|
Nadere regelgeving:
- Beschikking
aanwijzing advocaat
- Besluit
aanvang tenuitvoerlegging straffen en maatregelen
- Besluit
bepaling duur gevangenisstraf ex artikel 369 en 376 Wetboek van
Strafvordering
- Besluit
bepaling duur gevangenisstraf ex artikel 487 en 501 Wetboek van
Strafvordering
- Besluit
buitengewoon opsporingsambtenaar
- Besluit
DNA-onderzoek in strafzaken
- Besluit
elektronische aangifte
- Besluit
ex artikel 539n Wetboek van Strafvordering
- Besluit
gedragsbeïnvloeding jeugdigen
- Besluit
getuigenbescherming
- Besluit
in beslag genomen voorwerpen
- Besluit
kennisgeving gerechtelijke mededelingen
- Besluit
OM-afdoening
- Besluit
opsporing terroristische misdrijven
- Besluit
technische hulpmiddelen strafvordering
- Besluit
tenuitvoerlegging geldboeten
- Besluit
toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek
- Besluit
uitsluiting oproepingsprocedure
- Besluit
vorderen gegevens telecommunicatie
- Reclasseringsregeling
1995
- Regeling
tijdelijk verlaten van de inrichting
- Samenwerkingsbesluit
bijzondere opsporingsbevoegdheden
- Uitvoeringsbesluit
wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van bevelen tot
inbeslagneming
- Uitvoeringsregeling
reclassering 2005'
WET van 15 januari 1921
WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje Nassau, enz., enz., enz..
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen,
salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het
noodzakelijk is een nieuw Wetboek van Strafvordering vast te stellen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
Worden vastgesteld de navolgende bepalingen welke zullen uitmaken het
Wetboek van Strafvordering
Eerste Boek. Algemeene bepalingen
Titel I. Strafvordering in het algemeen
Eerste afdeeling. Inleidende bepaling
Artikel 1
Strafvordering heeft alleen plaats op
de wijze bij de wet voorzien.
Tweede afdeeling. Relatieve bevoegdheid
van de rechtbanken tot kennisneming van strafbare feiten
Artikel 2
1. Van de rechtbanken zijn
gelijkelijk bevoegd:
die binnen welker rechtsgebied het
feit is begaan;
die binnen welker rechtsgebied de
verdachte woon- of verblijfplaats heeft;
die binnen welker rechtsgebied de
verdachte zich bevindt;
die binnen welker rechtsgebied de
verdachte zijne laatst bekende woon- of verblijfplaats heeft gehad;
die bij welke tegen de verdachte een
vervolging ter zake van een ander feit is aangevangen;
die welker rechtsgebied grenst aan de
territoriale zee alsmede die te Amsterdam, indien het feit is begaan
ter zee buiten het rechtsgebied van een rechtbank of aan boord van
een vaartuig dat buitengaats wordt gebracht,
die te Rotterdam, indien de officier
van justitie bij het landelijk parket met de vervolging van het
strafbare feit is belast
2. In geval van gelijktijdige
vervolging bij meer dan ééne rechtbank blijft uitsluitend bevoegd
de rechtbank die in deze rangschikking eerder is geplaatst, of,
indien het rechtbanken betreft, welke in deze rangschikking dezelfde
plaats innemen, de rechtbank waarbij de vervolging het eerst is
ingesteld.
3. Indien een voortdurend gebrek aan
voldoende zittingscapaciteit bij een rechtbank daartoe noodzaakt,
kan bij algemene maatregel van bestuur voor de duur van ten hoogste
twee jaar een andere dan de overeenkomstig het eerste of tweede lid
bevoegde rechtbank worden aangewezen als bevoegde rechtbank voor
zaken die behoren tot een bij die maatregel aangewezen categorie.
Onder zittingscapaciteit wordt verstaan hetgeen daaronder wordt
verstaan in artikel 1, onder h, van de Wet op de rechterlijke
organisatie.
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 4
Strafbare feiten buiten het
rechtsgebied van een rechtbank aan boord van een Nederlandsch vaartuig
of luchtvaartuig begaan, worden, ter bepaling van de bevoegdheid des
rechters, geacht te zijn begaan binnen het rijk ter plaatse waar de
eigenaar van het vaartuig of luchtvaartuig woont of de zetel van het
bedrijf is gevestigd dan wel het vaartuig teboekstaat.
Artikel 5
Indien de voorgaande artikelen niet een
bevoegde rechter aanwijzen, is de rechtbank te Amsterdam bevoegd.
Artikel 6
1. Bij deelneming van meer dan één
persoon aan hetzelfde strafbare feit brengt de bevoegdheid ten
aanzien van één der als daders of medeplichtigen aansprakelijke
personen de bevoegdheid mede ten aanzien van de andere.
2. In geval van gelijktijdige
vervolging bij onderscheidene bevoegde rechtbanken blijft
uitsluitend bevoegd de rechter voor wien de als daders
aansprakelijke personen worden vervolgd. Worden zoodanige personen
niet voor hetzelfde gerecht vervolgd, dan blijft uitsluitend bevoegd
de rechter bij wien de vervolging tegen één hunner het eerst is
aangevangen.
3. Indien door meer dan één
persoon, al dan niet tezamen, verschillende strafbare feiten zijn
begaan, die in zodanig verband tot elkaar staan, dat de behandeling
voor één rechtbank gewenst moet worden geacht, worden deze feiten
voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel geacht in
deelneming te zijn begaan.
Derde afdeeling. Vervolging van
strafbare feiten
Artikel 7
De procureur-generaal bij den Hoogen
Raad is belast met de vervolging van die strafbare feiten waarvan de
Hooge Raad in eersten aanleg kennis neemt.
Artikel 8
Het College van procureurs-generaal
waakt voor de richtige vervolging van de strafbare feiten waarvan, de
rechtbanken en de gerechtshoven kennisnemen. Het geeft daartoe de
nodige bevelen aan de hoofden van de parketten.
Artikel 9
1. De officier van justitie bij het
arrondissementsparket is belast met de vervolging van strafbare
feiten waarvan de rechtbank in het arrondissement kennisneemt.
2. De officier van justitie bij het
landelijk parket is belast met de vervolging van de strafbare feiten
ten aanzien waarvan dat bij algemene maatregel van bestuur is
bepaald.
3. De officier van justitie bij het
functioneel parket is belast met de vervolging van strafbare feiten
waarvan de opsporing ingevolge artikel 3 van de Wet op de bijzondere
opsporingsdiensten tot de taken van een bijzondere opsporingsdienst
behoort.
4. De advocaat-generaal bij het
ressortsparket is belast met de vervolging van de strafbare feiten
waarvan het gerechtshof in het ressort kennis neemt.
Artikel 10
1. De officier van justitie, bevoegd
tot het doen van enig onderzoek, kan een bepaalde
onderzoekshandeling ook binnen het rechtsgebied van een andere
rechtbank dan die waarbij hij is geplaatst verrichten of doen
verrichten. Hij brengt in dat geval zijn ambtgenoot hiervan tijdig
op de hoogte.
2. Bij dringende noodzakelijkheid kan
de officier van justitie een bepaalde onderzoekshandeling overdragen
aan de officier van justitie die is geplaatst bij de rechtbank
binnen welker rechtsgebied de onderzoekshandeling moet plaatshebben.
3. De officier van justitie, bevoegd
tot het bijwonen van enig onderzoek door een rechterlijke instantie,
kan als zodanig ook binnen het rechtsgebied van een andere rechtbank
dan die waarbij hij is geplaatst optreden, indien dit onderzoek
aldaar plaatsvindt.
Artikel 11
[Vervallen.]
Vierde afdeeling. Beklag over het niet
vervolgen van strafbare feiten
Artikel 12
1. Wordt een strafbaar feit niet
vervolgd, de vervolging niet voortgezet, of vindt de vervolging
plaats door het uitvaardigen van een strafbeschikking, dan kan de
rechtstreeks belanghebbende daarover schriftelijk beklag doen bij
het gerechtshof, binnen het rechtsgebied waarvan de beslissing tot
niet vervolging of niet verdere vervolging is genomen, dan wel de
strafbeschikking is uitgevaardigd. Indien de beslissing is genomen
door een officier van justitie bij het landelijk parket of bij het
functioneel parket, is het gerechtshof te ’s-Gravenhage bevoegd.
2. Onder rechtstreeks belanghebbende
wordt mede verstaan een rechtspersoon die krachtens zijn
doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang
behartigt dat door de beslissing tot niet vervolging of niet verdere
vervolging rechtstreeks wordt getroffen.
Artikel 12a
1. De griffier van het gerechtshof,
dat het klaagschrift heeft ontvangen, geeft de klager schriftelijk
bericht van de ontvangst.
2. Na ontvangst van het klaagschrift
draagt het gerechtshof de advocaat-generaal op te dien aanzien
schriftelijk verslag te doen.
Artikel 12b
Indien het beklag niet tot de
kennisneming van het gerechtshof behoort, verklaart het gerechtshof
zich onbevoegd. Is het gerechtshof van oordeel dat een ander
gerechtshof dan wel, in geval van artikel 13a, de Hoge Raad bevoegd
is, dan verwijst het gerechtshof de zaak naar het bevoegd geachte
college onder gelijktijdige toezending van het klaagschrift en een
afschrift van de beschikking.
Artikel 12c
Is de klager kennelijk niet
ontvankelijk of het beklag kennelijk ongegrond, dan kan het
gerechtshof zonder nader onderzoek de klager niet ontvankelijk of het
beklag ongegrond verklaren.
Artikel 12d
1. Het gerechtshof beslist niet
alvorens de klager te hebben gehoord, althans behoorlijk daartoe te
hebben opgeroepen, behoudens in de gevallen bedoeld in de artikelen
12b en 12c.
2. Het oproepen van de klager kan ook
achterwege blijven wanneer door hem terzake van hetzelfde feit reeds
eerder beklag is gedaan, tenzij door de klager nieuwe omstandigheden
zijn aangevoerd die, waren zij het gerechtshof bekend geweest, tot
een andere beslissing op dat eerdere beklag hadden kunnen leiden.
3. Indien beklag is gedaan door meer
dan twee personen, kan het gerechtshof volstaan met het oproepen van
de twee personen, wier namen en adressen als eerste in het
klaagschrift zijn vermeld.
Artikel 12e
1. Het gerechtshof kan de persoon
wiens vervolging wordt verlangd oproepen ten einde hem in de
gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over het in het beklag
gedane verzoek en de gronden waarop dat berust. De oproeping gaat
vergezeld van een afschrift van het klaagschrift of bevat een
aanduiding van het feit waarop het beklag betrekking heeft.
2. Een bevel als bedoeld in artikel
12i, eerste lid, wordt niet gegeven dan nadat de persoon wiens
vervolging wordt verlangd door het gerechtshof is gehoord, althans
behoorlijk daartoe is opgeroepen. Artikel 273, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 12f
1. De klager en de persoon wiens
vervolging wordt verlangd kunnen zich in raadkamer doen bijstaan.
Zij kunnen zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien
deze verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of door
een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde. Van
deze bevoegdheid, alsmede van de mogelijkheid om toevoeging van een
advocaat te verzoeken, wordt hun in de oproeping mededeling gedaan.
2. De voorzitter van het gerechtshof
staat, behoudens in de gevallen bedoeld in de artikelen 12b en 12c,
de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd, alsmede hun
advocaten of gemachtigden toe van de op de zaak betrekking hebbende
stukken kennis te nemen indien daarom wordt verzocht. Kennisneming
geschiedt op de wijze door de voorzitter te bepalen. De voorzitter
kan, ambtshalve of op vordering van de advocaat-generaal, bepaalde
stukken van kennisneming uitzonderen in het belang van de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de opsporing of
vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het
algemeen belang ontleend.
Artikel 12g
De persoon wiens vervolging wordt
verlangd is niet verplicht op de vragen, hem in raadkamer gesteld, te
antwoorden. Hiervan wordt hem, voordat hij wordt gehoord, mededeling
gedaan. De mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.
Artikel 12h
Het horen van de klager en de persoon
wiens vervolging wordt verlangd kan ook aan één der leden van het
gerechtshof worden opgedragen.
Artikel 12i
1. Indien het beklag tot de
kennisneming van het gerechtshof behoort, de klager ontvankelijk is
en het gerechtshof van oordeel is dat vervolging of verdere
vervolging had moeten plaats hebben, beveelt het gerechtshof dat de
vervolging zal worden ingesteld of voortgezet ter zake van het feit
waarop het beklag betrekking heeft. Tenzij het gerechtshof anders
bepaalt, kan de vervolging niet worden ingesteld of voortgezet door
het uitvaardigen van een strafbeschikking.
2. Het gerechtshof kan het geven van
zodanig bevel ook weigeren op gronden aan het algemeen belang
ontleend.
3. Het bevel kan tevens de last
bevatten, dat door de officier van justitie de vordering zal worden
gedaan bedoeld in artikel 181 of artikel 241, eerste lid, of dat de
persoon wiens vervolging wordt verlangd ter terechtzitting wordt
gedagvaard.
4. In alle andere gevallen wijst het
gerechtshof, behoudens het bepaalde in artikel 12b, het beklag af.
Artikel 12j
De leden van het gerechtshof die over
het beklag hebben geoordeeld, nemen bij voorkeur geen deel aan de
berechting.
Artikel 12k
1. Indien een strafbeschikking is
uitgevaardigd moet het beklag worden gedaan binnen drie maanden na
de datum waarop de rechtstreeks belanghebbende daarmee bekend is
geworden.
2. Het beklag kan ook na deze termijn
worden gedaan, indien de strafbeschikking niet volledig ten uitvoer
wordt gelegd.
Artikel 12l
1. Beklag is niet toegelaten terzake
van strafbare feiten waarvoor de verdachte buiten vervolging is
gesteld of een beschikking waarin verklaard wordt dat de zaak is
geëindigd aan hem is betekend.
2. Betreft het beklag een strafbaar
feit waarvoor aan de verdachte een kennisgeving van niet verdere
vervolging is betekend, dan moet het beklag worden gedaan binnen
drie maanden nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit
voortvloeit dat de rechtstreeks belanghebbende met de kennisgeving
bekend is geworden.
Artikel 12m [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 12n [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 12o [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 12p [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 13
1. Wordt een verzoekschrift als
bedoeld in artikel 510 niet ingediend, dan kan de rechtstreeks
belanghebbende daarover beklag doen bij het gerechtshof binnen het
rechtsgebied waarvan de indiening zou behoren te geschieden. Het
gerechtshof kan de advocaat-generaal opdragen te dien aanzien
verslag te doen en kan voorts de indiening van het verzoekschrift
bevelen.
2. Het gerechtshof kan het geven van
zodanig bevel ook weigeren op gronden aan het algemeen belang
ontleend.
3. De behandeling van het beklag
vindt plaats overeenkomstig de artikelen 12a tot en met 12l.
Artikel 13a
Betreft het beklag een strafbaar feit
waarvan de Hooge Raad in eersten aanleg kennis neemt, dan geldt
hetgeen in de artikel 12-12j ten aanzien van het gerechtshof, de leden
en de advocaat-generaal voorkomt, ten aanzien van den Hoogen Raad, de
leden en den procureur-generaal bij dien Raad.
Vijfde afdeeling. Schorsing der
vervolging
Artikel 14
1. Indien de waardeering van het te
laste gelegde feit afhangt van de beoordeeling van een geschilpunt
van burgerlijk recht, kan de rechter, in welken stand der vervolging
ook, de vervolging voor een bepaalden tijd schorsen, ten einde de
uitspraak van den burgerlijken rechter over het geschilpunt af te
wachten.
2. De schorsing kan telkens voor een
bepaalden tijd worden verlengd en te allen tijde worden opgeheven.
Artikel 14a
In zaken betreffende minderjarige
verdachten kan de vervolging worden geschorst, indien, gelijktijdig
met de vervolging, ten aanzien van beide of een der ouders,
onderscheidenlijk de voogd, een verzoek of een vordering tot
ontheffing of ontzetting van het ouderlijk gezag, onderscheidenlijk
ontzetting van de voogdij, over de verdachte dan wel een verzoek of
een vordering tot ondertoezichtstelling aanhangig is, en wel totdat de
beslissing daarop onherroepelijk zal zijn geworden.
Artikel 15
Na de kennisgeving van verdere
vervolging of, indien deze niet heeft plaats gehad, na het uitbrengen
van de dagvaarding ter terechtzitting kan de verdachte de schorsing
wegens het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk recht enkel
verzoeken, hetzij bij het bezwaarschrift hetwelk tegen die
kennisgeving of dagvaarding kan worden ingediend, hetzij op de
terechtzitting.
Artikel 16
1. Indien de verdachte aan een
zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn
geestvermogens lijdt, dat hij niet in staat is de strekking van de
tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, schorst de rechter de
vervolging, in welke stand zij zich ook bevindt.
2. Zoodra van het herstel van den
verdachte is gebleken, wordt de schorsing opgeheven.
Artikel 17
1. In geval van schorsing der
vervolging kan de rechter niettemin spoedeischende maatregelen
bevelen.
2. Hij kan gelasten dat de schorsing
zich niet zal uitstrekken tot hetgeen de voorloopige hechtenis
betreft.
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 19
1. De beslissingen omtrent de
schorsing worden genomen hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering
van het openbaar ministerie, hetzij op het verzoek van den verdachte
of zijn raadsman. Zij worden gegeven door het gerecht in feitelijken
aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of anders het laatst werd
vervolgd.
2. Alle beschikkingen worden
onverwijld aan den verdachte beteekend.
Artikel 20
1. Tegen beschikkingen omtrent de
schorsing staat het openbaar ministerie binnen veertien dagen daarna
en den verdachte binnen veertien dagen na de beteekening hooger
beroep open. Is echter de hoofdzaak niet voor hooger beroep vatbaar,
dan is binnen gelijken termijn alleen beroep in cassatie toegelaten.
Tegen beschikkingen in hooger beroep gegeven, staat binnen gelijken
termijn beroep in cassatie open.
2. De Hooge Raad, het gerechtshof of
de rechtbank beslist zoo spoedig mogelijk. Artikel 19, laatste lid,
is van toepassing.
Zesde afdeeling. Behandeling door de
raadkamer
Artikel 21
1. In alle gevallen waarin niet de
beslissing door het rechterlijk college op de terechtzitting is
voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt genomen, geschiedt de
behandeling door de raadkamer. Echter geschieden op de
terechtzitting onderzoek en beslissing omtrent alle vorderingen,
verzoeken of voordrachten, aldaar gedaan.
2. De raadkamer is als volgt
samengesteld:
a. bij de rechtbanken uit drie
leden of, indien het vijfde lid, eerste volzin van toepassing
is, uit één lid;
b. bij de gerechtshoven uit drie
leden of, indien het zesde lid van toepassing is, uit één lid;
c. bij de Hoge Raad uit vijf
leden of, overeenkomstig artikel 75, derde lid, van de Wet op de
rechterlijke organisatie, uit drie leden.
3. Indien door de raadkamer eene
beslissing moet worden gegeven na den aanvang van het onderzoek op
de terechtzitting, is zij zooveel mogelijk samengesteld uit de leden
die op de terechtzitting over de zaak hebben gezeten.
4. Het lid of plaatsvervangend lid
dat als rechter- of raadsheer-commissaris eenig onderzoek in de zaak
heeft verricht, neemt, op straffe van nietigheid, aan de behandeling
door de raadkamer geen deel, tenzij het onderzoek uitsluitend heeft
plaatsgevonden op grond van artikel 316, tweede lid, en de rechter-
of raadsheer-commissaris ook aan het verdere onderzoek ter
terechtzitting kan deelnemen.
5. Behandeling door een enkelvoudige
kamer van de rechtbank kan geschieden indien de zaak van eenvoudige
aard is. Behandeling door een enkelvoudige kamer vindt in elk geval
plaats, indien de kantonrechter de zaak behandelt en beslist.
Behandeling door een meervoudige kamer vindt in elk geval plaats,
indien het betreft de behandeling van beroep tegen een beschikking
van de rechter-commissaris, alsmede van de vordering van het
openbaar ministerie tot gevangenhouding of gevangenneming als
bedoeld inartikel 65, 66, derde lid, laatste volzin, of66a.
6. Behandeling door een enkelvoudige
kamer van het gerechtshof kan geschieden indien de behandeling
verband houdt met een zaak als bedoeld in artikel 411, tweede lid,
alsmede indien het betreft de behandeling van een vordering tot
verlenging van de gevangenhouding als bedoeld in artikel 75, eerste
lid.
7. Indien het lid van de rechtbank
als bedoeld in het vijfde lid of het lid van het gerechtshof als
bedoeld in het zesde lid, oordeelt dat de zaak door een meervoudige
kamer moet worden behandeld verwijst hij de zaak daarheen. De
verwijzing kan geschieden in elke stand van de behandeling. De
verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevond.
Bij de beoordeling van de zaak kan hetgeen voor de verwijzing bij de
behandeling in raadkamer heeft plaatsgevonden worden betrokken.
Artikel 22
1. De behandeling door de raadkamer
vindt, tenzij anders is voorgeschreven, niet in het openbaar plaats.
2. Indien behandeling in het openbaar
is voorgeschreven, kan de raadkamer gehele of gedeeltelijke
behandeling met gesloten deuren bevelen. Dit bevel kan worden
gegeven in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de
veiligheid van de staat, alsmede indien de belangen van
minderjarigen, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak
betrokkenen dit eisen. Een dergelijk bevel kan ook worden gegeven
indien openbaarheid naar het oordeel van de rechtbank het belang van
een goede rechtspleging ernstig zou schaden.
3. Een bevel als bedoeld in het
tweede lid wordt door de raadkamer ambtshalve, op vordering van het
openbaar ministerie, dan wel op het verzoek van de verdachte of
andere procesdeelnemers gegeven. De raadkamer geeft het bevel niet
dan na het openbaar ministerie, de verdachte alsmede andere
procesdeelnemers, zonodig met gesloten deuren, hieromtrent te hebben
gehoord.
4. De raadkamer is bevoegd de
identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in
artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, en van de
getuige op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste en
tweede volzin, indien over de identiteit van de verdachte of getuige
twijfel bestaat. Artikel 29a, tweede lid, is ten aanzien van de
getuige van overeenkomstige toepassing.
5. Tot bijwoning van de niet openbare
behandeling kan de voorzitter bijzondere toegang verlenen.
Artikel 23
1. De raadkamer is bevoegd de noodige
bevelen te geven, opdat het onderzoek hetwelk aan hare beslissing
moet voorafgaan, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal
plaats vinden.
2. Door de raadkamer worden het
openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers
gehoord, althans hiertoe opgeroepen, tenzij anders is
voorgeschreven. Artikel 22, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. De verdachte en andere
procesdeelnemers kunnen zich bij de behandeling door de raadkamer
door een raadsman of advocaat doen bijstaan.
4. Het openbaar ministerie legt aan
de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De
verdachte en andere procesdeelnemers zijn, evenals hun raadsman of
advocaat, bevoegd van de inhoud van deze stukken kennis te nemen.
5. Het tweede tot en met het vierde
lid zijn niet van toepassing, voor zover het belang van het
onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.
Artikel 24
1. De beschikking van de raadkamer is
met redenen omkleed.
Indien openbare behandeling door de
raadkamer is voorgeschreven, wordt zij in het openbaar uitgesproken.
2. De beschikking vermeldt de namen
van de leden van het college, door wie en de dag waarop zij is
gewezen. Zij wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier die
bij de behandeling tegenwoordig is geweest.
3. Bij ontstentenis van de voorzitter
tekent een lid van de raadkamer. Indien de griffier niet tot
ondertekening in staat is wordt daarvan in de beschikking melding
gemaakt.
4. De beschikking wordt, tenzij
anders is voorgeschreven, onverwijld toegezonden aan de verdachte en
andere procesdeelnemers.
5. Het vereiste van de onverwijlde
toezending, bedoeld in het vierde lid geldt niet, indien op grond
van artikel 23, vijfde lid, van het oproepen van de verdachte of
andere procesdeelnemers is afgezien. Toezending vindt plaats, zodra
het belang van het onderzoek dat toelaat.
Artikel 25
1. Van het onderzoek der raadkamer
wordt door den griffier een proces-verbaal opgemaakt, behelzende den
zakelijken inhoud van de afgelegde verklaringen en van hetgeen
verder bij dat onderzoek is voorgevallen.
2. Indien een verdachte, getuige of
deskundige of de raadsman of de advocaat verlangt dat eenige opgave
in de eigen woorden zal worden opgenomen, geschiedt dat, voor zoover
de opgave redelijke grenzen niet overschrijdt, zoveel mogelijk.
3. Het proces-verbaal wordt door den
voorzitter of door een der andere leden van de raadkamer en den
griffier vastgesteld en zoo spoedig mogelijk na den afloop van het
onderzoek onderteekend. Voor zoover de griffier tot een en ander
buiten staat is, geschiedt dit zonder zijne medewerking en wordt van
zijne verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding
gemaakt.
4. Het wordt met de beschikking en de
verdere tijdens het onderzoek in de raadkamer in het geding
gebrachte stukken bij de processtukken gevoegd.
Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2002]
Titel II. De verdachte
Artikel 27
1. Als verdachte wordt vóórdat de
vervolging is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit
feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan eenig
strafbaar feit voortvloeit.
2. Daarna wordt als verdachte
aangemerkt degene tegen wien de vervolging is gericht.
3. De aan de verdachte toekomende
rechten komen tevens toe aan de veroordeelde tegen wie een
strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld of te wiens
aanzien op een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht niet onherroepelijk is
beslist.
Artikel 27a
1. De verdachte wordt ten behoeve van
het vaststellen van zijn identiteit gevraagd naar zijn naam,
voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in
de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven
en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats. Het vaststellen van
zijn identiteit omvat tevens een onderzoek van een identiteitsbewijs
als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. In de
gevallen, bedoeld in artikel 55c, tweede en derde lid, omvat het
vaststellen van zijn identiteit tevens het nemen van een of meer
foto’s en vingerafdrukken.
2. In de gevallen waarin van de
verdachte overeenkomstig dit wetboek vingerafdrukken zijn genomen en
verwerkt, omvat het vaststellen van zijn identiteit ter verificatie
het nemen van zijn vingerafdrukken en het vergelijken van die
vingerafdrukken met de van hem verwerkte vingerafdrukken. In de
andere gevallen omvat het vaststellen van zijn identiteit een
onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de identificatieplicht.
Artikel 27b
1. Onze Minister van Justitie kent
aan de verdachte na de vaststelling van zijn identiteit een
strafrechtsketennummer toe, tenzij aan hem reeds een
strafrechtsketennummer is toegekend. Het strafrechtsketennummer
bevat geen informatie over de verdachte.
2. Het strafrechtsketennummer mag
slechts worden gebruikt ten behoeve van het uitwisselen van
persoonsgegevens van verdachten en veroordeelden ten behoeve van de
toepassing van het strafrecht en de uitvoering van de
Vreemdelingenwet 2000 in bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen gevallen.
3. De functionarissen en organen die
met de toepassing van het strafrecht zijn belast, gebruiken bij het
onderling uitwisselen van persoonsgegevens over verdachten en
veroordeelden het strafrechtsketennummer, evenals bij het
uitwisselen van deze persoonsgegevens met de functionarissen die met
de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 zijn belast.
4. Het strafrechtsketennummer en de
andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de
identiteit van verdachten en veroordeelden en die bij algemene
maatregel van bestuur zijn aangewezen, worden in de
strafrechtsketendatabank verwerkt. Onze Minister van Justitie is
verantwoordelijke voor deze databank.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van
de gegevens, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 28
1. De verdachte is bevoegd zich,
overeenkomstig de bepalingen van den Derden Titel van dit Boek, door
een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan.
2. Hem wordt daartoe, telkens wanneer
hij dit verzoekt, zooveel mogelijk de gelegenheid verschaft om zich
met zijn raadsman of met zijne raadslieden in verbinding te stellen.
Artikel 29
1. In alle gevallen waarin iemand als
verdachte wordt gehoord, onthoudt de verhoorende rechter of
ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft eene verklaring te
verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is
afgelegd. De verdachte is niet tot antwoorden verplicht.
2. Voor het verhoor wordt de
verdachte medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
3. De verklaringen van den verdachte,
bepaaldelijk die welke eene bekentenis van schuld inhouden, worden
in het proces-verbaal van het verhoor zooveel mogelijk in zijne
eigen woorden opgenomen. De mededeling bedoeld in het tweede lid
wordt in het proces-verbaal opgenomen.
Artikel 29a
1. In alle gevallen waarin de
verdachte wordt gehoord of een verhoor bijwoont, stelt de
rechterlijk ambtenaar de identiteit van de verdachte vast op de
wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin. De
rechterlijk ambtenaar is tevens bevoegd de identiteit van de
verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a,
tweede lid, indien over zijn identiteit twijfel bestaat.
2. De verdachte is verplicht op bevel
van een rechterlijk ambtenaar een identiteitsbewijs als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te
bieden en zijn medewerking te verlenen aan het nemen van zijn
vingerafdrukken.
Artikel 30
1. Tijdens het gerechtelijk
vooronderzoek staat de rechter-commissaris, en overigens tijdens het
voorbereidende onderzoek het openbaar ministerie, aan den verdachte
op diens verzoek toe van de processtukken kennis te nemen.
2. Niettemin kan de
rechter-commissaris of het openbaar ministerie, indien het belang
van het onderzoek dit vordert, den verdachte de kennisneming van
bepaalde processtukken onthouden. In dit geval wordt den verdachte
schriftelijk medegedeeld dat de hem ter inzage gegeven stukken niet
volledig zijn.
Artikel 31
Aan den verdachte mag niet worden
onthouden de kennisneming van:
a. de processen-verbaal van zijne
verhooren;
b. de processen-verbaal betreffende
verhooren of handelingen van onderzoek, waarbij hij of zijn
raadsman de bevoegdheid heeft gehad tegenwoordig te zijn, tenzij
en voor zoover uit een proces-verbaal blijkt van eenige
omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek
tijdelijk onkundig moet blijven, en in verband daarmede een bevel
als bedoeld in artikel 50, tweede lid, is gegeven;
c. de processen-verbaal van
verhooren, van welker inhoud hem mondeling volledig mededeeling is
gedaan.
Artikel 32
Ingeval den verdachte de kennisneming
van processtukken wordt onthouden, kan hij daartegen binnen veertien
dagen na de mededeeling vermeld in het tweede lid van artikel 30 en
daarna telkens met perioden van negentig dagen, een bezwaarschrift
indienen bij het gerecht waartoe het openbaar ministerie of de
rechter-commissaris behoort, dat zo spoedig mogelijk beslist.
Artikel 33
De kennisneming van alle processtukken
in het oorspronkelijk of in afschrift mag de verdachte niet worden
onthouden zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten of
geëindigd of, indien een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft
plaatsgehad, zodra de kennisgeving van verdere vervolging of de
dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg aan hem is betekend
dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.
Artikel 34
1. De wijze waarop de kennisneming
van processtukken mag geschieden, wordt geregeld bij algemeenen
maatregel van bestuur.
2. De verdachte kan van de stukken
waarvan hem de kennisneming is toegestaan, ter griffie afschrift
krijgen; doch het onderzoek mag daardoor niet worden opgehouden.
3. Omtrent het verstrekken van
afschriften en uittreksels worden regelen gesteld bij algemene
maatregel van bestuur.
Artikel 35
1. Het gerecht dat tot eenige
beslissing in de zaak is geroepen, is bevoegd den verdachte in de
gelegenheid te stellen om te worden gehoord.
2. Aan een daartoe strekkend verzoek
van den verdachte wordt gevolg gegeven, tenzij het belang van het
onderzoek dit verbiedt.
3. Artikel 23, vierde lid, is van
toepassing.
Artikel 36
1. Wordt eene vervolging niet
voortgezet, dan kan het gerecht in feitelijken aanleg, voor hetwelk
de zaak het laatst werd vervolgd, op het verzoek van den verdachte,
verklaren dat de zaak geëindigd is.
2. Het gerecht is bevoegd, de
beslissing op het verzoek telkens gedurende een bepaalden tijd aan
te houden, indien het openbaar ministerie aannemelijk maakt dat
alsnog verdere vervolging zal plaats vinden.
3. Alvorens het gerecht zijn
beslissing neemt, roept het de rechtstreeks belanghebbende die hem
bekend is op om te worden gehoord over het verzoek van de verdachte.
4. De beschikking wordt onverwijld
aan den verdachte beteekend.
Artikel 36a
1. De verdachte, jegens wie door of
vanwege de Staat een handeling is verricht waaraan hij in
redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van
een bepaald feit in Nederland een vervolging zal worden ingesteld,
kan de rechter-commissaris binnen wiens rechtsgebied de handeling is
verricht, verzoeken dienaangaande enig onderzoek in te stellen.
2. Indien ter zake van een bepaald
feit de vervolging is aangevangen doch geen gerechtelijk
vooronderzoek is ingesteld, kan de verdachte, zolang het onderzoek
op de terechtzitting nog niet is aangevangen, een verzoek bedoeld in
het eerste lid indienen bij de rechter-commissaris binnen wiens
rechtsgebied het feit wordt vervolgd.
3. Het verzoek wordt schriftelijk
gedaan. Het behelst een opgave van het feit en van de handelingen
van onderzoek die door de rechter-commissaris dienen te worden
verricht, en is met redenen omkleed.
Artikel 36b
1. De rechter-commissaris geeft de
verdachte schriftelijk bericht van ontvangst van het verzoek en
zendt de officier van justitie onverwijld een afschrift daarvan.
2. De verdachte wordt, tenzij hij in
zijn verzoek kennelijk niet ontvankelijk of het verzoek kennelijk
ongegrond is, gehoord althans behoorlijk opgeroepen. De verdachte is
bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan.
3. De rechter-commissaris stelt de
officier van justitie op de hoogte van tijd en plaats van het
verhoor. De officier van justitie is bevoegd het verhoor bij te
wonen en daarbij de nodige opmerkingen te maken.
4. De rechter-commissaris beslist zo
spoedig mogelijk. De beschikking is met redenen omkleed en wordt
schriftelijk ter kennis van de verdachte en de officier van justitie
gebracht. In geval van toewijzing van het verzoek, vermeldt de
beschikking het feit waarop het onderzoek betrekking heeft en
verricht de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk de verzochte
handeling van onderzoek.
5. Nadat de onderzoekshandeling is
voltooid, zendt de rechter-commissaris de daarop betrekking hebbende
stukken aan de officier van justitie. Een afschrift zendt hij aan de
verdachte.
Artikel 36c
1. Op het onderzoek van de
rechter-commissaris zijn de bepalingen van detweede tot en met
vijfde afdeling van de Derde Titel van het Tweede Boek van
overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 207 en
208, derde lid.
2. Van de beëindiging van het
onderzoek wordt door de rechter-commissaris aan de officier van
justitie en aan de verdachte schriftelijk kennis gegeven.
Artikel 36d
Een verzoek bedoeld in de artikelen 36,
eerste lid, 36a, eerste lid, of 36a, tweede lid, kan ook door de
raadsman van de verdachte worden gedaan.
Artikel 36e
1. Zolang de verdachte zich in
voorlopige hechtenis bevindt, kan de rechter-commissaris ten aanzien
van het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, ambtshalve
bepaalde handelingen van onderzoek verrichten.
2. Artikel 36c is van overeenkomstige
toepassing.
Titel III. De raadsman
Algemeene bepaling
Artikel 37
Als raadslieden worden slechts
toegelaten in Nederland ingeschreven advocaten. Eveneens worden
toegelaten de personen bedoeld in artikel 16b dan wel 16h van de
Advocatenwet, indien zij samenwerken met een in Nederland ingeschreven
advocaat, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 16e
respectievelijk 16j van de Advocatenwet.
Eerste afdeeling. Keuze van een
raadsman
Artikel 38
1. De verdachte is te allen tijde
bevoegd een of meer raadslieden te kiezen.
2. Tot de keuze van een of meer
raadslieden is ook de wettige vertegenwoordiger van den verdachte
bevoegd.
3. Is de verdachte verhinderd van
zijn wil te dien aanzien te doen blijken en heeft hij geen wettigen
vertegenwoordiger, dan is zijn echtgenoot of geregistreerde partner
of de meest gereede der bloed- of aanverwanten, tot den vierden
graad ingesloten, tot die keuze bevoegd.
4. De ingevolge het tweede of het
derde lid gekozen raadsman treedt af, zoodra de verdachte zelf een
raadsman heeft gekozen.
Artikel 39
1. De gekozen raadsman geeft van zijn
optreden als zoodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de
zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan den griffier. Is dat nog
niet het geval, dan geeft hij van zijn optreden schriftelijk kennis
aan den in de zaak betrokken hulpofficier.
2. Indien hij een gekozen of
toegevoegden raadsman vervangt, geeft hij ook daarvan overeenkomstig
de bepaling van het voorgaande lid kennis.
3. Van den inhoud eener
overeenkomstig dit artikel tot den griffier gerichte kennisgeving
verwittigt deze onverwijld schriftelijk het openbaar ministerie,
bovendien, in geval van een gerechtelijk vooronderzoek, den
rechter-commissaris, en, in geval van het voorgaande lid, den
vervangen raadsman.
4. Door deze mededeeling neemt de
werkzaamheid van den vervangen toegevoegden of vroeger gekozen
raadsman een einde.
Tweede afdeeling. Toevoeging van een
raadsman
Artikel 40
1. Het bestuur van de raad voor
rechtsbijstand kan ingeschreven advocaten die zich daartoe bereid
hebben verklaard, aanwijzen voor het beurtelings verlenen van
rechtsbijstand aan in verzekering gestelde verdachten.
2. Is een krachtens het voorgaande
lid aangewezen advocaat beschikbaar voor het verlenen van
rechtsbijstand aan een in verzekering gestelde verdachte, dan treedt
hij, voor de duur van de inverzekeringstelling, als diens raadsman
op. De officier van justitie of een hulpofficier licht de advocaat
onverwijld omtrent de inverzekeringstelling in.
3. In gevallen waarin geen advocaat
beschikbaar is voor het verlenen van rechtsbijstand op de voet van
het bepaalde in de voorgaande leden, brengt de officier van justitie
of de hulpofficier dit onverwijld ter kennis van de voorzitter van
de rechtbank. Deze geeft een last aan het bestuur van de raad voor
rechtsbijstand dat voor de duur van de inverzekeringstelling een
raadsman aan de verdachte toevoegt.
4. De in dit artikel bedoelde
aanwijzingen en kennisgevingen geschieden overeenkomstig door de
Minister van Justitie vast te stellen bepalingen.
5. Het tweede en het derde lid
blijven buiten toepassing indien de verdachte een gekozen raadsman
heeft.
6. De krachtens het tweede of het
derde lid toegevoegde raadsman treedt ook als raadsman voor de
verdachte op tijdens de behandeling door de rechtbank van het hoger
beroep van de officier van justitie als bedoeld in artikel 59c.
Artikel 41
1. Aan de verdachte die geen raadsman
heeft, wordt door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een
raadsman toegevoegd;
a. wanneer zijn bewaring of
gevangenneming is bevolen, dan wel, indien de verdachte niet in
verzekering was gesteld, wanneer zijn bewaring of gevangenneming
is gevorderd, op ambtshalve last van de voorzitter van de
rechtbank;
b. wanneer hoger beroep is
ingesteld tegen het eindvonnis in eerste aanleg en het een zaak
betreft waarin zijn voorlopige hechtenis is bevolen, op
ambtshalve last van de voorzitter van het gerechtshof.
2. Het openbaar ministerie geeft aan
de voorzitter van de rechtbank, dan wel van het gerechtshof,
onverwijld schriftelijk kennis dat een last op grond van het eerste
lid noodzakelijk is.
Artikel 42
1. Op verzoek van de verdachte wordt
hem door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman
toegevoegd, wanneer hij - anders dan krachtens een bevel tot
inverzekeringstelling - rechtens van zijn vrijheid is beroofd en een
vervolging tegen hem is aangevangen, tenzij hij door de duur van
zijn vrijheidsberoving niet in zijn verdediging kan zijn of worden
geschaad.
2. Bevoegd tot het geven van een last
tot toevoeging overeenkomstig het voorgaande lid is de voorzitter
van de rechtbank, dan wel van het gerechtshof, waarvoor de zaak moet
dienen.
3. Voor zover de wet niet op andere
wijze in de toevoeging voorziet, kan het bestuur van de raad voor
rechtsbijstand, overeenkomstig het bepaalde in artikel 44 van de Wet
op de rechtsbijstand, aan de verdachte op diens verzoek een raadsman
toevoegen.
Artikel 43
1. De toevoeging van een raadsman,
anders dan krachtens artikel 40, geschiedt voor de gehele aanleg
waarin zij heeft plaats gehad.
2. De toevoeging van een raadsman aan
degene die krachtens een bevel tot voorlopige hechtenis is
gedetineerd, is in iedere aanleg kosteloos.
Artikel 44
1. Omtrent zijn bevoegdheid om
toevoeging van een raadsman te verzoeken wordt de verdachte
ingelicht:
a. in geval van enig onderzoek
door de rechter-commissaris, door deze of door hem die in
opdracht van de rechter-commissaris met het verhoor is belast,
bij het eerste verhoor;
b. in geval van aantekening van
hoger beroep of beroep in cassatie, door de griffier.
2. De bevoegdheid van de verdachte om
toevoeging van een raadsman te verzoeken, wordt bovendien bij de
betekening van de dagvaarding tot het eerste verhoor tijdens een
gerechtelijk vooronderzoek, van de dagvaarding ter terechtzitting,
van een kennisgeving van verdere vervolging, van een door het
openbaar ministerie ingesteld hoger beroep of beroep in cassatie, en
van de kennisgeving van de dag der behandeling in cassatie, vermeld
in het gerechtelijk schrijven door uitreiking waarvan de betekening
geschiedt.
Artikel 45
1. Bij verhindering of ontstentenis
van de toegevoegde raadsman wordt zo nodig aan de verdachte
onverwijld een andere raadsman toegevoegd.
2. Op verzoek van de toegevoegde
raadsman of van de verdachte kan een andere raadsman worden
toegevoegd.
3. Toevoeging van een andere raadsman
geschiedt door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand dat de te
vervangen raadsman heeft toegevoegd. In geval de raadsman is
toegevoegd op last van een rechterlijke autoriteit, geschiedt de
vervanging na een daartoe strekkende last van die autoriteit.
4. Blijkt van de verhindering of
ontstentenis van de raadsman pas op de terechtzitting, dan geeft de
voorzitter last tot toevoeging van een andere raadsman.
Artikel 46
1. De toegevoegde raadsman kan de
waarneming van bepaalde verrichtingen namens hem door een andere
advocaat doen geschieden.
2. Verstrekt de toegevoegde raadsman
een opdracht overeenkomstig het voorgaande lid, omdat hij zich
anders ter verlening van bijstand zou moeten begeven naar een ander
arrondissement dan dat der rechtbank waarbij hij is ingeschreven, en
is de in zijn plaats optredende advocaat wel daarin gevestigd, dan
wordt deze laatste, met betrekking tot de vervanging, als
toegevoegde raadsman aangemerkt.
Artikel 47
Van elke door het bestuur van de raad
voor rechtsbijstand gedane toevoeging wordt onverwijld, op de wijze
door de Minister van Justitie te bepalen, kennis gegeven aan het
openbaar ministerie, de raadsman, de verdachte en, in geval van een
gerechtelijk vooronderzoek, tevens aan de rechter-commissaris.
Artikel 48
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regelen worden gegeven omtrent de beloning van toegevoegde
raadslieden - met inbegrip van advocaten die overeenkomstig artikel
40, eerste en tweede lid, als raadsman optreden - en de vergoeding van
door hen gemaakte onkosten, alsmede, zonodig, omtrent de wijze van
vaststelling daarvan door de rechter. Daarbij kan worden bepaald dat
rechterlijke beslissingen ter zake niet vatbaar zullen zijn voor hoger
beroep en cassatie.
Artikel 49
1. Indien een raadsman is toegevoegd,
kunnen diens belooning en vergoeding op de goederen van den
verdachte worden verhaald, voor zoover de Minister van Justitie dit
wenschelijk oordeelt. Met betrekking tot de berekening van het
bedrag der belooning of vergoeding kunnen regelen worden gesteld bij
algemeenen maatregel van bestuur.
2. Het verhaal geschiedt slechts na
machtiging van dien Minister uit kracht van een bevelschrift van
tenuitvoerlegging, af te geven door den voorzitter van het college,
aan te wijzen bij algemeenen maatregel van bestuur, op de daarbij te
bepalen wijze. Het verhaal kan niet meer plaats vinden, indien
sedert de dagteekening van het bevelschrift drie maanden zijn
verloopen.
Derde afdeeling. Bevoegdheden van den
raadsman betreffende het verkeer met den verdachte en de kennisneming
van processtukken
Artikel 50
1. De raadsman heeft vrijen toegang
tot den verdachte die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, kan hem
alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van den inhoud
door anderen wordt kennis genomen, een en ander onder het vereischte
toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en
zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
2. Indien uit bepaalde omstandigheden
een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tusschen
raadsman en verdachte hetzij zal strekken om den verdachte bekend te
maken met eenige omstandigheid waarvan hij in het belang van het
onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, hetzij wordt misbruikt
voor pogingen om de opsporing der waarheid te belemmeren, kan
tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris, en
overigens tijdens het voorbereidende onderzoek de officier van
justitie, telkens bevelen dat de raadsman geen toegang tot den
verdachte zal hebben of dezen niet alleen zal mogen spreken en dat
brieven of andere stukken, tusschen raadsman en verdachte gewisseld,
niet zullen worden uitgereikt. Het bevel omschrijft de bepaalde
omstandigheden in den voorgaanden zin bedoeld; het beperkt de
vrijheid van verkeer tusschen raadsman en verdachte niet meer en
wordt voor niet langer gegeven, dan door die omstandigheden wordt
gevorderd, en is in elk geval slechts gedurende ten hoogste zes
dagen van kracht. Van het bevel geschiedt schriftelijke mededeeling
aan den raadsman en aan den verdachte.
3. De rechter-commissaris of de
officier van justitie onderwerpt het bevel onverwijld aan het
oordeel van de rechtbank, waartoe hij behoort. De rechtbank beslist
zoo spoedig mogelijk na den raadsman te hebben gehoord, althans
schriftelijk opgeroepen. De rechtbank kan bij hare beslissing het
bevel opheffen, wijzigen of aanvullen.
4. Alle belemmeringen van het vrij
verkeer tussen raadsman en verdachte, welke ingevolge een der beide
voorgaande leden bevolen zijn, nemen een einde zodra het
gerechtelijk vooronderzoek is gesloten of geëindigd, of, ingeval
een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de
kennisgeving van verdere vervolging of de dagvaarding ter
terechtzitting in eerste aanleg aan de verdachte is betekend.
Artikel 50a
1. Ingeval een bevel als bedoeld in
artikel 50 is gegeven, brengt de officier van justitie of de
rechter-commissaris dit onverwijld ter kennis van de voorzitter van
de rechtbank. Deze voegt onverwijld een raadsman aan de verdachte
toe.
2. De krachtens het eerste lid
toegevoegde raadsman treedt, zolang het bevel van kracht is en voor
zover het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte daardoor wordt
beperkt, als zodanig op.
Artikel 51
Ten aanzien van de bevoegdheid van den
raadsman tot de kennisneming van processtukken en het bekomen van
afschrift daarvan vinden de artikelen 30-34 overeenkomstige
toepassing. Van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van
de verdachte worden gebracht ontvangt de raadsman onverwijld
afschrift.
Titel IIIA. Het slachtoffer
Eerste afdeling. Rechten van het
slachtoffer
Artikel 51a
1. Als slachtoffer wordt aangemerkt
degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit
vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Met het
slachtoffer wordt gelijkgesteld de rechtspersoon die als
rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander
nadeel heeft ondervonden.
2. De officier van justitie draagt
zorg voor een correcte bejegening van het slachtoffer.
3. Aan het slachtoffer dat daarom
verzoekt, wordt door de politie en de officier van justitie
mededeling gedaan van de aanvang en voortgang in de zaak tegen de
verdachte. In het bijzonder wordt ten minste door de politie
schriftelijk mededeling gedaan van het afzien van opsporing of het
inzenden van een proces-verbaal tegen een verdachte. De officier van
justitie doet schriftelijk mededeling van de aanvang en de
voortzetting van de vervolging, van de datum en het tijdstip van de
terechtzitting en van de einduitspraak in de strafzaak tegen de
verdachte. In daartoe aangewezen gevallen en in ieder geval indien
sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 51e, vierde lid,
doet hij desgevraagd tevens mededeling van de invrijheidstelling van
de verdachte of veroordeelde.
4. Op verzoek van het slachtoffer
wordt tevens mededeling gedaan van de mogelijkheden volgens welke
hij schadevergoeding kan verkrijgen.
Artikel 51b
1. Op verzoek van het slachtoffer
wordt door de officier van justitie toestemming verleend om kennis
te nemen van de processtukken die voor het slachtoffer van belang
zijn. Tijdens het onderzoek op de terechtzitting wordt deze
toestemming verleend door het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor
de zaak wordt vervolgd en overigens door de officier van justitie.
2. Het slachtoffer kan aan de
officier van justitie verzoeken documenten die hij relevant acht
voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn
vordering op de verdachte aan het dossier toe te voegen.
3. In het belang van het onderzoek,
dan wel in het belang van de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer, van de opsporing of vervolging van strafbare feiten of
op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend, kan de
officier van justitie de kennisneming van bepaalde processtukken of
het toevoegen van documenten weigeren.
4. Bij toepassing van het derde lid
doet de officier van justitie schriftelijk mededeling van zijn
beslissing aan het slachtoffer. Binnen veertien dagen na deze
mededeling kan het slachtoffer een bezwaarschrift indienen bij het
gerecht waartoe de officier van justitie behoort. Het gerecht
beslist zo spoedig mogelijk.
5. De wijze waarop de kennisneming
van de processtukken geschiedt, kan worden geregeld bij algemene
maatregel van bestuur.
