaatsvindt.
5. Bij de vordering zendt het openbaar ministerie de daarop betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank toe. De voorzitter van de rechtbank
bepaalt daarop onverwijld een dag voor het onderzoek van de zaak, tenzij
hij vaststelt dat het openbaar ministerie in zijn vordering niet kan
worden ontvangen. In het geval bedoeld in het derde lid, tweede volzin,
geschiedt de behandeling van de zaak gelijktijdig met de behandeling van
het strafbare feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd.
6. Het openbaar ministerie doet de veroordeelde en indien artikel 15b,
tweede lid, is toegepast, degene die met begeleiding en toezicht is
belast, tot bijwoning van de zitting oproepen onder betekening van de
vordering aan de veroordeelde.
7. In de gevallen waarin de behandeling van de zaak niet gelijktijdig
geschiedt met de behandeling van een feit waarvoor de veroordeelde wordt
vervolgd, is artikel 15e, derde tot en met zevende lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 15j
1. Indien de vordering van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel
15i, tweede lid, wordt toegewezen, gelast de rechtbank dat het gedeelte
van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling
van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd,
alsnog geheel of gedeeltelijk moet worden ondergaan. De rechtbank kan in
zijn beslissing omtrent de vordering adviseren omtrent aan de
voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden bijzondere voorwaarden.
2. In het geval dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt
herroepen nadat zij is geschorst, wordt de tenuitvoerlegging van de
vrijheidsstraf geacht te zijn hervat op de dag van de aanhouding,
bedoeld in artikel 15h, eerste lid.
3. De beslissing van de rechtbank omtrent de vordering is met redenen
omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Het openbaar ministerie
stelt de veroordeelde onverwijld in kennis van de beslissing van de
rechtbank.
4. Tegen de beslissing van de rechtbank over de vordering tot herroeping
van de voorwaardelijke invrijheidstelling staat, voor zover zij geen
deel uitmaakt van uitspraken terzake van andere strafbare feiten, geen
rechtsmiddel open. De rechter die in hoger beroep of beroep in cassatie
kennisneemt van een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke
invrijheidstelling, heeft gelijke bevoegdheid als in het eerste lid en
in artikel 15h, achtste lid, aan de rechtbank is toegekend.
Artikel 15k
In de gevallen waarin een vordering tot herroeping van de
voorwaardelijke invrijheidstelling wordt afgewezen of het openbaar
ministerie in zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, kan het
gerecht in feitelijke aanleg dat als laatste over de vordering heeft
geoordeeld op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste
van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge
van vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 15h, vijfde lid.
De artikelen 89, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, en zesde lid, 90
en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 15l
1. In afwijking van artikel 15, eerste en tweede lid, kan Onze Minister
van Justitie bepalen dat voor een bepaalde periode en voor bepaalde
categorieën gedetineerden de voorwaardelijke invrijheidstelling op een
eerder tijdstip kan plaatsvinden in verband met een tekort aan plaatsen
voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende
maatregelen in penitentiaire inrichtingen.
2. Indien Onze Minister van Justitie toepassing geeft aan het eerste
lid, wordt daarvan mededeling gedaan in de Staatscourant. Van de
plaatsing in de Staatscourant wordt onverwijld mededeling gedaan aan de
beide kamers der Staten-Generaal.
3. Indien Onze Minister van Justitie toepassing geeft aan het eerste
lid, wordt het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling met niet
meer dan drie maanden vervroegd.
4. De periode, bedoeld in het eerste lid, is niet langer dan zes
maanden. De toepassing van het eerste lid kan door Onze Minister van
Justitie te allen tijde worden beëindigd. Indien Onze Minister van
Justitie voortzetting van de toepassing van het eerste lid noodzakelijk
acht, kan de periode worden verlengd met zes maanden. Het tweede lid is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
Voorschriften tot nadere regeling van de werkzaamheden van
reclasseringsinstellingen met betrekking tot de naleving van bij of
krachtens de wet aan verdachten of veroordeelden opgelegde voorwaarden
worden vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel 17 [Vervallen per 01-01-1987]
Artikel 17a [Vervallen per 01-06-1953]
Artikel 18
1. De duur van de hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste een
jaar.
2. Zij kan voor ten hoogste een jaar en vier maanden worden opgelegd in
de gevallen waarin wegens strafverhoging ter zake van samenloop,
herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 44, de tijd van een
jaar wordt overschreden.
3. Zij kan in geen geval de tijd van een jaar en vier maanden te boven
gaan.
Artikel 19
Artikel 13 is op de tot hechtenis of vervangende hechtenis veroordeelde
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 21
De duur van de tijdelijke gevangenisstraf en de hechtenis wordt in de
rechterlijke uitspraak aangewezen in dagen, weken, maanden en jaren,
niet in gedeelten daarvan.
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 22a
Het hoofd van het Departement van Justitie is bevoegd in bijzondere
omstandigheden in het belang van de veiligheid van de staat te bepalen,
dat vrijheidsstraffen buiten het Rijk in Europa ten uitvoer worden
gelegd.
Artikel 22b
1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:
a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige
inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge
heeft gehad;
b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 181, 240b, 248a,
248b, 248c en 250.
2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling
voor een misdrijf indien:
1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem
begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd,
en
2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van
artikel 22g de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is
bevolen.
3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de
taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel wordt opgelegd.
Artikel 22c
1. Een taakstraf bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid. Het
vonnis dan wel de strafbeschikking vermeldt het aantal uren dat de straf
zal duren. Het vonnis dan wel de strafbeschikking kan de aard van de te
verrichten werkzaamheden vermelden.
2. De taakstraf duurt ten hoogste tweehonderdenveertig uren.
3. De termijn binnen welke de taakstraf moet worden voltooid bedraagt
een jaar na het onherroepelijk worden van het vonnis, dan wel zes
maanden na het onherroepelijk worden van de strafbeschikking. Het
openbaar ministerie kan ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde
deze termijn eenmaal met eenzelfde termijn verlengen. Het zendt hiervan
zo spoedig mogelijk een kennisgeving aan de veroordeelde.
4. De termijn binnen welke de taakstraf moet worden verricht wordt
verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is
ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.
Artikel 22d
1. In het vonnis waarbij taakstraf wordt opgelegd, beveelt de rechter,
voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren
verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast.
2. De duur van de vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of
maanden vastgesteld.
3. De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste
vier maanden. Voor elke twee uren van de taakstraf wordt niet meer dan
één dag opgelegd.
4. Wanneer een gedeelte van de te verrichten taakstraf is voldaan,
vermindert de duur van de vervangende hechtenis naar evenredigheid.
Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag
vervangende hechtenis zou moeten worden ondergaan, dan vindt afronding
naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.
Artikel 22e
Over de wijze waarop de taakstraf wordt of is verricht, kan het openbaar
ministerie, naar regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur,
inlichtingen inwinnen bij lichamen en personen die werkzaam zijn op het
gebied van de reclassering. Artikel 147, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22f
1. Het openbaar ministerie kan de opgelegde straf wijzigen voor wat
betreft de aard van de te verrichten werkzaamheden, bedoeld in artikel
22c, eerste lid, derde volzin, indien het van oordeel is dat de
veroordeelde de taakstraf niet geheel overeenkomstig de opgelegde straf
kan of heeft kunnen verrichten. Het openbaar ministerie benadert daarbij
zo veel mogelijk de opgelegde straf. Het openbaar ministerie geeft
hiervan kennis aan de veroordeelde.
2. Het openbaar ministerie doet deze kennisgeving zo spoedig mogelijk
aan de veroordeelde betekenen. De kennisgeving behelst het aantal uren
taakstraf dat naar het oordeel van het openbaar ministerie is verricht,
alsmede de straf zoals deze voor het overige nader is vastgesteld.
3. Tegen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, kan de veroordeelde
binnen veertien dagen na de betekening daarvan een bezwaarschrift
indienen bij de rechter die de straf oplegde. De rechter kan de
beslissing van het openbaar ministerie wijzigen. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 22g
1. Indien de tot een taakstraf veroordeelde niet aanvangt met de
taakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn
identiteit of het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde
de opgelegde taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht,
wordt vervangende hechtenis toegepast, tenzij dit wegens uitzonderlijke
omstandigheden die zich na het opleggen van de taakstraf hebben
voorgedaan, zou leiden tot een onbillijkheid van zwaarwegende aard. Het
openbaar ministerie geeft hiervan kennis aan de veroordeelde.
2. Het openbaar ministerie doet deze kennisgeving zo spoedig mogelijk
aan de veroordeelde betekenen. De kennisgeving behelst het aantal uren
taakstraf dat naar het oordeel van het openbaar ministerie is verricht,
alsmede het aantal dagen vervangende hechtenis.
3. Tegen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, kan de veroordeelde
binnen veertien dagen na de betekening daarvan een bezwaarschrift
indienen bij de rechter die de straf oplegde. De rechter kan de
beslissing van het openbaar ministerie wijzigen. Indien de rechter het
bezwaarschrift gegrond verklaart, geeft hij in zijn beslissing het
aantal uren taakstraf aan dat nog moet worden verricht en binnen welke
termijn de taakstraf moet worden voltooid.
Artikel 22h
Op de behandeling van het bezwaarschrift als bedoeld in artikel 22f,
derde lid, en artikel 22g, derde lid, zijn de artikelen 14h, met
uitzondering van de eerste volzin van het eerste lid, 14i en 14j van dit
wetboek en artikel 449, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22i
Het openbaar ministerie kan een beslissing als bedoeld in artikel 22f,
eerste lid, of artikel 22g, eerste lid, slechts nemen gedurende de
termijn waarbinnen de taakstraf op grond van artikel 22c, derde lid, dan
wel 22g, derde lid, moet zijn voltooid, of binnen drie maanden na afloop
van deze termijn.
Artikel 22j
Indien naar het oordeel van het openbaar ministerie de opgelegde taak
naar behoren is verricht, stelt het zo spoedig mogelijk de veroordeelde
hiervan in kennis.
Artikel 22k
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld over de inhoud van de taakstraf, de tenuitvoerlegging van de
taakstraf en de rechten en plichten van de tot een taakstraf
veroordeelde. Bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf wordt de
identiteit van de veroordeelde vastgesteld op de wijze, bedoeld in
artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek
van Strafvordering.
Artikel 23
1. Hij die tot een geldboete is veroordeeld is verplicht tot betaling
van het vastgestelde bedrag aan de staat binnen de termijn door het
openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van de strafbeschikking
of het vonnis of arrest is belast, te stellen.
2. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 3.
3. De geldboete die voor een strafbaar feit ten hoogste kan worden
opgelegd, is gelijk aan het bedrag van de categorie die voor dat feit is
bepaald.
4. Er zijn zes categorieën:
de eerste categorie,€ 335 [Red: Per 1 januari 2012: € 390.] ;
de tweede categorie,€ 3 350 [Red: Per 1 januari 2012: € 3 900.] ;
de derde categorie,€ 6 700 [Red: Per 1 januari 2012: € 7 800.] ;
de vierde categorie,€ 16 750 [Red: Per 1 januari 2012: € 19 500.] ;
de vijfde categorie,€ 67 000 [Red: Per 1 januari 2012: € 78 000.] ;
de zesde categorie,€ 670 000 [Red: Per 1 januari 2012: € 780 000.] .
5. Voor een overtreding, onderscheidenlijk een misdrijf, waarop geen
geldboete is gesteld, kan een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste
het bedrag van de eerste, onderscheidenlijk de derde categorie.
6. Voor een overtreding, onderscheidenlijk een misdrijf, waarop een
geldboete is gesteld, maar waarvoor geen boetecategorie is bepaald, kan
een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de eerste,
onderscheidenlijk de derde categorie, indien dit bedrag hoger is dan het
bedrag van de op het betrokken strafbare feit gestelde geldboete.
7. Bij veroordeling van een rechtspersoon kan, indien de voor het feit
bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een geldboete
worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere
categorie.
8. Het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing bij veroordeling
van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, maatschap, rederij of
doelvermogen.
9. De in het vierde lid genoemde bedragen worden elke twee jaar, met
ingang van 1 januari van een jaar, bij algemene maatregel van bestuur
aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex sinds de
vorige aanpassing van deze bedragen. Bij deze aanpassing wordt het
geldbedrag van de eerste categorie op een veelvoud van € 5 naar
beneden afgerond en worden, uitgaande van het geldbedrag van deze eerste
categorie en onder instandhouding van de onderlinge verhouding tussen de
bedragen van de geldboetecategorieën, de bedragen van de tweede tot en
met de zesde geldboetecategorie bepaald.
Artikel 24
Bij de vaststelling van de geldboete wordt rekening gehouden met de
draagkracht van de verdachte in de mate waarin dat nodig is met het oog
op een passende bestraffing van de verdachte zonder dat deze in zijn
inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen.
Artikel 24a
1. Indien een of meer geldboeten worden opgelegd tot een bedrag van ten
minste € 225, kan in de uitspraak dan wel de strafbeschikking worden
bepaald dat degene aan wie de geldboete is opgelegd het bedrag in
gedeelten mag voldoen. Elk van die gedeelten wordt daarbij op ten minste
€ 45 bepaald.
2. In geval van toepassing van het eerste lid worden in de uitspraak of
strafbeschikking tevens termijnen vastgesteld voor de betaling van het
tweede en - zo de geldboete in meer gedeelten mag worden voldaan - de
volgende gedeelten.
3. Deze termijnen worden op ten minste één en ten hoogste drie maanden
gesteld. Zij mogen in het geval van een uitspraak tezamen een tijdvak
van twee jaar niet overschrijden; in het geval van een strafbeschikking
mogen zij een tijdvak van een jaar niet overschrijden.
Artikel 24b
1. Wanneer een ingevolge een voor tenuitvoerlegging vatbare geldboete te
betalen bedrag binnen de daarvoor gestelde termijn niet in zijn geheel
is voldaan, wordt de veroordeelde door het openbaar ministerie
schriftelijk tot betaling aangemaand. Het bedrag wordt daarbij, in het
geval de rechterlijke veroordeling of strafbeschikking onherroepelijk
is, van rechtswege verhoogd met € 15. Het openbaar ministerie wijst de
veroordeelde op het bepaalde in het tweede lid.
2. Is het overeenkomstig het eerste lid verhoogde bedrag na verloop van
de bij de aanmaning gestelde termijn geheel of ten dele onbetaald
gebleven, dan wordt het bedrag, dan wel het nog verschuldigde gedeelte
daarvan, van rechtswege verder verhoogd met een vijfde, doch ten minste
met € 30.
3. Een geldboete die overeenkomstig artikel 24a in gedeelten mag worden
voldaan, of ten aanzien waarvan het openbaar ministerie betaling in
termijnen heeft toegestaan, is onmiddellijk in haar geheel opeisbaar,
zodra een verhoging krachtens het eerste lid is ingetreden.
4. In gevallen waarin het openbaar ministerie, nadat de veroordeelde
reeds in verzuim was, alsnog uitstel van betaling heeft verleend, dan
wel afbetaling heeft toegestaan, vinden de voorgaande leden van dit
artikel geen toepassing, zolang de veroordeelde zijn verplichtingen
volgens de getroffen nadere regeling nakomt.
5. Betalingen door de veroordeelde gedaan, worden geacht in de eerste
plaats tot voldoening van de krachtens het eerste en tweede lid
ingetreden verhogingen te strekken.
Artikel 24c
1. Bij de uitspraak waarbij geldboete wordt opgelegd, beveelt de rechter
voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het
verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis zal worden
toegepast. Indien de veroordeelde een rechtspersoon is, blijft dit bevel
achterwege. Artikel 51, laatste lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. De duur van de vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of
maanden vastgesteld.
3. De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste
een jaar. Voor elke volle € 25 van de geldboete wordt niet meer dan
één dag opgelegd.
4. Wanneer een gedeelte van het verschuldigde bedrag is voldaan,
vermindert de duur van de vervangende hechtenis naar evenredigheid.
Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag
vervangende hechtenis zou moeten worden ondergaan, dan vindt afronding
naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.
5. Het vorige lid is ook van toepassing in gevallen waarin de betaling
geschiedt nadat reeds een deel van de vervangende hechtenis ten uitvoer
is gelegd.
6. Indien ter zake van het strafbare feit waarvoor de vervangende
hechtenis wordt bepaald of ten uitvoer gelegd tevens gijzeling is
toegepast, wordt de tijd die in gijzeling is doorgebracht in mindering
gebracht op de vervangende hechtenis.
Artikel 24d [Vervallen per 01-09-2003]
Artikel 24e [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 26
De gevangenisstraf en de hechtenis gaan, voor zover elk van deze
straffen betreft, in:
a. ten aanzien van veroordeelden die zich in voorlopige hechtenis
bevinden ter zake van het feit waarvoor zij veroordeeld zijn, op de dag
waarop de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan;
b. ten aanzien van andere veroordeelden, op de dag van de
tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak.
Artikel 27
1. Bij het opleggen van tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of
taakstraf beveelt de rechter, dat de tijd die door de veroordeelde
vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in
voorlopige hechtenis, in gijzeling ingevolge artikel 578b van het
Wetboek van Strafvordering, in een psychiatrisch ziekenhuis of een
inrichting voor klinische observatie bestemd ingevolge een bevel tot
observatie of in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands
verzoek om uitlevering of om overlevering is doorgebracht, bij de
uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. Indien
hij dit bevel geeft terzake van een taakstraf, bepaalt hij in zijn
uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden. Het
vorenstaande blijft buiten toepassing voor zover die tijd reeds met
toepassing van artikel 68, eerste lid, laatste volzin, van het Wetboek
van Strafvordering in mindering is gebracht op een andere vrijheidsstraf
die de veroordeelde heeft ondergaan.
2. Bij het berekenen van de in mindering te brengen tijd geldt de eerste
dag van de verzekering als een volle dag en blijft de dag waarop zij is
geëindigd buiten beschouwing.
3. De rechter kan een overeenkomstig bevel geven bij het opleggen van
geldboete. Indien hij dit bevel geeft, bepaalt hij in zijn uitspraak
volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.
4. De voorgaande leden van dit artikel zijn ook van toepassing in
gevallen waarin, bij gelijktijdige vervolging wegens twee of meer
feiten, de veroordeling wordt uitgesproken ter zake van een ander feit
dan dat waarvoor de verzekering , de voorlopige hechtenis of de
gijzeling ingevolge artikel 578b van het Wetboek van Strafvordering is
bevolen.
Artikel 27a
De tijd die door de tot gevangenisstraf of hechtenis veroordeelde in het
buitenland in detentie is doorgebracht ingevolge een Nederlands verzoek
om uitlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging of verdere
tenuitvoerlegging van deze straf, komt daarop in mindering.
Artikel 27bis [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 27ter [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 27quater [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 28
1. De rechten waarvan de schuldige, in de bij de wet bepaalde gevallen,
bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:
1°. het bekleden van ambten of van bepaalde ambten;
2°. het dienen bij de gewapende macht;
3°. het recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te
verkiezen en tot lid van deze organen te worden verkozen;
4°. het zijn van raadsman of gerechtelijk bewindvoerder;
5°. de uitoefening van bepaalde beroepen.
2. Ontzetting van leden van de rechterlijke macht die, hetzij voor hun
leven, hetzij voor een bepaalde tijd, zijn aangesteld, of van andere
voor hun leven aangestelde ambtenaren, geschiedt, ten opzichte van het
ambt waartoe zij aldus zijn aangesteld, alleen in de gevallen en op de
wijze bij de wet bepaald.
3. Ontzetting van het recht bedoeld in het eerste lid, onder 3°, kan
alleen worden uitgesproken bij veroordeling tot gevangenisstraf van ten
minste een jaar.
Artikel 29
Ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleden en bij
de gewapende macht te dienen kan, behalve in de gevallen in het Tweede
Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeling wegens enig
ambtsmisdrijf of wegens enig misdrijf waardoor de schuldige een
bijzondere ambtsplicht schond of waarbij hij gebruik maakte van macht,
gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.
Artikel 30 [Vervallen per 01-12-1905]
Artikel 31
1. Wanneer ontzetting van rechten wordt uitgesproken, bepaalt de rechter
de duur als volgt:
1°. bij veroordeling tot levenslange gevangenisstraf, voor het leven;
2°. bij veroordeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot hechtenis,
voor een tijd de duur van de hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste
vijf jaren te boven gaande;
3°. bij veroordeling tot geldboete, voor een tijd van ten minste twee
en ten hoogste vijf jaren;
4°. bij afzonderlijke oplegging, voor een tijd van ten minste twee en
ten hoogste vijf jaren.
2. De ontzetting van het recht vermeld in artikel 28, eerste lid, onder
3°, gaat in op de dag dat de veroordeling daartoe onherroepelijk is
geworden. De ontzetting van een van de andere in artikel 28, eerste lid,
vermelde rechten gaat in op de dag waarop de rechterlijke uitspraak kan
worden ten uitvoer gelegd.
Artikel 32
De rechter kan aan een krachtens algemene maatregel van bestuur
aangewezen reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te houden op
de naleving door de veroordeelde van de ontzetting van het recht om
ambten of bepaalde ambten te bekleden en het recht om bepaalde beroepen
uit te oefenen. De veroordeelde is verplicht medewerking te verlenen aan
het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder
begrepen. Indien de veroordeelde de ontzetting niet naleeft, doet de
reclasseringsinstelling daarvan onverwijld melding aan het openbaar
ministerie.
Artikel 33
1. Verbeurdverklaring kan worden uitgesproken bij veroordeling wegens
enig strafbaar feit.
2. Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33a
1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of
ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door
middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;
b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;
c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
d. voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is
belemmerd;
e. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of
bestemd;
f. zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de onder
a tot en met e bedoelde voorwerpen.
2. Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e die
niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden
verklaard indien:
a. degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door
middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in
verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming
redelijkerwijs had kunnen vermoeden, of
b. niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.
3. Rechten als bedoeld in het eerste lid, onder f, die niet aan de
veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien
degene aan wie zij toebehoren bekend was met de verkrijging van de
voorwerpen waarop of ten aanzien waarvan deze rechten bestaan, door
middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in
verband daarmede, danwel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming
redelijkerwijs had kunnen vermoeden.
4. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.
Artikel 33b
In de verbeurdverklaring van een voorwerp is begrepen die van de
verpakking waarin het zich bevindt, tenzij de rechter het tegendeel
bepaalt.
Artikel 33c
1. Bij de verbeurdverklaring van voorwerpen kan de rechter voor het
geval waarin de verbeurd verklaarde voorwerpen meer zouden opbrengen dan
een in de uitspraak vastgesteld bedrag, bevelen dat het verschil wordt
vergoed.
2. De rechter kent een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, of een
geldelijke tegemoetkoming toe wanneer dit nodig is om te voorkomen dat
de verdachte, of een ander aan wie de verbeurd verklaarde voorwerpen
toebehoren, onevenredig zou worden getroffen.
3. De rechter bepaalt aan wie het bedrag van de vergoeding of
tegemoetkoming wordt uitbetaald; zulks laat ieders recht op dit bedrag
onverlet.
Artikel 34
1. Niet in beslag genomen voorwerpen worden, bij verbeurdverklaring, in
de uitspraak op een bepaald geldelijk bedrag geschat.
2. De voorwerpen moeten in dit geval worden uitgeleverd of de geschatte
waarde moet worden betaald.
3. De artikelen 24b, 24c en 25 vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 35
1. De kosten van gevangenisstraf en hechtenis komen, voor zover niet bij
of krachtens enige wet anders is bepaald, ten laste van de Staat.
2. Al hetgeen wordt verkregen uit geldboeten en verbeurdverklaringen
komt ten bate van de Staat.
Artikel 36
1. In de gevallen waarin de rechter krachtens de wet de openbaarmaking
van zijn uitspraak gelast, bepaalt hij tevens de wijze waarop aan die
last uitvoering wordt gegeven.
2. De kosten van openbaarmaking worden in de uitspraak op een bepaald
bedrag geschat.
3. De artikelen 24b, 24c en 25 vinden overeenkomstige toepassing.
Titel IIA. Maatregelen
Eerste afdeling. Onttrekking aan het verkeer, ontneming van het
wederrechtelijk verkregen voordeel en schadevergoeding
Artikel 36a
Alle kosten van tenuitvoerlegging van de in deze afdeling bedoelde
maatregelen - met uitzondering van de kosten van het verhaal, de
invorderingskosten daaronder begrepen, - komen ten laste, al hetgeen
door die tenuitvoerlegging wordt verkregen, komt ten bate van de staat,
met uitzondering van hetgeen door de tenuitvoerlegging van de maatregel,
genoemd in artikel 36f, wordt verkregen.
Artikel 36b
1. Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan
worden opgelegd:
1°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar
feit wordt veroordeeld;
2°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij overeenkomstig artikel 9a
wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd;
3°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak
of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een
strafbaar feit is begaan;
4°. bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het
openbaar ministerie;
5°. bij een strafbeschikking.
2. De artikelen 33b en 33c, tweede en derde lid, alsmede artikel 446 van
het Wetboek van Strafvordering, zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De maatregel kan te zamen met straffen en met andere maatregelen
worden opgelegd.
Artikel 36c
Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1°. die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het
feit zijn verkregen;
2°. met betrekking tot welke het feit is begaan;
3°. met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
4°. met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
5°. die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het
ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het
algemeen belang.
Artikel 36d
Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader
of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het
ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het
algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door
hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn
aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het
begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de
belemmering van de opsporing daarvan.
Artikel 36e
1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke
rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een
strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een
geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen
voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde
persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van
het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende
aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke
rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een
misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een
geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot
betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van
wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat
misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben
geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In
dat geval kan ook worden vermoed dat:
a. uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes
jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk
verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven
zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, of;
b. voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het
plegen van dat misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren
voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is
dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst
ten grondslag ligt.
4. De rechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie
of op het verzoek van de veroordeelde afwijken van de in het derde lid
genoemde periode van zes jaren en een kortere periode in aanmerking
nemen.
5. De rechter stelt het bedrag vast waarop het wederrechtelijk verkregen
voordeel wordt geschat. Onder voordeel is de besparing van kosten
begrepen. De waarde van voorwerpen die door de rechter tot het
wederrechtelijk verkregen voordeel worden gerekend, kan worden geschat
op de marktwaarde op het tijdstip van de beslissing of door verwijzing
naar de bij openbare verkoop te behalen opbrengst, indien verhaal moet
worden genomen. De rechter kan het te betalen bedrag lager vaststellen
dan het geschatte voordeel. Op het gemotiveerde verzoek van de verdachte
of veroordeelde kan de rechter, indien de huidige en de redelijkerwijs
te verwachten toekomstige draagkracht van de verdachte of veroordeelde
niet toereikend zullen zijn om het te betalen bedrag te voldoen, bij de
vaststelling van het te betalen bedrag daarmee rekening houden. Bij het
ontbreken van zodanig verzoek kan de rechter ambtshalve of op vordering
van de officier van justitie deze bevoegdheid toepassen.
6. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.
7. Bij het vaststellen van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen
voordeel op grond van het eerste en tweede lid ter zake van strafbare
feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd, kan de rechter
bepalen dat deze hoofdelijk dan wel voor een door hem te bepalen deel
aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting.
8. Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het
wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde
derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht.
9. Bij de oplegging van de maatregel wordt rekening gehouden met uit
hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling
van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
10. Lijfsdwang kan met toepassing van artikel 577c van het Wetboek van
Strafvordering door de rechter tot maximaal drie jaar worden bevolen en
geldt als maatregel.
Artikel 36f
1. Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit
wordt veroordeeld of waarbij door de rechter bij de strafoplegging
rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding
is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de
rechtbank wordt gebracht dan wel jegens wie een strafbeschikking wordt
uitgevaardigd, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de
staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer of diens
nabestaanden in de zin van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering. De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan
het slachtoffer of diens nabestaanden in de zin van artikel 51f, tweede
lid, van het Wetboek van Strafvordering.
2. De maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte
jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de
schade die door het strafbare feit is toegebracht.
3. De maatregel kan te zamen met straffen en andere maatregelen worden
opgelegd.
4. De artikelen 24a en 24b, eerste tot en met vierde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de verhoging van het
ingevolge de maatregel verschuldigde bedrag vervalt aan de staat.
5. Betalingen door de veroordeelde aan de staat verricht, strekken in de
eerste plaats tot voldoening van de maatregel en vervolgens tot
voldoening van de krachtens het vierde lid ingetreden verhogingen.
6. Indien de veroordeelde voor een misdrijf niet of niet volledig binnen
acht maanden na de dag waarop het vonnis of arrest, waarbij de maatregel
bedoeld in het eerste lid is opgelegd, onherroepelijk is geworden, aan
zijn verplichting heeft voldaan, keert de staat het resterende bedrag
uit aan het slachtoffer dat geen rechtspersoon is. Bij algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze uitkering gedurende
een in deze algemene maatregel van bestuur te bepalen tijd wordt beperkt
tot slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven. Bij algemene maatregel
van bestuur kan tevens worden bepaald dat aan de uit te keren bedragen
een bovengrens van € 5 000 of hoger wordt gesteld met dien verstande
dat deze bovengrens niet geldt voor de uitkering aan slachtoffers van
een gewelds- of zedenmisdrijf. De staat verhaalt het uitgekeerde bedrag,
alsmede de krachtens het vierde lid ingetreden verhogingen, op de
veroordeelde.
7. De artikelen 24c en 77l, tweede tot en met zesde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de toepassing van de
vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie de verplichting
ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het
slachtoffer niet opheft.
Tweede afdeling. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis en
terbeschikkingstelling
Artikel 37
1. De rechter kan gelasten dat degene aan wie een strafbaar feit wegens
de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn
geestvermogens niet kan worden toegerekend, in een psychiatrisch
ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van een jaar, doch
alleen indien hij gevaarlijk is voor zichzelf, voor anderen, of voor de
algemene veiligheid van personen of goederen.
2. De rechter geeft een last als bedoeld in het eerste lid slechts nadat
hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies
heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van
verschillende disciplines - waaronder een psychiater - die de betrokkene
hebben onderzocht. Zodanig advies dient door de gedragsdeskundigen
gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk te zijn uitgebracht.
Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de
terechtzitting is gedagtekend kan de rechter hiervan slechts gebruik
maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte.
3. Het tweede lid blijft buiten toepassing indien de betrokkene weigert
medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies
moet worden verricht. Voor zover mogelijk maken de gedragsdeskundigen
gezamenlijk dan wel ieder van hen afzonderlijk over de reden van de
weigering rapport op. De rechter doet zich zoveel mogelijk een ander
advies of rapport, dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van
een last als bedoeld in het eerste lid kan voorlichten en aan de
totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is om medewerking te
verlenen, overleggen.
Artikel 37a
1. De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige
ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan
op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien:
1°. het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke
omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan
wel behoort tot een der misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285,
eerste lid, 285b, en 395 van het Wetboek van Strafrecht, 175, tweede
lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid,
onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de
Opiumwet, en
2°. de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van
personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.
2. Bij toepassing van het vorige lid kan de rechter afzien van het
opleggen van straf, ook indien hij bevindt dat het feit wel aan de
verdachte kan worden toegerekend.
3. Het tweede en derde lid van artikel 37 zijn van overeenkomstige
toepassing.
4. Bij het geven van een last als bedoeld in het eerste lid neemt de
rechter de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de
persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de ernst van
het begane feit of de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen
wegens misdrijf in aanmerking.
Artikel 37b
1. De rechter kan bevelen dat de ter beschikking gestelde van
overheidswege wordt verpleegd, indien de veiligheid van anderen dan wel
de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.
2. Indien de rechter naast de maatregel van terbeschikkingstelling met
bevel tot verpleging van overheidswege een gevangenisstraf heeft
opgelegd kan de rechter in zijn uitspraak een advies opnemen omtrent het
tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van
overheidswege dient aan te vangen.
Artikel 37c
1. Bij of krachtens de wet worden regels gesteld ten aanzien van de
verpleging van overheidswege en de rechtspositie van de ter beschikking
gestelden.
2. De Minister van Justitie ziet erop toe, dat de ter beschikking
gestelde die van overheidswege wordt verpleegd de nodige behandeling
krijgt. Hij kan met betrekking tot bepaalde verpleegden aan het hoofd
van de inrichting bijzondere aanwijzingen geven in het belang van de
veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of
goederen.
Artikel 37d
1. Ter beschikking gestelden kunnen worden verpleegd in door de Minister
van Justitie aangewezen:
a. particuliere inrichtingen, in beheer bij een in Nederland gevestigde
rechtspersoon;
b. rijksinrichtingen.
2. De verpleging geschiedt bij voorkeur in een particuliere inrichting.
Artikel 37e
De kosten van de verpleging en behandeling van ter beschikking gestelden
komen, voor zover niet bij of krachtens enige wet anders is bepaald, ten
laste van de Staat.
Artikel 37f [Vervallen per 01-09-1988]
Artikel 37g [Vervallen per 01-09-1988]
Artikel 37h [Vervallen per 01-09-1988]
Artikel 37i [Vervallen per 01-09-1988]
Artikel 37j [Vervallen per 01-09-1988]
Artikel 38
1. Indien de rechter niet een bevel als bedoeld in artikel 37b geeft,
stelt hij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de
algemene veiligheid van personen of goederen voorwaarden betreffende het
gedrag van de ter beschikking gestelde. Als algemene voorwaarde geldt
dat de ter beschikking gestelde ten behoeve van het vaststellen van zijn
identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer
vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
2. De rechter geeft tevens een in de uitspraak aangewezen instelling,
die aan bepaalde bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen eisen voldoet, opdracht de ter beschikking gestelde bij de
naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen. Bij het verlenen
van hulp en steun bij de naleving van de voorwaarden wordt de identiteit
van de ter beschikking gestelde vastgesteld op de wijze, bedoeld in
artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek
van Strafvordering.
3. Indien bij de uitspraak tevens een vrijheidsstraf wordt opgelegd, kan
deze in het in het eerste lid van dit artikel bedoelde geval ten hoogste
op vijf jaar worden bepaald.
4. Indien bij de uitspraak tevens een vrijheidsstraf wordt opgelegd voor
een langere periode dan drie jaar legt de rechter in de uitspraak de
aard van de zorgverlening vast, die als voorwaarde is vastgesteld.
5. In het geval als bedoeld in het derde lid, stelt de rechter
voorafgaand aan het ontslag uit detentie zo nodig opnieuw de voorwaarden
vast betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. Het
openbaar ministerie kan hiertoe, uiterlijk zes maanden voorafgaand aan
het ontslag uit detentie, een met redenen omklede vordering indienen.
5. Een voorwaarde als bedoeld in het eerste en vierde lid kan de rechter
slechts stellen, indien de ter beschikking gestelde zich bereid heeft
verklaard tot naleving van de voorwaarde.
6. De rechter kan op vordering van de officier van justitie of
ambtshalve bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden
dadelijk uitvoerbaar is.
7. Een bevel als bedoeld in het zesde lid gaat in op het ogenblik waarop
de verdachte ter tenuitvoerlegging van dit bevel wordt aangehouden, dan
wel op het tijdstip waarop de tenuitvoerlegging van een ander bevel tot
vrijheidsbeneming, in dezelfde zaak gegeven, eindigt.
8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de procedure van terbeschikkingstelling met voorwaarden.
Artikel 38a
1. De voorwaarden bedoeld in het eerste lid van artikel 38 kunnen
inhouden dat de ter beschikking gestelde zich in een door de rechter
aangewezen inrichting laat opnemen, zich onder behandeling stelt van een
in de uitspraak aangewezen deskundige, of door de behandelend arts
voorgeschreven geneesmiddelen inneemt dan wel gedoogt dat deze door de
behandelend arts aan hem worden toegediend.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent de eisen waaraan een door de rechter aan te wijzen
inrichting moet voldoen.
3. Het openbaar ministerie houdt, volgens regels te stellen bij algemene
maatregel van bestuur, toezicht op de naleving van de gestelde
voorwaarden.
Artikel 38b
De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek
van de ter beschikking gestelde of diens raadsman, met inachtneming van
het bepaalde in de voorgaande artikelen van deze afdeling:
1°. de voorwaarden aanvullen, wijzigen of opheffen;
2°. aan een andere instelling dan die welke daarmede tevoren was belast
het verlenen van hulp en steun bij de naleving van de voorwaarden
opdragen.
Artikel 38c
De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, indien een
gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd of anderszins het belang van de
veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of
goederen zulks eist bevelen dat de ter beschikking gestelde alsnog van
overheidswege zal worden verpleegd.
Artikel 38d
1. De terbeschikkingstelling geldt voor de tijd van twee jaar, te
rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij zij is
opgelegd onherroepelijk is geworden.
2. De termijn van de terbeschikkingstelling kan, behoudens het bepaalde
in artikel 38e of artikel 38j, door de rechter, op vordering van het
openbaar ministerie, telkens hetzij met een jaar hetzij met twee jaar
worden verlengd, indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene
veiligheid van personen of goederen die verlenging eist.
Artikel 38e
1. De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel
tot verpleging van overheidswege gaat een periode van vier jaar niet te
boven, tenzij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van
overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen
of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een
of meer personen.
2. Behoudens de gevallen waarin een bevel als bedoeld in artikel 37b of
artikel 38cis gegeven, gaat de totale duur van de maatregel van
terbeschikkingstelling een periode van negen jaar niet te boven.
3. Indien de totale duur van de terbeschikkingstelling niet in tijd is
beperkt, kan de termijn van de terbeschikkingstelling telkens worden
verlengd, wanneer de veiligheid van anderen, dan wel de algemene
veiligheid van personen die verlenging eist.
Artikel 38f
1. De termijn van de terbeschikkingstelling loopt niet:
a. gedurende de tijd dat de ter beschikking gestelde die van
overheidswege wordt verpleegd uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid
is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming
ongeoorloofd afwezig is;
b. gedurende de tijd dat de ter beschikking gestelde met voorwaarden,
bedoeld in artikel 38, eerste lid, rechtens zijn vrijheid is ontnomen en
gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd
afwezig is;
c. gedurende de tijd dat de ter beschikking gestelde die van
overheidswege wordt verpleegd, langer dan een week achtereen
ongeoorloofd afwezig is uit de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden;
d. gedurende de tijd dat de ter beschikking gestelde met voorwaarde
langer dan een week achtereen ongeoorloofd afwezig is uit de inrichting
waarin hij krachtens de voorwaarde is opgenomen.
2. In afwijking van het eerste lid, onder a, loopt de termijn van de
terbeschikkingstelling wel indien de ter beschikking gestelde:
a. krachtens een last als bedoeld in artikel 13 of ingevolge het
bepaalde bij of krachtens de Penitentiaire beginselenwet in een
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden of in een ander
psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen, tenzij hij langer dan een week
ongeoorloofd afwezig is uit die inrichting of dat ziekenhuis;
b. nadat de termijn van de terbeschikkingstelling een aanvang heeft
genomen, in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen, tenzij hij langer
dan een week ongeoorloofd afwezig is uit dat ziekenhuis.
Artikel 38g
1. De verpleging van overheidswege kan bij de beslissing tot verlenging
van de terbeschikkingstelling voor de tijd van een jaar, dan wel voor de
tijd van twee jaren, door de rechter ambtshalve, op vordering van het
openbaar ministerie of op verzoek van de ter beschikking gestelde of
zijn raadsman voorwaardelijk worden beëindigd.
2. Indien de rechter de verpleging van overheidswege op grond van het
eerste lid beëindigt, stelt hij ter bescherming van de veiligheid van
anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen
voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. De
artikelen 38, eerste lid, laatste volzin, tweede en vierde lid, en 38a
zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld over de procedure van de voorwaardelijke beëindiging van het
bevel tot verpleging.
Artikel 38h
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 38g, eerste lid, kan, indien het
proefverlof van een ter beschikking gestelde ten minste twaalf maanden
onafgebroken heeft voortgeduurd, zonder dat in deze periode de
terbeschikkingstelling is verlengd, de rechter op vordering van het
openbaar ministerie of op verzoek van de ter beschikking gestelde of
diens raadsman de verpleging van overheidswege voorwaardelijk
beëindigen. Artikel 38g, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. In zodanig geval beëindigt de rechter de verpleging van
overheidswege voorwaardelijk voor de duur van het gegeven bevel tot
terbeschikkingstelling.
3. De artikelen 509p, 509r, 509s, 509t, eerste en vijfde lid, en 509u
bis van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 38i
De rechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of
op verzoek van de ter beschikking gestelde of diens raadsman, met
inachtneming van het bepaalde in de voorgaande artikelen van deze
afdeling:
1°. de voorwaarden aanvullen, wijzigen of opheffen;
2°. aan een andere instelling dan die welke daarmede tevoren was belast
het verlenen van hulp en steun bij de naleving van voorwaarden opdragen.
Artikel 38j
1. In geval van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van
overheidswege kan de terbeschikkingstelling telkens met een jaar, dan
wel met twee jaren, worden verlengd.
2. De totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging
bedraagt ten hoogste negen jaren.
3. Indien de in het tweede lid bedoelde termijn is verstreken, zonder
dat een last tot hervatting van de verpleging van overheidswege als
bedoeld in artikel 38k is gegeven, eindigt de terbeschikkingstelling van
rechtswege.
Artikel 38k
De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, een last tot
hervatting van de verpleging van overheidswege geven, indien:
1°. een gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd of
2°. het belang van de veiligheid van anderen dan wel van de algemene
veiligheid van personen of goederen zulks eist, of
3°. wanneer toepassing is gegeven aan artikel 38e, het belang van de
veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen zulks
eist.
Artikel 38l
1. Een terbeschikkingstelling vervalt bij het onherroepelijk worden van
een rechterlijke uitspraak waarbij dezelfde persoon wederom ter
beschikking wordt gesteld.
2. Een last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis vervalt bij
het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij ten
aanzien van dezelfde persoon wederom een last tot plaatsing in een
psychiatrisch ziekenhuis is gegeven.