6. Het slachtoffer kan van de stukken
waarvan hem de kennisneming is toegestaan, ter griffie afschrift
krijgen overeenkomstig het bij of krachtens artikel 17 van de Wet
tarieven in strafzaken bepaalde.
Artikel 51c
1. Het slachtoffer kan zich doen
bijstaan.
2. Het slachtoffer kan zich op de
terechtzitting doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze
verklaart daartoe uitdrukkelijk gevolmachtigd te zijn, of door een
gemachtigde die daartoe een bijzondere en schriftelijke volmacht
heeft.
3. Indien het slachtoffer de
Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst, kan hij zich laten
bijstaan door een tolk.
Artikel 51d
De artikelen 51a tot en met 51c zijn
van overeenkomstige toepassing op de nabestaanden, bedoeld in artikel
51e, tweede lid, en op de personen, bedoeld in artikel 51f, tweede
lid.
Artikel 51e
1. Het slachtoffer of een nabestaande
kan op de terechtzitting een verklaring afleggen over de gevolgen
die de strafbare feiten genoemd in het vierde lid bij hem teweeg
hebben gebracht. Van het voornemen daartoe geeft hij voor de aanvang
van de terechtzitting schriftelijk kennis aan de officier van
justitie, opdat deze hem tijdig kan oproepen.
2. Tot de nabestaanden die voor
oproeping op grond van het eerste lid in aanmerking komen, behoren:
a. de echtgenoot of
geregistreerde partner of levensgezel, bij afwezigheid dan wel
niet in staat of bereid zijn van deze;
b. de bloedverwanten in de rechte
lijn in de eerste graad en bij afwezigheid dan wel niet in staat
of bereid zijn van deze, de bloedverwanten in de zijlijn in de
tweede graad.
3. Tot de slachtoffers of
nabestaanden die van het spreekrecht gebruik kunnen maken, behoort
de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt.
Hetzelfde geldt voor de minderjarige die die leeftijd nog niet heeft
bereikt en die in staat kan worden geacht tot een redelijke
waardering van zijn belangen terzake.
4. Het spreekrecht kan worden
uitgeoefend indien het tenlastegelegde feit een misdrijf betreft
waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht
jaar of meer is gesteld, dan wel een van de misdrijven genoemd in de
artikelen 240b, 247, 248a, 248b, 249, 250, 273f, eerste lid, 285,
285b, 300, tweede en derde lid, 301, tweede en derde lid, 306 tot en
met 308 en 318 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6 van de
Wegenverkeerswet 1994.
Tweede afdeling. Schadevergoeding
Artikel 51f
1. Degene die rechtstreeks schade
heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn
vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het
strafproces.
2. Indien de in het eerste lid
bedoelde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden,
kunnen zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene
titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108,
eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake
van de daar bedoelde vorderingen.
3. De in het eerste en tweede lid
bedoelde personen kunnen zich eveneens voor een deel van hun
vordering voegen.
4. Zij die om in een burgerlijk
geding in rechte te verschijnen, bijstand behoeven of
vertegenwoordigd moeten worden, hebben om zich overeenkomstig het
eerste lid te voegen, in het strafproces de bijstand of
vertegenwoordiging eveneens nodig. Een machtiging van de
kantonrechter, als bedoeld in artikel 349, lid 1, Boek 1, van het
Burgerlijk Wetboek, is voor die vertegenwoordiger niet vereist. Ten
aanzien van de verdachte zijn de bepalingen betreffende bijstand of
vertegenwoordiging, nodig in burgerlijke zaken, niet van toepassing.
5. Indien de officier van justitie
een vervolging instelt of voortzet, doet hij de benadeelde partij
daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling. Indien de zaak
ter terechtzitting zal worden behandeld, deelt de officier van
justitie de benadeelde partij zo spoedig mogelijk het tijdstip van
behandeling mee.
Artikel 51g
1. Bij de mededeling op grond van
artikel 51a, derde lid, dat vervolging tegen een verdachte wordt
ingesteld, zendt de officier van justitie een formulier voor voeging
toe. Voor de aanvang van de terechtzitting geschiedt de voeging door
een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop
deze berust, bij de officier van justitie die met de vervolging van
het strafbare feit is belast. Deze opgave vindt plaats door middel
van een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie vastgesteld
formulier.
2. De officier van justitie doet van
de voeging zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de
verdachte en, in het in het vierde lid bedoelde geval, aan diens
ouders of voogd.
3. Ter terechtzitting geschiedt de
voeging door de opgave, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin,
bij de rechter uiterlijk voordat de officier van justitie in de
gelegenheid is gesteld overeenkomstig artikel 311het woord te
voeren. Deze opgave kan ook mondeling worden gedaan.
4. Indien de vordering van de
benadeelde partij betrekking heeft op een als doen te beschouwen
gedraging van een verdachte die de leeftijd van veertien jaren nog
niet heeft bereikt en aan wie deze gedraging als een onrechtmatige
daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in
de weg zou staan, wordt zij geacht te zijn gericht tegen diens
ouders of voogd.
Artikel 51h
1. Het openbaar ministerie bevordert
dat de politie in een zo vroeg mogelijk stadium het slachtoffer en
de verdachte mededeling doet van de mogelijkheden tot bemiddeling.
2. Indien een bemiddeling tussen het
slachtoffer en de verdachte tot een overeenkomst heeft geleid, houdt
de rechter, indien hij een straf en maatregel oplegt, daarmee
rekening.
3. Het openbaar ministerie bevordert
bemiddeling tussen het slachtoffer en de veroordeelde, nadat het
zich ervan heeft vergewist dat dit de instemming heeft van het
slachtoffer.
4. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld betreffende bemiddeling tussen
het slachtoffer en de verdachte of tussen het slachtoffer en de
veroordeelde.
Titel IIIC. : De deskundige
Artikel 51i
1. Op de wijze bij de wet bepaald
wordt een deskundige benoemd met een opdracht tot het geven van
informatie over of het doen van onderzoek op een terrein, waarvan
hij specifieke of bijzondere kennis bezit.
2. Bij de benoeming worden de
opdracht die ten behoeve van het onderzoek in de strafzaak moet
worden vervuld en de termijn binnen welke de deskundige het
schriftelijk verslag uitbrengt, vermeld.
3. Aan de deskundige wordt tevens
opgedragen naar waarheid, volledig en naar beste inzicht verslag uit
te brengen.
4. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de kwalificaties
waarover bepaalde deskundigen moeten beschikken en over de wijze
waarop in de overige gevallen de specifieke deskundigheid van
personen kan worden bepaald of getoetst.
Artikel 51j
1. Ieder die tot deskundige is
benoemd, is verplicht de door de rechter opgedragen diensten te
bewijzen.
2. De rechter kan de deskundige
geheimhouding opleggen.
3. De deskundige kan zich verschonen
in de gevallen bedoeld in de artikelen 217 tot en met 219a.
4. De deskundige ontvangt uit ’s
rijks kas een vergoeding op de wijze bij de wet bepaald. De
rechter-commissaris kan, onverminderd artikel 591, beslissen dat een
deskundige die onderzoek op verzoek van de verdachte heeft
uitgevoerd dat in het belang van het onderzoek is gebleken, uit ’s
rijks kas een vergoeding ontvangt. Deze vergoeding bedraagt niet
meer dan die welke de op vordering van de officier van justitie
benoemde deskundige ontvangt.
Artikel 51k
1. Er is een landelijk openbaar
register van gerechtelijke deskundigen, dat wordt beheerd op bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze. Bij deze algemene
maatregel van bestuur wordt het orgaan ingesteld dat met deze taak
wordt belast.
2. Bij benoeming van een deskundige
die niet is opgenomen in het register, bedoeld in het eerste lid,
wordt gemotiveerd op grond waarvan hij als deskundige wordt
aangemerkt.
Artikel 51l
1. De deskundige brengt aan zijn
opdrachtgever een met redenen omkleed verslag uit. Hij geeft daarbij
zo mogelijk aan welke methode hij heeft toegepast, in welke mate
deze methode en de resultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden
geacht en welke bekwaamheid hij heeft bij de toepassing van de
methode.
2. Het verslag wordt schriftelijk
uitgebracht, tenzij de rechter bepaalt dat dit mondeling kan
geschieden.
3. De deskundige verklaart het
verslag naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben
opgesteld. Het verslag is gebaseerd op wat zijn wetenschap en kennis
hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is.
Artikel 51m
1. De rechter kan de deskundige
ambtshalve horen, op vordering van de officier van justitie of op
verzoek van de verdachte. De rechter kan zijn dagvaarding bevelen.
Ten aanzien van de deskundige en zijn verhoor vinden de artikelen
211 tot en met 213 overeenkomstige toepassing.
2. De deskundige wordt bij zijn
verhoor op de terechtzitting beëdigd dat hij naar waarheid en zijn
geweten zal verklaren.
3. Ten aanzien van de deskundige
wordt geen bevel tot gijzeling verleend.
Titel IV. Eenige bijzondere
dwangmiddelen
Eerste afdeeling. Aanhouding en
inverzekeringstelling
Artikel 52
Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd
de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld
inartikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en hem daartoe staande te
houden.
Artikel 53
1. In geval van ontdekking op heeter
daad is ieder bevoegd den verdachte aan te houden.
2. In zoodanig geval is de officier
van justitie of de hulpofficier bevoegd den verdachte, na
aanhouding, naar eene plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook
diens aanhouding of voorgeleiding bevelen.
3. Geschiedt de aanhouding door een
anderen opsporingsambtenaar, dan draagt deze zorg dat de
aangehoudene ten spoedigste voor den officier van justitie of een
van diens hulpofficieren wordt geleid.
4. Geschiedt de aanhouding door een
ander, dan levert deze den aangehoudene onverwijld aan een
opsporingsambtenaar over, onder afgifte aan deze van mogelijk in
beslag genomen voorwerpen, die dan handelt overeenkomstig de
bepalingen van het voorgaande lid en, zo nodig, de artikelen 156 en
157.
Artikel 54
1. Ook buiten het geval van
ontdekking op heeter daad is de officier van justitie bevoegd den
verdachte van eenig strafbaar feit waarvoor voorloopige hechtenis is
toegelaten, aan te houden en naar eene plaats van verhoor te
geleiden; hij kan ook diens aanhouding of voorgeleiding bevelen.
2. Kan het optreden van den officier
van justitie niet worden afgewacht, dan komt gelijke bevoegdheid toe
aan ieder zijner hulpofficieren. De hulpofficier geeft van de
aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan den
officier van justitie.
3. Kan ook het optreden van een dier
hulpofficieren niet worden afgewacht, dan is elke
opsporingsambtenaar bevoegd den verdachte aan te houden, onder
verplichting zorg te dragen dat hij onverwijld voor den officier van
justitie of een van diens hulpofficieren wordt geleid. Op den
hulpofficier voor wien de verdachte wordt geleid, is de tweede zin
van het voorgaande lid van toepassing.
4. Een bevoegdheid tot aanhouding
buiten het geval van ontdekking op heterdaad komt toe aan een
persoon in de openbare dienst van een vreemde staat die op door het
volkenrecht toegelaten wijze grensoverschrijdend het
achtervolgingsrecht in Nederland uitoefent, onder de verplichting
ten aanzien van de aangehoudene te handelen als in het derde lid
omschreven.
Artikel 55
1. In geval van ontdekking op heeter
daad van een misdrijf kan ieder, ter aanhouding van den verdachte,
elke plaats betreden, met uitzondering van een woning zonder
toestemming van de bewoner en van de plaatsen, genoemd in artikel 12
van de Algemene wet op het binnentreden (Stb. 1994, 572).
2. Zoowel in geval van ontdekking op
heeter daad als buiten dat geval kan iedere opsporingsambtenaar, ter
aanhouding van den verdachte, elke plaats betreden.
Artikel 55a
1. In geval van ontdekking op
heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan iedere
opsporingsambtenaar ter aanhouding van de verdachte elke plaats
doorzoeken. Hij behoeft daartoe de machtiging van de officier van
justitie, behoudens het geval van dringende noodzakelijkheid. In het
laatste geval wordt de officier van justitie onverwijld van de
doorzoeking op de hoogte gesteld.
2. Indien de officier van justitie
aan een opsporingsambtenaar een machtiging heeft verleend ter
aanhouding van de verdachte een woning zonder toestemming van de
bewoner te doorzoeken, is voor het binnentreden in die woning door
de betrokken opsporingsambtenaar geen machtiging als bedoeld in
artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden vereist.
Artikel 55b
1. De bij of krachtens artikel 141
aangewezen ambtenaren alsmede bepaalde door Onze Minister van
Justitie aangewezen categorieën van andere personen, belast met de
opsporing van strafbare feiten, zijn bevoegd een staande gehouden of
aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede
voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te
onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de
vaststelling van zijn identiteit.
2. De ambtenaren, bedoeld in het
eerste lid, oefenen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid,
alleen dan in het openbaar uit, indien dit redelijkerwijs
noodzakelijk is om wegmaking of beschadiging van voorwerpen waaruit
de identiteit van die verdachte zou kunnen blijken,te voorkomen.
3. Van de uitoefening van de
bevoegdheden, bedoeld in het tweede lid, maken zij proces-verbaal
op, dat aan de officier van justitie ter beschikking wordt gesteld.
Artikel 55c
1. De bij of krachtens artikel 141
aangewezen ambtenaren stellen de identiteit van de aangehouden
verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid,
eerste en tweede volzin.
2. De ambtenaren, bedoeld in het
eerste lid, nemen met het oog op het vaststellen van de identiteit
van een verdachte die is aangehouden wegens een misdrijf als
omschreven in artikel 67, eerste lid, of die wordt verhoord wegens
een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, zonder dat
hij is aangehouden, een of meer foto’s en vingerafdrukken. De
vingerafdrukken worden vergeleken met de van verdachten
overeenkomstig dit wetboek verwerkte vingerafdrukken en, indien
vermoed wordt dat de verdachte een vreemdeling is, met de
overeenkomstig de Vreemdelingenwet 2000 verwerkte vingerafdrukken.
3. De officier van justitie of de
hulpofficier beveelt dat van iedere andere verdachte dan de
verdachte, bedoeld in het tweede lid, over wiens identiteit twijfel
bestaat, een of meer foto’s en vingerafdrukken worden genomen. Het
tweede lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.
4. De foto’s en vingerafdrukken,
bedoeld in het tweede en derde lid, kunnen ook worden verwerkt voor
het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten
en het vaststellen van de identiteit van een lijk.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van
de foto’s en vingerafdrukken, bedoeld in het tweede en derde lid.
Artikel 56
1. De officier van justitie of de
hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de
verdachte heeft aangehouden, kan, bij het bestaan van ernstige
bezwaren tegen deze, in het belang van het onderzoek bepalen dat
deze aan zijn lichaam of kleding zal worden onderzocht.
2. De officier van justitie kan bij
het bestaan van ernstige bezwaren tegen de verdachte, in het belang
van het onderzoek bepalen dat deze in zijn lichaam wordt onderzocht.
Onder onderzoek in het lichaam wordt verstaan: het uitwendig
schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam,
röntgenonderzoek, echografie en het inwendig manueel onderzoek van
de openingen en holten van het lichaam. Het onderzoek in het lichaam
wordt verricht door een arts. Het onderzoek wordt niet ten uitvoer
gelegd indien zulks om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk
is.
3. De in het eerste en tweede lid
bedoelde onderzoeken worden op een besloten plaats en voor zover
mogelijk door personen van hetzelfde geslacht als de verdachte
verricht.
4. De overige opsporingsambtenaren
zijn bevoegd den aangehoudene tegen wien ernstige bezwaren bestaan,
aan zijne kleeding te onderzoeken.
5. Tijdens het gerechtelijk
vooronderzoek geldt bovendien de bepaling van artikel 195.
Artikel 57
1. De officier van justitie of de
hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, of die zelf de
verdachte heeft aangehouden, kan, na hem verhoord te hebben, bevelen
dat hij tijdens het onderzoek ter beschikking van de justitie zal
blijven en daarvoor op een in het bevel aangeduide plaats in
verzekering zal worden gesteld. Inverzekeringstelling vindt plaats
in het belang van het onderzoek, waaronder mede wordt verstaan het
belang van het aan de verdachte in persoon uitreiken van
mededelingen over de strafzaak.
2. De verdachte is bevoegd zich bij
het verhoor door een raadsman te doen bijstaan. De raadsman wordt
bij het verhoor in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te
maken.
3. Van het verhoor wordt
proces-verbaal opgemaakt door de officier of de hulpofficier die het
bevel verleent. Dit proces-verbaal wordt bij de processtukken
gevoegd.
4. De hulpofficier geeft van zijn
bevel onverwijld kennis aan de officier van justitie.
5. Zodra het belang van het onderzoek
dit toelaat, gelast de officier van justitie de invrijheidstelling
van de verdachte. Indien het onderzoeksbelang nog slechts bestaat
uit het uitreiken aan de verdachte in persoon van een mededeling
over de strafzaak, wordt deze mededeling zo spoedig mogelijk
uitgereikt en de verdachte daarna in vrijheid gesteld.
Artikel 58
1. Het bevel tot
inverzekeringstelling wordt slechts verleend in geval van een
strafbaar feit waarvoor voorloopige hechtenis is toegelaten.
2. Het bevel tot
inverzekeringstelling is slechts gedurende ten hoogste drie dagen
van kracht. Bij dringende noodzakelijkheid kan het bevel door de
officier van justitie eenmaal voor ten hoogste drie dagen worden
verlengd.
3. Zodra het belang van het onderzoek
dit toelaat, gelast de hulpofficier de invrijheidstelling van de
verdachte. In het andere geval stelt hij de officier van justitie
voor de inverzekeringstelling te verlengen. De officier van justitie
kan bevelen dat de verdachte ten einde te worden gehoord voor hem
wordt geleid.
Artikel 59
1. Het bevel tot
inverzekeringstelling of tot verlenging daarvan is gedagteekend en
onderteekend. De ondertekening van het bevel kan in opdracht van de
officier van justitie, die het bevel heeft gegeven, namens deze ook
geschieden door een hulpofficier.
2. Het omschrijft zoo nauwkeurig
mogelijk het strafbare feit, den grond der uitvaardiging en de
bepaalde omstandigheden welke tot het aannemen van dien grond hebben
geleid.
3. De verdachte wordt in het bevel
met name, of wanneer zijn naam onbekend is, zoo duidelijk mogelijk
aangewezen.
4. Een afschrift van het bevel wordt
hem onverwijld uitgereikt.
5. De directeur van de stichting
reclassering wordt onverwijld van het bevel tot
inverzekeringstelling in kennis gesteld.
6. Het politiebureau is bestemd voor
het ondergaan van de inverzekeringstelling. In bijzondere gevallen
kan de officier van justitie gelasten dat de inverzekeringstelling
in een huis van bewaring wordt ondergaan.
Artikel 59a
1. Uiterlijk binnen drie dagen en
vijftien uur, te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding, wordt
de verdachte ten einde te worden gehoord voor de rechter-commissaris
geleid.
2. De rechter-commissaris bepaalt, na
daartoe van de officier van justitie een verzoek te hebben
ontvangen, onverwijld tijd en plaats van het verhoor en geeft
hiervan kennis aan de officier van justitie, de verdachte en de
raadsman.
3. De verdachte is bevoegd zich bij
het verhoor door een raadsman te doen bijstaan. De raadsman wordt
bij het verhoor in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te
maken. De officier van justitie is bevoegd het verhoor bij te wonen
en daarbij de nodige opmerkingen te maken.
4. De verdachte kan bij zijn verhoor
de rechter-commissaris zijn invrijheidstelling verzoeken.
5. Indien de rechter-commissaris de
inverzekeringstelling onrechtmatig oordeelt, beveelt hij de
onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. In het andere
geval tekent de rechter-commissaris zijn beslissing in het
proces-verbaal van het verhoor aan of, ingeval de verdachte een
verzoek tot invrijheidstelling heeft gedaan, wijst de
rechter-commissaris het verzoek af. De aantekening wordt door de
rechter-commissaris gewaarmerkt.
6. De beschikking is gedagtekend,
ondertekend en met redenen omkleed. De rechter-commissaris doet deze
onverwijld toekomen aan de officier van justitie en de verdachte.
Artikel 59b
Zodra de verdachte door de officier van
justitie of de hulpofficier overeenkomstig artikel 57, vijfde lid,
onderscheidenlijk artikel 58, derde lid, in vrijheid is gesteld, vindt
artikel 59a geen toepassing meer.
Artikel 59c
1. Tegen een beschikking van de
rechter-commissaris tot onmiddellijke invrijheidstelling van de
verdachte op de voet van artikel 59a, vijfde lid, staat voor de
officier van justitie binnen veertien dagen daarna bij de rechtbank
hoger beroep open.
2. De verdachte wordt, tenzij de
rechtbank reeds aanstonds tot afwijzing van het hoger beroep
besluit, gehoord althans behoorlijk opgeroepen. De rechtbank kan
diens medebrenging gelasten.
3. De rechtbank beslist zo spoedig
mogelijk. De beschikking is met redenen omkleed en wordt
schriftelijk ter kennis van de officier van justitie en de verdachte
gebracht.
Artikel 60
De officier van justitie voor wien de
verdachte wordt geleid of die zelf den verdachte heeft aangehouden,
doet hem, ingeval hij diens bewaring noodig oordeelt, onverwijld
geleiden voor den rechter-commissaris.
Artikel 61
1. Indien de verdachte niet
overeenkomstig artikel 57 in verzekering wordt gesteld, noch
overeenkomstig artikel 60 voor de rechter-commissaris wordt geleid,
wordt hij in vrijheid gesteld, tenzij hij op bevel van de officier
van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte is geleid of
die zelf de verdachte heeft aangehouden, voor ten hoogste zes uren
wordt opgehouden voor onderzoek. Tijdens het ophouden voor onderzoek
wordt de verdachte gehoord.
2. Indien de ophouding met het oog op
het vaststellen van de identiteit plaatsvindt, kan ten aanzien van
een verdachte ten aanzien van wie verdenking bestaat terzake van een
strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten de
in het eerste lid genoemde termijn van zes uren, op bevel van de
officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte is
geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, eenmaal met ten
hoogste zes uren worden verlengd.
3. Ophouding als bedoeld in het
eerste en tweede lid vindt plaats in het belang van het onderzoek,
waaronder mede wordt verstaan het belang van het aan de verdachte in
persoon uitreiken van mededelingen over de strafzaak.
4. Voor de berekening van de in het
eerste en tweede lid bedoelde termijnen wordt de tijd tussen
middernacht en negen uur 's morgens niet meegerekend.
5. Het bevel tot verlenging is
gedagtekend en ondertekend.
6. Het bevel geeft een korte
omschrijving van het strafbare feit ten aanzien waarvan een
verdenking bestaat en de feiten of omstandigheden waarop de
verdenking is gegrond.
7. De verdachte wordt in het bevel
met name of, wanneer zijn naam onbekend is, zo duidelijk mogelijk
aangewezen.
8. Een afschrift van het bevel wordt
hem onverwijld uitgereikt.
9. Indien het onderzoeksbelang nog
slechts bestaat uit het uitreiken aan de verdachte in persoon van
een mededeling over de strafzaak, wordt deze mededeling zo spoedig
mogelijk uitgereikt en de verdachte daarna in vrijheid gesteld. Het
vierde lid is in dit geval niet van toepassing.
Artikel 61a
1. Tegen de voor onderzoek opgehouden
verdachte kunnen maatregelen in het belang van het onderzoek worden
bevolen. Als zodanige maatregelen kunnen onder meer worden
aangemerkt:
a. het maken van foto’s en
video-opnamen;
b. het nemen van lichaamsmaten en
handpalm-, voet-, teen-, oor- en schoenzoolafdrukken;
c. de toepassing van een
confrontatie;
d. de toepassing van een
geuridentificatieproef;
e. het afscheren, knippen of
laten groeien van snor, baard of hoofdhaar;
f. het dragen van bepaalde
kleding of bepaalde attributen ten behoeve van een confrontatie;
g. plaatsing in een
observatiecel;
h. onderzoek naar schotresten op
het lichaam.
2. De in het eerste lid genoemde
maatregelen kunnen alleen worden bevolen in geval van verdenking van
een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de
toepassing van maatregelen in het belang van het onderzoek.
Artikel 61b [Vervallen per 01-03-2002]
Artikel 61c [Vervallen per 01-03-2002]
Artikel 62
1. De in verzekering gestelde
verdachte wordt aan geen andere beperkingen onderworpen dan die in
het belang van het onderzoek of in het belang der orde volstrekt
noodzakelijk zijn.
2. Onverminderd het bepaalde in
artikel 50, kunnen tegen de in het eerste lid bedoelde verdachte
maatregelen in het belang van het onderzoek worden bevolen. Als
zodanige maatregelen kunnen, naast de in artikel 61a, eerste lid,
onderdeel a tot en met h, genoemde maatregelen, onder meer worden
aangemerkt:
a. beperkingen met betrekking tot
het ontvangen van bezoek, telefoonverkeer, briefwisseling en de
uitreiking van kranten, lectuur of andere gegevensdragers, dan
wel andere maatregelen betrekking hebbend op het verblijf in het
kader van de vrijheidsbeneming;
b. de overbrenging naar een
ziekenhuis, of een andere instelling waar medisch toezicht is
gewaarborgd, of verblijf in een daartoe ingerichte cel onder
medisch toezicht.
3. De behandeling van de in
verzekering gestelde verdachten en de eisen waaraan de voor de
inverzekeringstelling bestemde plaatsen moeten voldoen, worden,naar
beginselen bij of krachtens de wet te stellen, geregeld bij algemene
maatregel van bestuur.
4. Indien naar aanleiding van de in
artikel 59, vijfde lid, genoemde kennisgeving een rapport is
opgesteld, neemt de officier van justitie van dat rapport kennis
alvorens een vordering tot bewaring te doen.
5. De verdachte zal bij de toepassing
van de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden
gewezen op de bezwaarmogelijkheid die in artikel 62a, vierde lid, is
opgenomen.
Artikel 62a
1. Maatregelen in het belang van het
onderzoek kunnen tijdens het gerechtelijk vooronderzoek door de
rechter-commissaris en anders door de officier van justitie worden
bevolen.
2. De bevoegdheid bedoeld in het
eerste lid komt, uitgezonderd de bevoegdheid tot het geven van een
bevel tot de maatregel bedoeld in artikel 61a, eerste lid, onder e,
gedurende de ophouding voor onderzoek en de inverzekeringstelling
indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden
afgewacht, toe aan de hulpofficier van justitie die de ophouding
voor onderzoek dan wel de inverzekeringstelling heeft gelast.
3. De directeur van het huis van
bewaring, indien de vrijheidsbeneming aldaar wordt ondergaan, en
anders de bij het bevel aan te wijzen persoon, draagt zorg voor de
uitvoering van het bevel.
4. De verdachte kan tegen het bevel
als bedoeld in artikel 62, tweede lid, onder a, een bezwaarschrift
indienen bij de rechtbank of, indien het bevel is gegeven in het
kader van de voorlopige hechtenis, bij het rechterlijk college dat
oordeelt omtrent de voortzetting van de voorlopige hechtenis. Het
bevel wordt in afwachting van de rechterlijke beslissing niet
uitgevoerd, tenzij degene die het bevel heeft gegeven een
onverwijlde uitvoering in het belang van het onderzoek volstrekt
noodzakelijk acht.
Tweede afdeeling. Voorloopige hechtenis
§ 1. Bevelen tot voorloopige hechtenis
Artikel 63
1. De rechter-commissaris kan, op de
vordering van den officier van justitie, een bevel tot bewaring van
den verdachte verleenen. De officier van justitie geeft van de
vordering onverwijld mondeling of schriftelijk kennis aan de
raadsman.
2. Indien de rechter-commissaris
reeds aanstonds van oordeel is dat voor het verleenen van zoodanig
bevel geen grond bestaat, wijst hij de vordering af.
3. In het andere geval hoort hij,
tenzij het voorafgaand verhoor van den verdachte niet kan worden
afgewacht, alvorens te beslissen, dezen omtrent de vordering van den
officier van justitie en kan hij te dien einde, zoo noodig onder
bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding
gelasten.
4. De verdachte is bevoegd zich bij
het verhoor door een raadsman te doen bijstaan. De raadsman wordt
bij het verhoor in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te
maken.
Artikel 64
1. Het bevel tot bewaring is van
kracht gedurende een door de rechter-commissaris te bepalen termijn
van ten hoogste veertien dagen, welke ingaat op het ogenblik der
tenuitvoerlegging.
2. Zodra de rechter-commissaris of de
officier van justitie van oordeel is, dat de gronden zijn vervallen
waarop het bevel tot bewaring is verleend, gelast hij de
invrijheidstelling van de verdachte.
3. Tegen een beschikking van de
rechter-commissaris tot invrijheidstelling van de verdachte op de
voet van het tweede lid, staat voor de officier van justitie binnen
veertien dagen daarna bij de rechtbank hoger beroep open.
Artikel 65
1. De rechtbank kan, op de vordering
van de officier van justitie, de gevangenhouding bevelen van de
verdachte die zich in bewaring bevindt. De verdachte wordt
voorafgaand aan het bevel gehoord, tenzij hij schriftelijk heeft
verklaard afstand te doen van het recht te worden gehoord. De
rechtbank of de voorzitter kan, niettegenstaande een dergelijke
verklaring, de medebrenging van de verdachte bevelen.
2. Behoudens het geval van artikel
66a, eerste lid, kan de rechtbank, ambtshalve of op de vordering van
de officier van justitie, na de aanvang van het onderzoek ter
zitting de gevangenneming van de verdachte bevelen. Desgeraden hoort
de rechtbank deze vooraf; zij is bevoegd te dien einde zijn
dagvaarding te gelasten, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot
medebrenging.
3. De rechtbank kan eveneens een
bevel tot gevangenneming geven, indien dit nodig is om de
uitlevering van de verdachte te verkrijgen.
Artikel 66
1. Het bevel tot gevangenneming of
gevangenhouding is van kracht gedurende een door de rechtbank te
bepalen termijn van ten hoogste negentig dagen, welke ingaat op het
ogenblik der tenuitvoerlegging.
2. Wanneer het bevel is gegeven op de
terechtzitting, dan wel binnen de krachtens het eerste lid bepaalde
termijn het onderzoek is aangevangen, blijft het bevel van kracht
totdat zestig dagen na de dag van de einduitspraak zijn verstreken.
3. De termijn gedurende welke het
bevel van kracht is, kan door de rechtbank, op de vordering van de
officier van justitie, vóór de aanvang van het onderzoek op de
terechtzitting ten hoogste tweemaal worden verlengd, met dien
verstande dat de duur van het bevel tot gevangenneming of
gevangenhouding en de verlengingen daarvan tezamen een periode van
negentig dagen niet te boven gaan. De verdachte wordt in de
gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord. In het geval
de verdenking een terroristisch misdrijf betreft kan de duur van het
bevel tot gevangenneming of gevangenhouding na negentig dagen
gedurende ten hoogste twee jaren worden verlengd met periodes die
een termijn van negentig dagen niet te boven gaan. De behandeling
van een vordering tot verlenging vindt in dat geval in het openbaar
plaats.
4. Op bevelen tot verlenging,
overeenkomstig het voorgaande lid, zijn de eerste drie leden van dit
artikel van overeenkomstige toepassing.
Artikel 66a
1. Wanneer de geldigheidsduur van het
bevel tot gevangenhouding of gevangenneming is verstreken, kan de
officier van justitie ook voor de aanvang van het onderzoek ter
terechtzitting ten spoedigste de gevangenneming van de nog niet in
vrijheid gestelde verdachte vorderen, indien
a. de officier van justitie heeft
verzuimd tijdig de vordering tot verlenging in te dienen,
b. de voorwaarden voor toepassing
van voorlopige hechtenis nog bestaan, en
c. het bevel tot voorlopige
hechtenis was gegeven terzake van verdenking van een misdrijf
waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van
acht jaar of meer is gesteld.
2. De rechtbank stelt de verdachte
die op de terechtzitting aanwezig is, in de gelegenheid op de
vordering te worden gehoord.
3. Aan de verdachte die niet op de
terechtzitting aanwezig is, wordt de vordering tot gevangenneming
onverwijld in persoon betekend. De rechtbank beslist niet dan na de
verdachte te hebben gehoord, althans behoorlijk te hebben
opgeroepen. Zij kan de medebrenging van de verdachte gelasten.
4. De rechtbank beslist op de
vordering binnen 24 uur na de indiening daarvan. De verdachte wordt
in afwachting van de beslissing op de vordering tot gevangenneming
niet in vrijheid gesteld.
5. Indien nog geen dagvaarding is
uitgebracht, worden de bepalingen in het tweede tot en met het
vierde lid toegepast door de raadkamer.
6. De termijnen, bedoeld in de
artikelen 75, derde lid, en 282 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 67
1. Een bevel tot voorlopige hechtenis
kan worden gegeven in geval van verdenking van:
a. een misdrijf waarop naar de
wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of
meer is gesteld;
b. een der misdrijven omschreven
in de artikelen 132, 138a, 138ab, 138b, 139c, 139d, eerste en
tweede lid, 141a, 161sexies, eerste lid, onder 1°, en tweede
lid,137c, tweede lid, 137d, tweede lid, 137e, tweede lid, 137g,
tweede lid, 184a, 254a, 248d, 248e, 285, eerste lid, 285b, 300,
eerste lid, 321, 323a, 326c, tweede lid, 350, 350a, 351, 395,
417bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht;
c. een der misdrijven omschreven
in:
artikel 122, eerste lid, van de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
artikel 175, tweede lid,
onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid,
onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994;
artikel 30, tweede lid, van de
Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag;
de artikelen 52, 53, eerste lid
en 54 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;
artikel 31 van de Wet op de
kansspelen;
artikel 11, tweede lid, van de
Opiumwet;
artikel 55, tweede lid, van de
Wet wapens en munitie;
de artikelen 5:56, 5:57 en 5:58
van de Wet op het financieel toezicht;
artikel 11 van de Wet tijdelijk
huisverbod.
2. Het bevel kan voorts worden
gegeven indien geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland van
de verdachte kan worden vastgesteld en hij verdacht wordt van een
misdrijf waarvan de rechtbanken kennis nemen en waarop, naar de
wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld.
3. De voorgaande leden van dit
artikel vinden alleen toepassing wanneer uit feiten of
omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte.
4. In afwijking van het derde lid
zijn ernstige bezwaren niet vereist voor een bevel tot bewaring bij
verdenking van een terroristisch misdrijf.
Artikel 67a
1. Een op artikel 67 gegrond bevel
kan slechts worden gegeven:
a. indien uit bepaalde
gedragingen van de verdachte, of uit bepaalde, hem persoonlijk
betreffende omstandigheden, blijkt van ernstig gevaar voor
vlucht;
b. indien uit bepaalde
omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van
maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde
vrijheidsbeneming vordert.
2. Een gewichtige reden van
maatschappelijke veiligheid kan voor de toepassing van het vorige
lid slechts in aanmerking worden genomen:
1°. indien er sprake is van
verdenking van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving
een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en de
rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt;
2°. indien er ernstig rekening
mede moet worden gehouden, dat de verdachte een misdrijf zal
begaan:
waarop naar de wettelijke
omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld of
waardoor de veiligheid van de staat
of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden
gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan;
3°. indien er sprake is van
verdenking van een der misdrijven omschreven in de artikelen
285, 300, 310, 311, 321, 322, 323a, 326, 326a, 350, 416, 417bis,
420bis of 420quater van het Wetboek van Strafrecht, terwijl nog
geen vijf jaren zijn verlopen sedert de dag waarop de verdachte
wegens een van deze misdrijven onherroepelijk tot een
vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende
maatregel of een taakstraf is veroordeeld dan wel bij
onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd en
voorts er ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de
verdachte wederom een van die misdrijven zal begaan;
4°. indien de voorlopige
hechtenis in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan
door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de
waarheid.
3. Een bevel tot voorlopige hechtenis
blijft achterwege, wanneer ernstig rekening moet worden gehouden met
de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen
onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende
maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hij bij tenuitvoerlegging
van het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan
de duur van de straf of maatregel.
4. Onder onherroepelijke veroordeling
als bedoeld in het tweede lid, onder 3°, wordt mede verstaan een
onherroepelijke veroordeling door een strafrechter in een andere
lidstaat van de Europese Unie wegens soortgelijke feiten.
Artikel 67b
1. Indien tijdens de ten
uitvoerlegging van de voorlopige hechtenis de officier van justitie
overgaat tot vervolging of verdere vervolging ter zake van nog een
ander feit dan hetwelk in het bevel tot voorlopige hechtenis is
omschreven ofwel uitsluitend voor een met het in dat bevel
omschreven feit samenhangend feit en voor dit andere feit voorlopige
hechtenis kan worden bevolen kan hij bij de vordering tot
gevangenhouding of de verlenging daarvan vorderen dat de voorlopige
hechtenis mede onderscheidenlijk alleen voor dat andere feit wordt
bevolen.
2. Indien de in het eerste lid
bedoelde vordering wordt toegewezen, wordt het andere feit geacht te
zijn opgenomen in de omschrijving bedoeld in het tweede lid van
artikel 78.
3. Na betekening van de dagvaarding
in eerste aanleg worden geen andere feiten in de omschrijving
opgenomen.
4. De artikelen 77 en 78 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 68
1. De termijn gedurende welke een
bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is, loopt niet gedurende
de tijd dat de verdachte zich aan de verdere tenuitvoerlegging van
het bevel heeft onttrokken of uit anderen hoofde rechtens van zijn
vrijheid is beroofd. Ondergaat evenwel de verdachte op het tijdstip
dat het bevel tot voorlopige hechtenis wordt gegeven een
vrijheidsstraf, dan wordt de tenuitvoerlegging van de straf van
rechtswege geschorst zolang het bevel van kracht is. De in
voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd wordt in dat geval zoveel
mogelijk in mindering gebracht op die straf.
2. Wanneer binnen de in het eerste
lid, eerste volzin, bedoelde termijn een bezwaarschrift
overeenkomstig een der artikelen 250 en 262 is ingediend, blijft het
bevel, – onverminderd het bepaalde in artikel 66, tweede lid, –
van kracht totdat dertig dagen zijn verstreken sedert de dag waarop
onherroepelijk op het bezwaarschrift is beslist.
3. Ingeval de rechtbank
overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 250 en 262 de aanvang
van het onderzoek op de terechtzitting heeft uitgesteld, kan de
rechtbank op vordering van de officier van justitie bepalen dat het
bevel tot voorlopige hechtenis van kracht blijft gedurende een door
haar te bepalen termijn van ten hoogste dertig dagen, ingaande op de
dag waarop de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenneming of
gevangenhouding is verstreken.
4. Indien na het uitstel van de
aanvang van het onderzoek op de terechtzitting alsnog overeenkomstig
het bepaalde in artikel 262, eerste lid, tegen de dagvaarding een
bezwaarschrift wordt ingediend, vindt het tweede lid overeenkomstige
toepassing.
Artikel 69
1. Het bevel tot voorlopige hechtenis
kan door de rechtbank worden opgeheven. Zij kan dit doen ambtshalve
of op het verzoek van de verdachte, dan wel - voor zover het een
bevel tot gevangenneming of gevangenhouding betreft - op de
voordracht van de rechter-commissaris of op de vordering van de
officier van justitie.
2. De verdachte die voor de eerste
maal opheffing verzoekt, wordt, tenzij de rechtbank reeds aanstonds
tot inwilliging besluit, op het verzoek gehoord, althans opgeroepen.
3. In afwachting van de beslissing
van de rechtbank op een verzoek, een voordracht of een vordering tot
het opheffen van een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding,
kan de officier van justitie de invrijheidstelling van de verdachte
gelasten. Beslist de rechtbank afwijzend, dan wordt het bevel
onverwijld verder ten uitvoer gelegd.
Artikel 70
1. Ingeval de officier van justitie
den verdachte kennis geeft dat hij hem ter zake van een feit
waarvoor voorloopige hechtenis is toegepast, niet verder zal
vervolgen, wordt daardoor elk bevel tot voorloopige hechtenis van
rechtswege opgeheven en daarvan in de kennisgeving melding gemaakt.
De kennisgeving wordt aan de verdachte betekend.
2. Geschiedt de kennisgeving
uitsluitend op grond dat de officier van justitie de rechtbank
onbevoegd acht en is naar zijne meening een ander college wel
bevoegd, dan kan hij bepalen dat het bevel nog gedurende drie dagen
na die kennisgeving van kracht zal blijven. In de kennisgeving wordt
daarvan melding gemaakt.
Artikel 71
1. Uiterlijk drie dagen na de
tenuitvoerlegging kan de verdachte van de beslissing van de
rechtbank, houdende een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding
bij het gerechtshof in hoger beroep komen. De termijn bedoeld in
artikel 408, eerste lid, is niet van toepassing.
2. Binnen dezelfde termijn kan de
verdachte in beroep komen van een bevel tot verlenging der
gevangenhouding, doch slechts wanneer door hem geen hoger beroep
werd ingesteld tegen het bevel tot gevangenhouding en ook niet tegen
een eerder bevel tot verlenging. Deze beperking is niet van
toepassing indien bij de verlenging van het bevel tot
gevangenhouding het in het bevel omschreven feit is aangevuld dan
wel gewijzigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 67 b, eerste
lid.
3. Ingeval de rechtbank anders dan op
vordering van de officier van justitie het bevel tot voorlopige
hechtenis heeft opgeheven, staat tegen deze beschikking voor de
officier van justitie uiterlijk veertien dagen daarna hoger beroep
bij het gerechtshof open.
4. Het gerechtshof beslist zoo
spoedig mogelijk. De verdachte wordt gehoord, althans opgeroepen.
Artikel 72
1. Bij beschikkingen van
onbevoegdverklaring en van buitenvervolgingstelling wordt het bevel
tot voorlopige hechtenis opgeheven.
2. In geval van onbevoegdverklaring
kan de rechter, indien naar zijn mening een ander college wel
bevoegd is van het feit kennis te nemen, bepalen dat het bevel nog
zes dagen na het onherroepelijk worden van zijn beslissing van
kracht zal blijven.
3. Bij alle einduitspraken wordt -
behoudens het bepaalde in het zesde lid en artikel 17, tweede lid -
het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, indien, ter zake van
het feit waarvoor dat bevel is verleend, aan de verdachte noch een
vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige
hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel welke
vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen, onvoorwaardelijk is
opgelegd.
4. Indien de duur van de
onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf die van de reeds ondergane
voorlopige hechtenis met minder dan zestig dagen overtreft en geen
maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen
onvoorwaardelijk is opgelegd, wordt, onverminderd het bepaalde in
artikel 69, bij de einduitspraak het bevel tot voorlopige hechtenis
opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze
hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.
5. Voor de toepassing van het derde
en vierde lid van dit artikel wordt onder de in voorlopige hechtenis
doorgebrachte tijd begrepen: de tijd gedurende welke de verdachte in
verzekering was gesteld.
6. De rechter kan bij zijn
einduitspraak, houdende nietigverklaring van de dagvaarding, bepalen
dat dit bevel van kracht blijft gedurende een door hem te bepalen
termijn van ten hoogste dertig dagen, ingaande op de dag van de
einduitspraak, indien dat bevel is gegeven in geval van verdenking
van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Indien beroep
wordt ingesteld tegen de einduitspraak, blijft het bevel van kracht
totdat dertig dagen zijn verstreken sedert de dag waarop
onherroepelijk op het beroep is beslist. De artikelen 66, tweede
lid, en 67a, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 72a
1. Uiterlijk drie dagen na de
uitspraak kan de verdachte van de beslissing van de rechtbank,
bedoeld in artikel 72, zesde lid, bij het gerechtshof in hoger
beroep komen.
2. Het gerechtshof beslist zo spoedig
mogelijk. De verdachte wordt gehoord, althans opgeroepen.
Artikel 73
1. Behoudens het bepaalde in artikel
72, vierde lid, zijn bevelen tot voorlopige hechtenis en die tot
opheffing daarvan dadelijk uitvoerbaar.
2. Een bevel tot voorlopige hechtenis
gaat in op het ogenblik waarop de verdachte ter tenuitvoerlegging
van dat bevel wordt aangehouden dan wel op het tijdstip waarop de
tenuitvoerlegging van een ander bevel tot vrijheidsbeneming, in
dezelfde zaak gegeven, eindigt.
Artikel 74
Indien het gerechtshof of de Hooge Raad
tot het geven van eenige beslissing is geroepen, vóórdat beroep van
de einduitspraak is aangeteekend, wordt daarbij de opheffing van het
bevel tot voorloopige hechtenis gelast, indien dit uit de beslissing
voortvloeit.
Artikel 75
1. Na de aantekening van beroep van
de einduitspraak worden de bevelen tot gevangenneming,
gevangenhouding dan wel verlenging daarvan gegeven door de rechter
in hoogste feitelijke aanleg. De artikelen 65, tweede lid, 66,
tweede lid, en 67 tot en met 69, zijn op deze bevelen van
overeenkomstige toepassing. Een op artikel 67 gegrond bevel kan ook
worden gegeven of verlengd op de grond dat in het bestreden vonnis
een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd van ten minste
even lange duur als de door de verdachte in voorlopige hechtenis
doorgebrachte tijd na verlenging.
2. Behoudens de gevallen bedoeld in
artikel 66a, eerste lid, kunnen bevelen tot gevangenneming voor de
aanvang van het onderzoek op de terechtzitting slechts worden
gegeven indien alsnog ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn
gerezen. Onder ernstige bezwaren kan tevens een veroordelend vonnis
in de vorige feitelijke aanleg worden begrepen.
3. Een bevel dat ingevolge artikel
66, tweede lid, voortduurt, kan door de rechter in hoogste
feitelijke aanleg, vóór de aanvang van het onderzoek op de
terechtzitting in hoger beroep, op vordering van het openbaar
ministerie worden verlengd met ten hoogste honderdtwintig dagen. De
geldigheidsduur van een dergelijk bevel kan tweemaal worden
verlengd, met dien verstande dat de duur van het bevel tot
gevangenneming of gevangenhouding en de verlengingen daarvan tezamen
een periode van honderdtachtig dagen, te rekenen vanaf de datum van
de einduitspraak in eerste aanleg, niet te boven gaan. De verdachte
wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord.
4. Zolang het onderzoek op de
terechtzitting in hoogste feitelijke aanleg nog niet is aangevangen,
kan de voorlopige hechtenis slechts worden verlengd, indien in
vorige feitelijke aanleg een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is
opgelegd van welke de tenuitvoerlegging ten minste even lang duurt
als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd
na verlenging, dan wel indien een maatregel welke vrijheidsbeneming
medebrengt of kan medebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd. De
voorlopige hechtenis kan evenwel worden verlengd, wanneer beroep is
ingesteld tegen een einduitspraak, houdende onbevoegdverklaring
waarbij is bepaald dat het bevel tot voorlopige hechtenis van kracht
blijft.
5. Na de einduitspraak in hoogste
feitelijke aanleg blijft, onverminderd het bepaalde in het laatste
lid van dit artikel, het bevel van kracht totdat de uitspraak in
kracht van gewijsde is gegaan. In geval een einduitspraak als
bedoeld in het vierde lid, laatste volzin, wordt vernietigd, kan de
rechter bepalen dat het bevel van kracht blijft overeenkomstig
artikel 72, zesde lid.
6. Buiten de gevallen voorzien in
artikel 72, heft de rechter in hoogste feitelijke aanleg het bevel
op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane
voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de
tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf,
tenzij een maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt of kan
medebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd.
7. Voor de toepassing van het vierde
en zesde lid van dit artikel wordt onder de in voorlopige hechtenis
doorgebrachte tijd begrepen: de tijd gedurende welke de verdachte in
verzekering was gesteld.
8. Indien de Hoge Raad de zaak
overeenkomstig artikel 440, tweede lid, terugwijst of verwijst,
blijft, onverminderd het bepaalde in het zesde lid, het bevel
gedurende dertig dagen daarna van kracht.
Artikel 76
In geval van voorlopige hechtenis zijn
de artikelen 62 en 62a van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Het hooren van den in voorloopige
hechtenis gestelden verdachte
Artikel 77
1. Tenzij den verdachte ter
gelegenheid van zijn verhoor mondeling is medegedeeld dat een bevel
tot voorloopige hechtenis tegen hem zal worden uitgevaardigd, wordt
hij binnen vier en twintig uren na zijne opneming in de plaats
waarin de voorloopige hechtenis zal worden ondergaan, gehoord.
2. Dit verhoor geschiedt gedurende
het voorbereidende onderzoek door den rechter-commissaris; na den
aanvang van het onderzoek op de terechtzitting in eersten aanleg
door een lid der rechtbank door deze aan te wijzen; na de
aanteekening van beroep van de einduitspraak door een lid van het
rechterlijk college in hoogsten feitelijken aanleg, door dit college
aan te wijzen.
3. Van het verhoor wordt, ook indien
dit door het daartoe aangewezen lid der rechtbank of van het
gerechtshof wordt afgenomen, met overeenkomstige toepassing van de
artikelen 171-176, proces-verbaal opgemaakt.
§ 3. Inhoud der bevelen en hunne
beteekening
Artikel 78
1. Het bevel tot voorlopige hechtenis
of tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan is gedagtekend en
ondertekend.
2. Het omschrijft zo nauwkeurig
mogelijk het strafbare feit ten aanzien waarvan de verdenking is
gerezen en de feiten of omstandigheden waarop de ernstige bezwaren
tegen de verdachte zijn gegrond, alsmede de gedragingen, feiten of
omstandigheden waaruit blijkt dat de in artikel 67a gestelde
voorwaarden zijn vervuld.
3. De verdachte wordt in het bevel
met name - of, wanneer zijn naam onbekend is, zo duidelijk mogelijk
- aangewezen.
4. Het bevel kan voorts in verband
met bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte de
plaats vermelden waarin de voorlopige hechtenis zal worden
ondergaan.
5. Het wordt voor of bij de
tenuitvoerlegging aan de verdachte betekend.
Artikel 79
De bevelen tot opheffing van een bevel
tot voorlopige hechtenis en de beslissing waarbij zodanige opheffing
wordt geweigerd, worden onverwijld aan de verdachte betekend.
§ 4. Schorsing der voorloopige
hechtenis
Artikel 80
1. De rechter kan - ambtshalve, op de
vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de
verdachte - bevelen dat de voorlopige hechtenis zal worden
geschorst, zodra de verdachte al of niet onder zekerheidstelling
zich, in de vorm door de rechter te bepalen, bereid heeft verklaard
tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden. De
vordering onderscheidenlijk het verzoek zijn met redenen omkleed.
2. Onder de voorwaarden der schorsing
wordt steeds opgenomen:
1°. dat de verdachte, indien de
opheffing der schorsing mocht worden bevolen, zich aan de
tenuitvoerlegging van het bevel tot voorloopige hechtenis niet
zal onttrekken;
2°. dat de verdachte, ingeval
hij wegens het feit, waarvoor de voorloopige hechtenis is
bevolen, tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden
veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal
onttrekken;
3°. dat de verdachte, voor zover
aan de schorsing voorwaarden zijn verbonden betreffende het
gedrag van de verdachte, ten behoeve van het vaststellen van
zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of
meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage
aanbiedt.
3. De zekerheidstelling voor de
nakoming der voorwaarden bestaat hetzij in de storting van
geldswaarden door den verdachte of een derde, hetzij in de
verbintenis van een derde als waarborg. In het laatste geval wordt
bij het verzoek overgelegd eene schriftelijke bereidverklaring van
den waarborg.
4. De verdachte en de waarborg worden
in de gelegenheid gesteld op het verzoek als bedoeld in het eerste
lid, te worden gehoord. Van het horen kan worden afgezien, indien
het verzoek niet met redenen is omkleed. Van het horen kan voorts
worden afgezien indien de verdachte reeds eerder op een verzoek tot
schorsing is gehoord.
5. De rechter bepaalt in zijne
beslissing het bedrag waarvoor en de wijze waarop zekerheid zal zijn
te stellen.
6. Bij het begeleiden bij de naleving
van de voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte wordt de
identiteit van de verdachte vastgesteld op de wijze, bedoeld in
artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid.
7. In de gevallen waarin verlof kan
worden verleend op grond van het bepaalde bij of krachtens de
Penitentiaire beginselenwet, blijft deze paragraaf buiten
toepassing.
Artikel 81
1. De rechter kan ambtshalve, op de
vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de
verdachte, in de beslissing tot schorsing wijziging brengen.
2. Wordt een nieuwe waarborg
voorgesteld, dan wordt bij het verzoek een schriftelijke
bereidverklaring van deze overgelegd.
Artikel 82
1. De rechter kan ambtshalve of op de
vordering van het openbaar ministerie te allen tijde de opheffing
der schorsing bevelen.
2. Alvorens daartoe over te gaan,
hoort de rechter zoo mogelijk den verdachte en kan hij te dien
einde, zoo noodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging,
diens dagvaarding gelasten.
Artikel 83
1. Geschiedt de opheffing wegens het
niet nakomen van voorwaarden, dan kan bij de beslissing tot
opheffing tevens de zekerheid worden vervallen verklaard aan den
Staat. Bestaat de zekerheid in eene verbintenis van den waarborg,
dan wordt deze alsdan bij die beslissing veroordeeld tot betaling
van het als zekerheid gestelde bedrag aan den Staat, ook bij
lijfsdwang op hem te verhalen.
2. De beslissing geldt als eene
onherroepelijke uitspraak van den burgerlijken rechter en wordt als
zoodanig ten uitvoer gelegd.
3. De langste duur van den lijfsdwang
wordt bij de beslissing bepaald en gaat bij gebleken onvermogen
nimmer den tijd van zes maanden te boven, behoudens hervatting,
indien de veroordeelde later in staat geraakt het door hem
verschuldigde te voldoen.
4. Indien de verdachte na de
opheffing der schorsing zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel
tot voorloopige hechtenis onttrekt, wordt, indien dit nog niet mocht
zijn geschied, de zekerheid vervallen verklaard aan den Staat. De
zekerheid wordt eveneens, ook zonder dat de opheffing der schorsing
mocht zijn bevolen, vervallen verklaard aan den Staat, indien de
verdachte de voorwaarde bedoeld in artikel 80, tweede lid, n°. 2,
niet nakomt. De beslissing wordt gegeven ambtshalve of op de
vordering van het openbaar ministerie. De voorgaande leden zijn van
toepassing.
Artikel 84
1. Indien de verdachte de voorwaarden
niet naleeft, of indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van het
bestaan van gevaar voor vlucht, kan zijne aanhouding worden bevolen
door het openbaar ministerie, tot het vorderen van de opheffing der
schorsing bevoegd en door den officier van justitie van het
arrondissement waartoe de plaats behoort waar de verdachte zich
bevindt, onder verplichting, wat de laatstgenoemde ambtenaar
betreft, tot onverwijlde schriftelijke kennisgeving aan eerstgenoemd
openbaar ministerie.
2. Indien dit de gedane aanhouding
noodzakelijk blijft achten, dient het onverwijld zijne vordering bij
den rechter in, die binnen tweemaal vier en twintig uren daarna
beslist.
Artikel 85
Indien het voortduren der zekerheid
niet langer noodzakelijk is, beveelt de rechter, zoo noodig na verhoor
van den verdachte en diens waarborg, ambtshalve, op de vordering van
het openbaar ministerie, of op het verzoek van den verdachte of diens
waarborg, dat de gestorte geldswaarden aan dengene die de zekerheid
heeft gesteld, zullen worden teruggegeven, of dat diens verbintenis
zal worden opgeheven.
Artikel 86
1. Alle rechterlijke beslissingen
ingevolge deze paragraaf worden genomen door de rechter die - hetzij
in eerste aanleg, hetzij in hoger beroep - bevoegd is de voorlopige
hechtenis te bevelen of op te heffen, dan wel over het verlengen van
de duur daarvan te beslissen.
2. De verdachte is bevoegd zich bij
zijn verhoor door de rechter-commissaris te doen bijstaan door een
raadsman. De raadsman wordt bij het verhoor in de gelegenheid
gesteld de nodige opmerkingen te maken.
3. In geval van opheffing van het
bevel tot voorlopige hechtenis beveelt de rechter tevens, dat de
gestorte geldswaarden zullen worden teruggegeven aan degene die de
zekerheid heeft gesteld, of dat diens verbintenis zal worden
opgeheven.
4. De beslissingen worden onverwijld
betekend aan de verdachte en aan diens waarborg.
5. De beslissingen tot schorsing, tot
opheffing daarvan en die tot wijziging van beslissingen tot
schorsing zijn dadelijk uitvoerbaar.
Artikel 87
1. Tegen de beschikkingen van de
rechter-commissaris of van de rechtbank tot schorsing, of tot
wijziging van een beslissing tot schorsing, staat voor de officier
van justitie uiterlijk veertien dagen daarna hoger beroep bij de
rechtbank, onderscheidenlijk het gerechtshof, open.
2. De verdachte die aan de rechtbank
schorsing of opheffing van de voorlopige hechtenis heeft verzocht,
kan eenmaal van een afwijzende beslissing op dat verzoek bij het
gerechtshof in hoger beroep komen, uiterlijk drie dagen na de
betekening. De verdachte die in hoger beroep is gekomen van een
afwijzende beslissing op een verzoek om schorsing, kan niet daarna
van een afwijzing van een verzoek om opheffing in hoger beroep
komen. De verdachte die in hoger beroep is gekomen van een
afwijzende beslissing op een verzoek om opheffing kan niet daarna
van een afwijzing van een verzoek om schorsing in hoger beroep
komen.
3. Op het hoger beroep wordt zo
spoedig mogelijk beslist.
Artikel 88
Waar in deze paragraaf wordt gesproken
van schorsing, wordt daaronder begrepen opschorting.
Tweede afdeling A. Schadevergoeding
Artikel 89
1. Indien de zaak eindigt zonder
oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op
grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten,
kan de rechter, op verzoek van de gewezen verdachte, hem een
vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade welke hij
tengevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of
voorlopige hechtenis heeft geleden. Onder schade is begrepen het
nadeel dat niet in vermogensschade bestaat.
2. Een vergoeding, als bedoeld in het
voorgaande lid, kan ook worden toegekend voor de schade die de
gewezen verdachte heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming
die hij in het buitenland heeft ondergaan in verband met een door
Nederlandse autoriteiten gedaan verzoek om uitlevering.
3. Het verzoek kan slechts worden
ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. De
behandeling van het verzoek door de raadkamer vindt plaats in het
openbaar.
4. De raadkamer is zoveel mogelijk
samengesteld uit de leden die op de terechtzitting over de zaak
hebben gezeten.
5. Tot de toekenning is bevoegd het
gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak tijdens de
beëindiging daarvan werd of zou worden vervolgd of anders het
laatst werd vervolgd.
6. Een verzoek om vergoeding van door
de gewezen verdachte geleden schade kan ook door zijn erfgenamen
worden gedaan en de vergoeding kan ook aan hen worden toegekend. Bij
deze toekenning blijft een vergoeding van het door de gewezen
verdachte geleden nadeel dat niet in vermogensschade bestaat
achterwege. Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn
verzoek of na instelling van hoger beroep is overleden, geschiedt de
toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.
Artikel 90
1. De toekenning van een
schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voorzover daartoe,
naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking
genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
2. Bij de bepaling van het bedrag
wordt ook rekening gehouden met de levensomstandigheden van den
gewezen verdachte.
3. Indien de rechter beslist tot het
toekennen van schadevergoeding, wordt het uit te keren bedrag
verrekend met geldboeten en andere aan de Staat verschuldigde
geldsommen, tot betaling waarvan de verzoeker bij onherroepelijk
geworden vonnis of arrest in een strafzaak is veroordeeld of tot
betaling waartoe de verzoeker op grond van een jegens hem
uitgevaardigde, onherroepelijk geworden strafbeschikking verplicht
is, een en ander voor zover die nog niet door hem zijn voldaan.
4. In plaats van het toekennen van
schadevergoeding kan de rechter beschikken dat de dagen die de
gewezen verdachte op grond van een bevel tot inverzekeringstelling
en voorlopige hechtenis in detentie heeft doorgebracht - geheel of
gedeeltelijk - in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging
van een uit anderen hoofde opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf.
5. De beschikking wordt onverwijld
aan de gewezen verdachte of aan zijn erfgenamen betekend.
Artikel 91
1. Tegen de door de rechtbank genomen
beslissing staat den officier van justitie binnen veertien dagen
daarna en den gewezen verdachte of zijne erfgenamen binnen eene
maand na de beteekening hooger beroep open bij het gerechtshof.
2. Ten aanzien van den gewezen
verdachte of zijne erfgenamen vinden de artikelen 447-455
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen in die
artikelen met betrekking tot den raadsman is bepaald, geldt voor hun
advocaat.
3. Artikel 90, laatste lid, is van
toepassing.
Artikel 92 [Vervallen per 28-07-1975]
Artikel 93
1. Voor het bedrag der
schadevergoeding wordt door den voorzitter van het college een
bevelschrift van tenuitvoerlegging afgegeven.
2. Uitbetaling geschiedt door de
griffier.
Derde afdeeling. Inbeslagneming
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 94
1. Vatbaar voor inbeslagneming zijn
alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te
brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, aan te tonen.
2. Voorts zijn vatbaar voor
inbeslagneming alle voorwerpen welker verbeurdverklaring of
onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen.
3. Van de inbeslagneming van een
voorwerp wordt, ook in geval de bevoegdheid tot inbeslagneming
toekomt aan de rechter-commissaris of de officier van justitie, door
de opsporingsambtenaar een kennisgeving van inbeslagneming
opgemaakt. Zoveel mogelijk wordt aan degene bij wie een voorwerp is
inbeslaggenomen, een bewijs van ontvangst afgegeven. De
opsporingsambtenaar stelt de kennisgeving zo spoedig mogelijk in
handen van de hulpofficier van justitie teneinde te doen beoordelen
of het beslag moet worden gehandhaafd.
Artikel 94a
1. In geval van verdenking van een
misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden
opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van
het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te
leggen geldboete.
2. In geval van verdenking van of
veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de
vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag
genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar
aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling
van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel.
3. Voorwerpen die toebehoren aan een
ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval,
de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het
tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel
kan worden ontnomen, kunnen in beslag worden genomen indien
voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten
dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de
uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die
ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.
4. In het geval, bedoeld in het derde
lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende
voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van
de in het derde lid bedoelde voorwerpen.
5. Onder voorwerpen worden verstaan
alle zaken en alle vermogensrechten.
Artikel 94b
Voor de toepassing van de artikelen 94
en 94a geldt:
1°. dat beslag op vorderingen
wordt gelegd en beëindigd door een schriftelijke kennisgeving aan
de schuldenaar;
2°. dat beslag op rechten aan
toonder of order geschiedt door beslag op het papier;
3°. dat bij het leggen van beslag
op aandelen en effecten op naam en bij het leggen en beëindigen
van beslag op onroerende registergoederen de tussenkomst van de
gerechtsdeurwaarder wordt ingeroepen en formaliteiten in acht
genomen worden welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering gelden ten aanzien van de mededeling of aanzegging
van de inbeslagneming, dan wel de betekening van het
proces-verbaal van inbeslagneming, de aantekening, inschrijving of
doorhaling in registers en de betekening daarvan aan derden;
4°. dat bij het leggen en
beëindigen van beslag op schepen en luchtvaartuigen formaliteiten
in acht genomen worden welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering gelden ten aanzien van de betekening van het
proces-verbaal van inbeslagneming, en ingevolge enige regeling
inzake teboekgestelde schepen, onderscheidenlijk luchtvaartuigen
ten aanzien van de inschrijving en doorhaling daarvan in
registers.
Artikel 94c
Op het beslag, bedoeld in artikel 94a,
is de vierde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, behoudens dat:
a. voor het leggen van het beslag
geen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank vereist
is, noch vrees voor verduistering behoeft te bestaan;
b. een maximum bedrag waarvoor het
recht tot verhaal zal worden uitgeoefend in het proces-verbaal van
inbeslagneming of het beslagexploit dient te worden vermeld;
c. geen overeenkomstige toepassing
toekomt aan voorschriften omtrent termijnen waarbinnen na het
beslag de eis in de hoofdzaak dient te zijn ingesteld;
d. voor roerende zaken die geen
registergoederen zijn en rechten aan toonder of order ook volstaan
kan worden met het door een opsporingsambtenaar opmaken van een
proces-verbaal van inbeslagneming en het afgeven van een bewijs
van ontvangst aan degene bij wie de voorwerpen in beslag zijn
genomen;
e. het niet in acht nemen van
termijnen waarbinnen betekening van het beslag moet plaatsvinden,
buiten de gevallen van artikel 94b, onder 3°, geen nietigheid van
het beslag meebrengt;
f. geen overeenkomstige toepassing
toekomt aan artikel 721 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering; de officier van justitie geeft, zo de hoofdzaak
na het beslag ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt, daarvan
zo spoedig mogelijk aan de derde schriftelijk kennis;
g. geen overeenkomstige toepassing
toekomt aan artikel 722 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering;
h. op in beslag genomen roerende
zaken die in bewaring worden genomen de artikelen 117 en 118
toepasselijk zijn;
i. de beëindiging van het beslag
met inachtneming van de bepalingen van dit Wetboek geschiedt.
Artikel 94d
1. Tot bewaring van het recht tot
verhaal kan de officier van justitie namens de staat de bevoegdheden
uitoefenen, welke in het Burgerlijk Wetboek en in het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering zijn toegekend aan een schuldeiser die
in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld als gevolg van een
onverplicht door de schuldenaar verrichte rechtshandeling. Artikel
94c, onder c en e, is van overeenkomstige toepassing.
2. Voor de toepassing van de
artikelen 46 en 47, Boek 3, van het Burgerlijk Wetboek geldt het in
die artikelen bedoelde vermoeden van wetenschap voor
rechtshandelingen welke door de verdachte of veroordeelde zijn
verricht binnen één jaar vóór het tijdstip waarop de vervolging
tegen hem is aangevangen.
3. De officier van justitie heeft
voorts tot bewaring van het recht tot verhaal de bevoegdheid namens
de staat als schuldeiser in het faillissement van de verdachte of
veroordeelde op te komen. Zolang het bedrag van de boete of van het
te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel nog niet vaststaat
wordt hij geacht voor een voorwaardelijke vordering op te komen.
4. De officier van justitie behoudt
de in de eerste twee leden bedoelde bevoegdheden ondanks
faillissement, voor zover de voorwerpen waarop de onverplichte
rechtshandelingen betrekking hebben, niet door de curator op grond
van de artikelen 42 tot en met 51 van de Faillissementswet worden
opgevorderd.
§ 2. Inbeslagneming door
opsporingsambtenaren of bijzondere personen
Artikel 95
1. Hij die den verdachte aanhoudt of
staande houdt, kan voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, door
dezen met zich gevoerd, in beslag nemen.
2. Met betrekking tot het onderzoek
aan of in het lichaam of het onderzoek aan de kleding van de
aangehouden verdachte geldt artikel 56, eerste tot en met vierde
lid.
Artikel 96
1. In geval van ontdekking op
heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, is de
opsporingsambtenaar bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag
te nemen en daartoe elke plaats te betreden.
2. De opsporingsambtenaar kan, in
afwachting van de komst van de rechter of ambtenaar die bevoegd is
ter inbeslagneming de plaats te doorzoeken, de maatregelen nemen die
redelijkerwijs nodig zijn om wegmaking, onbruikbaarmaking,
onklaarmaking of beschadiging van voor inbeslagneming vatbare
voorwerpen te voorkomen. Deze maatregelen kunnen de vrijheid van
personen die zich ter plaatse bevinden beperken.
Artikel 96a
1. In geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de
opsporingsambtenaar een persoon die redelijkerwijs moet worden
vermoed houder te zijn van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp
bevelen dat hij dit ter inbeslagneming zal uitleveren.
2. Het bevel wordt niet gegeven aan
de verdachte.
3. Op grond van hun bevoegdheid tot
verschoning zijn niet verplicht aan het bevel te voldoen:
a. de personen bedoeld bij
artikel 217;
b. de personen bedoeld bij
artikel 218, voorzover de uitlevering met hun plicht tot
geheimhouding in strijd zou zijn;
c. de personen bedoeld bij
artikel 219, voorzover de uitlevering hen of een hunner daarin
genoemde betrekkingen aan het gevaar van een strafrechtelijke
vervolging zou blootstellen.
4. Ten aanzien van brieven kan het
bevel alleen worden gegeven, indien deze van de verdachte afkomstig
zijn, voor hem bestemd zijn of op hem betrekking hebben, of wel
indien zij het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het
begaan daarvan gediend hebben.
5. Het eerste lid vindt geen
toepassing ten aanzien van pakketten, brieven, stukken en andere
berichten, welke aan een postvervoerbedrijf als bedoeld in de
Postwet 2009 of een geregistreerde ingevolge artikel 2.1, vierde
lid, van de Telecommunicatiewet dan wel aan een andere instelling
van vervoer zijn toevertrouwd.
Artikel 96b
1. In geval van ontdekking op
heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, is de
opsporingsambtenaar bevoegd ter inbeslagneming een vervoermiddel,
met uitzondering van het woongedeelte zonder toestemming van de
bewoner, te doorzoeken en zich daartoe de toegang tot dit
vervoermiddel te verschaffen.
2. Indien zulks met het oog op de
uitoefening van de in het eerste lid verleende bevoegdheid
noodzakelijk is, kan de opsporingsambtenaar:
a. van de bestuurder van het
vervoermiddel vorderen dat hij het vervoermiddel tot stilstand
brengt, en
b. het vervoermiddel vervolgens
naar een daartoe door hem aangewezen plaats overbrengen of door
de bestuurder laten overbrengen.
Artikel 96c
1. In geval van ontdekking op
heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier
van justitie ter inbeslagneming elke plaats, met uitzondering van
een woning zonder toestemming van de bewoner en een kantoor van een
persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218,
doorzoeken.
2. Bij dringende noodzakelijkheid en
indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden
afgewacht, kan een hulpofficier deze bevoegdheid uitoefenen. Hij
behoeft daartoe de machtiging van de officier van justitie. Indien
vanwege de vereiste spoed of de onbereikbaarheid van de officier van
justitie de machtiging niet tijdig kan worden gevraagd, kan de
machtiging binnen drie dagen na de doorzoeking door de officier van
justitie worden verleend. Weigert de officier van justitie de
machtiging, dan draagt hij zorg dat de gevolgen van de doorzoeking
zoveel mogelijk ongedaan worden gemaakt.
3. Het doorzoeken van plaatsen
overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid geschiedt onder
leiding van de officier van justitie of, in geval van toepassing van
het tweede lid, onder leiding van de hulpofficier.
4. Artikel 96, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 97
1. In geval van ontdekking op
heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier
van justitie, bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden
van de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht, ter
inbeslagneming de volgende plaatsen doorzoeken:
a. een woning zonder toestemming
van de bewoner, en
b. een kantoor van een persoon
met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218.
2. Voor een doorzoeking als bedoeld
in het eerste lid behoeft de officier van justitie de machtiging van
de rechter-commissaris. Deze machtiging is met redenen omkleed.
3. Kan ook het optreden van de
officier van justitie niet worden afgewacht, dan komt de bevoegdheid
tot doorzoeking toe aan de hulpofficier. Het eerste en het tweede
lid zijn van overeenkomstige toepassing. De machtiging van de
rechter-commissaris wordt zo mogelijk door tussenkomst van de
officier van justitie gevraagd.
4. Indien de rechter-commissaris aan
een hulpofficier van justitie machtiging heeft verleend ter
inbeslagneming een woning zonder toestemming van de bewoner te
doorzoeken, is voor het binnentreden in die woning door de betrokken
hulpofficier van justitie geen machtiging als bedoeld in artikel 2
van de Algemene wet op het binnentreden vereist.
5. Artikel 96, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 98
1. Bij personen met bevoegdheid tot
verschooning, als bedoeld bij artikel 218, worden, tenzij met hunne
toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften,
tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.
2. Een doorzoeking vindt bij zodanige
personen, tenzij met hun toestemming, alleen plaats voor zover het
zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan
geschieden, en strekt zich niet uit tot andere brieven of
geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit
uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.
Artikel 99
1. Tenzij het belang van het
onderzoek dit vordert, wordt tot inbeslagneming in eene woning niet
overgegaan dan nadat de bewoner of, indien hij afwezig is, een
zijner aanwezige huisgenoten is gehoord en vruchteloos uitgenodigd
het voorwerp vrijwillig af te geven ter inbeslagneming.
2. Voorzoover het belang van het
onderzoek zich daartegen niet verzet, stelt de opsporende ambtenaar
den bewoner of, indien deze afwezig is, een zijner aanwezige
huisgenooten in de gelegenheid, zich omtrent de ter plaatse
inbeslaggenomen voorwerpen te verklaren. Hetzelfde geldt ten aanzien
van den verdachte, indien deze tegenwoordig is.
Artikel 99a
De verdachte is bevoegd zich tijdens
het doorzoeken van plaatsen door zijn raadsman te doen bijstaan,
zonder dat de doorzoeking daardoor mag worden opgehouden.
Artikel 100
1. In geval van ontdekking op
heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier
van justitie ter inbeslagneming de uitlevering tegen ontvangstbewijs
bevelen van de pakketten, brieven, stukken en andere berichten,
welke aan een postvervoerbedrijf als bedoeld in de Postwet 2009 of
een geregistreerde ingevolge artikel 2.1, vierde lid, van de
Telecommunicatiewet dan wel aan een andere instelling van vervoer
zijn toevertrouwd; een en ander voor zover zij klaarblijkelijk van
de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn of op hem
betrekking hebben, of wel indien zij klaarblijkelijk het voorwerp
van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend
hebben.
2. Ieder die ten behoeve van dat
vervoer zoodanige zaken onder zich heeft of krijgt, geeft
dienaangaande aan den officier van justitie of aan den hulpofficier
op diens vordering de door dezen gewenschte inlichtingen. De
artikelen 217-219 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 101
1. De officier van justitie geeft
inbeslaggenomen pakketten, brieven, stukken en andere berichten,
welke aan een postvervoerbedrijf als bedoeld in de Postwet 2009 of
een geregistreerde ingevolge artikel 2.1, vierde lid, van de
Telecommunicatiewet dan wel aan een andere instelling van vervoer
waren toevertrouwd en welker inbeslagneming niet wordt gehandhaafd
onverwijld aan de vervoerder ter verzending terug.
2. Tot de kennisneming van de inhoud
der overige zaken, voor zover deze gesloten zijn, gaat de officier
van justitie niet over dan na daartoe door de rechter-commissaris te
zijn gemachtigd.
3. De machtiging kan zowel mondeling
als schriftelijk worden gevorderd en verleend.
4. Wordt de machtiging geweigerd, dan
geeft de officier van justitie de inbeslaggenomen zaken onverwijld
aan de vervoerder ter verzending terug.
Artikel 102
1. Blijken de zaken na opening van
belang voor het onderzoek, dan voegt de officier van justitie deze
bij de processtukken of de stukken van overtuiging. In het
tegenovergestelde geval worden zij, na door den officier van
justitie te zijn gesloten, door dezen onverwijld naar hunne
bestemming verzonden.
2. Voorzoover het belang van het
onderzoek dit niet verbiedt, worden zij vooraf door den officier van
justitie gewaarmerkt.
3. De inhoud van de door den officier
van justitie geopende zaken, voorzoover deze niet bij de
processtukken of de stukken van overtuiging zijn gevoegd, wordt door
hem geheim gehouden. Gelijke geheimhouding wordt door hem en door
den hulpofficier van justitie in acht genomen ter zake van de
inlichtingen in artikel 100, tweede lid, vermeld, voor zoover
daarvan niet uit de processtukken blijkt.
4. Van de inbeslagneming, de
teruggave, de opening en de verzending wordt door den officier van
justitie proces-verbaal opgemaakt dat bij de processtukken wordt
gevoegd.
Artikel 102a
1. De hulpofficier van justitie of de
opsporingsambtenaar stelt inbeslaggenomen gesloten brieven
onverwijld ter beschikking van de officier van justitie.
2. De officier van justitie geeft de
gesloten brieven, welker inbeslagneming niet wordt gehandhaafd,
onverwijld terug aan degene bij wie zij inbeslaggenomen zijn.
3. De artikelen 101, tweede, derde en
vierde lid, en 102 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de brieven die niet bij de processtukken of de stukken
van overtuiging worden gevoegd, worden teruggegeven aan degene bij
wie zij inbeslaggenomen zijn.
§ 2a. Inbeslagneming op grond van
artikel 94a
Artikel 103
1. Beslag kan op grond van artikel
94a slechts worden gelegd of gehandhaafd krachtens schriftelijke
machtiging op vordering van de officier van justitie te verlenen
door de rechter-commissaris.
2. De machtiging wordt door de
officier van justitie zo spoedig mogelijk aan de verdachte of
veroordeelde, en zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan
deze betekend op de wijze zoals voorzien bij dit wetboek of door de
gerechtsdeurwaarder overeenkomstig de wijze van betekening van het
verlof, bedoeld in artikel 702, tweede lid, van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering.
§ 3. Inbeslagneming door den
rechter-commissaris
Artikel 104
1. De rechter-commissaris is tot
inbeslagneming van alle daarvoor vatbare voorwerpen bevoegd. Buiten
een gerechtelijk vooronderzoek vindt inbeslagneming slechts plaats
door de rechter-commissaris die enig onderzoek in de zaak verricht.
2. Artikel 98, eerste lid, is van
toepassing.
Artikel 105
1. De rechter-commissaris kan, op
vordering van de officier van justitie en in het gerechtelijk
vooronderzoek tevens ambtshalve, bevelen dat hij die redelijkerwijs
moet worden vermoed houder te zijn van een voor inbeslagneming
vatbaar voorwerp, dit ter inbeslagneming aan hem zal uitleveren of
op de griffie van de rechtbank overbrengen, een en ander binnen de
termijn en op de wijze bij het bevel te bepalen. De vordering
vermeldt het strafbare feit en indien bekend de naam of anders een
zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte, alsmede de
feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de wettelijke
voorwaarden voor uitoefening van de bevoegdheid zijn vervuld.
2. Het bevel wordt mondeling of
schriftelijk gegeven. In het laatste geval wordt het beteekend.
3. Artikel 96a, tweede, derde en
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 106 [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 107 [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 108
1. De rechter-commissaris kan op
verzoek van den belanghebbende bevelen dat dezen door den griffier
kosteloos een gewaarmerkt afschrift der uitgeleverde of
overgebrachte brieven of geschriften zal worden gegeven.
2. Betreft het een authentiek stuk
onder bewaring van een openbaren bewaarder, dan kan het afschrift in
de plaats van het oorspronkelijke stuk strekken, zoolang dit niet is
terug ontvangen.
Artikel 109
Indien het over te brengen stuk een
gedeelte uitmaakt van een register, waarvan het niet kan worden
afgescheiden, kan de rechter-commissaris bevelen dat het register,
voor de tijd bij het bevel te bepalen, ter inzage of voor het maken
van een afschrift zal worden overgebracht.
Artikel 110
1. De rechter-commissaris kan, op
vordering van de officier van justitie en in het gerechtelijk
vooronderzoek tevens ambtshalve, ter inbeslagneming elke plaats
doorzoeken. Hij kan zich daarbij doen vergezellen van bepaalde door
hem aangewezen personen. De vordering vermeldt het strafbare feit en
indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke
omschrijving van de verdachte, alsmede de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de wettelijke voorwaarden voor uitoefening van de
bevoegdheid zijn vervuld.
2. Het doorzoeken van plaatsen
overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid geschiedt onder
leiding van de rechter-commissaris in tegenwoordigheid van de
officier van justitie of, in geval van diens verhindering, van een
hulpofficier van justitie.
3. De artikelen 98, 99 en 99a zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 111 [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 112 [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 113 [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 114
1. De artikelen 100-102 vinden
tijdens het gerechtelijk vooronderzoek ten aanzien van den
rechter-commissaris overeenkomstige toepassing.
2. De rechter-commissaris is bevoegd
te bepalen dat van de inhoud van inbeslaggenomen gesloten pakketten,
brieven, stukken en andere berichten, welke aan een
postvervoerbedrijf als bedoeld in de Postwet 2009 of een
geregistreerde ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de
Telecommunicatiewet dan wel aan een andere instelling van vervoer
waren toevertrouwd, zal worden kennis genomen, voor zover zij
klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd
zijn of op hem betrekking hebben, of wel indien zij klaarblijkelijk
het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan
daarvan gediend hebben.
Artikel 115 [Vervallen per 01-02-1959]
§ 4. Teruggave en bewaring van
inbeslaggenomen voorwerpen
Artikel 116
1. De hulpofficier van justitie of de
officier van justitie die op grond vanartikel 94, derde lid, in
kennis is gesteld van de kennisgeving van inbeslagneming, beslist
over het voortduren van het beslag in het belang van de
strafvordering. Indien dit belang niet of niet meer aanwezig is,
beëindigt hij het beslag en doet hij het voorwerp teruggeven aan
degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen. De hulpofficier
van justitie pleegt desgeraden overleg met de officier van justitie
voordat hij de beslissing neemt.
2. Indien degene bij wie het voorwerp
in beslag is genomen ten overstaan van de rechter-commissaris, de
officier van justitie of een opsporingsambtenaar schriftelijk
verklaart afstand te doen van het voorwerp, kan de hulpofficier van
justitie of het openbaar ministerie:
a. het voorwerp doen teruggeven
aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden
aangemerkt;
b. gelasten dat het voorwerp ten
behoeve van de rechthebbende in bewaring zal blijven, indien
teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan
worden aangemerkt, nog niet mogelijk is;
c. in geval degene bij wie het
voorwerp is in beslag genomen verklaart dat het hem toebehoort,
gelasten dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurd
verklaard of onttrokken aan het verkeer.
3. Wordt een verklaring als bedoeld
in het tweede lid niet afgelegd, dan kan het openbaar ministerie de
beslissing onder a of b alsnog nemen, indien degene bij wie het
voorwerp in beslag is genomen, zich niet binnen veertien dagen nadat
het openbaar ministerie hem schriftelijk kennis heeft gegeven van
het voornemen tot zodanige beslissing, daarover heeft beklaagd of
het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard. Op het beklag
is titel IX van het Vierde Boek van overeenkomstige toepassing.
4. Indien een verklaring als bedoeld
in het tweede lid niet wordt afgelegd en het openbaar ministerie
voornemens is het voorwerp terug te geven aan degene die
redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, is het
bevoegd het voorwerp reeds aanstonds, in afwachting van de
mogelijkheid tot teruggave, aan deze in bewaring te geven, indien
degene bij wie het voorwerp is inbeslaggenomen, dit kennelijk door
middel van een strafbaar feit aan die rechthebbende heeft onttrokken
of onttrokken hield. Degene aan wie het voorwerp is afgegeven, is in
dat geval bevoegd het voorwerp te gebruiken.
5. Indien het openbaar ministerie
overeenkomstig het tweede of vierde lid of de rechtbank
overeenkomstig artikel 353, tweede lid, de bewaring van het voorwerp
heeft gelast, doet het openbaar ministerie dit voorwerp na het
bekend worden van de rechthebbende aan deze teruggeven.
6. De in dit artikel bedoelde
beslissingen laten ieders rechten ten aanzien van het voorwerp
onverlet.
Artikel 117
1. De inbeslaggenomen voorwerpen
worden niet vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander
doel dan het onderzoek bestemd, tenzij na verkregen machtiging.
2. De in het eerste lid bedoelde
machtiging kan door het openbaar ministerie worden verleend ten
aanzien van voorwerpen
a. die niet geschikt zijn voor
opslag;
b. waarvan de kosten van de
bewaring niet in een redelijke verhouding staan tot hun waarde;
c. die vervangbaar zijn en
waarvan de tegenwaarde op eenvoudige wijze kan worden bepaald.
Ten aanzien van inbeslaggenomen
voorwerpen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit
daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt
slechts machtiging tot vernietiging verleend.
3. De in het eerste lid bedoelde
machtiging is gericht tot de bewaarder of aan de ambtenaar die de
voorwerpen in afwachting van hun vervoer naar de bewaarder onder
zich heeft. Degene aan wie de machtiging is gericht, draagt zorg
voor de bepaling van de waarde die het voorwerp op dat moment bij
verkoop redelijkerwijs zou hebben opgebracht.
4. Indien inbeslaggenomen voorwerpen
op grond van de machtiging van het openbaar ministerie tegen baat
worden vervreemd, blijft het beslag, onverminderd het bepaalde in
artikel 116, rusten op de verkregen opbrengst.
5. Indien het openbaar ministerie op
het schriftelijk verzoek van de bewaarder hem de machtiging te
verlenen als bedoeld in het eerste lid, niet binnen zes weken een
beslissing heeft genomen, is de bewaarder bevoegd te handelen
overeenkomstig het eerste lid.
Artikel 117a
Indien het openbaar ministerie een van
de beslissingen bedoeld in de artikelen 116 en 117 neemt tijdens een
lopend gerechtelijk vooronderzoek, doet het daarvan mededeling aan de
rechter-commissaris.
Artikel 118
1. Bij toepassing van artikel 116,
tweede lid, onder b, of indien het belang van de strafvordering zich
verzet tegen teruggave en geen machtiging als bedoeld in artikel
117, eerste lid, is verleend, worden de inbeslaggenomen voorwerpen,
zodra het belang van het onderzoek het toelaat, in opdracht van het
openbaar ministerie, gesteld onder de hoede van een bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen bewaarder. De artikelen 116 en 117
zijn toepassing.
2. Inbeslaggenomen voorwerpen kunnen
ook aan een andere door het openbaar ministerie aangewezen bewaarder
in gerechtelijke bewaring worden gegeven, indien dit voor het
behoud, de bestemming of de beveiliging van deze voorwerpen
redelijkerwijs noodzakelijk is.
3. De bewaarder is bevoegd de
bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen, voor zover het andere
roerende zaken dan geld betreft, te beëindigen na een tijdsverloop
van twee jaren te rekenen vanaf de datum van inbeslagneming. In dat
geval handelt hij met het voorwerp overeenkomstig artikel 117,
eerste lid.
4. Indien het inbeslaggenomen
voorwerp wordt bewaard op grond van de last als bedoeld in artikel
353, tweede lid, onder c, kan de bewaarder de hem in het derde lid
toegekende bevoegdheid tot beëindiging van de bewaring niet
uitoefenen voordat drie maanden zijn verstreken nadat de
einduitspraak onherroepelijk is geworden.
5. De bewaarder oefent de
bevoegdheid, bedoeld in het derde of vierde lid, niet uit, indien
het openbaar ministerie binnen veertien dagen nadat de bewaarder van
het bestaan van de bevoegdheid schriftelijk heeft kennis gegeven,
meedeelt tegen uitoefening daarvan bezwaar te hebben.
Artikel 118a
1. Het openbaar ministerie kan
ambtshalve of op verzoek van de beslagene of van een andere
belanghebbende een voorwerp dat op grond van artikel 94a in beslag
is genomen onder zekerheidsstelling doen teruggeven.
2. De zekerheid bestaat in de
storting van geldswaarden door de beslagene of een derde, of in de
verbintenis van een derde als waarborg, voor een bedrag en op een
wijze als door het openbaar ministerie wordt aanvaard.
Artikel 118b [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 119
1. Een last tot teruggave van een
inbeslaggenomen voorwerp dat in bewaring is gegeven, is gericht tot
de bewaarder.
2. Indien de bewaarder niet aan de
last tot teruggave kan voldoen, omdat de bewaring van het voorwerp
overeenkomstig de machtiging, bedoeld in artikel 117, tweede lid,
dan wel op de wijze voorzien in artikel 118, derde lid, is
beëindigd, gaat de bewaarder over tot uitbetaling van de prijs, die
het voorwerp bij verkoop door hem heeft opgebracht of
redelijkerwijze zou hebben opgebracht.
3. Indien de bewaarder, buiten de
gevallen in het tweede lid bedoeld, niet in staat is aan de last tot
teruggave te voldoen, houdt de bewaarder het voorwerp ter
beschikking van de rechthebbende totdat hem in gevolge artikel 118,
derde lid, de bevoegdheid toekomt de bewaring te beëindigen. In het
geval als bedoeld in artikel 353, tweede lid, onder b of c houdt de
bewaarder, indien hem evenbedoelde bevoegdheid zou toekomen, het
voorwerp niettemin ter beschikking van de rechthebbende gedurende
tenminste drie maanden nadat de einduitspraak onherroepelijk is
geworden.
4. De bewaarder geeft het voorwerp
niet terug zolang er een beslag op rust, door een derde gelegd
ingevolge Boek II, titels 2, 3 en 4, en Boek III, titel 4, van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij degene door wie de
last tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk anders bepaalt.
Artikel 119a
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de toepassing
van artikel 117, eerste tot en met het derde lid, 118, tweede lid, en
118a omtrent de wijze waarop de inbeslaggenomen voorwerpen worden
aangeboden aan de bewaarder, de wijze waarop deze worden bewaard en
ter beschikking van het onderzoek gehouden.
Artikel 120 [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 121 [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 122 [Vervallen per 01-01-1996]
Artikel 123 [Vervallen per 01-01-1996]
Vierde afdeeling. Handhaving der orde
ter gelegenheid van ambtsverrichtingen
Artikel 124
1. Voor de handhaving der orde ter
gelegenheid van ambtsverrichtingen draagt zorg de voorzitter van het
college, of de rechter of ambtenaar, die met de leiding dier
verrichtingen is belast.
2. Deze neemt de noodige maatregelen
opdat die ambtsverrichtingen zonder stoornis zullen kunnen plaats
vinden.
3. Indien daarbij iemand de orde
verstoort of op eenigerlei wijze hinderlijk is, kan de betrokken
voorzitter, rechter of ambtenaar, na hem zoo noodig te hebben
gewaarschuwd, bevelen dat hij zal vertrekken en, ingeval van
weigering, hem doen verwijderen en tot den afloop der
ambtsverrichtingen in verzekering doen houden.
4. Van een en ander wordt een
proces-verbaal opgemaakt, dat bij de processtukken wordt gevoegd.
5. Met de dienst der gerechten zijn
belast ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak,
dan wel andere ambtenaren of functionarissen, voor zover die
ambtenaren of functionarissen door Onze Minister van Justitie zijn
aangewezen. Deze ambtenaren of functionarissen nemen de aanwijzingen
in acht van de voorzitter van het college, de rechter of de
ambtenaar, bedoeld in het eerste lid.
Vijfde afdeling. Maatregelen ter
gelegenheid van een schouw of een doorzoeking
Artikel 125
1. In geval van een schouw of het
doorzoeken van plaatsen kan de daarmede belaste rechter of ambtenaar
de nodige maatregelen tot bewaking of afsluiting nemen of doen nemen
en bevelen dat niemand zich, zonder zijn uitdrukkelijke bewilliging,
van de plaats van onderzoek zal verwijderen of gebruik zal maken van
de zich op de plaats van onderzoek bevindende
telecommunicatievoorzieningen zolang het onderzoek aldaar niet is
afgelopen.
2. Hij kan de overtreders van het
bevel doen vatten en tot den afloop doen aanhouden.
Artikel 125a [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 125b [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 125c [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 125d [Vervallen per 01-03-1993]
Artikel 125e [Vervallen per 01-03-1993]
Zesde afdeling
Artikel 125f [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 125g [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 125h [Vervallen per 01-02-2000]
Zevende afdeling. Doorzoeking ter
vastlegging van gegevens
Artikel 125i
Aan de rechter-commissaris, de officier
van justitie, de hulpofficier van justitie en de opsporingsambtenaar
komt onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in de artikelen 96b, 96c,
eerste, tweede en derde lid, 97, eerste tot en met vierde lid, en 110,
eerste en tweede lid, de bevoegdheid toe tot het doorzoeken van een
plaats ter vastlegging van gegevens die op deze plaats op een
gegevensdrager zijn opgeslagen of vastgelegd. In het belang van het
onderzoek kunnen zij deze gegevens vastleggen. De artikelen 96, tweede
lid, 98, 99en 99a zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 125j
1. In geval van een doorzoeking kan
vanaf de plaats waar de doorzoeking plaatsvindt, in een elders
aanwezig geautomatiseerd werk onderzoek worden gedaan naar in dat
werk opgeslagen gegevens die redelijkerwijs nodig zijn om de
waarheid aan de dag te brengen. Worden dergelijke gegevens
aangetroffen, dan kunnen zij worden vastgelegd.
2. Het onderzoek reikt niet verder
dan voor zover de personen die plegen te werken of te verblijven op
de plaats waar de doorzoeking plaatsvindt, vanaf die plaats, met
toestemming van de rechthebbende tot het geautomatiseerde werk,
daartoe toegang hebben.
Artikel 125k
1. Voor zover het belang van het
onderzoek dit bepaaldelijk vordert, kan indien toepassing is gegeven
aan artikel 125i of artikel 125j tot degeen van wie redelijkerwijs
kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van
beveiliging van een geautomatiseerd werk, het bevel worden gericht
toegang te verschaffen tot de aanwezige geautomatiseerde werken of
delen daarvan. Degeen tot wie het bevel is gericht, dient
desgevraagd hieraan gevolg te geven door de kennis omtrent de
beveiliging ter beschikking te stellen.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing indien in een geautomatiseerd werk
versleutelde gegevens worden aangetroffen. Het bevel richt zich tot
degeen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis
draagt van de wijze van versleuteling van deze gegevens.
3. Het bevel, bedoeld in het eerste
lid, wordt niet gegeven aan de verdachte.Artikel 96a, derde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 125l
Naar gegevens die zijn ingevoerd door
of vanwege personen met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in
artikel 218, vindt, tenzij met hun toestemming, geen onderzoek plaats
voor zover daartoe hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. Een
onderzoek in een geautomatiseerd werk waarin zodanige gegevens zijn
opgeslagen, vindt, tenzij met hun toestemming, slechts plaats, voor
zover dit zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim
kan geschieden.
Artikel 125la
Indien bij een doorzoeking ter
vastlegging van gegevens bij een aanbieder van een openbaar
telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst
gegevens worden aangetroffen die niet voor deze bestemd of van deze
afkomstig zijn, is de officier van justitie slechts bevoegd te bepalen
dat van deze gegevens wordt kennisgenomen en dat deze worden
vastgelegd, voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig
zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het
begaan van het strafbare feit hebben gediend, ofwel klaarblijkelijk
met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd. De
officier van justitie behoeft hiervoor een voorafgaande schriftelijke
machtiging, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris.
Artikel 125m
1. Leidt een doorzoeking tot
vastlegging of ontoegankelijkmaking van gegevens, dan wordt zo
spoedig mogelijk aan de betrokkenen schriftelijk mededeling gedaan
van deze vastlegging of ontoegankelijkmaking en van de aard van de
vastgelegde of ontoegankelijk gemaakte gegevens. De mededeling
blijft achterwege, indien uitreiking van de mededeling
redelijkerwijs niet mogelijk is.
2. De officier van justitie dan wel,
indien de rechter-commissaris de bevoegdheid tot doorzoeking heeft
toegepast, de rechter-commissaris kan bepalen dat de in het eerste
lid bedoelde mededeling aan een betrokkene wordt uitgesteld zolang
het belang van het onderzoek zich tegen mededeling aan deze
betrokkene verzet.
3. Als betrokkene in de zin van dit
artikel worden aangemerkt:
a. de verdachte;
b. de verantwoordelijke voor de
gegevens;
c. de rechthebbende van een
plaats waar een doorzoeking heeft plaatsgevonden.
4. Indien de betrokkene de verdachte
is, kan mededeling achterwege blijven, indien hij door opneming in
de processtukken van de vastlegging van gegevens en van de aard van
de vastgelegde gegevens op de hoogte komt.
Artikel 125n
1. Zodra blijkt dat de gegevens die
zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking, van geen betekenis zijn
voor het onderzoek, worden zij vernietigd.
2. De vernietiging vindt plaats door
of op last van degeen die de gegevens heeft opgenomen. Van de
vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt, dat wordt toegevoegd
aan de processtukken.
3. De officier van justitie kan
bepalen dat gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking, kunnen
worden gebruikt voor:
a. een ander strafrechtelijk
onderzoek dan waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend;
b. verwerking met het oog op het
verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij
misdrijven en handelingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdelen a en b, van de Wet politiegegevens.
4. Indien toepassing is gegeven aan
het derde lid, onderdeel a, behoeven de gegevens, in afwijking van
het eerste lid, niet te worden vernietigd totdat het andere
onderzoek is geëindigd. Is toepassing gegeven aan het derde lid,
onderdeel b, dan behoeven de gegevens niet te worden vernietigd,
totdat de Wet politiegegevens opslag van de gegevens niet meer
toestaat.
Artikel 125o
1. Indien bij een doorzoeking in een
geautomatiseerd werk gegevens worden aangetroffen met betrekking tot
welke of met behulp waarvan het strafbare feit is gepleegd, kan de
officier van justitie dan wel, tijdens het gerechtelijk
vooronderzoek, de rechter-commissaris bepalen dat die gegevens
ontoegankelijk worden gemaakt voor zover dit noodzakelijk is ter
beëindiging van het strafbare feit of ter voorkoming van nieuwe
strafbare feiten.
2. Onder ontoegankelijkmaking van
gegevens wordt verstaan het treffen van maatregelen om te voorkomen
dat de beheerder van het in het eerste lid bedoelde geautomatiseerde
werk of derden verder van die gegevens kennisnemen of gebruikmaken,
alsmede ter voorkoming van de verdere verspreiding van die gegevens.
Onder ontoegankelijkmaking wordt mede verstaan het verwijderen van
de gegevens uit het geautomatiseerde werk, met behoud van de
gegevens ten behoeve van de strafvordering.
3. Zodra het belang van de
strafvordering zich niet meer verzet tegen opheffing van de
maatregelen, bedoeld in het tweede lid, bepaalt de officier van
justitie dan wel, tijdens het gerechtelijk vooronderzoek, de
rechter-commissaris dat de gegevens weer ter beschikking van de
beheerder van het geautomatiseerde werk worden gesteld.
Negende afdeling. strafrechtelijk
financieel onderzoek
Artikel 126
1. In geval van verdenking van een
misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden
opgelegd en waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang
kan zijn verkregen, kan overeenkomstig de bepalingen van deze
afdeling een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld.
2. Een strafrechtelijk financieel
onderzoek is gericht op de bepaling van het door de verdachte
wederrechtelijk verkregen voordeel, met het oog op de ontneming
daarvan op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
3. Het strafrechtelijk financieel
onderzoek wordt ingesteld krachtens een met redenen omklede
machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier
van justitie die met de opsporing van het strafbare feit is belast,
verleend.
4. De vordering van de officier van
justitie is met redenen omkleed. Bij de vordering wordt een lijst
van voorwerpen overgelegd die reeds op grond van artikel 94a,
tweede, derde en vierde lid, in beslag zijn genomen.
5. De officier van justitie
informeert periodiek uit eigen beweging of op diens verzoek de
rechter-commissaris over de voortgang van het strafrechtelijk
financieel onderzoek. De rechter-commissaris licht de rechtbank in,
indien hij zulks met het oog op artikel 126e, eerste lid, nodig
oordeelt. De rechter-commissaris doet hiervan mededeling aan de
officier van justitie.
Artikel 126a
1. Krachtens de ingevolge artikel 126
gegeven machtiging is een met het strafrechtelijk financieel
onderzoek belaste opsporingsambtenaar op vertoon van een afschrift
van de machtiging bevoegd, ten einde inzicht te verkrijgen in de
vermogenspositie van degene tegen wie het onderzoek is gericht, aan
een ieder te bevelen hem op de eerste vordering:
a. opgave te doen of inzage of
afschrift te geven van bescheiden of van gegevens, niet zijnde
gegevens als bedoeld in artikel 126nd, tweede lid, derde volzin;
b. op te geven of, en zo ja
welke, vermogensbestanddelen hij onder zich heeft of heeft
gehad, welke toebehoren of hebben toebehoord aan degene tegen
wie het onderzoek is gericht;
en aldus verstrekte schriftelijke
bescheiden in beslag te nemen.