3. Een last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis eindigt van
rechtswege bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak
waarbij ten aanzien van dezelfde persoon een terbeschikkingstelling met
bevel tot verpleging van overheidswege dan wel een last tot hervatting
van zodanig bevel is gegeven.
Artikel 38la
1. Onze Minister kan de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging
van overheidswege beëindigen ten aanzien van de vreemdeling die geen
rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8 van de
Vreemdelingenwet 2000.
2. Toepassing van het eerste lid kan slechts geschieden ten aanzien van
een vreemdeling voor wie door Onze Minister een passende voorziening in
het land van herkomst is geregeld, gericht op in ieder geval
vermindering van de stoornis en het daarmee samenhangende recidivegevaar
en die daadwerkelijk uit Nederland is uitgezet.
3. Aan de beëindiging wordt de voorwaarde verbonden dat de vreemdeling
niet naar Nederland terugkeert.
4. Indien Onze Minister het voornemen heeft om toepassing te geven aan
het bepaalde in het eerste lid, stelt hij de veroordeelde van dit
voornemen in kennis. Onze Minister kan over het voornemen tot toepassing
van het eerste lid advies vragen aan het openbaar ministerie. In dat
geval wordt het advies gevoegd bij de kennisgeving van het voornemen aan
de veroordeelde.
5. De veroordeelde kan binnen veertien dagen na ontvangst van de
kennisgeving tegen het voornemen van Onze Minister een bezwaarschrift
indienen bij het gerecht, dat in hoogste feitelijke instantie de tot
vrijheidsbeneming strekkende sanctie heeft opgelegd. Zo spoedig mogelijk
na ontvangst van een tijdig ingediend bezwaarschrift onderzoekt het
gerecht of Onze Minister bij afweging van de betrokken belangen in
redelijkheid tot de voorgenomen beslissing kan komen. De veroordeelde
wordt bij het onderzoek gehoord, althans opgeroepen. Indien niet blijkt
dat de veroordeelde reeds een raadsman heeft, geeft de voorzitter aan
het bureau rechtsbijstandvoorziening last tot toevoeging van een
raadsman. De artikelen 21 tot en met 25 van het Wetboek van
Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. Van zijn beslissing
stelt het gerecht Onze Minister en de veroordeelde schriftelijk in
kennis.
6. De terbeschikkingstelling herleeft, indien de vreemdeling de
voorwaarde, bedoeld in het derde lid, niet naleeft. In dat geval kan de
rechter, op vordering van het openbaar ministerie, een last tot
hervatting van de verpleging van overheidswege geven. De termijn van de
terbeschikkingstelling begint te lopen op het tijdstip waarop de
vreemdeling is aangehouden. Indien tussen de datum van uitzetting van de
veroordeelde en de datum van indiening van de vordering door het
openbaar ministerie een periode van drie jaar of meer is gelegen,
isartikel 37, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
7. De terbeschikkingstelling die op grond van het zesde lid is herleefd,
eindigt van rechtswege, indien de officier van justitie een vordering
als bedoeld in het zesde lid heeft ingediend en de rechter deze heeft
afgewezen.
Artikel 38lb
De rechter kan, ambtshalve dan wel op vordering van het openbaar
ministerie, ten aanzien van een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf
heeft in Nederland in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000,
de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege beëindigen
onder de voorwaarde dat de vreemdeling niet naar Nederland terugkeert.
Artikel 38la, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Derde afdeling. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
Artikel 38m
1. De rechter kan op vordering van het openbaar ministerie de maatregel
opleggen tot plaatsing van een verdachte in een inrichting voor
stelselmatige daders, indien:
1°. het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor
voorlopige hechtenis is toegelaten;
2°. de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane
feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een
vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel
of een taakstraf is veroordeeld dan wel bij onherroepelijke
strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, het feit is begaan na
tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig
rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf
zal begaan, en
3°. de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de
maatregel eist.
2. De maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de
beëindiging van de recidive van de verdachte.
3. Indien de verdachte verslaafde is dan wel ten aanzien van hem andere
specifieke problematiek bestaat waarmee het plegen van strafbare feiten
samenhangt, strekt de maatregel er mede toe een bijdrage te leveren aan
de oplossing van zijn verslavingsproblematiek dan wel van die andere
problematiek.
4. De rechter legt de maatregel slechts op, nadat hij een met redenen
omkleed, gedagtekend en ondertekend advies over de wenselijkheid of
noodzakelijkheid van de maatregel heeft doen overleggen. Indien dit
advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is
gedagtekend, kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming
van het openbaar ministerie en de verdachte.
5. Het vierde lid blijft buiten toepassing indien de verdachte weigert
medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies
moet worden verricht. Voor zover mogelijk wordt over de reden van de
weigering rapport opgemaakt. De rechter doet zich zo veel mogelijk een
ander advies of rapport dat hem over de wenselijkheid of
noodzakelijkheid van de maatregel kan voorlichten en aan de
totstandkoming waarvan de verdachte wel bereid is om medewerking te
verlenen, overleggen.
6. Bij het opleggen van de maatregel neemt de rechter de inhoud van de
overige adviezen en rapporten die over de verdachte zijn uitgebracht,
alsmede de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens
misdrijf in aanmerking.
7. Onder een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder 2°,
wordt mede verstaan een onherroepelijke veroordeling door een
strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens
soortgelijke feiten.
Artikel 38n
1. De maatregel geldt voor de tijd van ten hoogste twee jaren, te
rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij hij is
opgelegd, onherroepelijk is geworden.
2. Bij het bepalen van de duur van de maatregel kan de rechter rekening
houden met de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging
van de uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis, in een
psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting voor klinische observatie
bestemd ingevolge een bevel tot observatie, is doorgebracht.
Artikel 38o
1. De plaatsing geschiedt in een door onze Minister van Justitie
aangewezen inrichting voor stelselmatige daders.
2. Bij of krachtens de wet worden regels gesteld ten aanzien van de
tenuitvoerlegging van de maatregel in en buiten de inrichting en de
rechtspositie van degene aan wie de maatregel is opgelegd.
3. De kosten van de tenuitvoerlegging van de maatregel komen ten laste
van de Staat. De kosten van de tenuitvoerlegging van de laatste fase van
de maatregel komen overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen regels ten laste van gemeenten die deelnemen aan
de tenuitvoerlegging daarvan.
Artikel 38p
1. De rechter kan bepalen dat de maatregel niet ten uitvoer zal worden
gelegd.
2. De rechter die bepaalt dat de door hem opgelegde maatregel niet ten
uitvoer zal worden gelegd stelt daarbij een proeftijd vast van ten
hoogste drie jaren.
3. Bij de toepassing van het eerste lid geldt als algemene voorwaarde
dat:
a. de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig
maakt aan een strafbaar feit;
b. de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden, bedoeld in het
vierde lid, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit
medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of
een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
4. De rechter stelt ter bescherming van de veiligheid van personen of
goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde. De
rechter kan een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen
reclasseringsinstelling opdracht geven de veroordeelde bij de naleving
van de voorwaarden hulp en steun te verlenen. Bij het verlenen van hulp
en steun bij de naleving van de voorwaarden wordt de identiteit van de
veroordeelde vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste
lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
5. Een voorwaarde als bedoeld in het vierde lid kan inhouden dat de
veroordeelde zich ambulant of intramuraal laat behandelen. Opname in een
inrichting vindt in dit verband plaats voor een door de rechter te
bepalen duur van ten hoogste twee jaren. Deze voorwaarde wordt slechts
gesteld, indien de veroordeelde zich bereid heeft verklaard de
behandeling te ondergaan.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent de eisen waaraan een inrichting en een behandeling als
bedoeld in het vijfde lid moeten voldoen.
7. Het openbaar ministerie houdt toezicht op de naleving van de gestelde
voorwaarden.
Artikel 38q
De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van
de veroordeelde of diens raadsman dan wel ambtshalve met inachtneming
van de artikelen 38m tot en met 38p:
1°. de voorwaarden aanvullen, wijzigen of opheffen;
2°. aan een andere reclasseringsinstelling dan die welke daarmee
tevoren was belast het verlenen van hulp en steun bij de naleving van de
voorwaarden opdragen.
Artikel 38r
De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, indien een
voorwaarde niet wordt nageleefd, bevelen dat de maatregel alsnog zal
worden tenuitvoergelegd.
Artikel 38s
1. De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek
van de verdachte of diens raadsman dan wel ambtshalve, bij of na het
opleggen van de maatregel beslissen tot een tussentijdse beoordeling van
de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de
maatregel. Het openbaar ministerie bericht hem daarover binnen een door
hem te bepalen termijn. Bij het bericht is gevoegd een verklaring van de
directeur van de inrichting omtrent de stand van de uitvoering van het
verblijfsplan van de veroordeelde.
2. Indien de rechter bij het opleggen van de maatregel niet beslist tot
een tussentijdse beoordeling dan wel beslist tot een beoordeling na een
jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel, kan een
verzoek als bedoeld in het eerste lid worden gedaan na zes maanden na
aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel. In de overige
gevallen kan een verzoek worden gedaan na zes maanden na het
onherroepelijk worden van de beslissing om niet tussentijds te
beoordelen of van de beslissing dat voortzetting van de
tenuitvoerlegging van de maatregel is vereist.
3. Indien de rechter naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde
inlichtingen beslist dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de
maatregel niet langer is vereist, beëindigt hij deze met ingang van een
door hem te bepalen tijdstip.
Artikel 38t
De termijn van de maatregel loopt niet:
a. gedurende de tijd dat aan degene aan wie deze is opgelegd, uit
anderen hoofde zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij
ongeoorloofd afwezig is;
b. zodra degene die in een inrichting geplaatst is, langer dan een dag
ongeoorloofd afwezig is.
Artikel 38u
Onze Minister van Justitie kan de maatregel te allen tijde beëindigen.
Vierde afdeling. Oplegging vrijheidsbeperkende maatregel
Artikel 38v
1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare
feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden
opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:
1°. waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
2°. waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal
worden opgelegd.
2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:
a. zich niet op te houden in een bepaald gebied,
b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde
personen,
c. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen
opsporingsambtenaar.
3. De maatregel kan voor een periode van ten hoogste twee jaren worden
opgelegd.
4. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de
officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is
indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte
opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een
bepaalde persoon of bepaalde personen.
5. Het bevel, bedoeld in het vierde lid, kan door de rechter die
kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, op verzoek van de
veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden
opgeheven.
6. De maatregel kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden
opgelegd.
Artikel 38w
1. In het vonnis waarbij de maatregel als bedoeld in artikel 38v wordt
opgelegd, beveelt de rechter dat vervangende hechtenis zal worden
toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan.
2. De rechter bepaalt in het vonnis de duur van de vervangende hechtenis
die ten hoogste ten uitvoer wordt gelegd voor iedere keer dat niet aan
de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis wordt
in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld en bedraagt ten minste
drie dagen.
3. De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis
bedraagt ten hoogste zes maanden.
4. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen
ingevolge de maatregel, bedoeld in artikel 38v, tweede lid, niet op.
Artikel 38x
1. Indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de
veroordeelde de maatregel niet naleeft of heeft nageleefd, kan zijn
aanhouding worden bevolen door het openbaar ministerie. Indien het bevel
van het openbaar ministerie niet kan worden afgewacht, kan de
hulpofficier de aanhouding van de veroordeelde bevelen. De hulpofficier
geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan
het openbaar ministerie.
2. Het openbaar ministerie dient na aanhouding onverwijld een vordering
tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in bij de
rechter-commissaris.
3. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na
indiening van de vordering. Hangende de beslissing van de
rechter-commissaris wordt de aangehouden veroordeelde niet in vrijheid
gesteld.
4. De veroordeelde wordt door de rechter-commissaris gehoord. De
artikelen 40 en 191 van het Wetboek van Strafvordering zijn van
overeenkomstige toepassing. De raadsman is bevoegd bij het onderzoek
tegenwoordig te zijn en van de daarop betrekking hebbende stukken kennis
te nemen.
5. Indien de rechter-commissaris de vordering van het openbaar
ministerie toewijst, beveelt hij de gehele of gedeeltelijke
tenuitvoerlegging van de in het vonnis bepaalde vervangende hechtenis.
De vrijheidsbeneming ondergaan op grond van het derde lid wordt geheel
in mindering gebracht op de tenuitvoerlegging van de vervangende
hechtenis. Indien hij de vordering afwijst, wordt de aangehouden
veroordeelde in vrijheid gesteld.
6. Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde onverwijld schriftelijk
in kennis van de beslissing van de rechter-commissaris. De kennisgeving
behelst het oordeel van de rechter-commissaris over het niet naleven van
de maatregel, alsmede het aantal dagen vervangende hechtenis.
7. Tegen de beslissing van de rechter-commissaris staat voor de
veroordeelde en het openbaar ministerie binnen veertien dagen hoger
beroep open bij de rechter die de maatregel oplegde. Bij het instellen
van hoger beroep zendt het openbaar ministerie de daarop betrekking
hebbende stukken aan het gerecht toe. De rechter bepaalt daarop
onverwijld een dag voor het onderzoek van de zaak, tenzij hij vaststelt
dat de veroordeelde in zijn hoger beroep niet ontvankelijk is. Het
openbaar ministerie doet de veroordeelde tot bijwoning van de zitting
oproepen onder betekening van de vordering. De artikelen 14i en 14j zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 38ij
In de gevallen waarin een vordering tot tenuitvoerlegging, als bedoeld
in artikel 38x, tweede lid, wordt afgewezen, het openbaar ministerie in
zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, of de rechter de
beslissing van de rechter-commissaris tot tenuitvoerlegging als bedoeld
in artikel 38x, vijfde lid, vernietigt, of indien de zaak eindigt zonder
oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38v, kan het gerecht
in feitelijke aanleg dat als laatste over de vrijheidsbeperkende
maatregel heeft geoordeeld op verzoek van de veroordeelde hem een
vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft
geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van
artikel 38x. De artikelen 89, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, en
zesde lid, 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van
overeenkomstige toepassing.
Titel III. Uitsluiting en verhoging van strafbaarheid
Artikel 39
Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige
ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan
worden toegerekend.
Artikel 39bis a [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39ter [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39quater [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39quinquies [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39sexies [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39septies [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39octies [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39novies [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 39decies [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 40
Niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is
gedrongen.
Artikel 41
1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de
noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of
goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke
verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een
hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.
Artikel 42
Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een
wettelijk voorschrift.
Artikel 43
1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een
ambtelijk bevel, gegeven door het daartoe bevoegde gezag.
2. Een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel heft de strafbaarheid niet op,
tenzij het door de ondergeschikte te goeder trouw als bevoegd gegeven
werd beschouwd en de nakoming daarvan binnen de kring van zijn
ondergeschiktheid was gelegen.
Artikel 43a
De op een misdrijf gestelde tijdelijke gevangenisstraf of hechtenis kan,
onverminderd artikel 10, met een derde worden verhoogd indien tijdens
het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een
vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een
daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan. De
termijn van vijf jaren wordt verlengd met de tijd waarin de veroordeelde
rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
Artikel 43b
Als misdrijven welke soortgelijk zijn aan elkaar worden in elk geval
aangemerkt:
1°. de misdrijven omschreven in de artikelen 105, 174, 208 tot en met
210, 213, 214, 216 tot en met 222bis, 225 tot en met 232, 310, 311, 312,
315, 317, 318, 321 tot en met 323a, 326 tot en met 332, 341, 343, 344,
359, 361, 366, 373, laatste lid, 402, 416,417, 420bis en 420ter;
2°. de misdrijven omschreven in de artikelen 92, 108, 109, 110, 115,
116, 117 tot en met 117b, 141, 181, 182, 287 tot en met 291, 293, eerste
lid,296, 300 tot en met 303, 381, 382, 395 en 396;
3°. de misdrijven omschreven in de artikelen 111 tot en met 113, 118,
119, 261 tot en met 271, 418 en419;
4°. de misdrijven omschreven in de Opiumwet;
5°. de misdrijven omschreven in de Wet wapens en munitie.
Artikel 43c [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 44
Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een
bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit
gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt
geschonken, kan de op het feit gestelde straf, met uitzondering van
geldboete, met een derde worden verhoogd.
Titel IIIa. Gronden voor vermindering van straf
Artikel 44a
1. Op vordering van de officier van justitie kan de rechter na een op
grond van artikel 226h, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering
gemaakte afspraak de straf verminderen die hij overwoog op te leggen op
de in het tweede lid bepaalde wijze. Bij de strafvermindering houdt de
rechter ermee rekening dat door het afleggen van een getuigenverklaring
een belangrijke bijdrage is of kan worden geleverd aan de opsporing of
vervolging van misdrijven.
2. Bij toepassing van het eerste lid kan de strafvermindering bestaan
in:
a. maximaal de helft bij een onvoorwaardelijke tijdelijke
vrijheidsstraf, taakstraf of geldboete, of
b. de omzetting van maximaal de helft van het onvoorwaardelijke gedeelte
van een vrijheidsstraf, taakstraf of van een geldboete in een
voorwaardelijk gedeelte, of
c. de vervanging van maximaal een derde gedeelte van een vrijheidsstraf
door taakstraf of een onvoorwaardelijke geldboete.
3. Bij toepassing van het tweede lid, onder b, blijft artikel 14a,
eerste en tweede lid, buiten toepassing.
Titel IV. Poging en voorbereiding
Artikel 45
1. Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader
zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.
2. Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij
poging met een derde verminderd.
3. Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld,
dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste twintig jaren.
4. De bijkomende straffen zijn voor poging dezelfde als voor het
voltooide misdrijf.
Artikel 46
1. Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving
een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar,
wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers,
ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf
verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.
2. Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij
voorbereiding met de helft verminderd.
3. Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld,
dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren.
4. De bijkomende straffen zijn voor voorbereiding dezelfde als voor het
voltooide misdrijf.
5. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.
Artikel 46a
Poging om een ander door een der in artikel 47, eerste lid onder 2e,
vermelde middelen te bewegen om een misdrijf te begaan, is strafbaar,
met dien verstande dat geen zwaardere straf wordt uitgesproken dan ter
zake van poging tot het misdrijf of, indien zodanige poging niet
strafbaar is, terzake van het misdrijf zelf kan worden opgelegd.
Artikel 46b
Voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is voltooid
tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.
Titel V. Deelneming aan strafbare feiten
Artikel 47
1. Als daders van een strafbaar feit worden gestraft:
1°. zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegen;
2°. zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld,
bedreiging, of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid,
middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken.
2. Ten aanzien van de laatsten komen alleen die handelingen in
aanmerking die zij opzettelijk hebben uitgelokt, benevens hun gevolgen.
Artikel 48
Als medeplichtigen van een misdrijf worden gestraft:
1°. zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het
misdrijf;
2°. zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen
verschaffen tot het plegen van het misdrijf.
Artikel 49
1. Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij
medeplichtigheid met een derde verminderd.
2. Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld,
dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste twintig jaren.
3. De bijkomende straffen zijn voor medeplichtigheid dezelfde als voor
het misdrijf zelf.
4. Bij het bepalen van de straf komen alleen die handelingen in
aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of
bevorderd, benevens hun gevolgen.
Artikel 50
De persoonlijke omstandigheden waardoor de strafbaarheid uitgesloten,
verminderd of verhoogd wordt, komen bij de toepassing van de strafwet
alleen in aanmerking ten aanzien van die dader of medeplichtige wie zij
persoonlijk betreffen.
Artikel 50a [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 51
1. Strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en
rechtspersonen.
2. Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de
strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene
straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden
uitgesproken:
1°. tegen die rechtspersoon, dan wel
2°. tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen
hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, dan
wel
3°. tegen de onder 1° en 2° genoemden te zamen.
3. Voor de toepassing van de vorige leden wordt met de rechtspersoon
gelijkgesteld: de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de
maatschap, de rederij en het doelvermogen.
Artikel 52
Medeplichtigheid aan overtreding is niet strafbaar.
Artikel 53
1. Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de uitgever
als zodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en
woonplaats vermeldt en de dader bekend is of op de eerste aanmaning van
de rechter-commissaris, door de uitgever is bekendgemaakt.
2. Deze bepaling is niet toepasselijk, indien de dader op het tijdstip
van de uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het Rijk in
Europa gevestigd was.
Artikel 54
1. Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de drukker
als zodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en
woonplaats vermeldt en de persoon op wiens last het stuk is gedrukt,
bekend is of op de eerste aanmaning van de rechter-commissaris, door de
drukker is bekendgemaakt.
2. Deze bepaling is niet toepasselijk, indien de persoon op wiens last
het stuk is gedrukt, op het tijdstip van het drukken strafrechtelijk
niet vervolgbaar of buiten het Rijk in Europa gevestigd was.
Artikel 54a
Een tussenpersoon die een telecommunicatiedienst verleent bestaande in
de doorgifte of opslag van gegevens die van een ander afkomstig zijn,
wordt als zodanig niet vervolgd indien hij voldoet aan een bevel van de
officier van justitie, na schriftelijke machtiging op vordering van de
officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris, om alle
maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om
de gegevens ontoegankelijk te maken.
Titel VI. Samenloop van strafbare feiten
Artikel 55
1. Valt een feit in meer dan één strafbepaling, dan wordt slechts
één van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste
hoofdstraf is gesteld.
2. Indien voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een
bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.
Artikel 56
1. Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zichzelf misdrijf of
overtreding opleverende, in zodanig verband dat zij moeten worden
beschouwd als één voortgezette handeling, dan wordt slechts één
strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf
is gesteld.
2. Insgelijks wordt slechts één strafbepaling toegepast bij
schuldigverklaring aan valsheid of muntschennis en aan het gebruikmaken
van het voorwerp ten opzichte waarvan de valsheid of muntschennis
gepleegd is.
Artikel 57
1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen
moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop
gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op
de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis
betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.
Artikel 58
Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten
worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop
ongelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, kan elk van die straffen
worden opgelegd, doch deze mogen - voor zover het gevangenisstraf en
hechtenis betreft - te zamen in duur de langstdurende niet meer dan een
derde overtreffen.
Artikel 59
Bij veroordeling tot levenslange gevangenisstraf kunnen daarnevens geen
andere straffen worden opgelegd dan ontzetting van bepaalde rechten,
verbeurdverklaring van reeds in beslag genomen voorwerpen en
openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
Artikel 60
In de gevallen van de artikelen 57 en 58 gelden ten aanzien van
bijkomende straffen de volgende bepalingen:
1°. de straffen van ontzetting van dezelfde rechten worden opgelost in
één straf, in duur de opgelegde hoofdstraf of hoofdstraffen ten minste
twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaande, of ingeval geen andere
hoofdstraf dan geldboete is opgelegd, in één straf van ten minste twee
en ten hoogste vijf jaren;
2°. de straffen van ontzetting van verschillende rechten worden voor
elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd;
3°. de straffen van verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen worden
voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd; de
vervangende vrijheidsstraffen mogen gezamenlijk het maximum, bepaald in
artikel 24c, derde lid, niet overschrijden.
Artikel 60a
Bij samenloop op de wijze in de artikelen 57 en 58 bedoeld, geldt voor
de maatregel genoemd in artikel 36f dat de vervangende vrijheidsstraffen
gezamenlijk het maximum, bepaald in artikel 24c, derde lid, niet mogen
overschrijden.
Artikel 61
1. De betrekkelijke zwaarte van ongelijksoortige hoofdstraffen wordt
bepaald door de volgorde van artikel 9.
2. Waar de rechter de keuze tussen twee hoofdstraffen is gelaten, komt
bij de vergelijking alleen de zwaarste van die straffen in aanmerking.
3. De betrekkelijke zwaarte van gelijksoortige hoofdstraffen wordt
bepaald door het maximum.
4. De betrekkelijke duur, zowel van ongelijksoortige als van
gelijksoortige hoofdstraffen, wordt eveneens bepaald door het maximum.
Artikel 62
1. Bij samenloop op de wijze in de artikelen 57 en 58 bedoeld, hetzij
van overtredingen met misdrijven, hetzij van overtredingen onderling,
wordt voor elke overtreding zonder vermindering straf opgelegd.
2. De vervangende vrijheidsstraffen mogen voor de misdrijven en
overtredingen of voor de overtredingen gezamenlijk het maximum, bepaald
in artikel 24c, derde lid, niet overschrijden.
Artikel 63
Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard
aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd,
zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf
wordt opgelegd van toepassing.
Artikel 63a [Vervallen per 01-02-2001]
Titel VII. Indiening en intrekking van de klacht bij misdrijven alleen
op klacht vervolgbaar
Artikel 64
Inzake een misdrijf dat alleen op klacht wordt vervolgd, is degene tegen
wie het feit is begaan, tot de klacht gerechtigd.
Artikel 65
1. Indien de in artikel 64 aangewezen persoon de leeftijd van zestien
jaren nog niet heeft bereikt of anders dan wegens verkwisting onder
curatele is gesteld, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of
ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet in staat
is te beoordelen of zijn belang gediend is met de klacht, geschiedt de
klacht door zijn wettige vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.
2. Indien de in artikel 64 aangewezen persoon overleden is, zijn tot de
klacht gerechtigd: zijn ouders, zijn kinderen en zijn overlevende
echtgenoot, tenzij blijkt dat hij een vervolging niet heeft gewild.
3. Indien de klacht tegen de wettige vertegenwoordiger in burgerlijke
zaken van de in artikel 64 aangewezen persoon moet geschieden, zijn tot
de klacht gerechtigd: de echtgenoot, een bloedverwant in de rechte linie
of, bij het ontbreken van al die personen, een broer en een zuster.
4. Indien een in het tweede of derde lid aangewezen persoon de leeftijd
van zestien jaren nog niet heeft bereikt of anders dan wegens
verkwisting onder curatele is gesteld, dan wel aan een zodanige
gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens
lijdt dat hij niet in staat is te beoordelen of zijn belang gediend is
met de klacht, kan vervolging plaatsvinden op klacht van diens wettige
vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.
Artikel 66
1. De klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag
waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde
feit.
2. Indien degene tegen wie het feit is begaan, nadat de termijn een
aanvang heeft genomen, is overleden, dan wel het recht tot het indienen
van de klacht heeft verloren, verkregen of herkregen, loopt deze termijn
zonder verlenging door.
Artikel 67
Hij die de klacht indient, blijft gedurende acht dagen na de dag der
indiening bevoegd deze in te trekken.
Artikel 67a [Vervallen per 26-04-1978]
Titel VIII. Verval van het recht tot
strafvordering en van de straf
Artikel 68
1. Behoudens de gevallen waarin
rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand
andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien
bij gewijsde van de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint
Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
onherroepelijk is beslist.
2. Is het gewijsde afkomstig van een
andere rechter, dan heeft tegen dezelfde persoon wegens hetzelfde
feit geen vervolging plaats in geval van:
1°. vrijspraak of ontslag van
rechtsvervolging;
2°. veroordeling, indien een
straf is opgelegd, gevolgd door gehele uitvoering, gratie of
verjaring der straf.
3. Niemand kan worden vervolgd wegens
een feit dat te zijnen aanzien in een vreemde staat onherroepelijk
is afgedaan door de voldoening aan een voorwaarde, door de bevoegde
autoriteit gesteld ter voorkoming van strafvervolging.
Artikel 69
Het recht tot strafvordering vervalt
door de dood van de verdachte.
Artikel 70
1. Het recht tot strafvordering
vervalt door verjaring:
1°. in drie jaren voor alle
overtredingen;
2°. in zes jaren voor de
misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van
niet meer dan drie jaren is gesteld;
3°. in twaalf jaren voor de
misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie
jaren is gesteld;
4°. in twintig jaren voor de
misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan tien jaren is
gesteld.
2. In afwijking van het eerste lid
verjaart het recht tot strafvordering niet voor misdrijven waarop
levenslange gevangenisstraf is gesteld.
Artikel 71
De termijn van verjaring vangt aan op
de dag na die waarop het feit is gepleegd, behoudens in de volgende
gevallen:
1°. bij de misdrijven omschreven
in de artikelen 172, eerste lid, 173, eerste lid, 173a en 173b,
vangt de termijn aan op de dag na die waarop het misdrijf ter
kennis is gekomen van een ambtenaar belast met de opsporing van
strafbare feiten;
2°. bij valsheid op de dag na die
waarop gebruik is gemaakt van het voorwerp ten opzichte waarvan de
valsheid gepleegd is;
3°. bij de misdrijven omschreven
in de artikelen 240b, 242 tot en met 250 en273f, dan wel 300 tot
en met 303, voor zover het feit oplevert genitale verminking van
een persoon van het vrouwelijke geslacht en gepleegd ten aanzien
van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft
bereikt, op de dag na die waarop die persoon achttien jaren is
geworden;
4°. bij de misdrijven omschreven
in de artikelen 278, 279, 282 en 282a op de dag na die van de
bevrijding of de dood van hem tegen wie onmiddellijk het misdrijf
gepleegd is;
5°. bij de overtredingen
omschreven in de artikelen 465, 466 en 467, op de dag na die
waarop ingevolge de voorschriften gegeven in of ter uitvoering van
artikel 18c van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de aldaar
bedoelde registers waaruit zodanige overtreding blijkt, naar de
centrale bewaarplaats, bedoeld in afdeling 8 van hoofdstuk 1 van
het Besluit burgerlijke stand 1994 zijn overgebracht.
Artikel 72
1. Elke daad van vervolging stuit de
verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.
2. Na de stuiting vangt een nieuwe
verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel
ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van
misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke
verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die
gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende
verjaringstermijn.
Artikel 73
De schorsing van de strafvervolging ter
zake van een prejudicieel geschil schorst de verjaring.
Artikel 74
1. De officier van justitie kan voor
de aanvang van de terechtzitting een of meer voorwaarden stellen ter
voorkoming van de strafvervolging wegens misdrijven, met
uitzondering van die waarop naar de wettelijke omschrijving
gevangenisstraf is gesteld van meer dan zes jaar, en wegens
overtreding. Door voldoening aan die voorwaarden vervalt het recht
tot strafvordering.
2. De volgende voorwaarden kunnen
worden gesteld:
a. betaling aan de staat van een
geldsom, te bepalen op ten minste € 3 en ten hoogste het
maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd;
b. afstand van voorwerpen die in
beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of
onttrekking aan het verkeer;
c. uitlevering, of voldoening aan
de staat van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar
zijn voor verbeurdverklaring;
d. voldoening aan de staat van
een geldbedrag of overdracht van inbeslaggenomen voorwerpen ter
gehele of gedeeltelijke ontneming van het ingevolge artikel 36e
voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel;
e. gehele of gedeeltelijke
vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;
f. het verrichten van onbetaalde
arbeid of het volgen van een leerproject gedurende ten hoogste
honderdtwintig uren.
3. De officier van justitie doet in
geval van misdrijf aan de rechtstreeks belanghebbende die hem bekend
is, onverwijld schriftelijk mededeling van de datum waarop hij die
voorwaarden heeft gesteld.
4. Op de in het tweede lid, onder f,
bedoelde voorwaarde is het bepaalde bij of krachtens de artikelen
22b, 22c, eerste en vierde lid, 22e en 22k met betrekking tot
taakstraffen, van overeenkomstige toepassing. De onbetaalde arbeid
of het leerproject wordt binnen een termijn van zes maanden na
instemming met de voorwaarde voltooid. Het openbaar ministerie kan
deze termijn eenmaal met zes maanden verlengen. Het zendt hiervan zo
spoedig mogelijk een kennisgeving aan de betrokkene.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de
nakoming van de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
Deze voorschriften hebben in ieder geval betrekking op de plaats en
wijze van betaling van de geldsom, de termijn waarbinnen die
betaling moet zijn geschied en de verantwoording van de ontvangen
geldbedragen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
voorschriften worden gegeven omtrent de nakoming van de overige in
het tweede lid bedoelde voorwaarden.
Artikel 74a
Is op het strafbare feit naar de
wettelijke omschrijving geen andere hoofdstraf gesteld dan geldboete
en biedt de verdachte aan, binnen een door de officier van justitie te
bepalen termijn, het maximum van de geldboete te betalen en aan alle
overige, overeenkomstig artikel 74, tweede lid, te stellen voorwaarden
te voldoen, dan mag de officier van justitie het stellen van
voorwaarden, als bedoeld in artikel 74, niet weigeren.
Artikel 74b
1. Een bevel als bedoeld in artikel
12k van het Wetboek van Strafvordering doet, na voldoening aan de
overeenkomstig artikel 74 gestelde voorwaarden, het recht tot
strafvordering herleven als ware het niet vervallen geweest.
2. Na een bevel, als bedoeld in het
vorige lid, worden bedragen, betaald in toepassing van artikel 74,
tweede lid, onder a, c en d, onverwijld terugbetaald aan degene die
ze heeft betaald.
3. Volgt na een bevel als bedoeld in
het eerste lid een veroordeling, dan houdt de rechter rekening met
de afstand of uitlevering door de veroordeelde van voorwerpen op
grond van artikel 74, tweede lid, onder b en c, met de vergoeding
van schade op grond van artikel 74, tweede lid, onder e, en met de
onbetaalde arbeid die is verricht of het leerproject dat is gevolgd
op grond van artikel 74, tweede lid, onder f.
4. Eindigt, na een bevel als bedoeld
in het eerste lid, de zaak waarbij een voorwaarde is gesteld als
bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder f, zonder oplegging van
straf of maatregel, dan kan de rechter, op verzoek van de gewezen
verdachte, deze een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor
de schade welke hij ten gevolge van de verrichtte onbetaalde arbeid
of het gevolgde leerproject heeft geleden. Onder schade is begrepen
het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De artikelen 89,
derde tot en met zesde lid, 90, 91 en 93 van het Wetboek van
Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 74c
1. Bij algemene maatregel van bestuur
kan aan daartoe aan te wijzen opsporingsambtenaren in bij die
algemene maatregel van bestuur aangewezen zaken betreffende
overtredingen, begaan door personen die de leeftijd van twaalf jaren
hebben bereikt, tot wederopzeggens de bevoegdheid worden verleend
die bij artikel 74, eerste lid, aan de officier van justitie is
toegekend.
2. De te stellen voorwaarde bestaat
in de betaling van een bepaalde geldsom. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de plaats
en wijze van betaling en de termijn waarbinnen de betaling moet zijn
geschied.
3. Het eerste en het tweede lid zijn
van overeenkomstige toepassing op zaken betreffende misdrijven, als
bedoeld in artikel 74, eerste lid, van eenvoudige aard, welke zijn
begaan door personen die de leeftijd van achttien jaren hebben
bereikt, met dien verstande dat de te betalen geldsom ten hoogste
€ 350 bedraagt.
4. De ambtenaren bekleed met de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, maken hiervan gebruik
volgens richtlijnen, vast te stellen door het College van
procureurs-generaal.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking
tot de aanwijzing van de in het eerste lid bedoelde
opsporingsambtenaren, het toezicht op de wijze waarop zij van de hun
verleende bevoegdheid gebruik maken en de intrekking van de
aanwijzing van een opsporingsambtenaar.
6. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven inzake de
verantwoording van ingevolge het tweede en derde lid betaalde
geldbedragen.
7. Bij het stellen van voorwaarden
door opsporingsambtenaren zijn de artikelen 74, derde lid, en 74b
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 75
Het recht tot uitvoering van de straf
of maatregel vervalt door de dood van de veroordeelde, met
uitzondering van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel.
Artikel 76
1. Het recht tot uitvoering van de
straf of maatregel vervalt door verjaring.
2. De termijn van deze verjaring is
een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot
strafvordering. In geen geval is de termijn korter dan de duur van
de opgelegde straf.
Artikel 76a
1. De termijn van verjaring vangt aan
op de dag na die waarop de rechterlijke uitspraak of de
strafbeschikking kan worden ten uitvoer gelegd.
2. Bij ongeoorloofde afwezigheid van
een veroordeelde die zijn straf in een inrichting ondergaat, vangt
een nieuwe verjaringstermijn aan op de dag na die waarop de
ongeoorloofde afwezigheid aanving. Bij herroeping van een
voorwaardelijke invrijheidstelling vangt een nieuwe
verjaringstermijn aan op de dag na die van de herroeping.
3. De termijn loopt niet gedurende de
bij de wet bevolen schorsing van de tenuitvoerlegging, noch
gedurende de tijd dat de veroordeelde, zij het ook ter zake van een
andere veroordeling, in verzekerde bewaring is.
4. Wanneer een geldboete wegens een
overtreding is opgelegd en in de uitspraak dan wel de
strafbeschikking is bepaald dat het bedrag daarvan in gedeelten mag
worden voldaan, dan wel het openbaar ministerie aan de veroordeelde
op diens verzoek uitstel van betaling heeft verleend of betaling in
termijnen heeft toegestaan, wordt de verjaringstermijn verlengd met
twee jaren.
5. De termijn loopt niet gedurende de
tijd dat de tenuitvoerlegging aan een vreemde Staat is overgedragen,
zolang de Minister van Justitie van de autoriteiten van die Staat
geen mededeling, houdende een beslissing omtrent de overname van de
tenuitvoerlegging, heeft ontvangen.
6. Indien, nadat de tenuitvoerlegging
door een vreemde Staat is overgenomen, die Staat afstand doet van
zijn recht tot tenuitvoerlegging ten behoeve van Nederland, vangt
een nieuwe verjaringstermijn aan op de dag waarop de Minister van
Justitie de mededeling van de autoriteiten van die Staat omtrent de
afstand heeft ontvangen.
7. De termijn loopt ten aanzien van
veroordelingen tot betaling als bedoeld in artikel 358, vierde lid,
onder a tot en met c, van de Faillissementswet niet gedurende de
tijd dat de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op de
veroordeelde van toepassing is.
Artikel 77
1. Het recht tot strafvordering en
het recht tot uitvoering van de straf vervallen door de overdracht
van de strafvervolging aan een vreemde staat overeenkomstig de
bepalingen van de derde afdeling van titel X van het vierde boek van
het Wetboek van Strafvordering.
2. In het geval, bedoeld in het
vorige lid, herleven het recht tot strafvordering en het recht tot
uitvoering van de straf, indien de autoriteiten van de staat die de
strafvervolging had overgenomen op die beslissing terugkomen of
mededelen dat geen strafvervolging wordt ingesteld dan wel een
ingestelde vervolging is gestaakt.
Artikel 77bis [Vervallen per
01-09-1995]
Titel VIII A. Bijzondere bepalingen
voor jeugdige personen
Artikel 77a
Ten aanzien van degene die ten tijde
van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaren
doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, zijn de artikelen
9, eerste lid, 10 tot en met 22a, 24c, 37 tot en met 38i, 44 en 57 tot
en met 62 niet van toepassing. In de plaats daarvan treden de
bijzondere bepalingen vervat in de artikelen 77d tot en met 77gg.
Artikel 77b
1. Ten aanzien van degene die ten
tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van zestien
jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, kan de
rechter de artikelen 77g tot en met 77gg buiten toepassing laten en
recht doen overeenkomstig de bepalingen in de voorgaande titels
vervat, indien hij daartoe grond vindt in de ernst van het begane
feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder
het feit is begaan.
2. Bij toepassing van het eerste lid
kan levenslange gevangenisstraf niet worden opgelegd.
Artikel 77c
Ten aanzien van degene die ten tijde
van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaren
doch nog niet die van eenentwintig jaren heeft bereikt, kan de
rechter, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de
dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, recht doen
overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg. De uitvoering van de
maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen vindt dan
plaats overeenkomstig artikel 37a.
Artikel 77d
1. De verjaringstermijn van het recht
tot strafvordering, genoemd in artikel 70, wordt ten aanzien van
misdrijven tot de helft van de daar bedoelde duur ingekort.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot en
met 250 en273f, gepleegd door een persoon die ten tijde van het
begaan van het strafbaar feit de leeftijd van zestien jaren heeft
bereikt, ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien
jaren nog niet heeft bereikt.
3. Het recht tot strafvordering voor
misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, verjaart
in twintig jaren.
Artikel 77e
1. De opsporingsambtenaar die daartoe
door de officier van justitie is aangewezen, kan na verkregen
toestemming door de officier van justitie aan de verdachte
voorstellen dat deze deelneemt aan een project. De deelneming strekt
tot voorkoming van toezending van het opgemaakte proces-verbaal aan
de officier van justitie. Bij algemene maatregel van bestuur worden
de strafbare feiten aangewezen die op deze wijze kunnen worden
afgedaan.
2. Bij een voorstel als bedoeld in
het eerste lid, deelt de opsporingsambtenaar de verdachte mede dat
hij niet verplicht is aan het project deel te nemen en licht hem in
over de mogelijke gevolgen van niet-deelneming. Het voorstel, de
mededeling en de inlichtingen over de mogelijke gevolgen worden
daarbij de verdachte tevens schriftelijk ter hand gesteld.
3. De officier van justitie geeft
algemene aanwijzingen omtrent de wijze van afdoening ingevolge het
eerste lid. Deze aanwijzingen betreffen in ieder geval:
a. de projecten en de
categorieën van strafbare feiten die, gelet op de aard van deze
projecten, in aanmerking komen voor deze wijze van afdoening;
b. de duur van de deelneming,
afhankelijk van de aard van het strafbare feit en het project en
c. de wijze waarop de toestemming
van de officier van justitie kan worden verkregen.
4. De duur van de deelneming is ten
hoogste twintig uren.
5. Indien de opsporingsambtenaar,
bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de verdachte naar
behoren aan een project heeft deelgenomen, stelt hij de officier van
justitie en de verdachte hiervan schriftelijk in kennis. Daarmee
vervalt het recht tot strafvordering, behalve indien een bevel wordt
gegeven als bedoeld in artikel 12i van het Wetboek van
Strafvordering. In dat geval houdt de rechter, indien hij een straf
oplegt, rekening met de voltooide deelneming.
Artikel 77f
1. In een strafbeschikking kan de
officier van justitie tevens de aanwijzing geven dat de verdachte
zich zal richten naar de aanwijzingen van een stichting als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg, voor een daarbij te bepalen
termijn van ten hoogste zes maanden.
2. In afwijking van artikel 257a,
tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering kan de
officier van justitie in een strafbeschikking een taakstraf opleggen
voor ten hoogste zestig uren, te verrichten binnen een termijn van
ten hoogste drie maanden. Artikel 77m, negende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. Bij het begeleiden bij de naleving
van de aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, onder a, en de
uitvoering van de taakstraf, bedoeld in het eerste lid, onder b,
wordt de identiteit van de verdachte vastgesteld op de wijze,
bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid,
van het Wetboek van Strafvordering. Daartoe stelt de officier van
justitie als voorwaarde dat de verdachte medewerking verleent aan
het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs
als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter
inzage aanbiedt.
Artikel 77g
1. In plaats van de op een feit
gestelde straffen worden de straffen en maatregelen opgelegd, in
deze Titel voorzien.
2. Een hoofdstraf kan zowel
afzonderlijk als tezamen met andere hoofdstraffen of met bijkomende
straffen worden opgelegd.
3. Een maatregel kan zowel
afzonderlijk als tezamen met hoofdstraffen, met bijkomende straffen
en met andere maatregelen worden opgelegd.
Artikel 77g bis [Vervallen per
01-09-1995]
Artikel 77h
1. De hoofdstraffen zijn:
a. in geval van misdrijf:
jeugddetentie, taakstraf of geldboete;
b. in geval van overtreding:
taakstraf of geldboete.
2. Een taakstraf bestaat uit:
a. een werkstraf, zijnde het
verrichten van onbetaalde arbeid of het verrichten van arbeid
tot herstel van de door het strafbare feit aangerichte schade,
of
b. een leerstraf, zijnde het
volgen van een leerproject, of
c. een combinatie van werkstraf
en leerstraf.
3. De bijkomende straffen zijn:
a. verbeurdverklaring;
b. ontzegging van de bevoegdheid
motorrijtuigen te besturen.
4. De maatregelen zijn:
a. plaatsing in een inrichting
voor jeugdigen;
b. maatregel betreffende het
gedrag van de jeugdige;
c. onttrekking aan het verkeer;
d. ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel;
e. schadevergoeding;
f. vrijheidsbeperkende maatregel.
Artikel 77h bis [Vervallen per
01-09-1995]
Artikel 77i
1. De duur van de jeugddetentie is:
a. voor degene die ten tijde van
het begaan van het misdrijf de leeftijd van zestien jaren nog
niet had bereikt: ten minste een dag en ten hoogste twaalf
maanden, en
b. overigens ten hoogste
vierentwintig maanden.
2. De duur van de jeugddetentie wordt
in de rechterlijke uitspraak aangewezen in dagen, weken of maanden.
3. De artikelen 26 en 27 zijn bij
veroordeling tot jeugddetentie van overeenkomstige toepassing.
Artikel 77j
1. In bijzondere gevallen kan Onze
Minister van Justitie bepalen dat de tenuitvoerlegging van de
jeugddetentie gedurende een tijdvak van ten hoogste drie maanden
wordt onderbroken.
2. Onze Minister van Justitie kan
nadere regels stellen aangaande het onderbreken van de
tenuitvoerlegging, bedoeld in het eerste lid. Deze betreffen in elk
geval de criteria waaraan de betrokkene moet voldoen om voor
strafonderbreking in aanmerking te komen, de bevoegdheid tot en de
wijze van verlening alsmede de voorwaarden die hieraan kunnen worden
verbonden.
3. Ten aanzien van de beslissingen
omtrent de onderbreking van de tenuitvoerlegging als bedoeld in het
eerste lid is Hoofdstuk XV van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen van toepassing.
4. De rechter die de straf heeft
opgelegd kan te allen tijde de jeugdige aan wie een jeugddetentie is
opgelegd, voorwaardelijk in vrijheid stellen.
5. In geval van een voorwaardelijke
invrijheidstelling wordt een proeftijd bepaald van ten hoogste twee
jaren. De duur van de proeftijd en de gestelde voorwaarden worden de
veroordeelde in persoon betekend. De artikelen 77y, derde lid, 77z,
77aa en 77cc tot en met 77ee zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 77k
De straf van jeugddetentie kan door de
rechter op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de
veroordeelde geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een van de
straffen genoemd in artikel 9, eerste lid, indien de tenuitvoerlegging
van de opgelegde straf geheel of gedeeltelijk zou moeten plaatsvinden
nadat de veroordeelde de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt en
deze naar het oordeel van de rechter niet meer voor een zodanige straf
in aanmerking komt.
Artikel 77l
1. Het bedrag van de geldboete is ten
minste het bedrag, genoemd in artikel 23, tweede lid, en ten hoogste
het maximum van een geldboete van de tweede categorie. Artikel 24a
is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de rechter
of de officier van justitie bij elke geldboete kan bepalen dat het
bedrag in gedeelten kan worden voldaan. De rechter of de officier
van justitie stelt daarbij de hoogte van elk van die gedeelten vast.
2. De rechter kan bij de uitspraak
waarbij geldboete wordt opgelegd, bevelen dat voor het geval
volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde
bedrag volgt, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast.
3. Indien geen of geen volledige
betaling van het bedrag van de geldboete heeft plaatsgevonden en
geen of geen volledig verhaal mogelijk is, kan de rechter die de
straf heeft opgelegd het nog te betalen bedrag op vordering van het
openbaar ministerie vervangen door jeugddetentie of op verzoek van
de veroordeelde vervangen door een taakstraf. Indien de rechter
gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid van het tweede lid, kan hij
de duur van de eerder opgelegde vervangende jeugddetentie ook
wijzigen, tenzij deze reeds is aangevangen.
4. De taakstraf, bedoeld in het derde
lid, wordt opgelegd in evenredigheid met het nog verschuldigde
bedrag. De artikelen 77m tot en met 77q en 77ff, vierde lid, zijn
van overeenkomstige toepassing. De straf kan slechts worden opgelegd
zolang de veroordeelde de leeftijd van achttien jaren niet heeft
bereikt.
5. Indien de veroordeelde bij aanvang
van de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de
leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, wordt deze ten uitvoer
gelegd als vervangende hechtenis, tenzij in het vonnis of de
beslissing op grond van het derde lid is bepaald dat de veroordeelde
ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt in
aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie.
6. De duur van de vervangende
jeugddetentie of vervangende hechtenis is ten minste één dag en
ten hoogste drie maanden. Voor elke volle € 15 van de nog te
betalen geldboete wordt niet meer dan één dag opgelegd. Door
betaling van het nog te betalen bedrag vervalt de vervangende
jeugddetentie of de vervangende hechtenis. Artikel 24c, vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
7. Artikel 27, derde en vierde lid,
is bij veroordeling tot een geldboete van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 77m
1. Het vonnis of de strafbeschikking
vermeldt of de taakstraf bestaat uit een werkstraf, een leerstraf of
een combinatie van beide, alsmede het aantal uren dat de straf zal
duren. Het vonnis of de strafbeschikking kan de aard en inhoud van
de te verrichten werkzaamheden of het te volgen leerproject
vermelden.
2. De duur van de door de rechter
opgelegde onbetaalde arbeid of van de arbeid tot herstel van de door
het strafbare feit aangerichte schade, is ten hoogste tweehonderd
uren.
3. De termijn waarbinnen de arbeid
moet zijn verricht bedraagt ten hoogste zes maanden indien niet meer
dan honderd uren is opgelegd en overigens ten hoogste een jaar. Het
openbaar ministerie kan evenwel bij toepassing van artikel 77o,
tweede lid, de duur verlengen.
4. De duur van een leerproject is ten
hoogste tweehonderd uren.
5. De termijn waarbinnen een
leerproject plaatsvindt bedraagt ten hoogste zes maanden.
6. Indien meer dan één taakstraf
wordt opgelegd, bedraagt het totaal aantal uren niet meer dan
tweehonderdenveertig.
7. Artikel 27, eerste en vierde lid,
is bij veroordeling tot een taakstraf door de rechter van
overeenkomstige toepassing.
8. Het openbaar ministerie kan de
termijn, genoemd in het derde en vijfde lid, ambtshalve of op
verzoek van de veroordeelde, eenmaal met een zelfde periode
verlengen. Het openbaar ministerie zendt hiervan zo spoedig mogelijk
een kennisgeving aan de veroordeelde.
9. De termijnen, genoemd in het derde
en vijfde lid, worden verlengd met de tijd dat de veroordeelde uit
anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de
tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.
Artikel 77n
1. In het vonnis waarbij taakstraf
wordt opgelegd, beveelt de rechter voor het geval dat de
veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende jeugddetentie zal worden toegepast.
2. De duur van de vervangende
jeugddetentie wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld.
3. De vervangende jeugddetentie
beloopt ten minste één dag en ten hoogste vier maanden. Voor elke
twee uren van de taakstraf wordt niet meer dan één dag opgelegd.
4. Wanneer een gedeelte van de te
verrichten taakstraf is voldaan, vermindert de duur van de
vervangende jeugddetentie naar evenredigheid. Heeft deze
vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag
vervangende jeugddetentie zou moeten worden ondergaan, dan vindt
afronding naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.
Artikel 77o
1. De raad voor de kinderbescherming
heeft tot taak de voorbereiding en de ondersteuning van de
tenuitvoerlegging van taakstraffen. Over de wijze waarop de
veroordeelde de taakstraf uitvoert, kan het openbaar ministerie
inlichtingen inwinnen bij de raad voor de kinderbescherming. Het
openbaar ministerie kan diens medewerking inroepen en hem de nodige
opdrachten geven. De raad voor de kinderbescherming is bevoegd
aanwijzingen te geven aan de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van de Wet op de jeugdzorg, wanneer het de tenuitvoerlegging
van een taakstraf door de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van de Wet op de jeugdzorg betreft.
2. Bij de tenuitvoerlegging van de
taakstraf wordt de identiteit van de veroordeelde vastgesteld op de
wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede
lid, van het Wetboek van Strafvordering.
3. Het openbaar ministerie kan na
overleg met de raad voor de kinderbescherming en de veroordeelde, de
opgelegde straf, behoudens voor wat betreft het aantal opgelegde
uren, wijzigen indien het van oordeel is dat de veroordeelde de
taakstraf niet geheel overeenkomstig het vonnis of de
strafbeschikking kan of heeft kunnen volbrengen. Hij benadert
daarbij zo veel mogelijk de opgelegde taakstraf. Het openbaar
ministerie geeft hiervan kennis aan de veroordeelde en de raad voor
de kinderbescherming.
4. Het openbaar ministerie doet deze
kennisgeving zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde betekenen. De
kennisgeving behelst het aantal uren dat naar het oordeel van het
openbaar ministerie reeds naar behoren is volbracht, alsmede de
straf zoals deze voor het overige nader is vastgesteld.
5. Tegen de kennisgeving, bedoeld in
het derde lid, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na de
betekening een bezwaarschrift indienen bij de rechter die de straf
oplegde. De rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie
wijzigen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 77p
1. Indien de tot een taakstraf
veroordeelde niet aanvangt met de taakstraf, geen medewerking
verleent aan het vaststellen van zijn identiteit of het openbaar
ministerie van oordeel is dat de veroordeelde de opgelegde taakstraf
niet naar behoren verricht of heeft verricht, kan het openbaar
ministerie de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie
bevelen. Het openbaar ministerie geeft hiervan kennis aan de
veroordeelde en de raad voor de kinderbescherming.
2. Het openbaar ministerie doet deze
kennisgeving zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde betekenen. De
kennisgeving behelst het aantal uren taakstraf dat naar het oordeel
van het openbaar ministerie is verricht, alsmede het aantal dagen
vervangende jeugddetentie.
3. Tegen de kennisgeving, bedoeld in
het tweede lid, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na de
betekening daarvan een bezwaarschrift indienen bij de rechter die de
straf oplegde. De rechter kan de beslissing van het openbaar
ministerie wijzigen.
4. Indien de veroordeelde bij aanvang
van de tenuitvoerlegging de leeftijd van achttien jaren heeft
bereikt, wordt de vervangende jeugddetentie ten uitvoer gelegd als
vervangende hechtenis, tenzij in het vonnis is bepaald dat de
veroordeelde ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaren
heeft bereikt in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie.
Artikel 77q
1. Het openbaar ministerie kan
slechts een beslissing nemen of een bevel geven krachtens artikel
77o, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 77p, eerste lid, binnen
drie maanden na afloop van de termijn waarbinnen de arbeid moet zijn
verricht of waarbinnen het leerproject moet zijn gevolgd krachtens
artikel 77m.
2. Indien naar het oordeel van het
openbaar ministerie de opgelegde taakstraf naar behoren is
uitgevoerd, stelt het zo spoedig mogelijk de veroordeelde hiervan in
kennis.
Artikel 77r
Ontzegging van de bevoegdheid
motorrijtuigen te besturen is slechts mogelijk in de gevallen genoemd
in de artikelen 179, 179a en 180 van de Wegenverkeerswet 1994 en in
artikel 30, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen (Stb. 1963, 228). Die artikelen zijn dan van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 77s
1. De maatregel van plaatsing in een
inrichting voor jeugdigen kan slechts worden opgelegd, indien
a. het een misdrijf betreft
waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
b. de veiligheid van anderen dan
wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen
van die maatregel eist, en
c. de maatregel in het belang is
van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de
verdachte.
2. De rechter legt de maatregel
slechts op, nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en
ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee
gedragsdeskundigen van verschillende disciplines. Het advies wordt
door de deskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen
afzonderlijk uitgebracht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor
de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend kan de rechter hier
slechts gebruik van maken met instemming van het openbaar ministerie
en de verdachte.
3. De maatregel kan ook worden
opgelegd indien de verdachte niet strafbaar is op de grond dat het
feit hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis
van de geestvermogens niet kan worden toegerekend. Indien bij de
verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige
ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond,
dient bij toepassing van het eerste lid één van de
gedragsdeskundigen een psychiater te zijn.
4. Het tweede lid blijft buiten
toepassing indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan
het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht.
Voor zover mogelijk maken de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel
ieder van hen afzonderlijk over de reden van weigering rapport op.
De rechter doet zich zoveel mogelijk een ander advies of rapport,
dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de oplegging
van de maatregel kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de
betrokkene wel bereid is om medewerking te verlenen, overleggen.
5. Indien de maatregel is opgelegd
draagt Onze Minister van Justitie de tenuitvoerlegging op aan een
inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen, of doet hij de veroordeelde elders
opnemen.
6. De maatregel geldt voor de tijd
van drie jaar. Na twee jaar eindigt de maatregel voorwaardelijk,
tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze als bedoeld in
artikel 77t. De termijn gaat in nadat de rechterlijke uitspraak
onherroepelijk is geworden. De maatregel vervalt bij het
onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij de
betrokkene wederom de maatregel wordt opgelegd.
7. De termijn van de maatregel loopt
niet:
a. gedurende de tijd dat aan de
veroordeelde uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is
ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige
vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;
b. wanneer de veroordeelde langer
dan een week ongeoorloofd afwezig is uit de plaats die voor de
tenuitvoerlegging van de maatregel is aangewezen;
c. wanneer de maatregel
voorwaardelijk is geëindigd als bedoeld in het zesde lid en
artikel 77t, tweede lid.
8. Onverminderd het bepaalde in het
zevende lid, kan Onze Minister de maatregel te allen tijde, na
advies te hebben ingewonnen van de raad voor de kinderbescherming,
voorwaardelijk of onvoorwaardelijk beëindigen.
Artikel 77s bis [Vervallen per
01-09-1995]
Artikel 77t
1. De rechter die in eerste aanleg
heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel
is opgelegd, kan op vordering van het openbaar ministerie de
termijn, bedoeld in artikel 77s, zesde lid, eerste volzin, telkens
met ten hoogste twee jaren verlengen. Niet eerder dan twee maanden
en niet later dan een maand voor het tijdstip waarop de maatregel
voorwaardelijk eindigt, kan het openbaar ministerie een vordering
indienen tot verlenging van de maatregel. De artikelen 509oa en 509q
van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
2. Verlenging van de termijn van de
maatregel is slechts mogelijk voor zover de maatregel daardoor de
duur van vijf jaar niet te boven gaat, tenzij de maatregel is
opgelegd aan een verdachte als bedoeld in artikel 77s, derde lid,
tweede volzin. In zodanig geval is verlenging mogelijk voor zover de
maatregel de duur van zeven jaar niet te boven gaat. De rechter
geeft in de beslissing tot verlenging van de maatregel aan wanneer
de maatregel, behoudens verdere verlenging, onvoorwaardelijk
eindigt. In de gevallen waarin de maatregel is verlengd, eindigt de
maatregel voorwaardelijk een jaar voordat de door de rechter
vastgestelde duur van de maatregel wordt bereikt. Artikel 77s,
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De verlenging is slechts mogelijk,
indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat
gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van
het lichaam van één of meer personen. Artikel 77s, eerste lid,
onder b en c, is van overeenkomstige toepassing.
4. Een vordering tot verlenging van
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt
bij de rechtbank behandeld door de meervoudige kamer.
5. Bij de vordering worden
overgelegd:
a. een recent opgemaakt, met
redenen omkleed en ondertekend advies afkomstig van het hoofd
van de inrichting, en
b. een afschrift van de
aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid
van de veroordeelde.
6. De maatregel kan zonder advies,
bedoeld in het vijfde lid onder a, worden verlengd indien dit door
gebrek aan medewerking van de veroordeelde niet kan worden
uitgebracht.
Artikel 77ta
1. Indien de maatregel voorwaardelijk
eindigt als bedoeld in artikel 77s, zesde liden artikel 77t, tweede
lid, geschiedt dit onder de algemene voorwaarde dat:
a. de jeugdige zich ten tijde van
de voorwaardelijke beëindiging niet schuldig maakt aan een
strafbaar feit;
b. de jeugdige zich zal gedragen
naar de aanwijzingen van een stichting als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg dan wel, indien de
veroordeelde de leeftijd van achttien jaar reeds heeft bereikt,
een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen
reclasseringsinstelling of bijzondere reclasseringsambtenaar,
ook indien deze aanwijzingen een vorm van intensieve begeleiding
inhouden;
c. de jeugdige zich niet onttrekt
aan het toezicht op de naleving van de voorwaarden.
2. Met het toezicht op de naleving
van de voorwaarden is het openbaar ministerie belast. Over de wijze
waarop de veroordeelde aan de voorwaarden voldoet, wordt het
openbaar ministerie door de stichting, de reclasseringsinstelling of
reclasseringsambtenaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
ingelicht.
3. Een jaar nadat de maatregel
voorwaardelijk is geëindigd als bedoeld in artikel 77s, zesde lid,
en artikel 77t, tweede lid, eindigt de maatregel van rechtswege
onvoorwaardelijk, tenzij de voorwaardelijke beëindiging wordt
verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 77tb. In de gevallen
waarin de voorwaardelijke beëindiging is verlengd, eindigt de
maatregel onvoorwaardelijk nadat de maximale duur van de
voorwaardelijke beëindiging is bereikt.
Artikel 77tb
1. De voorwaardelijke beëindiging
kan door de rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van
het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, ambtshalve,
of op vordering van het openbaar ministerie worden verlengd. De
rechter bepaalt de duur van de verlenging.
2. De totale duur van de
voorwaardelijke beëindiging van de maatregel bedraagt ten hoogste
twee jaar. De termijn van de voorwaardelijke beëindiging loopt niet
wanneer de jeugdige zich langer dan een week onttrekt aan het
toezicht.
3. Tijdens de voorwaardelijke
beëindiging van de maatregel kan de in het eerste lid bedoelde
rechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op
verzoek van de jeugdige of diens raadsman:
a. bijzondere voorwaarden stellen
die het gedrag van de jeugdige betreffen;
b. aan een andere instelling dan
die welke daarmee tevoren was belast, de begeleiding van de
jeugdige opdragen;
c. indien de jeugdige zich niet
heeft gedragen naar de aanwijzingen bedoeld in artikel 77ta,
eerste lid, onderdeel b, bevelen dat de jeugdige tijdens de
voorwaardelijke beëindiging wordt teruggeplaatst in een
inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, dan wel, indien de
jeugdige inmiddels de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt,
in een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Penitentiaire beginselenwet dan wel een
inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de
Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.
4. De rechter bepaalt de duur van een
terugplaatsing als bedoeld in het derde lid, onderdeel c. Deze duur
kan de duur van de voorwaardelijke beëindiging niet overschrijden
en bedraagt ten hoogste een jaar. Bij herhaalde terugplaatsing kan
de totale duur van de terugplaatsingen de maximale duur van een jaar
niet overstijgen. Een terugplaatsing kan maximaal twee keer worden
toegepast.
5. Indien de rechter bijzondere
voorwaarden stelt, als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, is
artikel 77z van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
de rechter de werking van de bijzondere voorwaarden kan beperken tot
een in de beslissing te bepalen tijdsduur binnen de termijn waarmee
de voorwaardelijke beëindiging wordt verlengd.
6. Indien ten aanzien van de jeugdige
een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere
opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen is gegeven, eindigt de
maatregel onvoorwaardelijk.
7. Artikel 77cca, eerste lid, derde
tot en met zesde lid en achtste lid, is van overeenkomstige
toepassing. Indien het openbaar ministerie de aanhouding
noodzakelijk blijft vinden, dient het onverwijld een vordering tot
voorlopige tenuitvoerlegging in bij de rechter-commissaris en een
vordering als bedoeld in het derde lid bij de rechter.
Artikel 77u
Een beslissing op grond van de
artikelen 77t, 77tb en77wd wordt bij beschikking genomen, nadat de
veroordeelde en indien deze minderjarig is, ook degenen die het gezag
over hem uitoefenen, zijn gehoord of behoorlijk opgeroepen. De
artikelen 14h, eerste lid, eerste en derde volzin, en tweede tot en
met vijfde lid, 14i, tweede tot en met zesde lid, en 14j van dit
wetboek alsmede artikel 495b van het Wetboek van Strafvordering zijn
van overeenkomstige toepassing, onverminderd de artikelen 502 en 503
van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 77v
1. Indien jeugddetentie of plaatsing
in een inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd, kan de rechter in
zijn uitspraak een advies opnemen over de plaats waar en de wijze
waarop deze straf of maatregel zal moeten worden ten uitvoer gelegd.
De rechter kan bij een beslissing als bedoeld in artikel 77t zodanig
advies opnemen.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien met gebruikmaking van artikel 77x, de straf of
maatregel geheel niet wordt ten uitvoer gelegd. Indien ingevolge
artikel 77dd de straf of maatregel alsnog geheel of gedeeltelijk ten
uitvoer wordt gelegd, kan de rechter een advies opnemen in de last
tot tenuitvoerlegging.
3. Het openbaar ministerie stelt Onze
Minister van Justitie in kennis van rechterlijke uitspraken, zodra
deze voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn geworden. Het voegt
daarbij, in voorkomende gevallen, het advies van de rechter omtrent
de plaatsing.
4. Onze Minister kan het advies van
de raad voor de kinderbescherming inwinnen omtrent de plaats van de
tenuitvoerlegging.
Artikel 77w
1. De maatregel betreffende het
gedrag van de jeugdige kan slechts worden opgelegd, indien:
a. de ernst van het begane
misdrijf of de veelvuldigheid van de begane misdrijven of
voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf hiertoe aanleiding
geven, en
b. de maatregel in het belang is
van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de
verdachte.
2. De rechter legt de maatregel
slechts op, nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en
ondertekend advies heeft doen overleggen van de raad voor de
kinderbescherming, dat wordt ondersteund door ten minste een
gedragsdeskundige. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de
aanvang van de terechtzitting is gedagtekend kan de rechter hier
slechts gebruik van maken met instemming van het openbaar ministerie
en de verdachte.
3. De rechter geeft in zijn uitspraak
aan waar de maatregel uit bestaat. De maatregel kan inhouden dat de
veroordeelde aan een programma deelneemt in een door de rechter aan
te wijzen instelling of dat de veroordeelde een ambulant programma
zal volgen onder begeleiding van een door de rechter aan te wijzen
organisatie. Bij de tenuitvoerlegging van de maatregel verleent de
veroordeelde medewerking aan het nemen van een of meer
vingerafdrukken of biedt hij een identiteitsbewijs als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.
4. De instellingen of organisaties,
bedoeld in het derde lid, stellen voor de uitvoering van het
programma een plan vast dat is afgestemd op de problematiek van de
veroordeelde. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld omtrent de eisen waaraan het plan, alsmede
waaraan de programma’s en de instellingen of organisaties, bedoeld
in het derde lid, moeten voldoen. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de
werkwijze van de instellingen of organisaties, bedoeld in het derde
lid.
5. De maatregel wordt opgelegd voor
de tijd van ten minste zes maanden en ten hoogste een jaar. De
termijn gaat in nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is
geworden.
6. De stichting als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg heeft tot taak de
voorbereiding en de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de
maatregel. Bij de tenuitvoerlegging van de maatregel stelt de
stichting de identiteit van de veroordeelde vast op de wijze,
bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid,
van het Wetboek van Strafvordering. Over de wijze waarop de
veroordeelde de maatregel uitvoert, kan het openbaar ministerie
inlichtingen inwinnen bij de stichting. Indien de jeugdige ten tijde
van de tenuitvoerlegging van de maatregel de leeftijd van achttien
jaren bereikt of heeft bereikt, kan de rechter bepalen dat de
ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel geschiedt
door een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 14d, tweede
lid.
7. De termijn van de maatregel loopt
niet gedurende de tijd dat aan de veroordeelde uit anderen hoofde
rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit
zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is.
Artikel 77wa
1. De rechter kan bepalen dat het in
artikel 77w, derde lid, bedoelde programma geheel of ten dele komt
te bestaan uit een vorm van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede
lid, onderdelen a en b, van de Wet op de jeugdzorg, indien de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van die wet ten aanzien
van de verdachte een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat deze
op deze vorm van zorg is aangewezen. Het besluit wordt overgelegd
bij het advies van de raad voor de kinderbescherming.
2. In afwijking van het eerste lid
kan de rechter, indien de stichting als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van de Wet op de jeugdzorg een besluit waaruit blijkt of de
verdachte op deze vorm van zorg is aangewezen niet of niet tijdig
neemt, op een daartoe strekkend advies van de raad voor de
kinderbescherming bepalen dat het in artikel 77w, derde lid,
bedoelde programma geheel of ten dele komt te bestaan uit een vorm
van zorg als bedoeld in het eerste lid.
3. Indien de rechter toepassing heeft
gegeven aan het bepaalde in het tweede lid, doet de raad daarvan
onverwijld mededeling aan de stichting als bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg.
Artikel 77wb
1. Indien het gedrag van de
veroordeelde daartoe aanleiding geeft of wijziging van de maatregel
in het belang is van de ontwikkeling van de veroordeelde, kan de
rechter, op vordering van het openbaar ministerie, beslissen dat de
maatregel een andere invulling krijgt.
2. De rechter beslist slechts tot een
andere invulling van de maatregel, nadat hij zich een met redenen
omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van
de raad voor de kinderbescherming.
3. Artikel 77w, tweede lid, eerste
volzin, derde, vierde, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing op de beslissing tot wijziging van de maatregel.
Artikel 77wc
1. In het vonnis waarbij de maatregel
betreffende het gedrag van de jeugdige wordt opgelegd, beveelt de
rechter voor het geval dat de veroordeelde niet naar behoren aan de
tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat vervangende
jeugddetentie zal worden toegepast.
2. De duur van de vervangende
jeugddetentie wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld.
Voor elke maand waarvoor de maatregel is opgelegd beloopt de
vervangende jeugddetentie maximaal een maand.
3. Wanneer een gedeelte van de
maatregel ten uitvoer is gelegd, vermindert de duur van de
vervangende jeugddetentie naar evenredigheid.
4. Artikel 77p is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 77wd
1. Indien het gedrag van de
veroordeelde daartoe aanleiding geeft en verlenging in het belang is
van de ontwikkeling van de veroordeelde, kan de rechter de termijn
van de maatregel, op vordering van het openbaar ministerie, eenmaal
verlengen voor ten hoogste dezelfde tijd als waarvoor de maatregel
was opgelegd. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan een
maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal
eindigen, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot
verlenging van de maatregel.
2. Een vordering als bedoeld in het
eerste lid, die later dan een maand voor het tijdstip waarop de
maatregel door tijdsverloop zal eindigen, doch binnen een redelijke
termijn is ingediend, is niettemin ontvankelijk, indien er
bijzondere omstandigheden zijn waardoor de verdere ontwikkeling van
de jeugdige de verlenging van de maatregel eist.
3. Bij de vordering worden
overgelegd:
a. een recent opgemaakt, met
redenen omkleed advies, afkomstig van de raad voor de
kinderbescherming;
b. een afschrift van de
aantekeningen omtrent het gedrag van de veroordeelde, afkomstig
van de instelling of organisatie die belast is met de uitvoering
van de maatregel.
4. In de beslissing omtrent de
verlenging geeft de rechter aan waaruit de verlenging van de
maatregel bestaat. De verlenging kan inhouden dat het programma
waaraan de veroordeelde deelneemt wordt verlengd. De verlenging kan
ook inhouden dat de veroordeelde deelneemt aan een door de rechter
aan te wijzen programma in een daarbij aan te wijzen inrichting of
dat de veroordeelde een door de rechter aan te wijzen ambulant
programma zal volgen onder begeleiding van een in de beslissing
aangewezen organisatie.
5. Deartikelen 77wa, 77wb en 77wc
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 77we
1. In het vonnis waarbij de
vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd, beveelt de rechter dat
vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor het geval niet
aan de maatregel wordt voldaan.
2. Deartikelen 38v, 38w, tweede tot
en met het vierde lid, en 77p, vierde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 77wf
1. Indien er ernstige redenen bestaan
voor het vermoeden dat de veroordeelde de maatregel niet naleeft of
heeft nageleefd, kan zijn aanhouding worden bevolen door het
openbaar ministerie. Indien het bevel van het openbaar ministerie
niet kan worden afgewacht, kan de hulpofficier de aanhouding van de
veroordeelde bevelen. De hulpofficier geeft van de aanhouding
onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan het openbaar
ministerie.
2. Het openbaar ministerie dient na
aanhouding onverwijld een vordering tot tenuitvoerlegging van de
vervangende jeugddetentie in bij de rechter-commissaris. De
artikelen 38x, derde tot en met zesde lid, 38ij en 77p zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. Tegen de beslissing van de
rechter-commissaris staat voor de veroordeelde en het openbaar
ministerie binnen veertien dagen hoger beroep open bij de rechter
die de maatregel oplegde. Bij het instellen van hoger beroep zendt
het openbaar ministerie de daarop betrekking hebbende stukken aan
het gerecht toe. De rechter bepaalt daarop onverwijld een dag voor
het onderzoek van de zaak, tenzij hij vaststelt dat de veroordeelde
in zijn hoger beroep niet ontvankelijk is. Het openbaar ministerie
doet de veroordeelde tot bijwoning van de zitting oproepen onder
betekening van de vordering. De artikelen 14i, tweede tot en met het
zesde lid, 14j en77ee, tweede lid, van dit wetboek en artikel 495b
van het Wetboek van Strafvordering, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 77x
1. In geval van een veroordeling tot
jeugddetentie, vervangende jeugddetentie daaronder niet begrepen,
tot taakstraf, tot geldboete of tot ontzegging van de bevoegdheid
motorrijtuigen te besturen, kan de rechter bepalen dat deze geheel
of gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd.
2. In geval van een veroordeling tot
plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan de rechter bepalen
dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd.
Artikel 77y
1. De rechter die bepaalt dat een
door hem opgelegde straf of maatregel niet zal worden ten uitvoer
gelegd, stelt daarbij een proeftijd vast van ten hoogste twee jaren.
2. De proeftijd gaat in:
a. indien een kennisgeving als
bedoeld in artikel 366a, eerste en tweede lid, van het Wetboek
van Strafvordering is uitgereikt of toegezonden, op de
vijftiende dag nadat de einduitspraak is gedaan, tenzij door de
tijdige aanwending van een rechtsmiddel het vonnis of arrest
niet onherroepelijk is geworden;
b. indien een kennisgeving als
bedoeld in artikel 366a, derde lid, van het Wetboek van
Strafvordering moet worden betekend, op de vijftiende dag na die
betekening, tenzij door de tijdige aanwending van een
rechtsmiddel het vonnis of arrest niet onherroepelijk is
geworden.
3. De proeftijd loopt niet gedurende
de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de
veroordeelde uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig
is.
Artikel 77z
Toepassing van artikel 77x geschiedt
onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde
van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en, in het
geval aan de toepassing van artikel 77x bijzondere voorwaarden worden
gesteld, dat hij medewerking verleent aan het nemen van een of meer
vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van
de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt. Bij algemene
maatregel van bestuur wordt bepaald welke bijzondere voorwaarden die
het gedrag van de veroordeelde betreffen kunnen worden gesteld. De
rechter kan de werking van de bijzondere voorwaarden beperken tot een
bij de uitspraak te bepalen tijdsduur binnen de proeftijd.
Artikel 77za
1. De rechter kan bij zijn uitspraak,
ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat
de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden, de op grond van
artikel 77aa, tweede en derde lid, te verlenen hulp en steun dan wel
het op grond van artikel 77aa, vierde lid, uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet
worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan
dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid
van het lichaam van een of meer personen.
2. Het bevel, bedoeld in het eerste
lid, kan door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep,
ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het
openbaar ministerie, worden opgeheven.
Artikel 77aa
1. Met het toezicht op de naleving
van de voorwaarden is het openbaar ministerie belast.
2. De rechter kan aan een stichting
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg,
of, in bijzondere gevallen en na overleg met een dergelijke
rechtspersoon, aan een particulier persoon, opdragen aan de
veroordeelde ter zake van de naleving der bijzondere voorwaarden
hulp en steun te verlenen. Bij het verlenen van hulp en steun bij de
naleving van de bijzondere voorwaarden stelt de stichting de
identiteit van de veroordeelde vast op de wijze, bedoeld in artikel
27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering.
3. De rechter kan, indien de
veroordeelde ingevolge artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek onder toezicht is gesteld, aan een stichting als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg opdragen aan de
veroordeelde ter zake van de naleving der bijzondere voorwaarden
hulp en steun te verlenen.
4. Is de veroordeelde meerderjarig
dan is artikel 14d, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Bij algemene maatregel van
bestuur, op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels worden gesteld
omtrent de aard en de omvang van de hulp en steun, bedoeld in het
tweede en derde lid.
Artikel 77bb
Artikel 366a van het Wetboek van
Strafvordering is van overeenkomstige toepassing op de mededeling van
de veroordeling, waarbij artikel 77x en 77z zijn toegepast.
Artikel 77cc
1. De rechter die de voorwaarde heeft
gesteld, kan na ontvangst van een vordering van het openbaar
ministerie of op verzoek van veroordeelde, de proeftijd verkorten of
deze eenmaal verlengen. De verlenging geschiedt met ten hoogste
één jaar.
2. Evenzo kan de in het eerste lid
bedoelde rechter gedurende de proeftijd of gedurende de tijd dat
deze is geschorst, in de gestelde bijzondere voorwaarden of in de
termijn waartoe deze voorwaarden in haar werking binnen de proeftijd
zijn beperkt, wijziging brengen, deze voorwaarden opheffen, alsnog
bijzondere voorwaarden stellen en een opdracht als bedoeld in
artikel 77aa, tweede lid, geven, wijzigen of opheffen.
Artikel 77cca
1. In geval van veroordeling tot
jeugddetentie of de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor
jeugdigen waarvan de rechter heeft bepaald dat deze geheel of
gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd, kan het openbaar
ministerie de aanhouding van de veroordeelde bevelen, indien er
ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat enige gestelde
voorwaarde niet wordt nageleefd. Indien het bevel van het openbaar
ministerie niet kan worden afgewacht, kan de hulpofficier de
aanhouding van de veroordeelde bevelen. De hulpofficier geeft van de
aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan het
openbaar ministerie.
2. Het openbaar ministerie dient,
indien het de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, onverwijld een
vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging in bij de
rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in artikel 77dd,
eerste lid, in bij de rechter.
3. De rechter-commissaris beslist
binnen driemaal vierentwintig uur na aanhouding. Hangende de
beslissing van de rechter-commissaris wordt de veroordeelde niet in
vrijheid gesteld.
4. De veroordeelde wordt door de
rechter-commissaris gehoord. Artikel 77ee, tweede lid, en de
artikelen 40 en 191 van het Wetboek van Strafvordering zijn van
overeenkomstige toepassing. De raadsman is bevoegd bij het onderzoek
tegenwoordig te zijn en van de daarop betrekking hebbende stukken
kennis te nemen.
5. Indien de rechter-commissaris de
vordering van het openbaar ministerie toewijst, beveelt hij de
voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde
jeugddetentie of de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor
jeugdigen. Indien hij de vordering afwijst, beveelt hij de
invrijheidstelling van de veroordeelde.
6. Het openbaar ministerie stelt de
veroordeelde onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing van
de rechter-commissaris.
7. De termijn van de voorlopige
tenuitvoerlegging eindigt van rechtswege met ingang van het tijdstip
waarop de duur van de vrijheidsbeneming gelijk wordt aan de duur van
de ten uitvoer te leggen jeugddetentie of de maatregel tot plaatsing
in een inrichting voor jeugdigen.
8. Het bevel tot voorlopige
tenuitvoerlegging kan door de rechter die bevoegd is te oordelen
over de vordering tot tenuitvoerlegging ambtshalve, op verzoek van
de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden
opgeheven.
Artikel 77dd
1. Onverminderd het bepaalde in
artikel 77cc kan de rechter, indien enige gestelde voorwaarde niet
wordt nageleefd en hij daartoe termen vindt, na ontvangst van de
vordering van het openbaar ministerie:
a. gelasten dat de niet ten
uitvoer gelegde straf of maatregel, alsnog zal worden ten
uitvoer gelegd;
b. al of niet onder
instandhouding of wijziging van de voorwaarden gelasten dat een
gedeelte van de niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel,
alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.
2. Artikel 14g, tweede, derde en
vijfde lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
indien bij overeenkomstige toepassing van artikel 14g, derde lid,
onder a, het daar bedoelde strafbare feit wordt vervolgd voor de
politierechter, deze tevens bevoegd is tot toepassing van het eerste
lid voor zover de ten uitvoer te leggen straf een geldboete, een
taakstraf, een jeugddetentie van niet meer dan twaalf maanden of een
gedragsmaatregel betreft.
3. Indien de veroordeelde bij aanvang
van de tenuitvoerlegging de leeftijd van achttien jaren heeft
bereikt, wordt de jeugddetentie waarvan de rechter op grond van het
eerste lid de tenuitvoerlegging heeft gelast, ten uitvoer gelegd als
gevangenisstraf, tenzij de veroordeelde naar het oordeel van de
rechter ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaren heeft
bereikt in aanmerking komt voor jeugddetentie.
4. Bij toepassing van het eerste of
tweede lid, beveelt de rechter dat de vrijheidsbeneming ondergaan
uit hoofde van artikel 77cca geheel in mindering zal worden gebracht
bij de tenuitvoerlegging van de straf. Indien hij dit bevel geeft
terzake van een taakstraf of de maatregel betreffende het gedrag van
de jeugdige, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de
aftrek zal geschieden.
5. In de gevallen waarin de vordering
tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen of het openbaar ministerie in
zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, kan het gerecht in
feitelijke aanleg dat als laatste over de vordering heeft geoordeeld
op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van de
staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van
vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 77cca. De
artikelen 89, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, en zesde lid,
90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 77ee
1. Indien in het kader van de
tenuitvoerlegging van een sanctie enige beslissing wordt genomen met
gebruikmaking van de artikelen 77k, 77l, derde lid, 77o, vierde lid,
77p, derde lid, 77cc of 77dd, eerste lid, zijn de artikelen 14h,
eerste lid, eerste en derde volzin, en tweede tot en met vijfde lid,
14i, tweede tot en met zesde lid, en 14j van dit wetboek alsmede
artikel 495b van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige
toepassing.
2. Indien de veroordeelde op het
tijdstip dat de procedure op zijn verzoek of op vordering van het
openbaar ministerie is ingesteld, de leeftijd van achttien jaren nog
niet heeft bereikt, zijn daarenboven de artikelen 496 tot en met
498, 504 en 505 van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing. Heeft hij de leeftijd van zestien jaren
nog niet bereikt, dan is tevens artikel 503 van toepassing.
Artikel 77ff
1. De kosten van jeugddetentie en van
plaatsing in een inrichting voor jeugdigen komen ten laste van de
staat.
2. Bij of krachtens de wet worden
regels gesteld ten aanzien van de tenuitvoerlegging van
vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen als bedoeld in
artikel 77h en de rechtspositie van jeugdigen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld voor de verstrekking van rijkswege van
een bijdrage in de bekostiging van de voorbereiding en uitvoering
van
a. projecten als bedoeld in de
artikelen 77e en 77f, eerste lid, onder b,
b. taakstraffen als bedoeld in
artikel 77h, tweede lid, en
c. maatregelen betreffende het
gedrag van de jeugdige als bedoeld in artikel 77h, vierde lid,
onderdeel b.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de inhoud
van de taakstraf, de tenuitvoerlegging van de taakstraf en de
rechten en plichten van de tot een taakstraf veroordeelde. Daarbij
kan van het aantal uren dat een leerproject kan duren, genoemd in
artikel 77m, vierde lid, worden afgeweken indien de aard van het
leerproject daartoe aanleiding geeft.
Artikel 77gg
1. De straffen en maatregelen als
bedoeld in deze Titel, zijn voor poging, voorbereiding, deelneming
en medeplichtigheid dezelfde als die voor het voltooide misdrijf.
2. Bij samenloop worden meer feiten
die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd,
voor de toepassing van straffen en maatregelen als één feit
aangemerkt. Artikel 63 is met betrekking tot straffen van
toepassing.