2. Het bevel wordt niet gericht aan
degene tegen wie het onderzoek is gericht.
3. Artikel 96a, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. Ter gelegenheid van het eerste
verhoor van degene tegen wie het onderzoek is gericht wordt hem door
de verhorende rechter of ambtenaar een afschrift van de in artikel
126 bedoelde vordering en machtiging ter hand gesteld.
5. Degene tot wie een vordering als
bedoeld in het eerste lid is gericht, neemt in het belang van het
onderzoek geheimhouding in acht omtrent al hetgeen hem terzake van
de vordering bekend is.
Artikel 126b
1. Tijdens het strafrechtelijk
financieel onderzoek is de officier van justitie bevoegd zonder
verdere rechterlijke machtiging te gelasten dat voorwerpen op grond
van artikel 94a in beslag worden genomen.
2. Indien de officier van justitie
zulks in het belang van het strafrechtelijk financieel onderzoek
noodzakelijk acht, vordert hij dat de rechter-commissaris ter
inbeslagneming een plaats doorzoekt dan wel andere hem krachtens het
derde lid toekomende bevoegdheden uitoefent.
3. Aan de rechter-commissaris komen
tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek dezelfde
bevoegdheden toe als tijdens een gerechtelijk vooronderzoek, met
dien verstande dat:
a. hij ook bevoegd is de
uitlevering ter inbeslagneming te bevelen van brieven welke
kunnen dienen om door degene tegen wie het onderzoek is gericht,
verkregen wederrechtelijk voordeel aan te tonen;
b. hij niet gehouden is degene
tegen wie het onderzoek is gericht of diens raadsman tot
bijwoning van enige door hem te verrichten onderzoekshandeling
toe te laten.
Artikel 126c
1. De officier van justitie kan bij
dringende noodzakelijkheid ter inbeslagneming elke plaats, alsmede
een woning zonder toestemming van de bewoner of een kantoor van een
persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218
doorzoeken indien zich daar vermoedelijk bescheiden of gegevens als
bedoeld in artikel 126a of voorwerpen als bedoeld in artikel 94a
bevinden.
2. Artikel 97, tweede, derde en
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126d
De artikelen 98, 99 en 99a zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 98,
tweede lid, bedoelde doorzoeking zich ten aanzien van brieven en
geschriften mede uitstrekt tot die welke kunnen dienen om
wederrechtelijk voordeel aan te tonen dat is verkregen door degene
tegen wie het onderzoek is gericht.
Artikel 126e
1. De rechtbank waakt tegen nodeloze
vertraging van het strafrechtelijk financieel onderzoek.
2. Zij kan op verzoek van de
onderzochte persoon zich de stukken van het onderzoek doen
overleggen en onverwijlde of spoedige beëindiging van het onderzoek
bevelen.
Artikel 126f
1. Zodra de officier van justitie
oordeelt dat het strafrechtelijk financieel onderzoek is voltooid of
dat tot de voortzetting daarvan geen grond bestaat, sluit hij het
onderzoek bij schriftelijke gedagtekende beschikking.
2. Indien de verdachte bij de
einduitspraak terzake van het strafbare feit of het misdrijf,
bedoeld in artikel 36e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, niet wordt veroordeeld, sluit de officier
het strafrechtelijk financieel onderzoek evenzo. In dat geval is de
officier bevoegd van de rechter-commissaris heropening van het
strafrechtelijk financieel onderzoek te vorderen, zodra de verdachte
alsnog terzake van het tenlastegelegde feit wordt veroordeeld.
3. De officier zendt een afschrift
van zijn beschikking tot sluiting van het strafrechtelijk financieel
onderzoek aan de rechter-commissaris en doet een afschrift van zijn
beschikking aan degene tegen wie het is gericht betekenen, onder
mededeling van het recht tot kennisneming van de stukken van het
onderzoek.
4. Onverminderd het bepaalde in het
tweede lid, de artikelen 511d, tweede en derde lid, 511e, tweede
lid, en 511g, tweede lid, onder c, kan een gesloten strafrechtelijk
financieel onderzoek worden heropend krachtens een nadere machtiging
van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van
justitie verleend. Het vierde lid van artikel 126 is van toepassing.
5. Een nadere machtiging wordt zo
spoedig mogelijk met de vordering waarop zij rust aan degene tegen
wie het onderzoek is gericht betekend. De voorgaande leden zijn van
toepassing.
Artikel 126fa
1. Behoudens in de gevallen, bedoeld
in artikel 126f, vierde lid, kan op vordering van de officier van
justitie een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld
of heropend, indien een einduitspraak op de vordering als bedoeld in
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht is gedaan.
2. De officier van justitie sluit het
onderzoek zodra de uitspraak in kracht van gewijsde gaat.
Titel IVA. Bijzondere bevoegdheden tot
opsporing
Eerste afdeling. Stelselmatige
observatie
Artikel 126g
1. In geval van verdenking van een
misdrijf, kan de officier van justitie in het belang van het
onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een
persoon volgt of stelselmatig diens aanwezigheid of gedrag
waarneemt.
2. Indien de verdenking een misdrijf
betreft als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn
aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven
een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van
justitie in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering
van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt
betreden zonder toestemming van de rechthebbende.
3. De officier van justitie kan
bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel
wordt aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie
wordt opgenomen. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon
bevestigd, tenzij met diens toestemming.
4. Het bevel wordt gegeven voor een
periode van ten hoogste drie maanden. Het kan telkens voor een
termijn van ten hoogste drie maanden worden verlengd.
5. Het bevel tot observatie is
schriftelijk en vermeldt:
a. het misdrijf en indien bekend
de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de
verdachte;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
c. de naam of een zo nauwkeurig
mogelijke aanduiding van de in het eerste lid bedoelde persoon;
d. bij toepassing van het tweede
lid, de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de
voorwaarden, bedoeld in dat lid, zijn vervuld, alsmede de plaats
die zal worden betreden;
e. de wijze waarop aan het bevel
uitvoering wordt gegeven, en
f. de geldigheidsduur van het
bevel.
6. Bij dringende noodzaak kan het
bevel mondeling worden gegeven. De officier van justitie stelt in
dat geval het bevel binnen drie dagen op schrift.
7. Zodra niet meer wordt voldaan aan
de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de officier van
justitie dat de uitvoering van het bevel wordt beëindigd.
8. Het bevel kan schriftelijk en met
redenen omkleed worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of beëindigd.
Bij dringende noodzaak kan de beslissing mondeling worden gegeven.
De officier van justitie stelt deze in dat geval binnen drie dagen
op schrift.
9. Een bevel als bedoeld in het
eerste lid kan ook worden gegeven aan een persoon in de openbare
dienst van een vreemde staat. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen eisen worden gesteld aan deze personen. Het tweede tot en met
achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Tweede afdeling. Infiltratie
Artikel 126h
1. In geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn
aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven
een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van
justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een
opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel b,
deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen
waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden
beraamd of gepleegd.
2. De opsporingsambtenaar mag bij de
tenuitvoerlegging van het bevel een persoon niet brengen tot andere
strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
3. Het bevel tot infiltratie is
schriftelijk en vermeldt:
a. het misdrijf en indien bekend
de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van
de verdachte;
b. een omschrijving van de groep
van personen;
c. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
d. de wijze waarop aan het bevel
uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld
handelen, voor zover bij het geven van het bevel te voorzien, en
e. de geldigheidsduur van het
bevel.
4. Een bevel als bedoeld in het
eerste lid kan ook worden gegeven aan:
a. een persoon in de openbare
dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene
maatregel van bestuur te stellen eisen;
b. een opsporingsambtenaar als
bedoeld in artikel 141, onderdelen c en d, of artikel 142, mits
deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van
bestuur te stellen regels terzake van opleiding en samenwerking
met opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141, onderdeel
b.
Het tweede en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 126g, zevende en achtste
lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
verlenging van een bevel tot infiltratie niet mondeling kan
plaatsvinden.
Derde afdeling. Pseudo-koop of
-dienstverlening
Artikel 126i
1. In geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier
van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een
opsporingsambtenaar:
a. goederen afneemt van de
verdachte,
b. gegevens die zijn opgeslagen,
worden verwerkt of overgedragen door middel van een
geautomatiseerd werk, door tussenkomst van een openbaar
telecommunicatienetwerk afneemt van de verdachte, of
c. diensten verleent aan de
verdachte.
2. De opsporingsambtenaar mag bij de
tenuitvoerlegging van het bevel een verdachte niet brengen tot
andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was
gericht.
3. Het bevel tot pseudo-koop of
-dienstverlening is schriftelijk en vermeldt:
a. het misdrijf en indien bekend
de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van
de verdachte;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
c. de aard van de goederen,
gegevens of diensten;
d. de wijze waarop aan het bevel
uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld
handelen, en
e. het tijdstip waarop, of de
periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven.
4. Onder een opsporingsambtenaar als
bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een persoon in de
openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene
maatregel van bestuur te stellen eisen.
5. Artikel 126g, zesde tot en met
achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Vierde afdeling. Stelselmatige
inwinning van informatie
Artikel 126j
1. In geval van verdenking van een
misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het
onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel
141, onderdeel b, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als
opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over de
verdachte.
2. Het bevel wordt gegeven voor een
periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan telkens
voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verlengd.
3. Het bevel tot het inwinnen van
informatie is schriftelijk en vermeldt:
a. het misdrijf en indien bekend
de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van
de verdachte;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
c. de wijze waarop aan het bevel
uitvoering wordt gegeven, en
d. de geldigheidsduur van het
bevel.
4. Een bevel als bedoeld het eerste
lid kan ook worden gegeven aan:
a. een persoon in de openbare
dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene
maatregel van bestuur te stellen eisen;
b. een opsporingsambtenaar als
bedoeld in artikel 141, onderdelen c en d, of artikel 142, mits
deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van
bestuur te stellen regels terzake van opleiding en samenwerking
met opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141, onderdeel
b.
Het tweede en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 126g, zesde tot en met
achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Vijfde afdeling. Bevoegdheden in een
besloten plaats
Artikel 126k
1. In geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier
van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een
opsporingsambtenaar zonder toestemming van de rechthebbende een
besloten plaats, niet zijnde een woning, betreedt, dan wel een
technisch hulpmiddel aanwendt, teneinde:
a. die plaats op te nemen,
b. aldaar sporen veilig te
stellen, of
c. aldaar een technisch
hulpmiddel te plaatsen, teneinde de aanwezigheid of verplaatsing
van een goed vast te kunnen stellen.
2. Een bevel als bedoeld in het
eerste lid is schriftelijk en vermeldt:
a. het misdrijf en indien bekend
de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de
verdachte;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
c. de plaats waarop het bevel
betrekking heeft;
d. de wijze waarop aan het bevel
uitvoering wordt gegeven, en
e. het tijdstip waarop, of de
periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven.
3. Artikel 126g, zesde tot en met
achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Zesde afdeling. Opnemen van
vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel
Artikel 126l
1. In geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn
aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven
een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van
justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een
opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdelen b en c,
vertrouwelijke communicatie opneemt met een technisch hulpmiddel.
2. De officier van justitie kan in
het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het
bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden
zonder toestemming van de rechthebbende. Hij kan bepalen dat ter
uitvoering van het bevel een woning zonder toestemming van de
rechthebbende wordt betreden, indien het onderzoek dit dringend
vordert en de verdenking een misdrijf betreft waarop naar de
wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer
is gesteld. Artikel 2, eerste lid, laatste volzin van de Algemene
wet op het binnentreden is niet van toepassing.
3. Het bevel tot het opnemen van
vertrouwelijke communicatie is schriftelijk en vermeldt:
a. het misdrijf en indien bekend
de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de
verdachte;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid en,
in geval van toepassing van de tweede volzin van het tweede lid,
de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, zijn vervuld;
c. ten minste een van de personen
die aan de communicatie deelnemen, dan wel, indien het bevel
communicatie betreft op een besloten plaats of in een
vervoermiddel, een van de personen die aan de communicatie
deelnemen of een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van die
plaats of dat vervoermiddel;
d. bij toepassing van het tweede
lid, de plaats die zal worden betreden;
e. de wijze waarop aan het bevel
uitvoering wordt gegeven, en
f. de geldigheidsduur van het
bevel.
4. Het bevel kan slechts worden
gegeven na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier
van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. De machtiging
betreft alle onderdelen van het bevel. Indien ter uitvoering van het
bevel een woning mag worden betreden, wordt dat uitdrukkelijk in de
machtiging vermeld.
5. Het bevel wordt gegeven voor een
periode van ten hoogste vier weken. De geldigheidsduur kan telkens
voor een termijn van ten hoogste vier weken worden verlengd.
6. Artikel 126g, zesde tot en met
achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de officier van justitie voor wijziging, aanvulling of
verlenging een machtiging van de rechter-commissaris behoeft. Indien
de officier van justitie bepaalt dat ter uitvoering van het bevel
een woning wordt betreden, kan het bevel niet mondeling worden
gegeven. Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld
in de tweede volzin van het tweede lid, bepaalt de officier van
justitie dat de uitvoering van het bevel wordt beëindigd.
7. Bij dringende noodzaak kan de
machtiging van de rechter-commissaris, bedoeld in het vierde en
zesde lid, mondeling worden gegeven, tenzij toepassing wordt gegeven
aan de tweede volzin van het tweede lid. De rechter-commissaris
stelt in dat geval de machtiging binnen drie dagen op schrift.
8. Van het opnemen wordt binnen drie
dagen proces-verbaal opgemaakt.
Zevende afdeling. Onderzoek van
communicatie door middel van geautomatiseerde werken
Artikel 126la
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. aanbieder van een
communicatiedienst: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in
de uitoefening van een beroep of bedrijf aan de gebruikers van
zijn dienst de mogelijkheid biedt te communiceren met behulp van
een geautomatiseerd werk, of gegevens verwerkt of opslaat ten
behoeve van een zodanige dienst of de gebruikers van die dienst;
b. gebruiker van een
communicatiedienst: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die
met de aanbieder van een communicatiedienst een overeenkomst is
aangegaan met betrekking tot het gebruik van die dienst of die
feitelijk gebruik maakt van een zodanige dienst.
Artikel 126m
1. In geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn
aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven
een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van
justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, aan een
opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel niet
voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met
gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een
communicatiedienst, wordt opgenomen.
2. Het bevel is schriftelijk en
vermeldt:
a. het misdrijf en indien bekend
de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de
verdachte;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
c. zo mogelijk het nummer of een
andere aanduiding waarmee de individuele gebruiker van de
communicatiedienst wordt geïdentificeerd alsmede, voor zover
bekend, de naam en het adres van de gebruiker;
d. de geldigheidsduur van het
bevel;
e. een aanduiding van de aard van
het technisch hulpmiddel of de technische hulpmiddelen waarmee
de communicatie wordt opgenomen.
3. Indien het bevel betrekking heeft
op communicatie die plaatsvindt via een openbaar
telecommunicatienetwerk of met gebruikmaking van een openbare
telecommunicatiedienst in de zin van de Telecommunicatiewet, wordt
– tenzij zulks niet mogelijk is of het belang van strafvordering
zich daartegen verzet – het bevel ten uitvoer gelegd met
medewerking van de aanbieder van het openbare
telecommunicatienetwerk of de openbare telecommunicatiedienst en
gaat het bevel vergezeld van de vordering van de officier van
justitie aan de aanbieder om medewerking te verlenen.
4. Indien het bevel betrekking heeft
op andere communicatie dan bedoeld in het derde lid, wordt –
tenzij zulks niet mogelijk is of het belang van strafvordering zich
daartegen verzet – de aanbieder in de gelegenheid gesteld
medewerking te verlenen bij de tenuitvoerlegging van het bevel.
5. Het bevel, bedoeld in het eerste
lid, kan slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging, op
vordering van de officier van justitie te verlenen door de
rechter-commissaris. Artikel 126l, vijfde tot en met achtste lid, is
van overeenkomstige toepassing.
6. Voor zover het belang van het
onderzoek dit bepaaldelijk vordert, kan indien toepassing is gegeven
aan het eerste lid tot degene van wie redelijkerwijs kan worden
vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de
communicatie, de vordering worden gericht medewerking te verlenen
aan het ontsleutelen van de gegevens door hetzij deze kennis ter
beschikking te stellen, hetzij de versleuteling ongedaan te maken.
7. De in het zesde lid bedoelde
vordering wordt niet gericht tot de verdachte.
8. Op de in het zesde lid bedoelde
vordering zijn artikel 96a, derde lid, en artikel 126l, vierde,
zesde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
9. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze
waarop het in het eerste lid bedoelde bevel en de in het derde en
zesde lid bedoelde vorderingen kunnen worden gegeven en over de
wijze waarop daaraan wordt voldaan.
Artikel 126ma
1. Indien bij de afgifte van een
bevel als bedoeld in artikel 126m, derde lid, bekend is dat de
gebruiker van het nummer, bedoeld in artikel 126m, tweede lid,
onderdeel c, zich op het grondgebied van een andere staat bevindt,
wordt, voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van
dat verdrag, die andere staat van het voornemen tot het opnemen van
telecommunicatie in kennis gesteld en de instemming van die staat
verworven voordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd.
2. Indien na aanvang van het opnemen
van de telecommunicatie op grond van het bevel bekend wordt dat de
gebruiker zich op het grondgebied van een andere staat bevindt,
wordt, voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van
dat verdrag, die andere staat van het opnemen van telecommunicatie
in kennis gesteld en de instemming van die staat verworven.
3. De officier van justite kan een
bevel als bedoeld in artikel 126m, derde lid, eveneens geven, indien
het bestaan van het bevel noodzakelijk is om een andere staat te
kunnen verzoeken telecommunicatie met een technisch hulpmiddel op te
nemen of telecommunicatie af te tappen en rechtstreeks naar
Nederland door te geleiden ter fine van opname met een technisch
hulpmiddel in Nederland.
Artikel 126n
1. In geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier
van justitie in het belang van het onderzoek een vordering doen
gegevens te verstrekken over een gebruiker van een
communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die
gebruiker. De vordering kan slechts betrekking hebben op gegevens
die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen en kan
gegevens betreffen die:
a. ten tijde van de vordering
zijn verwerkt, dan wel
b. na het tijdstip van de
vordering worden verwerkt.
2. De vordering, bedoeld in het
eerste lid, kan worden gericht tot iedere aanbieder van een
communicatiedienst. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. Indien de vordering gegevens
betreft als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onder b, wordt
de vordering gedaan voor een periode van ten hoogste drie maanden.
4. De officier van justitie doet van
de vordering proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:
a. het misdrijf en, indien
bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding
van de verdachte;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
eerste volzin, zijn vervuld;
c. indien bekend, de naam of
anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon
omtrent wie gegevens worden gevorderd;
d. de gegevens die worden
gevorderd;
e. indien de vordering gegevens
betreft als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onder b,
de periode waarover de vordering zich uitstrekt.
5. Indien de vordering gegevens
betreft als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onder b, wordt
de vordering beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan de
voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin. Van een
wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering
doet de officier van justitie proces-verbaal opmaken.
6. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze waarop de gegevens door de officier van justitie worden
gevorderd.
Artikel 126na
1. In geval van verdenking van een
misdrijf kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek
een vordering doen gegevens te verstrekken terzake van naam, adres,
postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van
een communicatiedienst. Artikel 126n, tweede lid, is van toepassing.
2. Indien de gegevens, bedoeld in het
eerste lid, bij de aanbieder niet bekend zijn en zij nodig zijn voor
de toepassing van artikel 126m of artikel 126nkan de officier van
justitie in het belang van het onderzoek vorderen dat de aanbieder
de gevorderde gegevens op bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen wijze achterhaalt en verstrekt.
3. In geval van een vordering als
bedoeld in het eerste of tweede lid isartikel 126n, vierde lid,
onder a, b, c en d, van overeenkomstige toepassing en blijft artikel
126bb buiten toepassing.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze waarop de gegevens door de opsporingsambtenaar of de
officier van justitie worden gevorderd.
Artikel 126nb
1. Teneinde toepassing te kunnen
geven aan artikel 126m of artikel 126n kan de officier van justitie
met inachtneming van artikel 3.10, vierde lid, van de
Telecommunicatiewet bevelen dat met behulp van in dat artikel
bedoelde apparatuur het nummer waarmee de gebruiker van een
communicatiedienst kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen.
2. Het bevel wordt gegeven aan een
ambtenaar als bedoeld in artikel 3.10, vierde lid, onder a, van de
Telecommunicatiewet en is schriftelijk. Bij dringende noodzaak kan
het bevel mondeling worden gegeven. In dat geval stelt de officier
van justitie het bevel binnen drie dagen op schrift.
3. Het bevel wordt gegeven voor een
periode van ten hoogste een week en vermeldt:
a. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing
van artikel 126m of artikel 126n en
b. de naam of een zo nauwkeurig
mogelijke aanduiding van de gebruiker van een communicatiedienst
van wie het nummer moet worden verkregen.
4. De officier van justitie doet te
zijnen overstaan de processen-verbaal of andere voorwerpen, waaraan
een gegeven kan worden ontleend dat is verkregen door toepassing van
het eerste lid vernietigen indien dat gegeven niet gebruikt wordt
voor de toepassing van artikel 126m of artikel 126n.
Achtste afdeling. Vorderen van gegevens
Artikel 126nc
1. In geval van verdenking van een
misdrijf kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek
van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die
anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt,
vorderen bepaalde opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens
van een persoon te verstrekken.
2. Onder identificerende gegevens
wordt verstaan:
a. naam, adres, woonplaats en
postadres;
b. geboortedatum en geslacht;
c. administratieve kenmerken;
d. in geval van een
rechtspersoon, in plaats van de gegevens, bedoeld onder a en b:
naam, adres, postadres, rechtsvorm en vestigingsplaats.
3. Een vordering als bedoeld in het
eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte. Artikel 96a,
derde lid, is van overeenkomstige toepassing. De vordering kan geen
betrekking hebben op persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst
of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid,
seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging.
4. Een vordering als bedoeld in het
eerste lid is schriftelijk en vermeldt:
a. een aanduiding van de persoon
op wiens identificerende gegevens de vordering betrekking heeft;
b. de identificerende gegevens
die worden gevorderd;
c. de termijn waarbinnen en de
wijze waarop de gegevens dienen te worden verstrekt;
d. de titel van de vordering.
5. Bij dringende noodzaak kan een
vordering als bedoeld het eerste lid mondeling worden gegeven. De
opsporingsambtenaar stelt de vordering in dat geval achteraf op
schrift en verstrekt deze binnen drie dagen nadat de vordering is
gedaan aan degene tot wie de vordering is gericht.
6. Van de verstrekking van
identificerende gegevens maakt de opsporingsambtenaar proces-verbaal
op, waarin hij vermeldt:
a. de gegevens, bedoeld in het
vierde lid;
b. de verstrekte gegevens;
c. het misdrijf en indien bekend
de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de
verdachte;
d. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld.
7. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de opsporingsambtenaar die de gegevens vordert en de wijze
waarop de gegevens worden gevorderd en verstrekt.
Artikel 126nd
1. In geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier
van justitie in het belang van het onderzoek van degene van wie
redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde
opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te
verstrekken.
2. Een vordering als bedoeld in het
eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte.Artikel 96a,
derde lid, is van overeenkomstige toepassing. De vordering kan niet
betrekking hebben op persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst
of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid,
seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging.
3. Een vordering als bedoeld in het
eerste lid is schriftelijk en vermeldt:
a. indien bekend, de naam of
anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon of
de personen over wie gegevens worden gevorderd;
b. een zo nauwkeurig mogelijke
aanduiding van de gegevens die worden gevorderd en de termijn
waarbinnen, alsmede de wijze waarop deze dienen te worden
verstrekt;
c. de titel van de vordering.
4. Bij dringende noodzaak kan de
vordering mondeling worden gegeven. De officier van justitie stelt
de vordering in dat geval achteraf op schrift en verstrekt deze
binnen drie dagen nadat de vordering is gedaan aan degene tot wie de
vordering is gericht.
5. De officier van justitie doet van
de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden
vermeld:
a. de gegevens, bedoeld in het
derde lid;
b. de verstrekte gegevens;
c. het misdrijf en indien bekend
de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de
verdachte;
d. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
e. de reden waarom de gegevens in
het belang van het onderzoek worden gevorderd.
6. In geval van verdenking van een
ander strafbaar feit dan bedoeld in het eerste lid, kan de officier
van justitie in het belang van het onderzoek een vordering als
bedoeld in dat lid doen met voorafgaande schriftelijke machtiging
van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris verleent de
machtiging op vordering van de officier van justitie. Het tweede tot
en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 126l,
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
7. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze waarop de gegevens worden gevorderd en verstrekt.
Artikel 126ne
1. De officier van justitie kan in
het belang van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld
in artikel 126nd, eerste lid, van degene die anders dan ten behoeve
van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, betrekking kan hebben op
gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering worden verwerkt.
De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier
weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De
officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. Artikel
126nd, tweede tot en met vijfde en zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. In een geval als bedoeld in het
eerste lid bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de
vordering wordt beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 126nd, eerste lid. Een wijziging,
aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering vindt
schriftelijk plaats. Artikel 126nd, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. Indien het belang van het
onderzoek dit dringend vordert, kan de officier van justitie in een
geval als bedoeld in het eerste lid in de vordering bepalen dat
degene tot wie de vordering is gericht de gegevens direct na de
verwerking verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na
de verwerking verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor
een voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te
verlenen door de rechter-commissaris, evenals voor een wijziging,
aanvulling of verlenging van de vordering. Artikel 126l, zevende
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126nf
1. In geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn
aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven
een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van
justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert,
van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang
heeft tot gegevens als bedoeld in artikel 126nd, tweede lid, derde
volzin, deze gegevens vorderen.
2. Een vordering als bedoeld in het
eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte.Artikel 96a,
derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Een vordering als bedoeld in het
eerste lid kan slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke
machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen
door de rechter-commissaris. Artikel 126l, zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. Artikel 126nd, derde tot en met
vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126ng
1. Een vordering als bedoeld in
artikel 126nc, eerste lid, 126nd, eerste lid, of 126ne, eerste en
derde lid, en artikel 126nf, eerste lid kan worden gericht tot de
aanbieder van een communicatiedienst in de zin van artikel 126la,
voor zover de vordering betrekking heeft op andere gegevens dan die
welke gevorderd kunnen worden door toepassing van de artikelen 126n
en126na. De vordering kan geen betrekking hebben op gegevens die
zijn opgeslagen in het geautomatiseerde werk van de aanbieder en
niet voor deze bestemd of van deze afkomstig zijn.
2. In geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn
aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven
een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van
justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert,
van de aanbieder van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij
toegang heeft tot gegevens als bedoeld in de laatste volzin van het
eerste lid, deze gegevens vorderen, voor zover zij klaarblijkelijk
van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem
betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben
gediend, of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het
strafbare feit is gepleegd.
3. Een vordering als bedoeld in het
tweede lid kan niet worden gericht tot de verdachte.Artikel 96a,
derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Een vordering als bedoeld in het
tweede lid kan slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke
machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen
door de rechter-commissaris. Artikel 126l, zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 126nd, derde tot en met
vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126nh
1. De officier van justitie kan,
indien het belang van het onderzoek dit vordert, bij of terstond na
de toepassing van artikel 126nd, eerste lid, 126ne, eerste of derde
lid, of 126nf, eerste lid, degene van wie redelijkerwijs kan worden
vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de
in deze artikelen bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen
aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan
te maken, dan wel deze kennis ter beschikking te stellen.
2. Het bevel wordt niet gegeven aan
de verdachte.Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 126ni
1. In geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn
aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven
een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van
justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert,
van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang
heeft tot bepaalde gegevens die ten tijde van de vordering zijn
opgeslagen in een geautomatiseerd werk en waarvan redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat zij in het bijzonder vatbaar zijn voor verlies
of wijziging, vorderen dat deze gegevens gedurende een periode van
ten hoogste negentig dagen worden bewaard en beschikbaar gehouden.
De vordering kan niet worden gericht tot de verdachte.
2. Indien de vordering is gericht tot
de aanbieder van een communicatiedienst in de zin van artikel 126la
en de vordering betrekking of mede betrekking heeft op gegevens als
bedoeld in artikel 126n, eerste lid, is de aanbieder verplicht zo
spoedig mogelijk de gegevens te verschaffen die nodig zijn om de
identiteit te achterhalen van andere aanbieders van wier dienst bij
de communicatie gebruik is gemaakt.
3. De vordering wordt schriftelijk of
mondeling gedaan. Indien de vordering mondeling wordt gedaan, doet
de officier van justitie de vordering zo spoedig mogelijk op schrift
stellen en doet hij binnen drie dagen nadat de vordering mondeling
is gedaan, een gewaarmerkt afschrift daarvan verstrekken aan degene
tot wie de vordering is gericht. Bij de vordering en bij het op
schrift stellen daarvan worden vermeld:
a. een zo nauwkeurig mogelijke
omschrijving van de gegevens die beschikbaar moeten worden
gehouden;
b. het tijdstip van de vordering;
c. de titel van de vordering;
d. de periode gedurende de welke
de gegevens beschikbaar moeten blijven, en
e. of het tweede lid van
toepassing is.
4. De officier van justitie doet van
de vordering en, indien deze mondeling plaatsvond, van de
schriftelijke vastlegging daarvan een proces-verbaal opmaken, waarin
worden vermeld:
a. de gegevens, bedoeld in het
derde lid;
b. het misdrijf en indien bekend
de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de
verdachte; en
c. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het
eerste lid.
5. De vordering kan ten hoogste
eenmaal worden verlengd voor een periode van ten hoogste negentig
dagen. Het tweede, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
Titel V. Bijzondere bevoegdheden tot
opsporing voor het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige
misdrijven in georganiseerd verband
Artikel 126o
1. Indien uit feiten of
omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat in
georganiseerd verband misdrijven als omschreven in artikel 67,
eerste lid, worden beraamd of gepleegd die gezien hun aard of de
samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband
worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde
opleveren, kan de officier van justitie in het belang van het
onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een
persoon volgt of stelselmatig diens aanwezigheid of gedrag
waarneemt.
2. De officier van justitie kan in
het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het
bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden
zonder toestemming van de rechthebbende.
3. De officier van justitie kan
bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel
wordt aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie
wordt opgenomen. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon
bevestigd, tenzij met diens toestemming.
4. Het bevel tot observatie is
schriftelijk en vermeldt:
a. een omschrijving van het
georganiseerd verband;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
c. de naam of een zo nauwkeurig
mogelijke omschrijving van de persoon, bedoeld in het eerste
lid;
d. bij toepassing van het tweede
lid, de plaats die zal worden betreden;
e. de wijze waarop aan het bevel
uitvoering wordt gegeven, en
f. de geldigheidsduur van het
bevel.
5. Artikel 126g, vierde en zesde tot
en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Een bevel als bedoeld in het
eerste lid kan ook worden gegeven aan een persoon in de openbare
dienst van een vreemde staat. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen eisen worden gesteld aan deze personen. Het tweede tot en met
vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126p
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie, indien het
onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar
als bedoeld in artikel 141, onderdeel b, aan het georganiseerd
verband deelneemt of medewerking verleent.
2. De opsporingsambtenaar mag bij de
tenuitvoerlegging van het bevel een persoon niet brengen tot andere
strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
3. Het bevel tot infiltratie is
schriftelijk en vermeldt:
a. een omschrijving van het
georganiseerd verband;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
c. de wijze waarop aan het bevel
uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld
handelen, voor zover bij het geven van het bevel te voorzien, en
d. de geldigheidsduur van het
bevel.
4. Een bevel als bedoeld in het
eerste lid kan ook worden gegeven aan:
a. een persoon in de openbare
dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene
maatregel van bestuur te stellen eisen;
b. een opsporingsambtenaar als
bedoeld in artikel 141, onderdelen c en d, of artikel 142, mits
deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van
bestuur te stellen regels terzake van opleiding en samenwerking
met opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141, onderdeel
b.
Het tweede en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 126g, zevende en achtste
lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
verlenging van een bevel tot infiltratie niet mondeling kan
plaatsvinden.
Artikel 126q
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang
van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar:
a. goederen afneemt van een
persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een
redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in
het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven,
b. gegevens die zijn opgeslagen,
worden verwerkt of overgedragen door middel van een
geautomatiseerd werk, door tussenkomst van een openbaar
telecommunicatienetwerk afneemt van zodanig persoon, of
c. diensten verleent aan zodanig
persoon.
2. De opsporingsambtenaar mag bij de
tenuitvoerlegging van het bevel een persoon niet brengen tot het
plegen of beramen van andere strafbare feiten dan waarop diens opzet
reeds tevoren was gericht.
3. Het bevel tot pseudo-koop of
-dienstverlening is schriftelijk en vermeldt:
a. een omschrijving van het
georganiseerd verband;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
c. de aard van de goederen,
gegevens of diensten;
d. de wijze waarop aan het bevel
uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld
handelen, en
e. het tijdstip waarop, of de
periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven.
4. Onder een opsporingsambtenaar als
bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan een persoon in de
openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene
maatregel van bestuur te stellen eisen.
5. Artikel 126g, zesde tot en met
achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126qa
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang
van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in
artikel 141, onderdeel b, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als
opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over een persoon
ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk
vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het
georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.
2. Het bevel wordt gegeven voor een
periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur kan telkens
voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verlengd.
3. Het bevel tot het inwinnen van
informatie is schriftelijk en vermeldt:
a. een omschrijving van het
georganiseerd verband;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
c. indien bekend de naam of
anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de persoon,
bedoeld in het eerste lid;
d. de wijze waarop aan het bevel
uitvoering wordt gegeven, en
e. de geldigheidsduur van het
bevel.
4. Een bevel als bedoeld het eerste
lid kan ook worden gegeven aan:
a. een persoon in de openbare
dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene
maatregel van bestuur te stellen eisen;
b. een opsporingsambtenaar als
bedoeld in artikel 141, onderdelen c en d, of artikel 142, mits
deze opsporingsambtenaar voldoet aan bij algemene maatregel van
bestuur te stellen regels terzake van opleiding en samenwerking
met opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141, onderdeel
b.
Het tweede en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 126g, zesde tot en met
achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126r
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang
van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar zonder
toestemming van de rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde
een woning, betreedt, dan wel een technisch hulpmiddel aanwendt,
teneinde:
a. die plaats op te nemen,
b. aldaar sporen veilig te
stellen, of
c. aldaar een technisch
hulpmiddel te plaatsen teneinde de aanwezigheid of
verplaatsingen van een goed vast te kunnen stellen.
2. Een bevel als bedoeld in het
eerste lid is schriftelijk en vermeldt:
a. een omschrijving van het
georganiseerd verband;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
c. de plaats waarop het bevel
betrekking heeft;
d. de wijze waarop aan het bevel
uitvoering wordt gegeven, en
e. het tijdstip waarop, of de
periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven.
3. Artikel 126g, zesde tot en met
achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126s
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie, indien het
onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar
als bedoeld in artikel 141, onderdelen b en c, met een technisch
hulpmiddel vertrouwelijke communicatie opneemt waaraan een persoon
deelneemt ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een
redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het
georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.
2. De officier van justitie kan in
het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het
bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden
zonder toestemming van de rechthebbende. Hij kan bepalen dat ter
uitvoering van het bevel een woning zonder toestemming van de
rechthebbende wordt betreden, indien het onderzoek dit dringend
vordert en in het georganiseerd verband misdrijven worden beraamd of
gepleegd waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf
van zes jaren of meer is gesteld. Artikel 2, eerste lid, laatste
volzin van de Algemene wet op het binnentreden is niet van
toepassing.
3. Het bevel tot het opnemen van
vertrouwelijke communicatie is schriftelijk en vermeldt:
a. een omschrijving van het
georganiseerd verband;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid en,
in geval van toepassing van de tweede volzin van het tweede lid,
de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, zijn vervuld;
c. de persoon, bedoeld in het
eerste lid en, indien bekend, andere deelnemers aan de
communicatie;
d. bij toepassing van het tweede
lid, de plaats die zal worden betreden;
e. de wijze waarop aan het bevel
uitvoering zal worden gegeven, en
f. de geldigheidsduur van het
bevel.
4. Het bevel kan slechts worden
gegeven na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier
van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. De machtiging
betreft alle onderdelen van het bevel. Indien ter uitvoering van het
bevel een woning mag worden betreden, wordt dat uitdrukkelijk in de
machtiging vermeld.
5. Het bevel wordt gegeven voor een
periode van ten hoogste vier weken. De geldigheidsduur kan telkens
voor een termijn van ten hoogste vier weken worden verlengd.
6. Artikel 126g, zesde tot en met
achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de officier van justitie voor wijziging, aanvulling of
verlenging een machtiging van de rechter-commissaris behoeft. Indien
de officier van justitie bepaalt dat ter uitvoering van het bevel
een woning wordt betreden, kan het bevel niet mondeling worden
gegeven. Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld
in de tweede volzin van het tweede lid, bepaalt de officier van
justitie dat de uitvoering van het bevel wordt beëindigd.
7. Bij dringende noodzaak kan de
machtiging van de rechter-commissaris, bedoeld in het vierde en
zesde lid, mondeling worden gegeven, tenzij toepassing wordt gegeven
aan de tweede volzin van het tweede lid. De rechter-commissaris
stelt in dat geval de machtiging binnen drie dagen op schrift.
8. Van het opnemen wordt binnen drie
dagen proces-verbaal opgemaakt.
Artikel 126t
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie, indien het
onderzoek dit dringend vordert, aan een opsporingsambtenaar bevelen
dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde
communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van
een aanbieder van een communicatiedienst in de zin van artikel
126la, en waaraan een persoon deelneemt ten aanzien van wie uit
feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze
betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen
van misdrijven, wordt opgenomen.
2. Het bevel is schriftelijk en
vermeldt:
a. een omschrijving van het
georganiseerd verband;
b. de feiten en omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
c. zo mogelijk het nummer waarmee
de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt
geïdentificeerd alsmede, voor zover bekend, de naam en het
adres van de gebruiker;
d. de naam van de persoon,
genoemd in het eerste lid, wanneer deze niet de houder is;
e. de geldigheidsduur van het
bevel; en
f. een aanduiding van de aard van
het technisch hulpmiddel of de technische hulpmiddelen waarmee
de communicatie wordt opgenomen.
3. Indien het bevel betrekking heeft
op communicatie die plaatsvindt via een openbaar
telecommunicatienetwerk of met gebruikmaking van een openbare
telecommunicatiedienst in de zin van de Telecommunicatiewet, wordt
– tenzij zulks niet mogelijk is of het belang van strafvordering
zich daartegen verzet – het bevel ten uitvoer gelegd met
medewerking van de aanbieder van het openbare
telecommunicatienetwerk of de openbare telecommunicatiedienst en
gaat het bevel vergezeld van een vordering aan de aanbieder om
medewerking te verlenen.
4. Indien het bevel betrekking heeft
op andere communicatie dan bedoeld in het derde lid, wordt –
tenzij zulks niet mogelijk is of het belang van strafvordering zich
daartegen verzet – de aanbieder in de gelegenheid gesteld
medewerking te verlenen bij de tenuitvoerlegging van het bevel.
5. Het bevel, bedoeld in het eerste
lid, kan slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging, op
vordering van de officier van justitie te verlenen door de
rechter-commissaris. Artikel 126s, vijfde tot en met achtste lid, is
van overeenkomstige toepassing.
6. Voor zover het belang van het
onderzoek dit bepaaldelijk vordert, kan bij of terstond na de
toepassing van het eerste lid tot degene van wie redelijkerwijs kan
worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling
van de communicatie, de vordering worden gericht medewerking te
verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door hetzij deze
kennis ter beschikking te stellen, hetzij de versleuteling ongedaan
te maken.
7. De in het zesde lid bedoelde
vordering wordt niet gericht tot de verdachte.
8. Op de in het zesde lid bedoelde
vordering zijn artikel 96a, derde lid, en artikel 126s, vierde,
zesde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
9. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze
waarop het in het eerste lid bedoelde bevel en de in het derde en
zesde lid bedoelde vorderingen worden gegeven en over de wijze
waarop daaraan wordt voldaan.
Artikel 126ta
1. Indien bij de afgifte van een
bevel als bedoeld in artikel 126t, derde lid, bekend is dat de
gebruiker van het nummer, bedoeld in artikel 126t, tweede lid,
onderdeel c, zich op het grondgebied van een andere staat bevindt,
wordt, voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van
dat verdrag, die andere staat van het voornemen tot het opnemen van
telecommunicatie in kennis gesteld en de instemming van die staat
verworven voordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd.
2. Indien na aanvang van het opnemen
van de telecommunicatie op grond van het bevel bekend wordt dat de
gebruiker zich op het grondgebied van een andere staat bevindt,
wordt, voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van
dat verdrag, die andere staat van het opnemen van telecommunicatie
in kennis gesteld en de instemming van die staat verworven.
3. De officier van justitie kan een
bevel als bedoeld in artikel 126t, derde lid, eveneens geven, indien
het bestaan van het bevel noodzakelijk is om een andere staat te
kunnen verzoeken telecommunicatie met een technisch hulpmiddel op te
nemen of telecommunicatie af te tappen en rechtstreeks naar
Nederland door te geleiden ter fine van opname met een technisch
hulpmiddel in Nederland.
Artikel 126u
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang
van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken over
een gebruiker van een communicatiedienst in de zin van artikel 126la
en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. De
vordering kan slechts betrekking hebben op gegevens die bij algemene
maatregel van bestuur zijn aangewezen en kan gegevens betreffen die:
a. ten tijde van de vordering
zijn verwerkt, dan wel
b. na het tijdstip van de
vordering worden verwerkt.
2. De vordering, bedoeld in het
eerste lid, kan worden gericht tot iedere aanbieder van een
communicatiedienst. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. Indien de vordering gegevens
betreft als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onder b, wordt
de vordering gedaan voor een periode van ten hoogste drie maanden.
4. De officier van justitie doet van
de vordering proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:
a. een omschrijving van het
georganiseerd verband;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
c. indien bekend, de naam of
anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon
omtrent wie gegevens worden gevorderd;
d. de gegevens die worden
gevorderd;
e. indien de vordering gegevens
betreft als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onder b,
de periode waarover de vordering zich uitstrekt.
5. Indien de vordering gegevens
betreft als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onder b, wordt
de vordering beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan de
voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin. Van een
wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering
doet de officier van justitie proces-verbaal opmaken.
6. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze waarop de gegevens door de officier van justitie worden
gevorderd.
Artikel 126ua
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de opsporingsambtenaar in het belang
van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken terzake
van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van
een gebruiker van een communicatiedienst in de zin van artikel
126la. Artikel 126u, tweede lid, is van toepassing.
2. Indien de gegevens, bedoeld in het
eerste lid, bij de aanbieder niet bekend zijn en zij nodig zijn voor
de toepassing van artikel 126t of artikel 126u, kan de officier van
justitie in het belang van het onderzoek vorderen dat de aanbieder
de gevorderde gegevens op bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen wijze achterhaalt en verstrekt.
3. In geval van een vordering als
bedoeld in het eerste of tweede lid isartikel 126u, vierde lid,
onder a, b, c en d, van overeenkomstige toepassing en blijft artikel
126bb buiten toepassing.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze waarop de gegevens door de opsporingsambtenaar of de
officier van justitie worden gevorderd.
Artikel 126ub
Teneinde toepassing te kunnen geven aan
artikel 126t of artikel 126u kan de officier van justitie met
inachtneming van artikel 3.10, vierde lid, van de Telecommunicatiewet
bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur het
nummer waarmee een gebruiker van een communicatiedienst kan worden
geïdentificeerd, wordt verkregen. Artikel 126nb, tweede tot en met
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126uc
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de opsporingsambtenaar in het belang
van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in
aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk
gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen of
vastgelegde identificerende gegevens van een persoon te verstrekken.
2. Artikel 126nc, tweede tot en met
vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Van de verstrekking van
identificerende gegevens maakt de opsporingsambtenaar proces-verbaal
op, waarin hij vermeldt:
a. de gegevens, bedoeld in
artikel 126nc, vierde lid;
b. de verstrekte gegevens;
c. een omschrijving van het
georganiseerd verband;
d. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld.
Artikel 126ud
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang
van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden
vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde
gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.
2. Artikel 126nd, tweede tot en met
vierde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De officier van justitie doet van
de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden
vermeld:
a. de gegevens, bedoeld in
artikel 126nd, derde lid;
b. de verstrekte gegevens;
c. een omschrijving van het
georganiseerd verband;
d. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
e. de reden waarom de gegevens in
het belang van het onderzoek worden gevorderd.
Artikel 126ue
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang
van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld in artikel
126ud, eerste lid, van degene die anders dan ten behoeve van
persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, betrekking kan hebben op
gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering worden verwerkt.
De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier
weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De
officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. De
artikelen 126nd, tweede tot en met vierde lid en zevende lid, en
126ud, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. In een geval als bedoeld in het
eerste lid bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de
vordering wordt beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 126ud, eerste lid. Een wijziging,
aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering vindt
schriftelijk plaats. Artikel 126nd, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. Indien het belang van het
onderzoek dit dringend vordert, kan de officier van justitie in een
geval als bedoeld in het eerste lid in de vordering bepalen dat
degene tot wie de vordering is gericht de gegevens direct na de
verwerking verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na
de verwerking verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor
een voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te
verlenen door de rechter-commissaris, evenals voor een wijziging,
aanvulling of verlenging van de vordering. Artikel 126l, zevende
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126uf
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie indien het
belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie
redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens
als bedoeld inartikel 126nd, tweede lid, derde volzin, deze gegevens
vorderen.
2. De artikelen 126nf, tweede en
derde lid, en 126nd, derde, vierde en zevende lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. De officier van justitie doet van
de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden
vermeld:
a. de gegevens, bedoeld in
artikel 126nd, derde lid;
b. de verstrekte gegevens;
c. een omschrijving van het
georganiseerd verband;
d. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
e. de reden waarom de gegevens in
het belang van het onderzoek worden gevorderd.
Artikel 126ug
1. Een vordering als bedoeld in
artikel 126uc, eerste lid, 126ud, eerste lid, of 126ue, eerste en
derde lid, en artikel 126uf, eerste lid kan worden gericht tot de
aanbieder van een openbaar of een niet-openbaar
telecommunicatienetwerk, onderscheidenlijk de aanbieder van een
openbare of een niet-openbare telecommunicatiedienst, voor zover de
vordering betrekking heeft op andere gegevens dan die welke
gevorderd kunnen worden door toepassing van de artikelen 126u
en126ua. De vordering kan geen betrekking hebben op gegevens die
zijn opgeslagen in het geautomatiseerde werk van de aanbieder en
niet voor deze bestemd of van deze afkomstig zijn.
2. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie, indien het
belang van het onderzoek dit dringend vordert, van de aanbieder van
wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot
gegevens als bedoeld in de laatste volzin van het eerste lid, deze
gegevens vorderen, voor zover zij klaarblijkelijk afkomstig zijn van
een persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een
redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in
georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven, voor hem
bestemd zijn, op hem betrekking hebben of hebben gediend tot het in
dat georganiseerd verband beramen of plegen van een misdrijf, of
klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens in dat georganiseerd
verband een misdrijf wordt beraamd of gepleegd.
3. Een vordering als bedoeld in het
tweede lid kan niet worden gericht tot de verdachte. Artikel 96a,
derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Een vordering als bedoeld in het
tweede lid kan slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke
machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen
door de rechter-commissaris. Artikel 126l, zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 126nd, derde tot en met
vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126uh
1. De officier van justitie kan,
indien het belang van het onderzoek dit vordert, bij of terstond na
de toepassing van artikel 126ud, eerste lid, 126ue, eerste of derde
lid, of 126uf, eerste lid, degene van wie redelijkerwijs kan worden
vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de
in deze artikelen bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen
aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan
te maken, dan wel deze kennis ter beschikking te stellen.
2. Het bevel wordt niet gegeven aan
de verdachte.Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 126ui
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie, indien het
belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie
redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde
gegevens die ten tijde van de vordering zijn opgeslagen in een
geautomatiseerd werk en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen
dat zij in het bijzonder vatbaar zijn voor verlies of wijziging,
vorderen dat deze gegevens gedurende een periode van ten hoogste
negentig dagen worden bewaard en beschikbaar gehouden. De vordering
kan niet worden gericht tot de verdachte.
2. Artikel 126ni, tweede tot en met
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat bij de in artikel 126ni, vierde lid, onderdeel c, bedoelde
feiten en omstandigheden ook een omschrijving van het in artikel
126o, eerste lid, bedoelde georganiseerde verband wordt opgenomen.
Titel VA. Bijstand aan opsporing door
burgers
Eerste afdeling. Verzoek informatie in
te winnen
Artikel 126v
1. In geval van verdenking van een
misdrijf, dan wel in een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste
lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek
bevelen dat een opsporingsambtenaar met een persoon die geen
opsporingsambtenaar is, overeenkomt dat deze voor de duur van het
bevel bijstand verleent aan de opsporing door stelselmatig
informatie in te winnen omtrent een verdachte, onderscheidenlijk een
persoon ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat deze
is betrokken bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen
van misdrijven.
2. Het bevel, bedoeld in het eerste
lid, is schriftelijk en vermeldt:
a. bij verdenking van een
misdrijf, het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo
nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte;
b. in een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid: een omschrijving van het georganiseerd
verband;
c. de feiten en omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld;
d. een zo nauwkeurig mogelijke
aanduiding van de persoon omtrent wie informatie wordt
ingewonnen en
e. de geldigheidsduur van het
bevel.
3. De overeenkomst tot het
stelselmatig inwinnen van informatie is schriftelijk en vermeldt:
a. de rechten en plichten van de
persoon die bijstand verleent aan de opsporing, alsmede de wijze
waarop aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven, en
b. de geldigheidsduur van de
overeenkomst.