Artikel 77hh
1. De raad voor de kinderbescherming
heeft tot taak toezicht te houden op de uitvoering van
reclasseringswerkzaamheden als bedoeld in artikel 77f, eerste lid,
artikel 77j, vierde en vijfde lid, artikel 77s, achtste lid, 77w,
derde en zesde lid,artikel 77aa, tweede en derde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, en artikel 493 van het Wetboek van
Strafvordering, en is in dat kader bevoegd de stichting, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg aanwijzingen te
geven.
2. In door Onze Minister van Justitie
aan te wijzen gevallen kan de raad voor de kinderbescherming de
stichting inschakelen voor vrijwillige begeleiding van een jeugdige.
Artikel 77ii [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 77jj [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 77kk [Vervallen per 01-09-1995]
Titel IX. Betekenis van sommige in het
wetboek voorkomende uitdrukkingen
Artikel 78
Waar van misdrijf in het algemeen of
van enig misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder
medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van dat misdrijf
begrepen, voorzover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt.
Artikel 78a
1. Waar in dit wetboek de bevoegdheid
wordt gegeven tot het horen, verhoren of ondervragen van personen,
wordt daaronder, met uitzondering van bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen gevallen, mede begrepen horen, verhoren of
ondervragen per videoconferentie, waarbij een directe beeld- en
geluidsverbinding totstandkomt tussen de betrokken personen.
2. De voorzitter van het college, de
rechter, de rechter-commissaris of ambtenaar die met de leiding over
het horen is belast, beslist of van videoconferentie gebruik gemaakt
wordt, waarbij het belang van het onderzoek in aanmerking wordt
genomen. Alvorens te beslissen wordt de te horen persoon of diens
raadsman en in voorkomende gevallen de officier van justitie, in de
gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over de toepassing
van videoconferentie. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
hierover nadere regels worden gesteld.
3. Tegen de beslissing om van
videoconferentie gebruik te maken staat geen afzonderlijk
rechtsmiddel open.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de eisen waaraan de techniek
van videoconferentie dient te voldoen, onder meer met het oog op
de onschendbaarheid van vastgelegde waarnemingen;
b. de controle op de naleving van
de eisen, bedoeld onder a.
Artikel 78b
Waar van veroordeling wordt gesproken
wordt daaronder een strafbeschikking begrepen, voorzover niet uit
enige bepaling het tegendeel volgt.
Artikel 78c
Waar van een voorafgegane of vroegere
veroordeling wegens een strafbaar feit wordt gesproken, wordt
daaronder mede verstaan een voorafgegane of vroegere onherroepelijke
veroordeling door een strafrechter in een andere lidstaat van de
Europese Unie wegens soortgelijke feiten.
Artikel 79
Aanslag tot een feit bestaat, zodra het
voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering, in de zin
van artikel 45, heeft geopenbaard.
Artikel 80
Samenspanning bestaat zodra twee of
meer personen overeengekomen zijn om het misdrijf te plegen.
Artikel 80bis
Onder omwenteling wordt verstaan het
vernietigen of op onwettige wijze veranderen van de grondwettige
regeringsvorm of de orde van troonopvolging.
Artikel 80ter
Onder verboden plaats wordt verstaan
iedere plaats die als verboden plaats is aangewezen ingevolge de Wet
bescherming staatsgeheimen.
Artikel 80quater
Onder gegeven waarvan de geheimhouding
door het belang van de staat wordt geboden, wordt mede verstaan een
gegeven, behorende tot of ontleend aan gegevens, hulpmiddelen of
materialen of met behulp daarvan verrichte onderzoekingen of
toegepaste werkmethoden, ter zake van de geheimhouding waarvan
krachtens artikel 68 van de Kernenergiewet gestelde regelen gelden.
Artikel 80quinquies
Onder gegevens wordt verstaan iedere
weergave van feiten, begrippen of instructies, op een overeengekomen
wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door
personen of geautomatiseerde werken.
Artikel 80sexies
Onder geautomatiseerd werk wordt
verstaan een inrichting die bestemd is om langs elektronische weg
gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen.
Artikel 81
Met het plegen van geweld wordt
gelijkgesteld het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht.
Artikel 82
1. Onder zwaar lichamelijk letsel
worden begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing
overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn ambts-
of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht van een
vrouw.
2. Onder zwaar lichamelijk letsel
wordt mede begrepen storing van de verstandelijke vermogens die
langer dan vier weken geduurd heeft.
Artikel 82a
Onder een ander, of een kind bij of
kort na de geboorte, van het leven beroven wordt begrepen: het doden
van een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is
buiten het moederlichaam in leven te blijven.
Artikel 83
Onder terroristisch misdrijf wordt
verstaan:
1º. elk van de misdrijven
omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 108, tweede lid, 115,
tweede lid, 117, tweede lid, 121, 122, 157, onderdeel 3°,
161quater, onderdeel 2°, 164, tweede lid, 166, onderdeel 3°,168,
onderdeel 2°, 170, onderdeel 3°, 174, tweede lid, en 289,
alsmede in artikel 80, tweede lid, Kernenergiewet, indien het
misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;
2º. elk van de misdrijven waarop
ingevolge de artikelen 114a, 114b,120a, 120b, 130a, 176a, 176b,
282c, 289a, 304a, 304b, 415a en 415b, alsmede artikel 80, derde
lid, van de Kernenergiewet gevangenisstraf is gesteld;
3º. elk van de misdrijven
omschreven in de artikelen 140a, 282b, 285, derde lid, en 288a,
alsmede in artikel 55, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie,
artikel 6, vierde lid, van de Wet op de economische delicten,
artikel 33b van de Wet explosieven voor civiel gebruik en artikel
79 van de Kernenergiewet.
Artikel 83a
Onder terroristisch oogmerk wordt
verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een
land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of
internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen,
niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke,
constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een
internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.
Artikel 83b
Onder misdrijf ter voorbereiding of
vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf wordt verstaan elk
van de misdrijven omschreven in de artikelen 131, tweede lid, 132,
derde lid, 205, derde lid, 225, derde lid, 285, vierde lid, 311,
eerste lid, onderdeel 6°, 312, tweede lid, onderdeel 5°, 317, derde
lid, jo. 312, tweede lid, onder 5°, 318, tweede lid, 322a, 326,
tweede lid, en 354a.
Artikel 83bis [Vervallen per
29-03-1971]
Artikel 84
1. Onder ambtenaren worden begrepen
leden van algemeen vertegenwoordigende organen.
2. Onder ambtenaren en onder rechters
worden begrepen scheidsrechters; onder rechters zij die
administratieve rechtsmacht oefenen.
3. Allen die tot de gewapende macht
behoren worden mede als ambtenaar beschouwd.
Artikel 84bis
Onder koopman wordt verstaan ieder die
een bedrijf uitoefent.
Artikel 84ter [Vervallen per
01-01-2010]
Artikel 85
1. Onder schipper wordt verstaan elke
gezagvoerder van een vaartuig of die deze vervangt.
2. Opvarenden zijn allen die zich aan
boord bevinden, met uitzondering van de schipper.
3. Schepelingen zijn allen die zich
als scheepsofficieren of scheepsgezellen aan boord bevinden.
4. Vaartuigen in aanbouw noch schepen
in aanbouw worden als vaartuigen of schepen aangemerkt.
Artikel 86
Onder Nederlandse schepen worden alleen
verstaan die vaartuigen welke door de wet betrekkelijk de afgifte van
zeebrieven en vergunningen tot het voeren van de Nederlandse vlag als
zeeschepen worden aangemerkt.
Artikel 86a
1. Onder Nederlandse luchtvaartuigen
worden verstaan:
a. luchtvaartuigen die zijn
ingeschreven in Nederlandse luchtvaartuigregisters;
b. luchtvaartuigen die zonder
bemanning zijn verhuurd aan een huurder die de hoofdzetel van
zijn bedrijf, of, indien de huurder niet een zodanige zetel
heeft, zijn vaste verblijfplaats, in Nederland heeft.
2. Een luchtvaartuig is in vlucht van
het moment af waarop alle buitendeuren, na het instappen, zijn
gesloten tot het moment waarop een van de deuren wordt geopend voor
het uitstappen. In geval van een noodlanding wordt de vlucht geacht
voort te duren, totdat de bevoegde autoriteiten de
verantwoordelijkheid voor het luchtvaartuig en voor de personen en
goederen aan boord overnemen.
3. Een luchtvaartuig is in bedrijf
van het begin van het gereedmaken van dat luchtvaartuig voor een
bepaalde vlucht door het grondpersoneel of door de bemanning tot het
moment dat sedert de landing vierentwintig uren zijn verstreken. De
periode tijdens welke het luchtvaartuig in bedrijf is strekt zich in
elk geval uit tot de gehele periode tijdens welke het luchtvaartuig
in vlucht is, zoals omschreven in het tweede lid.
Artikel 87
1. Onder vijand worden begrepen
opstandelingen.
2. Onder oorlog wordt begrepen
burgeroorlog.
3. Onder tijd van oorlog wordt
begrepen de tijd waarin oorlog dreigende is. Tijd van oorlog wordt
mede geacht te bestaan zodra dienstplichtigen buitengewoon in
werkelijke dienst worden opgeroepen en zolang zij buitengewoon in
werkelijke dienst worden gehouden.
Artikel 87a
Onder een bevriende staat wordt
verstaan een buitenlandse mogendheid waarmede Nederland niet in een
gewapend conflict is gewikkeld.
Artikel 87b
1. Onder internationaal beschermd
persoon wordt verstaan een persoon vallende onder de omschrijving
van artikel 1, eerste lid, van het Verdrag inzake de voorkoming en
bestraffing van misdrijven tegen internationaal beschermde personen,
met inbegrip van diplomaten van 14 december 1973 (Trb. 1981, 69).
2. Onder internationaal beschermd
persoon wordt mede verstaan een persoon vallende onder de
omschrijving van artikel 1, onderdeel a of b, van het Verdrag inzake
de veiligheid van VN-personeel en geassocieerd personeel van 9
december 1994 (Trb. 1996, 62), zoals aangevuld door het Facultatief
Protocol van 8 december 2005 ( Trb. 2006, 211).
3. Onder beschermde goederen worden
verstaan de goederen bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van
het in het eerste lid genoemde verdrag en artikel 9, eerste lid,
onderdeel b, van het in het tweede lid genoemde verdrag.
Artikel 88
Onder maand wordt verstaan een tijd van
dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene
termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.
Artikel 89
Onder inklimming wordt begrepen
ondergraving, alsmede het overschrijden van sloten of grachten tot
afsluiting dienende.
Artikel 90
Onder valse sleutels worden begrepen
alle tot opening van het slot niet bestemde werktuigen.
Artikel 90bis
1. Onder opkoper wordt verstaan hij
die van opkopen een beroep of een gewoonte maakt.
2. Onder opkopen worden begrepen alle
handelingen, hoe ook genaamd, waarmede kennelijk hetzelfde wordt
beoogd.
Artikel 90ter
1. Onder electriciteitswerken worden
verstaan werken dienende tot voortbrenging, geleiding, transformatie
of levering van electriciteit en daarmede in verband staande
beveiligings-, bevestigings-, ondersteunings- en
waarschuwingswerken.
2. Onder electriciteitswerken worden
niet begrepen telegraaf- en telefoonwerken.
Artikel 90quater
Onder discriminatie of discrimineren
wordt verstaan elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking
of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de
erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek,
economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van
het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan of aangetast.
Artikel 90quinquies
1. Onder inrichting voor verpleging
van ter beschikking gestelden wordt verstaan een inrichting als
bedoeld in artikel 37d, eerste lid.
2. Onder justitiële inrichting voor
verpleging van ter beschikking gestelden wordt verstaan een
inrichting als bedoeld in artikel 37d, eerste lid, onder a waarvan
de verpleegkosten vanwege de Minister van Justitie worden vergoed op
grond van een door hem goedgekeurde inrichtingsbegroting, dan wel
een inrichting als bedoeld in artikel 37d, eerste lid, onder b
waarvan de algehele exploitatiekosten ten laste van het Ministerie
van Justitie komen.
Artikel 90sexies
Onder psychiatrisch ziekenhuis wordt
verstaan:
1°. een krachtens artikel 5 van de
Wet toelating zorginstellingen als ziekenhuis, verpleeginrichting
of zwakzinnigeninrichting toegelaten instelling, voor zover die
instelling blijkens de toelating gericht is op de behandeling van
psychiatrische patiënten;
2°. een psychiatrische afdeling
van een academisch ziekenhuis.
Artikel 90septies
Onder psychiater wordt verstaan een
arts die bevoegd is de titel van psychiater of zenuwarts te voeren.
Artikel 90octies
Waar van huwelijk of echtgenoot wordt
gesproken wordt, met uitzondering van artikel 449, daaronder mede
begrepen geregistreerd partnerschap dan wel geregistreerde partner.
Slotbepaling
Artikel 91
De bepalingen van de Titels I-VIII A
van dit Boek zijn ook toepasselijk op feiten waarop bij andere wetten
of verordeningen straf is gesteld, tenzij de wet anders bepaalt.
Tweede Boek. Misdrijven
Titel I. Misdrijven tegen de veiligheid
van de staat
Artikel 92
De aanslag ondernomen met het oogmerk
om de Koning, de regerende Koningin of de Regent van het leven of de
vrijheid te beroven of tot regeren ongeschikt te maken, wordt gestraft
met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 93
De aanslag ondernomen met het oogmerk
om het Rijk geheel of gedeeltelijk onder vreemde heerschappij te
brengen of om een deel daarvan af te scheiden, wordt gestraft met
levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren
of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 94
De aanslag ondernomen met het oogmerk
om de grondwettige regeringsvorm of de orde van troonopvolging te
vernietigen of op onwettige wijze te veranderen, wordt gestraft met
levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren
of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 95
Hij die door geweld of bedreiging met
geweld een vergadering van de regeringsraad uiteenjaagt, tot het nemen
of niet nemen van enig besluit dwingt, een lid uit die vergadering
verwijdert of opzettelijk een lid verhindert die vergadering bij te
wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt
gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste
dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 95a
Hij die door geweld of bedreiging met
geweld een vergadering van de raad van ministers uiteenjaagt, tot het
nemen of niet nemen van enig besluit dwingt, een lid uit die
vergadering verwijdert of opzettelijk een lid verhindert die
vergadering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te
vervullen, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of
tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 96
1. De samenspanning tot een der in de
artikelen 92-95a omschreven misdrijven wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Dezelfde straf is toepasselijk op
hem die, met het oogmerk om een der in de artikelen 92-95a
omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen:
1°. een ander tracht te bewegen
om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om
daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen
of inlichtingen te verschaffen;
2°. gelegenheid, middelen of
inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen
tracht te verschaffen;
3°. voorwerpen voorhanden heeft
waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het
misdrijf;
4°. plannen voor de uitvoering
van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden
medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;
5°. enige maatregel van
regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te
voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren
of te verijdelen.
Artikel 97
1. Hij die met een buitenlandse
mogendheid in verbinding treedt, met het oogmerk om haar tot het
plegen van vijandelijkheden of het voeren van oorlog tegen de staat
te bewegen, haar in het daartoe opgevatte voornemen te versterken,
haar daarbij hulp toe te zeggen of bij de voorbereiding hulp te
verlenen, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of
tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
2. Handelingen gepleegd ter
voorbereiding van een misdrijf als omschreven in het voorgaande lid,
worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 97a
Hij die met een in het buitenland
gevestigd persoon of lichaam in verbinding treedt met het oogmerk om
een zodanig persoon of lichaam tot het verschaffen van steun aan het
voorbereiden, bevorderen of teweegbrengen van omwenteling te bewegen,
om een zodanig persoon of lichaam in het daartoe opgevatte voornemen
te versterken of aan een zodanig persoon of lichaam daarbij hulp toe
te zeggen of te verlenen, of om omwenteling voor te bereiden, te
bevorderen of teweeg te brengen, wordt gestraft met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 97b
Met gevangenisstraf van ten hoogste
tien jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die enig voorwerp invoert
dat geschikt is tot het verschaffen van stoffelijke steun aan het
voorbereiden, bevorderen of teweegbrengen van omwenteling, indien
hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het daartoe
bestemd is;
2°. hij die enig voorwerp onder
zich heeft of tot onderwerp van een overeenkomst maakt dat
geschikt is tot het verschaffen van stoffelijke steun aan het
voorbereiden, bevorderen of teweegbrengen van omwenteling, indien
hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden, dat het daartoe
bestemd is en dat het voorwerp of enig ander voorwerp waarvoor het
in de plaats is getreden, hetzij met die bestemming is ingevoerd,
hetzij door of vanwege een in het buitenland gevestigd persoon of
lichaam daartoe is bestemd.
Artikel 98
1. Hij die een inlichting waarvan de
geheimhouding door het belang van de staat of van zijn bondgenoten
wordt geboden, een voorwerp waaraan een zodanige inlichting kan
worden ontleend, of zodanige gegevens opzettelijk verstrekt aan of
ter beschikking stelt van een tot kennisneming daarvan niet
gerechtigd persoon of lichaam, wordt, indien hij weet of
redelijkerwijs moet vermoeden dat het een zodanige inlichting, een
zodanig voorwerp of zodanige gegevens betreft, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die een inlichting die van een verboden plaats afkomstig is en
tot de veiligheid van de staat of van zijn bondgenoten in betrekking
staat, een voorwerp waaraan een zodanige inlichting kan worden
ontleend, of zodanige gegevens opzettelijk verstrekt aan of ter
beschikking stelt van een tot kennisneming daarvan niet gerechtigd
persoon of lichaam, indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden
dat het een zodanige inlichting, een zodanig voorwerp of zodanige
gegevens betreft.
Artikel 98a
1. Hij die een inlichting, een
voorwerp of gegevens als bedoeld in artikel 98, hetzij opzettelijk
openbaar maakt, hetzij zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk
verstrekt aan of ter beschikking stelt van een buitenlandse
mogendheid, een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam, dan
wel een zodanig persoon of lichaam dat gevaar ontstaat dat de
inlichting of de gegevens aan een buitenlandse mogendheid of aan een
in het buitenland gevestigd persoon of lichaam bekend wordt, wordt,
indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een
zodanige inlichting of zodanige gegevens betreft, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Indien de schuldige heeft
gehandeld in tijd van oorlog dan wel in dienst of in opdracht van
een buitenlandse mogendheid of van een in het buitenland gevestigd
persoon of lichaam, kan levenslange gevangenisstraf of tijdelijke
van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie
worden opgelegd.
3. Handelingen gepleegd ter
voorbereiding van een misdrijf als omschreven in de voorgaande leden
worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 98b
Hij aan wiens schuld te wijten is dat
een inlichting, een voorwerp of gegevens als bedoeld in artikel 98,
openbaar worden gemaakt of ter beschikking komt van een tot
kennisneming daarvan niet gerechtigd persoon of lichaam, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van
de derde categorie.
Artikel 98c
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt
gestraft:
1°. hij die opzettelijk een
inlichting, een voorwerp of gegevens als bedoeld in artikel 98,
zonder daartoe gerechtigd te zijn, onder zich neemt of houdt;
2°. hij die enige handeling
verricht, ondernomen met het oogmerk om, zonder daartoe
gerechtigd te zijn, de beschikking te krijgen over een
inlichting, een voorwerp of gegevens als bedoeld in artikel 98;
3°. hij die tersluik, onder een
vals voorgeven, door middel van een vermomming of langs een
andere dan de gewone toegang op of in een verboden plaats komt
of tracht te komen, aldaar in dier voege aanwezig is, of zich op
een van die wijzen of door een van die middelen vandaar
verwijdert of tracht te verwijderen.
2. De bepaling onder 3° is niet
toepasselijk, indien de rechter blijkt dat de dader niet heeft
gehandeld met het oogmerk bedoeld onder 2°.
Artikel 99
Hij die een hem van regeringswege
opgedragen onderhandeling met een buitenlandse mogendheid opzettelijk
ten nadele van de staat voert, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 100
Met gevangenisstraf van ten hoogste
tien jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die, in geval van een
oorlog waarin Nederland niet betrokken is, opzettelijk enige
handeling verricht waardoor het gevaar ontstaat dat de staat in
een oorlog wordt betrokken, of enig van regeringswege gegeven en
bekendgemaakt bijzonder voorschrift tot handhaving van het niet
deelnemen aan de oorlog opzettelijk overtreedt;
2°. hij die, in tijd van oorlog,
enig voorschrift van regeringswege in het belang van de veiligheid
van de staat gegeven en bekendgemaakt, opzettelijk overtreedt.
Artikel 101
De Nederlander die in het vooruitzicht
van een oorlog met een buitenlandse mogendheid vrijwillig bij deze
mogendheid in krijgsdienst treedt, wordt, indien de oorlog uitbreekt,
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 102
Met levenslange gevangenisstraf of
tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde
categorie wordt gestraft hij die opzettelijk, in tijd van oorlog, de
vijand hulp verleent of de staat tegenover de vijand benadeelt.
Artikel 103
De samenspanning tot het in artikel 102
omschreven misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 103a
Niet strafbaar is hij die een der in de
artikelen 102 en 103 omschreven misdrijven heeft begaan in de
redelijke overtuiging het Nederlandse belang niet te schaden.
Artikel 104
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes
jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft hij die, in
tijd van oorlog, zonder oogmerk om de vijand hulp te verlenen of de
staat tegenover de vijand te benadelen, opzettelijk:
1°. een verspieder van de vijand
opneemt, verbergt of voorthelpt;
2°. desertie van een krijgsman, in
dienst van het Rijk, teweegbrengt of bevordert.
Artikel 105
1. Hij die, in tijd van oorlog, enige
bedrieglijke handeling pleegt bij levering van benodigdheden ten
dienste van de krijgsmacht, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die, met het opzicht over de levering van de goederen belast, de
bedrieglijke handeling opzettelijk toelaat.
Artikel 106
1. Bij veroordeling wegens het in
artikel 92 omschreven misdrijf, kan ontzetting van de in artikel 28,
eerste lid, onder 1°-4°, vermelde rechten worden uitgesproken.
2. Bij veroordeling wegens een der in
de artikelen 93-103 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in
artikel 28, eerste lid, onder 1°-3°, vermelde rechten worden
uitgesproken.
3. Bij veroordeling wegens het in
artikel 105 omschreven misdrijf, kan de schuldige worden ontzet van
de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft
en van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°-4°, vermelde
rechten, en kan openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden
gelast.
Artikel 107
De straffen gesteld op de in de
artikelen 102-105 omschreven feiten, zijn toepasselijk indien een van
die feiten wordt gepleegd tegen of met betrekking tot de bondgenoten
van de staat in een gemeenschappelijke oorlog.
Artikel 107a
De artikelen 100, onder 2°, en 101-107
vinden overeenkomstige toepassing in geval van een gewapend conflict
dat niet als oorlog kan worden aangemerkt en waarbij Nederland is
betrokken, hetzij ter individuele of collectieve zelfverdediging,
hetzij tot herstel van internationale vrede en veiligheid.
Titel II. Misdrijven tegen de
koninklijke waardigheid
Artikel 108
1. De aanslag op het leven of de
vrijheid van de echtgenoot van de Koning, van de vermoedelijke
opvolger van de Koning, of van diens echtgenoot, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Indien de aanslag op het leven de
dood ten gevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen,
wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste
dertig jaren opgelegd of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 109
Elke feitelijke aanranding van de
persoon van de Koning die niet valt in een zwaardere strafbepaling
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes
maanden of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 110
Elke feitelijke aanranding van de
persoon van de echtgenoot van de Koning, van de vermoedelijke opvolger
van de Koning, van diens echtgenoot, of van de Regent die niet valt in
een zwaardere strafbepaling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 111
Opzettelijke belediging van de Koning
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Artikel 112
Opzettelijke belediging van de
echtgenoot van de Koning, van de vermoedelijke opvolger van de Koning,
van diens echtgenoot, of van de Regent, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde
categorie.
Artikel 113
1. Hij die een geschrift of
afbeelding waarin een belediging voorkomt voor de Koning, de
echtgenoot van de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning,
diens echtgenoot of de Regent, verspreidt, openlijk tentoonstelt of
aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te
worden in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden
heeft om te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige
belediging voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
een jaar of geldboete van de derde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden,
de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.
3. Indien de schuldige een van de
misdrijven omschreven in dit artikel in zijn beroep begaat en er,
tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn
verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens
een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de
uitoefening van dat beroep worden ontzet.
Artikel 114
1. Bij veroordeling wegens een der in
de artikelen 108, 109 en 110 omschreven misdrijven kan ontzetting
van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°-4°, vermelde rechten
worden uitgesproken.
2. Bij veroordeling wegens een der in
de artikelen 111 en 112 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de
in artikel 28, eerste lid, onder 1°-3°, vermelde rechten worden
uitgesproken.
Artikel 114a
Indien een misdrijf, strafbaar gesteld
in artikel 108, eerste lid, 109of 110, is begaan met een terroristisch
oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf
met de helft verhoogd en wordt, indien op het misdrijf een tijdelijke
gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren is gesteld, levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren opgelegd.
Artikel 114b
1. De samenspanning tot de in artikel
108 omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
2. Artikel 96, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Titel III. Misdrijven tegen hoofden van
bevriende Staten en andere internationaal beschermde personen
Artikel 115
1. De aanslag op het leven of de
vrijheid van een hoofd van een bevriende staat wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Indien de aanslag op het leven de
dood ten gevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen,
wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste
dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.
Artikel 116
Elke feitelijke aanranding van de
persoon van een hoofd van een bevriende staat, die niet valt in een
zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 117
1. De aanslag op het leven of de
vrijheid van een internationaal beschermd persoon wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Indien de aanslag op het leven de
dood ten gevolge heeft of met voorbedachte rade wordt ondernomen,
wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste
dertig jaren opgelegd of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 117a
Elke feitelijke aanranding van de
persoon van een internationaal beschermd persoon, die niet valt in een
zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 117b
Hij die opzettelijk geweld pleegt tegen
de beschermde goederen van een internationaal beschermd persoon wordt,
indien daardoor gevaar voor de veiligheid of de vrijheid van die
persoon te duchten is, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 118
1. Opzettelijke belediging van het
hoofd of een lid van de regering van een bevriende staat, in de
uitoefening van zijn ambt in Nederland verblijvende, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
opzettelijke belediging van een officieel bij de Nederlandse
regering toegelaten vertegenwoordiger van een bevriende staat in
diens hoedanigheid.
3. Bij veroordeling wegens een der in
dit artikel omschreven misdrijven kan ontzetting van de in artikel
28, eerste lid, onder 1°-2°, vermelde rechten worden uitgesproken.
Artikel 119
1. Hij die een geschrift of
afbeelding waarin een belediging voorkomt voor het hoofd of een lid
van de regering van een bevriende staat, in de uitoefening van zijn
ambt in Nederland verblijvende, verspreidt, openlijk tentoonstelt of
aanslaat, dan wel de inhoud van zulk een geschrift openlijk ten
gehore brengt, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te
vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige belediging
voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden
of geldboete van de derde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die een geschrift of afbeelding waarin een belediging voorkomt
voor een officieel bij de Nederlandse regering toegelaten
vertegenwoordiger van een bevriende staat in diens hoedanigheid,
verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat, of om verspreid,
openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden in voorraad heeft,
dan wel de inhoud van zulk een geschrift openlijk ten gehore brengt,
indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat in het
geschrift of de afbeelding zodanige belediging voorkomt.
3. Indien de schuldige een van de
misdrijven omschreven in dit artikel, in zijn beroep begaat en er,
tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn
verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens
een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de
uitoefening van dat beroep worden ontzet.
Artikel 120
Bij veroordeling wegens een der in de
artikelen 115 en 116 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in
artikel 28, eerste lid, onder 1°-4°, vermelde rechten worden
uitgesproken.
Artikel 120a
Indien een misdrijf, strafbaar gesteld
in artikel 115, eerste lid, 116,117, eerste lid, 117a of 117b, is
begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde
tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd en wordt, indien op
het misdrijf een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vijftien
jaren is gesteld, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten
hoogste dertig jaren opgelegd.
Artikel 120b
1. De samenspanning tot de in de
artikelen 115 en 117 omschreven misdrijven, te begaan met een
terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Artikel 96, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Titel IV. Misdrijven betreffende de
uitoefening van staatsplichten en staatsrechten
Artikel 121
Hij die door geweld of bedreiging met
geweld een vergadering van de beide kamers der Staten-Generaal of van
een van deze uiteenjaagt of tot het nemen of niet nemen van enig
besluit dwingt, of een lid, een minister of een staatssecretaris uit
die vergadering verwijdert of opzettelijk verhindert die bij te wonen
of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft
met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 121a
Hij die door geweld of bedreiging met
geweld een vergadering van een commissie uit de beide kamers der
Staten-Generaal of uit een van deze uiteenjaagt of tot het nemen of
niet nemen van enig besluit dwingt of een lid, een minister of een
staatssecretaris uit die vergadering verwijdert of opzettelijk
verhindert die bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht
te vervullen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 122
1. De samenspanning tot het in
artikel 121 omschreven misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Artikel 96, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 123
Hij die door geweld of bedreiging met
geweld een vergadering van de staten van een provincie uiteenjaagt of
tot het nemen of niet nemen van enig besluit dwingt of een lid, de
voorzitter of een gedeputeerde uit die vergadering verwijdert of
opzettelijk verhindert die bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd
zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 123a
Hij die door geweld of bedreiging met
geweld een vergadering van een door de staten van een provincie
ingestelde commissie uiteenjaagt of tot het nemen of niet nemen van
enig besluit dwingt of een lid, een gedeputeerde of de commissaris van
de Koning uit die vergadering verwijdert of opzettelijk verhindert die
bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Artikel 124
Hij die door geweld of bedreiging met
geweld een vergadering van de raad van een gemeente uiteenjaagt of tot
het nemen of niet nemen van enig besluit dwingt of een lid, de
voorzitter of een wethouder uit die vergadering verwijdert of
opzettelijk verhindert die bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd
zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 124a
Hij die door geweld of bedreiging met
geweld een vergadering van een door de raad van een gemeente
ingestelde commissie uiteenjaagt of tot het nemen of niet nemen van
enig besluit dwingt of een lid, een wethouder of de burgemeester uit
die vergadering verwijdert of opzettelijk verhindert die bij te wonen
of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de
vierde categorie.
Artikel 125
Hij die bij gelegenheid van een
krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing door geweld
of bedreiging met geweld opzettelijk iemand verhindert zijn of eens
anders kiesrecht vrij en onbelemmerd uit te oefenen, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 126
1. Hij die bij gelegenheid van een
krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing door gift
of belofte iemand omkoopt om zijn of eens anders kiesrecht hetzij
niet, hetzij op bepaalde wijze uit te oefenen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
derde categorie.
2. Dezelfde straf wordt toegepast op
de kiezer of de gemachtigde van een kiezer die zich door gift of
belofte tot een of ander laat omkopen.
Artikel 127
Hij die bij gelegenheid van een
krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, enige
bedrieglijke handeling pleegt waardoor een stem van onwaarde wordt of
een ander dan de bij het uitbrengen van de stem bedoelde persoon wordt
aangewezen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 128
Hij die opzettelijk zich voor een ander
uitgevende, aan een krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven
verkiezing deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
Artikel 129
Hij die bij gelegenheid van een
krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, opzettelijk
een plaats gehad hebbende stemming verijdelt of enige bedrieglijke
handeling pleegt waardoor aan de stemming een andere uitslag wordt
gegeven dan door de wettig uitgebrachte stemmen zou zijn verkregen,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes
maanden of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 130
1. Bij veroordeling wegens een der in
de artikelen 121 en 123 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de
in artikel 28, eerste lid, onder 1°-3°, vermelde rechten worden
uitgesproken.
2. Bij veroordeling wegens een der in
de artikelen 122, 124 en 129 omschreven misdrijven, kan ontzetting
van de in artikel 28, eerste lid, onder 3°, vermelde rechten worden
uitgesproken.
Artikel 130a
Indien een misdrijf, strafbaar gesteld
in artikel 123 of 124, is begaan met een terroristisch oogmerk, wordt
de in deze artikelen bepaalde tijdelijke gevangenisstraf met de helft
verhoogd.
Titel V. Misdrijven tegen de openbare
orde
Artikel 131
1. Hij die in het openbaar, mondeling
of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot
gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de
vierde categorie.
2. Indien het strafbare feit waartoe
wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter
voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf
inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid
omschreven feit, met een derde verhoogd.
Artikel 132
1. Hij die een geschrift of
afbeelding waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig
optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, verspreidt,
openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk
tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt,
indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het
geschrift of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de
vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden,
de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.
3. Indien het strafbare feit waartoe
bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid een terroristisch
misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking
van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf,
gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde
verhoogd.
Artikel 133
Hij die in het openbaar, mondeling of
bij geschrift of afbeelding, aanbiedt inlichtingen, gelegenheid of
middelen te verschaffen om enig strafbaar feit te plegen, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de derde categorie.
Artikel 134
1. Hij die een geschrift of
afbeelding waarin wordt aangeboden inlichtingen, gelegenheid of
middelen te verschaffen om enig strafbaar feit te plegen,
verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid,
openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft,
wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat
in het geschrift of de afbeelding zodanig aanbod voorkomt, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
tweede categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden,
de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.
Artikel 134a
Hij die zich of een ander opzettelijk
gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft of tracht te
verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een
misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch
misdrijf, dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerft of een
ander bijbrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 134bis [Vervallen per
01-04-1994]
Artikel 135
Hij die, kennis dragende van een
strafbare samenspanning, op een tijdstip waarop het plegen van deze
misdrijven nog kan worden voorkomen, opzettelijk nalaat daarvan tijdig
voldoende kennis te geven, hetzij aan de ambtenaren van de justitie of
politie, hetzij aan de bedreigde, wordt, indien het misdrijf is
gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Artikel 136
1. Hij die, kennis dragende van een
voornemen tot het plegen van een der in de artikelen 92-110
omschreven misdrijven, tot desertie in tijd van oorlog, tot militair
verraad, tot moord, mensenroof of verkrachting of tot een der in
Titel VII van dit Boek omschreven misdrijven dan wel een
terroristisch misdrijf voor zover daardoor levensgevaar wordt
veroorzaakt, op een tijdstip waarop het plegen van deze misdrijven
nog kan worden voorkomen, opzettelijk nalaat daarvan tijdig
voldoende kennis te geven, hetzij aan de ambtenaren van de justitie
of politie, hetzij aan de bedreigde, wordt, indien het misdrijf is
gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of
geldboete van de vierde categorie.
2. Dezelfde straf is toepasselijk op
hem die, kennis dragende van enig in het eerste lid vermeld reeds
gepleegd misdrijf waardoor levensgevaar is ontstaan, op een tijdstip
waarop de gevolgen nog kunnen worden afgewend, opzettelijk nalaat
daarvan gelijke kennisgeving te doen.
Artikel 137
De bepalingen van de artikelen 135 en
136 zijn niet van toepassing op hem die door de kennisgeving gevaar
voor een strafvervolging zou doen ontstaan voor zichzelf, voor een van
zijn bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie of in de tweede
of derde graad van de zijlinie, voor zijn echtgenoot of gewezen
echtgenoot, of voor een ander bij wiens vervolging hij zich, uit
hoofde van zijn ambt of beroep, van het afleggen van getuigenis zou
kunnen verschonen.
Artikel 137a [Vervallen per 26-04-1978]
Artikel 137b [Vervallen per 26-04-1978]
Artikel 137c
1. Hij die zich in het openbaar,
mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend
uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of
levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun
lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de
derde categorie.
2. Indien het feit wordt gepleegd
door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door
twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.
Artikel 137d
1. Hij die in het openbaar, mondeling
of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of
discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of
goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging,
hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun
lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de
derde categorie.
2. Indien het feit wordt gepleegd
door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door
twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.
Artikel 137e
1. Hij die, anders dan ten behoeve
van zakelijke berichtgeving:
1°. een uitlating openbaar maakt
die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een
groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of
levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of
hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap
beledigend is, of aanzet tot haat tegen of discriminatie van
mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen
wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun
geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun
lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap;
2°. een voorwerp waarin, naar
hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, zulk een uitlating is
vervat, aan iemand, anders dan op diens verzoek, doet toekomen,
dan wel verspreidt of ter openbaarmaking van die uitlating of
verspreiding in voorraad heeft;
wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
2. Indien het feit wordt gepleegd
door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door
twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie opgelegd.
Artikel 137f
Hij die deelneemt of geldelijke of
andere stoffelijke steun verleent aan activiteiten gericht op
discriminatie van mensen wegens hun ras, hun godsdienst, hun
levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele
gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke
handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 137g
1. Hij die, in de uitoefening van een
ambt, beroep of bedrijf personen opzettelijk discrimineert wegens
hun ras, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de derde categorie.
2. Indien het feit wordt gepleegd
door een persoon die daarvan een gewoonte maakt of door twee of meer
verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of
geldboete van de vierde categorie opgelegd.
Artikel 137h
Indien de schuldige een van de
strafbare feiten, omschreven in de artikelen 131 tot en met 134, 137c
tot en met 137g en147a, in zijn beroep begaat, kan hij van de
uitoefening van dat beroep worden ontzet.
Artikel 138
1. Hij die in de woning of het
besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk
binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de
vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of
geldboete van de derde categorie.
2. Hij die zich de toegang heeft
verschaft door middel van braak of inklimming, van valse sleutels,
van een valse order of een vals kostuum, of die, zonder voorkennis
van de rechthebbende en anders dan ten gevolge van vergissing
binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in de voor de nachtrust
bestemde tijd, wordt geacht te zijn binnengedrongen.
3. Indien hij bedreigingen uit of
zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie.
4. De in het eerste en derde lid
bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd,
indien twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Artikel 138a
1. Hij die in een woning of gebouw,
waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd,
wederrechtelijk binnendringt of wederrechtelijk aldaar vertoeft,
wordt, als schuldig aan kraken, gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
2. Indien hij bedreigingen uit of
zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie.
3. De in het eerste en tweede lid
bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd,
indien twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Artikel 138ab
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt, als
schuldig aan computervredebreuk, gestraft hij die opzettelijk en
wederrechtelijk binnendringt in een geautomatiseerd werk of in een
deel daarvan. Van binnendringen is in ieder geval sprake indien de
toegang tot het werk wordt verworven:
a. door het doorbreken van een
beveiliging,
b. door een technische ingreep,
c. met behulp van valse signalen
of een valse sleutel, of
d. door het aannemen van een
valse hoedanigheid.
2. Met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt
gestraft computervredebreuk, indien de dader vervolgens gegevens die
zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van het
geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor
zichzelf of een ander overneemt, aftapt of opneemt.
3. Met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt
gestraft computervredebreuk gepleegd door tussenkomst van een
openbaar telecommunicatienetwerk, indien de dader vervolgens
a. met het oogmerk zichzelf of
een ander wederrechtelijk te bevoordelen gebruik maakt van
verwerkingscapaciteit van een geautomatiseerd werk;
b. door tussenkomst van het
geautomatiseerd werk waarin hij is binnengedrongen de toegang
verwerft tot het geautomatiseerd werk van een derde.
Artikel 138b
Met gevangenisstraf van ten hoogste een
jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die
opzettelijk en wederrechtelijk de toegang tot of het gebruik van een
geautomatiseerd werk belemmert door daaraan gegevens aan te bieden of
toe te zenden.
Artikel 139
1. Hij die in een voor de openbare
dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt, of,
wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van de
bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
tweede categorie.
2. Hij die zich de toegang heeft
verschaft door middel van braak of inklimming, van valse sleutels,
van een valse order of een vals kostuum, of die zonder voorkennis
van de bevoegde ambtenaar en anders dan ten gevolge van vergissing
binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in de voor de nachtrust
bestemde tijd, wordt geacht te zijn binnengedrongen.
3. Indien hij bedreigingen uit of
zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de derde categorie.
4. De in het eerste en derde lid
bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd,
indien twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Artikel 139a
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie wordt
gestraft hij die met een technisch hulpmiddel een gesprek dat in een
woning, besloten lokaal of erf wordt gevoerd opzettelijk:
1°. anders dan in opdracht van
een deelnemer aan dat gesprek afluistert;
2°. zonder deelnemer aan dat
gesprek te zijn en anders dan in opdracht van zulk een deelnemer
opneemt.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op het opnemen:
1°. van gegevens die worden
verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of
door middel van een geautomatiseerd werk;
2°. behoudens in geval van
kennelijk misbruik, met een technisch hulpmiddel dat op gezag
van degene bij wie de woning, het lokaal of het erf in gebruik
is, niet heimelijk aanwezig is;
3°. ter uitvoering van de Wet op
de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
Artikel 139b
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie wordt
gestraft hij die, met het oogmerk een gesprek dat elders dan in een
woning, besloten lokaal of erf wordt gevoerd af te luisteren of op
te nemen, dat gesprek met een technisch hulpmiddel heimelijk:
1°. anders dan in opdracht van
een deelnemer aan dat gesprek afluistert;
2°. zonder deelnemer aan dat
gesprek te zijn en anders dan in opdracht van zulk een deelnemer
opneemt.
2. Artikel 139a, tweede lid, onder
1° en 3°, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 139c
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft
hij die opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel
gegevens aftapt of opneemt die niet voor hem bestemd zijn en die
worden verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of
door middel van een geautomatiseerd werk.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op het aftappen of opnemen:
1°. van door middel van een
radio-ontvangapparaat ontvangen gegevens, tenzij om de ontvangst
mogelijk te maken een bijzondere inspanning is geleverd of een
niet toegestane ontvanginrichting is gebruikt.