4. Op het bevel is artikel 126g,
vierde en zesde tot en met achtste lid, van overeenkomstige
toepassing.
Tweede afdeling. Burgerinfiltratie
Artikel 126w
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126h, eerste lid, kan de officier van justitie, indien het
onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen
opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan
de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan
een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden
vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
2. Toepassing van het eerste lid
vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is
dat geen bevel als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, kan worden
gegeven.
3. De persoon die op grond van het
eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag bij de uitvoering
daarvan een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan
waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
4. Bij de toepassing van het eerste
lid legt de officier van justitie schriftelijk vast:
a. het misdrijf en indien bekend
de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van
de verdachte;
b. een omschrijving van de groep
van personen;
c. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste en
tweede lid, zijn vervuld.
5. De overeenkomst tot infiltratie is
schriftelijk en vermeldt:
a. de rechten en plichten van de
persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de
opsporing, alsmede de wijze waarop aan de overeenkomst
uitvoering wordt gegeven, en
b. de geldigheidsduur van de
overeenkomst.
6. De persoon die op grond van het
eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag bij de uitvoering
daarvan geen strafbare handelingen verrichten, tenzij vooraf
schriftelijk toestemming door de officier van justitie is gegeven om
dergelijke handelingen te verrichten. Bij dringende noodzaak kan de
toestemming mondeling worden gegeven. De officier van justitie stelt
in dat geval de toestemming binnen drie dagen op schrift.
7. Zodra niet meer wordt voldaan aan
de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de officier van
justitie dat de uitvoering van de overeenkomst wordt beëindigd.
8. De overeenkomst kan schriftelijk
worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of beëindigd. De officier van
justitie legt de redenen daarvan uiterlijk binnen drie dagen
schriftelijk vast.
Artikel 126x
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie, indien het
onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen
opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan
de opsporing door deel te nemen of medewerking te verlenen aan het
georganiseerd verband.
2. Toepassing van het eerste lid
vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is
dat geen bevel als bedoeld in artikel 126p, eerste lid, kan worden
gegeven.
3. De persoon die op grond van het
eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag bij de uitvoering
daarvan een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan
waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
4. Artikel 126w, vierde tot en met
achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Derde afdeling. Burgerpseudo-koop of
-dienstverlening
Artikel 126ij
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126i, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang
van het onderzoek met een persoon die geen opsporingsambtenaar is,
overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door:
a. goederen af te nemen van de
verdachte,
b. gegevens die zijn opgeslagen,
worden verwerkt of overgedragen door middel van een
geautomatiseerd werk, door tussenkomst van een openbaar
telecommunicatienetwerk af te nemen van de verdachte, of
c. diensten te verlenen aan de
verdachte.
2. Toepassing van het eerste lid
vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is
dat geen bevel als bedoeld in artikel 126i, eerste lid, kan worden
gegeven.
3. De persoon die op grond van het
eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag bij de uitvoering
daarvan een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan
waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
4. Bij de toepassing van het eerste
lid legt de officier van justitie schriftelijk vast:
a. het misdrijf en indien bekend
de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van
de verdachte;
b. de feiten of omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste en
tweede lid, zijn vervuld;
c. de aard van de goederen,
gegevens of diensten;
5. De overeenkomst tot pseudo-koop of
-dienstverlening is schriftelijk en vermeldt:
a. de rechten en plichten van de
persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de
opsporing, alsmede de wijze waarop aan de overeenkomst
uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar handelen,
en
b. het tijdstip waarop, of de
periode waarbinnen aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven.
6. Artikel 126w, zevende en achtste
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126z
1. In een geval als bedoeld in
artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang
van het onderzoek met een persoon die geen opsporingsambtenaar is,
overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door
goederen af te nemen van of diensten te leveren aan een persoon ten
aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden
voortvloeit dat hij betrokken is bij het in het georganiseerd
verband beramen of plegen van misdrijven.
2. Toepassing van het eerste lid
vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is
dat geen bevel als bedoeld in artikel 126q, eerste lid, kan worden
gegeven.
3. De persoon die op grond van het
eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag bij de uitvoering
daarvan een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan
waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
4. Artikel 126ij, vierde tot en met
zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Titel VB. Bijzondere bevoegdheden tot
opsporing van terroristische misdrijven
Eerste afdeling. Algemene bepalingen
Artikel 126za
1. Bevelen tot toepassing van een
bevoegdheid als bedoeld in deze titel alsmede een wijziging,
aanvulling, verlenging of intrekking daarvan worden, behoudens
uitzonderingen bij de wet bepaald, schriftelijk gegeven. Aan een
schriftelijk bevel staat gelijk een mondeling bevel dat onverwijld
op schrift is gesteld.
2. Een schriftelijk bevel vermeldt
het terroristisch misdrijf en de feiten en omstandigheden waaruit
blijkt dat de wettelijke voorwaarden voor uitoefening van de
bevoegdheid zijn vervuld. In het bevel kan worden vermeld op welke
wijze aan het bevel uitvoering dient te worden gegeven.
3. In het geval de wet bepaalt dat
een bevel mondeling kan worden gegeven, wordt het bevel alsmede een
wijziging, aanvulling, verlenging of intrekking daarvan die niet op
schrift is gesteld, aangetekend in het proces-verbaal van de
opsporingsambtenaar die het bevel uitvoert.
4. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in een schriftelijk
bevel dan wel, bij een mondeling bevel, in het proces-verbaal te
vermelden gegevens.
5. Elk bevel kan worden gewijzigd,
aangevuld, verlengd of ingetrokken.
Artikel 126zb
1. Een machtiging van de
rechter-commissaris als bedoeld in deze titel is schriftelijk of
wordt onverwijld op schrift gesteld.
2. De machtiging en de vordering
daartoe vermelden het terroristisch misdrijf en de feiten en
omstandigheden waaruit blijkt dat de wettelijke voorwaarden voor
uitoefening van de bevoegdheid zijn vervuld.
3. Indien voor een bevel van de
officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris is
vereist, is ook voor een wijziging, aanvulling of verlenging van dat
bevel een machtiging vereist.
Artikel 126zc
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen personen in de openbare dienst van een vreemde staat die
voldoen aan daarin te stellen eisen voor de toepassing van de
bevoegdheden van artikel 126zd, eerste lid, onder a, b en c, en
artikel 126ze met een opsporingsambtenaar gelijk worden gesteld.
Tweede afdeling. Stelselmatige
observatie, pseudo-koop of -dienstverlening, stelselmatige inwinning
van informatie, bevoegdheden in een besloten plaats en infiltratie
Artikel 126zd
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf is de opsporingsambtenaar, bij bevel daartoe
van de officier van justitie, bevoegd in het belang van het
onderzoek:
a. een persoon stelselmatig te
volgen of stelselmatig de aanwezigheid of het gedrag van een
persoon waar te nemen,
b. goederen af te nemen van of
diensten te verlenen aan een persoon of gegevens die zijn
opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van een
geautomatiseerd werk, door tussenkomst van een openbaar
telecommunicatienetwerk af te nemen van een persoon,
c. zonder dat kenbaar is dat hij
optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie in te
winnen over een persoon,
d. zonder toestemming van de
rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, te
betreden dan wel een technisch hulpmiddel aan te wenden teneinde
die plaats op te nemen, aldaar sporen veilig te stellen of
aldaar een technisch hulpmiddel te plaatsen teneinde de
aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen
stellen.
2. De opsporingsambtenaar mag bij de
uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onder b,
een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop
diens opzet reeds tevoren was gericht.
3. De officier van justitie kan in
het belang van het onderzoek bepalen dat bij de uitoefening van de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder a, een besloten
plaats, niet zijnde een woning, kan worden betreden zonder
toestemming van de rechthebbende.
4. De officier van justitie kan
voorts bepalen dat bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in
het eerste lid, onder a, een technisch hulpmiddel kan worden
aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie wordt
opgenomen. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon
bevestigd, tenzij met diens toestemming.
5. Het bevel tot uitoefening van de
bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onder a of c, wordt gegeven
voor een periode van ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur
kan telkens voor een periode van drie maanden worden verlengd.
Artikel 126ze
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het
onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar
deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen ten
aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat daarbinnen een
terroristisch misdrijf wordt beraamd of gepleegd.
2. Artikel 126h, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. Het bevel vermeldt, behalve de
gegevens, bedoeld in artikel 126za, tevens:
a. een omschrijving van de groep
van personen;
b. de wijze waarop aan het bevel
uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld
handelen, voor zover bij het geven van het bevel te voorzien,
alsmede
c. de geldigheidsduur van het
bevel.
Derde afdeling. Opnemen en onderzoek
communicatie
Artikel 126zf
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het
onderzoek dit dringend vordert, na op zijn vordering door de
rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een
opsporingsambtenaar met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke
communicatie opneemt.
2. De officier van justitie kan in
het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het
bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden
zonder toestemming van de rechthebbende. Hij kan, na uitdrukkelijke
op zijn vordering door de rechter-commissaris verleende machtiging,
bepalen dat ter uitvoering van het bevel een woning zonder
toestemming van de rechthebbende wordt betreden, indien het
onderzoek dit dringend vordert. Artikel 2, eerste lid, laatste
volzin, van de Algemene wet op het binnentreden is niet van
toepassing.
3. Het bevel vermeldt, behalve de
gegevens, bedoeld in artikel 126za, tevens:
a. ten minste een van de personen
die aan de communicatie deelnemen dan wel, indien het bevel
communicatie betreft op een besloten plaats of in een
vervoermiddel, een van de personen die aan de communicatie
deelnemen of een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van die
plaats of dat vervoermiddel;
b. bij toepassing van het tweede
lid, de plaats die kan worden betreden;
c. de geldigheidsduur van het
bevel.
4. Het bevel wordt gegeven voor een
periode van ten hoogste vier weken. De geldigheidsduur kan telkens
voor een termijn van ten hoogste vier weken worden verlengd.
5. Van het opnemen wordt binnen drie
dagen proces-verbaal opgemaakt.
Artikel 126zg
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het
onderzoek dit dringend vordert, aan een opsporingsambtenaar bevelen
dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde
communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van diensten van een
aanbieder van een communicatie in de zin van artikel 126la, wordt
opgenomen.
2. Het bevel vermeldt, behalve de
gegevens, bedoeld in artikel 126za, tevens:
a. zo mogelijk het nummer of een
andere aanduiding waarmee de individuele gebruiker van de
communicatiedienst wordt geïdentificeerd alsmede, voor zover
bekend, de naam en het adres van de gebruiker;
b. de geldigheidsduur van het
bevel; en
c. een aanduiding van de aard van
het technisch hulpmiddel of de technische hulpmiddelen waarmee
de communicatie wordt opgenomen.
3. Indien het bevel betrekking heeft
op communicatie die plaatsvindt via een openbaar
telecommunicatienetwerk of met gebruikmaking van een openbare
telecommunicatiedienst in de zin van de Telecommunicatiewet, wordt
– tenzij zulks niet mogelijk is of het belang van strafvordering
zich daartegen verzet – het bevel ten uitvoer gelegd met
medewerking van de aanbieder van het openbare
telecommunicatienetwerk of de openbare telecommunicatiedienst en
gaat het bevel vergezeld van een vordering van de officier van
justitie aan de aanbieder om medewerking te verlenen.
4. Indien het bevel betrekking heeft
op andere communicatie dan bedoeld in het derde lid, wordt –
tenzij zulks niet mogelijk is of het belang van strafvordering zich
daartegen verzet– de aanbieder in de gelegenheid gesteld
medewerking te verlenen bij de tenuitvoerlegging van het bevel.
5. Artikel 126m, vijfde tot en met
negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126zga
1. Indien bij de afgifte van een
bevel als bedoel in artikel 126zg, derde lid, bekend is dat de
gebruiker van het nummer, bedoeld in artikel 126zg, tweede lid,
onder a, zich op het grondgebied van een andere staat bevindt, wordt
voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van dat
verdrag, die andere staat van het voornemen tot het opnemen van
telecommunicatie in kennis gesteld en de instemming van die staat
verworven voordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd.
2. Indien na aanvang van het opnemen
van de telecommunicatie op grond van het bevel bekend wordt dat de
gebruiker zich op het grondgebied van een andere staat bevindt,
wordt, voor zover een verdrag dit voorschrijft en met toepassing van
dat verdrag, die andere staat van het opnemen van telecommunicatie
in kennis gesteld en de instemming van die staat verworven.
3. De officier van justitie kan een
bevel als bedoeld in artikel 126zg, derde lid, eveneens geven,
indien het bestaan van het bevel noodzakelijk is om een andere staat
te kunnen verzoeken telecommunicatie met een technisch hulpmiddel op
te nemen of telecommunicatie af te tappen en rechtstreeks naar
Nederland door te geleiden ter fine van opname met een technisch
hulpmiddel in Nederland.
Artikel 126zh
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf kan de officier van justitie in het belang
van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken over
een gebruiker van een communicatiedienst in de zin van artikel 126la
en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. De
vordering kan slechts betrekking hebben op gegevens die bij algemene
maatregel van bestuur zijn aangewezen en kan gegevens betreffen die:
a. ten tijde van de vordering
zijn verwerkt, dan wel
b. na het tijdstip van de
vordering worden verwerkt.
2. Artikel 126n, tweede tot en met
zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126zi
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf kan de opsporingsambtenaar in het belang van
het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken terzake van
naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een
gebruiker van een communicatiedienst in de zin van artikel 126la.
Artikel 126n, tweede lid, is van toepassing.
2. Indien de gegevens, bedoeld in het
eerste lid, bij de aanbieder niet bekend zijn en zij nodig zijn voor
de toepassing van artikel 126zf of artikel 126zg kan de officier van
justitie in het belang van het onderzoek vorderen dat de aanbieder
de gevorderde gegevens op bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen wijze achterhaalt en verstrekt.
3. Artikel 126na, derde en vierde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126zj
Teneinde toepassing te kunnen geven aan
artikel 126zg of artikel 126zh kan de officier van justitie met
inachtneming van artikel 3.10, vierde lid, van de Telecommunicatiewet
bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur het
nummer waarmee de gebruiker van een communicatiedienst kan worden
geïdentificeerd, wordt verkregen.Artikel 126nb, tweede tot en met
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126zja
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het
belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie
redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde
gegevens die ten tijde van de vordering zijn opgeslagen in een
geautomatiseerd werk en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen
dat zij in het bijzonder vatbaar zijn voor verlies of wijziging,
vorderen dat deze gegevens gedurende een periode van ten hoogste
negentig dagen worden bewaard en beschikbaar gehouden. De vordering
kan niet worden gericht tot de verdachte.
2. Artikel 126ni, tweede tot en met
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing
Derde afdeling A. Vorderen van gegevens
Artikel 126zk
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf kan de opsporingsambtenaar in het belang van
het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking
komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens
verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen gegevens of vastgelegde
identificerende gegevens van een persoon te verstrekken.
2. Artikel 126nc, tweede tot en met
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126zl
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf kan de officier van justitie in het belang
van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden
vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen gegevens of
vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.
2. Artikel 126nd, tweede tot en met
vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126zm
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf kan de officier van justitie in het belang
van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld in artikel
126zl, eerste lid, van degene die anders dan ten behoeve van
persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, betrekking kan hebben op
gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering worden verwerkt.
De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier
weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De
officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. Artikel
126nd, tweede tot en met vijfde en zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. In een geval als bedoeld in het
eerste lid bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de
vordering wordt beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 126zl, eerste lid. Van een
wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering
doet de officier van justitie proces-verbaal opmaken.
3. Indien het belang van het
onderzoek dit dringend vordert, kan de officier van justitie in een
geval als bedoeld in het eerste lid bepalen dat degene tot wie de
vordering is gericht de gegevens direct na de verwerking verstrekt,
dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking
verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor een
voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te verlenen
door de rechter-commissaris.
Artikel 126zn
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het
belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie
redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens
als bedoeld in artikel 126nd, tweede lid, derde volzin, deze
gegevens vorderen.
2. Artikel 126nd, derde tot en met
vijfde en zevende lid, en 126nf, tweede en derde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 126zo
1. Een vordering als bedoeld in
artikel 126zk, eerste lid, 126zl, eerste lid, of 126zm, eerste lid,
kan worden gericht tot de aanbieder van een communicatiedienst in de
zin van artikel 126la, voor zover de vordering betrekking heeft op
andere gegevens dan die welke gevorderd kunnen worden door
toepassing van de artikelen 126zh en126zi. De vordering kan geen
betrekking hebben op gegevens die zijn opgeslagen in het
geautomatiseerde werk van de aanbieder en niet voor deze bestemd of
van deze afkomstig zijn.
2. Indien het belang van het
onderzoek dit dringend vordert, kan de officier van justitie van de
aanbieder van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang
heeft tot gegevens als bedoeld in het eerste lid, laatste volzin,
deze gegevens vorderen.
3. Artikel 126nd, derde tot en met
vijfde en zevende lid, en 126nf, tweede en derde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 126zp
1. De officier van justitie kan,
indien het belang van het onderzoek dit vordert, bij of terstond na
de toepassing van artikel 126zl, eerste lid, 126zm, eerste of derde
lid, of 126zn, eerste lid, degene van wie redelijkerwijs kan worden
vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de
in deze artikelen bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen
aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan
te maken, dan wel deze kennis ter beschikking te stellen.
2. Artikel 126nh, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Vierde afdeling. Onderzoek van
voorwerpen, vervoermiddelen en kleding
Artikel 126zq
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf is de opsporingsambtenaar, bij bevel daartoe
van de officier van justitie, bevoegd in het belang van het
onderzoek voorwerpen te onderzoeken en aan opneming te onderwerpen
en daarvan monsters te nemen. Hij is bevoegd daartoe verpakkingen te
openen.
2. Indien het onderzoek, de opneming
of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden, is de
opsporingsambtenaar bevoegd de voorwerpen voor dat doel voor korte
tijd mee te nemen tegen een door hem, zoveel mogelijk, af te geven
schriftelijk bewijs.
3. Het bevel kan mondeling worden
gegeven. Het wordt gegeven voor een periode van ten hoogste twaalf
uren, voor een daarbij omschreven gebied. De geldigheidsduur kan
telkens met ten hoogste twaalf uren worden verlengd.
4. In bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen veiligheidsrisicogebieden kan voor de uitoefening
van een in dit artikel bedoelde bevoegdheid onder bij die algemene
maatregel van bestuur gestelde voorwaarden een bevel van de officier
van justitie achterwege blijven.
Artikel 126zr
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf is de opsporingsambtenaar, bij bevel daartoe
van de officier van justitie, bevoegd in het belang van het
onderzoek vervoermiddelen te onderzoeken.
2. De opsporingsambtenaar is bij een
dergelijk bevel voorts bevoegd:
a. vervoermiddelen op hun lading
te onderzoeken;
b. van de bestuurder van een
vervoermiddel inzage te vorderen van de wettelijk voorgeschreven
bescheiden met betrekking tot de lading;
c. van de bestuurder van een
voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat
deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem
aangewezen plaats overbrengt.
3. Artikel 126zq, derde en vierde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126zs
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf is de opsporingsambtenaar, bij bevel daartoe
van de officier van justitie, bevoegd in het belang van het
onderzoek personen aan de kleding te onderzoeken.
2. De opsporingsambtenaar is bij een
dergelijk bevel voorts bevoegd gebruik te maken van
detectieapparatuur of andere hulpmiddelen.
3. Artikel 126zq, derde en vierde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de
wijze van uitvoering van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
Titel VC. Bijstand aan opsporing van
terroristische misdrijven door burgers
Artikel 126zt
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf kan een opsporingsambtenaar, bij bevel
daartoe van de officier van justitie, in het belang van het
onderzoek met een persoon die geen opsporingsambtenaar is
overeenkomen dat deze voor de duur van het bevel bijstand verleent
aan de opsporing door:
a. goederen af te nemen van of
diensten te verlenen aan een persoon of gegevens die zijn
opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van een
geautomatiseerd werk, door tussenkomst van een openbaar
telecommunicatienetwerk af te nemen van een persoon;
b. stelselmatig informatie in te
winnen omtrent een persoon.
2. De artikelen 126za en 126zd,
vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, alsmede artikel
126ij, derde lid, voor zover het eerste lid, onder a, toepassing
vindt. Toepassing van het eerste lid, onder a, vindt alleen plaats
indien geen bevel als bedoeld in artikel 126zd, eerste lid, onder b,
kan worden gegeven.
3. De overeenkomst is schriftelijk en
vermeldt de rechten en plichten van de persoon die bijstand verleent
aan de opsporing, de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering
dient te worden gegeven, alsmede de geldigheidsduur van de
overeenkomst. De overeenkomst kan schriftelijk worden gewijzigd,
aangevuld, verlengd of beëindigd.
Artikel 126zu
1. In geval van aanwijzingen van een
terroristisch misdrijf kan de officier van justitie, indien het
belang van het onderzoek dit dringend vordert en geen bevel als
bedoeld inartikel 126ze, eerste lid, kan worden gegeven, met een
persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze
bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of
medewerking te verlenen aan een groep van personen ten aanzien
waarvan aanwijzingen bestaan dat daarbinnen een terroristisch
misdrijf wordt beraamd of gepleegd.
2. De artikelen 126zt, derde lid, en
126w, derde, vierde en zesde lid zijn overeenkomstige toepassing.
Titel VD. Algemene regels betreffende
de bevoegdheden in de titels IVA tot en met VC
Eerste afdeling. Voeging bij de
processtukken
Artikel 126aa
1. De officier van justitie voegt de
processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen
worden ontleend die zijn verkregen door de uitoefening van een van
de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Vc, dan wel
door de toepassing van artikel 126ff, voorzover die voor het
onderzoek in de zaak van betekenis zijn, bij de processtukken.
2. Voor zover de processen-verbaal of
andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een
persoon die zich op grond van artikel 218 zou kunnen verschonen
indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou
worden gevraagd, worden deze processen-verbaal en andere voorwerpen
vernietigd. Bij algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent
voorschriften gegeven. Voor zover de processen-verbaal of andere
voorwerpen andere mededelingen dan bedoeld in de eerste volzin
behelzen gedaan door of aan een in die volzin bedoelde persoon,
worden zij niet bij de processtukken gevoegd dan na voorafgaande
machtiging door de rechter-commissaris.
3. De voeging bij de processtukken
vindt plaats zodra het belang van het onderzoek het toelaat.
4. Indien geen processen-verbaal van
de uitoefening van een van de bevoegdheden, bedoeld in de titels IVa
tot en met Vc, dan wel van de toepassing van artikel 126ff, bij de
processtukken zijn gevoegd, wordt van het gebruik van deze
bevoegdheid in de processtukken melding gemaakt.
5. De verdachte of diens raadsman kan
de officier van justitie schriftelijk verzoeken bepaalde door hem
aangeduide processen-verbaal of andere voorwerpen bij de
processtukken te voegen.
Tweede afdeling. Kennisgeving aan
betrokkene
Artikel 126bb
1. De officier van justitie doet aan
betrokkene schriftelijk mededeling van de uitoefening van de
bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Vc, zodra het
belang van het onderzoek dat toelaat. De mededeling blijft
achterwege, indien uitreiking van de mededeling redelijkerwijs niet
mogelijk is.
2. Als betrokkenen in de zin van het
eerste lid worden aangemerkt:
a. de persoon ten aanzien van wie
een van de bevoegdheden van titel IVa, V, Va, Vb of Vc is
uitgeoefend;
b. de gebruiker van
telecommunicatie of de technische hulpmiddelen waarmee de
telecommunicatie plaatsvindt, bedoeld in artikel 126m, derde
lid, onderdeel c, artikel 126t, derde lid, onderdeel c, en
artikel 126zg, tweede lid, onderdeel a;
c. de rechthebbende van een
besloten plaats als bedoeld in de artikelen 126g, tweede lid,
126k, 126l, tweede lid, 126o, tweede lid, 126r, 126s, tweede
lid, en 126zd, derde lid.
3. Indien de betrokkene de verdachte
is, kan mededeling achterwege blijven, indien hij op grond van
artikel 126aa, eerste of vierde lid, met de bevoegdheidstoepassing
op de hoogte komt.
4. Het eerste lid is niet van
toepassing op de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in de
artikelen 126na, 126ua, 126nc, 126uc, 126zi, 126zk en126zq tot en
met 126zs.
5. Degene tot wie een vordering als
bedoeld in de artikelen 126nc tot en met 126ni,126uc tot en met
126ui en 126zja tot en met 126zp is gericht neemt in het belang van
het onderzoek geheimhouding in acht omtrent al hetgeen hem terzake
van de vordering bekend is.
Derde afdeling. De bewaring en de
vernietiging van processen-verbaal en andere voorwerpen en het gebruik
van gegevens voor een ander doel
Artikel 126cc
1. Zolang de zaak niet is geëindigd,
bewaart de officier van justitie de processen-verbaal en andere
voorwerpen, waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn
verkregen door observatie met behulp van een technisch hulpmiddel
dat signalen registreert, het opnemen van vertrouwelijke
communicatie, het opnemen van telecommunicatie of het vorderen van
gegevens over een gebruiker en het telecommunicatieverkeer met
betrekking tot die gebruiker, voor zover die niet bij de
processtukken zijn gevoegd, en houdt deze ter beschikking van het
onderzoek.
2. Zodra twee maanden verstreken zijn
nadat de zaak geëindigd is en de laatste mededeling, bedoeld in
artikel 126bb, is gedaan, doet de officier van justitie de
processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld in het eerste lid,
vernietigen. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt.
3. Met een zaak die geëindigd is,
wordt bij de toepassing van het vorige lid gelijkgesteld een
voorbereidend onderzoek dat naar redelijke verwachting niet tot een
zaak zal leiden.
4. Bij algemene maatregel van bestuur
worden voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop de
processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld in het eerste lid,
worden bewaard en vernietigd.
Artikel 126dd
1. De officier van justitie kan
bepalen dat gegevens die zijn verkregen door observatie met behulp
van een technisch hulpmiddel dat signalen registreert, het opnemen
van vertrouwelijke communicatie, het opnemen van telecommunicatie of
het vorderen van gegevens over een gebruiker en het
telecommunicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker kunnen
worden gebruikt voor:
a. een ander strafrechtelijk
onderzoek dan waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend;
b. verwerking met het oog op het
verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij
misdrijven en handelingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdelen a en b, van de Wet politiegegevens.
2. Indien toepassing is gegeven aan
het eerste lid, onderdeel a, behoeven de gegevens, in afwijking van
artikel 126cc, tweede lid, niet te worden vernietigd, totdat het
andere onderzoek is geëindigd. Is toepassing gegeven aan het eerste
lid, onderdeel b, dan behoeven de gegevens niet te worden
vernietigd, totdat de Wet politiegegevens opslag van de gegevens
niet meer toestaat.
Vierde afdeling. Technische
hulpmiddelen
Artikel 126ee
Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld omtrent:
a. de opslag, verstrekking en
plaatsing van de technische hulpmiddelen, bedoeld in de artikelen
126g, derde lid, 126l, eerste lid, 126o, derde lid, 126s, eerste
lid, 126zd, eerste lid, en 126zf, eerste lid, alsmede van de
technische hulpmiddelen bedoeld in deartikelen 126m, eerste lid,
126t, eerste lid, en 126zg, eerste lid, voor zover het bevel,
bedoeld in artikel 126m, derde of vierde lid, onderscheidenlijk
artikel 126t, derde of vierde lid, en artikel 126zg, derde of
vierde lid, ten uitvoer wordt gelegd zonder medewerking van de
betrokken aanbieder;
b. de technische eisen waaraan de
hulpmiddelen voldoen, onder meer met het oog op de
onschendbaarheid van de vastgelegde waarnemingen;
c. de controle op de naleving van
de eisen, bedoeld onder b;
d. de instellingen die de
registratie van signalen aan een technische bewerking onderwerpen;
e. de wijze waarop de bewerking,
bedoeld onder d, plaatsvindt met het oog op de controleerbaarheid
achteraf, dan wel de waarborgen waarmee deze is omgeven en de
mogelijkheden voor een tegenonderzoek.
Vijfde afdeling. Verbod op doorlaten
Artikel 126ff
1. De opsporingsambtenaar die handelt
ter uitvoering van een bevel als omschreven in de titels IVa tot en
met V en Vb, is verplicht van de hem in de wet verleende
inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te maken, indien hij door de
uitvoering van het bevel de vindplaats weet van voorwerpen waarvan
het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden
is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar
voor de veiligheid. De inbeslagneming mag slechts in het belang van
het onderzoek worden uitgesteld met het oogmerk om op een later
tijdstip daartoe over te gaan.
2. De verplichting tot
inbeslagneming, bedoeld in het eerste lid, geldt niet in het geval
de officier van justitie op grond van een zwaarwegend
opsporingsbelang anders beveelt.
3. Een bevel als omschreven in het
tweede lid is schriftelijk en vermeldt:
a. de voorwerpen waar het
betrekking op heeft,
b. het zwaarwegend
opsporingsbelang en
c. het tijdstip waarop of de
periode gedurende welke de verplichting tot inbeslagneming niet
geldt.
4. Het eerste, tweede en derde lid
zijn van overeenkomstige toepassing indien de opsporingsambtenaar of
de officier van justitie door de toepassing van een bevoegdheid als
omschreven in titel Va of titel Vc de vindplaats weet van voorwerpen
als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.
Titel VE. Verkennend onderzoek
Artikel 126gg
1. Indien uit feiten of
omstandigheden aanwijzingen voortvloeien dat binnen verzamelingen
van personen misdrijven worden beraamd of gepleegd als omschreven in
artikel 67, eerste lid, die gezien hun aard of de samenhang met
andere misdrijven die binnen die verzamelingen van personen worden
beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren,
kan de officier van justitie bevelen dat opsporingsambtenaren
daarnaar een onderzoek instellen met als doel de voorbereiding van
opsporing.
2. Indien dit noodzakelijk is voor de
uitvoering van het onderzoek kan de officier van justitie bepalen
dat artikel 9, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens
met betrekking tot het onderzoek niet van toepassing is op daarbij
nader aan te geven openbare registers die bij wet zijn ingesteld.
Artikel 126hh
1. Indien een onderzoek als bedoeld
in artikel 126gg de voorbereiding van de opsporing van
terroristische misdrijven tot doel heeft, kan de officier van
justitie na voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering
te verlenen door de rechter-commissaris, in het belang van het
onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat
hij toegang heeft tot een geautomatiseerd gegevensbestand
schriftelijk vorderen dit bestand, of delen daarvan, te verstrekken,
teneinde de hierin opgenomen gegevens te doen bewerken. De personen,
bedoeld in artikel 218, zijn niet verplicht aan de vordering te
voldoen, voor zover de uitlevering met hun plicht tot geheimhouding
in strijd zou zijn.
2. De bewerking kan bestaan uit het
onderling vergelijken dan wel het in combinatie met elkaar verwerken
van de gegevens uit het verstrekte bestand, gegevens uit de
politieregisters en gegevens uit andere bestanden. Beperkingen
gesteld bij of krachtens de Wet politiegegevens blijven buiten
toepassing. De officier van justitie stelt de wijze waarop de
bewerking wordt uitgevoerd vast.
3. De bewerking wordt op een zodanige
wijze uitgevoerd dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
van personen zo veel mogelijk wordt gewaarborgd.
4. De officier van justitie doet van
de bewerking proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:
a. een aanduiding van de gegevens
waarop de bewerking is uitgevoerd;
b. een beschrijving van de wijze
waarop de bewerking is uitgevoerd;
c. de feiten en omstandigheden
waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
zijn vervuld.
5. De officier van justitie ziet er
op toe dat zodra de bewerking is voltooid:
a. uitsluitend de gegevens die
het resultaat zijn van de bewerking en van betekenis zijn voor
het onderzoek, voor het onderzoek verder worden verwerkt;
b. de gegevens die het resultaat
zijn van de bewerking en niet van betekenis zijn voor het
onderzoek en de gegevens die op grond van het eerste lid zijn
verkregen en geen deel uitmaken van het resultaat van de
bewerking worden vernietigd.
6. Gegevens als bedoeld in het vijfde
lid, onder a, mogen worden verwerkt voor de opsporing van
terroristische misdrijven.
7. De officier van justitie kan in
afwijking van het vijfde lid, onder b, bepalen dat de in dat
onderdeel bedoelde gegevens niet worden vernietigd voor zover en
voor zolang de gegevens nodig zijn om de bewerking achteraf te
controleren. Indien de gegevens niet worden vernietigd, worden zij
uitsluitend verwerkt om de bewerking achteraf te controleren.
Artikel 126ii
1. Indien een onderzoek als bedoeld
in artikel 126gg de voorbereiding van de opsporing van
terroristische misdrijven tot doel heeft, kan de officier van
justitie in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor
redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van
persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen
of vastgelegde identificerende gegevens van een persoon te
verstrekken. Artikel 126nc, tweede tot en met vijfde en zevende lid,
is van overeenkomstige toepassing.
2. In geval van een onderzoek als
bedoeld in het eerste lid kan de officier van justitie in het belang
van het onderzoek jegens een aanbieder van een openbaar
telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst een
vordering doen gegevens te verstrekken terzake van naam, adres,
postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van
telecommunicatie. Artikel 126n, tweede lid en vierde lid, en 126na,
vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 126bb
blijft buiten toepassing.
3. Van de verstrekking van
identificerende gegevens of gegevens als bedoeld in het tweede lid
doet de officier van justitie proces-verbaal opmaken, waarin worden
vermeld:
a. de verstrekte gegevens;
b. de reden waarom de gegevens in
het belang van het onderzoek worden gevorderd.
Titel VI. Beteekenis van sommige in het
wetboek voorkomende uitdrukkingen
Artikel 127
Onder opsporingsambtenaren worden
verstaan alle personen met de opsporing van het strafbare feit belast.
Artikel 128
1. Ontdekking op heeter daad heeft
plaats, wanneer het strafbare feit ontdekt wordt, terwijl het begaan
wordt of terstond nadat het begaan is.
2. Het geval van ontdekking op heeter
daad wordt niet langer aanwezig geacht dan kort na het feit dier
ontdekking.
Artikel 129
Waar van misdrijf in het algemeen of
van enig misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder
medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van dat misdrijf
begrepen, voorzover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt.
Artikel 130
Waar een termijn in dagen is
uitgedrukt, worden daaronder verstaan vrije dagen, voor zoover niet
uit eenige bepaling het tegendeel volgt.
Artikel 131
Onder ouders van een minderjarige
worden verstaan de ouders die het gezag over de minderjarige
uitoefenen.
Artikel 131a
1. Waar in dit wetboek de bevoegdheid
wordt gegeven tot het horen, verhoren of ondervragen van personen,
wordt daaronder, met uitzondering van bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen gevallen, mede begrepen horen, verhoren of
ondervragen per videoconferentie, waarbij een directe beeld- en
geluidsverbinding totstandkomt tussen de betrokken personen.
2. De voorzitter van het college, de
rechter, de rechter-commissaris of ambtenaar die met de leiding over
het horen is belast, beslist of van videoconferentie gebruik gemaakt
wordt, waarbij het belang van het onderzoek in aanmerking wordt
genomen. Alvorens te beslissen wordt de te horen persoon of diens
raadsman en in voorkomende gevallen de officier van justitie, in de
gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over de toepassing
van videoconferentie. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
hierover nadere regels worden gesteld.
3. Tegen de beslissing om van
videoconferentie gebruik te maken staat geen afzonderlijk
rechtsmiddel open.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de eisen waaraan de techniek
van videoconferentie dient te voldoen, onder meer met het oog op
de onschendbaarheid van vastgelegde waarnemingen;
b. de controle op de naleving van
de eisen, bedoeld onder a.
Artikel 132
Onder het voorbereidende onderzoek
wordt verstaan het onderzoek hetwelk aan de behandeling ter
terechtzitting voorafgaat.
Artikel 132a
Onder opsporing wordt verstaan het
onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier
van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.
Artikel 133
Onder voorloopige hechtenis wordt
verstaan de vrijheidsbeneming ingevolge eenig bevel van bewaring,
gevangenneming of gevangenhouding.
Artikel 134
1. Onder inbeslagneming van eenig
voorwerp wordt verstaan het onder zich nemen of gaan houden van dat
voorwerp ten behoeve van de strafvordering.
2. Het beslag wordt beëindigd
doordat hetzij
a. het inbeslaggenomen voorwerp
wordt teruggegeven, dan wel de waarde daarvan wordt uitbetaald;
b. het openbaar ministerie de
last geeft als bedoeld in artikel 116, tweede lid, onder c;
c. de machtiging als bedoeld in
artikel 117 is verleend en het voorwerp niet om baat is
vervreemd;
d. de bewaring ingevolge artikel
118, derde lid, door tijdsverloop is beëindigd en het voorwerp
niet om baat is vervreemd.
3. Onder teruggave van
inbeslaggenomen voorwerpen wordt begrepen het verrichten van de in
verband met de beëindiging van het beslag vereiste formaliteiten.
Artikel 135
Bij de beantwoording der vraag of eene
zaak al dan niet is geëindigd, wordt het rechtsgevolg, bij artikel
255 aan het bekend worden van nieuwe bezwaren verbonden, buiten
beschouwing gelaten.
Artikel 136
1. Onder maand wordt verstaan een
tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van
de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.
2. Onder algemeen erkende feestdagen
worden verstaan de in artikel 3 van de Algemene termijnenwet als
zodanig genoemde en de bij of krachtens dat artikel daarmede
gelijkgestelde dagen.
Artikel 136a
1. Wordt verstaan:
onder schipper: elke gezagvoerder van
een Nederlands schip of zeevissersschip of degene die deze vervangt;
onder opvarende: ieder ander die zich
aan boord van een Nederlands schip of zeevissersschip bevindt;
opvarende blijft wie buiten het rijk in Europa het vaartuig
gedurende de reis tijdelijk verlaat;
onder schepeling: ieder die zich als
scheepsofficier of scheepsgezel aan boord van een Nederlands schip
of zeevissersschip bevindt;
onder gezagvoerder van een
luchtvaartuig: elke gezagvoerder van een Nederlands burgerlijk
luchtvaartuig of degene die deze vervangt.
2. Wordt begrepen:
onder schipper: hij die de leiding
heeft op een door Ons aangewezen installatie ter zee;
onder opvarende: ieder ander die zich
op zulk een installatie bevindt.
3. Het in de voorgaande leden
bepaalde geldt niet, wanneer uit enige bepaling een andere betekenis
blijkt.
4. Onder commandant wordt verstaan de
bevelhebber van een Nederlands oorlogsschip of een Nederlands
militair luchtvaartuig.
Artikel 136b
1. Onder Nederlands schip wordt
verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 86 van het
Wetboek van Strafrecht.
2. Onder installatie ter zee wordt
verstaan elke installatie buiten het rechtsgebied van een rechtbank
opgericht op de bodem van de territoriale zee of op dat deel van de
Noordzee waarvan de grenzen samenvallen met die van het aan
Nederland toekomende gedeelte van het continentale plat.
Artikel 136c
Onder bedreigde getuige wordt verstaan
een getuige ten aanzien van wie door de rechter op grond van artikel
226a bevel is gegeven dat ter gelegenheid van het verhoor zijn
identiteit verborgen wordt gehouden.
Artikel 136d
Onder afgeschermde getuige wordt
verstaan een getuige die door de rechter op grond van artikel 226m als
zodanig is aangemerkt.
Artikel 137
Onder de bevoegdheid tot kennisneming
van processtukken wordt begrepen die tot het maken van aanteekeningen
daaruit.
Artikel 138
Worden verstaan:
onder beschikkingen de niet op de
terechtzitting gegeven beslissingen;
onder rechterlijke beslissingen zowel
de beschikkingen van een rechter als de uitspraken;
onder uitspraken de op de
terechtzitting gegeven beslissingen;
onder einduitspraken de uitspraken tot
schorsing der vervolging of tot verklaring van onbevoegdheid,
niet-ontvankelijkheid of nietigheid van dagvaarding, en die welke na
afloop van het geheele onderzoek op de terechtzitting over de zaak
worden gedaan.
Artikel 138a
Onder DNA-onderzoek wordt verstaan het
onderzoek van celmateriaal dat slechts gericht is op het vergelijken
van DNA-profielen of het vaststellen van uiterlijk waarneembare
persoonskenmerken van de onbekende verdachte.
Artikel 138b
Onder een verkort vonnis wordt verstaan
een vonnis waarin geen bewijsmiddelen zijn opgenomen, noch een opgave
daarvan.
Artikel 138c
Onder een verkort proces-verbaal wordt
verstaan een proces-verbaal dat uitsluitend bevat de uitspraken, die
niet in het vonnis zijn opgenomen, en de aantekeningen, waarvan
opneming door de wet, anders dan door artikel 326, eerste of tweede
lid, wordt verlangd.
Artikel 138d
Onder terroristisch misdrijf wordt
verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 83 van het
Wetboek van Strafrecht.
Tweede Boek. Strafvordering in eersten
aanleg
Titel I. Het opsporingsonderzoek
Eerste afdeeling. Algemeene bepalingen
Artikel 139 [Vervallen per 12-04-1967]
Artikel 140
Het College van procureurs-generaal
waakt voor de richtige opsporing van de strafbare feiten waarvan de
rechtbanken en de gerechtshoven kennis nemen. Het geeft daartoe de
nodige bevelen aan de hoofden van de parketten.
Artikel 140a
Het College van procureurs-generaal
stemt vooraf en schriftelijk in met een bevel als bedoeld in artikel
126ff, onderscheidenlijk een overeenkomst als bedoeld in de tweede
afdeling van titel Va van het Eerste Boek en als bedoeld in artikel
126zu, een wijziging of een verlenging daarvan.
Artikel 141
Met de opsporing van strafbare feiten
zijn belast:
a. de officieren van justitie;
b. de ambtenaren van politie,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid van
de Politiewet 1993.
c. de door Onze Minister van
Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie
aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee;
d. de opsporingsambtenaren van de
bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op
de bijzondere opsporingsdiensten.
Artikel 142
1. Met de opsporing van strafbare
feiten zijn als buitengewoon opsporingsambtenaar belast:
a. de personen aan wie door Onze
Minister van Justitie, onderscheidenlijk het College van
procureurs-generaal een akte van opsporingsbevoegdheid is
verleend;
b. de meerderjarige personen,
behorend tot door Onze Minister van Justitie aangewezen
categorieën of eenheden;
c. de personen die bij bijzondere
wetten met de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten
worden belast, met uitzondering van de opsporingsambtenaren van
de bijzondere opsporingsdiensten als bedoeld in artikel 2 van de
Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, of die bij
verordeningen zijn belast met het toezicht op de naleving
daarvan, een en ander voor zover het die feiten betreft en de
personen zijn beëdigd.
2. De opsporingsbevoegdheid strekt
zich uit tot de in de akte of aanwijzing aangeduide strafbare
feiten; de akte of aanwijzing kan bepalen dat de
opsporingsbevoegdheid alle strafbare feiten omvat.
3. Onze Minister van Justitie kan
bepalen dat voor door hem aan te wijzen categorieën of eenheden van
de in het eerste lid, onder c, genoemde buitengewone
opsporingsambtenaren, de opsporingsbevoegdheid zich mede uitstrekt
over andere strafbare feiten; het tweede lid is van overeenkomstige
toepassing.
4. Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gegeven omtrent de verlening van de akte en het doen
van de aanwijzing, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid
geldt, de beëdiging en de instructie van de buitengewoon
opsporingsambtenaren, het toezicht waaraan zij zijn onderworpen en
de wijze waarop Onze Minister van Justitie de opsporingsbevoegdheid
van afzonderlijke personen kan beëindigen. Voorts kunnen regels
worden gegeven over de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid
waaraan zij moeten voldoen.
5. Van een besluit als bedoeld in het
eerste lid, onder b, of derde lid, wordt mededeling gedaan door
plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 143 [Vervallen per 01-01-1957]
Artikel 144 [Vervallen per 01-01-1957]
Artikel 145 [Vervallen per 01-04-1994]
Artikel 146
1. De bevoegdheid van ambtenaren met
de opsporing van strafbare feiten belast, is beperkt tot het
grondgebied waarvoor zij zijn aangesteld of waar zij in
overeenstemming met de bepalingen van de Politiewet 1993 buiten dat
grondgebied hun taak vervullen.
2. Zij hebben het recht in de
uitoefening hunner ambtsverrichtingen de hulp in te roepen van de
politie en de Koninklijke marechaussee.
Artikel 146a [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
Ter plaatse waar en binnen de grenzen
binnen welke zij bevoegd zijn tot opsporing, zijn hulpofficier van
justitie:
a. de door Onze Minister van
Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de
uitvoering van de politietaak, en de bijzondere ambtenaren van
politie;
b. de officieren van de Koninklijke
marechaussee;
c. de door Onze Minister van
Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie
aangewezen onderofficieren van de Koninklijke marechaussee;
d. de door Onze Minister van
Justitie aangewezen opsporingsambtenaren van de bijzondere
opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de
bijzondere opsporingsdiensten en buitengewone
opsporingsambtenaren.
Artikel 147
1. Naar regelen, te stellen bij
algemeenen maatregel van bestuur, kan het openbaar ministerie in het
belang van het onderzoek in strafzaken de medewerking inroepen van
personen en lichamen, welke op het gebied der reclasseering of op
dergelijk gebied werkzaam zijn, en aan deze de noodige opdrachten
geven.
2. De personen of lichamen, belast
met de uitvoering van de opdrachten, stellen de identiteit van de
verdachte vast op de wijze, bedoeld inartikel 27a, eerste lid,
eerste volzin, en tweede lid, tenzij de opdrachten in een inrichting
worden uitgevoerd.
Tweede afdeeling. De officieren van
justitie
Artikel 148
1. De officier van justitie is belast
met de opsporing van de strafbare feiten waarvan de rechtbank in het
arrondissement waarin hij is aangesteld, kennisneemt, alsmede met de
opsporing binnen het rechtsgebied van die rechtbank van de strafbare
feiten waarvan andere rechtbanken kennisnemen.
2. Hij geeft daartoe bevelen aan de
overige personen met de opsporing belast.
3. Zoo de opsporing door hem
persoonlijk geschiedt, doet hij van zijne bevinding blijken bij
proces-verbaal opgemaakt op zijn ambtseed; daarbij moeten tevens
zooveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van
wetenschap.
Artikel 148a
1. De officier van justitie bij het
landelijk parket is belast met de opsporing van de strafbare feiten,
bedoeld in artikel 9, tweede lid.
2. Artikel 148, tweede en derde lid,
is van toepassing.
Artikel 148b
1. De officier van justitie bij het
functioneel parket is belast met de opsporing van de strafbare
feiten als bedoeld in artikel 9, derde lid.
2. Artikel 148, tweede en derde lid,
is van toepassing.
Artikel 148c
De officier van justitie verleent de
advocaat-generaal op diens verzoek de nodige bijstand bij het
opsporingsonderzoek in zaken die in hoger beroep bij het gerechtshof
aanhangig zijn.
Artikel 149
Wanneer de officier van justitie kennis
heeft gekregen van een strafbaar feit met welks vervolging hij is
belast, stelt hij het noodige opsporingsonderzoek in en vordert, zoo
daartoe termen zijn, dat tot het instellen van een gerechtelijk
vooronderzoek worde overgegaan.
Artikel 149a [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De officier van justitie is
tijdens het opsporingsonderzoek verantwoordelijk voor de
samenstelling van de processtukken.
2. Tot de processtukken behoren alle
stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen
beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het
bepaalde in artikel 149b.
3. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen voorschriften worden gesteld over de wijze waarop de
processtukken worden samengesteld en ingericht.
Artikel 149b [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De officier van justitie is
bevoegd, indien hij dit met het oog op de inartikel 187d, eerste
lid, vermelde belangen noodzakelijk acht, de voeging van bepaalde
stukken of gedeelten daarvan bij de processtukken achterwege te
laten. Hij behoeft daartoe een schriftelijke machtiging, op diens
vordering te verlenen door de rechter-commissaris. De vordering en
de beschikking worden bij de processtukken gevoegd.
2. De officier van justitie doet van
de toepassing van het eerste lid en, voor zover de in artikel 187d,
eerste lid, vermelde belangen dat toelaten, de redenen waarom,
proces-verbaal opmaken. Dit proces-verbaal wordt bij de
processtukken gevoegd.
3. Zolang de zaak niet is geëindigd,
bewaart de officier van justitie de in het eerste lid bedoelde
stukken.
Artikel 150
1. De officier van justitie kan in
het belang van het onderzoek ambtshalve of op het verzoek van de
verdachte een deskundige die als deskundige is geregistreerd in het
register, bedoeld in artikel 51k, benoemen.
2. De bevoegdheid, bedoeld in het
eerste lid, komt ook toe aan de hulpofficier voor zover het
technisch onderzoek betreft, met uitzondering van de gevallen waarin
de wet anders bepaalt. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de aard van het
technisch onderzoek dat kan worden opgedragen.
Artikel 150a
1. De officier van justitie geeft aan
de verdachte schriftelijk kennis van de aan de deskundige verleende
opdracht en van tijd en plaats van het onderzoek, tenzij het belang
van het onderzoek zich daartegen verzet. De verdachte kan verzoeken
tot het doen van aanvullend onderzoek of het geven van aanwijzingen
omtrent het uit te voeren onderzoek.
2. Van de uitslag van het onderzoek
geschiedt tevens kennisgeving aan de verdachte. Zodra het belang van
het onderzoek zich niet meer verzet tegen de mededeling bedoeld in
het eerste lid, geeft de officier van justitie kennis van het
verlenen van de opdracht en de uitslag daarvan.
3. De verdachte kan naar aanleiding
van de uitslag binnen twee weken na kennisgeving daarvan om een
tegenonderzoek verzoeken. Hij geeft daarbij aan om welke redenen hij
het doen verrichten van een tegenonderzoek aangewezen acht. Hij
geeft voorts aan welke deskundige het onderzoek, dat gelijkwaardig
moet zijn aan het eerste onderzoek, zou moeten uitvoeren.