2°. door of in opdracht van de
gerechtigde tot een voor de telecommunicatie gebezigde
aansluiting, behoudens in geval van kennelijk misbruik;
3°. ten behoeve van de goede
werking van een openbaar telecommunicatienetwerk, ten behoeve
van de strafvordering, dan wel ter uitvoering van de Wet op de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
Artikel 139d
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft
hij die met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie
of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een
geautomatiseerd werk wederrechtelijk wordt afgeluisterd, afgetapt of
opgenomen, een technisch hulpmiddel op een bepaalde plaats aanwezig
doet zijn.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in
artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c wordt gepleegd:
a. een technisch hulpmiddel dat
hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen
van een zodanig misdrijf, vervaardigt, verkoopt, verwerft,
invoert, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of
voorhanden heeft, of
b. een computerwachtwoord,
toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang
kan worden gekregen tot een geautomatiseerd werk of een deel
daarvan, verkoopt, verwerft, verspreidt of anderszins ter
beschikking stelt of voorhanden heeft.
3. Met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt
gestraft hij die het in het tweede lid bedoelde feit pleegt terwijl
zijn oogmerk is gericht op een misdrijf als bedoeld in artikel 138a,
tweede of derde lid.
Artikel 139e
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:
1°. hij die de beschikking heeft
over een voorwerp waarop, naar hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden, gegevens zijn vastgelegd die door wederrechtelijk
afluisteren, aftappen of opnemen van een gesprek, telecommunicatie
of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een
geautomatiseerd werk zijn verkregen;
2°. hij die gegevens die hij door
wederrechtelijk afluisteren, aftappen of opnemen van een gesprek,
telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere
gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk heeft verkregen
of die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, ten
gevolge van zulk afluisteren, aftappen of opnemen te zijner kennis
zijn gekomen, opzettelijk aan een ander bekend maakt;
3°. hij die een voorwerp als
omschreven onder 1° opzettelijk ter beschikking stelt van een
ander.
Artikel 139f
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:
1°. hij die, gebruik makende van
een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op
duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en
wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een woning of op een
andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding
vervaardigt;
2°. hij die de beschikking heeft
over een afbeelding welke, naar hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden, door of ten gevolge van een onder 1° strafbaar
gestelde handeling is verkregen.
Artikel 139g
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die
een afbeelding, als bedoeld in het vorige artikel, onder 2°, openbaar
maakt.
Artikel 140
1. Deelneming aan een organisatie die
tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
2. Deelneming aan de voortzetting van
de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke
rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is
verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als
bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek
is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een
jaar of geldboete van de derde categorie.
3. Ten aanzien van de oprichters,
leiders of bestuurders kunnen de gevangenisstraffen met een derde
worden verhoogd.
4. Onder deelneming als omschreven in
het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of
andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of
personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie.
Artikel 140a
1. Deelneming aan een organisatie die
tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
2. Oprichters, leiders of bestuurders
worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van
ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
3. Het vierde lid van artikel 140 is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 141
1. Zij die openlijk in vereniging
geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of
geldboete van de vierde categorie.
2. De schuldige wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie, indien
hij opzettelijk goederen vernielt of indien het door hem
gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien dat geweld de dood ten gevolge heeft.
3. Artikel 81 blijft buiten
toepassing.
Artikel 141a
Hij die opzettelijk gelegenheid,
middelen of inlichtingen verschaft tot het plegen van geweld tegen
personen of goederen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.
Artikel 142
1. Hij die opzettelijk door valse
alarmkreten of signalen de rust verstoort, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde
categorie.
2. Hij die opzettelijk, zonder dat
daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maakt van een alarmnummer
voor publieke diensten wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 142a
1. Hij die een voorwerp verzendt of
op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats achterlaat
of plaatst, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven
dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete
van de vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die gegevens doorgeeft met het oogmerk een ander ten onrechte te
doen geloven dat op een al dan niet voor het publiek toegankelijke
plaats een voorwerp aanwezig is waardoor een ontploffing kan worden
teweeggebracht.
Artikel 143
Hij die door geweld of bedreiging met
geweld een geoorloofde openbare vergadering of betoging verhindert,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of
geldboete van de derde categorie.
Artikel 144
Hij die door het verwekken van wanorde
of het maken van gedruis een geoorloofde openbare vergadering
opzettelijk stoort, of door het verwekken van wanorde een geoorloofde
betoging opzettelijk stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste twee weken of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 145
Hij die door geweld of bedreiging met
geweld hetzij een geoorloofde openbare samenkomst tot het belijden van
godsdienst of levensovertuiging, hetzij een geoorloofde godsdienstige
of levensbeschouwelijke plechtigheid of lijkplechtigheid verhindert,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of
geldboete van de derde categorie.
Artikel 146
Hij die door het verwekken van wanorde
of het maken van gedruis hetzij een geoorloofde openbare samenkomst
tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, hetzij een
geoorloofde godsdienstige of levensbeschouwelijke plechtigheid of
lijkplechtigheid opzettelijk stoort, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 147
Met gevangenisstraf van ten hoogste
drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
1°. hij die zich in het openbaar,
mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende
godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze
uitlaat;
2°. hij die een bedienaar van de
godsdienst in de geoorloofde waarneming van zijn bediening bespot;
3°. hij die voorwerpen aan een
eredienst gewijd, waar en wanneer de uitoefening van die dienst
geoorloofd is, beschimpt.
Artikel 147a
1. Hij die een geschrift of
afbeelding waarin uitlatingen voorkomen die, als smalende
godslasteringen, voor godsdienstige gevoelens krenkend zijn,
verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid,
openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft,
wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat
in het geschrift of de afbeelding zodanige uitlatingen voorkomen,
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of
geldboete van de tweede categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden,
de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.
Artikel 148
Hij die opzettelijk de geoorloofde
toegang tot een begraafplaats of crematorium of het geoorloofd vervoer
van een lijk naar een begraafplaats of crematorium verhindert of
belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een
maand of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 149
Hij die opzettelijk een graf schendt of
enig op een begraafplaats opgericht gedenkteken opzettelijk en
wederrechtelijk vernielt of beschadigt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 150
Hij die opzettelijk en wederrechtelijk
een lijk opgraaft of wegneemt of een opgegraven of weggenomen lijk
verplaatst of vervoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
Artikel 151
Hij die een lijk begraaft, verbrandt,
vernietigt, verbergt, wegvoert of wegmaakt, met het oogmerk om het
feit of de oorzaak van het overlijden, dan wel van het dood ter wereld
komen te verhelen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 151a
Hij die uit winstbejag opzettelijk
bevordert dat een kind beneden de leeftijd van zes maanden hetwelk
niet onder voogdij van een rechtspersoon staat, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de raad voor de kinderbescherming, als
pleegkind wordt opgenomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 151b
1. Degene die in de uitoefening van
een beroep of bedrijf opzettelijk teweegbrengt of bevordert dat een
draagmoeder of een vrouw die draagmoeder wenst te worden,
rechtstreeks of middellijk met een ander onderhandelt of een
afspraak maakt ten einde het voornemen, bedoeld in het derde lid,
uit te voeren, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
een jaar of geldboete van de vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft:
a. degene die in het openbaar
diensten aanbiedt, bestaande uit het teweegbrengen of bevorderen
van onderhandelingen of een afspraak als bedoeld in het eerste
lid;
b. degene die openbaar maakt dat
een vrouw draagmoeder wenst te worden of als zodanig beschikbaar
is, dan wel dat een vrouw die draagmoeder wenst te worden of als
zodanig beschikbaar is, wordt gezocht.
3. Als draagmoeder wordt aangemerkt
de vrouw die zwanger is geworden met het voornemen een kind te baren
ten behoeve van een ander die het ouderlijk gezag over dat kind wil
verwerven, dan wel anderszins duurzaam de verzorging en opvoeding
van dat kind op zich wil nemen.
Artikel 151c
1. Degene die in de uitoefening van
een beroep of bedrijf opzettelijk teweegbrengt of bevordert dat een
vrouw rechtstreeks of middellijk met een ander onderhandelt of een
afspraak maakt in verband met de wens van die vrouw de verzorging en
opvoeding van haar kind duurzaam aan een ander over te laten, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de derde categorie.
2. Onverminderd het bepaalde in
artikel 151b, eerste lid, is het eerste lid niet van toepassing
a. indien het in dat lid bedoelde
teweegbrengen of bevorderen geschiedt door de raad voor de
kinderbescherming of een door de raad daartoe aangewezen
rechtspersoon;
b. indien het in dat lid bedoelde
teweegbrengen of bevorderen een verwijzing betreft naar een
organisatie als bedoeld onder a.
Titel VI [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 152 [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 153 [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 154 [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 155 [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 156 [Vervallen per 01-02-2006]
Titel VII. Misdrijven waardoor de
algemene veiligheid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht
Artikel 157
Hij die opzettelijk brand sticht, een
ontploffing teweegbrengt of een overstroming veroorzaakt, wordt
gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk
letsel voor een ander te duchten is;
3°. met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar
voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
Artikel 158
Hij aan wiens schuld brand, ontploffing
of overstroming te wijten is, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien
daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien
daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor
een ander ontstaat;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien
het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 159
Hij die opzettelijk bij of in het
vooruitzicht van brand blusgereedschappen of blusmiddelen
wederrechtelijk verbergt of onbruikbaar maakt, of op enige wijze de
blussing van brand verhindert of belemmert, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 160
Hij die opzettelijk bij of in het
vooruitzicht van watersnood dijkmaterialen of gereedschappen
wederrechtelijk verbergt of onbruikbaar maakt, enige poging tot
herstel van dijken of andere waterstaatswerken verijdelt, of de
aangewende middelen tot het voorkomen of stuiten van overstroming
tegenwerkt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 161
Hij die opzettelijk enig werk dienend
tot waterkering, waterlozing, gas-of waterleiding of riolering
vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft:
1º. met gevangenisstraf van ten
hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan gevaar voor een overstroming of gemeen gevaar voor
goederen te duchten is;
2º. met gevangenisstraf van ten
hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;
3º. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijften jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit
iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 161bis
Hij die opzettelijk enig
electriciteitswerk vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, stoornis
in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaakt, of een ten
opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt,
wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie, indien
daardoor verhindering of bemoeilijking van stroomlevering ten
algemenen nutte ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;
4°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het
feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 161ter
Hij aan wiens schuld te wijten is, dat
enig electriciteitswerk wordt vernield, beschadigd, of onbruikbaar
gemaakt, dat stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk
ontstaat, of dat een ten opzichte van zodanig werk genomen
veiligheidsmaatregel wordt verijdeld, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien
daardoor verhindering of bemoeilijking van stroomlevering ten
algemenen nutte of gemeen gevaar voor goederen ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien
daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien
het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 161quater
Hij die opzettelijk mensen, dieren,
planten of goederen aan ioniserende stralen blootstelt, dan wel
mensen, dieren, planten, goederen, bodem, water of lucht met
radioactieve stoffen besmet, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar
voor een ander te duchten is;
2°. met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar
voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
Artikel 161quinquies
Hij aan wiens schuld te wijten is dat
mensen, dieren, planten of goederen aan ioniserende stralen worden
blootgesteld, dan wel mensen, dieren, planten, goederen, bodem, water
of lucht met radioactieve stoffen worden besmet, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien
daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor
een ander te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien
daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit
iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 161sexies
1. Hij die opzettelijk enig
geautomatiseerd werk of enig werk voor telecommunicatie vernielt,
beschadigt of onbruikbaar maakt, stoornis in de gang of in de
werking van zodanig werk veroorzaakt, of een ten opzichte van
zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie, indien
daardoor wederrechtelijk verhindering of bemoeilijking van de
opslag, verwerking of overdracht van gegevens ten algemene nutte
of stoornis in een openbaar telecommunicatienetwerk of in de
uitvoering van een openbare telecommunicatiedienst, ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan gemeen gevaar voor goederen of voor de verlening van
diensten te duchten is;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;
4°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het
feit iemands dood ten gevolge heeft.
2. Met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft
hij die, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in het
eerste lid wordt gepleegd:
a. een technisch hulpmiddel dat
hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen
van een zodanig misdrijf, vervaardigt, verkoopt, verwerft,
invoert, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of
voorhanden heeft, of
b. een computerwachtwoord,
toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang
kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of een deel
daarvan, verkoopt, verwerft, verspreidt of anderszins ter
beschikking stelt of voorhanden heeft.
Artikel 161septies
Hij aan wiens schuld te wijten is dat
enig geautomatiseerd werk of enig werk voor telecommunicatie wordt
vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt, dat stoornis in de gang
of in de werking van zodanig werk ontstaat, of dat een ten opzichte
van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel wordt verijdeld, wordt
gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien
daardoor verhindering of bemoeilijking van de opslag, verwerking
of overdracht van gegevens ten algemenen nutte, stoornis in een
openbaar telecommunicatienetwerk of in de uitvoering van een
openbare telecommunicatiedienst, of gemeen gevaar voor goederen of
voor de verlening van diensten ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien
daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien
het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 162
Hij die opzettelijk enig werk dienende
voor het openbaar verkeer of het luchtverkeer vernielt, onbruikbaar
maakt of beschadigt, enige openbare land- of waterweg verspert of een
ten aanzien van zodanig werk of van zodanige weg genomen
veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te
duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 162a
Hij die opzettelijk op een luchthaven
een luchtvaartuig buiten bedrijf of enige voorziening vernielt,
onbruikbaar maakt of beschadigt, dan wel de diensten op een luchthaven
verstoort, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan gevaar voor de veiligheid van de luchtvaart te duchten
valt;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daarvan gevaar voor de veiligheid van de luchtvaart te
duchten valt en het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 163
Hij aan wiens schuld te wijten is dat
enig werk dienende voor het openbaar verkeer of het luchtverkeer wordt
vernield, onbruikbaar gemaakt of beschadigd, enige openbare land- of
waterweg versperd of een ten aanzien van zodanig werk of van zodanige
weg genomen veiligheidsmaatregel verijdeld wordt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien
daardoor het verkeer onveilig wordt;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien
het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 164
1. Hij die opzettelijk gevaar
veroorzaakt voor het verkeer door mechanische kracht over een
spoorweg, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Indien het feit iemands dood ten
gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 165
1. Hij aan wiens schuld te wijten is
dat gevaar ontstaat voor het verkeer door mechanische kracht over
een spoorweg, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een
jaar of geldboete van de vierde categorie.
2. Indien het feit iemands dood ten
gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 166
Hij die opzettelijk een voor de
veiligheid van de scheepvaart of luchtvaart gesteld teken of
hulpmiddel vernielt, beschadigt, wegneemt of verplaatst, de werking
daarvan verijdelt of een verkeerd teken stelt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan gevaar voor de veiligheid van de scheepvaart of luchtvaart
te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daarvan gevaar voor de veiligheid van de scheepvaart of
luchtvaart te duchten is en het feit het zinken, stranden of
verongelukken van een vaartuig of een luchtvaartuig ten gevolge
heeft;
3°. met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de
veiligheid van de scheepvaart of luchtvaart te duchten is en het
feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 167
Hij aan wiens schuld vernieling,
beschadiging, wegneming of verplaatsing van een voor de veiligheid van
de scheepvaart of luchtvaart gesteld teken of hulpmiddel dan wel de
verijdeling van de werking daarvan of het stellen van een verkeerd
teken te wijten is, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien
daardoor de scheepvaart of de luchtvaart onveilig wordt;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien het
feit het zinken, stranden of verongelukken van een vaartuig of een
luchtvaartuig ten gevolge heeft;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien
het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 168
Hij die enig vaartuig, voertuig of
luchtvaartuig opzettelijk en wederrechtelijk doet zinken, stranden of
verongelukken, vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt
gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;
2°. met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar
voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
Artikel 169
Hij aan wiens schuld te wijten is dat
enig vaartuig, voertuig of luchtvaartuig zinkt, strandt of
verongelukt, vernield, onbruikbaar gemaakt of beschadigd wordt, wordt
gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien
daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien
het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 170
Hij die enig gebouw, getimmerte,
installatie ter zee of voor het publiek toegankelijke plaats
opzettelijk vernielt of beschadigt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;
3°. met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of
geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar
voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
Artikel 171
Hij aan wiens schuld de vernieling of
beschadiging van enig gebouw, getimmerte, installatie ter zee of voor
het publiek toegankelijke plaats te wijten is, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien
daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien
daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien
het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 172
1. Hij die opzettelijk en
wederrechtelijk een stof in een inrichting ten behoeve van de
drinkwatervoorziening of in een tot gezamenlijk gebruik van of met
anderen bestemde waterleiding brengt, dan wel de aanmaak van
drinkwater in of de toevoer van drinkwater vanuit de openbare
drinkwatervoorziening belemmert, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daarvan gevaar voor een ander te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het
feit iemands dood ten gevolg heeft.
2. Hij die opzettelijk enig voor de
openbare drinkwatervoorziening bestemd werk vernielt, beschadigt of
onbruikbaar maakt, stoornis in de gang of in de werking van zodanig
werk veroorzaakt, of een ten opzichte van zodanig werk genomen
veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt, indien daardoor verhindering
of bemoeilijking van de openbare drinkwatervoorziening te duchten
is, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of
geldboete van de vierde categorie.
Artikel 173
1. Hij aan wiens schuld te wijten is,
dat wederrechtelijk een stof in een inrichting ten behoeve van de
drinkwatervoorziening of in een tot gezamenlijk gebruik van of met
anderen bestemde waterleiding, wordt gebracht, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien
daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor
een ander te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien
daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit
iemands dood ten gevolge heeft.
2. Hij aan wiens schuld te wijten is,
dat enig voor de openbare drinkwatervoorziening bestemd werk wordt
vernield, beschadigd, of onbruikbaar gemaakt, dat stoornis in de
gang of in de werking van een zodanig werk ontstaat of dat een ten
opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel wordt
verijdeld, wordt, indien daardoor verhindering of bemoeilijking van
de openbare drinkwatervoorziening te duchten is, gestraft met een
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
vierde categorie.
Artikel 173a
Hij die opzettelijk en wederrechtelijk
een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater
brengt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor
een ander te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het
feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 173b
Hij aan wiens schuld te wijten is, dat
wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het
oppervlaktewater wordt gebracht, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien
daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor
een ander te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien
daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit
iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 174
1. Hij die waren verkoopt, te koop
aanbiedt, aflevert of uitdeelt, wetende dat zij voor het leven of de
gezondheid schadelijk zijn, en dat schadelijk karakter verzwijgende,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
2. Indien het feit iemands dood ten
gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 175
1. Hij aan wiens schuld te wijten is
dat waren, schadelijk voor het leven of de gezondheid, verkocht,
afgeleverd of uitgedeeld worden, zonder dat de koper of verkrijger
met dat schadelijk karakter bekend is, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde
categorie.
2. Indien het feit iemands dood ten
gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 175a
Hij die in geval van oorlog opzettelijk
een bekendgemaakt bevel, bedoeld in artikel 7 van de Wet bescherming
bevolking (Stb. 1952, 404), dan wel een bij of krachtens een van de
algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in artikel 29 van de
Intrekkingswet BB (Stb. 1986, 312), gegeven en bekendgemaakt
voorschrift overtreedt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit
iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 175b
Hij aan wiens schuld in geval van
oorlog overtreding te wijten is van een bekendgemaakt bevel, bedoeld
in artikel 7 van de Wet bescherming bevolking, dan wel van een bij of
krachtens een van de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in
artikel 29 van de Intrekkingswet BB, gegeven en bekendgemaakt
voorschrift, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien
daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien
daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien
het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Artikel 176
1. Bij veroordeling wegens enig in
deze titel omschreven misdrijf kan de schuldige worden ontzet van de
uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.
2. Bij veroordeling wegens een der in
de artikelen 174 en 175 omschreven misdrijven, kan de rechter de
openbaarmaking van zijn uitspraak gelasten.
Artikel 176a
Indien een misdrijf, strafbaar gesteld
in artikel 157, 159, 160, 161,161bis, 161quater, 161sexies, 162, 162a,
164, 166, 168, 170, 172, 173a of 174, is begaan met een terroristisch
oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke gevangenisstraf
met de helft verhoogd en wordt, indien op het misdrijf een tijdelijke
gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren is gesteld, levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren opgelegd.
Artikel 176b
1. De samenspanning tot de in de
artikelen 157, 161, onderdelen 2° en 3°, 161bis, onderdelen 3° en
4°, 161quater, 161 sexies, onderdelen 3° en 4°, 162, 164, 166,
168, 170, 172, 173a en 174 omschreven misdrijven, te begaan met een
terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Artikel 96, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Titel VIII. Misdrijven tegen het
openbaar gezag
Artikel 177
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt
gestraft:
1°. hij die een ambtenaar een
gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met
het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met
zijn plicht, iets te doen of na te laten;
2°. hij die een ambtenaar een
gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt ten
gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn huidige
of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of
nagelaten.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die een feit als in het eerste lid, onder 1°, omschreven,
begaat jegens een persoon in het vooruitzicht van een aanstelling
als ambtenaar, indien de aanstelling als ambtenaar is gevolgd.
3. Indien de schuldige een van de
misdrijven omschreven in dit artikel in zijn beroep begaat, kan hij
van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.
4. Ontzetting van de in artikel 28,
eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten kan worden
uitgesproken.
Artikel 177a
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt
gestraft:
1°. hij die een ambtenaar een
gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met
het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, zonder daardoor
in strijd met zijn plicht te handelen, iets te doen of na te
laten;
2°. hij die een ambtenaar een
gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt ten
gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn huidige
of vroegere bediening, zonder daardoor in strijd met zijn plicht
te handelen, is gedaan of nagelaten.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die een feit als in het eerste lid, onder 1°, omschreven,
begaat jegens een persoon in het vooruitzicht van een aanstelling
als ambtenaar, indien de aanstelling van ambtenaar is gevolgd.
3. Indien de schuldige een van de
misdrijven omschreven in dit artikel in zijn beroep begaat, kan hij
van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.
4. Ontzetting van de in artikel 28,
eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten kan worden
uitgesproken.
Artikel 178
1. Hij die een rechter een gift of
belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk
invloed uit te oefenen op de beslissing van een aan diens oordeel
onderworpen zaak, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Indien die gift of belofte gedaan
wordt dan wel die dienst verleend of aangeboden wordt met het
oogmerk om een veroordeling in een strafzaak te verkrijgen, wordt de
schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren
of geldboete van de vijfde categorie.
3. Indien de schuldige een van de
misdrijven omschreven in dit artikel in zijn beroep begaat, kan hij
van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.
4. Ontzetting van de in artikel 28,
eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten kan worden
uitgesproken.
Artikel 178a
1. Met ambtenaren worden ten aanzien
van de artikelen 177 en 177a gelijkgesteld personen in de openbare
dienst van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke
organisatie.
2. Met ambtenaren worden ten aanzien
van de artikelen 177, eerste lid, onder 2°, en 177a, eerste lid,
onder 2°, voormalige ambtenaren gelijkgesteld.
3. Met rechter wordt ten aanzien van
artikel 178 gelijkgesteld de rechter van een vreemde staat of van
een volkenrechtelijke organisatie.
Artikel 179
Hij die door geweld of enige andere
feitelijkheid of bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid
een ambtenaar dwingt tot het volvoeren van een ambtsverrichting of het
nalaten van een rechtmatige ambtsverrichting, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde
categorie.
Artikel 180
Hij die zich met geweld of bedreiging
met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige
uitoefening van zijn bediening, of tegen personen die hem daarbij
krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand
verlenen, wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 181
De dwang en de wederspannigheid in de
artikelen 179 en 180 omschreven worden gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie, indien
het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig
lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste zeven jaren en zes maanden of geldboete van de vijfde
categorie, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
zij de dood ten gevolge hebben.
Artikel 182
1. De dwang en de wederspannigheid in
de artikelen 179 en 180 omschreven, door twee of meer personen met
verenigde krachten gepleegd, worden gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. De schuldige wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste zeven jaren en zes maanden of geldboete van de vijfde
categorie, indien het door hem gepleegde misdrijf of de daarbij
door hem gepleegde feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten
gevolge hebben;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien zij de dood ten gevolge hebben.
Artikel 183
Met ambtenaren worden ten aanzien van
de artikelen 179 tot en met 182 gelijkgesteld de schipper of
gezagvoerder van een luchtvaartuig die een bevoegdheid uitoefent of
een verplichting vervult welke hem als zodanig is toegekend of
opgelegd bij een bepaling van het Wetboek van Strafvordering. Onder
schipper wordt begrepen hij die het hoogste gezag uitoefent op een
overeenkomstig artikel 136a, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering aangewezen installatie.
Artikel 184
1. Hij die opzettelijk niet voldoet
aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift
gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht
belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het
opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die
opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen
ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of
verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Met de in het eerste gedeelte van
het vorige lid bedoelde ambtenaar wordt gelijkgesteld ieder die,
krachtens wettelijk voorschrift, voortdurend of tijdelijk met enige
openbare dienst is belast.
3. Met een vordering of handeling als
bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een vordering of
handeling van de schipper of gezagvoerder van een luchtvaartuig die
een bevoegdheid uitoefent of een verplichting vervult, welke hem als
zodanig is toegekend of opgelegd bij een bepaling van het Wetboek
van Strafvordering. Onder schipper wordt begrepen hij die het
hoogste gezag uitoefent op een overeenkomstig artikel 136a, tweede
lid, van het Wetboek van Strafvordering aangewezen installatie.
4. Indien tijdens het plegen van het
misdrijf nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere
veroordeling van de schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk
is geworden, kan de gevangenisstraf met een derde worden verhoogd.
Artikel 184a
Hij die opzettelijk handelt in strijd
met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste
lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 185
Hij die bij een terechtzitting of ter
plaatse waar een ambtenaar in het openbaar in de rechtmatige
uitoefening van zijn bediening werkzaam is, opschudding veroorzaakt en
na het door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel zich niet
verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee
weken of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 185a
Met ambtenaren worden ten aanzien van
de artikelen 179 tot en met 182, 184 en 185 gelijkgesteld personen in
de openbare dienst van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke
organisatie die in Nederland op door het volkenrecht toegelaten wijze
hun bediening uitoefenen.
Artikel 186
Hij die opzettelijk bij gelegenheid van
een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of
vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan
deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 187
Hij die een bekendmaking, vanwege het
bevoegd gezag in het openbaar gedaan, wederrechtelijk afscheurt,
onleesbaar maakt of beschadigt, met het oogmerk om de kennisneming
daarvan te beletten of te bemoeilijken, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede
categorie.
Artikel 188
Hij die aangifte of klacht doet dat een
strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van
de derde categorie.
Artikel 189
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt
gestraft:
1°. hij die opzettelijk iemand
die schuldig is aan of verdachte is van enig misdrijf, verbergt
of hem behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of
aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie;
2°. hij die nadat enig misdrijf
is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing
of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop
of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het
misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van
de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt;
3°. hij die opzettelijk
voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te
brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in
artikel 36e aan te tonen, met het oogmerk om de inbeslagneming
daarvan te beletten, te belemmeren of te verijdelen, verbergt,
vernietigt, wegmaakt of aan het onderzoek van de ambtenaren van
de justitie of politie onttrekt, dan wel door het opzettelijk
verstrekken van gegevens of inlichtingen aan derden die
inbeslagneming belet, belemmert of verijdelt.
2. In het geval het misdrijf, bedoeld
in het eerste lid, een terroristisch misdrijf betreft, kan een
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de
vijfde categorie worden opgelegd.
3. Deze bepalingen zijn niet van
toepassing op hem die de daarin vermelde handelingen verricht ten
einde gevaar van vervolging te ontgaan of af te wenden van een van
zijn bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie of in de
tweede of derde graad van de zijlinie of van zijn echtgenoot of
gewezen echtgenoot.
4. Met ambtenaren van de justitie of
politie worden gelijkgesteld: personen in de openbare dienst van een
internationaal gerecht dat zijn rechtsmacht ontleent aan een verdrag
waarbij het Koninkrijk partij is, die belast zijn met de opsporing
of vervolging van enig misdrijf.
Artikel 190
Hij die opzettelijk een gerechtelijke
lijkschouwing belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 191
Hij die opzettelijk iemand, op openbaar
gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de
vrijheid beroofd, bevrijdt of bij zijn zelfbevrijding behulpzaam is,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Artikel 192
1. Hij die, wettelijk als getuige,
als deskundige of als tolk opgeroepen, opzettelijk niet voldoet aan
enige wettelijke verplichting die hij als zodanig te vervullen
heeft, wordt gestraft:
1°. in strafzaken met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
derde categorie;
2°. in andere zaken met
gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van de
tweede categorie.
2. Hij die na de totstandkoming van
een afspraak met de officier van justitie ingevolge artikel 226h,
derde lid, of artikel 226k, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering wettelijk als getuige opgeroepen, opzettelijk niet
voldoet aan zijn verplichting te verklaren, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde
categorie.
3. Het bepaalde in het vorige lid van
dit artikel is niet van toepassing op de partij in een burgerlijke
procedure die, wanneer zij als getuige wordt gehoord, weigert op de
haar gestelde vragen te antwoorden.
Artikel 192a
Hij die opzettelijk niet voldoet aan de
vordering van een parlementaire enquêtecommissie tot het hebben van
inzage in of het nemen van afschrift van of het op andere wijze
kennisnemen van documenten wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 192b
Hij die opzettelijk niet voldoet aan
een vordering van een parlementaire enquêtecommissie tot het
verstrekken van schriftelijke inlichtingen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 192c
Hij die opzettelijk een parlementaire
enquêtecommissie of door haar aangewezen personen belet, belemmert of
verhindert een plaats te betreden, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.
Artikel 192d
De misdrijven genoemd in de artikelen
192 tot en met 192c worden niet vervolgd, indien zij zijn begaan door
een lid van de Staten-Generaal, een minister of een staatssecretaris.
Artikel 193
Hij die opzettelijk niet voldoet aan
een wettig bevel tot overlegging van een stuk hetwelk beweerd wordt
vals of vervalst te zijn, of hetwelk dienen moet ter vergelijking met
een ander waarvan de valsheid of vervalsing beweerd, of de echtheid
ontkend of niet erkend wordt, wordt gestraft:
1°. in strafzaken met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
derde categorie;
2°. in andere zaken met
gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 194
1. Hij die, in staat van
faillissement verklaard of als echtgenoot van een gefailleerde met
wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, of als bestuurder of
commissaris van een rechtspersoon, wettelijk opgeroepen tot het
geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk
wegblijft, hetzij weigert de vereiste inlichtingen te geven, hetzij
opzettelijk verkeerde inlichtingen geeft, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde
categorie.
2. Terzake van het feit, bedoeld in
het eerste lid, wordt met dezelfde straf gestraft hij, ten aanzien
van wie of ten aanzien van wiens echtgenoot met wie hij in
gemeenschap van goederen is gehuwd, de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is.
3. Indien de schuldige een van de
strafbare feiten, omschreven in het eerste lid, in zijn beroep
begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.
Artikel 195
Hij die een recht uitoefent, wetende
dat hij daarvan bij rechterlijke uitspraak is ontzet, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
derde categorie.
Artikel 196
Hij die opzettelijk
onderscheidingstekens draagt of een daad verricht behorende tot een
ambt dat hij niet bekleedt of waarin hij geschorst is, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 197
Een vreemdeling die in Nederland
verblijft, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat
hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling
is verklaard of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met
toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000,
wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de derde categorie.
Artikel 197a
1. Hij die een ander behulpzaam is
bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland,
een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of een
staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te NewYork
totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land,
over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november
2000 te NewYork totstandgekomen Verdrag tegen transnationale
georganiseerde misdaad, of hem daartoe gelegenheid, middelen of
inlichtingen verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft
te vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk is, wordt
als schuldig aan mensensmokkel gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Hij die een ander uit winstbejag
behulpzaam is bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland,
een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of een
staat die is toegetreden tot het in het eerste lid genoemde
protocol, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen
verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden
dat dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
3. Indien een van de feiten,
omschreven in het eerste en tweede lid, wordt begaan in de
uitoefening van enig ambt of beroep, wordt gevangenisstraf van ten
hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd en
kan ontzetting worden uitgesproken van de uitoefening van het recht
het ambt te bekleden of het beroep uit te oefenen en kan de rechter
openbaarmaking van zijn uitspraak gelasten.
4. Indien een van de feiten,
omschreven in het eerste en tweede lid, wordt begaan door een
persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of in vereniging
wordt begaan door meerdere personen, wordt gevangenisstraf van ten
hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.
5. Indien een van de feiten,
omschreven in het eerste en tweede lid, zwaar lichamelijk letsel ten
gevolge heeft of daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is,
wordt gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van
de vijfde categorie opgelegd.
6. Indien een van de feiten,
omschreven in het eerste en tweede lid, de dood ten gevolge heeft,
wordt een gevangenisstraf van het hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie opgelegd.
7. Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder Nederland mede verstaan de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba.
Artikel 197b
Hij die een ander, die zich
wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft,
krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doet verrichten, terwijl
hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de toegang of
dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 197c
Hij die van het in artikel 197b
omschreven feit een beroep of gewoonte maakt wordt gestraft met een
gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 197d
Indien de schuldige de in de artikelen
197b of 197c omschreven feiten begaat in de uitoefening van enig ambt
of beroep kan de rechter tevens de ontzetting uitspreken van de
uitoefening van het recht het ambt te bekleden of het beroep uit te
oefenen en de openbaarmaking van zijn uitspraak gelasten.
Artikel 198
1. Hij die opzettelijk enig goed aan
het krachtens de wet daarop gelegd beslag of aan een gerechtelijke
bewaring onttrekt of, wetende dat het daaraan onttrokken is,
verbergt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier
jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die opzettelijk enig krachtens de wet in beslag genomen goed
vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt.
3. Met dezelfde straf wordt gestraft
de bewaarder die opzettelijk een van deze feiten pleegt of toelaat,
of de dader als medeplichtige ter zijde staat.
Artikel 199
1. Hij die opzettelijk zegels
waarmede voorwerpen door of vanwege het bevoegd openbaar gezag
verzegeld zijn, verbreekt, opheft of beschadigt, of de door zodanig
zegel bewerkte afsluiting op andere wijze verijdelt, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
vierde categorie.
2. De bewaarder die opzettelijk het
feit pleegt of toelaat of de dader als medeplichtige ter zijde staat
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of
geldboete van de vierde categorie.
3. Indien het feit ten gevolge van
onachtzaamheid van de bewaarder gepleegd is, wordt deze gestraft met
hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede
categorie.
Artikel 200
1. Hij die opzettelijk zaken, bestemd
om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen,
akten, bescheiden of registers die voortdurend of tijdelijk op
openbaar gezag bewaard worden, of hetzij aan een ambtenaar, hetzij
aan een ander in het belang van de openbare dienst zijn ter hand
gesteld, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete
van de vierde categorie.
2. Onder bevoegde macht wordt mede
verstaan: een internationaal gerecht dat zijn rechtsmacht ontleent
aan een verdrag waarbij het Koninkrijk partij is.
Artikel 201
Hij die opzettelijk brieven of andere
stukken, aan een post- of telegraafkantoor bezorgd of in een postbus
gestoken, aan hun bestemming onttrekt, opent of beschadigt, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van
de derde categorie.
Artikel 202
Indien de schuldige aan een der in de
artikelen 198-201 omschreven misdrijven zich de toegang tot de plaats
van het misdrijf verschaft of het goed onder zijn bereik brengt door
middel van braak, verbreking of inklimming, van valse sleutels, van
een valse order of een vals kostuum, kan de straf met ten hoogste een
jaar gevangenisstraf worden verhoogd.
Artikel 203
Hij die in tijd van vrede opzettelijk
desertie van een krijgsman in dienst van het Rijk uitlokt door een der
in artikel 47, eerste lid, onder 2°, vermelde middelen, of bevordert
op enige in artikel 48 vermelde wijze, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 204
Hij die, in tijd van vrede, opzettelijk
oproer of muiterij van krijgslieden, in dienst van het Rijk, uitlokt
door een der in artikel 47, eerste lid, onder 2°, vermelde middelen,
of bevordert op enige in artikel 48 vermelde wijze, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde
categorie.
Artikel 205
1. Hij die, zonder toestemming van de
Koning, iemand voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd werft,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
2. Indien de schuldige een van de
strafbare feiten, omschreven in het eerste lid, in zijn beroep
begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.
3. Indien de gewapende strijd
waarvoor wordt geworven, het plegen van een terroristisch misdrijf
inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid
omschreven feit, met een derde verhoogd.
Artikel 206
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie wordt
gestraft:
1°. hij die zich opzettelijk
voor de dienst bij de krijgsmacht dan wel voor enige
werkzaamheid uit hoofde van burgerdienstplicht ongeschikt maakt
of laat maken;
2°. hij die een ander op diens
verzoek opzettelijk voor die dienst dan wel voor zodanige
werkzaamheid ongeschikt maakt.
2. Indien in het laatste geval het
feit de dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten
hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.
Titel IX. Meineed
Artikel 207
1. Hij die in de gevallen waarin een
wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan
rechtsgevolgen verbindt, mondeling of schriftelijk, persoonlijk of
door een bijzonder daartoe gemachtigde, opzettelijk een valse
verklaring onder ede aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Indien de valse verklaring is
afgelegd in een strafzaak ten nadele van de beklaagde of verdachte,
wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.
3. Met de eed staat gelijk de belofte
of bevestiging die krachtens de wet voor de eed in de plaats treedt.
4. Ontzetting van de in artikel 28,
eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten kan worden
uitgesproken.
Artikel 207a
1. Hij die in de gevallen waarin door
of krachtens een verdrag waarbij het Koninkrijk partij is, een
verklaring onder ede of onder een daarvoor in de plaats tredende
bevestiging of belofte wordt gevorderd, voor een internationaal
gerecht mondeling of schriftelijk, persoonlijk of door een bijzonder
daartoe gemachtigde, opzettelijk een valse verklaring in die vorm
aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren
of geldboete van de vierde categorie.
2. De leden 2 en 4 van artikel 207
zijn van toepassing.
Artikel 207b
1. Hij die in de gevallen waarin door
of krachtens een verdrag een verklaring onder ede of onder een
daarvoor in de plaats tredende bevestiging of belofte wordt
gevorderd, in Nederland, per videoconferentie, voor een rechterlijke
autoriteit van een andere staat mondeling, persoonlijk, opzettelijk
een valse verklaring aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Artikel 207, tweede en vierde lid,
is van toepassing.
3. Geen vervolging vindt plaats dan
op klacht van de rechterlijke autoriteit voor wie de valse
verklaring werd afgelegd. Artikel 66 blijft met betrekking tot de in
dit lid bedoelde klacht buiten toepassing.
Titel X. Valsheid in muntspeciën en
munt- en bankbiljetten
Artikel 208
Hij die muntspeciën of munt- of
bankbiljetten namaakt of vervalst, met het oogmerk om die muntspeciën
of munt- of bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te
doen uitgeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 209
Hij die opzettelijk als echte en
onvervalste muntspeciën of munt- of bankbiljetten uitgeeft
muntspeciën of munt- of bankbiljetten die hij zelf heeft nagemaakt of
vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij ze
ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als echt en
onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, ontvangt, zich verschaft,
in voorraad heeft, vervoert, invoert, doorvoert of uitvoert, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
Artikel 210
Hij die opzettelijk en wederrechtelijk
muntspeciën of munt- of bankbiljetten welke bestemd zijn om als
wettig betaalmiddel in omloop te worden gebracht, in omloop brengt of,
teneinde ze in omloop te brengen, ontvangt, zich verschaft, in
voorraad heeft, vervoert, invoert, doorvoert of uitvoert, wordt
gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 211 [Vervallen per 23-05-2001]
Artikel 212 [Vervallen per 02-05-1932]
Artikel 213
Hij die opzettelijk valse of vervalste
muntspeciën of valse of vervalste munt- of bankbiljetten uitgeeft,
wordt, behoudens artikel 209, gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaar of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 214
Hij die stoffen, voorwerpen of gegevens
vervaardigt, ontvangt, zich verschaft of voorhanden heeft waarvan hij
weet dat zij bestemd zijn tot het namaken of vervalsen van
muntspeciën of van munt- of bankbiljetten, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde
categorie.
Artikel 214bis
Bij veroordeling wegens een der in deze
titel omschreven misdrijven worden:
1°. de valse of vervalste
muntspeciën;
2°. de valse of vervalste munt- of
bankbiljetten;
3°. de stoffen, voorwerpen of
gegevens, uit hun aard bestemd tot het namaken of vervalsen van
muntspeciën of van munt- of bankbiljetten;
voor zover daarmede het misdrijf is
gepleegd of zij het voorwerp daarvan hebben uitgemaakt, verbeurd
verklaard, ongeacht aan wie de voorwerpen toebehoren.
Artikel 215
Bij veroordeling wegens een der in de
artikelen 208 tot en met 210 omschreven misdrijven, kan ontzetting van
de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten
worden uitgesproken.
Titel XI. Valsheid in zegels en merken
Artikel 216
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van
de vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die van rijkswege uitgegeven zegels namaakt of
vervalst, met het oogmerk om die zegels als echt en onvervalst
te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
2°. hij die, met gelijk oogmerk, zodanige zegels vervaardigt
door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op zegels die
worden uitgegeven door een verlener van de universele postdienst als
bedoeld in de Postwet 2009 met daarop de vermelding
«Nederland»,alsmede op zegels die ingevolge artikel 3.01, tweede
lid, van de Uitvoeringsregeling, behorende bij het op 9 september
1996 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de verzameling,
afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (Trb. 1996,
293), worden uitgegeven door het Internationaal Verevenings-en
Coördinatieorgaan, genoemd in artikel 10, tweede lid, van dat
verdrag.
Artikel 217
Met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de
vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die op platina, gouden of zilveren werken valse
rijksmerken of door de wet vereiste meestertekens plaatst of echte
vervalst, met het oogmerk om die werken te gebruiken of door
anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken of
tekens echt en onvervalst waren;
2°. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde werken merken
of tekens plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte
stempels;
3°. hij die echte rijksmerken of door de wet vereiste
meestertekens inzet, aanvoegt of overbrengt in, aan of op andere
platina, gouden of zilveren werken dan die waaraan zij
oorspronkelijk zijn aangebracht, met het oogmerk om die werken te
gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de bedoelde
merken of tekens oorspronkelijk daarop waren geplaatst.
Artikel 218
Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de
vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die op aan een metrologische
overeenstemmingsbeoordeling onderworpen voorwerpen valse
metrologische merken plaatst of echte vervalst, met het oogmerk om
die voorwerpen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken
alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalst waren;
2°. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde voorwerpen
merken plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte
stempels.
Artikel 219
Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die andere dan de in de artikelen 217 en 218 bedoelde
merken, die krachtens wettelijk voorschrift op goederen of hun
verpakking moeten of kunnen worden geplaatst, daarop valselijk
plaatst of echte vervalst, met het oogmerk om die goederen te
gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop
geplaatste merken echt en onvervalst waren;
2°. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde goederen of
hun verpakking merken plaatst door wederrechtelijk gebruik te
maken van echte stempels;
3°. hij die echte merken gebruikt voor goederen of hun
verpakking waarvoor die merken niet bestemd zijn, met het oogmerk
om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken
alsof de bedoelde merken daarvoor bestemd waren.
Artikel 220
Hij die opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk
vervaardigde zegels, tekens of merken, of de voorwerpen waaraan zij
wederrechtelijk verbonden zijn, gebruikt, verkoopt, te koop aanbiedt,
aflevert, ten verkoop in voorraad heeft of binnen het Rijk in Europa
invoert, als waren die zegels, tekens of merken echt en onvervalst en
niet wederrechtelijk vervaardigd of wederrechtelijk aan de voorwerpen
verbonden, wordt gestraft met dezelfde straffen als in de artikelen
216-219 zijn bepaald, naar de daar gemaakte onderscheidingen.
Artikel 221
1. Hij die aan een metrologische overeenstemmingsbeoordeling
onderworpen voorwerpen ontdoet van het daarop geplaatste
afkeuringsmerk, met het oogmerk om die voorwerpen te gebruiken of
door anderen te doen gebruiken als waren zij niet afgekeurd, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete
van de vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk deze van
het afkeuringsmerk ontdane voorwerpen gebruikt, verkoopt, te koop
aanbiedt, aflevert of ten verkoop in voorraad heeft, als waren zij
niet afgekeurd.
Artikel 222
1. Hij die van zegels als bedoeld in artikel 216 welke reeds tot
gebruik hebben gediend ontdoet van het merk bestemd om ze voor
verder gebruik ongeschikt te maken, met het oogmerk om die zegels te
gebruiken of door anderen te doen gebruiken als waren zij nog niet
gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die opzettelijk deze
van dat merk ontdane zegels gebruikt, verkoopt, te koop aanbiedt,
aflevert, ten verkoop in voorraad heeft of binnen het Rijk in Europa
invoert, als waren zij nog niet gebruikt.
Artikel 222bis
De bepalingen van de artikelen 216, 219, 220 en 222 zijn naar de
daar gemaakte onderscheidingen mede van toepassing, indien de daarin
omschreven feiten worden gepleegd met betrekking tot zegels of merken
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, een buitenlandse mogendheid of een
volkenrechtelijke organisatie.
Artikel 223
Hij die stoffen of voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat
zij bestemd zijn tot het plegen van enig in artikel 216 of in artikel
222bis in verband met artikel 216 omschreven misdrijf, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
vierde categorie.
Artikel 224
Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 216-222bis
omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28, eerste
lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten worden uitgesproken.
Titel XII. Valsheid in geschriften, opgave van onware gegevens en
schending van de verplichting gegevens te verstrekken
Artikel 225
1. Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig
feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om
het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen
gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft,
met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik
maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en
onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of
voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden
dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.
3. Indien een feit, omschreven in het eerste of tweede lid, wordt
gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te
bereiden of gemakkelijk te maken, wordt de op het feit gestelde
gevangenisstraf met een derde verhoogd.
Artikel 226
1. De schuldige aan valsheid in geschrift wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren of geldboete van de
vijfde categorie, indien zij gepleegd is:
1°. in authentieke akten;
2°. in schuldbrieven of certificaten van schuld van enige
staat, enige provincie, gemeente of openbare instelling;
3°. in aandelen of schuldbrieven of certificaten van aandeel
of schuld van enige vereniging, stichting of vennootschap;
4°. in talons, dividend- of rentebewijzen behorende tot een
der onder de beide voorgaande nummers omschreven stukken, of in
de bewijzen in plaats van deze stukken uitgegeven;
5°. in krediet- of handelspapier.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik
maakt van enig in het eerste lid vermeld vals of vervalst geschrift
als ware het echt en onvervalst, dan wel opzettelijk zodanig
geschrift aflevert, voorhanden heeft, ontvangt, zich verschaft,
vervoert, verkoopt of overdraagt, terwijl hij weet of redelijkerwijs
moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.
Artikel 227
1. Hij die in een authentieke akte een valse opgave doet opnemen
aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met
het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen
gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik
maakt van de akte als ware de inhoud in overeenstemming met de
waarheid dan wel opzettelijk de akte aflevert of voorhanden heeft,
terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die akte
bestemd is voor zodanig gebruik.
Artikel 227a
Hij die, anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet
naar waarheid gegevens verstrekt aan degene door wie of door wiens
tussenkomst enige verstrekking of tegemoetkoming wordt verleend,
wordt, indien het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of
een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de
verstrekte gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of
eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor
de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of
tegemoetkoming, gestraft met gevangenis straf van ten hoogste vier
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 227b
Hij die, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk
voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaat tijdig de
benodigde gegevens te verstrekken, wordt, indien het feit kan strekken
tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of
redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de
vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of
tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke
verstrekking of tegemoetkoming, gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 228
1. De arts of verloskundige die opzettelijk een valse verklaring
afgeeft nopens een geboorte, een oorzaak van overlijden dan wel
nopens het al of niet bestaan of bestaan hebben van ziekten,
zwakheden of gebreken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Indien de verklaring wordt afgegeven met het oogmerk om iemand
in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen of terughouden,
wordt gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden of
geldboete van de vijfde categorie opgelegd.
3. Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die opzettelijk van
de valse verklaring gebruik maakt als ware de inhoud in
overeenstemming met de waarheid.
Artikel 229
1. Hij die een schriftelijke geneeskundige verklaring nopens een
oorzaak van overlijden, dan wel nopens het al of niet bestaan of
bestaan hebben van ziekten, zwakheden of gebreken valselijk opmaakt
of vervalst, met het oogmerk om het openbaar gezag of verzekeraars
te misleiden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijk oogmerk,
van de valse of vervalste verklaring gebruik maakt als ware zij echt
en onvervalst.
Artikel 230
1. Hij die een getuigschrift van goed gedrag, bekwaamheid,
armoede, gebreken of andere omstandigheden valselijk opmaakt of
vervalst, met het oogmerk om het te gebruiken of door anderen te
doen gebruiken tot het verkrijgen van een indienststelling of tot
het opwekken van welwillendheid en hulpbetoon, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde
categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik
maakt van enig in het eerste lid vermeld vals of vervalst
getuigschrift als ware het echt en onvervalst.
Artikel 231
1. Hij die een reisdocument valselijk opmaakt of vervalst, of een
zodanig stuk op grond van valse gegevens doet verstrekken dan wel
een aan hem of een ander verstrekt reisdocument ter beschikking
stelt van een derde, met het oogmerk het door deze te doen gebruiken
als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die in het bezit is van
een reisdocument waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden,
dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van
een niet op zijn naam gesteld reisdocument.
Artikel 232
1. Hij die opzettelijk een betaalpas, waardekaart, enige andere
voor het publiek beschikbare kaart of een voor het publiek
beschikbare drager van identiteitsgegevens, bestemd voor het
verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs
geautomatiseerde weg, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk
zichzelf of een ander te bevoordelen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik
maakt van de valse of vervalste pas of kaart als ware deze echt en
onvervalst, dan wel opzettelijk zodanige pas of kaart aflevert,
voorhanden heeft, ontvangt, zich verschaft, vervoert, verkoopt of
overdraagt, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de
pas of kaart bestemd is voor zodanig gebruik.
Artikel 233 [Vervallen per 28-07-1925]
Artikel 234
Hij die stoffen, voorwerpen of gegevens vervaardigt, ontvangt, zich
verschaft, verkoopt, overdraagt of voorhanden heeft waarvan hij weet
dat zij bestemd zijn tot het plegen van enig in artikel 226, eerste
lid, onder 2°–5°,artikel 231, eerste lid, en artikel 232, eerste
lid, omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaar of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 235
1. Bij veroordeling wegens een der in deze titel omschreven
misdrijven, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van
het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.
2. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 225-229
omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28, eerste
lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten worden uitgesproken.
Titel XIII. Misdrijven tegen de burgerlijke staat
Artikel 236
1. Hij die door enige handeling opzettelijk eens anders
afstamming onzeker maakt, wordt, als schuldig aan verduistering van
staat, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of
geldboete van de vierde categorie.
2. Ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en
4°, vermelde rechten kan worden uitgesproken.
3. Vervolging heeft niet plaats dan nadat een verzoek tot
inroeping of tot betwisting van staat is gedaan en de burgerlijke
rechter daarop een eindbeslissing heeft gegeven. Indien het verzoek
echter door het stilzitten van partijen onvoldoende voortgang vindt,
kan vervolging ook plaats hebben nadat de burgerlijke rechter heeft
beslist dat er een begin van bewijs is.
Artikel 237
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete
van de vierde categorie wordt gestraft:
1°. hij die opzettelijk een dubbel huwelijk aangaat;
2°. hij die een huwelijk aangaat, wetende dat de wederpartij
daardoor een dubbel huwelijk aangaat.
2. Indien hij die opzettelijk een dubbel huwelijk aangaat, aan de
wederpartij zijn gehuwde staat heeft verzwegen, wordt hij gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de
vierde categorie.
3. Ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en
4°, vermelde rechten kan worden uitgesproken.
Artikel 238
De ongehuwde die een huwelijk aangaat, opzettelijk aan de
wederpartij verzwijgende dat daartegen enig wettig beletsel bestaat,
wordt, indien op grond van dat beletsel de nietigheid van het huwelijk
is uitgesproken, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier
jaren of geldboete van de vierde categorie.
Titel XIV. Misdrijven tegen de zeden
Artikel 239
Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van
de tweede categorie wordt gestraft schennis van de eerbaarheid:
1°. op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd;
2°. op een andere dan onder 1° bedoelde openbare plaats,
toegankelijk voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar;
3°. op een niet openbare plaats, indien een ander daarbij
zijns ondanks tegenwoordig is.
Artikel 240
Met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van
de derde categorie wordt gestraft hij die weet of ernstige reden heeft
om te vermoeden dat een afbeelding of voorwerp aanstotelijk voor de
eerbaarheid is en die afbeelding of dat voorwerp:
1°. op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd,
openlijk tentoonstelt of aanbiedt;
2°. aan iemand, anders dan op diens verzoek, toezendt.
Artikel 240a
Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de
vierde categorie wordt gestraft hij die een afbeelding, een voorwerp
of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning
schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien
jaar, verstrekt, aanbiedt of vertoont aan een minderjarige van wie hij
weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger is dan zestien
jaar.
Artikel 240b
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete
van de vijfde categorie wordt gestraft degene die een afbeelding -
of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding - van een seksuele
gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien
jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is
betrokken, verspreidt, aanbiedt, openlijk tentoonstelt, vervaardigt,
invoert, doorvoert, uitvoert, verwerft, in bezit heeft of zich door
middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een
communicatiedienst de toegang daartoe verschaft.
2. Met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete
van de vijfde categorie wordt gestraft degene die van het plegen van
een van de misdrijven, omschreven in het eerste lid, een beroep of
een gewoonte maakt.
Artikel 240bis [Vervallen per 21-05-1986]
Artikel 240ter [Vervallen per 21-05-1986]
Artikel 241 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 242
Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met
geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het ondergaan van
handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel
binnendringen van het lichaam, wordt als schuldig aan verkrachting
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
Artikel 243
Hij die met iemand van wie hij weet dat hij in staat van
bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht
verkeert, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of
ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet of
onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te
maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen pleegt die bestaan
uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 244
Hij die met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen
pleegt die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen
van het lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 245
Hij die met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet
die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige
handelingen pleegt die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel
binnendringen van het lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 246
Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met
geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of
dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke
aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 247
Hij die met iemand van wie hij weet dat hij in staat van
bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijk onmacht
verkeert, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of
ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet of
onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te
maken of daartegen weerstand te bieden of met iemand beneden de
leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen pleegt
of laatstgemelde tot het plegen of dulden van zodanige handelingen
buiten echt met een derde verleidt, wordt gestraft met een
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde
categorie.
Artikel 248
1. De in de artikelen 240b, 242 tot en met 247, 248a tot en met
248e, 249 en250 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde
worden verhoogd, indien het feit wordt gepleegd door twee of meer
verenigde personen.
2. De in de artikelen 240b, 242 tot en met 247 en 248a tot en met
248e bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden
verhoogd, indien de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, een
kind over wie hij het gezag uitoefent, een kind dat hij verzorgt of
opvoedt als behorend tot zijn gezin, zijn pupil, een aan zijn zorg,
opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of zijn
minderjarige bediende of ondergeschikte.
3. Indien een der in de artikelen 240b, 243, 245 tot en met 247,
248a, 248b en 249 omschreven misdrijven zwaar lichamelijk letsel ten
gevolge heeft of daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is,
wordt gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete
van de vijfde categorie opgelegd.
4. Indien een der in de artikelen 240b, 242, 243 tot en met 247,
248a, 248b en249 omschreven misdrijven de dood ten gevolge heeft,
wordt gevangenisstraf van ten hoogste achttien jaren of geldboete
van de vijfde categorie opgelegd.
Artikel 248a
Hij die door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit
feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding een
persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de
leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk
beweegt ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van
hem te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier
jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 248b
Hij die ontucht pleegt met iemand die zich beschikbaar stelt tot
het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling
en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van
achttien jaren heeft bereikt, wordt gestraft met een gevangenisstraf
van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 248c
Hij die opzettelijk aanwezig is bij het plegen van ontuchtige
handelingen door een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft
bereikt dan wel bij het vertonen van afbeeldingen van dergelijke
handelingen in een daarvoor bestemde gelegenheid, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde
categorie.
Artikel 248d
Hij die een persoon van wie hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft
bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe beweegt getuige te zijn van
seksuele handelingen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 248e
Hij die door middel van een geautomatiseerd werk of met
gebruikmaking van een communicatiedienst een persoon van wie hij weet
of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien
jaren nog niet heeft bereikt, een ontmoeting voorstelt met het oogmerk
ontuchtige handelingen met die persoon te plegen of een afbeelding van
een seksuele gedraging waarbij die persoon is betrokken, te
vervaardigen wordt, indien hij enige handeling onderneemt gericht op
het verwezenlijken van die ontmoeting, gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 248bis [Vervallen per 12-05-1971]
Artikel 248ter [Vervallen per 01-10-2000]
Artikel 249
1. Hij die ontucht pleegt met zijn minderjarig kind, stiefkind of
pleegkind, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid
toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of
ondergeschikte, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft:
1°. de ambtenaar die ontucht pleegt met een persoon aan zijn
gezag onderworpen of aan zijn waakzaamheid toevertrouwd of
aanbevolen;
2°. de bestuurder, arts, onderwijzer, beambte, opzichter of
bediende in een gevangenis, rijksinrichting voor
kinderbescherming, weeshuis, ziekenhuis, of instelling van
weldadigheid, die ontucht pleegt met een persoon daarin
opgenomen;
3°. degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of
maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als
patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.
Artikel 250
1. Wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of
geldboete van de vierde categorie, hij die het plegen van
ontucht door zijn minderjarig kind, stiefkind of pleegkind, zijn
pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid
toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of
ondergeschikte met een derde opzettelijk teweegbrengt of
bevordert;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of
geldboete van de vierde categorie, hij die, buiten de gevallen
genoemd onder 1°, het plegen van ontucht door een minderjarige
wiens minderjarigheid hij kent of redelijkerwijs moet vermoeden,
met een derde opzettelijk teweegbrengt of bevordert.
2. Indien de schuldige van het plegen van het misdrijf een
gewoonte maakt, kunnen de gevangenisstraffen met een derde worden
verhoogd.
Artikel 250a [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 250bis [Vervallen per 01-10-2000]
Artikel 250ter [Vervallen per 01-10-2000]
Artikel 251
1. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 240b tot en
met 247 onderscheidenlijk 248a tot en met 250 omschreven misdrijven,
kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en
4°, vermelde rechten worden uitgesproken.
2. Indien de schuldige aan een der misdrijven in de artikelen
240b tot en met 247 en 248a tot en met 250 omschreven, het misdrijf
in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep
worden ontzet.
Artikel 251bis [Vervallen per 01-11-1984]
Artikel 252
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete
van de derde categorie wordt gestraft:
1°. hij die aan iemand die in kennelijke staat van
dronkenschap verkeert, bedwelmende drank verkoopt of toedient;
2°. hij die een kind beneden de leeftijd van zestien jaren
dronken maakt;
3°. hij die iemand door geweld of bedreiging met geweld
dwingt tot het gebruik van bedwelmende drank.
2. Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft,
wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes
jaren of geldboete van de vierde categorie.
3. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
4. Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat, kan
hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.
Artikel 253
Hij die een onder zijn wettig gezag staand kind beneden de leeftijd
van twaalf jaren aan een ander afstaat of overlaat, wetende dat het
tot of bij het uitoefenen van bedelarij, van gevaarlijke
kunstverrichtingen of van gevaarlijke of de gezondheid ondermijnende
arbeid zal worden gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 254
Hij die ontuchtige handelingen pleegt met een dier wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of
geldboete van de vierde categorie.
Artikel 254a
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de derde categorie wordt gestraft degene die een afbeelding –
of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding – van een
ontuchtige handeling, waarbij een mens en een dier zijn betrokken of
schijnbaar zijn betrokken, verspreidt, openlijk tentoonstelt,
vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of in bezit heeft.
2. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van
de vierde categorie wordt gestraft degene die van het plegen van een
van de misdrijven, omschreven in het eerste lid, een beroep of een
gewoonte maakt.
Artikel 254bis [Vervallen per 31-12-1964]
Titel XV. Verlating van hulpbehoevenden
Artikel 255
Hij die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of
verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een
hulpeloze toestand brengt of laat, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 256
Hij die een kind beneden de leeftijd van zeven jaren te vondeling
legt of, met het oogmerk om er zich van te ontdoen, verlaat, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden
of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 257
1. Indien een der in de artikelen 255 en 256 omschreven feiten
zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes
maanden of geldboete van de vijfde categorie.
2. Indien een van deze feiten de dood ten gevolge heeft, wordt
hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 258
Indien de schuldige aan het in artikel 256 omschreven misdrijf de
vader of de moeder is, kunnen te zijnen aanzien de in de artikelen 256
en 257 bepaalde gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd.
Artikel 259
Indien de moeder onder de werking van vrees voor de ontdekking van
haar bevalling haar kind kort na de geboorte te vondeling legt of, met
het oogmerk om er zich van te ontdoen, verlaat, wordt het maximum der
in de artikelen 256 en 257 vermelde gevangenisstraffen tot de helft
verminderd en wordt de in artikel 257 vermelde geldboete tot de vierde
categorie teruggebracht.
Artikel 260
Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 255-259 omschreven
misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder
4°, vermelde rechten worden uitgesproken.
Titel XVI. Belediging
Artikel 261
1. Hij die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door
telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om
daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad,
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de derde categorie.
2. Indien dit geschiedt door middel van geschriften of
afbeeldingen, verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen, of
door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore wordt
gebracht, wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de
derde categorie.
3. Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zover de dader
heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging, of te goeder trouw
heeft kunnen aannemen dat het te last gelegde waar was en dat het
algemeen belang de telastlegging eiste.
Artikel 262
1. Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, wetende
dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is, wordt,
als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1° en 2°,
vermelde rechten kan worden uitgesproken.
Artikel 263 [Vervallen per 26-04-1978]
Artikel 264 [Vervallen per 26-04-1978]
Artikel 265
1. Indien de beledigde aan het te last gelegde feit bij
rechterlijk gewijsde onherroepelijk is schuldig verklaard, is
veroordeling wegens laster uitgesloten.
2. Indien hij van het te last gelegde feit bij rechterlijk
gewijsde onherroepelijk is vrijgesproken, wordt dat gewijsde als
volkomen bewijs van de onwaarheid van het feit aangemerkt.
3. Indien tegen de beledigde wegens het hem te last gelegde feit
een strafvervolging is aangevangen, wordt de vervolging wegens
laster geschorst totdat bij gewijsde onherroepelijk over het te last
gelegde feit is beslist.
Artikel 266
1. Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad
of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij
geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid
mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of
aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige
belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die
ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare
belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of
zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.
Artikel 267
De in de voorgaande artikelen van deze titel bepaalde
gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de
belediging wordt aangedaan aan:
1°. het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een openbare
instelling;
2°. een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige
uitoefening van zijn bediening;
3°. het hoofd of een lid van de regering van een bevriende
staat.
Artikel 268
1. Hij die opzettelijk tegen een bepaald persoon bij de overheid
een valse klacht of aangifte schriftelijk inlevert of in schrift
doet brengen, waardoor de eer of goede naam van die persoon wordt
aangerand, wordt, als schuldig aan lasterlijke aanklacht, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
vierde categorie.
2. Ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1° en 2°,
vermelde rechten kan worden uitgesproken.
Artikel 269
Belediging, strafbaar krachtens deze titel, wordt niet vervolgd dan
op klacht van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, behalve in de
gevallen voorzien in artikel 267, aanhef en onder 1° en 2°.
Artikel 270
1. Hij die ten aanzien van een overledene een feit pleegt dat,
ware deze nog in leven, als smaadschrift of smaad zou zijn
gekenmerkt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klacht hetzij van een
der bloedverwanten of aangehuwden van de overledene in de rechte
linie of zijlinie tot de tweede graad, hetzij van zijn echtgenoot.
Artikel 271
1. Hij die een geschrift of afbeelding van beledigende of voor
een overledene smadelijke inhoud verspreidt, openlijk tentoonstelt
of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen
te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige
reden heeft om te vermoeden dat de inhoud van het geschrift of de
afbeelding van zodanige aard is, gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke
wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een
zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.
3. Indien de schuldige een van de misdrijven omschreven in dit
artikel in zijn beroep begaat en er tijdens het plegen van het
misdrijf nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere
veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven
onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat
beroep worden ontzet.
4. De misdrijven worden niet vervolgd dan op klacht van de in
artikel 269 en het tweede lid van artikel 270 aangewezen personen,
behalve in de gevallen voorzien in artikel 267, aanhef en onder 1°
en 2°.
Titel XVII. Schending van geheimen
Artikel 272
1. Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk
voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te
bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
2. Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is,
wordt het slechts vervolgd op diens klacht.
Artikel 273
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk
1°. aangaande een onderneming van handel, nijverheid of
dienstverlening bij welke hij werkzaam is of is geweest,
bijzonderheden waarvan hem geheimhouding is opgelegd, bekend
maakt of
2°. gegevens die door misdrijf zijn verkregen uit een
geautomatiseerd werk van een onderneming van handel, nijverheid
of dienstverlening en die betrekking hebben op deze onderneming,
bekend maakt of uit winstbejag gebruikt, indien deze gegevens
ten tijde van de bekendmaking of het gebruik niet algemeen
bekend waren en daaruit enig nadeel kan ontstaan.
2. Niet strafbaar is hij die te goeder trouw heeft kunnen
aannemen dat het algemeen belang de bekendmaking vereiste.
3. Geen vervolging heeft plaats dan op klacht van het bestuur van
de onderneming.
Artikel 273a
De persoon werkzaam bij enige openbare instelling van vervoer die
een aan zodanige instelling toevertrouwde brief, gesloten stuk of
pakket opzettelijk en wederrechtelijk opent, daarvan inzage neemt of
de inhoud aan een ander bekendmaakt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete
van de vierde categorie.
Artikel 273b
1. De persoon werkzaam bij enige openbare instelling van vervoer
die een aan zodanige instelling toevertrouwde brief, briefkaart,
stuk of pakket opzettelijk aan een ander dan de rechthebbende
afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toe-eigent, of de inhoud wijzigt
of enig daarin gesloten voorwerp zich toe-eigent, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de
vierde categorie.
2. Indien zodanig stuk of voorwerp geldswaarde heeft, wordt de
toe-eigening gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren
of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 273c
De persoon belast met de dienst van een ten algemenen nutte
gebezigde telegraafinrichting wordt gestraft:
a. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden
of geldboete van de vierde categorie, indien hij de inhoud van een
aan zodanige inrichting toevertrouwd bericht opzettelijk en
wederrechtelijk aan een ander bekendmaakt of een telegram
opzettelijk en wederrechtelijk opent, daarvan inzage neemt of de
inhoud aan een ander bekendmaakt;
b. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete
van de vierde categorie, indien hij een aan zodanige inrichting
toevertrouwd bericht of een telegram opzettelijk aan een ander dan
de rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toe-eigent of
de inhoud wijzigt.
Artikel 273d
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of
geldboete van de vierde categorie wordt gestraft de persoon werkzaam
bij een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een
openbare telecommunicatiedienst:
a. die opzettelijk en wederrechtelijk van gegevens
kennisneemt die door tussenkomst van zodanig netwerk of zodanige
dienst zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen en die
niet voor hem zijn bestemd, zodanige gegevens voor zichzelf of
een ander overneemt, aftapt of opneemt;
b. die de beschikking heeft over een voorwerp waaraan, naar
hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een gegeven kan
worden ontleend, dat door wederrechtelijk overnemen, aftappen of
opnemen van zodanige gegevens is verkregen;
c. die opzettelijk en wederrechtelijk de inhoud van zodanige
gegevens aan een ander bekendmaakt;
d. die opzettelijk en wederrechtelijk een voorwerp waaraan
een gegeven omtrent de inhoud van zodanige gegevens kan worden
ontleend, ter beschikking stelt van een ander.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon
werkzaam bij een aanbieder van een niet-openbaar
telecommunicatienetwerk of een niet-openbare telecommunicatiedienst.
Artikel 273e
Enig in de artikelen 273a tot en met 273d bedoeld persoon die
opzettelijk toelaat dat een ander een der in deze artikelen vermelde
feiten pleegt, of die ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat,
wordt gestraft met de straffen en naar de onderscheidingen in die
bepalingen vastgesteld.
Titel XVIII. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid
Artikel 273f
1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van
ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie
gestraft:
1°. degene die een ander door dwang, geweld of een andere
feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere
feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door
misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend
overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het
geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming
van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander
heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het
oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van
diens organen;
2°. degene die een ander werft, vervoert, overbrengt,
huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die
ander of de verwijdering van diens organen, terwijl die ander de
leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
3°. degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met
het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich
beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele
handelingen met of voor een derde tegen betaling;
4°. degene die een ander met een van de onder 1° genoemde
middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het
verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te
stellen dan wel onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige
handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het
verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar
stelt;
5°. degene die een ander ertoe brengt zich beschikbaar te
stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor
een derde tegen betaling of zijn organen tegen betaling
beschikbaar te stellen dan wel ten aanzien van een ander enige
handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het
verrichten van die handelingen of zijn organen tegen betaling
beschikbaar stelt, terwijl die ander de leeftijd van achttien
jaren nog niet heeft bereikt;
6°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting
van een ander;
7°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de
verwijdering van organen van een ander, terwijl hij weet of
redelijkerwijs moet vermoeden dat diens organen onder de onder
1° bedoelde omstandigheden zijn verwijderd;
8°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele
handelingen van een ander met of voor een derde tegen betaling
of de verwijdering van diens organen tegen betaling, terwijl die
ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
9°. degene die een ander met een van de onder 1° genoemde
middelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de
opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde
of van de verwijdering van diens organen.
2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de
prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of
verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of
dienstbaarheid te vergelijken praktijken.
3. De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien:
1°. de feiten, omschreven in het eerste lid, worden gepleegd
door twee of meer verenigde personen;
2°. de persoon ten aanzien van wie de in het eerste lid
omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van zestien jaren
nog niet heeft bereikt.
4. Indien een van de in het eerste lid omschreven feiten zwaar
lichamelijk letsel ten gevolge heeft of daarvan levensgevaar voor
een ander te duchten is, wordt gevangenisstraf van ten hoogste
vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.
5. Indien een van de in het eerste lid omschreven feiten de dood
ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste achttien
jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.
6. Artikel 251 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 274
Hij die voor eigen of vreemde rekening slavenhandel drijft of
opzettelijk daaraan middellijk of onmiddellijk deelneemt, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
Artikel 275
1. Hij die als schipper dienst neemt of dienst doet op een
vaartuig, wetende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd
is, of het daartoe gebruikende, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Indien het vervoer de dood van een of meer slaven ten gevolge
heeft, wordt de schipper gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 276
Hij die als schepeling dienst neemt op een vaartuig, wetende dat
het tot het drijven van slavenhandel bestemd is of gebruikt wordt, of
vrijwillig in dienst blijft na die bestemming of dit gebruik te hebben
vernomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 277
Hij die voor eigen of vreemde rekening middellijk of onmiddellijk
medewerkt tot het verhuren, vervrachten of verzekeren van een
vaartuig, wetende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd is,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 278
Hij die iemand over de grenzen van het Rijk in Europa voert, met
het oogmerk om hem wederrechtelijk onder de macht van een ander te
brengen of om hem in hulpeloze toestand te verplaatsen, wordt, als
schuldig aan mensenroof, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 279
1. Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig
over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit
desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van
de vijfde categorie wordt opgelegd indien list, geweld of bedreiging
met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf
jaren oud is.
Artikel 280
1. Hij die opzettelijk een minderjarige die onttrokken is of zich
onttrokken heeft aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het
opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, verbergt
of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie
onttrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie
jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien de
minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, met gevangenisstraf van
ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Het voorgaande is niet van toepassing op
a. hem die de raad voor de kinderbescherming onverwijld de
verblijfplaats van de minderjarige meedeelt; of
b. de zorgaanbieder, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
jeugdzorg, die op grond van artikel 41 van die wet van de
provincie subsidie ontvangt en handelt overeenkomstig de
krachtens artikel 3, vijfde lid gestelde regels;
c. hem die handelt in het kader van zorgvuldige hulpverlening
aan de minderjarige.
3. Van zorgvuldige hulpverlening vormen de onverwijlde melding
dat hulp wordt verleend alsmede de onverwijlde bekendmaking van de
identiteit van de hulpverlener en zijn plaats van verblijf of
vestiging aan degene die het gezag over de minderjarige uitoefent,
bestanddelen.
Artikel 281
1. Als schuldig aan schaking wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of
geldboete van de vierde categorie, hij die een minderjarige
vrouw, zonder de wil van haar ouders of voogden doch met haar
toestemming, wegvoert, met het oogmerk om zich haar bezit in of
buiten echt te verzekeren;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of
geldboete van de vijfde categorie, hij die een vrouw door list,
geweld of bedreiging met geweld wegvoert, met het oogmerk om
zich haar bezit in of buiten echt te verzekeren.
2. Geen vervolging heeft plaats dan op klacht.
3. De klacht geschiedt:
a. indien de vrouw tijdens de wegvoering minderjarig is,
hetzij door haarzelf, hetzij door iemand wiens toestemming zij
tot het aangaan van een huwelijk behoeft;
b. indien zij tijdens de wegvoering meerderjarig is, hetzij
door haarzelf, hetzij door haar echtgenoot.
4. Indien de schaker met de weggevoerde een huwelijk heeft
gesloten, heeft geen veroordeling plaats, dan nadat de nietigheid
van het huwelijk is uitgesproken.
Artikel 282
1. Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid
berooft of beroofd houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft,
wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.
3. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
4. De in dit artikel bepaalde straffen zijn ook van toepassing op
hem die opzettelijk tot de wederrechtelijke vrijheidsberoving een
plaats verschaft.
Artikel 282a
1. Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid
berooft of beroofd houdt met het oogmerk een ander te dwingen iets
te doen of niet te doen wordt als schuldig aan gijzeling gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van
de vijfde categorie.
2. Indien het feit de dood ten gevolge heeft wordt hij gestraft
met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
3. Het vierde lid van artikel 282 is toepasselijk.
Artikel 282b
1. Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid
berooft of beroofd houdt met een terroristisch oogmerk, wordt
gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten
hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Artikel 282, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 282c
1. De samenspanning tot het in artikel 282b omschreven misdrijf
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 283
1. Hij aan wiens schuld te wijten is dat iemand wederrechtelijk
van de vrijheid beroofd wordt of beroofd blijft, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
tweede categorie.
2. Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft,
wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een
jaar of geldboete van de derde categorie.
3. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
vierde categorie.
Artikel 284
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete
van de derde categorie wordt gestraft:
1°. hij die een ander door geweld of enige andere
feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere
feitelijkheid, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen
derden, wederrechtelijk dwingt iets te doen, niet te doen of te
dulden;
2°. hij die een ander door bedreiging met smaad of
smaadschrift dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden.
2. In het geval onder 2° omschreven wordt het misdrijf niet
vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het gepleegd is.
Artikel 284a
Hij die een ander door bedreiging met diefstal of afpersing van
splijtstof, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
Kernenergiewet (Stb. 1963, 82), gericht tegen die ander of tegen
derden wederrechtelijk dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes
maanden of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 285
1. Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen
personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd
persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor
gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of
gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met
verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met enig
misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware
mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
vierde categorie.
2. Indien deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde
voorwaarde geschiedt, wordt ze gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
3. Bedreiging met een terroristisch misdrijf wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
4. Indien het feit, omschreven in het eerste, tweede of derde
lid, wordt gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf
voor te bereiden of gemakkelijk te maken, wordt de op het feit
gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.
Artikel 285a
1. Hij die opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of
afbeelding zich jegens een persoon uit, kennelijk om diens vrijheid
om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of
ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij
weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal
worden afgelegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Met rechter of ambtenaar wordt gelijkgesteld: een rechter bij
onderscheidenlijk een persoon in de openbare dienst van een
internationaal gerecht dat zijn rechtsmacht ontleent aan een verdrag
waarbij het Koninkrijk partij is.
Artikel 285b
1. Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk
maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die
ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel
vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met
een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van
de vierde categorie.
2. Vervolging vindt niet plaats dan op klacht van hem tegen wie
het misdrijf is begaan.
Artikel 286
Bij veroordeling wegens een der in artikelen 274-282 en in het
tweede lid van artikel 285 omschreven misdrijven, kan ontzetting van
de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten
worden uitgesproken.
Titel XIX. Misdrijven tegen het leven gericht
Artikel 287
Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als
schuldig aan doodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 288
Doodslag gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit
en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te
bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad,
aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid
hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren,
wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten
hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 288a
Doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft
met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 289
Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het
leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 289a
1. De samenspanning tot het in artikel 289 omschreven misdrijf,
te begaan met een terroristisch oogmerk, alsmede het in artikel 288a
omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 290
De moeder die, onder de werking van vrees voor de ontdekking van
haar bevalling, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van
het leven berooft, wordt, als schuldig aan kinderdoodslag, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de
vierde categorie.
Artikel 291
De moeder die, ter uitvoering van een onder de werking van vrees
voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, haar
kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft,
wordt, als schuldig aan kindermoord, gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 292
De in de artikelen 290 en 291 omschreven misdrijven worden ten
aanzien van anderen die er aan deelnemen als doodslag of als moord
aangemerkt.
Artikel 293
1. Hij die opzettelijk het leven van een ander op diens
uitdrukkelijk en ernstig verlangen beëindigt, wordt gestraft met
een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien
het is begaan door een arts die daarbij voldoet aan de
zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing
levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en hiervan
mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig
artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.
Artikel 294
1. Hij die opzettelijk een ander tot zelfdoding aanzet, wordt,
indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten
hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Hij die opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam is of
hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfdoding
volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren
of geldboete van de vierde categorie. Artikel 293, tweede lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 295
1. Bij veroordeling wegens doodslag, wegens moord of wegens een
der in de artikelen 293, eerste lid, en 296 omschreven misdrijven,
kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en
4°, vermelde rechten worden uitgesproken.
2. Indien de schuldige aan een der misdrijven in de artikelen 287
tot en met 289omschreven, het misdrijf in zijn beroep begaat, kan
hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.
Titel XIXA. Afbreking van zwangerschap
Artikel 296
1. Hij die een vrouw een behandeling geeft, terwijl hij weet of
redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor zwangerschap kan worden
afgebroken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier
jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
2. Indien het feit de dood van de vrouw ten gevolge heeft, wordt
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren opgelegd of geldboete van
de vierde categorie.
3. Indien het feit is begaan zonder toestemming van de vrouw,
wordt gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren opgelegd of
geldboete van de vijfde categorie.
4. Indien het feit is begaan zonder toestemming van de vrouw en
tevens haar dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren opgelegd of geldboete van de vijfde
categorie.
5. Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien
de behandeling is verricht door een arts in een ziekenhuis of
kliniek waarin zodanige behandeling volgens de Wet afbreking
zwangerschap mag worden verricht.
Artikel 297 [Vervallen per 01-11-1984]
Artikel 298 [Vervallen per 01-11-1984]
Artikel 299 [Vervallen per 07-04-1986]
Titel XX. Mishandeling
Artikel 300
1. Mishandeling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft,
wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier
jaren of geldboete van de vierde categorie.
3. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de
vierde categorie.
4. Met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling
van de gezondheid.
5. Poging tot dit misdrijf is niet strafbaar.
Artikel 301
1. Mishandeling gepleegd met voorbedachten rade wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de
vierde categorie.
2. Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft,
wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes
jaren of geldboete van de vierde categorie.
3. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
Artikel 302
1. Hij die aan een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel
toebrengt, wordt, als schuldig aan zware mishandeling, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
Artikel 303
1. Zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
2. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 304
De in de artikelen 300-303 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met
een derde worden verhoogd:
1°. ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen
zijn moeder, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke
betrekking staat, zijn echtgenoot, zijn levensgezel, zijn kind,
een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij
verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;
2°. indien het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar
gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn
bediening;
3°. indien het misdrijf wordt gepleegd door toediening van
voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen.
Artikel 304a
Indien een misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 302 of 303, is
begaan met een terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde
tijdelijke gevangenisstraf met de helft verhoogd en wordt, indien op
het misdrijf een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vijftien
jaren is gesteld, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten
hoogste dertig jaren opgelegd.
Artikel 304b
1. De samenspanning tot het in artikel 303 omschreven misdrijf,
te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 305
Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 301 en 303
omschreven misdrijven kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid,
onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten worden uitgesproken.
Artikel 306
Zij die opzettelijk deelnemen aan een aanval of vechterij waarin
onderscheiden personen zijn gewikkeld, worden, behoudens ieders
verantwoordelijkheid voor de bijzondere door hem bedreven feiten,
gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie, indien de aanval of vechterij
alleen zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of
geldboete van de vierde categorie, indien de aanval of vechterij
iemands dood ten gevolge heeft.
Titel XXI. Veroorzaken van de dood of van lichamelijk letsel door
schuld
Artikel 307
1. Hij aan wiens schuld de dood van een ander te wijten is, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie.
2. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt hij gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de
vierde categorie.
Artikel 308
1. Hij aan wiens schuld te wijten is dat een ander zwaar
lichamelijk letsel bekomt of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit
tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts-
of beroepsbezigheden ontstaat, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
2. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt hij gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
vierde categorie.
Artikel 309
Indien de in deze titel omschreven misdrijven worden gepleegd in de
uitoefening van enig ambt of beroep, kan de gevangenisstraf met een
derde worden verhoogd, kan ontzetting worden uitgesproken van de
uitoefening van het beroep waarin het misdrijf is gepleegd, en kan de
rechter de openbaarmaking van zijn uitspraak gelasten.
Titel XXII. Diefstal en stroperij
Artikel 310
Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort
wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 311
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van
de vierde categorie wordt gestraft:
1°. diefstal van vee uit de weide;
2°. diefstal bij gelegenheid van brand, ontploffing,
watersnood, schipbreuk, stranding, spoorwegongeval, oproer,
muiterij of oorlogsnood;
3°. diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,
in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat,
door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de
rechthebbende bevindt;
4°. diefstal door twee of meer verenigde personen;
5°. diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de
plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed
onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,
verbreking of inklimming, van valse sleutels, van een valse
order of een vals kostuum;
6°. diefstal met het oogmerk om een terroristisch misdrijf
voor te bereiden of gemakkelijk te maken.
2. Indien de onder 3° omschreven diefstal vergezeld gaat van een
der in onder 4° en 5° vermelde omstandigheden, wordt
gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de
vijfde categorie opgelegd.
Artikel 312
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete
van de vijfde categorie wordt gestraft diefstal, voorafgegaan,
vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen
personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden
of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan
zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.
2. Gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van
de vijfde categorie wordt opgelegd:
1°. indien het feit wordt gepleegd hetzij gedurende de voor
de nachtrust bestemde tijd in een woning of op een besloten erf
waarop een woning staat; hetzij op de openbare weg; hetzij in
een spoortrein die in beweging is;
2°. indien het feit wordt gepleegd door twee of meer
verenigde personen;
3°. indien de schuldige zich de toegang tot de plaats van
het misdrijf heeft verschaft door middel van braak of inklimming,
van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum;
4°. indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge
heeft;
5°. indien het feit wordt gepleegd met het oogmerk om een
terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken.
3. Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete
van de vijfde categorie wordt opgelegd, indien het feit de dood ten
gevolge heeft.