4. Geen uitstel van kennisgeving van
de uitslag vindt plaats van onderzoek dat is uitgevoerd op verzoek
van de verdachte.
Artikel 150b
1. Indien de officier van justitie
een verzoek van de verdachte tot benoeming van een deskundige of tot
het doen verrichten van een tegenonderzoek, aanvullend of volgens
bepaalde aanwijzingen uit te voeren onderzoek weigert, geeft hij
daarvan gemotiveerd kennis aan de verdachte.
2. De verdachte kan na deze weigering
binnen twee weken na de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, de
rechter-commissaris verzoeken alsnog tot benoeming van een
deskundige of uitbreiding van het onderzoek over te gaan.
3. De rechter-commissaris beslist zo
spoedig mogelijk op dit verzoek en geeft daarvan kennis aan de
verdachte en de officier van justitie.
Artikel 150c
1. Indien de officier van justitie op
grond van artikel 150a, derde lid, of de rechter-commissaris op
grond van artikel 150b, derde lid, een tegenonderzoek gelast,
verleent hij daartoe opdracht aan een deskundige. Hij doet daarvan
schriftelijk mededeling aan de verdachte.
2. De deskundige die het
tegenonderzoek verricht, wordt in staat gesteld dit uit te voeren;
hij verkrijgt daartoe toegang tot het onderzoeksmateriaal en de
desbetreffende gegevens uit het eerste onderzoek.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de
uitvoering van het onderzoek bedoeld in het eerste lid.
Artikel 151
1. De officier van justitie of de
hulpofficier is bevoegd teneinde enige plaatselijke toestand of enig
voorwerp te schouwen, met de personen door hem aangewezen, elke
plaats te betreden.
2. De officier van justitie geeft,
voorzover het belang van het onderzoek dit niet verbiedt, tijdig
schriftelijk kennis van de voorgenomen schouw aan de verdachte en
diens raadsman. De hulpofficier van justitie geeft voorts tijdig
schriftelijk kennis van de voorgenomen schouw aan de officier van
justitie.
3. De verdachte en diens raadsman
worden, voorzover het belang van het onderzoek dit niet verbiedt,
door de officier van justitie of de hulpofficier toegelaten de
schouw geheel of gedeeltelijk bij te wonen; zij kunnen verzoeken dat
zij aanwijzingen mogen doen of inlichtingen mogen geven of dat
bepaalde opmerkingen in het proces-verbaal zullen worden vermeld.
Artikel 151a
1. De officier van justitie kan, met
inachtneming van het tweede lid, ambtshalve of op verzoek van de
verdachte of diens raadsman, een deskundige, verbonden aan één van
de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria,
benoemen met de opdracht met het oog op de waarheidsvinding een
DNA-onderzoek te verrichten op basis van celmateriaal en hem een met
redenen omkleed verslag uit te brengen. Celmateriaal kan ten behoeve
van DNA-onderzoek, behoudens artikel 151b, slechts worden afgenomen
met schriftelijke toestemming van de betrokkene. Celmateriaal wordt
slechts van de verdachte afgenomen, nadat van hem een of meer
vingerafdrukken overeenkomstig dit wetboek zijn genomen en verwerkt
en zijn identiteit is vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel
27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid.
2. Indien onvoldoende celmateriaal
voor een tegenonderzoek als bedoeld in het vierde lid beschikbaar
is, stelt de officier van justitie de verdachte, indien slechts
één verdachte bekend is, in de gelegenheid een deskundige,
verbonden aan één van de aangewezen laboratoria, aan te wijzen die
het onderzoek verricht. Het vierde lid blijft buiten toepassing.
3. De officier van justitie geeft,
ingeval het onderzoek heeft plaatsgevonden aan afgenomen
celmateriaal, de onderzochte persoon zo spoedig mogelijk
schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. Indien het
onderzoek heeft plaatsgevonden aan ander celmateriaal geeft hij de
verdachte, indien deze bekend is, zodra het belang van het onderzoek
dat toelaat schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek.
Buiten het geval, bedoeld in het tweede lid, wijst hij de verdachte
daarbij op het bepaalde in het vierde en vijfde lid.
4. De verdachte kan binnen veertien
dagen nadat hem van de uitslag van het DNA-onderzoek schriftelijk is
kennisgegeven, de officier van justitie verzoeken een andere door
hem aangewezen deskundige, verbonden aan één van de bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria, te benoemen met de
opdracht een DNA-onderzoek te verrichten. De officier van justitie
willigt het verzoek in als daarvoor voldoende celmateriaal
beschikbaar is. De deskundige brengt aan de officier van justitie
een met redenen omkleed verslag uit. De eerste zin van het derde lid
is van overeenkomstige toepassing.
5. In geval van toepassing van het
vierde lid, wordt de verdachte een deel van de kosten van het
onderzoek, waarvan de hoogte bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld, in rekening gebracht indien dit onderzoek het in
opdracht van de officier van justitie verrichte onderzoek bevestigt.
6. DNA-profielen worden slechts
verwerkt voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van
strafbare feiten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
worden, het College bescherming persoonsgegevens gehoord, regels
gesteld voor het verwerken van DNA-profielen en celmateriaal.
7. De bepalingen van de vijfde
afdeling van de derde titel van het Tweede Boek zijn van
overeenkomstige toepassing, behoudens voor zover daarvan in het
eerste tot en met zesde lid is afgeweken.
8. Bij toepassing van artikel 232
blijft het vierde lid buiten toepassing.
9. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de wijze van
uitvoering van dit artikel gegeven. De voordracht voor een krachtens
de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide
kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 151b
1. De officier van justitie kan in
het belang van het onderzoek bevelen dat van de verdachte van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, tegen wie
ernstige bezwaren bestaan, celmateriaal zal worden afgenomen ten
behoeve van een DNA-onderzoek.
2. De officier van justitie geeft het
bevel niet dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld, te
worden gehoord. De verdachte is bevoegd zich bij het horen door een
raadsman te doen bijstaan.
3. Het bevel wordt ten uitvoer gelegd
door afname van wangslijmvlies. Indien afname van wangslijmvlies om
bijzondere geneeskundige redenen of vanwege het verzet van de
verdachte onwenselijk is dan wel geen geschikt celmateriaal
oplevert, wordt bloed afgenomen of worden haarwortels afgenomen, zo
nodig met behulp van de sterke arm. Het celmateriaal wordt door een
arts of een verpleegkundige afgenomen. In bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen gevallen kan het celmateriaal worden afgenomen
door een persoon die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen eisen.
4. Het bevel, onderscheidenlijk de
tenuitvoerlegging dan wel de verdere tenuitvoerlegging daarvan kan
achterwege blijven indien zich naar het oordeel van de officier van
justitie zwaarwegende redenen voordoen om het DNA-onderzoek aan
ander celmateriaal te laten plaatsvinden, dan wel de verdachte
schriftelijk toestemt in de afname van celmateriaal.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de wijze van
uitvoering van dit artikel gegeven. De voordracht voor een krachtens
de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide
kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 151c
1. Onderzoek ter bepaling van het
DNA-profiel van een bekende verdachte van een misdrijf als
omschreven in artikel 67, eerste lid, wordt behoudens zwaarwegende
redenen slechts opgedragen met betrekking tot afgenomen
celmateriaal.
2. Onderzoek ter bepaling van het
DNA-profiel van een bekende persoon die niet wordt verdacht van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, wordt slechts
opgedragen met betrekking tot afgenomen celmateriaal.
Artikel 151d
1. De officier van justitie kan
bevelen dat een DNA-onderzoek plaatsvindt dat gericht is op het
vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de
onbekende verdachte.
2. Het DNA-onderzoek kan slechts
gericht zijn op het vaststellen van het geslacht, het ras of andere
bij algemene maatregel van bestuur aangewezen uiterlijk waarneembare
persoonskenmerken.
3. De voordracht voor een krachtens
het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt
niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers
der Staten-Generaal is overgelegd.
4. Het DNA-onderzoek kan slechts
worden bevolen in geval van een misdrijf als omschreven in artikel
67, eerste lid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van
het DNA-onderzoek.
Artikel 151da [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. In afwijking van artikel 21,
vierde lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens kan de officier
van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een
DNA-onderzoek verricht wordt dat gericht is op het vaststellen van
verwantschap. Ingeval het DNA-onderzoek verricht wordt met behulp
van de DNA-profielen, die overeenkomstig dit wetboek, de Wet
bescherming persoonsgegevens en de Wet DNA-onderzoek bij
veroordeelden verwerkt zijn, kan het bevel slechts worden gegeven na
schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van
de officier van justitie. Artikel 151a, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Celmateriaal dat ingevolge dit
wetboek, de Wet bescherming persoonsgegevens of de Wet DNA-onderzoek
bij veroordeelden is afgenomen ten behoeve van het bepalen en
verwerken van een DNA-profiel, mag worden gebruikt voor het
vaststellen van verwantschap. Celmateriaal van een derde kan,
behoudens het geval, bedoeld in de volgende volzin, slechts met zijn
schriftelijke toestemming worden afgenomen en gebruikt voor het
vaststellen van verwantschap. Ingeval een derde minderjarig is en
vermoed wordt dat hij voorwerp is van een misdrijf als omschreven in
artikel 197a, 242, 243, 244, 245, 246, 247, 248, 248a, 248b, 249,
256, 273f, 278, 287, 289, 290 of 291 van het Wetboek van Strafrecht,
kan in het belang van het onderzoek celmateriaal bij de derde op
bevel van de officier van justitie na schriftelijke machtiging van
de rechter-commissaris worden afgenomen en gebruikt voor het
vaststellen van verwantschap.
3. Het DNA-onderzoek kan slechts
worden verricht in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar
de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer
is gesteld en een van de misdrijven omschreven in de artikelen 109,
110, 141, tweede lid, onder 1°, 181, onder 2°, 182, 247, 248a,
248b, 249, 281, eerste lid, onder 1°, 290, 300, tweede en derde
lid, en 301, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien een
DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 151a, eerste lid, leidt tot het
vaststellen van verwantschap, kan de officier van justitie dit
resultaat in het opsporingsonderzoek gebruiken.
4. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van
het DNA-onderzoek.
Artikel 151e
1. In geval van een misdrijf waarbij
uit aanwijzingen blijkt dat besmetting van een slachtoffer met een
bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ernstige ziekte kan
hebben plaatsgevonden, kan de officier van justitie aan de verdachte
verzoeken celmateriaal af te staan ten behoeve van een onderzoek dat
tot doel heeft vast te stellen of hij drager is van een dergelijke
ziekte. De officier van justitie kan dit verzoek tevens richten aan
een ander dan de verdachte, indien uit zodanige aanwijzingen blijkt
dat besmetting door misdrijf met behulp van het celmateriaal van die
ander is overgebracht op een slachtoffer. De verdachte en de derde
tot wie de officier van justitie zich heeft gericht, kunnen van hun
instemming met het verzoek om mee te werken aan het afnemen van
celmateriaal alleen schriftelijk doen blijken.
2. Indien degene aan wie het verzoek
is gericht, medewerking weigert, kan de officier van justitie in het
belang van het onderzoek bevelen dat van hem celmateriaal wordt
afgenomen ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in het eerste
lid. Het bevel kan slechts worden gegeven na schriftelijke
machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier
van justitie.
3. Het onderzoek, bedoeld in het
eerste of tweede lid, wordt uitgevoerd door afname van een
hoeveelheid bloed door een arts of een verpleegkundige, tenzij
aannemelijk is dat afname van bloed om bijzondere geneeskundige
redenen onwenselijk is. In dat geval wordt ander celmateriaal, dat
geschikt is voor het onderzoek, afgenomen.
4. Door een arts of een
verpleegkundige wordt zoveel celmateriaal afgenomen als voor het
onderzoek, bedoeld in het eerste of tweede lid, noodzakelijk is. Zo
nodig wordt het bevel, bedoeld in het tweede lid, met behulp van de
sterke arm ten uitvoer gelegd.
5. De officier van justitie kan
opdracht geven aan celmateriaal dat is aangetroffen ter zake van een
misdrijf als bedoeld in het eerste lid, een onderzoek als bedoeld in
het eerste lid te verrichten. De officier van justitie kan, indien
hij van oordeel is dat zich daarvoor zwaarwegende redenen voordoen
en er sprake is van een bekende verdachte opdracht geven het
onderzoek te verrichten aan ander celmateriaal dan op grond van het
eerste of tweede lid is afgenomen of in de vorige volzin bedoeld is.
Deze opdracht kan niet worden gegeven bij een bekende persoon die
niet wordt verdacht van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid.
6. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de uitvoering van
dit artikel gegeven.
Artikel 151f
1. Het onderzoek, bedoeld in artikel
151e, eerste, tweede, en vijfde lid, wordt door de officier van
justitie opgedragen aan een deskundige, verbonden aan een
laboratorium, dat op grond van het vijfde lid is aangewezen. De
deskundige brengt zo spoedig mogelijk een met redenen omkleed
verslag van zijn onderzoek uit aan de officier van justitie.
2. De officier van justitie geeft
degene wiens celmateriaal is onderzocht en het slachtoffer zo
spoedig mogelijk kennis van de uitslag van het onderzoek, bedoeld in
artikel 151e, eerste lid. Hij doet tevens mededeling van de uitslag
van het onderzoek, bedoeld in artikel 151e, vijfde lid, aan het
slachtoffer, en aan de verdachte indien diens identiteit bekend is.
Hij doet beide mededelingen alleen aan de betrokkene die daarom
heeft verzocht. Hij wijst voorts de verdachte op de mogelijkheid van
het doen verrichten van een tegenonderzoek.
3. De verdachte kan binnen veertien
dagen nadat hem de uitslag is medegedeeld de officier van justitie
verzoeken een andere door hem aangewezen deskundige, verbonden aan
een van de aangewezen laboratoria, te benoemen met de opdracht tot
het verrichten van dit onderzoek. De deskundige brengt aan de
officier van justitie een met redenen omkleed verslag uit. De
officier van justitie doet mededeling van de uitslag aan de
verdachte en aan het slachtoffer dat daarom heeft verzocht.
4. In geval van toepassing van het
derde lid wordt de verdachte een deel van de kosten van het
tegenonderzoek, waarvan de hoogte bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld, in rekening gebracht indien dit onderzoek het in
opdracht van de officier van justitie verrichte onderzoek bevestigt.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de uitvoering van
dit artikel gegeven.
Artikel 151g
1. Het slachtoffer van een misdrijf
als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, kan de officier van
justitie verzoeken het onderzoek bedoeld in artikel 151e, eerste
lid, artikel 151h, eerste lid, en artikel 151i, eerste lid, te
bevelen.
2. De officier van justitie doet
mededeling van zijn gemotiveerde beslissing op het verzoek binnen
twaalf uur nadat hij het verzoek heeft ontvangen.
3. Indien de officier van justitie
weigert aan het verzoek te voldoen, kan het slachtoffer het verzoek
indienen bij de rechter-commissaris.
Artikel 151h
1. Indien de uitslag van het
onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, negatief is, kan
de officier van justitie in het belang van het onderzoek na een
periode van drie tot zes maanden na de eerste test opnieuw aan de
verdachte verzoeken celmateriaal af te staan. Als de verdachte zijn
medewerking weigert, kan het bevel tot medewerking slechts worden
gegeven na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op
vordering van de officier van justitie.
2. Indien de verdachte zijn
medewerking aan dit onderzoek weigert, kan de officier van justitie
zijn aanhouding bevelen. Artikel 55, tweede lid, enartikel 151e,
derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Zodra het
monster is afgenomen, maar uiterlijk binnen zes uur na aanhouding,
wordt de verdachte in vrijheid gesteld.
3. Artikel 151f, tweede tot en met
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de uitvoering van
dit artikel gegeven.
Artikel 151i
1. Indien de uitslag van het in
artikel 151e, eerste of vijfde lid, of artikel 151h, eerste lid,
bedoelde onderzoek positief is en nadien blijkt dat het slachtoffer
met dezelfde ziekte is besmet, kan de officier van justitie een
deskundige, verbonden aan een ingevolge het derde lid aangewezen
laboratorium, benoemen met de opdracht om het bewaarde celmateriaal
te onderzoeken teneinde vast te stellen of de besmetting
daadwerkelijk is overgedragen, en hem een met redenen omkleed
verslag uit te brengen.
2. Artikel 151f, tweede tot en met
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de uitvoering van
dit artikel gegeven.
Derde afdeeling. Overige ambtenaren met
de opsporing belast
Artikel 152
De ambtenaren, bedoeld in de artikelen
141 en 142, maken ten spoedigste proces-verbaal op van het door hen
opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is
verricht of bevonden.
Artikel 153
1. Het proces-verbaal wordt door hen
opgemaakt op hun ambtseed of, voor zover zij die niet hebben
afgelegd, door hen binnen tweemaal vier en twintig uren beëedigd
voor een hulpofficier van justitie die daarvan een verklaring op het
proces-verbaal stelt.
2. Het wordt door hen persoonlijk
opgemaakt, gedagtekend en ondertekend; daarbij moeten tevens zoveel
mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.
Met een ondertekend proces-verbaal wordt gelijkgesteld een
proces-verbaal dat langs elektronische weg is opgemaakt en
verzonden, mits dit voldoet aan de bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur gestelde eisen.
Artikel 154
Ter plaatse waar en binnen de grenzen
binnen welke zij bevoegd zijn tot opsporing, zijn hulpofficier van
justitie:
a. de door Onze Minister van
Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de
uitvoering van de politietaak, en de bijzondere ambtenaren van
politie;
b. de officieren van de Koninklijke
marechaussee;
c. de door Onze Minister van
Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie
aangewezen onderofficieren van de Koninklijke marechaussee;
d. de door Onze Minister van
Justitie aangewezen opsporingsambtenaren van de bijzondere
opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de
bijzondere opsporingsdiensten en buitengewone
opsporingsambtenaren.
Artikel 155
De hulpofficieren van justitie bij de
onderdelen a en b van artikel 154 vermeld, doen de processen-verbaal,
bij hen ingekomen of door hen opgemaakt, en de inbeslaggenomen
voorwerpen onverwijld toekomen aan de officier van justitie.
Artikel 156
1. De hulpofficieren van justitie bij
de onderdelen c en d van artikel 154 vermeld en de ambtenaren,
bedoeld bij artikel 141, die geen hulpofficier van justitie zijn,
doen hun processen-verbaal, de aangiften of berichten ter zake van
strafbare feiten, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld
toekomen aan de hulpofficier van justitie, bedoeld bij artikel 155,
onder wiens rechtstreeks bevel of toezicht zij staan voor zover Onze
Minister van Justitie niet anders bepaalt.
2. De officier van justitie kan in
bijzondere gevallen gelasten, dat een en ander hem, in afwijking van
het voorafgaande lid, rechtstreeks zal worden toegezonden.
Artikel 157
Onverminderd het bepaalde in bijzondere
wetten doen de personen bedoeld bij artikel 142 hun processen-verbaal,
de aangiften of berichten ter zake van strafbare feiten, met de
inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de officier van
justitie, voor zover Onze Minister van Justitie niet anders bepaalt.
Artikel 158 [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 159
Na overeenkomstig de voorgaande drie
artikelen te hebben gehandeld, wachten de hulpofficieren van justitie
en de overige opsporingsambtenaren de nadere bevelen van de officier
van justitie af; gedoogt het belang van het onderzoek zodanig
afwachten niet, dan zetten zij het onderzoek inmiddels voort en winnen
zij de narichten in, die de zaak tot meer klaarheid kunnen brengen.
Van dit onderzoek en de ingewonnen narichten doen zij blijken bij
proces-verbaal, waarmede zij handelen overeenkomstig de artikelen 155,
156 of 157.
Vierde afdeeling. Aangiften en klachten
Artikel 160
1. Ieder die kennis draagt van een
der misdrijven omschreven in de artikelen 92-110 van het Wetboek van
Strafrecht, in Titel VII van het Tweede Boek van dat Wetboek, voor
zoover daardoor levensgevaar is veroorzaakt, of in de artikelen 287
tot en met 294 en 296 van dat wetboek, van menschenroof of van
verkrachting, is verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij
een opsporingsambtenaar.
2. De bepaling van het eerste lid is
niet van toepassing op hem die door de aangifte gevaar zou doen
ontstaan voor eene vervolging van zichzelven of van iemand bij wiens
vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen
verschoonen.
3. Evenzoo is ieder die kennis draagt
dat iemand gevangen gehouden wordt op eene plaats die niet wettig
daarvoor bestemd is, verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen
bij een opsporingsambtenaar.
Artikel 161
Ieder die kennis draagt van een begaan
strafbaar feit is bevoegd daarvan aangifte of klachte te doen.
Artikel 162
1. Openbare colleges en ambtenaren
die in de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een
misdrijf met de opsporing waarvan zij niet zijn belast, zijn
verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen, met afgifte van de
tot de zaak betrekkelijke stukken, aan de officier van justitie of
aan een van zijn hulpofficieren,
a. indien het misdrijf is een
ambtsmisdrijf als bedoeld in titel XXVIII van het Tweede Boek
van het Wetboek van Strafrecht, dan wel
b. indien het misdrijf is begaan
door een ambtenaar die daarbij een bijzondere ambtsplicht heeft
geschonden of daarbij gebruik heeft gemaakt van macht,
gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, dan wel
c. indien door het misdrijf
inbreuk op of onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van een
regeling waarvan de uitvoering of de zorg voor de naleving aan
hen is opgedragen.
2. Zij verschaffen de officier van
justitie of de door deze aangewezen hulpofficier desgevraagd alle
inlichtingen omtrent strafbare feiten met de opsporing waarvan zij
niet zijn belast en die in de uitoefening van hun bediening te
hunner kennis zijn gekomen.
3. De bepalingen van het eerste en
tweede lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar die door het
doen van aangifte of het verschaffen van inlichtingen gevaar zou
doen ontstaan voor een vervolging van zich zelf of van iemand bij
wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen
verschonen.
4. Gelijke verplichtingen rusten op
rechtspersonen of organen van rechtspersonen wier taken en
bevoegdheden zijn omschreven bij of krachtens de wet, voor zover
daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven in het
belang van een goede uitvoering van dit artikel.
6. De aangifte van misdrijven,
bedoeld in het eerste lid onder c, kan in overleg met de officier
van justitie en met inachtneming van de voorschriften, als bedoeld
in het vorige lid, nader worden beperkt.
7. De voordracht voor een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde of vijfde lid, wordt
niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Nederlandse Staatscourant is
bekend gemaakt en sedert de dag waarop de bekendmaking is geschied
twee maanden verstreken zijn.
Artikel 163
1. De aangifte van eenig strafbaar
feit geschiedt mondeling of schriftelijk bij den bevoegden
ambtenaar, hetzij door den aangever in persoon, hetzij door een
ander, daartoe door hem van eene bijzondere schriftelijke volmacht
voorzien.
2. De mondelinge aangifte wordt door
den ambtenaar die haar ontvangt, in geschrifte gesteld en na
voorlezing door hem met den aangever of diens gemachtigde
onderteekend. Indien deze niet kan teekenen, wordt de reden van het
beletsel vermeld.
3. De schriftelijke aangifte wordt
door den aangever of diens gemachtigde onderteekend. Met een
ondertekende aangifte wordt gelijkgesteld de aangifte die langs
elektronische weg is gedaan, mits deze voldoet aan de bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen beperkingen worden aangebracht
in de gevallen waarin aangifte langs elektronische weg kan worden
gedaan.
4. Op zijn verzoek ontvangt de
aangever een kopie van de aangifte dan wel een kopie van het
proces-verbaal van aangifte.
5. De schriftelijke volmacht, of, zoo
zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift
daarvan, wordt aan de akte gehecht.
6. Tot het ontvangen van de aangiften
bedoeld in de artikelen 160 en 161, zijn de opsporingsambtenaren, en
tot het ontvangen van de aangiften bedoeld in artikel 162, de
daarbij genoemde ambtenaren verplicht.
7. Artikel 155 is van toepassing.
Artikel 164
1. Bij strafbare feiten alleen op
klachte vervolgbaar, geschiedt deze klachte mondeling of
schriftelijk bij den bevoegden ambtenaar, hetzij door den tot de
klachte gerechtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door
hem van eene bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. De klachte
bestaat in eene aangifte met verzoek tot vervolging.
2. Artikel 163, tweede lid, derde lid
– met uitzondering van de tweede en derde volzin – en vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 165
1. Tot het ontvangen der klachte is
elke officier van justitie en elke hulpofficier van justitie bevoegd
en verplicht.
2. Artikel 155 is van toepassing.
Artikel 165a
Indien de klacht krachtens artikel 65,
eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht door de wettige
vertegenwoordiger van een minderjarige die twaalf jaren of ouder is of
van een onder curatele gestelde is geschied, gaat het openbaar
ministerie niet tot vervolging over dan na de vertegenwoordigde
persoon, zo deze in Nederland verblijft, in de gelegenheid te hebben
gesteld zijn mening omtrent de wenselijkheid van vervolging kenbaar te
maken, althans na deze daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen, tenzij
dit in verband met de lichamelijke of geestelijke toestand van de
minderjarige of de onder curatele gestelde niet mogelijk of niet
wenselijk is.
Artikel 166
1. De intrekking der klachte
geschiedt bij de ambtenaren, op de wijze en in den vorm voor het
doen der klachte bij de artikelen 163, 164 en 165 bepaald.
2. Artikel 155 is van toepassing.
Artikel 166a
1. Is de tot de klachte gerechtigde
het hoofd of een lid van de regering van een bevriende staat in de
zin van artikel 87a van het Wetboek van Strafrecht, of iemand die
krachtens artikel 65 van dat wetboek in zijn plaats treedt, dan kan
de klachte geschieden in de vorm van een door die staat langs de
diplomatieke weg gedaan verzoek om strafvervolging.
2. Wanneer de diplomatieke weg
overeenkomstig het voorgaande lid is gevolgd, kan de klachte langs
dezelfde weg worden ingetrokken, zulks - in afwijking van artikel 67
van het Wetboek van Strafrecht - binnen dertig dagen na de
indiening.
3. Voor de geldigheid van de
indiening en van de intrekking, overeenkomstig de voorgaande leden
van dit artikel, is niet vereist dat de tot de klachte gerechtigde
daarmede persoonlijk instemt.
4. De dag waarop het verzoek om
strafvervolging, dan wel de intrekking van dat verzoek, ter kennis
van de Nederlandse regering is gebracht, geldt als datum van
ontvangst van de klachte, onderscheidenlijk van de intrekking
daarvan.
Vijfde afdeeling. Beslissingen omtrent
vervolging
Artikel 167
1. Indien naar aanleiding van het
ingestelde opsporingsonderzoek het openbaar ministerie van oordeel
is dat vervolging moet plaats hebben, door het uitvaardigen van een
strafbeschikking of anderszins, gaat het daartoe zoo spoedig
mogelijk over.
2. Van vervolging kan worden afgezien
op gronden aan het algemeen belang ontleend. Het openbaar ministerie
kan, onder het stellen van bepaalde voorwaarden, de beslissing of
vervolging plaats moet hebben voor een daarbij te bepalen termijn
uitstellen.
Artikel 167a
Terzake van een misdrijf, omschreven in
artikel 245, 247, 248a, 248d of 248e van het Wetboek van Strafrecht en
gepleegd ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaren of ouder
is, stelt het openbaar ministerie de minderjarige zo mogelijk in de
gelegenheid zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken.
Titel II. De rechter-commissaris belast
met de behandeling van strafzaken
Artikel 168 [Vervallen per 01-07-1992]
Artikel 169 [Vervallen per 01-07-1992]
Artikel 170
In elke rechtbank zijn
rechters-commissarissen, belast met de behandeling van strafzaken.
Artikel 171
1. De rechter-commissaris wordt bij
zijne verrichtingen bijgestaan door den griffier.
2. Bij verhindering of ontstentenis
van dezen kan de rechter-commissaris in dringende gevallen een
persoon aanwijzen, ten einde voor bepaald aan te wijzen
verrichtingen als griffier op te treden. Deze plaatsvervangende
griffier wordt vóór den aanvang zijner werkzaamheden door den
rechter-commissaris beëedigd dat hij zijne taak naar behooren zal
vervullen.
Artikel 172
1. De rechter-commissaris doet door
den griffier een nauwkeurig proces-verbaal opmaken van hetgeen bij
het onderzoek is verklaard, verricht en voorgevallen of door hem is
waargenomen; daarbij moeten tevens zooveel mogelijk uitdrukkelijk
worden opgegeven de redenen van wetenschap.
2. Indien dit tot recht verstand van
eene verklaring of om andere redenen gewenscht is, of indien de
verdachte, getuige of deskundige of de raadsman dit verlangt, doet
hij ook de vraag naar aanleiding waarvan de verklaring is afgelegd,
in het proces-verbaal opnemen.
3. Indien de verdachte, getuige of
deskundige of de raadsman verlangt dat eenige opgave in de eigen
woorden zal worden opgenomen, geschiedt dat, voor zoover de opgave
redelijke grenzen niet overschrijdt, zooveel mogelijk.
Artikel 173
Geene vragen worden gedaan welke de
strekking hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan
worden dat zij in vrijheid zijn afgelegd.
Artikel 174
1. Iedere getuige, deskundige of
verdachte onderteekent zijne verklaring, nadat die hem is
voorgelezen of door hem is gelezen, en hij verklaard heeft daarbij
te volharden.
2. Bij gebreke van onderteekening
wordt de weigering of de oorzaak van het beletsel vermeld.
Artikel 175
1. Tusschen de regels van het
proces-verbaal wordt niet geschreven.
2. De doorhalingen en verwijzingen
worden onderteekend of gewaarmerkt door den rechter-commissaris en
den griffier, en door hem op wiens verklaring de doorhaling of
verwijzing betrekking heeft. Bij gebreke van onderteekening of
waarmerking wordt de weigering of de oorzaak van het beletsel
vermeld.
3. Hetgeen in strijd met dit artikel
in het proces-verbaal is opgenomen, is van onwaarde.
4. Het proces-verbaal wordt door de
rechter-commissaris en de griffier ondertekend.
Artikel 176
De rechter-commissaris kan ambtshalve,
op vordering van de officier van justitie of verzoek van de verdachte,
een of meer deskundigen benoemen op de wijze bepaald in artikelen 227
tot en met 232. Het verzoek van de verdachte om benoeming van een
deskundige geldt als een verzoek op grond van artikel 36a.
Artikel 177
1. De rechter-commissaris kan, zoveel
mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, in het
belang van het onderzoek, het doen van nasporingen opdragen en
bevelen geven aan de ambtenaren genoemd in artikel 141 onder b,c en
d en aan de personen genoemd in artikel 142, eerste lid.
2. De rechter-commissaris heeft
gelijke bevoegdheid als in artikel 147 aan het openbaar ministerie
is toegekend. Artikel 147, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 177a
In geval ter zake van een feit waarop
een gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft, opsporing geschiedt,
draagt de officier van justitie zorg dat de rechter-commissaris
hieromtrent ten spoedigste wordt ingelicht en aan deze de
desbetreffende processtukken worden toegezonden.
Artikel 177b
1. Het slachtoffer van een misdrijf
als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, kan aan de
rechter-commissaris schriftelijk verzoeken om een onderzoek als
bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, artikel 151h, eerste
lid, of artikel 151i, eerste lid, nadat dit door de officier van
justitie is geweigerd.
2. De rechter-commissaris stelt de
officier van justitie, het slachtoffer en degene ten aanzien van wie
onderzoek wordt verlangd in de gelegenheid te worden gehoord.
3. Het slachtoffer kan zich doen
bijstaan of zich doen vertegenwoordigen door een advocaat indien
deze verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
4. De rechter-commissaris beslist zo
spoedig mogelijk; hij weigert het verzoek van het slachtoffer of
wijst het toe en beveelt het onderzoek bedoeld in artikel 151e,
eerste of vijfde lid, artikel 151h, eerste lid, of artikel 151i,
eerste lid.
5. Artikel 151f is van
overeenkomstige toepassing nadat het bevel is gegeven.
Artikel 178
Indien bij afwezigheid van den officier
van justitie gedurende het onderzoek eenig strafbaar feit wordt
begaan, doet de rechter-commissaris daarvan een proces-verbaal opmaken
en dat toekomen aan het bevoegde openbaar ministerie. Hij kan tevens,
in de gevallen en op de gronden in de artikelen 67 en 67a vermeld,
ambtshalve een bevel van bewaring tegen den verdachte uitvaardigen. De
bepalingen van de tweede afdeeling van den Vierden Titel van het
Eerste Boek zijn dan van toepassing.
Artikel 178a
1. De rechter-commissaris, bevoegd
tot het doen van enig onderzoek, kan een bepaalde
onderzoekshandeling ook binnen het rechtsgebied van een andere
rechtbank verrichten of doen verrichten. Hij brengt in dat geval
zijn ambtgenoot hiervan tijdig op de hoogte.
2. Bij dringende noodzakelijkheid kan
de rechter-commissaris een bepaalde onderzoekshandeling overdragen
aan de rechter-commissaris bij de rechtbank binnen welker
rechtsgebied zij moet plaatshebben.
3. De rechter-commissaris in de
rechtbank te Rotterdam is bij uitsluiting bevoegd tot het geven van
bevelen en het verrichten of doen verrichten van
onderzoekshandelingen als omschreven in de artikelen 226m tot en met
226s, ook binnen het rechtsgebied van een andere rechtbank.
4. Ten aanzien van een
onderzoekshandeling bedoeld in het tweede en derde lid vinden de
bepalingen van de tweede tot en met de vijfde en de achtste afdeling
van de Derde Titel van dit Boek overeenkomstige toepassing.
Artikel 179
Indien gedurende of na het gerechtelijk
vooronderzoek de rechter- commissaris onbevoegd blijkt te zijn, blijft
niettemin het gevoerde onderzoek van kracht.
Artikel 180
1. De rechter-commissaris waakt tegen
noodelooze vertraging van het opsporingsonderzoek.
2. De rechter-commissaris kan,
ambtshalve of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman,
zich de processtukken doen overleggen en de onverwijlde of spoedige
beëindiging van het opsporingsonderzoek bevelen.
Titel III. Gang van het gerechtelijk
vooronderzoek
Eerste afdeeling. De vordering van den
officier van justitie
Artikel 181
1. Indien de officier van justitie
overeenkomstig de bepaling van artikel 149 ten aanzien van een
strafbaar feit een gerechtelijk vooronderzoek noodig acht, vordert
hij dat door den rechter-commissaris onverwijld daartoe zal worden
overgegaan.
2. In de vordering wordt het feit
omschreven zoo nauwkeurig als in dezen stand der zaak mogelijk is.
3. Die vordering of, zoo de verdachte
eerst later bekend wordt, eene onverwijld in te dienen nadere
vordering wijst den verdachte aan.
Artikel 182
1. De officier van justitie dient ook
eene nadere vordering in, zoodra het gerechtelijk vooronderzoek tot
andere strafbare feiten moet worden uitgebreid, en, zoodra het
belang van het onderzoek de indiening toelaat, wanneer eene meer
nauwkeurige omschrijving van het feit mogelijk is geworden.
2. Zoodra de rechter-commissaris, al
of niet na verzoek van den verdachte, oordeelt dat eene nadere
vordering noodig is, geeft hij daarvan schriftelijk kennis aan den
officier van justitie.
Artikel 183
1. De rechter-commissaris deelt den
officier van justitie de stukken van het gerechtelijk vooronderzoek
mede, zoo dikwijls deze dit verlangt.
2. Indien de medegedeelde stukken den
officier van justitie daartoe aanleiding geven, doet hij de
vereischte vorderingen tot nader onderzoek.
Artikel 184
Indien de rechter-commissaris oordeelt,
dat tot het gerechtelijk vooronderzoek geen grond bestaat, verklaart
hij dit bij een met redenen omklede beschikking.
Tweede afdeeling. Instellen van het
gerechtelijk vooronderzoek
Artikel 185
Indien tot het instellen van het
onderzoek wordt overgegaan, worden zoo spoedig en zoo dikwijls het
belang der zaak dit vordert, verdachten, getuigen en deskundigen
gehoord.
Artikel 186
1. De officier van justitie is
bevoegd de verhoren van de rechter-commissaris bij te wonen.
2. De rechter-commissaris stelt de
officier van justitie in de gelegenheid bij de verhoren tegenwoordig
te zijn, zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
3. De officier van justitie kan de
vragen opgeven die hij gesteld wenst te zien.
Artikel 186a
1. De raadsman is bevoegd de verhoren
van de rechter-commissaris bij te wonen, tenzij het belang van het
onderzoek dit verbiedt.
2. De rechter-commissaris kan, indien
hij dit in het belang van het onderzoek wenselijk acht, ook de
verdachte in de gelegenheid stellen het verhoor van een getuige of
deskundige bij te wonen.
3. Artikel 186, tweede en derde lid,
is ten aanzien van de raadsman en de verdachte van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 187
1. Indien gegrond vermoeden bestaat
dat de getuige of deskundige niet ter terechtzitting zal kunnen
verschijnen of dat de gezondheid of het welzijn van de getuige of
deskundige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting
in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder
weegt dan het belang om de getuige of deskundige ter terechtzitting
te kunnen ondervragen, nodigt de rechter-commissaris de officier van
justitie en de verdachte tot bijwoning van het verhoor uit, tenzij
het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor gedoogt.
2. De rechter-commissaris kan bevelen
dat de verdachte de plaats van verhoor zal verlaten, opdat een
getuige of deskundige buiten zijn tegenwoordigheid zal worden
ondervraagd. Hij kan bepalen dat de verdachte en diens raadsman het
verhoor van de getuige niet mogen bijwonen voor zover dit met het
oog op de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen strikt
noodzakelijk is. In het laatste geval is ook de officier van
justitie niet bevoegd daarbij tegenwoordig te zijn.
3. De officier van justitie, de
verdachte en diens raadsman worden, indien de getuige of deskundige
buiten hun aanwezigheid is ondervraagd, zo spoedig mogelijk
onderricht over hetgeen de getuige of deskundige heeft verklaard,
voorzover dit met de bescherming van de in artikel 187d, eerste lid,
vermelde belangen verenigbaar is.
Artikel 187a
Aan de verdachte die geen raadsman
heeft wordt op last van de rechter-commissaris onverwijld een raadsman
toegevoegd, indien die raadsman krachtens het bepaalde in artikel
186a, eerste lid, of 187 bevoegd zou zijn enig verhoor bij te wonen.
Artikel 187b
1. De rechter-commissaris kan
ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek
van de verdachte beletten dat aan enige vraag door de officier van
justitie, de verdachte of diens raadsman gedaan, gevolg wordt
gegeven.
2. Van de omstandigheid dat het
gevolg geven aan een bepaalde vraag door de rechter-commissaris is
belet, wordt in het proces-verbaal van het verhoor melding gemaakt.
Artikel 187c
Tot bijwoning van het verhoor van een
getuige of deskundige kan de rechter-commissaris bijzondere toegang
verlenen.
Artikel 187d
1. De rechter-commissaris kan hetzij
ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of
het verzoek van de verdachte of diens raadsman of de getuige
beletten dat antwoorden op vragen betreffende een bepaald gegeven
ter kennis komen van de officier van justitie, de verdachte en diens
raadsman, indien er gegrond vermoeden bestaat dat door de
openbaarmaking van dit gegeven:
a. de getuige ernstige overlast
zal ondervinden of in de uitoefening van zijn ambt of beroep
ernstig zal worden belemmerd,
b. een zwaarwegend
opsporingsbelang wordt geschaad, of
c. het belang van de
staatsveiligheid wordt geschaad.
2. De rechter-commissaris maakt in
zijn proces-verbaal melding van de redenen waarom het bepaalde in
het eerste lid toepassing heeft gevonden.
3. De rechter-commissaris neemt de
maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om onthulling van een
gegeven als in het eerste lid bedoeld, te voorkomen. Hij is daartoe
bevoegd gegevens in processtukken onvermeld te laten.
4. Ingeval de rechter-commissaris
belet dat een antwoord ter kennis komt van de officier van justitie,
de verdachte of diens raadsman, doet hij in het proces-verbaal
opnemen dat de gestelde vraag is beantwoord.
5. Hoger beroep of beroep in cassatie
is tegen een beslissing op grond van het eerste lid niet toegelaten.
Artikel 188
De rechter-commissaris neemt de noodige
maatregelen om te beletten dat de ten verhoore verschenen verdachten,
getuigen en deskundigen zich vóór of tijdens hun verhoor met
elkander onderhouden.
Artikel 189
1. De verdachten, getuigen en
deskundigen worden ieder afzonderlijk verhoord.
2. De rechter-commissaris kan hen
echter, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier
van justitie of op het verzoek van den verdachte, tegenover elkander
stellen of in elkanders tegenwoordigheid verhooren.
Artikel 190
1. De rechter-commissaris stelt de
identiteit van de verdachten, getuigen en deskundigen vast op de
wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin. De
rechter-commissaris is tevens bevoegd de identiteit van de
verdachten vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a,
tweede lid, en van de getuigen op de wijze, bedoeld in artikel 27a,
eerste lid, tweede volzin, indien over hun identiteit twijfel
bestaat. Artikel 29a, tweede lid, is ten aanzien van de getuigen van
overeenkomstige toepassing.
2. Indien de verdachte bekend is,
vraagt de rechter-commissaris de getuigen en deskundigen, of zij
bloed- of aanverwant zijn van de verdachte en zo ja, in welke graad.
3. De rechter-commissaris kan hetzij
ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of
op het verzoek van de verdachte of van de getuige, bepalen dat het
vragen naar een gegeven als bedoeld in het eerste of tweede lid,
achterwege zal worden gelaten, indien er gegrond vermoeden bestaat
dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring
overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal
worden belemmerd. De rechter-commissaris neemt de maatregelen die
redelijkerwijs nodig zijn om onthulling van dit gegeven te
voorkomen.
4. De rechter-commissaris maakt in
zijn proces-verbaal melding van de redenen waarom het bepaalde in
het derde lid toepassing heeft gevonden.
5. In geval van een verhoor van een
bedreigde getuige vinden het eerste en tweede lid geen toepassing.
6. In geval van een verhoor van een
afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden,
blijven het eerste en tweede lid buiten toepassing.
Artikel 191
1. Indien een verdachte, getuige of
deskundige de Nederlandsche taal niet verstaat, is de
rechter-commissaris bevoegd, een tolk te benoemen, die den leeftijd
van achttien jaren moet hebben bereikt.
2. Indien een verdachte of getuige
niet of slechts zeer gebrekkig hooren of spreken kan, bepaalt de
rechter-commissaris dat de vragen of de antwoorden schriftelijk
zullen geschieden.
3. Kan de in het voorgaande lid
bedoelde verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig lezen
of schrijven, dan kan de rechter-commissaris een daartoe geschikten
persoon tot tolk benoemen.
4. De tolk wordt zo nodig op bevel
van de rechter-commissaris gedagvaard en wordt beëdigd dat hij zijn
taak naar zijn geweten zal vervullen. Artikel 216a, tweede en vierde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 192
1. De rechter-commissaris kan,
ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het
verzoek van de verdachte, de bevoegdheid omschreven in artikel 150
uitoefenen.
2. De rechter-commissaris kan bepalen
dat de verdachte, de getuigen en deskundigen op de plaats zullen
worden verhoord.
3. Van het binnentreden in een woning
waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd wordt binnen
tweemaal vier en twintig uur proces-verbaal opgemaakt.
Artikel 193
1. De rechter-commissaris geeft
tijdig schriftelijk kennis van de voorgenomen schouw aan den
officier van justitie en, voor zoover het belang van het onderzoek
dit niet verbiedt, aan den verdachte.
2. De officier van justitie kan bij
iedere schouw tegenwoordig zijn. De verdachte wordt, voor zover het
belang van het onderzoek dit niet verbiedt, door de
rechter-commissaris toegelaten de schouw geheel of gedeeltelijk bij
te wonen; hij kan verzoeken dat hij aanwijzingen mag doen of
inlichtingen mag geven of dat bepaalde opmerkingen in het
proces-verbaal zullen worden vermeld.
Artikel 194 [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 195
1. De rechter-commissaris kan,
ambtshalve of op de vordering van de officier van justitie, bevelen
dat de verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan, in het belang
van het onderzoek aan zijn lichaam of kleding zal worden onderzocht.
2. De rechter-commissaris kan,
ambtshalve of op de vordering van de officier van justitie, bevelen
dat de verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan, in het belang
van het onderzoek in zijn lichaam zal worden onderzocht. Onder
onderzoek in het lichaam wordt verstaan: het uitwendig schouwen van
de openingen en holten van het onderlichaam, röntgenonderzoek,
echografie en het inwendig manueel onderzoek van de openingen en
holten van het lichaam. Het onderzoek in het lichaam wordt verricht
door een arts. Het onderzoek wordt niet ten uitvoer gelegd indien
zulks om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
3. In geval van dringende
noodzakelijkheid kan de rechter-commissaris het in het eerste lid
bedoelde bevel ook geven ten aanzien van degenen van wie wordt
vermoed dat zij sporen van het strafbare feit aan het lichaam of de
kleding dragen.
4. De in het eerste tot en met derde
lid bedoelde onderzoeken worden op een besloten plaats en, voor
zover mogelijk, door personen van hetzelfde geslacht als de te
onderzoeken persoon verricht.
5. Het bevel wordt niet gegeven dan
nadat de betrokken persoon daarover is gehoord.
Artikel 195a
1. De rechter-commissaris kan, met
inachtneming van het bepaalde in het tweede lid, ambtshalve, op
vordering van de officier van justitie of op verzoek van de
verdachte, een deskundige, verbonden aan één van de bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen laboratoria, benoemen met de
opdracht met het oog op de waarheidsvinding een DNA-onderzoek te
verrichten op basis van celmateriaal en hem een met redenen omkleed
verslag uit te brengen. Celmateriaal kan ten behoeve van
DNA-onderzoek, behoudens artikel 195d, slechts worden afgenomen met
schriftelijke toestemming van de betrokkene. Celmateriaal wordt
slechts van de verdachte afgenomen, nadat van hem een of meer
vingerafdrukken overeenkomstig dit wetboek zijn genomen en verwerkt
en zijn identiteit is vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel
27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid.
2. Indien onvoldoende celmateriaal
voor een tegenonderzoek als bedoeld in artikel 195b, eerste lid,
beschikbaar is, stelt de rechter-commissaris de verdachte, indien
slechts één verdachte bekend is, in de gelegenheid een deskundige,
verbonden aan één van de aangewezen laboratoria, aan te wijzen die
het onderzoek verricht. Artikel 195b blijft buiten toepassing.
3. De rechter-commissaris geeft,
ingeval het onderzoek heeft plaatsgevonden aan afgenomen
celmateriaal, de onderzochte persoon zo spoedig mogelijk
schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. Indien het
onderzoek heeft plaatsgevonden aan ander celmateriaal, geeft hij de
verdachte, indien deze bekend is, zodra het belang van het onderzoek
dat toelaat schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek.
Buiten het geval, bedoeld in het tweede lid, wijst hij de verdachte
daarbij op het bepaalde in artikel 195b.
4. DNA-profielen worden slechts
verwerkt voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van
strafbare feiten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
worden, het College bescherming persoonsgegevens gehoord, regels
gesteld voor het verwerken van DNA-profielen en celmateriaal.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de wijze van
uitvoering van dit artikel gegeven.
Artikel 195b
1. De verdachte kan binnen veertien
dagen nadat hem de uitslag van het DNA-onderzoek schriftelijk is
kennisgegeven, de rechter-commissaris verzoeken een andere door hem
aangewezen deskundige, verbonden aan één van de bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen laboratoria, te benoemen met de
opdracht een DNA-onderzoek te verrichten. Indien daartoe voldoende
celmateriaal beschikbaar is, willigt de rechter-commissaris het
verzoek in. De deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met
redenen omkleed verslag uit. Artikel 195a, derde lid, eerste volzin,
vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. In geval van toepassing van het
eerste lid, wordt de verdachte een deel van de kosten van het
onderzoek, waarvan de hoogte bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld, in rekening gebracht, indien dit onderzoek het in
opdracht van de rechter-commissaris verrichte onderzoek bevestigt.
3. Bij toepassing van artikel 228,
vierde lid, blijft het eerste lid buiten toepassing.
Artikel 195c
Ten aanzien van het onderzoek door
deskundigen als bedoeld in de artikelen 195a en 195b, zijn de
bepalingen van de vijfde afdeling van de derde Titel van het Tweede
Boek van overeenkomstige toepassing, behoudens voor zover daarvan in
de artikelen 195a en 195b wordt afgeweken.
Artikel 195d
1. De rechter-commissaris kan,
ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, in het
belang van het onderzoek bevelen dat van de verdachte van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, tegen wie
ernstige bezwaren bestaan, celmateriaal zal worden afgenomen ten
behoeve van een DNA-onderzoek.
2. De rechter-commissaris geeft het
bevel niet dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld, te
worden gehoord. De verdachte is bevoegd zich bij het horen door een
raadsman te doen bijstaan.
3. Het bevel wordt ten uitvoer gelegd
door afname van wangslijmvlies. Indien afname van wangslijmvlies om
bijzondere geneeskundige redenen of vanwege het verzet van de
verdachte onwenselijk is dan wel geen geschikt celmateriaal
oplevert, wordt bloed afgenomen of worden haarwortels afgenomen, zo
nodig met behulp van de sterke arm. Het celmateriaal wordt door een
arts of een verpleegkundige afgenomen. In bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen gevallen kan het celmateriaal worden afgenomen
door een persoon die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te stellen eisen.
4. Het bevel, onderscheidenlijk de
tenuitvoerlegging dan wel de verdere tenuitvoerlegging daarvan kan
achterwege blijven indien zich naar het oordeel van de
rechter-commissaris zwaarwegende redenen voordoen om het
DNA-onderzoek aan ander celmateriaal te laten plaatsvinden, dan wel
de verdachte schriftelijk toestemt in de afname van celmateriaal.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de wijze van
uitvoering van dit artikel gegeven. De voordracht voor een krachtens
de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide
kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 195e
1. Onderzoek ter bepaling van het
DNA-profiel van een bekende verdachte van een misdrijf als
omschreven in artikel 67, eerste lid, wordt behoudens zwaarwegende
redenen slechts opgedragen met betrekking tot afgenomen
celmateriaal.