Artikel 313
Bij veroordeling wegens diefstal kan ontzetting van de in artikel
28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten worden
uitgesproken.
Artikel 314
1. Hij die, zonder geweld of bedreiging met geweld tegen
personen, geheel of ten dele aan een ander toebehorende klei,
bagger, ongesneden veen, zand, aarde, grind, puin, mestspeciën,
zoden, plaggen, heide, helm, wier, riet, biezen, mos, onbewerkt en
niet vervoerd hak- of sprokkelhout, ongeplukte of afgevallen
boomvruchten of bladeren, te veld staand gras of te veld staande of
na de oogst achtergebleven veldvruchten wegneemt, met het oogmerk om
zich die voorwerpen wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als
schuldig aan stroperij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
een maand of geldboete van de tweede categorie.
2. Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren
zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige
wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, wordt hij
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of
geldboete van de tweede categorie.
Artikel 315
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete
van de vierde categorie wordt gestraft:
1°. stroperij gepleegd met behulp van vaartuigen, wagens,
trek- of lastdieren;
2°. stroperij gepleegd onder een of meer der in artikel 311,
eerste lid, onder 2°-5°, vermelde omstandigheden.
2. Ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en
4°, vermelde rechten kan worden uitgesproken.
Artikel 316
1. Indien de dader van of medeplichtige aan een der in deze titel
omschreven misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen
gescheiden echtgenoot is van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd,
is de strafvervolging tegen die dader of die medeplichtige
uitgesloten.
2. Indien hij zijn van tafel en bed of van goederen gescheiden
echtgenoot is of zijn bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte
linie, hetzij in de tweede graad van de zijlinie, heeft de
vervolging, voor zover hem betreft, alleen plaats op een tegen hem
gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.
3. Indien het vorige lid van toepassing is, neemt de termijn
bedoeld in artikel 66 een aanvang op de dag nadat de identiteit van
de verdachte aan de tot de klacht gerechtigde bekend werd.
Titel XXIII. Afpersing en afdreiging
Artikel 317
1. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk
te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt
hetzij tot de afgifte van enig goed dat geheel of ten dele aan deze
of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van een schuld
of het teniet doen van een inschuld, hetzij tot het ter beschikking
stellen van gegevens, wordt, als schuldig aan afpersing, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die de dwang, bedoeld in
het eerste lid, uitoefent door de bedreiging dat gegevens die door
middel van een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen, onbruikbaar of
ontoegankelijk zullen worden gemaakt of zullen worden gewist.
3. De bepalingen van het tweede en derde lid van artikel 312 zijn
op dit misdrijf van toepassing.
Artikel 318
1. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk
te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift of
openbaring van een geheim iemand dwingt hetzij tot de afgifte van
enig goed dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde
toebehoort, hetzij tot het aangaan van een schuld of het teniet doen
van een inschuld, hetzij tot het ter beschikking stellen van
gegevens, wordt als schuldig aan afdreiging, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Indien het feit wordt gepleegd met het oogmerk om een
terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken,
wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde
verhoogd.
3. Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klacht van hem tegen
wie het gepleegd is.
Artikel 319
De bepaling van artikel 316 is op de in deze titel omschreven
misdrijven van toepassing.
Artikel 320
Bij veroordeling wegens een der in deze titel omschreven
misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder
1°, 2° en 4°, vermelde rechten worden uitgesproken.
Titel XXIV. Verduistering
Artikel 321
Hij die opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander
toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft,
wederrechtelijk zich toeëigent, wordt, als schuldig aan
verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren
of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 322
Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn
persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep, of tegen geldelijke
vergoeding onder zich heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 322a
Indien een der in de artikelen 321 en 322 omschreven feiten wordt
gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te
bereiden of gemakkelijk te maken, wordt de op het feit gestelde
gevangenisstraf met een derde verhoogd.
Artikel 323
Verduistering gepleegd door hem wie het goed uit noodzaak in
bewaring is gegeven, of door voogden, curators, bewindvoerders,
executeurs van een nalatenschap, door de rechter benoemde vereffenaars
van een nalatenschap of gemeenschap of beheerders van instellingen van
weldadigheid of van stichtingen, ten opzichte van enig goed dat zij
als zodanig onder zich hebben, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 323a
Hij die opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald
doel door of vanwege de Europese Gemeenschappen zijn verstrekt,
aanwendt voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
Artikel 324
De bepaling van artikel 316 is op de in deze titel omschreven
misdrijven van toepassing.
Artikel 325
1. Bij veroordeling wegens een der in deze titel omschreven
misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking van zijn uitspraak
gelasten en ontzetting uitspreken van de in artikel 28, eerste lid,
onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten.
2. Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat, kan
hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.
Titel XXV. Bedrog
Artikel 326
1. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk
te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van
een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door
een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van
enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking
stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het
teniet doen van een inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting,
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
2. Indien het feit wordt gepleegd met het oogmerk om een
terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken,
wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde
verhoogd.
Artikel 326a
Hij die een beroep of een gewoonte maakt van het kopen van goederen
met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de
beschikking over die goederen te verzekeren, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 326bis [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 326b
Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die op of in een werk van letterkunde, wetenschap,
kunst of nijverheid valselijk enige naam of enig teken plaatst, of
de echte naam of het echte teken vervalst, met het oogmerk om
daardoor aannemelijk te maken, dat dat werk zou zijn van de hand
van degene wiens naam of teken hij daarop of daarin aanbracht;
2°. hij die opzettelijk een werk van letterkunde, wetenschap,
kunst of nijverheid, waarop of waarin valselijk enige naam of enig
teken is geplaatst, of de echte naam of het echte teken is
vervalst, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, ten verkoop in
voorraad heeft of binnen het Rijk in Europa invoert, als ware dat
werk van de hand van degene wiens naam of teken daarop of daarin
valselijk is aangebracht.
Artikel 326c
1. Hij die, met het oogmerk daarvoor niet volledig te betalen,
door een technische ingreep of met behulp van valse signalen,
gebruik maakt van een dienst die via telecommunicatie aan het
publiek wordt aangeboden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk een
voorwerp dat kennelijk is bestemd, of gegevens die kennelijk zijn
bestemd, tot het plegen van het misdrijf, bedoeld in het eerste lid,
a. openlijk ter verspreiding aanbiedt;
b. ter verspreiding of met het oog op de invoer in Nederland
voorhanden heeft of
c. uit winstbejag vervaardigt of bewaart.
3. Hij die van het plegen van misdrijven als bedoeld in het
tweede lid, zijn beroep maakt of het plegen van deze misdrijven als
bedrijf uitoefent wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren en geldboete van de vijfde categorie, hetzij met
één van deze straffen.
Artikel 327
Hij die door listige kunstgrepen de verzekeraar in dwaling brengt
ten opzichte van omstandigheden tot de verzekering betrekking
hebbende, zodat deze een overeenkomst sluit die hij niet of niet onder
dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten indien hij de ware staat van
zaken gekend had, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
een jaar of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 328
Hij die, met het oogmerk om zich of een ander, ten nadele van de
verzekeraar, wederrechtelijk te bevoordelen, brand sticht of een
ontploffing teweegbrengt in enig tegen brandgevaar verzekerd goed, of
een vaartuig of luchtvaartuig dat verzekerd is of waarvan de zich aan
boord bevindende zaken of de te verdienen vracht zijn verzekerd, doet
zinken, stranden of verongelukken, vernielt, onbruikbaar maakt of
beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 328bis
Hij die, om het handels- of
bedrijfsdebiet van zichzelf of van een ander te vestigen, te behouden
of uit te breiden, enige bedrieglijke handeling pleegt tot misleiding
van het publiek of van een bepaald persoon, wordt, indien daaruit enig
nadeel voor concurrenten van hem of van die ander kan ontstaan, als
schuldig aan oneerlijke mededinging, gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 328ter
1. Hij die, anders dan als ambtenaar,
werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber,
naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de
uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen
of nalaten, een gift, belofte of dienst aanneemt dan wel vraagt, en
dit aannemen of vragen in strijd met de goede trouw verzwijgt
tegenover zijn werkgever of lastgever, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Met gelijke straf wordt gestraft
hij die aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in
dienstbetrekking of optreedt als lasthebber, naar aanleiding van
hetgeen deze in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last
heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift of
belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt van die aard of
onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen
dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal
verzwijgen tegenover zijn werkgever of lastgever.
Artikel 328quater
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt
gestraft hij die een gift of een belofte aanneemt naar aanleiding
van hetgeen hij heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of
nalaten in verband met een op hem of op de persoon bij wie hij in
dienst is, rustende wettelijke plicht tot
a. het verstrekken van
inlichtingen betreffende telecommunicatie aan de ambtenaren van
de justitie of politie, dan wel
b. het verlenen van medewerking
aan het aftappen of opnemen van telecommunicatie.
2. Met gelijke straf wordt gestraft
hij die een ander een gift of een belofte doet naar aanleiding van
hetgeen deze heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten
in verband met een op hem of op de persoon bij wie hij in dienst is,
rustende wettelijke plicht als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 329
Met gevangenisstraf van ten hoogste een
jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de verkoper
die de koper bedriegt:
1°. door hem die een bepaald
aangewezen voorwerp kocht, opzettelijk iets anders daarvoor in de
plaats te leveren;
2°. ten opzichte van de aard, de
hoedanigheid of de hoeveelheid van het geleverde, door het
aanwenden van listige kunstgrepen.
Artikel 329bis
De houder van een cognossement die
opzettelijk over verschillende exemplaren daarvan onder bezwarende
titel beschikt ten behoeve van verschillende verkrijgers, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
Artikel 330
1. Hij die eet- of drinkwaren of
geneesmiddelen verkoopt, te koop aanbiedt of aflevert, wetende dat
zij vervalst zijn en die vervalsing verzwijgende, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Eet- of drinkwaren of
geneesmiddelen zijn vervalst wanneer door bijmenging van vreemde
bestanddelen hun waarde of hun bruikbaarheid verminderd is.
Artikel 331
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt
gestraft de aannemer of de bouwmeester van enig werk of de verkoper
van bouwmaterialen die bij de uitvoering van het werk of de levering
van de materialen enige bedrieglijke handeling pleegt, ten gevolge
waarvan de veiligheid van personen of goederen of de veiligheid van
de staat in tijd van oorlog kan worden in gevaar gebracht.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die, met het opzicht over het werk of over de levering van de
materialen belast, de bedrieglijke handeling opzettelijk toelaat.
Artikel 332
1. Hij die, bij levering van
benodigdheden ten dienste van de vloot of het leger, enige
bedrieglijke handeling pleegt, ten gevolge waarvan de veiligheid van
de staat in tijd van oorlog kan worden in gevaar gebracht, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die, met het opzicht over de levering van de goederen belast, de
bedrieglijke handeling opzettelijk toelaat.
Artikel 333
Hij die, met het oogmerk om zich of een
ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetgeen tot afbakening van de
grenzen van erven dient vernielt, verplaatst, verwijdert of
onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
twee jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 334
Hij die, met het oogmerk om zich of een
ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het verspreiden van een
leugenachtig bericht de prijs van koopwaren, fondsen of geldswaardig
papier doet stijgen of dalen, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 335 [Vervallen per 18-07-1992]
Artikel 336
De koopman, de bestuurder, beherende
vennoot of commissaris van een rechtspersoon of vennootschap, die
opzettelijk een onware staat of een onware balans, winst- en
verliesrekening, staat van baten en lasten of toelichting op een van
die stukken openbaar maakt of zodanige openbaarmaking opzettelijk
toelaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren
of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 336a [Vervallen per 18-07-1992]
Artikel 337
1. Hij die opzettelijk:
a. valse, vervalste of
wederrechtelijk vervaardigde merken,
b. waren, die zelf of op hun
verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een
ander of van het merk waarop een ander recht heeft,
c. waren, die ter aanduiding van
herkomst, valselijk van de naam van een bepaalde plaats, met
bijvoeging van een verdichte handelsnaam, zijn voorzien,
d. waren, waarop of op de
verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk
waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe
afwijking, is nagebootst of
e. waren of onderdelen daarvan
die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een tekening of
model waarop een ander recht heeft, dan wel daarmede slechts
ondergeschikte verschillen vertonen, invoert, doorvoert of
uitvoert, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, uitdeelt of in
voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste één jaar of geldboete van de vijfde categorie.
2. Niet strafbaar is hij die enkele
waren, onderdelen daarvan of merken als omschreven in het eerste lid
in voorraad heeft uitsluitend voor eigen gebruik.
3. Indien de schuldige van het plegen
van het misdrijf, genoemd in het eerste lid, zijn beroep maakt of
het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent, wordt hij
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete
van de vijfde categorie.
4. Indien door het plegen van het
misdrijf, genoemd in het eerste lid, gemeen gevaar voor personen of
goederen te duchten is, wordt de schuldige gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
Artikel 338
De bepaling van artikel 316 is op de in
deze titel omschreven misdrijven van toepassing.
Artikel 339
1. Bij veroordeling wegens een der in
deze titel omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking
van zijn uitspraak gelasten en de schuldige worden ontzet van de
uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.
2. Bij veroordeling wegens een der in
de artikelen 326, 328, 331 en 332 omschreven misdrijven kan
ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°,
vermelde rechten worden uitgesproken.
Titel XXVI. Benadeling van schuldeisers
of rechthebbenden
Artikel 340
Hij die in staat van faillissement is
verklaard, wordt, als schuldig aan eenvoudige bankbreuk, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde
categorie:
1°. indien zijn verteringen
buitensporig zijn geweest;
2°. indien hij, met het oogmerk om
zijn faillissement uit te stellen, wetende dat het daardoor niet
kon worden voorkomen, op bezwarende voorwaarden geldopnemingen
heeft gedaan;
3°. indien hij de boeken,
bescheiden en andere gegevensdragers waarmee hij ingevolge artikel
15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek een administratie
gevoerd heeft en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers
die hij ingevolge dat artikel bewaard heeft, niet in ongeschonden
staat te voorschijn brengt.
Artikel 341
Als schuldig aan bedrieglijke bankbreuk
wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren en
geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen,
hij:
a. die in staat van faillissement
is verklaard, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de
rechten van zijn schuldeisers:
1°. hetzij lasten verdicht
heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet
verantwoordt, hetzij enig goed aan de boedel onttrokken heeft
of onttrekt;
2°. enig goed hetzij om niet,
hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;
3°. ter gelegenheid van zijn
faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het
faillissement niet kon worden voorkomen, een van zijn
schuldeisers op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;
4°. niet voldaan heeft of niet
voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van
het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te
voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers
in dat artikel bedoeld;
b. te wiens aanzien de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten
die zijn schuldeisers jegens de boedel kunnen doen gelden:
1°. hetzij lasten verdicht
heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet
verantwoordt, hetzij enig goed aan de boedel onttrokken heeft
of onttrekt;
2°. enig goed hetzij om niet,
hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;
3°. ter gelegenheid van de
toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
of op een tijdstip waarop hij wist dat hij niet zou kunnen
voortgaan met het betalen van zijn schulden, een van zijn
schuldeisers op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;
4°. niet voldaan heeft of niet
voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van
het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te
voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers
in dat artikel bedoeld.
Artikel 342
De bestuurder of commissaris van een
rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van
de vijfde categorie:
1°. indien hij heeft medegewerkt
of zijn toestemming gegeven tot enige handeling, in strijd met
enige wettige bepaling van statuten of reglementen, waaraan de
door de rechtspersoon geleden verliezen geheel of grotendeels zijn
te wijten;
2°. indien hij, met het oogmerk om
het faillissement van de rechtspersoon uit te stellen, wetende dat
het daardoor niet kon worden voorkomen, heeft medegewerkt of zijn
toestemming gegeven tot het doen van geldopnemingen op bezwarende
voorwaarden;
3°. indien aan hem te wijten is,
dat aan de in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het
Burgerlijk Wetboek of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de
formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10,
eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omschreven
verplichtingen niet is voldaan of dat de boeken, bescheiden en
andere gegevensdragers, waarmee volgens die artikelen
administratie gevoerd is, en de boeken, bescheiden en andere
gegevensdragers die ingevolge die artikelen zijn bewaard, niet in
ongeschonden staat worden te voorschijn gebracht.
Artikel 343
De bestuurder of commissaris van een
rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete
van de vijfde categorie, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de
rechten der schuldeisers van de rechtspersoon:
1°. hetzij lasten verdicht heeft
of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet
verantwoordt, hetzij enig goed aan de boedel onttrokken heeft of
onttrekt;
2°. enig goed hetzij om niet,
hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;
3°. ter gelegenheid van het
faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het
faillissement niet kon worden voorkomen, een van de schuldeisers
op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;
4°. niet voldaan heeft of niet
voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het
voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15i, eerste lid, van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 5, eerste lid, van de
Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met
artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en
het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en
andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld.
Artikel 344
Hetzij met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren en zes maanden en geldboete van de vijfde
categorie, hetzij met één van deze straffen wordt gestraft hij die:
1°. in geval van faillissement, of
in het vooruitzicht daarvan, indien het faillissement is gevolgd,
ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers, enig
goed aan de boedel onttrekt, of betaling aanneemt, hetzij van een
niet opeisbare schuld, hetzij van een opeisbare schuld, in het
laatste geval wetende dat het faillissement van de schuldenaar
reeds was aangevraagd of ten gevolge van overleg met de
schuldenaar;
2°. bij verificatie van de
schuldvorderingen in geval van faillissement, een niet bestaande
schuldvordering voorwendt of een bestaande tot een verhoogd bedrag
doet gelden;
3°. in geval de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, of in het vooruitzicht daarvan, indien de toepassing
wordt uitgesproken, ter bedrieglijke verkorting van de rechten die
de schuldeisers jegens de boedel kunnen doen gelden, enig goed aan
de boedel onttrekt, of betaling aanneemt op een vordering ten
aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, hetzij niet
opeisbaar, hetzij opeisbaar, in het laatste geval wetende dat het
verzoek tot het van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen reeds was ingediend
of tengevolge van overleg met de schuldenaar;
4°. bij de verificatie van
vorderingen in de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen,
een niet bestaande schuldvordering voorwendt of een bestaande tot
een verhoogd bedrag doet gelden.
Artikel 345
1. De schuldeiser die tot een
aangeboden gerechtelijk akkoord toetreedt ten gevolge van een
overeenkomst hetzij met de schuldenaar, hetzij met een derde,
waarbij hij bijzondere voordelen heeft bedongen, wordt, in geval van
aanneming van het akkoord, gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.
2. Gelijke straf wordt in hetzelfde
geval toegepast op de schuldenaar of, indien deze een rechtspersoon
is, op de bestuurder of commissaris, die zodanige overeenkomst
sluit.
Artikel 346 [Vervallen per 12-01-1956]
Artikel 347
De bestuurder of commissaris van een
rechtspersoon die, buiten het geval van artikel 342, zijn medewerking
heeft verleend of zijn toestemming gegeven tot enige handeling in
strijd met enige wettige bepaling van de statuten of reglementen,
tengevolge waarvan de rechtspersoon ernstig nadeel ondervindt, wordt
gestraft met geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 348
1. Hij die opzettelijk zijn eigen
goed of, ten behoeve van degene aan wie het toebehoort, een hem niet
toebehorend goed onttrekt aan een pandrecht, een retentierecht of
een recht van vruchtgebruik of gebruik van een ander, wordt gestraft
met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die opzettelijk een goed dat is onderworpen aan een pandrecht,
een retentierecht of een recht van vruchtgebruik of gebruik van een
ander, vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt.
3. De bepaling van artikel 316 is op
deze misdrijven van toepassing.
Artikel 349
1. Bij veroordeling wegens een der in
deze titel omschreven misdrijven, kan de schuldige worden ontzet van
de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.
2. Bij veroordeling wegens een der in
de artikelen 341, 343 en 344 omschreven misdrijven, kan de schuldige
worden ontzet van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en
4°, vermelde rechten.
3. Bij veroordeling wegens een der in
de artikelen 340-345 omschreven misdrijven, kan openbaarmaking van
de rechterlijke uitspraak worden gelast.
Artikel 349bis [Vervallen per
01-11-1912]
Artikel 349ter [Vervallen per
01-11-1912]
Artikel 349quater [Vervallen per
01-11-1912]
Titel XXVII. Vernieling of beschadiging
Artikel 350
1. Hij die opzettelijk en
wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander
toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie.
2. Met gevangenisstraf van ten
hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie wordt
gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel
of ten dele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar
maakt of wegmaakt.
Artikel 350a
1. Hij die opzettelijk en
wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd
werk of door middel van telecommunicatie zijn opgeslagen, worden
verwerkt of overgedragen, verandert, wist, onbruikbaar of
ontoegankelijk maakt, dan wel andere gegevens daaraan toevoegt,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie.
2. Hij die het feit, bedoeld in het
eerste lid, pleegt na door tussenkomst van een openbaar
telecommunicatienetwerk, wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk
te zijn binnengedrongen en daar ernstige schade met betrekking tot
die gegevens veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
3. Hij die opzettelijk en
wederrechtelijk gegevens ter beschikking stelt of verspreidt die
zijn bestemd om schade aan te richten in een geautomatiseerd werk,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
4. Niet strafbaar is degeen die het
feit, bedoeld in het derde lid, pleegt met het oogmerk om schade als
gevolg van deze gegevens te beperken.
Artikel 350b
1. Hij aan wiens schuld te wijten is
dat gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk of door
middel van telecommunicatie zijn opgeslagen, worden verwerkt of
overgedragen, wederrechtelijk worden veranderd, gewist, onbruikbaar
of ontoegankelijk gemaakt, dan wel dat andere gegevens daaraan
worden toegevoegd, wordt, indien daardoor ernstige schade met
betrekking tot die gegevens wordt veroorzaakt, gestraft met
gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete
van de tweede categorie.
2. Hij aan wiens schuld te wijten is
dat gegevens wederrechtelijk ter beschikking gesteld of verspreid
worden die zijn bestemd om schade aan te richten in een
geautomatiseerd werk, wordt gestraft met gevangenisstraf of
hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede
categorie.
Artikel 351
Hij die spoorweg- of
elektriciteitswerken, geautomatiseerde werken of werken voor
telecommunicatie, werken dienend tot waterkering, waterlozing, gas- of
waterleiding of riolering, voor zover deze werken ten algemenen nutte
gebezigd worden, dan wel goederen of werken ten behoeve van de
landsverdediging, opzettelijk en wederrechtelijk vernielt, beschadigt,
onbruikbaar maakt, onklaar maakt of weg maakt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde
categorie.
Artikel 351bis
Hij aan wiens schuld te wijten is dat
enig in het vorig artikel bedoeld goed of werk, vernield, beschadigd,
onbruikbaar gemaakt, onklaar gemaakt of weggemaakt wordt, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 352
Hij die opzettelijk en wederrechtelijk
enig gebouw, vaartuig of zijn lading, installatie ter zee of
luchtvaartuig dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort,
vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of onklaar maakt, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete
van de vierde categorie.
Artikel 353
De bepaling van artikel 316 is op de in
deze titel omschreven misdrijven van toepassing.
Artikel 354
Indien een der in deze titel omschreven
misdrijven arglistig gepleegd wordt, of daarvan levensgevaar voor een
ander is te duchten, kan de gevangenisstraf met een derde worden
verhoogd.
Artikel 354a
Indien een der in de artikelen 350,
350a, 351, 352 en 354 omschreven feiten wordt gepleegd met het oogmerk
om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te
maken, wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde
verhoogd.
Titel XXVIII. Ambtsmisdrijven
Artikel 355
Met gevangenisstraf van ten hoogste
drie jaren of geldboete van de vierde categorie, worden gestraft de
hoofden van ministeriële departementen:
1°. die hun medeondertekening
verlenen aan koninklijke besluiten of koninklijke beschikkingen,
wetende dat daardoor de Grondwet of andere wetten of algemene
maatregelen van inwendig bestuur van de staat worden geschonden;
2°. die uitvoering geven aan
koninklijke besluiten of koninklijke beschikkingen, wetende dat
deze niet van de vereiste medeondertekening van een der hoofden
van de ministeriële departementen zijn voorzien;
3°. die beschikkingen nemen of
bevelen geven of bestaande beschikkingen of bevelen handhaven,
wetende dat daardoor de Grondwet of andere wetten of algemene
maatregelen van inwendig bestuur van de staat worden geschonden;
4°. die opzettelijk nalaten
uitvoering te geven aan de bepalingen van de Grondwet of andere
wetten of algemene maatregelen van inwendig bestuur van de staat,
voor zover die uitvoering wegens de aard van het onderwerp tot hun
ministeriële departementen behoort of uitdrukkelijk hun is
opgedragen.
Artikel 356
Met hechtenis van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de derde categorie worden gestraft de hoofden
van ministeriële departementen aan wier grove schuld te wijten is dat
de in artikel 355, onder 4°, omschreven uitvoering wordt nagelaten.
Artikel 357
De bevelhebber van de gewapende macht
die weigert of opzettelijk nalaat op de wettige vordering van het
bevoegde burgerlijk gezag de onder zijn bevel staande macht aan te
wenden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren
of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 358
1. De ambtenaar die opzettelijk de
bijstand van de gewapende macht inroept tegen de uitvoering van
wettelijke voorschriften, van wettige bevelen van het openbaar gezag
of van rechterlijke uitspraken of bevelschriften, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde
categorie.
2. Indien die uitvoering daardoor
wordt verhinderd, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 358bis [Vervallen per
16-01-1980]
Artikel 358ter [Vervallen per
16-01-1980]
Artikel 358quater [Vervallen per
16-01-1980]
Artikel 359
De ambtenaar of een ander met enige
openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon, die
opzettelijk geld of geldswaardig papier dat hij in zijn bediening
onder zich heeft, verduistert of toelaat dat het door een ander
weggenomen of verduisterd wordt, of die ander daarbij als
medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 360
De ambtenaar of een ander met enige
openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon, die
opzettelijk boeken of registers, uitsluitend bestemd tot controle van
de administratie, valselijk opmaakt of vervalst, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 361
1. De ambtenaar of een ander met
enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon, die
opzettelijk zaken bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging
of bewijs te dienen, akten, bescheiden of registers, welke hij in
zijn bediening onder zich heeft verduistert, vernielt, beschadigt of
onbruikbaar maakt, of toelaat dat zij door een ander worden
weggemaakt, vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt, of die
ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of
geldboete van de vijfde categorie.
2. Onder bevoegde macht wordt mede
verstaan: een internationaal gerecht dat zijn rechtsmacht ontleent
aan een verdrag waarbij het Koninkrijk partij is.
Artikel 362
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt
gestraft de ambtenaar:
1°. die een gift, belofte of
dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze
hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen
om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in
zijn bediening iets te doen of na te laten;
2°. die een gift, belofte of
dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze
hem gedaan, verleend of aangeboden wordt ten gevolge of naar
aanleiding van hetgeen door hem, zonder daardoor in strijd met
zijn plicht te handelen, in zijn huidige of vroegere bediening
is gedaan of nagelaten;
3°. die een gift, belofte of
dienst vraagt teneinde hem te bewegen om, zonder daardoor in
strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te
doen of na te laten;
4°. die een gift, belofte of
dienst vraagt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door
hem, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in
zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft,
hij die in het vooruitzicht van een aanstelling als ambtenaar,
indien de aanstelling als ambtenaar is gevolgd, een feit begaat als
in het eerste lid, onder 1° en 3°, omschreven.
3. Hij die een feit als omschreven in
het eerste lid begaat in verband met zijn hoedanigheid van minister,
staatssecretaris, commissaris van de Koning, gedeputeerde,
burgemeester, wethouder of lid van een algemeen vertegenwoordigend
orgaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 363
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt
gestraft de ambtenaar:
1°. die een gift of belofte dan
wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende
dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem
te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets
te doen of na te laten;
2°. die een gift of belofte dan
wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende
dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt ten gevolge of
naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht,
in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten;
3°. die een gift of belofte dan
wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om, in strijd met
zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;
4°. die een gift of belofte dan
wel een dienst vraagt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen
door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere
bediening is gedaan of nagelaten.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die in het vooruitzicht van een aanstelling als ambtenaar,
indien de aanstelling als ambtenaar is gevolgd, een feit begaat als
in het eerste lid, onder 1° en 3°, omschreven.
3. Hij die een feit als omschreven in
het eerste lid begaat in verband met zijn hoedanigheid van minister,
staatssecretaris, commissaris van de Koning, gedeputeerde,
burgemeester, wethouder of lid van een algemeen vertegenwoordigend
orgaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren
of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 364
1. De rechter die een gift, belofte
of dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze
hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde invloed uit te
oefenen op de beslissing van een aan zijn oordeel onderworpen zaak,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
2. De rechter die een gift, belofte
of dienst vraagt teneinde hem te bewegen om invloed uit te oefenen
op de beslissing van een aan zijn oordeel onderworpen zaak, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
3. Indien de gift, belofte of dienst
wordt aangenomen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze
gedaan, verleend of aangeboden wordt om een veroordeling in een
strafzaak te verkrijgen, wordt de rechter gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
4. Indien de gift, belofte of dienst
wordt gevraagd teneinde hem te bewegen om een veroordeling in een
strafzaak te verkrijgen, wordt de rechter gestraft met een
gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
Artikel 364a
1. Met ambtenaren worden ten aanzien
van deartikelen 361 tot en met 363, 365 tot en met 368 en376
gelijkgesteld personen in de openbare dienst van een vreemde staat
of van een volkenrechtelijke organisatie.
2. Met ambtenaren worden ten aanzien
van de artikelen 362, onder 2° en 4°, en 363, onder 2° en 4°,
voormalige ambtenaren gelijkgesteld.
3. Met rechter wordt ten aanzien van
artikel 364 gelijkgesteld de rechter van een vreemde staat of van
een volkenrechtelijke organisatie.
Artikel 365
De ambtenaar die door misbruik van
gezag iemand dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie.
Artikel 366
De ambtenaar die in de uitoefening van
zijn bediening, als verschuldigd aan hemzelf, aan een ander ambtenaar
of aan enige openbare kas, vordert of ontvangt of bij een uitbetaling
terughoudt hetgeen hij weet dat niet verschuldigd is, wordt, als
schuldig aan knevelarij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 367
1. De ambtenaar die, belast met de
bewaking van iemand die op openbaar gezag of krachtens rechterlijke
uitspraak of beschikking van de vrijheid is beroofd, hem opzettelijk
laat ontsnappen of bevrijdt of bij zijn bevrijding of zelfbevrijding
behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Indien de ontsnapping, bevrijding
of zelfbevrijding aan zijn schuld te wijten is, wordt hij gestraft
met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 368
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie wordt
gestraft:
1°. de ambtenaar, met het
opsporen van strafbare feiten belast, die opzettelijk niet
voldoet aan de vordering om van een wederrechtelijke
vrijheidsberoving te doen blijken of daarvan aan de hogere macht
opzettelijk niet onverwijld kennis geeft;
2°. de ambtenaar die, na in de
uitoefening van zijn bediening kennis te hebben bekomen dat
iemand op onwettige wijze van de vrijheid is beroofd,
opzettelijk nalaat daarvan onverwijld kennis te geven aan een
ambtenaar met het opsporen van strafbare feiten belast.
2. De ambtenaar aan wiens schuld enig
in dit artikel omschreven verzuim te wijten is, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
categorie.
Artikel 369
Met gevangenisstraf van ten hoogste een
jaar of geldboete van de derde categorie wordt gestraft het hoofd van
een gesticht, bestemd tot opsluiting van veroordeelden, voorlopig
aangehoudenen of gegijzelden, of van een rijksinrichting voor
kinderbescherming of een psychiatrisch ziekenhuis, die weigert te
voldoen aan een wettige vordering om iemand die in het gesticht of
psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen te vertonen, of om inzage te
geven van het register van inschrijving of van de akte waarvan de wet
de inschrijving vordert.
Artikel 370
1. De ambtenaar die, met
overschrijding van zijn bevoegdheid of zonder inachtneming van de
bij de wet bepaalde vormen, in de woning of het besloten lokaal of
erf, bij een ander in gebruik, diens ondanks binnentreedt of,
wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of
vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde
categorie.
2. Met gelijke straf wordt gestraft
de ambtenaar die ter gelegenheid van het doorzoeken van plaatsen met
overschrijding van zijn bevoegdheid of zonder inachtneming van de
bij de wet bepaalde vormen, geschriften, boeken of andere papieren
onderzoekt of in beslag neemt.
Artikel 371
1. De ambtenaar die, met
overschrijding van zijn bevoegdheid, zich doet overleggen of in
beslag neemt een aan enige openbare instelling van vervoer
toevertrouwde brief, briefkaart, stuk of pakket, of een telegrafisch
bericht dat zich in handen bevindt van een persoon belast met de
dienst van een ten algemenen nutte gebezigde telegraafinrichting,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
de ambtenaar die, met overschrijding van zijn bevoegdheid, zich door
een persoon werkzaam bij een aanbieder van een openbaar
telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst doet
inlichten ter zake van enig verkeer dat over dat netwerk dan wel met
gebruikmaking van die dienst is geschied.
Artikel 372 [Vervallen per 01-09-2006]
Artikel 373 [Vervallen per 01-09-2006]
Artikel 374 [Vervallen per 01-09-2006]
Artikel 374bis [Vervallen per
01-09-2006]
Artikel 375 [Vervallen per 01-09-2006]
Artikel 376
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de
ambtenaar die opzettelijk deelneemt, middellijk of onmiddellijk, aan
aannemingen of leveranties waarover hem op het tijdstip van de
handeling geheel of ten dele het bestuur of toezicht is opgedragen.
Artikel 377
De ambtenaar van het muntwezen, behalve
de muntmeester, of degene, in dienst van een waarborginstelling als
bedoeld in artikel 7 van de Waarborgwet 1986, die handel drijft in
edele metalen of daarvan vervaardigde voorwerpen, of opzettelijk aan
zodanige handel middellijk of onmiddellijk deelneemt, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
derde categorie.
Artikel 378
Degene, in dienst van een
waarborginstelling als bedoeld in artikel 7 van de Waarborgwet 1986,
die een te zijnen kantore aangeboden goud- of zilverwerk afdrukt of
natrekt of daarvan een beschrijving geeft aan een ander dan die van
ambtswege bevoegd is haar te vorderen, wordt gestraft met geldboete
van de tweede categorie.
Artikel 379
1. De ambtenaar van de burgerlijke
stand die meewerkt aan iemands huwelijksvoltrekking, wetende dat
deze daardoor een dubbel huwelijk aangaat, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde
categorie.
2. De ambtenaar van de burgerlijke
stand die meewerkt aan iemands huwelijksvoltrekking, wetende dat
daartegen enig ander wettig beletsel bestaat, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
vierde categorie.
Artikel 380
1. Bij veroordeling wegens een der in
de artikelen 355, 357 en 358 omschreven misdrijven kan ontzetting
van het in artikel 28, eerste lid, onder 3°, vermelde recht worden
uitgesproken.
2. Bij veroordeling wegens een der in
de artikelen 359, 362 tot en met 364, 366 en 379, eerste lid,
omschreven misdrijven kan ontzetting van het in artikel 28, eerste
lid, onder 4°, vermelde recht worden uitgesproken.
Titel XXIX. Scheepvaart- en
luchtvaartmisdrijven
Artikel 381
1. Als schuldig aan zeeroof wordt
gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, hij
die als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig,
wetende dat het bestemd is of het gebruikende om in open zee
daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen of tegen zich
daarop bevindende personen of goederen, zonder door een
oorlogvoerende mogendheid daartoe te zijn gemachtigd of tot de
oorlogsmarine van een erkende mogendheid te behoren;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, hij
die, bekend met deze bestemming of dit gebruik, als schepeling
dienst neemt op zodanig vaartuig of vrijwillig in dienst blijft
na daarmede bekend te zijn geworden.
2. Met het gemis van machtiging wordt
gelijkgesteld het overschrijden van de machtiging alsmede het
voorzien zijn van machtigingen afkomstig van tegen elkander oorlog
voerende mogendheden.
3. Artikel 81 blijft buiten
toepassing.
4. Het in de vorige leden ten aanzien
van de schipper en de schepeling bepaalde is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de gezagvoerder onderscheidenlijk het lid
van de bemanning van een luchtvaartuig. Onder vaartuig wordt in de
vorige leden luchtvaartuig begrepen en onder open zee het luchtruim
daarboven.
Artikel 382
Indien de in artikel 381 omschreven
daden van geweld de dood van een der zich op het aangevallen vaartuig
of luchtvaartuig bevindende personen ten gevolge hebben, wordt de
schipper of de gezagvoerder van het luchtvaartuig en worden zij die
aan de daden van geweld hebben deelgenomen, met gevangenisstraf van
ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie
gestraft.
Artikel 383
Hij die voor eigen of vreemde rekening
een vaartuig of luchtvaartuig uitrust met de in artikel 381 omschreven
bestemming, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf
jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 384
Hij die voor eigen of vreemde rekening
middellijk of onmiddellijk medewerkt tot het verhuren, vervrachten of
verzekeren van een vaartuig of luchtvaartuig, wetende dat het de in
artikel 381 omschreven bestemming heeft, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
Artikel 385
Hij die een Nederlands vaartuig
opzettelijk in de macht van zeerovers brengt, wordt gestraft:
1°. indien hij de schipper is met
gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de
vijfde categorie;
2°. in alle andere gevallen met
gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
Artikel 385a
1. Hij die een luchtvaartuig door
geweld, bedreiging met geweld of vreesaanjaging in zijn macht brengt
of houdt dan wel van zijn route doet afwijken, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de
vijfde categorie.
2. Indien twee of meer personen
gezamenlijk of ten gevolge van samenspanning het feit plegen, of
indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, dan wel
het feit is gepleegd met het oogmerk iemand wederrechtelijk van zijn
vrijheid te beroven of beroofd te houden, wordt gevangenisstraf van
ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie
opgelegd.
3. Indien het feit de dood ten
gevolge heeft, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van
ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie
opgelegd.
4. De straffen in het eerste lid
bepaald, zijn toepasselijk op degene die de in dit lid omschreven
misdrijven pleegt ten aanzien van een vaartuig, een installatie ter
zee, een autobus, een trein of een ander middel van openbaar vervoer
dan wel een vrachtwagen met een gevaarlijke lading.
Artikel 385b
1. Hij die opzettelijk een daad van
geweld begaat tegen iemand die zich aan boord van een luchtvaartuig
in vlucht bevindt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daarvan gevaar voor de veiligheid van het luchtvaartuig te
duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het luchtvaartuig
te duchten is en het feit zwaar lichamelijk letsel voor een
ander ten gevolge heeft;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het luchtvaartuig
te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.
2. De straffen in het eerste lid
bepaald, zijn toepasselijk op degene die de in dit lid omschreven
misdrijven pleegt ten aanzien van een vaartuig en een installatie
ter zee. Onder gevaar voor de veiligheid van het luchtvaartuig wordt
in het eerste lid tevens begrepen gevaar voor de veilige vaart van
het vaartuig.
Artikel 385c
Hij die opzettelijk gegevens doorgeeft
waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij
onjuist zijn, wordt, indien daarvan gevaar voor een luchtvaartuig in
vlucht of voor de veilige vaart van een vaartuig te duchten is,
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete
van de vierde categorie.
Artikel 385d
Hij die opzettelijk met gebruikmaking
van een vuurwapen, een ontplofbare of anderszins gemeengevaarlijke
stof of enig ander gemeengevaarlijk voorwerp, een daad van geweld
begaat tegen iemand die zich in of in de onmiddellijke nabijheid van
de vertrek- of aankomstruimten van een luchthaven bevindt, wordt
gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daardoor levensgevaar voor andere gebruikers van de luchthaven te
duchten valt;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien
daardoor levensgevaar voor andere gebruikers van de luchthaven te
duchten valt en het feit zwaar lichamelijk letsel voor een ander
ten gevolge heeft;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien daardoor levensgevaar voor andere gebruikers van de
luchthaven te duchten valt en het feit iemands dood ten gevolge
heeft.
Artikel 386
De opvarende van een Nederlands schip
die zich wederrechtelijk van het schip meester maakt, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de
vierde categorie.
Artikel 387
De schipper van een Nederlands schip
die het schip aan de eigenaar of de rederij onttrekt en ten eigen bate
gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven
jaren en zes maanden of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 388 [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 389 [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 389bis
1. De schipper van een Nederlands
vaartuig die een scheepsverklaring doet opmaken waarvan hij weet dat
de inhoud in strijd is met de waarheid, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de
vierde categorie.
2. De schepelingen die medewerken tot
het doen opmaken van een scheepsverklaring waarvan zij weten dat de
inhoud in strijd is met de waarheid, worden gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
vierde categorie.
Artikel 389ter
Hij die ter voldoening aan het
voorschrift van het vierde lid van artikel 194, van het vijfde lid van
artikel 784, van het eerste lid onder a ten derde van artikel 786 of
van het vierde lid van artikel 1303 van Boek 8 van het Burgerlijk
Wetboek een schriftelijke verklaring overlegt van welke hij weet dat
de inhoud in strijd is met de waarheid, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde
categorie.
Artikel 390
De schipper van een Nederlands vaartuig
die gedurende de reis zich opzettelijk aan het voeren van het vaartuig
onttrekt, wordt, indien die gedraging de veiligheid van de opvarenden,
het vaartuig of de zaken aan boord daarvan in gevaar brengt, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 391 [Vervallen per 13-08-1973]
Artikel 392 [Vervallen per 01-10-1937]
Artikel 393 [Vervallen per 01-10-1937]
Artikel 394 [Vervallen per 13-08-1973]
Artikel 394bis [Vervallen per
13-08-1973]
Artikel 395
1. De opvarende van een Nederlands
schip of zeevissersschip die aan boord de schipper, of de schepeling
die aan boord of in dienst een meerdere in rang feitelijk aanrandt,
zich met geweld of bedreiging met geweld tegen hem verzet of hem
opzettelijk van zijn vrijheid van handelen berooft, wordt, als
schuldig aan insubordinatie, gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. De schuldige wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien
het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig
lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste zeven jaren en zes maanden of geldboete van de vijfde
categorie, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge
hebben;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien zij de dood ten gevolge hebben.
Artikel 396
1. Insubordinatie gepleegd door twee
of meer verenigde personen, wordt, als muiterij, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde
categorie.
2. De schuldige wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten
hoogste zeven jaren en zes maanden of geldboete van de vijfde
categorie, indien het door hem gepleegde misdrijf of de daarbij
door hem gepleegde feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten
gevolge hebben;
2°. met gevangenisstraf van ten
hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
3°. met gevangenisstraf van ten
hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie,
indien zij de dood ten gevolge hebben.
Artikel 397
Hij die aan boord van een Nederlands
schip of zeevissersschip tot muiterij op dat schip of vaartuig opruit,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Artikel 398 [Vervallen per 13-08-1973]
Artikel 399 [Vervallen per 13-08-1973]
Artikel 400
1. Met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt
gestraft:
1°. de opvarende van een
Nederlands vaartuig die opzettelijk niet gehoorzaamt aan enig
bevel van de schipper in het belang van de veiligheid aan boord
gegeven;
2°. de opvarende van een
Nederlands vaartuig die, wetende dat de schipper van zijn
vrijheid van handelen beroofd is, hem niet naar vermogen te hulp
komt;
3°. de opvarende van een
Nederlands vaartuig die, kennis dragende van een voornemen tot
het plegen van insubordinatie, opzettelijk nalaat daarvan tijdig
aan de schipper kennis te geven;
4°. de opvarende, niet zijnde
schepeling, van een Nederlands vaartuig die opzettelijk niet
gehoorzaamt aan enig bevel van de schipper tot handhaving van de
orde en tucht aan boord gegeven.
2. De onder 3° vermelde bepaling is
niet van toepassing indien de insubordinatie niet is gevolgd.
Artikel 401
De in de artikelen 386, 389, 395-397 en
400 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd,
indien de schuldige aan een der in die artikelen omschreven misdrijven
scheepsofficier is.
Artikel 402
De schipper van een Nederlands schip
die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te
bevoordelen of zodanige bevoordeling te bedekken, hetzij het schip
verkoopt, hetzij geld opneemt op het schip, het scheepstoebehoren of
de scheepsvoorraad, hetzij zaken aan boord van het schip of zaken van
de scheepsvoorraad verkoopt of verpandt, hetzij verdichte schaden of
uitgaven in rekening brengt, hetzij niet zorgt dat aan boord de
vereiste dagboeken overeenkomstig de wettelijke voorschriften worden
gehouden, hetzij bij het verlaten van het schip niet zorgt voor het
behoud van de scheepspapieren, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 403
De schipper van een Nederlands schip
die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te
bevoordelen of zodanige bevoordeling te bedekken, van koers verandert,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Artikel 404 [Vervallen per 13-08-1973]
Artikel 405
1. De schipper van een Nederlands
vaartuig die, buiten noodzaak en buiten voorkennis van de eigenaar
of de rederij, handelingen pleegt of gedoogt, wetende dat deze het
vaartuig of de zaken aan boord daarvan aan opbrenging, aanhouding of
ophouding kunnen blootstellen, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
2. De opvarende die, buiten noodzaak
en buiten voorkennis van de schipper, met gelijke wetenschap gelijke
handelingen pleegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste negen maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 406
De schipper van een Nederlands schip
die opzettelijk buiten noodzaak aan een opvarende niet verschaft
datgene wat hij verplicht is hem te verschaffen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde
categorie.
Artikel 407
De schipper van een Nederlands schip
die opzettelijk buiten noodzaak of in strijd met enig wettelijk
voorschrift goederen werpt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 408
Hij die zaken aan boord van een
vaartuig, opzettelijk en wederrechtelijk vernielt, beschadigt of
onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 409
De schipper die de Nederlandse vlag
voert, wetende dat hij daartoe niet gerechtigd is, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 410
De schipper die opzettelijk door het
voeren van enig onderscheidingsteken aan zijn vaartuig de schijn geeft
alsof het een Nederlands oorlogsvaartuig ware, of een loodsvaartuig in
Nederlandse wateren of zeegaten dienst doende, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 411
Hij die buiten noodzaak op een
Nederlands vaartuig optreedt als schipper, stuurman of machinist,
wetende dat hij ingevolge wettelijk voorschrift daartoe onbevoegd is,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de derde categorie.
Artikel 412
De schipper van een Nederlands schip
die zonder geldige reden weigert te voldoen aan een wettelijke
vordering om een beklaagde of veroordeelde benevens de tot zijn zaak
betrekkelijke stukken aan boord te nemen, wordt gestraft met een
gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 413
1. De schipper van een Nederlands
schip die een beklaagde of veroordeelde die hij op een wettelijke
vordering aan boord genomen heeft, opzettelijk laat ontsnappen of
bevrijdt, of bij zijn bevrijding of zelfbevrijding behulpzaam is,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of
geldboete van de vierde categorie.
2. Indien de ontsnapping, bevrijding
of zelfbevrijding aan zijn schuld is te wijten, wordt hij gestraft
met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 414
De schipper die de krachtens het eerste
lid van artikel 358a of van artikel 785 van het Wetboek van Koophandel
op hem rustende verplichting tot hulpverlening, opzettelijk niet
nakomt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren
of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 415
Bij veroordeling wegens een der in de
artikelen 381-387, 402 en 403 omschreven misdrijven kan ontzetting van
de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten
worden uitgesproken.
Artikel 415a
Indien een misdrijf, strafbaar gesteld
in een der artikelen 385a tot en met 385d, is begaan met een
terroristisch oogmerk, wordt de in dat artikel bepaalde tijdelijke
gevangenisstraf met de helft verhoogd en wordt, indien op het misdrijf
een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren is
gesteld, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste
dertig jaren opgelegd.
Artikel 415b
1. De samenspanning tot de in de
artikelen 385a, 385b en 385d omschreven misdrijven, te begaan met
een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Artikel 96, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Titel XXX. Begunstiging
Artikel 416
1. Als schuldig aan opzetheling wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete
van de vijfde categorie:
a. hij die een goed verwerft,
voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op
of een zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of
overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het
voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het
recht wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
b. hij die opzettelijk uit
winstbejag een door misdrijf verkregen goed voorhanden heeft of
overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht
ten aanzien van een door misdrijf verkregen goed overdraagt.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf
verkregen goed voordeel trekt.
Artikel 417
Hij die van het plegen van opzetheling
een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 417bis
1. Als schuldig aan schuldheling
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of
geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die een goed verwerft,
voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op
of zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of
overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het
voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het
recht redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door
misdrijf verkregen goed betrof;
b. hij die uit winstbejag een
goed voorhanden heeft of overdraagt dan wel een persoonlijk
recht op of zakelijk recht ten aanzien van een goed overdraagt,
terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door
misdrijf verkregen goed betreft.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die uit de opbrengst van enig goed voordeel trekt, terwijl hij
redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen
goed betreft.
Artikel 417ter
Bij veroordeling wegens een der in de
artikelen 416-417bis omschreven misdrijven kan ontzetting van de in
artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten worden
uitgesproken en kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van
het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.
Artikel 418
Hij die enig geschrift of enige
afbeelding uitgeeft van strafbare aard, wordt gestraft met
gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van
de derde categorie, indien:
1°. de dader noch bekend is, noch
op de eerste aanmaning van de rechter-commissaris, is
bekendgemaakt;
2°. de uitgever wist of moest
verwachten dat de dader op het tijdstip van de uitgave
strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het Rijk in Europa
gevestigd zou zijn.
Artikel 419
Hij die enig geschrift of enige
afbeelding drukt van strafbare aard, wordt gestraft met
gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van
de derde categorie, indien:
1°. de persoon op wiens last het
stuk gedrukt is noch bekend is, noch op de eerste aanmaning van de
rechter-commissaris, is bekendgemaakt;
2°. de drukker wist of moest
verwachten dat de persoon op wiens last het stuk gedrukt is, op
het tijdstip van de uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of
buiten het Rijk in Europa gevestigd zou zijn.
Artikel 420
Indien de aard van het geschrift of de
afbeelding een misdrijf oplevert dat alleen op klacht vervolgbaar is,
kan de uitgever of drukker in de gevallen der beide voorgaande
artikelen alleen vervolgd worden op klacht van hem tegen wie dat
misdrijf gepleegd is.
Titel XXXA. Witwassen
Artikel 420bis
1. Als schuldig aan witwassen wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete
van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de
werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of
de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult
wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft,
terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk
– afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft,
voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp
gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp –
onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.
2. Onder voorwerpen worden verstaan
alle zaken en alle vermogensrechten.
Artikel 420ter
Hij die van het plegen van witwassen
een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 420quater
1. Als schuldig aan schuldwitwassen
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of
geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de
werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of
de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult
wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft,
terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp –
onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft,
voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp
gebruik maakt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het
voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit
enig misdrijf.
2. Onder voorwerpen worden verstaan
alle zaken en alle vermogensrechten.
Artikel 420quinquies
Bij veroordeling wegens een der in de
artikelen 420bis tot en met 420quater omschreven misdrijven kan
ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°,
vermelde rechten worden uitgesproken en kan de schuldige worden ontzet
van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf heeft
begaan.
Titel XXXI [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 421 [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 422 [Vervallen per 01-02-2006]
Artikel 423 [Vervallen per 01-02-2006]
Derde Boek. Overtredingen
Titel I. Overtredingen betreffende de
algemene veiligheid van personen en goederen
Artikel 424
1. Hij die op of aan de openbare weg
of op enige voor het publiek toegankelijke plaats tegen personen of
goederen enige baldadigheid pleegt waardoor gevaar of nadeel kan
worden teweeggebracht, wordt, als schuldig aan straatschenderij,
gestraft met geldboete van de eerste categorie.
2. Indien tijdens het plegen van de
overtreding nog geen jaar is verlopen sedert een vroegere
veroordeling van de schuldige wegens gelijke overtreding
onherroepelijk is geworden, kan hechtenis van ten hoogste drie dagen
of geldboete van de eerste categorie worden opgelegd.
Artikel 425
Met hechtenis van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:
1°. hij die een dier op een mens
aanhitst of een onder zijn hoede staand dier, wanneer het een mens
aanvalt, niet terughoudt;
2°. hij die geen voldoende zorg
draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede
staand gevaarlijk dier.
Artikel 426
1. Hij die, terwijl hij in staat van
dronkenschap verkeert, hetzij in het openbaar het verkeer belemmert
of de orde verstoort, hetzij eens anders veiligheid bedreigt, hetzij
enige handeling verricht waarbij, tot voorkoming van gevaar voor
leven of gezondheid van derden, bijzondere omzichtigheid of
voorzorgen worden vereist, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste zes dagen of geldboete van de eerste categorie.
2. Indien tijdens het plegen van de
overtreding nog geen jaar is verlopen sedert een vroegere
veroordeling van de schuldige wegens gelijke of de in artikel 453
omschreven overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij
gestraft met hechtenis van ten hoogste twee weken of geldboete van
de tweede categorie.
Artikel 426bis
Hij die wederrechtelijk op de openbare
weg een ander in zijn vrijheid van beweging belemmert of met een of
meer anderen zich aan een ander tegen diens uitdrukkelijk verklaarde
wil blijft opdringen of hem op hinderlijke wijze blijft volgen, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 427
Met geldboete van de eerste categorie
wordt gestraft:
1°. de eigenaar of gebruiker die
ten opzichte van toegangen tot of openingen van kluizen, kelders,
onderaardse lokalen en ruimten, waar die op de openbare weg
uitkomen, niet de nodige voorzorgsmaatregelen neemt ten behoeve
van de veiligheid van de voorbijgangers;
2°. hij die niet zorgt dat een
door hem of op zijn last op een openbare weg gedane op- of
uitgraving of een door hem of op zijn last op de openbare weg
geplaatst voorwerp behoorlijk verlicht en van de gebruikelijke
tekens voorzien is;
3°. hij die bij een verrichting op
of aan de openbare weg niet de nodige maatregelen neemt om
voorbijgangers tegen mogelijk gevaar te waarschuwen;
4°. hij die iets plaatst op of
aan, of werpt of uitgiet uit een gebouw, op zodanige wijze dat
door of ten gevolge daarvan iemand die van de openbare weg gebruik
maakt, nadeel kan ondervinden;
5°. hij die op de openbare weg een
rij-, trek- of lastdier laat staan, zonder de nodige
voorzorgsmaatregelen tegen het aanrichten van schade te hebben
genomen;
6°. hij die zonder verlof van het
bevoegd gezag, enige openbare land- of waterweg verspert of het
verkeer daarop belemmert.
Artikel 428
Hij die, zonder verlof van de
burgemeester, dan wel, in geval van een situatie als bedoeld in
artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s, de voorzitter van de
veiligheidsregio of van de door deze aangewezen ambtenaar, een of meer
eigen onroerende zaken in brand steekt, wordt gestraft met geldboete
van de eerste categorie.
Artikel 429
Met hechtenis van ten hoogste veertien
dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
1°. hij die een vuurwapen
afschiet, een vuurwerk ontsteekt of een vuur aanlegt, voedt of
onderhoudt op zo korte afstand van gebouwen of goederen, dat
daardoor brandgevaar kan ontstaan;
2°. hij die, anders dan in de
gevallen toegelaten bij of krachtens de Wet luchtvaart, een ballon
oplaat waaraan brandende stoffen gehecht zijn;
3°. hij die door gebrek aan de
nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-,
gras- of veenbrand doet ontstaan;
4°. hij die wederrechtelijk in
oppervlaktewateren enige stof aanbrengt waardoor nadeel kan
ontstaan in verband met het gebruik dat gewoonlijk van die wateren
wordt gemaakt;
5°. hij die een vlieger oplaat of
in de lucht heeft aan een lijn die zich geheel of ten dele bevindt
binnen een afstand van vijfhonderd meter van een bovengrondse
elektrische hoogspanningsleiding.
Titel II. Overtredingen betreffende de
openbare orde
Artikel 429bis
Hij die op een van de openbare weg
zichtbare plaats woorden of afbeeldingen stelt of gesteld houdt, die,
als smalende godslasteringen, voor godsdienstige gevoelens krenkend
zijn, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of
geldboete van de tweede categorie.
Artikel 429ter [Vervallen per
01-02-1992]
Artikel 429quater
1. Hij die in de uitoefening van een
ambt, beroep of bedrijf personen discrimineert wegens hun ras, hun
godsdienst, hun levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of
homoseksuele gerichtheid wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij wiens handelen of nalaten in de uitoefening van een ambt, beroep
of bedrijf zonder redelijke grond, ten doel heeft of ten gevolge kan
hebben dat ten aanzien van personen met een lichamelijke, psychische
of verstandelijke handicap de erkenning, het genot of de uitoefening
op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of
op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet
gedaan of aangetast.
Artikel 429quinquies
Hij die zonder daartoe gerechtigd te
zijn zich op een verboden plaats bevindt, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 429sexies [Vervallen per
01-10-2010]
Artikel 430
Hij die zonder verlof van het bevoegd
gezag een opneming doet, een tekening of beschrijving maakt van enig
militair werk, of die openbaar maakt, wordt gestraft met hechtenis van
ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 430a
Hij die zich buiten een door de
gemeenteraad als geschikt voor ongeklede openbare recreatie aangewezen
plaats, ongekleed bevindt op of aan een voor het openbaar verkeer
bestemde plaats die voor ongeklede recreatie niet geschikt is, wordt
gestraft met geldboete van de eerste categorie.
Artikel 431
Met geldboete van de eerste categorie
wordt gestraft hij die rumoer of burengerucht verwekt waardoor de
nachtrust kan worden verstoord.
Artikel 432 [Vervallen per 01-10-2000]
Artikel 433 [Vervallen per 01-10-2000]
Artikel 434 [Vervallen per 01-10-2000]
Artikel 435
Met geldboete van de tweede categorie
wordt gestraft:
1°. hij die zonder daartoe
gerechtigd te zijn een Nederlandse adellijke titel voert of een
Nederlands ordeteken draagt;
2°. hij die zonder ’s Konings
verlof waar dit vereist wordt, een vreemd ordeteken, titel, rang
of waardigheid aanneemt;
3°. hij die zonder daartoe
gerechtigd te zijn de titel van advocaat, gerechtsdeurwaarder, dan
wel een der in de artikelen 7.20, 7.22, tweede lid, 7.22a, eerste
lid, en 7a.5 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek genoemde titels voert;
4°. hij die, door het bevoegd
gezag naar zijn identiteitsgegevens gevraagd, een valse naam,
voornaam, geboortedatum, geboorteplaats, adres waarop hij in de
basisadministratie persoonsgegevens als ingezetene staat
ingeschreven of woon- of verblijfplaats opgeeft.
Artikel 435a
Hij die in het openbaar kledingstukken
of opzichtige onderscheidingstekens draagt of voert, welke uitdrukking
zijn van een bepaald staatkundig streven, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste twaalf dagen of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 435b
1. Hij die, zonder daartoe gerechtigd
te zijn, gebruik maakt van woorden, uitdrukkingen of kentekens, die
aanduiden of de indruk kunnen wekken dat zijn optreden is bevorderd
dan wel de steun of de erkenning geniet van rijkswege, vanwege
Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een buitenlandse mogendheid dan wel
vanwege een volkenrechtelijke organisatie, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede
categorie.
2. [Vervallen.]
3. Bij veroordeling wegens de in het
eerste lid omschreven overtreding, kan openbaarmaking van de
rechterlijke uitspraak worden gelast.
Artikel 435c
Hij die, zonder daartoe gerechtigd te
zijn, gebruik maakt van het rode-kruisteken of van de woorden
"Rode Kruis" of "Kruis van Genève", of van
daarmede door de wetten en gebruiken van de oorlog gelijkgestelde
tekens of woorden, dan wel van tekens of woorden die daarvan een
nabootsing zijn, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een
maand of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 435d
Met hechtenis van ten hoogste een maand
of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft hij die het wapen
van het Zwitserse Eedgenootschap of een teken hetwelk een nabootsing
daarvan vormt, gebruikt:
1°. hetzij als fabrieks- of
handelsmerk of als onderdeel van zulk een merk;
2°. hetzij met een doel, strijdig
met de eerlijkheid in de handel;
3°. hetzij onder omstandigheden
die het Zwitserse nationale gevoel zouden kunnen krenken.
Artikel 435e
Hij die, anders dan in besloten kring,
door tussenkomst van een ten algemenen nutte of mede ten algemenen
nutte gebezigde telefooninrichting, goederen of diensten tegen
betaling aanbiedt, daarbij te kennen gevend of de indruk wekkend dat
de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
bestemd, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
Artikel 435f [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 435g [Vervallen per 01-05-1971]
Artikel 436
1. Hij die, niet toegelaten tot de
uitoefening van een beroep waartoe de wet een toelating vordert,
buiten noodzaak dat beroep uitoefent, wordt gestraft met geldboete
van de tweede categorie.
2. Hij die, toegelaten tot de
uitoefening van een beroep waartoe de wet een toelating vordert,
buiten noodzaak in de uitoefening van dat beroep de grenzen van zijn
bevoegdheid overschrijdt, wordt gestraft met geldboete van de tweede
categorie.
3. Indien tijdens het plegen van de
overtreding nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere
veroordeling van de schuldige wegens gelijke overtreding
onherroepelijk is geworden, kan in het geval van het eerste lid
hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde
categorie, in het geval van het tweede lid hechtenis van ten hoogste
een maand of geldboete van de derde categorie worden opgelegd.
Artikel 436a [Vervallen per 01-03-2001]
Artikel 437
1. Met hechtenis van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft de bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen handelaar die in de
uitoefening van zijn beroep of bedrijf:
a. niet met inachtneming van de
bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels aantekening
houdt van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij heeft
verworven dan wel voorhanden heeft,
b. een gebruikt of ongeregeld
goed verwerft van iemand, zonder dat diegene zijn
identiteitsgegevens heeft opgegeven of zonder dat hij die
gegevens in zijn administratie heeft aangetekend,
c. nalaat zijn administratie op
eerste aanvraag ter inzage te geven aan een daartoe door de
burgemeester aangewezen ambtenaar.
d. nalaat een gebruikt of
ongeregeld goed dat hij heeft verworven of voorhanden heeft, op
eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in onderdeel c,
ter bezichtiging af te staan en deze te laten zien waar dit goed
in zijn administratie staat ingeschreven,
e. een goed dat bij hem door of
vanwege de politie met een duidelijke schriftelijke omschrijving
als door misdrijf aan de rechthebbende is onttrokken of als
verloren is aangegeven, verwerft of voorhanden heeft,
f. aan een hem schriftelijk
uitgereikt last van een ambtenaar, zoals bedoeld in onderdeel c,
tot het gedurende een daarbij aangegeven tijd, veertien dagen
niet te boven gaande, bewaren of in bewaring geven van een goed
dat hij voorhanden heeft, of aan een hem bij die last gegeven
aanwijzing, geen gevolg geeft, of
g. nalaat de van hem bij
schriftelijke vordering van een ambtenaar, zoals bedoeld in
onderdeel c, gevraagde opgaven betreffende door hem verworven of
bij hem voorhanden zijnde goederen binnen de termijn, bij de
vordering gesteld, naar waarheid te verschaffen.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
de voor de handelaar uit het eerste lid optredende persoon die een
feit begaat als in dit lid onder a tot en met g omschreven;
3. De schuldige kan worden ontzet van
de uitoefening van het beroep waarin hij de overtreding begaat.
4. Onder ongeregelde goederen worden
verstaan goederen die wegens hun aard of uitvoering, hun herkomst of
de staat waarin zij verkeren, niet tot de algemeen gangbare goederen
kunnen worden gerekend.
Artikel 437bis
1. Met hechtenis van ten hoogste zes
maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft de
handelaar die op grond van artikel 437 bij algemene maatregel van
bestuur is aangewezen en in de oefening van zijn beroep of bedrijf:
a. een goed van een minderjarige
verwerft, of
b. een goed van iemand van wie
hij weet of redelijkwijs moet vermoeden dat hij is opgenomen in
een strafinrichting, rijksinrichting voor kinderbescherming of
krankzinnigengesticht, verwerft.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
de voor de handelaar uit het eerste lid optredende persoon die een
feit begaat als in dit lid onder a en b omschreven.
3. De schuldige kan worden ontzet van
de uitoefening van het beroep waarin hij de overtreding heeft
begaan.
Artikel 437ter
1. De handelaar aangewezen bij
algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, die een
verordening door de raad van een gemeente ter bestrijding van heling
uitgevaardigd en afgekondigd, overtreedt, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde
categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft
hij die van opkopen een beroep of gewoonte maakt, zonder daarvan te
voren de burgemeester of een door die burgemeester aangewezen
ambtenaar schriftelijk in kennis te hebben gesteld.
Artikel 437quater
Hij die enig voorschrift ter voorkoming
van gevaar voor begunstiging van misdrijven, bij algemene maatregel
van bestuur met betrekking tot het verkeer op bepaalde daarbij aan te
wijzen watergebieden vastgesteld, overtreedt, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde
categorie.
Artikel 438
1. Hij die er zijn beroep van maakt
aan personen nachtverblijf te verschaffen wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede
categorie indien hij:
1e. nalaat zich onverwijld bij
aankomst van de persoon die in de door hem gehouden inrichting
de nacht zal doorbrengen een geldig reisdocument of
identiteitsbewijs te doen overleggen;
2e. geen doorlopend register
houdt of nalaat daarin onverwijld bij de aankomst van die
persoon zijn naam, woonplaats en dag van aankomst aan te tekenen
of te doen aantekenen alsmede zelf daarin aantekening te houden
of te doen houden van de aard van het overgelegde document, en,
bij het vertrek, de dag van het vertrek;
3e. nalaat dat register op
aanvraag te vertonen aan de burgemeester dan wel aan de door
deze aangewezen ambtenaar.
2. Met dezelfde straf wordt de
gelijke nalatigheid gestraft van degene die er zijn beroep of een
gewoonte van maakt aan meerderjarige personen een terrein, daaronder
begrepen iedere binnenhaven of elk binnenwater ingericht tot het
afmeren van pleziervaartuigen, al of niet met daarbij behorende
voorzieningen, ter beschikking te stellen voor het houden van
nachtverblijf of voor het plaatsen dan wel geplaatst houden van
kampeermiddelen of daartoe enig bouwwerk, niet zijnde een inrichting
als bedoeld in het eerste lid, ter beschikking stelt.
3. Op nachtverblijf, verschaft aan
meereizende echtgenoten, minderjarige kinderen of aan
reisgezelschappen, is het voorgaande niet van toepassing.
Artikel 439
1. Met hechtenis van ten hoogste een
maand of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
1°. hij die van een krijgsman
beneden de rang van officier goederen behorende tot de kleding,
uitrusting of bewapening koopt, inruilt, als geschenk aanneemt,
in pand, gebruik of bewaring neemt, of zodanige goederen voor
een krijgsman beneden de rang van officier verkoopt, ruilt, ten
geschenke, in pand, gebruik of bewaring geeft, zonder
schriftelijke vergunning door of vanwege de bevelvoerende
officier afgegeven;
2°. hij die, een gewoonte
makende van het kopen van zodanige goederen, de bij algemene
maatregel van inwendig bestuur gegeven voorschriften omtrent het
daarvan te houden register niet naleeft.
2. Indien tijdens het plegen van de
overtreding nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere
veroordeling van de schuldige wegens een van deze overtredingen
onherroepelijk is geworden, kan de straf van hechtenis worden
verdubbeld.
Artikel 440
Hij die drukwerken of andere voorwerpen
in een vorm die ze op munt- of bankbiljetten, op muntspeciën, op van
rijksmerken voorziene platina, gouden of zilveren werken, op
postzegels of op reisdocumenten doet gelijken, vervaardigt, ontvangt,
zich verschaft, in voorraad heeft, vervoert, invoert, doorvoert of
uitvoert, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
Artikel 441
Met hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die de
inhoud of de strekking van hetgeen door middel van een onder zijn
beheer staande of door hem gebruikt radio-ontvangapparaat is
opgevangen en, naar hij redelijkerwijs moet vermoeden, niet voor hem
of mede voor hem bestemd is, hetzij aan een ander meedeelt, indien hij
redelijkerwijs moet vermoeden, dat dan openlijke bekendmaking van de
inhoud of de strekking volgen zal en zodanige bekendmaking volgt,
hetzij openlijk bekend maakt.
Artikel 441a
Hij die openlijk of door verspreiding
van enig geschrift ongevraagd een voorwerp als verkrijgbaar dan wel
als bij hem voorhanden aanwijst en daarbij de aandacht vestigt op de
geschiktheid daarvan als technisch hulpmiddel voor het heimelijk
afluisteren, aftappen of opnemen van gesprekken, telecommunicatie of
andere gegevensoverdracht door een geautomatiseerd werk of als
onderdeel van zulk een hulpmiddel, wordt gestraft met hechtenis van
ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 441b
Met hechtenis van ten hoogste twee
maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die,
gebruik makende van een daartoe aangebracht technisch hulpmiddel
waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt,
van een persoon, aanwezig op een voor het publiek toegankelijke
plaats, wederrechtelijk een afbeelding vervaardigt.
Artikel 442
Met hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:
1°. hij die, surséance van
betaling verkregen hebbende, eigenmachtig daden verricht waartoe
de medewerking van bewindvoerders door de wet wordt gevorderd;
2°. de bestuurder of commissaris
van een rechtspersoon welke surséance van betaling verkregen
heeft, die eigenmachtig daden verricht waartoe de medewerking van
bewindvoerders door de wet wordt gevorderd.
Artikel 442a
Hij die zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de raad voor de kinderbescherming een
kind beneden de leeftijd van zes maanden hetwelk niet onder voogdij
van een rechtspersoon staat als pleegkind opneemt, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste drie weken of geldboete van de tweede
categorie.
Titel III. Overtredingen betreffende
het openbaar gezag
Artikel 443
Hij die een algemeen voorschrift van
politie, krachtens de Gemeentewet in buitengewone omstandigheden door
de burgemeester, de voorzitter van de veiligheidsregio of de
commissaris van de Koning in de provincie uitgevaardigd en
afgekondigd, overtreedt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 444
Hij die, wettelijk als getuige, als
deskundige of als tolk opgeroepen, wederrechtelijk wegblijft, wordt
gestraft met geldboete van de eerste categorie.
Artikel 445
Hij die in zaken van minderjarigen of
van onder curatele te stellen of gestelde personen, of van hen die in
een psychiatrisch ziekenhuis zijn opgenomen, als bloedverwant,
aangehuwde, echtgenoot, voogd, curator, voor de rechter geroepen om te
worden gehoord, noch in persoon noch, waar dit is toegelaten, door
tussenkomst van een gemachtigde verschijnt, zonder geldige reden van
verschoning, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
Artikel 446
Hij die, bij het bestaan van gevaar
voor de algemene veiligheid van personen of goederen of bij ontdekking
van een misdrijf op heter daad, het hulpbetoon weigert dat de openbare
macht van hem vordert en waartoe hij, zonder zich aan dadelijk gevaar
bloot te stellen, in staat is, wordt gestraft met geldboete van de
eerste categorie.
Artikel 446a
Met een hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft hij die,
1°. nadat hij een bevoegdheid als
bedoeld in artikel 539b, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering heeft uitgeoefend, dan wel
2°. nadat hem buiten het
rechtsgebied van een rechtbank een aangehouden verdachte of een in
beslag genomen voorwerp is overgeleverd, dan wel
3°. nadat hij buiten het
rechtsgebied van een rechtbank op last van het openbaar ministerie
een persoon heeft aangehouden,
niet onverwijld en op de snelst
mogelijke wijze aan een bevoegde officier van justitie kennis geeft
van de gegevens, bedoeld in artikel 539b, tweede en derde lid, van het
Wetboek van Strafvordering, of nalaat te trachten ten spoedigste
aanwijzingen van de officier van justitie te verkrijgen als bedoeld in
het derde lid van dat artikel.
Artikel 447
Hij die een bekendmaking, vanwege het
bevoegd gezag in het openbaar gedaan, wederrechtelijk afscheurt,
onleesbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft met geldboete van de
eerste categorie.
Artikel 447a
Met geldboete van de tweede categorie
wordt gestraft:
1°. hij die niet of niet
behoorlijk voldoet aan enige verplichting, opgelegd in artikel 195
van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de artikelen
192 en 178 derde lid van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, of
opgelegd in de artikelen 785 en 786 van Boek 8 van het Burgerlijk
Wetboek in verband met de artikelen 782 en 178 derde lid, naast
artikel 771 van Boek 8 van dat Wetboek of in de algemene
maatregelen van bestuur bedoeld in de artikelen 231 en 841 van
Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
2°. hij die het brandmerk, de
benaming of kentekens op een teboekstaand schip, voorgeschreven in
de onder 1° genoemde algemene maatregel van bestuur, verwijdert,
verandert dan wel onduidelijk of onzichtbaar maakt op een andere
wijze dan volgens die algemene maatregel van bestuur geoorloofd
is;
3°. hij die niet of niet
behoorlijk voldoet aan de verplichting, opgelegd in artikel 1304,
tweede lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, of aan enige
verplichting, opgelegd in een algemene maatregel van bestuur,
uitgevaardigd krachtens artikel 1321 van Boek 8 van het Burgerlijk
Wetboek.
Artikel 447b
Hij die een reisdocument dat in zijn
bezit is, maar waarvan hij niet de houder is, of dat ingevolge een
wettelijke bepaling moet worden ingeleverd, niet terstond wanneer hem
dit mondeling door een daartoe bevoegde ambtenaar is bevolen, dan wel
binnen veertien dagen, nadat hem dit bij aangetekend schrijven in
persoon is medegedeeld inlevert, wordt gestraft met geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 447c
Hij die, anders dan door valsheid in
geschrift, aan degene door wie of door wiens tussenkomst enige
verstrekking of tegemoetkoming wordt verleend, gegevens verstrekt die
naar hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden niet met de waarheid
in overeenstemming zijn, wordt, indien deze gegevens van belang zijn
voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking
of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke
verstrekking of tegemoetkoming, gestraft met hechtenis van ten hoogste
zes maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 447d
Hij die, in strijd met een hem bij of
krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, nalaat tijdig
de benodigde gegevens te verstrekken, wordt, indien deze gegevens van
belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een
verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van
een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, gestraft met hechtenis
van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
Artikel 447e
Hij die niet voldoet aan de
verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem
opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek van
Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht, de Overleveringswet, de
Uitleveringswet, de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen,
de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter
beschikking gestelden, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
of de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, wordt
gestraft met geldboete van de tweede categorie.
Titel IV. Overtredingen betreffende de
burgerlijke staat
Artikel 448
Hij die niet voldoet aan een wettelijke
verplichting tot aangifte aan de ambtenaar van de burgerlijke stand
voor de registers van geboorte of overlijden, wordt gestraft met
geldboete van de eerste categorie.
Artikel 449
1. De bedienaar van de godsdienst
die, voordat partijen hem hebben doen blijken dat hun huwelijk ten
overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken,
enige godsdienstige plechtigheid daartoe betrekkelijk verricht,
wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
2. Indien tijdens het plegen van de
overtreding nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere
veroordeling van de schuldige wegens gelijke overtreding
onherroepelijk is geworden, kan hechtenis van ten hoogste twee
maanden of geldboete van de tweede categorie worden opgelegd.
Titel V. Overtreding betreffende
hulpbehoevenden
Artikel 450
Hij die, getuige van het ogenblikkelijk
levensgevaar waarin een ander verkeert, nalaat deze die hulp te
verlenen of te verschaffen die hij hem, zonder gevaar voor zichzelf of
anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, verlenen of verschaffen kan,
wordt, indien de dood van de hulpbehoevende volgt, gestraft met
hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
categorie.
Titel VI. Overtredingen betreffende de
zeden
Artikel 451 [Vervallen per 21-05-1986]
Artikel 451bis [Vervallen per
01-01-1988]
Artikel 451ter [Vervallen per
01-01-1970]
Artikel 451quater [Vervallen per
01-11-1984]
Artikel 452 [Vervallen per 15-06-1911]
Artikel 453
Hij die zich in kennelijke staat van
dronkenschap op de openbare weg bevindt, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste twaalf dagen of geldboete van de eerste categorie.
Artikel 454 [Vervallen per 01-11-1967]
Artikel 455 [Vervallen per 01-09-1996]
Artikel 456 [Vervallen per 15-06-1911]
Artikel 457 [Vervallen per 31-12-1964]
Titel VII. Overtredingen betreffende de
veldpolitie
Artikel 458
Hij die, zonder daartoe gerechtigd te
zijn, zijn niet uitvliegend pluimgedierte laat lopen in tuinen of op
enige grond die bezaaid, bepoot of beplant is, wordt gestraft met
geldboete van de eerste categorie.
Artikel 459
Hij die, zonder daartoe gerechtigd te
zijn, vee laat lopen in tuinen, hakbossen of rijswaarden, op enig wei-
of hooiland of op enige grond die bezaaid, bepoot of beplant is, of
die ter bezaaiing, bepoting of beplanting is gereedgemaakt, wordt
gestraft met geldboete van de eerste categorie.
Artikel 460
Hij die zich, zonder daartoe gerechtigd
te zijn, bevindt op enige grond die bezaaid, bepoot of beplant is, of
die ter bezaaiing, bepoting of beplanting is gereedgemaakt, of
gedurende de maanden mei tot en met oktober op enig wei- of hooiland,
wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
Artikel 461
Hij die, zonder daartoe gerechtigd te
zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem
blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevindt of daar vee
laat lopen, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
Titel VIII. Ambtsovertredingen
Artikel 462
De ambtenaar, bevoegd tot de uitgifte
van afschriften of uittreksels van vonnissen, die zodanig afschrift of
uittreksel uitgeeft alvorens het vonnis behoorlijk is ondertekend,
wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
Artikel 463
De ambtenaar die zonder verlof van het
bevoegd gezag afschrift maakt of uittreksel neemt van geheime
regeringsbescheiden of die openbaar maakt, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede
categorie.
Artikel 464
Het hoofd van een gesticht, bestemd tot
opsluiting van veroordeelden, voorlopig aangehoudenen of gegijzelden,
of van een rijksinrichting voor kinderbescherming of psychiatrisch
ziekenhuis, die iemand in het gesticht of ziekenhuis opneemt of houdt
zonder zich het bevel van de bevoegde macht of de rechterlijke
uitspraak te hebben laten vertonen, of die nalaat van deze opneming en
van het bevel of de uitspraak op grond waarvan zij geschiedt, in zijn
registers de vereiste inschrijving te doen, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede
categorie.
Artikel 465
De ambtenaar van de burgerlijke stand
die nalaat vóór de voltrekking van een huwelijk zich de
bewijsstukken of verklaringen te laten geven die door enig wettelijk
voorschrift worden gevorderd, wordt gestraft met geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 466
De ambtenaar van de burgerlijke stand
die in strijd handelt met enig wettelijk voorschrift omtrent de
registers of de akten van de burgerlijke stand of omtrent de
formaliteiten vóór of de voltrekking van een huwelijk, wordt
gestraft met geldboete van de eerste categorie.
Artikel 467
De ambtenaar van de burgerlijke stand
die nalaat een akte in de registers op te nemen, wordt gestraft met
geldboete van de tweede categorie.
Artikel 468
Met geldboete van de eerste categorie
wordt gestraft:
1°. de ambtenaar van de
burgerlijke stand die nalaat aan het bevoegd gezag de opgaven te
doen die enig wettelijk voorschrift van hem vordert;
2°. de ambtenaar die nalaat aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand de opgaven te doen die enig
wettelijk voorschrift van hem vordert.
Artikel 468a
Onder ambtenaar van de burgerlijke
stand wordt ten aanzien van de artikelen 466-468 verstaan een ieder
die ingevolge enig wettelijk voorschrift met de bewaring van een
register van de burgerlijke stand is belast.
Titel IX. Scheepvaartovertredingen
Artikel 469
De schipper van een Nederlands vaartuig
die naar zee vertrekt alvorens hij de in artikel 451 van het Wetboek
van Koophandel vereiste monsterrol heeft opgemaakt of bijgesteld,
heeft ondertekend en heeft gezonden aan de inspecteur-generaal van de
Inspectie Verkeer en Waterstaat, wordt gestraft met geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 470
De schipper die niet alle door of
krachtens wettelijke bepalingen gevorderde scheepspapieren, boeken,
bescheiden of andere gegevensdragers aan boord heeft, wordt gestraft
met geldboete van de eerste categorie.
Artikel 470a
De schipper van een Nederlands vaartuig
die daarmede een reis onderneemt zonder dat voor zijn schip een, door
artikel 407 van het Wetboek van Koophandel vereist, certificaat voor
de verblijven is afgegeven en nog geldig is, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede
categorie.
Artikel 471
1. Met geldboete van de tweede
categorie wordt gestraft:
1°. de schipper van een
Nederlands vaartuig die niet zorgt dat aan boord van zijn
vaartuig de bij de wet vereiste dagboeken overeenkomstig de
wettelijke voorschriften worden gehouden of die dagboeken niet
vertoont wanneer de wet dit vordert;
2°. de schipper van een
Nederlands schip die het register van strafbare feiten, bedoeld
in artikel 539u van het Wetboek van Strafvordering, niet
overeenkomstig de wettelijke voorschriften houdt of niet
vertoont wanneer de wet dit vordert;
3°. [vervallen;]
4°. de eigenaar, de
rompbevrachter, de boekhouder of schipper van een Nederlands
vaartuig die weigert aan belanghebbenden op hun aanvraag inzage
of, tegen betaling van de kosten, afschrift te verstrekken van
de aan boord van het vaartuig gehouden dagboeken.
2. Indien tijdens het plegen van de
overtreding nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere
veroordeling van de schuldige wegens een van deze overtredingen
onherroepelijk is geworden, kan hechtenis van ten hoogste twee
maanden of geldboete van de tweede categorie worden opgelegd.
Artikel 471a
Hij die het bepaalde bij artikel 539u
van het Wetboek van Strafvordering overtreedt wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
categorie.
Artikel 472
De schipper van een Nederlands vaartuig
die niet voldoet aan zijn wettelijke verplichting betreffende de
inschrijving en kennisgeving van geboorten of sterfgevallen die
gedurende een zeereis plaats hebben, wordt gestraft met geldboete van
de eerste categorie.
Artikel 473 [Vervallen per 01-09-1988]
Artikel 473a [Vervallen per 03-02-1955]
Artikel 474
De schipper die niet voldoet aan de
verplichtingen bedoeld in het tweede lid van artikel 358a of van
artikel 785 van het Wetboek van Koophandel, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
categorie.
Artikel 475
De eigenaar zowel als de
rompbevrachter, die de hem in het derde lid van artikel 451e van het
Wetboek van Koophandel opgelegde verplichting, en de schipper die een
der hem in het eerste en derde lid van dat artikel opgelegde
verplichtingen niet nakomt, worden gestraft met geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 476
De eigenaar, de rompbevrachter en de
schipper van een Nederlands vaartuig aan boord waarvan personen als
schepelingen werkzaam zijn in strijd met het verbod van artikel 406 of
artikel 452s van het Wetboek van Koophandel, worden gestraft met
geldboete van de eerste categorie voor iedere persoon die aldus
werkzaam is.
Artikel 477 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 478 [Vervallen per 01-04-1991]
Algemene slotbepaling
Artikel 479
Het in werking treden van dit wetboek
wordt nader bij de wet geregeld.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Collegiën en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, den 3den Maart 1881
WILLEM
De Minister van Justitie,
A.E.J. Modderman
Uitgegeven den vijfden Maart 1881
De Minister van Justitie,
A.E.J. Modderman
|