2. Onderzoek ter bepaling van het
DNA-profiel van een bekende persoon die niet wordt verdacht van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, wordt slechts
opgedragen met betrekking tot afgenomen celmateriaal.
Artikel 195f
1. De rechter-commissaris kan bevelen
dat een DNA-onderzoek plaatsvindt dat gericht is op het vaststellen
van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende
verdachte.
2. Het DNA-onderzoek kan slechts
gericht zijn op het vaststellen van het geslacht, het ras of andere
bij algemene maatregel van bestuur aangewezen uiterlijk waarneembare
persoonskenmerken.
3. De voordracht voor een krachtens
het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt
niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers
der Staten-Generaal is overgelegd.
4. Het DNA-onderzoek kan slechts
worden bevolen in geval van een misdrijf als omschreven in artikel
67, eerste lid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van
het DNA-onderzoek.
Artikel 195g [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. In afwijking van artikel 21,
vierde lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens kan de
rechter-commissaris in het belang van het onderzoek bevelen dat een
DNA-onderzoek verricht wordt dat gericht is op het vaststellen van
verwantschap. Artikel 195a, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2. Celmateriaal dat ingevolge dit
wetboek, de Wet bescherming persoonsgegevens of de Wet DNA-onderzoek
bij veroordeelden is afgenomen ten behoeve van het bepalen en
verwerken van een DNA-profiel, mag worden gebruikt voor het
vaststellen van verwantschap. Celmateriaal van een derde kan,
behoudens het geval, bedoeld in de volgende volzin, slechts met zijn
schriftelijke toestemming worden afgenomen en gebruikt voor het
vaststellen van verwantschap. Ingeval een derde minderjarig is en
vermoed wordt dat hij voorwerp is van een misdrijf als omschreven in
artikel 197a, 242, 243, 244, 245, 246, 247, 248, 248a, 248b, 249,
256, 273f, 278, 287, 289, 290 of 291 van het Wetboek van Strafrecht,
kan in het belang van het onderzoek celmateriaal bij de derde op
bevel van de rechter-commissaris worden afgenomen en gebruikt voor
het vaststellen van verwantschap.
3. Het DNA-onderzoek kan slechts
worden verricht in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar
de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer
is gesteld en een van de misdrijven omschreven in de artikelen 109,
110, 141, tweede lid, onder 1°, 181, onder 2°, 182, 247, 248a,
248b, 249, 281, eerste lid, onder 1°, 290, 300, tweede en derde
lid, en 301, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien een
DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 195a, eerste lid, leidt tot het
vaststellen van verwantschap, kan de rechter-commissaris dit
resultaat in het gerechtelijk vooronderzoek gebruiken.
4. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van
het DNA-onderzoek.
Artikel 196
Indien het noodzakelijk is dat een
onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte tegen wie voorlopige
hechtenis is bevolen, zal worden ingesteld en dit niet voldoende op
een andere wijze kan plaatsvinden, beveelt de rechter-commissaris
hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van de officier van justitie of
op verzoek van de verdachte, dat de verdachte ter observatie zal
worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden psychiatrisch
ziekenhuis, bedoeld in artikel 509f, of een inrichting tot klinische
observatie bestemd.
Artikel 197
1. Het bevel, bedoeld bij artikel
196, is met redenen omkleed en wordt niet gegeven dan nadat het
oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en de verdachte
ter zake is gehoord of behoorlijk opgeroepen. De rechter-commissaris
nodigt de officier van justitie uit bij het verhoor tegenwoordig te
zijn.
2. Het bevel houdende last tot
overbrenging, en dat waarbij een daartoe strekkend verzoek van den
verdachte is afgewezen, worden dezen onverwijld beteekend.
3. De verdachte kan van die bevelen
binnen drie dagen na de beteekening in hooger beroep komen bij de
rechtbank die zoo spoedig mogelijk beslist.
4. De rechtbank kan, ook in geval van
hooger beroep van den officier van justitie, alvorens te beslissen,
door den rechter-commissaris een nader onderzoek doen instellen en
zich daartoe betrekkelijke stukken doen overleggen.
Artikel 198
1. Het verblijf in de inrichting
geldt als voorloopige hechtenis, mag den termijn van zeven weken
niet te boven gaan, en eindigt zoodra de verdachte in vrijheid moet
worden gesteld.
2. De rechter-commissaris kan, hetzij
ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of
op het verzoek van den verdachte, te allen tijde bevelen dat het
verblijf in de inrichting een einde zal nemen.
3. De Minister van Justitie wijst de
inrichtingen aan naar welke verdachten krachtens een bevel bedoeld
bij artikel 197 kunnen worden overgebracht.
Artikel 199
1. Indien den rechter-commissaris
blijkt dat bij het instellen van het gerechtelijk vooronderzoek
vormen zijn verzuimd, op straffe van nietigheid voorgeschreven,
beveelt hij, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den
officier van justitie of op het verzoek van den verdachte, zoo
mogelijk het herstel van het verzuim, onder aanwijzing van de
verrichtingen welke daartoe opnieuw zullen geschieden.
2. Bij het verzuim van vormen waarop
geen nietigheid is gesteld, kan hij op gelijke wijze bevelen dat het
verzuim worde hersteld.
3. Bij verzuim of nietigheid van eene
wettelijk voorgeschreven beteekening beveelt hij op gelijke wijze,
zoo mogelijk, dat de beteekening alsnog zal geschieden.
Derde afdeeling. Het verhoor van den
verdachte
Artikel 200
1. De rechter-commissaris doet, zoo
dikwijls hij dit noodig oordeelt, den verdachte, zoo deze in
verzekerde bewaring is, voor zich verschijnen. Hij kan de
dagvaarding van den verdachte, die in vrijheid is, bevelen.
2. De verdachte wordt zo spoedig
mogelijk na het instellen van het gerechtelijk vooronderzoek gehoord
althans behoorlijk opgeroepen. Indien het belang van het onderzoek
dit dringend vordert, kan de rechter-commissaris de verdachte op een
later tijdstip horen of oproepen. Bij het eerste verhoor deelt de
rechter-commissaris de verdachte de reden van dit uitstel mede.
3. In geen geval wordt het
gerechtelijk vooronderzoek gesloten voordat de verdachte is gehoord,
althans opgeroepen.
Artikel 201 [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 202
1. Indien de verdachte verhinderd is
te verschijnen, kan zijn verhoor geschieden op de plaats waar hij
zich ophoudt.
2. De rechter-commissaris kan daartoe
met de personen door hem aangewezen elke plaats betreden.
Artikel 203
Indien de verdachte zich ophoudt in
Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba, kan de rechter-commissaris het
verhoor opdragen aan den bevoegden rechterlijken ambtenaar aldaar.
Artikel 204
Het proces-verbaal van een verhoor van
den verdachte, hetwelk in opdracht van den rechter-commissaris heeft
plaats gevonden, wordt dezen gesloten en verzegeld toegezonden.
Artikel 205
Indien de verdachte in vrijheid is en
niet op de dagvaarding verschijnt, kan de rechter-commissaris hem
andermaal doen dagvaarden en daarbij voegen een bevel tot medebrenging
of zoodanig bevel later uitvaardigen.
Artikel 206
1. Indien dit in het belang van het
onderzoek dringend noodzakelijk is, kan de rechter-commissaris
bevelen dat de overeenkomstig het voorgaande artikel medegebrachte
verdachte gedurende ten hoogste vier en twintig uren in eene door
hem aan te wijzen plaats in verzekering zal worden gesteld.
2. Het bevel vermeldt de redenen
welke tot de inverzekeringstelling hebben geleid.
Artikel 207
1. Telkens ter gelegenheid van het
eerste verhoor van de verdachte, nadat een vordering als vermeld in
de artikelen 181 en 182 is ingekomen, wordt hem door de
rechter-commissaris een afschrift van die vordering ter hand
gesteld.
2. De rechter-commissaris kan echter
bevelen, dat de vordering reeds vóór het verhoor aan de verdachte
zal worden betekend.
Artikel 208
1. De verdachte kan schriftelijk of
bij zijn verhoor mondeling getuigen en deskundigen alsmede feiten
ten onderzoek opgeven. Bij het proces-verbaal wordt, voor zover de
opgave redelijke grenzen niet overschrijdt, van een en ander melding
gemaakt, met korte aanduiding van hetgeen de getuigen en deskundigen
volgens de opgave van de verdachte zouden kunnen verklaren.
2. Indien de rechter-commissaris
bezwaar heeft, hetzij tegen het vermelden van een en ander in het
proces-verbaal, hetzij tegen het horen van de opgegeven getuigen of
deskundigen, hetzij tegen het onderzoek naar de opgegeven feiten,
deelt hij zijn weigering om tot een of ander over te gaan, bij een
met redenen omklede schriftelijke beschikking aan de verdachte en de
officier van justitie mede.
3. De verdachte kan binnen veertien
dagen daarna tegen die weigering een bezwaarschrift indienen bij de
rechtbank die zoo spoedig mogelijk beslist.
Artikel 209
Den verdachte wordt bij zijn verhoor
mondeling mededeeling gedaan van de verklaringen van getuigen en
deskundigen, die buiten zijne tegenwoordigheid zijn gehoord, voor
zoover naar het oordeel van den rechter-commissaris het belang van het
onderzoek dit niet verbiedt. Wordt den verdachte de wetenschap van
bepaalde opgaven onthouden, dan geeft de rechter-commissaris hem dit
mondeling te kennen.
Vierde afdeeling. Het verhoor van den
getuige
Artikel 210
1. De rechter-commissaris verhoort
den getuige, wiens verhoor door hem wenschelijk wordt geoordeeld,
door den rechter wordt bevolen of door den officier van justitie
wordt gevorderd. Hij kan diens dagvaarding bevelen.
2. De officier van justitie kan bij
met redenen omklede beslissing weigeren een bevel van de
rechter-commissaris tot dagvaarding als bedoeld in het eerste lid
ten uitvoer te leggen, indien de officier van justitie de getuige
heeft toegezegd dat hij op geen andere wijze dan als bedreigde
getuige of als afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt
gehouden, zal worden gehoord. Na de weigering onverwijld en
schriftelijk ter kennis van de rechter-commissaris en de verdachte
te hebben gebracht, dient de officier van justitie, indien hij zulks
nog niet heeft gedaan, de vordering, bedoeld in artikel 226a, eerste
lid, of artikel 226m, eerste lid, in.
3. Het tweede lid blijft buiten
toepassing in geval van dagvaarding van de getuige als bedreigde
getuige of als afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt
gehouden.
Artikel 211
De artikelen 203 en 204 vinden ten
aanzien van het verhoor van getuigen, die zich in Aruba, Curaçao of
Sint Maarten dan wel in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba ophouden, overeenkomstige toepassing.
Artikel 212
1. Indien de getuige verhinderd is te
verschijnen, kan zijn verhoor geschieden op de plaats waar hij zich
ophoudt.
2. De rechter-commissaris kan daartoe
met de personen door hem aangewezen elke plaats betreden.
Artikel 213
1. Ieder die als getuige is
gedagvaard, is verplicht voor den rechter-commissaris te
verschijnen.
2. Indien de getuige niet op de
dagvaarding verschijnt, kan de rechter-commissaris hem andermaal
doen dagvaarden en daarbij voegen een bevel tot medebrenging of
zoodanig bevel later uitvaardigen.
Artikel 214
1. Indien dit in het belang van het
onderzoek dringend noodzakelijk is, kan de rechter-commissaris
bevelen dat de overeenkomstig het voorgaande artikel medegebrachte
getuige gedurende ten hoogste vier en twintig uren in eene door hem
aan te wijzen plaats in verzekering zal worden gesteld.
2. Het bevel vermeldt de redenen die
tot de inverzekeringstelling hebben geleid.
Artikel 215
De getuige verklaart de geheele
waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. De deskundige
verklaart naar waarheid en zijn geweten te verklaren.
Artikel 216
1. De rechter-commissaris beëdigt de
getuige of deskundige indien:
a. er naar zijn oordeel gegrond
vermoeden bestaat dat deze niet op de terechtzitting zal kunnen
verschijnen of dat diens gezondheid of welzijn door het afleggen
van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht,
en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om
hem ter terechtzitting te ondervragen,
b. de overlegging van beëdigde
verklaringen noodzakelijk is om de uitlevering van de verdachte
te verkrijgen;
c. een afspraak ingevolge artikel
226h, derde lid, of artikel 226k, eerste lid, rechtmatig is
geoordeeld.
2. Onverminderd de beëdiging van een
getuige op grond van het eerste lid en deartikelen 226c, tweede lid,
en 226n, tweede lid, kan de rechter-commissaris, indien hij dat
noodzakelijk acht in verband met de betrouwbaarheid van de door de
getuige af te leggen verklaring, overgaan tot beëdiging.
3. Indien de rechter-commissaris dit
buiten de gevallen bedoeld in het eerste lid, onder a en b,
noodzakelijk oordeelt, kan hij de deskundige bij zijn verhoor
beëdigen.
Artikel 216a
1. De rechter-commissaris beëdigt de
getuige dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal
zeggen.
2. Indien een getuige met gebrekkige
ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens naar het
oordeel van de rechter-commissaris, de betekenis van de eed niet
voldoende beseft, of indien de getuige de leeftijd van zestien jaar
nog niet heeft bereikt, wordt hij niet beëdigd, maar aangemaand de
gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen.
3. De rechter-commissaris beëdigt de
deskundige dat hij naar waarheid en zijn geweten zal verklaren.
4. De reden van beëdiging of
aanmaning wordt in het proces-verbaal vermeld.
Artikel 217
Van het geven van getuigenis of van het
beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich verschoonen:
1°. des verdachten of
mede-verdachten bloed- of aanverwanten in de rechte lijn;
2°. des verdachten of
mede-verdachten bloed- of aanverwanten in de zijlijn tot den
derden graad ingesloten;
3°. des verdachten of
mede-verdachten echtgenoot of eerdere echtgenoot dan wel
geregistreerde partner of eerdere geregistreerde partner.
Artikel 218
Van het geven van getuigenis of van het
beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschoonen zij die
uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding
verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan
hen als zoodanig is toevertrouwd.
Artikel 219
De getuige kan zich verschoonen van het
beantwoorden eener hem gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf
of een zijner bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de
zijlijn in den tweeden of derden graad of zijn echtgenoot of eerdere
echtgenoot dan wel geregistreerde partner of eerdere geregistreerde
partner aan het gevaar eener strafrechtelijke veroordeeling zou
blootstellen.
Artikel 219a
De getuige die uit hoofde van zijn ambt
of beroep betrokken is bij het verhoor van een bedreigde getuige of
een verhoor waarbij artikel 187d is toegepast, dan wel een daaraan
voorafgaand verhoor, kan zich verschonen van het beantwoorden van een
hem gestelde vraag, voor zover zulks ter bescherming van de in artikel
187d, eerste lid, of artikel 226a, eerste lid, genoemde belangen
noodzakelijk is.
Artikel 219b
De getuige die uit hoofde van zijn ambt
of beroep betrokken is bij het verhoor van een afgeschermde getuige,
verschoont zich van het beantwoorden van een te dien aanzien gestelde
vraag.
Artikel 220
1. De getuige legt zijne verklaring
af, zonder zich van een schriftelijk opstel te mogen bedienen.
2. De rechter-commissaris kan echter
om bijzondere redenen den getuige toestaan, bij zijne verklaring
zoodanig gebruik te maken van geschriften of schriftelijke
aanteekeningen als hij veroorloven zal.
Artikel 221
1. Indien de getuige bij zijn verhoor
zonder wettigen grond weigert op de gestelde vragen te antwoorden of
de van hem gevorderde verklaring, eed of belofte af te leggen,
beveelt de rechter-commissaris, zoo dit in het belang van het
onderzoek dringend noodzakelijk is, hetzij ambtshalve, hetzij op de
vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den
verdachte, dat de getuige in gijzeling zal worden gesteld totdat de
rechtbank daaromtrent zal hebben beslist.
2. De rechter-commissaris doet binnen
vier en twintig uren nadat de gijzeling is aangevangen, verslag aan
de rechtbank, tenzij de getuige reeds eerder uit de gijzeling mocht
zijn ontslagen. De rechtbank beveelt binnen tweemaal vier en twintig
uren daarna, na verhoor van den getuige, dat deze in gijzeling zal
worden gehouden of daaruit zal worden ontslagen.
Artikel 222
1. Het bevel der rechtbank dat de
getuige in gijzeling zal worden gehouden, is voor niet langer dan
twaalf dagen geldig.
2. De rechtbank kan echter gedurende
het gerechtelijk vooronderzoek, op verslag van den
rechter-commissaris of op de vordering van den officier van
justitie, telkens, nadat de getuige opnieuw door haar is gehoord,
dat bevel van twaalf tot twaalf dagen verlengen.
Artikel 223
1. De rechter-commissaris beveelt het
ontslag van den getuige uit de gijzeling, zoodra deze aan zijne
verplichting heeft voldaan of zijne getuigenis niet meer noodig is.
2. De rechtbank kan te allen tijde,
hetzij ambtshalve, hetzij op het verslag van den
rechter-commissaris, op de vordering van den officier van justitie
of op het verzoek van den getuige, diens ontslag uit de gijzeling
bevelen. De getuige wordt gehoord, althans opgeroepen.
3. Ingeval zijn verzoek tot ontslag
uit de gijzeling wordt afgewezen, staat den getuige binnen drie
dagen na de beteekening der beschikking hooger beroep, en na
afwijzing in hooger beroep, binnen gelijken termijn beroep in
cassatie open. De artikelen 447-455 zijn van overeenkomstige
toepassing.
4. In ieder geval gelast de officier
van justitie het ontslag uit de gijzeling zodra het gerechtelijk
vooronderzoek is gesloten of geëindigd.
Artikel 224
Alle beschikkingen waarbij gijzeling
wordt bevolen of verlengd, of waarbij een verzoek van de getuige tot
ontslag uit gijzeling wordt afgewezen, worden binnen vierentwintig uur
aan de getuige betekend.
Artikel 225
1. Gedurende de gijzeling kan de
getuige zich beraden met een advocaat binnen het rijk de praktijk
uitoefenende.
2. Deze heeft vrijen toegang tot den
getuige, kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder
dat van den inhoud door anderen wordt kennisgenomen, een en ander
onder het vereischte toezicht, met inachtneming van de
huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag
worden opgehouden.
3. De rechter-commissaris staat den
advocaat op diens verzoek toe van de processen-verbaal betreffende
de verhooren van den getuige kennis te nemen.
4. Hij kan, voor zoover het belang
van het onderzoek dit niet verbiedt, den advocaat op diens verzoek
toestaan ook van de overige processtukken kennis te nemen.
Artikel 226
1. Tenzij zij bij Koninklijk besluit
tot het afleggen van getuigenis zijn gemachtigd, worden niet als
getuigen gehoord de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning,
hun echtgenoten, en de Regent.
2. Eene regeling van vormen welke bij
het verhoor zijn in acht te nemen, wordt bij het besluit gegeven.
Vierde Afdeling A. Bedreigde getuigen
Artikel 226a
1. De rechter-commissaris beveelt
hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van
justitie of op het verzoek van de verdachte of van de getuige, dat
ter gelegenheid van het verhoor van die getuige diens identiteit
verborgen wordt gehouden, indien:
a. de getuige of een andere
persoon, met het oog op de door de getuige af te leggen
verklaring, zich zodanig bedreigd kan achten dat, naar
redelijkerwijze moet worden aangenomen, voor het leven, de
gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het
gezinsleven of het sociaal-economisch bestaan van die getuige of
die andere persoon moet worden gevreesd, en
b. de getuige te kennen heeft
gegeven wegens deze bedreiging geen verklaring te willen
afleggen.
In het andere geval wijst hij de
vordering of het verzoek af.
2. De officier van justitie, de
verdachte, en de getuige worden in de gelegenheid gesteld
daaromtrent te worden gehoord. Aan de getuige die nog geen
rechtsbijstand heeft, wordt een advocaat toegevoegd. De toevoeging
geschiedt op last van de rechter-commissaris door het bestuur van de
raad voor rechtsbijstand.
3. De rechter-commissaris gaat niet
over tot het verhoor van de getuige, zolang tegen zijn beschikking
nog hoger beroep openstaat en, zo dit is ingesteld, totdat het is
ingetrokken of daarop is beslist, tenzij het belang van het
onderzoek geen uitstel van het verhoor gedoogt. In dat geval houdt
de rechter-commissaris het proces-verbaal van verhoor van de getuige
onder zich totdat op het hoger beroep is beslist.
Artikel 226b
1. De ingevolge artikel 226a, eerste
lid, gegeven beschikking van de rechter-commissaris is met redenen
omkleed, gedagtekend en ondertekend en wordt onverwijld schriftelijk
ter kennis gebracht van de officier van justitie en betekend aan de
verdachte en de getuige, met vermelding van de termijn waarbinnen en
de wijze waarop het rechtsmiddel, dat tegen de beschikking
openstaat, moet worden ingesteld.
2. Tegen de beschikking staat voor de
officier van justitie binnen veertien dagen na de dagtekening van de
beschikking en voor de verdachte en de getuige binnen veertien dagen
na de betekening daarvan hoger beroep open bij het gerecht in
feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd.
3. Het gerecht beslist zo spoedig
mogelijk. Indien het hoger beroep tegen een overeenkomstig artikel
226a, eerste lid, gegeven bevel gegrond wordt geoordeeld en de
rechter-commissaris de getuige reeds met inachtneming van de
artikelen 226c-226f heeft verhoord, draagt de rechter-commissaris
zorg dat het proces-verbaal van verhoor van de getuige wordt
vernietigd. De rechter-commissaris maakt hiervan proces-verbaal op.
Artikel 226f is van overeenkomstige toepassing.
4. Tegen de beschikking van het
gerecht is beroep in cassatie niet toegelaten.
5. Indien in hoger beroep
onherroepelijk is beslist dat de getuige een bedreigde getuige is,
nemen de leden van het gerecht, op straffe van nietigheid, niet aan
het onderzoek ter terechtzitting deel. Artikel 21, derde lid, blijft
buiten toepassing.
Artikel 226c
1. Voorafgaand aan het verhoor van
een bedreigde getuige stelt de rechter-commissaris zich op de hoogte
van diens identiteit en vermeldt in het proces-verbaal dit te hebben
gedaan.
2. De getuige wordt overeenkomstig
het bepaalde in artikel 216 beëdigd of aangemaand.
3. De rechter-commissaris verhoort de
bedreigde getuige op een zodanige wijze dat zijn identiteit
verborgen blijft.
Artikel 226d
1. Indien het belang van het
verborgen blijven van de identiteit van de bedreigde getuige zulks
vordert, kan de rechter-commissaris bepalen dat de verdachte of
diens raadsman dan wel beiden het verhoor van de bedreigde getuige
niet mogen bijwonen. In het laatste geval is ook de officier van
justitie niet bevoegd daarbij tegenwoordig te zijn.
2. De rechter-commissaris stelt de
officier van justitie, de verdachte of diens raadsman, indien hij
het verhoor van de getuige niet heeft bijgewoond, zo spoedig
mogelijk in kennis van de inhoud van de door de getuige afgelegde
verklaring, hem de gelegenheid biedende door middel van
telecommunicatie of, indien het belang van het verborgen blijven van
de identiteit van de bedreigde getuige zulks niet verdraagt,
schriftelijk de vragen op te geven, die hij gesteld wenst te zien.
Tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor
gedoogt, kunnen vragen reeds vóór de aanvang van het verhoor
worden opgegeven.
3. Ingeval de rechter-commissaris
belet dat een door de bedreigde getuige gegeven antwoord ter kennis
komt van de officier van justitie, de verdachte of diens raadsman,
doet de rechter-commissaris in het proces-verbaal opnemen dat de
gestelde vraag door de bedreigde getuige is beantwoord.
Artikel 226e
Tijdens het verhoor onderzoekt de
rechter-commissaris de betrouwbaarheid van de bedreigde getuige en
legt daaromtrent in het proces-verbaal rekenschap af.
Artikel 226f
1. De rechter-commissaris neemt,
zoveel mogelijk in overleg met de officier van justitie, de
maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de identiteit van de
bedreigde getuige en de getuige, ten aanzien van wie een verzoek of
vordering als bedoeld in artikel 226a, eerste lid, is ingediend
zolang daaromtrent nog niet onherroepelijk is beslist, verborgen te
houden.
2. Hij is bevoegd voor dat doel in
processtukken gegevens betreffende de identiteit van de getuige
onvermeld te laten of processtukken te anonimiseren.
3. De anonimisering wordt door de
rechter-commissaris en de griffier ondertekend of gewaarmerkt.
Vierde afdeling B. Toezeggingen aan
getuigen die tevens verdachte zijn
Artikel 226g
1. De officier van justitie geeft aan
de rechter-commissaris kennis van de afspraak die hij voornemens is
te maken met een verdachte die bereid is een getuigenverklaring af
te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor de
toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen strafzaak
strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van
Strafrecht zal worden gevorderd. De afspraak heeft uitsluitend
betrekking op het afleggen van een getuigenverklaring in het kader
van een gerechtelijk vooronderzoek naar misdrijven, als omschreven
inartikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering die
gepleegd zijn in georganiseerd verband en gezien hun aard of de
samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een
ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren of naar misdrijven
waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht
jaren of meer is gesteld. De afspraak heeft uitsluitend betrekking
op strafvermindering als bedoeld in artikel 44a, tweede lid.
2. De voorgenomen afspraak is op
schrift gesteld en bevat een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving
van:
a. de misdrijven waarover en zo
mogelijk de verdachte tegen wie de getuige, bedoeld in het
eerste lid, bereid is een getuigenverklaring af te leggen;
b. de strafbare feiten waarvoor
de getuige in de zaak waarin hij zelf verdachte is, zal worden
vervolgd en op welke die toezegging betrekking heeft;
c. de voorwaarden die aan de
getuige, tevens verdachte, worden gesteld en waaraan deze bereid
is te voldoen;
d. de inhoud van de toezegging
van de officier van justitie.
3. Op vordering van de officier van
justitie toetst de rechter-commissaris de rechtmatigheid van de in
het tweede lid bedoelde afspraak. De officier van justitie verschaft
de rechter-commissaris de gegevens die hij voor de beoordeling
daarvan behoeft.
4. Van afspraken die niet worden
aangemerkt als een afspraak, bedoeld in het eerste lid, en die voor
het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, wordt
proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal wordt door de officier
van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.
Artikel 226h
1. De getuige die met de officier van
justitie overlegt over het maken van een afspraak op de voet van
artikel 226g, kan zich laten bijstaan door een advocaat. Aan de
getuige die nog geen rechtsbijstand heeft, wordt een advocaat
toegevoegd. De toevoeging geschiedt op last van de
rechter-commissaris door het bestuur van de raad voor
rechtsbijstand.
2. De rechter-commissaris hoort de
getuige, bedoeld in artikel 226g, eerste lid, over de voorgenomen
afspraak.
3. De rechter-commissaris beoordeelt
de rechtmatigheid van de afspraak; hij houdt daarbij rekening met de
dringende noodzaak en met het belang van het verkrijgen van de door
de getuige af te leggen verklaring. Hij geeft tevens een oordeel
over de betrouwbaarheid van de getuige. Hij legt zijn oordeel neer
in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt
deze tot stand.
4. De officier van justitie voegt de
processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen
worden ontleend die zijn verkregen door het maken van een afspraak
als bedoeld in artikel 226g niet bij de processtukken voordat de
rechter-commissaris de afspraak rechtmatig heeft geoordeeld.
Artikel 226i
1. De beschikking van de
rechter-commissaris op grond van artikel 226h, derde lid, is met
redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend en wordt onverwijld
schriftelijk ter kennis gebracht van de officier van justitie en de
getuige.
2. Tegen de beschikking van de
rechter-commissaris waarin de voorgenomen afspraak niet rechtmatig
wordt geoordeeld, staat voor de officier van justitie binnen
veertien dagen na dagtekening van de beschikking hoger beroep open
bij de rechtbank. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.
3. Tegen de beschikking van de
rechtbank is geen beroep in cassatie toegelaten.
Artikel 226j
1. Nadat de afspraak rechtmatig is
geoordeeld wordt de getuige bedoeld in artikel 226g, eerste lid,
door de rechter-commissaris gehoord.
2. Deze getuige kan niet worden
gehoord met toepassing van de artikelen 226a tot en met 226f.
3. Zodra het belang van het onderzoek
dat toelaat, geeft de rechter-commissaris van het totstandkomen van
de afspraak en de inhoud daarvan kennis aan de verdachte, te wiens
laste de verklaring is afgelegd, met dien verstande dat geen
mededeling behoeft te worden gedaan van de maatregelen, bedoeld in
artikel 226l.
4. De rechter-commissaris kan in het
belang van het onderzoek ambtshalve, op vordering van de officier
van justitie of op verzoek van de getuige bevelen dat de identiteit
van de getuige voor een bepaalde termijn voor de verdachte verborgen
wordt gehouden. Het bevel wordt voor de sluiting van het
gerechtelijk vooronderzoek opgeheven.
Vierde afdeling C. Toezeggingen aan
getuigen die reeds veroordeeld zijn
Artikel 226k
1. De artikelen 226g tot en met 226j
zijn van overeenkomstige toepassing indien de officier van justitie
voornemens is een afspraak te maken met een veroordeelde die bereid
is een getuigenverklaring af te leggen, in ruil voor de toezegging
van de officier van justitie dat deze bij de indiening van een
verzoekschrift om gratie een positief advies tot vermindering van de
opgelegde straf met maximaal de helft zal uitbrengen. De voorwaarden
voor het uitbrengen van een positief advies zijn dezelfde als
genoemd in artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht voor het
vorderen en toepassen van strafvermindering.
2. Bij het op schrift stellen van de
voorgenomen afspraak geldt niet het vereiste genoemd in artikel
226g, tweede lid, onder b.
Vierde afdeling D. Maatregelen tot
bescherming van getuigen
Artikel 226l
1. Onze Minister van Justitie kan op
bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke
maatregelen treffen voor de feitelijke bescherming van getuigen,
bedoeld in de artikelen 226a, 226g, 226k en 226m.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een persoon die medewerking heeft
verleend aan de met opsporing en vervolging van strafbare feiten
belaste autoriteiten, voor zover daartoe een dringende noodzaak is
ontstaan als gevolg van die medewerking en daarmee verband houdend
overheidsoptreden.
Vierde afdeling E. Afgeschermde
getuigen
Artikel 226m
1. De rechter-commissaris beveelt
hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van
justitie of op het verzoek van de verdachte of van de getuige, dat
een getuige als afgeschermde getuige wordt gehoord indien, naar
redelijkerwijze moet worden aangenomen, het belang van de
staatsveiligheid dat eist.
2. De officier van justitie, de
verdachte en de getuige worden in de gelegenheid gesteld daaromtrent
te worden gehoord.
3. De rechter-commissaris maakt in
zijn proces-verbaal melding van de redenen waarom het eerste lid
toepassing heeft gevonden.
4. Hoger beroep of beroep in cassatie
is tegen een beslissing op grond van het eerste lid niet toegelaten.
Artikel 226n
1. De rechter-commissaris beveelt
hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van
justitie of op het verzoek van de verdachte of van de getuige, dat
ter gelegenheid van het verhoor van de afgeschermde getuige diens
identiteit verborgen wordt gehouden, indien een zwaarwegend belang
van de getuige of een ander dan wel het belang van de
staatsveiligheid dat vereist. In dat geval stelt hij zich
voorafgaand aan het verhoor van de afgeschermde getuige op de hoogte
van diens identiteit en vermeldt hij in het proces-verbaal dit te
hebben gedaan.
2. De getuige wordt overeenkomstig
artikel 216 beëdigd of aangemaand.
3. Indien de rechter-commissaris het
in het eerste lid omschreven bevel geeft, hoort hij de afgeschermde
getuige op een zodanige wijze dat zijn identiteit verborgen blijft.
Artikel 226o
Tot bijwoning van het verhoor van een
afgeschermde getuige kan de rechter-commissaris bijzondere toegang
verlenen.
Artikel 226p
1. Indien een belang als bedoeld in
artikel 226n, eerste lid, dat vereist, kan de rechter-commissaris
bepalen dat de verdachte of diens raadsman dan wel beiden het
verhoor van de afgeschermde getuige niet mogen bijwonen. In het
laatste geval is ook de officier van justitie niet bevoegd daarbij
aanwezig te zijn.
2. De rechter-commissaris draagt er
zorg voor dat het proces-verbaal van verhoor van de afgeschermde
getuige geen verklaring bevat die strijdig is met een belang als
bedoeld in artikel 226n, eerste lid.
3. De rechter-commissaris verstrekt,
indien de getuige daarmee instemt, het proces-verbaal aan de
officier van justitie, de verdachte alsmede diens raadsman. De
getuige kan zijn instemming slechts onthouden indien het belang van
de staatsveiligheid dit vereist. In geval de getuige zijn instemming
onthoudt, draagt de rechter-commissaris er zorg voor dat het
proces-verbaal van verhoor en alle andere gegevens betreffende het
verhoor onverwijld worden vernietigd. De rechter-commissaris maakt
hiervan proces-verbaal op.
4. De rechter-commissaris biedt de
officier van justitie, de verdachte of diens raadsman, indien deze
het verhoor van de getuige niet heeft bijgewoond, de gelegenheid
door middel van telecommunicatie of, indien zulks zich niet
verdraagt met een belang als bedoeld in het eerste lid, schriftelijk
de vragen op te geven, die hij gesteld wenst te zien. Tenzij het
belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor gedoogt,
kunnen vragen reeds voor de aanvang van het verhoor worden
opgegeven.
5. Artikel 226d, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 226q
Tijdens het verhoor van de afgeschermde
getuige onderzoekt de rechter-commissaris de betrouwbaarheid van de
verklaring van de afgeschermde getuige en hij legt daarover in het
proces-verbaal rekenschap af.
Artikel 226r
1. De rechter-commissaris neemt,
indien hij het in artikel 226n, eerste lid, omschreven bevel geeft,
hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van de officier van justitie,
de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de identiteit van de
afgeschermde getuige en de persoon ten aanzien van wie een verzoek
of een vordering als bedoeld in artikel 226n, eerste lid, wordt
gedaan, verborgen te houden.
2. Artikel 226f, tweede en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 226s
1. De rechter-commissaris voegt,
indien de afgeschermde getuige daarmee instemt, het proces-verbaal
van verhoor bij de processtukken.
2. Artikel 226p, derde lid, is,
behoudens de eerste volzin, van overeenkomstige toepassing.
Vijfde afdeeling. Deskundigen
Artikel 227
1. De rechter-commissaris kan in het
belang van het onderzoek ambtshalve, op vordering van de officier
van justitie of op verzoek van de verdachte, een of meer deskundigen
benoemen.
2. Bij het verzoek van de verdachte
om een deskundige te benoemen kan hij een of meer personen als
deskundige aanbevelen. Tenzij het belang van het onderzoek zich
hiertegen verzet, kiest de rechter-commissaris een of meer der
deskundigen uit de door de verdachte aanbevolen personen.Artikel
51k, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 228
1. De rechter-commissaris geeft
kennis van zijn beslissing tot benoeming van een deskundige aan de
officier van justitie en de verdachte en van de opdracht die aan de
deskundige is verstrekt.
2. In het belang van het onderzoek
kan de rechter-commissaris ambtshalve of op vordering van de
officier van justitie de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid,
uitstellen, totdat het belang van het onderzoek zich daartegen niet
meer verzet.
3. Op vordering van de officier van
justitie of op verzoek van de verdachte kan de rechter-commissaris
aanvullend onderzoek bevelen. De rechter-commissaris doet daarvan
mededeling aan de deskundige, de officier van justitie en de
verdachte.
4. De verdachte aan wie van de
opdracht aan de deskundige kennis is gegeven, is bevoegd zijnerzijds
een deskundige aan te wijzen, die het recht heeft bij het onderzoek
van de deskundige tegenwoordig te zijn, daarbij de nodige
aanwijzingen te doen en opmerkingen te maken. Hij doet daarvan
binnen een week na de dagtekening van de mededeling op grond van het
eerste lid, opgave aan de rechter-commissaris en de officier van
justitie.
Artikel 229
1. De deskundige kan zich voor het
uitbrengen van zijn rapport ter verheldering van zijn opdracht
wenden tot de rechter-commissaris. Van zijn antwoord daarop doet de
rechter-commissaris mededeling aan de officier van justitie en de
verdachte. De rechter-commissaris kan eveneens een mondeling
onderhoud gelasten met de deskundige. Hij stelt de officier van
justitie en de verdachte in de gelegenheid daarbij tegenwoordig te
zijn.
2. In het belang van het onderzoek
kan de mededeling aan de verdachte bedoeld in het eerste lid, worden
uitgesteld; om dezelfde reden kan de rechter-commissaris afzien van
de mogelijkheid van aanwezigheid van officier van justitie en
verdachte bij het onderhoud met de deskundige.
Artikel 230
1. Nadat de deskundige zijn rapport
aan de rechter-commissaris heeft ingezonden, doet de
rechter-commissaris daarvan een kopie toekomen aan de officier van
justitie en de verdachte. Artikel 228, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. De verdachte aan wie van de
uitslag van het onderzoek is kennis gegeven, is bevoegd een
deskundige aan te wijzen, die het recht heeft het toegezonden
verslag te onderzoeken.
Artikel 231
1. Ingeval het rapport van de
deskundige daartoe aanleiding geeft, kan de rechter-commissaris,
ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het
verzoek van de verdachte, nader onderzoek opdragen aan dezelfde
deskundige dan wel onderzoek aan een of meer andere deskundigen
opdragen. De artikelen 229 en 230 zijn van overeenkomstige
toepassing.
2. De rechter-commissaris verstrekt
aan de op grond van het eerste lid benoemde nieuwe deskundige een
kopie van het verslag.
Artikel 232
De rechter-commissaris kan de
deskundige ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op
verzoek van de verdachte horen. De rechter-commissaris kan zijn
dagvaarding bevelen. Ten aanzien van de deskundige en zijn verhoor
vinden de artikelen 211 tot en met 213overeenkomstige toepassing.
Artikel 233 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 234 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 235 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 236
De rechter-commissaris kan den
deskundigen geheimhouding opleggen.
Zesde afdeeling. Sluiting van het
gerechtelijk vooronderzoek
Artikel 237
1. Indien de rechter-commissaris
oordeelt dat het gerechtelijk vooronderzoek is voltooid of dat tot
voortzetting daarvan geen grond bestaat, sluit hij het onderzoek bij
een beschikking, waarin de reden der sluiting is vermeld.
2. De rechter-commissaris doet deze
beschikking toekomen aan de officier van justitie en, indien deze
bekend is, aan de verdachte.
Artikel 238
Indien de officier van justitie aan de
rechter-commissaris schriftelijk mededeelt dat van verdere vervolging
wordt afgezien, eindigt het gerechtelijk vooronderzoek.
Artikel 239 [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 240
1. Indien in de zaak een bevel
krachtens de artikelen 12-13 is gevraagd of gegeven, doet de
officier van justitie een mededeling overeenkomstig artikel 238 niet
dan nadat daarin is bewilligd door het gerechtshof binnen welks
rechtsgebied de vervolging is ingesteld.
2. De officier van justitie doet te
dien einde de processtukken, vergezeld van een verslag houdende de
gronden voor zoodanige mededeeling, toekomen aan het gerechtshof.
Zevende afdeeling. Handelingen van de
rechter-commissaris na de sluiting of beëindiging van het
gerechtelijk vooronderzoek
Artikel 241
1. Indien het gerechtelijk
vooronderzoek is gesloten of geëindigd, doch het onderzoek op de
terechtzitting nog niet is aangevangen, kan de rechter-commissaris
op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van
de verdachte, gehoord de officier van justitie, nader onderzoek
verrichten.
2. De vordering onderscheidenlijk het
verzoek wordt schriftelijk gedaan, behelst een opgave van de
handelingen van onderzoek die door de rechter-commissaris dienen te
worden verricht, en is met redenen omkleed.
3. De rechter-commissaris beslist zo
spoedig mogelijk. De beschikking, die in geval van afwijzing van het
verzoek met redenen is omkleed, wordt schriftelijk ter kennis van de
officier van justitie en de verdachte gebracht.
4. Tegen de beslissing van de
rechter-commissaris op de vordering van de officier van justitie of
het verzoek van de verdachte staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 241a
1. In geval van een toewijzing van de
vordering of het verzoek, bedoeld in artikel 241, eerste lid, stelt
de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk het onderzoek in of doet
hij dat onderzoek instellen.
2. Het onderzoek geldt als een
gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de bepalingen van
de tweede tot en met de vijfde en de achtste afdeling van de Derde
Titel van het Tweede Boek gevoerd.
3. Van de beëindiging van het
onderzoek wordt door de rechter-commissaris aan de officier van
justitie en de verdachte schriftelijk kennis gegeven.
Achtste afdeling. Bevoegdheden van de
raadsman
Artikel 241b
Elke bevoegdheid aan de verdachte bij
deze Titel toegekend komt mede toe aan diens raadsman.
Negende afdeling. Geen beroep in
cassatie voor het openbaar ministerie
Artikel 241c
In afwijking van artikel 446, tweede
lid, staat voor het openbaar ministerie tegen een beschikking van de
rechtbank, gegeven in hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van
de rechter-commissaris, waarbij een krachtens deze Titel genomen
vordering niet is toegewezen, geen beroep in cassatie open.
Titel IV. Beslissingen omtrent verdere
vervolging
Artikel 242
1. Indien naar aanleiding van het
ingestelde voorbereidende onderzoek het openbaar ministerie van
oordeel is dat verdere vervolging moet plaats hebben, door het
uitvaardigen van een strafbeschikking of anderszins, gaat het
daartoe zoo spoedig mogelijk over.
2. Zoolang het onderzoek op de
terechtzitting nog niet is aangevangen, kan van verdere vervolging
worden afgezien, ook op gronden aan het algemeen belang ontleend.
Artikel 243
1. In geval van de mededeeling
genoemd in artikel 238 doet de officier van justitie den verdachte
onverwijld kennis geven dat hij hem ter zake van het feit waarop het
gerechtelijk vooronderzoek betrekking had, niet verder zal
vervolgen.
2. Indien terzake van het feit aan de
verdachte een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een mededeling
als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, onderdeel a, van de
Algemene wet bestuursrecht is verzonden, heeft dit dezelfde
rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging, met
dien verstande dat artikel 245a niet van toepassing is.
Artikel 244
1. Indien een gerechtelijk
vooronderzoek heeft plaatsgehad, doet de officier van justitie,
buiten het geval van artikel 243, uiterlijk binnen twee maanden
nadat het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, hetzij de
verdachte kennis geven dat hij hem ter zake van het feit waarop dat
onderzoek betrekking had, niet verder zal vervolgen, of dat in
verband met dat onderzoek tot verdere vervolging van enig bepaald
omschreven feit zal worden overgegaan, hetzij de verdachte
dagvaarden ter terechtzitting, hetzij de verdachte een
strafbeschikking uitreiken of toezenden.
2. De termijn kan op de vordering van
den officier van justitie door de rechtbank telkens voor een
bepaalden tijd worden verlengd. Indien de officier van justitie het
gerechtshof ingevolge artikel 246, derde lid, om bewilliging heeft
verzocht, wordt de termijn van rechtswege verlengd tot en met de
veertiende dag, nadat het gerechtshof op het verzoek heeft beslist.
3. De officier van justitie kan, op
het verzoek van den verdachte, en al dan niet onder het stellen van
bepaalde voorwaarden, voor het doen van kennisgeving overeenkomstig
het eerste lid een bepaalden langeren termijn nemen.
4. Indien de officier van justitie
voorwaarden stelt betreffende het gedrag van de verdachte, stelt hij
tevens als voorwaarde dat de verdachte ten behoeve van het
vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen
van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage
aanbiedt. Bij het begeleiden bij de naleving van de voorwaarden
wordt de identiteit van de verdachte vastgesteld op de wijze,
bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid.
Artikel 245
1. Indien een gerechtelijk
vooronderzoek niet heeft plaats gehad, doch voorloopige hechtenis is
toegepast, doet de officier van justitie, zoodra de zaak tot
klaarheid is gebracht, hetzij den verdachte kennis geven dat hij hem
ter zake van het feit, waarvoor de voorloopige hechtenis is
toegepast, niet verder zal vervolgen, of dat tot verdere vervolging
van eenig bepaald omschreven feit zal worden overgegaan, hetzij hem
dagvaarden ter terechtzitting, hetzij hem een strafbeschikking
uitreiken of toezenden.
2. De rechtbank stelt, op het verzoek
van den verdachte, den officier van justitie een termijn binnen
welken deze tot kennisgeving, dagvaarding of het uitvaardigen van
een strafbeschikking overeenkomstig de bepaling van het voorgaande
lid moet overgaan.
3. De laatste twee leden van het
voorgaande artikel zijn van toepassing.
4. De verplichting tot kennisgeving,
dagvaarding of het uitvaardigen van een strafbeschikking vervalt,
indien binnen den gestelden of verlengden termijn een gerechtelijk
vooronderzoek is geopend.
Artikel 245a
1. Kennisgevingen van verdere
vervolging en van niet verdere vervolging worden aan de verdachte
betekend.
2. De officier van justitie doet in
geval van vervolging wegens misdrijf aan de rechtstreeks
belanghebbende die hem bekend is, onverwijld schriftelijk mededeling
van de kennisgeving van niet verdere vervolging.
Artikel 246
1. Door eene kennisgeving van niet
verdere vervolging eindigt de zaak.
2. Ingeval van onbevoegdheid der
rechtbank kan het onderzoek echter voor een ander gerecht worden
voortgezet. Zulks is eveneens mogelijk indien de zaak wordt verenigd
met een strafzaak welke voor een andere rechtbank in onderzoek is.
3. Indien in de zaak een bevel
krachtens de artikelen 12-13 is gevraagd of gegeven, blijft een
kennisgeving van niet verdere vervolging achterwege, tenzij daaraan
een mededeling overeenkomstig artikel 238 is voorafgegaan of in de
kennisgeving is bewilligd door het gerechtshof binnen welks
rechtsgebied de vervolging is ingesteld. Artikel 240, tweede lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 247
Indien de zaak niet verder wordt
vervolgd op grond van:
a. onbevoegdheid van de rechtbank
tot kennisneming van het feit,
b. vereniging met een strafzaak
welke voor een andere rechtbank in onderzoek is,
c. niet-ontvankelijkheid van de
officier van justitie,
d. niet-strafbaarheid van het feit
of van de verdachte,
e. onvoldoende aanwijzing van
schuld,
wordt van die grond in de kennisgeving
melding gemaakt.
Artikel 248
Bij eene kennisgeving van verdere
vervolging wordt de verdachte opmerkzaam gemaakt op de voorschriften
van de artikelen 250, eerste lid, en 250a, eerste lid.
Artikel 249 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 250
1. Behoudens het bepaalde bij artikel
250a, eerste lid, kan de verdachte tegen de kennisgeving van verdere
vervolging binnen acht dagen na de betekening een bezwaarschrift
indienen bij de rechtbank. Het bezwaarschrift is met redenen
omkleed. Indien op het tijdstip waartegen de verdachte is gedagvaard
op het gehele bezwaarschrift nog niet onherroepelijk is beslist,
stelt de rechtbank de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting
voor bepaalde of onbepaalde tijd uit. Behoudens ingeval de verdachte
ten aanzien van de gehele tenlastelegging buiten vervolging is
gesteld, wordt de verdachte, met verwijzing naar de inhoud van de
dagvaarding, opgeroepen en worden de getuigen, deskundigen en tolken
opnieuw gedagvaard of opgeroepen voor de dag van de terechtzitting
bepaald, zodra op het gehele bezwaarschrift onherroepelijk is
beslist. De artikelen 260, behoudens voorzover daarin is
voorgeschreven dat de verdachte op het voorschrift van artikel 262,
eerste lid, opmerkzaam wordt gemaakt, 263 en 265 zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. De rechtbank kan, alvorens te
beslissen, door den rechter-commissaris een onderzoek doen instellen
en zich de daartoe betrekkelijke stukken doen overleggen. Dit
onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt
overeenkomstig de bepalingen van de tweede tot en met de vijfde en
achtste afdeeling van den Derden Titel van dit Boek gevoerd.
3. Indien het feit niet tot de
kennisneming der rechtbank behoort, verklaart zij zich onbevoegd.
4. Is de officier van justitie niet
ontvankelijk, het feit waarop de kennisgeving van verdere vervolging
betrekking had, of de verdachte niet strafbaar, of onvoldoende
aanwijzing van schuld aanwezig, dan stelt zij de verdachte ten
aanzien van de gehele tenlastelegging of voor een bij de beschikking
nader aan te duiden gedeelte van de tenlastelegging buiten
vervolging.
5. In alle andere gevallen verklaart
de rechtbank hetzij de verdachte niet-ontvankelijk hetzij het
bezwaarschrift ongegrond, zo nodig onder aanduiding van de
wijzigingen die in de tenlastelegging moeten worden aangebracht.
6. Indien de beschikking tot
onbevoegdverklaring of buitenvervolgingstelling ten aanzien van de
gehele tenlastelegging onherroepelijk is geworden, vervalt een reeds
uitgebrachte dagvaarding. Indien de beschikking tot
onbevoegdverklaring of buitenvervolgstelling ten aanzien van een
gedeelte van de tenlastelegging onherroepelijk is geworden, moet de
tenlastelegging in overeenstemming met die beschikking worden
gebracht.
Artikel 250a
1. Tegen de kennisgeving van verdere
vervolging, die is gedaan na een bevel krachtens artikel 12i, eerste
lid, is een bezwaarschrift niet toegelaten, tenzij nieuwe feiten of
omstandigheden bekend zijn geworden.
2. Indien de rechtbank na
kennisneming van het bezwaarschrift als in het voorgaande lid
bedoeld de verdachte ten aanzien van de gehele tenlastelegging of
ten aanzien van een gedeelte van de tenlastelegging buiten
vervolging heeft gesteld, zendt de griffier van de rechtbank de
beschikking en de overige op de zaak betrekking hebbende stukken
binnen drie dagen aan het gerechtshof, dat het bevel tot vervolging
heeft gegeven.
3. Het gerechtshof bevestigt de
beschikking van de rechtbank, hetzij met gehele of gedeeltelijke
overneming, hetzij met verbetering der gronden, of doet, met gehele
of gedeeltelijke vernietiging van de beschikking, wat de rechtbank
had behoren te doen.
4. Het gerechtshof beslist zo spoedig
mogelijk. Aan de beschikking van de rechtbank wordt geen gevolg
gegeven, zolang het gerechtshof niet heeft beslist.
5. In het geval bedoeld in het tweede
lid blijft artikel 252, eerste lid, buiten toepassing.
Artikel 251 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 252
1. In geval van onbevoegdverklaring
of buitenvervolgingstelling staat voor het openbaar ministerie
binnen veertien dagen na de beschikking hoger beroep bij het
gerechtshof en daarna beroep in cassatie open.
2. Tegen de beschikking van het
gerechtshof staat voor de verdachte binnen veertien dagen na de
betekening van die beschikking beroep in cassatie open.
3. Het gerechtshof en de Hoge Raad
beslissen zo spoedig mogelijk.
Artikel 253
1. Indien de officier van justitie
heeft kennis gegeven de zaak verder te zullen vervolgen, doet hij de
verdachte zo spoedig mogelijk dagvaarden ter terechtzitting. Ziet de
officier van justitie alsnog van verdere vervolging af, dan doet hij
de verdachte onverwijld kennis geven dat hij hem ter zake van het
feit waarop de kennisgeving van verdere vervolging betrekking had,
niet verder zal vervolgen.
2. Indien de officier van justitie in
gebreke blijft tot dagvaarding over te gaan, kan hem op verzoek van
den verdachte door de rechtbank een termijn worden gesteld binnen
welken, hetzij tot dagvaarding, hetzij tot kennisgeving van niet
verdere vervolging moet worden overgegaan.
3. De termijn kan op de vordering van
den officier van justitie door de rechtbank telkens voor een
bepaalden tijd worden verlengd.
Artikel 254
Alle rechterlijke beslissingen
ingevolge deze titel genomen, met uitzondering van die bedoeld in
artikel 250, vijfde en zesde lid, worden aan de verdachte betekend.
Artikel 255
1. De verdachte kan na zijn
buitenvervolgingstelling, na de hem betekende beschikking, houdende
verklaring dat de zaak geëindigd is, of na de hem betekende
kennisgeving van niet verdere vervolging, in het laatste geval
behoudens artikel 12i of artikel 246, ter zake van hetzelfde feit
niet opnieuw in rechten worden betrokken tenzij nieuwe bezwaren
bekend zijn geworden.
2. Als nieuwe bezwaren kunnen enkel
worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van den verdachte en
stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke later zijn bekend
geworden of niet zijn onderzocht.
3. In dat geval kan de verdachte niet
ter terechtzitting van de rechtbank worden gedagvaard, dan na een
ter zake dier nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk vooronderzoek.
4. Bij verzuim van een termijn voor
verdere vervolging of kennisgeving van niet verdere vervolging kan
de verdachte ter zake van hetzelfde feit niet weder in rechten
worden betrokken dan onder de voorwaarden, in de voorgaande leden
bepaald. Echter kan het gerecht, voor hetwelk de zaak het laatst
werd vervolgd, op de vordering van het openbaar ministerie, dit
alsnog éénmaal een nieuwen termijn stellen, indien het algemeen
belang dat dringend eischt. Artikel 244, tweede lid, is van
toepassing.
5. Verzuim van een termijn voor
verdere vervolging of kennisgeving van niet verdere vervolging wordt
niet aanwezig geacht, indien eene tijdig uitgebrachte dagvaarding om
ter terechtzitting te verschijnen, vervalt of wordt ingetrokken of
nietig verklaard.
Artikel 255a
1. Indien tegen de verdachte een
strafbeschikking is uitgevaardigd die volledig ten uitvoer is
gelegd, kan hij, behoudens het bepaalde bij artikel 12i, ter zake
van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing indien de officier van justitie een
strafbeschikking intrekt.
3. Indien de verdachte wegens een in
een strafbeschikking vermeld feit wordt gedagvaard, is de
strafbeschikking niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar. De
tenuitvoerlegging die reeds is aangevangen, wordt geschorst of
opgeschort.
Slotbepalingen betreffende het
voorbereidend onderzoek
Artikel 256
1. Indien aan de rechtbank blijkt dat
bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd of verzuim of
nietigheid van eene wettelijke voorgeschreven beteekening heeft
plaats gehad, is artikel 199 van overeenkomstige toepassing.
2. Is het onderzoek op de
terechtzitting aangevangen, dan kan, behoudens het bepaalde bij
artikel 257, verzuim van vormen bij het voorbereidende onderzoek
niet meer tot nietigheid leiden.
Artikel 257
Bij verzuim of nietigheid van de bij
artikel 254 voorgeschreven betekening van de beschikking van het
gerechtshof, bedoeld in artikel 252, tweede lid, wordt op het verzoek
van de verdachte, mits gedaan onmiddellijk na de ondervraging, bedoeld
in artikel 273, eerste lid, de dagvaarding waarbij hij ter
terechtzitting is opgeroepen, nietig verklaard.
Titel IVa. Vervolging door een
strafbeschikking
Eerste afdeling. De strafbeschikking
Artikel 257a
1. De officier van justitie kan,
indien hij vaststelt dat een overtreding is begaan dan wel een
misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is
gesteld van niet meer dan zes jaar, een strafbeschikking
uitvaardigen.
2. De volgende straffen en
maatregelen kunnen worden opgelegd:
a. een taakstraf van ten hoogste
honderdtachtig uren;
b. een geldboete;
c. onttrekking aan het verkeer;
d. de verplichting tot betaling
aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer;
e. ontzegging van de bevoegdheid
tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste zes
maanden.
3. Voorts kan de strafbeschikking
aanwijzingen bevatten waaraan de verdachte moet voldoen. De
aanwijzingen mogen de vrijheid van de verdachte zijn godsdienst of
levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet
beperken. Zij kunnen inhouden:
a. afstand van voorwerpen die in
beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of
onttrekking aan het verkeer;
b. uitlevering, of voldoening aan
de staat van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar
zijn voor verbeurdverklaring;
c. voldoening aan de staat van
een geldbedrag of overdracht van in beslag genomen voorwerpen
ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het ingevolge artikel
36e van het Wetboek van Strafrecht voor ontneming vatbare
wederrechtelijk verkregen voordeel;
d. storting van een vast te
stellen som gelds in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten
gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van
slachtoffers van strafbare feiten te behartigen, waarbij het
bedrag niet hoger kan zijn dan de geldboete die ten hoogste voor
het feit kan worden opgelegd;
e. andere aanwijzingen, het
gedrag van de verdachte betreffend, waaraan deze gedurende een
bij de strafbeschikking te bepalen proeftijd van ten hoogste een
jaar heeft te voldoen.
4. Bij het opleggen van een taakstraf
en het geven van aanwijzingen als bedoeld in het derde lid, onder e,
geldt als voorwaarde dat de verdachte ten behoeve van het
vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen
van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage
aanbiedt.
5. Bij de tenuitvoerlegging van de
taakstraf en de begeleiding bij de naleving van de aanwijzingen,
bedoeld in het derde lid, onder e, wordt de identiteit van de
verdachte vastgesteld.
6. De strafbeschikking is
schriftelijk en vermeldt:
a. de naam en het van de
verdachte bekende adres;
b. een opgave van het feit als
bedoeld in artikel 261, eerste en tweede lid, dan wel een korte
omschrijving van de gedraging ter zake waarvan de
strafbeschikking wordt uitgevaardigd, alsmede de tijd waarop en
de plaats waar deze gedraging werd verricht;
c. het strafbare feit dat deze
gedraging oplevert;
d. de opgelegde straffen,
maatregelen en aanwijzingen;
e. de dag waarop zij is
uitgevaardigd;
f. de wijze waarop verzet kan
worden ingesteld;
g. de wijze van
tenuitvoerlegging.
Tweede afdeling. Oplegging door
opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak
belast
Artikel 257b
1. Bij algemene maatregel van bestuur
kan aan daartoe aan te wijzen opsporingsambtenaren in bij die
algemene maatregel van bestuur aangewezen zaken betreffende
overtredingen tot wederopzeggens de bevoegdheid worden verleend een
strafbeschikking uit te vaardigen waarin een geldboete wordt
opgelegd.
2. Voorts kan bij algemene maatregel
van bestuur aan daartoe aan te wijzen opsporingsambtenaren in bij
die algemene maatregel van bestuur aangewezen zaken betreffende
misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is
gesteld van niet meer dan zes jaar, welke van eenvoudige aard zijn,
begaan door personen die de leeftijd van achttien jaren hebben
bereikt, tot wederopzeggens de bevoegdheid worden verleend een
strafbeschikking uit te vaardigen waarin een geldboete van ten
hoogste € 350 wordt opgelegd.
3. De ambtenaren bekleed met de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste en tweede lid, maken hiervan
gebruik volgens richtlijnen, vast te stellen door het College van
procureurs-generaal. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
worden voorschriften gegeven met betrekking tot de aanwijzing van
opsporingsambtenaren, het toezicht op de wijze waarop zij van de hun
verleende bevoegdheden gebruik maken alsmede de intrekking van de
aanwijzing van een opsporingsambtenaar.
Artikel 257ba
1. Bij algemene maatregel van bestuur
kan aan daartoe aan te wijzen lichamen of personen, met een publieke
taak belast, binnen daarbij gestelde grenzen de bevoegdheid worden
verleend een strafbeschikking uit te vaardigen.
2. De lichamen en personen bekleed
met de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, maken hiervan gebruik
onder toezicht van en volgens richtlijnen vast te stellen door het
College van procureurs-generaal. Bij algemene maatregel van bestuur
worden voorschriften gegeven met betrekking tot het toezicht op de
wijze waarop zij van de hun verleende bevoegdheid gebruik maken
alsmede de intrekking van een verleende bevoegdheid door het College
van procureurs-generaal.
3. Het College van
procureurs-generaal stelt richtlijnen als in het tweede lid bedoeld
vast na overleg met de lichamen en personen, met een publieke taak
belast, op wier gebruik van de bevoegdheid een strafbeschikking uit
te vaardigen de richtlijn van invloed is, dan wel met organen die
deze lichamen vertegenwoordigen.
Derde afdeling. Waarborgen bij de
oplegging
Artikel 257c
1. Een strafbeschikking houdende een
taakstraf, een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te
besturen, dan wel een aanwijzing het gedrag van de verdachte
betreffend, wordt slechts uitgevaardigd indien de verdachte door de
officier van justitie is gehoord en daarbij heeft verklaard bereid
te zijn de straf te voldoen dan wel zich aan de aanwijzing te
houden. De verdachte wordt uiterlijk bij de aanvang van het horen
gewezen op de mogelijkheid om toevoeging van een raadsman te
verzoeken.
2. Een strafbeschikking houdende
betalingsverplichtingen uit hoofde van geldboete en
schadevergoedingsmaatregel, die afzonderlijk of gezamenlijk meer
belopen dan € 2000, wordt slechts uitgevaardigd indien de
verdachte, bijgestaan door een raadsman, daaraan voorafgaand is
gehoord door de officier van justitie die de strafbeschikking
uitvaardigt.
3. Van het horen van de verdachte
overeenkomstig het eerste of tweede lid wordt een schriftelijk
verslag opgemaakt. Indien de strafbeschikking afwijkt van door de
verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, worden de redenen
die tot afwijken hebben geleid aan dit verslag toegevoegd, voor
zover deze redenen niet reeds mondeling zijn opgegeven.
4. In het geval een strafbeschikking
zal worden uitgevaardigd tegen de verdachte, reikt de
opsporingsambtenaar de verdachte zo mogelijk een aankondiging van de
strafbeschikking uit. Deze aankondiging kan bij verdenking van een
overtreding die met een motorrijtuig is begaan, ook worden
achtergelaten in of aan het motorrijtuig. Het model van de
aankondiging wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
5. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen aan het opleggen en ten uitvoer leggen van straffen,
maatregelen en aanwijzingen in een strafbeschikking nadere
voorwaarden worden gesteld.
Vierde afdeling. Uitreiken en toezenden
van de strafbeschikking
Artikel 257d
1. Een afschrift van de
strafbeschikking wordt zo veel mogelijk in persoon aan de verdachte
uitgereikt. Met een uitreiking in persoon wordt gelijkgesteld de
weigering van de verdachte om het afschrift in ontvangst te nemen.
2. Indien uitreiking van het
afschrift niet in persoon plaatsvindt, wordt het afschrift
toegezonden aan het in de basisadministratie persoonsgegevens
vermelde adres van de verdachte dan wel, indien deze niet als
ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie
persoonsgegevens, aan de woon- of verblijfplaats van de verdachte.
Indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende
strafzaak aan de verhorende ambtenaar een ander adres in Nederland
heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden
toegezonden, wordt tevens een afschrift aan dat adres toegezonden.
3. Indien de verdachte een
rechtspersoon, een maatschap of vennootschap zonder
rechtspersoonlijkheid, een doelvermogen of een rederij is, kan het
afschrift worden uitgereikt aan onderscheidenlijk een bestuurder van
de rechtspersoon, een aansprakelijke vennoot, een bestuurder van het
doelvermogen, de boekhouder of een lid van de rederij, dan wel aan
een persoon die gemachtigd is het afschrift in ontvangst te nemen.
Het afschrift wordt in deze gevallen geacht in persoon aan de
verdachte uitgereikt te zijn. Indien uitreiking van het afschrift
niet op deze wijze plaatsvindt, wordt het toegezonden aan een van de
verdachte bekend adres. Als zodanig worden aangemerkt de woonplaats
van de rechtspersoon, de plaats van het kantoor van de
rechtspersoon, de maatschap of vennootschap zonder
rechtspersoonlijkheid, het doelvermogen of de rederij, alsmede het
in de basisadministratie persoonsgegevens vermelde adres van elk der
bestuurders, aansprakelijke vennoten of de boekhouder en elk der
leden van de rederij. Indien een bestuurder, aansprakelijke vennoot
of de boekhouder of een lid van de rederij bij zijn eerste verhoor
in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een ander
adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de
strafzaak kunnen worden toegezonden, wordt tevens een afschrift aan
dat adres toegezonden.
4. Toezending vindt plaats bij brief.
Toezending van strafbeschikkingen houdende betalingsverplichtingen
uit hoofde van geldboete en schadevergoedingsmaatregel die
afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen dan € 2000, geschiedt bij
aangetekende brief. Van elke uitreiking of toezending wordt
aantekening gehouden op de wijze, bij algemene maatregel van bestuur
bepaald.
5. Indien bij de officier van
justitie opgave is gedaan overeenkomstig artikel 51g, tweede lid,
wordt aan de benadeelde partij een afschrift van de strafbeschikking
toegezonden. Voorts wordt een afschrift toegezonden aan de
rechtstreeks belanghebbende die de officier van justitie bekend is.
Vijfde afdeling. Het doen van verzet
Artikel 257e
1. Tegen een strafbeschikking kan de
verdachte verzet doen binnen veertien dagen nadat het afschrift in
persoon aan hem is uitgereikt, dan wel zich anderszins een
omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de
strafbeschikking hem bekend is. Onverminderd de vorige zin kan tegen
een strafbeschikking waarin een geldboete van niet meer dan € 340
is opgelegd, wegens een overtreding welke ten hoogste vier maanden
voor toezending is gepleegd, verzet worden gedaan tot uiterlijk zes
weken na toezending. Verzet kan niet worden gedaan indien de
verdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe door
vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Verzet kan voorts
niet worden gedaan indien de verdachte, bijgestaan door een
raadsman, schriftelijk afstand heeft gedaan van de bevoegdheid
daartoe.
2. Het verzet wordt gedaan bij het
parket dat in de strafbeschikking vermeld wordt. Wordt het verzet
gedaan bij een ander parket, dan wordt het doorgeleid naar een
officier van justitie die het verzet bij een bevoegde rechter
aanhangig kan maken.
3. Het verzet kan door de verdachte,
een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn
gevolmachtigd, alsmede een bij bijzondere volmacht schriftelijk
gemachtigde in persoon op het parket worden gedaan. In dat geval kan
aanstonds een oproeping van de verdachte worden betekend om tegen
een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen voor de
behandeling van het verzet. De verdachte alsmede een advocaat die
verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd kunnen
schriftelijk verzet doen bij een aan de officier van justitie
gerichte, ondertekende brief. Op de brief wordt onverwijld dag en
uur van ontvangst aangetekend. Zij wordt bij de processtukken
gevoegd.
4. Bij het verzet worden opgegeven de
naam van de verdachte, alsmede een nauwkeurige aanduiding of kopie
van de strafbeschikking waartegen het verzet zich richt. De
verdachte kan een adres in Nederland opgeven waaraan mededelingen
over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Bij het verzet kunnen
schriftelijk bezwaren tegen de strafbeschikking worden opgegeven.
5. Van het doen van verzet wordt door
het openbaar ministerie een akte opgemaakt. Indien het verzet in
persoon wordt gedaan, wordt de akte mede ondertekend door degene die
het doet. Indien deze niet kan tekenen, wordt de oorzaak van het
beletsel vermeld. De bijzondere volmacht, in het derde lid vermeld,
wordt aan de akte gehecht. De akte wordt bij de processtukken
gevoegd.
6. Van ieder verzet wordt dadelijk
aantekening gedaan in een daartoe bestemd register hetwelk door
belanghebbenden kan worden ingezien. Indien het verzet in persoon
wordt gedaan, wordt desgevraagd terstond een kopie van de akte
uitgereikt.
7. Uiterlijk tot de aanvang van de
behandeling van het verzet ter terechtzitting kan degene die het
heeft gedaan, dat intrekken. Deze intrekking brengt mede afstand van
de bevoegdheid om het rechtsmiddel opnieuw aan te wenden. Intrekking
geschiedt met overeenkomstige toepassing van het tweede tot en met
zesde lid.
8. De strafbeschikking kan
schriftelijk worden ingetrokken of gewijzigd door een officier van
justitie die bevoegd is om een daartegen gedaan verzet ter kennis
van de rechtbank of de kantonrechter te brengen. Een wijziging
waardoor de feitsomschrijving niet langer hetzelfde feit, in de zin
van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht, zou inhouden, is niet
toegestaan. Een afschrift van de beschikking waarbij de
strafbeschikking wordt ingetrokken of gewijzigd wordt aan de
verdachte uitgereikt of aan hem toegezonden met overeenkomstige
toepassing van artikel 257d, tweede en derde lid. Indien de
verdachte bij het doen van verzet een ander adres heeft opgegeven,
wordt een afschrift aan dat adres toegezonden en blijft toezending
aan het bij het eerste verhoor opgegeven adres achterwege. Tegen een
gewijzigde strafbeschikking kan verzet worden gedaan met
overeenkomstige toepassing van het tweede tot en met zesde lid. Een
reeds gedaan verzet wordt geacht te zijn gericht tegen de gewijzigde
strafbeschikking, tenzij vrijwillig aan de gewijzigde
strafbeschikking wordt voldaan.
Zesde afdeling. De behandeling van het
verzet
Artikel 257f
1. De officier van justitie brengt,
tenzij hij de strafbeschikking intrekt, het verzet en de
processtukken ter kennis van de rechtbank. Hij roept de verdachte
voor de terechtzitting op; tussen de dag waarop de oproeping aan de
verdachte is betekend en die der terechtzitting moeten ten minste
tien dagen verlopen. Artikel 265, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing. Indien bij het verzet een adres in Nederland is
opgegeven dat afwijkt van het adres waar de verdachte als ingezetene
is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, wordt een
afschrift van de oproeping aan het opgegeven adres toegezonden,
tenzij de oproeping inmiddels aan de verdachte in persoon is
uitgereikt.
2. Bij gebreke van een betekening
overeenkomstig het eerste lid, wordt door de rechter de oproeping
tegen een nieuwe rechtsdag bevolen, tenzij de verdachte is
verschenen. In dit laatste geval wordt, indien de verdachte in het
belang van zijn verdediging uitstel verzoekt, het onderzoek voor
bepaalde tijd geschorst.
3. De behandeling der zaak vindt
plaats overeenkomstig de zesde, zevende ofachtste titel van het
Tweede Boek. De omschrijving van de gedraging in de oproeping wordt
daarbij als tenlastelegging aangemerkt. Deze is gelijk aan de korte
omschrijving van de gedraging in de strafbeschikking of betreft een
opgave van hetzelfde feit die aan de eisen van artikel 261, eerste
en tweede lid, beantwoordt. In afwijking in zoverre van artikel 349,
eerste lid, kan de nietigheid van de oproeping worden uitgesproken.
4. Indien het verzet niet tijdig of
onbevoegdelijk is gedaan dan wel niet aan de vereisten van artikel
257e, vierde lid, is voldaan, wordt het niet ontvankelijk verklaard.
Indien de rechter de niet-ontvankelijkheid van het openbaar
ministerie uitspreekt, dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat
van alle rechtsvervolging of veroordeelt, vernietigt hij de
strafbeschikking.
Zevende afdeling. De tenuitvoerlegging
Artikel 257g
1. De tenuitvoerlegging van de
strafbeschikking kan eerst geschieden veertien dagen na de
uitreiking in persoon of toezending van het afschrift van de
strafbeschikking, tenzij afstand wordt gedaan van de bevoegdheid
verzet te doen.
2. Door verzet tegen de
strafbeschikking wordt de tenuitvoerlegging geschorst of opgeschort,
tenzij naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat
het verzet na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is
gedaan. Bij de behandeling van het verzet kan de rechter op verzoek
van de verdachte bepalen dat de tenuitvoerlegging van de
strafbeschikking dient te worden geschorst of opgeschort. De
schorsing of opschorting van de tenuitvoerlegging neemt een einde
indien het verzet niet ontvankelijk wordt verklaard.
Achtste afdeling. Openbaarheid
Artikel 257h
1. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen categorieën strafbeschikkingen ter zake van misdrijven
worden aangewezen die op daarbij te bepalen wijze openbaar worden
gemaakt.
2. De officier van justitie verstrekt
desgevraagd een afschrift van een strafbeschikking aan ieder ander
dan de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het
oordeel van de officier van justitie ter bescherming van de belangen
van degene ten aanzien van wie de strafbeschikking is uitgevaardigd
of van de derden die in de strafbeschikking worden genoemd, geheel
of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan
de officier van justitie een geanonimiseerd afschrift van de
strafbeschikking verstrekken.
3. Indien binnen veertien dagen geen
afschrift dan wel een geanonimiseerd afschrift wordt verstrekt, kan
de verzoeker een klaagschrift indienen bij de officier van justitie,
die het klaagschrift en de processtukken onverwijld ter kennis
brengt van de rechtbank. De procesdeelnemers zijn, in afwijking van
artikel 23, vierde lid, niet bevoegd van de inhoud van de
processtukken kennis te nemen dan voorzover de rechtbank zulks
toestaat.
Titel V. Aanhangig maken der zaak ter
terechtzitting
Artikel 258
1. De zaak wordt ter terechtzitting
aanhangig gemaakt door eene dagvaarding vanwege den officier van
justitie aan den verdachte beteekend; het rechtsgeding neemt
hierdoor een aanvang.
2. Dagvaarding kan geschieden ook al
is het gerechtelijk vooronderzoek nog niet gesloten. Van de
dagvaarding geeft de officier van justitie in dat geval schriftelijk
kennis aan de rechter-commissaris. Door deze kennisgeving eindigt
het gerechtelijk vooronderzoek. De artikelen 237-240 en 244 vinden
alsdan geen toepassing.
3. Indien eene kennisgeving van
verdere vervolging is voorafgegaan, moet de omschrijving van het
feit in de dagvaarding, op straffe van nietigheid, overeenstemmen
met de omschrijving van het feit in de kennisgeving, met dien
verstande dat de omschrijving van het feit in de dagvaarding
overeenkomstig de door de rechtbank na een ongegrondverklaring van
het bezwaarschrift gegeven aanduiding moet worden gewijzigd.
4. Indien ten aanzien van eenig
telastegelegd feit eene kennisgeving van verdere vervolging is
voorafgegaan, wordt dit in de dagvaarding vermeld.
5. De voorzitter der rechtbank
bepaalt, op het verzoek en de voordracht van den officier van
justitie, den dag der terechtzitting. Hij kan, bij het bepalen van
de dag der terechtzitting of nadien, bevelen dat de verdachte in
persoon zal verschijnen; hij kan daartoe tevens zijn medebrenging
gelasten. De voorzitter kan ook de medebrenging gelasten van de
getuige van wie op grond van feiten en omstandigheden aannemelijk is
dat hij niet voornemens is gevolg te geven aan een oproep om ter
terechtzitting te verschijnen. Voorts kan de voorzitter van de
rechtbank de officier van justitie bevelen, nader omschreven
onderzoek te verrichten of doen verrichten, alsmede bescheiden of
stukken van overtuiging over te leggen.
Artikel 259
Strafbare feiten welke op dezelfde
terechtzitting worden aangebracht en waartusschen verband bestaat of
welke door denzelfden persoon zijn begaan, worden gevoegd aan de
kennisneming van de rechtbank onderworpen, indien dit in het belang
van het onderzoek is.
Artikel 260
1. De officier is bevoegd getuigen,
slachtoffers of hun nabestaanden, deskundigen en tolken ter
terechtzitting schriftelijk te doen oproepen.
2. Indien het slachtoffer of een
nabestaande als bedoeld in artikel 51e, tweede lid, schriftelijk
verzoekt om oproeping voor de uitoefening van het spreekrecht
bedoeld in artikel 51e, geeft de officier van justitie daaraan
gehoor.
3. Bij de dagvaarding van de
verdachte wordt opgave gedaan van de naam, het beroep en de woon- of
verblijfplaats, of bij onbekendheid daarvan de aanduiding van de
getuigen en deskundigen die door de officier van justitie zijn
opgeroepen. Ook van de oproeping van het slachtoffer of een
nabestaande voor de uitoefening van het spreekrecht, van de
benadeelde partij voor zover dit nog niet op de voet van artikel
51g, tweede lid, is geschied en van een tolk wordt opgave gedaan.
4. Aan de verdachte wordt daarbij
kenbaar gemaakt dat hij het recht heeft getuigen en deskundigen
schriftelijk te doen oproepen of op de terechtzitting mede te
brengen; hij wordt daarbij tevens opmerkzaam gemaakt op de
voorschriften van de artikelen 262, eerste lid, 263, tweede en derde
lid, en 278, tweede lid.
Artikel 261
1. De dagvaarding behelst een opgave
van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks
welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn; verder vermeldt
zij de wettelijke voorschriften waarbij het feit is strafbaar
gesteld.
2. Zij behelst tevens de vermelding
van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.
3. Wanneer de verdachte zich in
voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming
of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur niet meer kan worden
verlengd op grond van artikel 66, derde lid, kan voor de opgave van
het feit worden volstaan met de omschrijving die in dat bevel is
gegeven.
Artikel 262
1. Tegen de dagvaarding, voor zoover
deze betreft een feit ten aanzien waarvan eene kennisgeving van
verdere vervolging niet is voorafgegaan, kan de verdachte binnen
acht dagen na de beteekening een bezwaarschrift indienen bij de
rechtbank.
2. De artikelen 250-255 en 257 zijn
van overeenkomstige toepassing.
3. Zolang de in artikel 250, eerste
lid, of de in het eerste lid van dit artikel gestelde termijn niet
is verstreken, kan de rechtbank alleen met toestemming van de
verdachte het onderzoek op de terechtzitting een aanvang doen nemen.
Door het geven van toestemming doet de verdachte tevens afstand van
het recht om een bezwaarschrift in te dienen. In het andere geval
stelt de rechtbank de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting
voor bepaalde of onbepaalde tijd uit.
Artikel 262a [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. In geval van onbevoegdverklaring
of buitenvervolgingstelling staat voor het openbaar ministerie
binnen veertien dagen na de beschikking hoger beroep bij het
gerechtshof en daarna beroep in cassatie open.
2. Tegen de beschikking van het
gerechtshof staat voor de verdachte binnen veertien dagen na de
betekening van die beschikking beroep in cassatie open.
3. Het gerechtshof en de Hoge Raad
beslissen zo spoedig mogelijk.
Artikel 263
1. De verdachte is bevoegd getuigen
en deskundigen ter terechtzitting te doen oproepen. De verdachte die
de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst, kan de officier
van justitie verzoeken om bijstand van een tolk op de
terechtzitting.
2. Hij geeft deze daartoe, indien
tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en
die der terechtzitting ten minste veertien dagen verlopen, ten
minste tien dagen voor de terechtzitting aan de officier van
justitie op. Indien de dagvaarding later dan op de veertiende dag
voor de terechtzitting wordt betekend, eindigt de termijn op de
vierde dag na die der betekening, doch uiterlijk op de derde dag
voor die der terechtzitting.
3. Opgave geschiedt in persoon ten
parkette van de officier van justitie of schriftelijk. Schriftelijke
opgave is gericht aan de officier van justitie. Bij schriftelijke
opgave anders dan bij aangetekende brief verzekert de verdachte zich
ervan dat deze de opgave tijdig heeft ontvangen. Hij vermeldt de
namen, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of, bij
onbekendheid van een of ander, duidt hij hen zo nauwkeurig mogelijk
aan. Bij schriftelijke opgave geldt de dag van ontvangst van de
brief, welke onverwijld daarop wordt aangetekend, als dag van
opgave.
4. De voorzitter der rechtbank kan de
officier van justitie bevelen getuigen en deskundigen ter
terechtzitting te doen oproepen. De opgave geschiedt schriftelijk,
onder vermelding van de namen, het beroep en de woon- of
verblijfplaats, of, bij onbekendheid van een of ander, een zo
nauwkeurig mogelijke aanduiding van de getuige of deskundige.
5. De officier van justitie doet de
getuigen of deskundigen, opgegeven met inachtneming van de
voorgaande leden, onverwijld oproepen. De oproeping wordt onverwijld
schriftelijk ter kennis gebracht van de rechtbank en de verdachte.
Artikel 264
1. De officier van justitie kan bij
een met redenen omklede beslissing een door de verdachte of de
voorzitter der rechtbank opgegeven getuige of deskundige weigeren te
doen oproepen, indien hij:
a. het onaannemelijk acht dat de
getuige of de deskundige binnen een aanvaardbare termijn ter
terechtzitting zal verschijnen;
b. van oordeel is dat de
gezondheid of het welzijn van de getuige of deskundige door het
afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt
gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het
belang om de getuige of deskundige ter terechtzitting te kunnen
ondervragen;
c. van oordeel is dat daardoor
redelijkerwijs de verdachte niet in zijn verdediging wordt
geschaad.
2. De officier van justitie kan bij
een met redenen omklede beslissing een door de verdachte of de
voorzitter der rechtbank opgegeven getuige of deskundige weigeren te
doen oproepen of weigeren een door de rechtbank gegeven bevel tot
oproeping van de getuige ten uitvoer te leggen:
a. indien de getuige een
bedreigde getuige is of een afgeschermde getuige wiens
identiteit verborgen is gehouden, dan wel
b. indien de officier van
justitie de getuige heeft toegezegd dat hij op geen andere wijze
zal worden gehoord dan als bedreigde getuige of als afgeschermde
getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden.
3. De weigering wordt onverwijld
schriftelijk ter kennis gebracht van de rechtbank en de verdachte.
Artikel 265
1. Tussen de dag waarop de
dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting
moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen. Ingeval door de
rechter-commissaris overeenkomstig de Zevende Titel van het Vierde
Boek bevelen tot handhaving van de openbare orde zijn gegeven moet
een termijn van ten minste vier dagen verlopen.
2. Geschiedt de betekening van de
dagvaarding op de wijze als is voorzien in artikel 587, tweede lid,
dan kan de verdachte in de akte van uitreiking een verklaring,
houdende zijn toestemming tot verkorting van deze termijnen, doen
opnemen; hij moet de verklaring tekenen; indien hij niet kan tekenen
wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld.
3. Bij gebreke van het een of ander
schorst de rechtbank het onderzoek, tenzij de verdachte is
verschenen. Is dit laatste het geval en verzoekt de verdachte in het
belang van zijn verdediging uitstel, dan schorst de rechtbank het
onderzoek voor bepaalde tijd, tenzij zij bij met redenen omklede
beslissing van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in
zijn verdediging kan worden geschaad wanneer het onderzoek wordt
voortgezet.
Artikel 266
1. Zolang het onderzoek op de
terechtzitting nog niet is aangevangen, kan de officier van justitie
de dagvaarding intrekken. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling
aan de verdachte en aan de benadeelde partij.
2. De officier van justitie draagt
zorg dat de gedagvaarde getuigen en deskundigen tijdig schriftelijk
met de intrekking worden bekend gemaakt.
3. Wordt bij of na de intrekking der
dagvaarding van verdere vervolging afgezien, dan doet de officier
van justitie den verdachte onverwijld kennis geven dat hij hem ter
zake van het feit waarop de dagvaarding betrekking had, niet verder
zal vervolgen. De artikelen 246, 247 en 255 zijn van toepassing.
Artikel 267
1. Indien de dagvaarding is
ingetrokken, zonder dat den verdachte eene kennisgeving van niet
verdere vervolging is beteekend, stelt de rechtbank, op het verzoek
van den verdachte, den officier van justitie een termijn binnen
welken hetzij tot dagvaarding, hetzij tot kennisgeving van niet
verdere vervolging moet worden overgegaan. Artikel 255, vierde en
vijfde lid, is van toepassing.
2. De termijn kan op de vordering van
den officier van justitie door de rechtbank telkens voor een
bepaalden tijd worden verlengd.
Titel VI. Behandeling van de zaak door
de rechtbank
Eerste afdeling. Onderzoek op de
terechtzitting
Artikel 268
1. Strafzaken worden behandeld en
beslist door een meervoudige kamer, behoudens in de wet genoemde
uitzonderingen.
2. De rechter die als
rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht, neemt,
behoudens bij toepassing van artikel 316, tweede lid, op straffe van
nietigheid aan het onderzoek op de terechtzitting geen deel.
3. Behalve de rechters en de griffier
neemt aan de tafel der rechtbank niemand plaats.
Artikel 269
1. Het onderzoek ter terechtzitting
geschiedt in het openbaar. Vanaf het uitroepen van de zaak kan de
rechtbank gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren
bevelen. Dit bevel kan worden gegeven in het belang van de goede
zeden, de openbare orde, de veiligheid van de staat, alsmede indien
de belangen van minderjarigen, of de eerbiediging van de
persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers
of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Een dergelijk bevel
kan ook worden gegeven, indien de openbaarheid naar het oordeel van
de rechtbank het belang van een goede rechtspleging ernstig zou
schaden.
2. Een bevel als bedoeld in het
eerste lid, wordt door de rechtbank ambtshalve, op vordering van het
openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of andere
procesdeelnemers gegeven. De rechtbank geeft het bevel niet dan na
het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers, zo
nodig met gesloten deuren, hieromtrent te hebben gehoord. Artikel
22, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De beslissing tot het geven van
het bevel, bedoeld in het eerste lid, wordt met redenen omkleed in
het proces-verbaal van de terechtzitting vermeld.
4. Tot bijwoning van de niet openbare
terechtzitting kan de voorzitter bijzondere toegang verlenen.
5. Tot bijwoning van een openbare
terechtzitting worden, tenzij in bijzondere gevallen ter beoordeling
van de voorzitter, als toehoorders niet toegelaten personen die de
leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt.
Artikel 270
De voorzitter begint het onderzoek door
het doen uitroepen van de zaak tegen de verdachte.
Artikel 271
1. De voorzitter draagt zorg dat geen
vragen worden gesteld, welke de strekking hebben verklaringen te
verkrijgen, waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid zijn
afgelegd.
2. Noch de voorzitter, noch een der
rechters geeft op de terechtzitting blijk van enige overtuiging
omtrent schuld of onschuld van de verdachte.
Artikel 272
1. De voorzitter heeft de leiding van
het onderzoek op de terechtzitting en geeft daartoe de nodige
bevelen.
2. De voorzitter kan op grond van
klemmende redenen, ambtshalve of op vordering van de officier van
justitie of op verzoek van de verdachte, bevelen dat een vraag, die
de verdachte of diens raadsman of de officier van justitie wenst te
stellen, door zijn tussenkomst wordt gesteld.
3. De voorzitter kan een door hem
aangewezen lid van de meervoudige kamer in zijn plaats belasten met
de leiding van het onderzoek. Dit lid oefent de taken en
bevoegdheden uit die aan de voorzitter zijn toegekend.
Artikel 273
1. De voorzitter begint het onderzoek
tegen de verdachte door de identiteit van de verdachte vast te
stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste
volzin. De voorzitter is tevens bevoegd de identiteit van de
verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld inartikel 27a, tweede
lid, indien over zijn identiteit twijfel bestaat.
2. De voorzitter vermaant de
verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem
mee dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
3. Indien de verdachte de orde op de
terechtzitting verstoort en vruchteloos door de voorzitter is
gewaarschuwd, kan de voorzitter zijn verwijdering uit de zittingzaal
bevelen en, zo nodig, bepalen dat hij gedurende het geheel of een
gedeelte van de zitting in verzekering wordt gesteld. De behandeling
van de zaak wordt op tegenspraak voortgezet. Artikel 124, vierde
lid, is van toepassing.
Artikel 274
1. Indien de verdachte niet of
slechts zeer gebrekkig kan horen of spreken, geschieden de vragen of
antwoorden schriftelijk. De voorzitter deelt de resultaten van deze
ondervraging mondeling mee.
2. Indien de in het eerste lid
bedoelde verdachte niet of slechts zeer gebrekkig kan lezen of
schrijven, dan wordt de bijstand van een daartoe geschikte persoon
als tolk gevorderd. De artikelen 275 en 276 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 275
1. Indien een verdachte de
Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst, wordt het
onderzoek niet voortgezet zonder de bijstand van een tolk.
2. In de gevallen waarin de bijstand
van een tolk wordt gevorderd, wordt ten bezware van de verdachte
geen acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting is gesproken of
voorgelezen, zonder dat dit voor hem vertolkt is.
Artikel 276
1. Indien op de terechtzitting blijkt
dat de bijstand van een tolk nodig is, beveelt de rechtbank de
oproeping van een tolk; bij niet verschijning kan de rechtbank een
bevel tot medebrenging geven.
2. Als tolk wordt slechts toegelaten
degene die niet reeds in een andere kwaliteit aan het onderzoek
deelneemt.
3. Voordat de tolk zijn werkzaamheden
aanvangt, beëdigt de voorzitter de tolk dat hij zijn taak naar zijn
geweten zal vervullen. Artikel 216a, tweede lid betreffende de
vervanging van de beëdiging door een aanmaning is van
overeenkomstige toepassing. De beëdiging blijft achterwege indien
het een beëdigde tolk in de zin van de Wet beëdigde tolken en
vertalers betreft.
4. De verdachte die daarvoor redenen
aanvoert, kan de tolk wraken. De rechtbank doet daarover terstond
uitspraak.
Artikel 277
1. Het onderzoek wordt onafgebroken
voortgezet.
2. Onderbrekingen van het onderzoek
kunnen echter wegens de uitgebreidheid of de duur daarvan of voor
het nemen van rust door de rechtbank worden bevolen.
Artikel 277a [Vervallen per 15-05-1998]
Artikel 278
1. De rechtbank onderzoekt de
geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding aan de niet
verschenen verdachte. Indien blijkt dat deze niet op geldige wijze
is uitgereikt, spreekt zij de nietigheid van de dagvaarding uit.
2. In geval de rechtbank het
wenselijk acht dat de verdachte bij de behandeling van de zaak ter
terechtzitting aanwezig is, beveelt zij dat de verdachte in persoon
zal verschijnen; zij kan daartoe tevens zijn medebrenging gelasten.
3. Indien de verdachte heeft
meegedeeld dat hij zijn verdediging in persoon wil voeren en hij om
uitstel van de behandeling van zijn zaak heeft verzocht, beslist de
rechtbank op het verzoek om uitstel. De rechtbank willigt het
verzoek om uitstel in of wijst het af, waarna in het laatste geval
het onderzoek met inachtneming van artikel 280, eerste lid, wordt
voortgezet.
4. Bij toepassing van het tweede lid
of inwilliging van het verzoek, bedoeld in het derde lid, beveelt de
rechtbank de schorsing van het onderzoek en de oproeping van de
verdachte tegen het tijdstip van hervatting van het onderzoek.
Artikel 279
1. De verdachte die niet is
verschenen, kan zich ter terechtzitting laten verdedigen door een
advocaat die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. De
rechtbank stemt daarmee in, onverminderd het bepaalde in artikel
278, tweede lid.
2. De behandeling van de zaak tegen
de verdachte die zijn advocaat tot zijn verdediging heeft
gemachtigd, geldt als een procedure op tegenspraak.
Artikel 280
1. In het geval dat de verdachte niet
op de terechtzitting verschijnt en de rechtbank geen aanleiding ziet
voor
a. het nietig verklaren van de
dagvaarding op grond van artikel 278, eerste lid of
b. het verlenen van een bevel tot
medebrenging van de verdachte, bedoeld in artikel 278, tweede
lid,
beveelt zij dat tegen de
verdachte verstek wordt verleend en dat de behandeling van de
zaak buiten zijn aanwezigheid wordt voortgezet, tenzij zij heeft
ingestemd met verdediging op de voet van artikel 279.
2. De rechtbank verklaart het verstek
vervallen, indien de verdachte alsnog op de terechtzitting of na de
hervatting daarvan in persoon verschijnt of zich alsnog laat
verdedigen met inachtneming van artikel 279, eerste lid.
3. Bij toepassing van het tweede lid,
wordt het onderzoek opnieuw aangevangen, met dien verstande dat de
rechtbank kan bepalen dat bepaalde onderzoekshandelingen niet
opnieuw zullen plaats vinden.
Artikel 280a [Vervallen per 01-02-1998]
Artikel 281
1. Indien het belang van het
onderzoek dit vordert, beveelt de rechtbank de schorsing van het
onderzoek voor bepaalde of onbepaalde tijd.
2. De schorsing voor bepaalde tijd
kan zo nodig telkens tot een nader te bepalen tijdstip worden
verlengd.
3. De redenen voor schorsing worden
in het proces-verbaal van de terechtzitting vermeld.
4. In geval van schorsing wordt er
een proces-verbaal opgemaakt dat aan de eisen van artikel 326
voldoet.
5. Bij hervatting van het onderzoek
zijn de artikelen 319 tot en met 322 van toepassing.
Artikel 282
1. Bevindt de verdachte zich in
voorlopige hechtenis, dan zijn de volgende leden van dit artikel van
toepassing.
2. Indien de rechtbank het onderzoek
op de terechtzitting voor een bepaalde tijd schorst, stelt zij de
termijn van de schorsing in de regel op niet meer dan een maand. Om
klemmende redenen kan zij echter een langere termijn stellen, doch
in geen geval langer dan drie maanden.
3. Schorst de rechtbank het onderzoek
op de terechtzitting voor onbepaalde tijd, dan stelt zij met
overeenkomstige toepassing van het tweede lid, een uiterste termijn,
waarbinnen het onderzoek moet worden hervat.
4. Wanneer de verdachte zich in
voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming
of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur niet meer kan worden
verlengd op grond van artikel 66, derde lid, kan de officier van
justitie schorsing van het onderzoek op de terechtzitting vorderen,
mits hij het voornemen daartoe aan de verdachte kenbaar heeft
gemaakt bij de dagvaarding.
Artikel 282a
1. De rechtbank kan, de officier van
justitie gehoord, de zaak naar de politierechter verwijzen. De zaak
wordt in dat geval onder aanzegging van het tijdstip op dezelfde dag
verder behandeld dan wel voor bepaalde of onbepaalde tijd geschorst
en op de bestaande telastlegging voor de politierechter aanhangig
gemaakt door aanzegging of oproeping van de verdachte vanwege de
officier van justitie tegen de dag van de nadere terechtzitting. De
artikelen 260, tweede lid, 263, 265, tweede en derde lid, alsmede
370 zijn van toepassing.
2. De zaak wordt op de gewone wijze
voortgezet, met dien verstande dat de beraadslaging bedoeld in de
artikelen 348 en 350 mede geschiedt naar aanleiding van het
onderzoek op de terechtzitting door de meervoudige kamer, zoals dit
volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft
plaatsgehad.Artikel 322, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. Indien de politierechter deel
uitmaakte van de meervoudige kamer op het moment van de verwijzing,
wordt het onderzoek hervat alsof geen wijziging van samenstelling
van de rechtbank heeft plaatsgevonden. In het andere geval beveelt
de politierechter dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw
wordt aangevangen, tenzij de officier van justitie en de verdachte
instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op
het tijdstip van de verwijzing bevond.
Artikel 283
1. In de gevallen waarin van
nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid van de rechtbank of
niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zonder onderzoek
van de zaak zelf kan blijken, is de verdachte bevoegd dit verweer
reeds dadelijk na de ondervraging bedoeld in artikel 273, voor te
dragen en toe te lichten.
2. De officier van justitie kan
daarop antwoorden.
3. De verdachte kan andermaal en, als
de officier van justitie daarna weer het woord voert, nogmaals het
woord voeren.
4. De rechtbank gaat tot
beraadslaging over en doet uitspraak over het gevoerde verweer.
5. Wordt het verweer ontijdig of
ongegrond bevonden, dan wordt het onderzoek in de zaak zelf
onmiddellijk voortgezet.
6. Ook ambtshalve kan de rechtbank
zonder onderzoek in de zaak de nietigheid van de dagvaarding, haar
onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van de officier van
justitie uitspreken, nadat zij de officier van justitie en de
verdachte heeft gehoord.
Artikel 284
1. De officier van justitie draagt de
zaak voor.
2. Indien de officier van justitie,
hetzij naar aanleiding van een verweer bedoeld in artikel 283,
eerste lid, hetzij gehoord door de rechtbank ingevolge artikel 283,
zesde lid, van oordeel is dat de telastlegging behoort te worden
gewijzigd, zijn de artikelen 313 en 314 van toepassing.
Artikel 285
1. Worden strafbare feiten waarvan de
voeging had behoren te geschieden, op dezelfde terechtzitting
afzonderlijk aangebracht, dan beveelt de rechtbank dat de voeging
alsnog zal plaats vinden.
2. Indien strafbare feiten waartussen
verband bestaat of welke door dezelfde persoon zijn begaan op
verschillende terechtzittingen zijn aangebracht, maar de behandeling
op dezelfde terechtzitting wordt hervat of aangevangen, beveelt de
rechtbank eveneens de voeging, indien dit in het belang van het
onderzoek is.
3. De rechtbank beveelt de splitsing
van gevoegde zaken, indien haar blijkt dat geen verband tussen die
zaken bestaat of dat de voeging niet in het belang van het onderzoek
is.
Artikel 286
1. De voorzitter ondervraagt de
verdachte.
2. Is er meer dan één verdachte,
dan bepaalt de voorzitter in welke volgorde de verdachten worden
ondervraagd.
3. De voorzitter kan bepalen dat de
verdachte buiten tegenwoordigheid van een of meer medeverdachten of
getuigen zal worden ondervraagd.
4. Gedurende de verdere loop van het
onderzoek kunnen aan de verdachte door de voorzitter, de rechters,
de officier van justitie, de raadsman en de medeverdachte vragen
worden gesteld.
5. Artikel 293 is van overeenkomstige
toepassing.
6. Bij het verhoor van de verdachte
wordt zo veel mogelijk onderzocht, of zijn verklaring op eigen
wetenschap berust.
Artikel 287
1. De voorzitter stelt vast welke
personen, al dan niet daartoe opgeroepen, als getuige ter
terechtzitting zijn verschenen.
2. De verschenen getuigen worden
gehoord, tenzij daarvan wordt afgezien met toestemming van de
officier van justitie en van de verdachte dan wel op de gronden
genoemd in artikel 288, eerste lid, onder b en c.
3. Ten aanzien van de niet verschenen
getuigen beveelt de rechtbank:
a. de oproeping, indien de
oproeping door de officier van justitie is verzuimd of op de
voet van artikel 264, eerste lid, is geweigerd en de verdachte
hierom verzoekt of de rechtbank oproeping wenselijk oordeelt;
b. de hernieuwde oproeping,
indien de getuige aan de eerdere oproeping geen gevolg heeft
gegeven. De rechtbank kan daarbij tevens zijn medebrenging
gelasten.
4. Bij het horen van getuigen zijn de
artikelen 274 tot en met 276, derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 288
1. De rechtbank kan van de oproeping
van niet verschenen getuigen als bedoeld in artikel 287, derde lid,
bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is
dat:
a. het onaannemelijk is dat de
getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal
verschijnen;
b. het gegronde vermoeden bestaat
dat de gezondheid of het welzijn van de getuige of deskundige
door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in
gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder
weegt dan het belang om de getuige of deskundige ter
terechtzitting te kunnen ondervragen;
c. redelijkerwijs valt aan te
nemen dat daardoor het openbaar ministerie niet in zijn
vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad.
2. Indien de officier van justitie op
grond van artikel 264, tweede lid, onder b, heeft geweigerd een door
de verdachte opgegeven getuige te doen oproepen of een door de
rechtbank gegeven bevel tot oproeping van een getuige ten uitvoer te
leggen en ten aanzien van die getuige geen beschikking op grond van
artikel 226a, eerste lid, of 226n, eerste lid, is gegeven, stelt de
rechtbank de stukken in handen van de rechter-commissaris teneinde
de getuige te doen verhoren. In geval van een door de verdachte
opgegeven getuige blijft de vorige volzin buiten toepassing, indien
de rechtbank bij met redenen omklede beslissing van oordeel is dat
door het achterwege blijven van het verhoor de verdachte
redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad. De officier van
justitie dient onmiddellijk nadat de stukken in handen van de
rechter-commissaris zijn gesteld, de vordering, bedoeld in artikel
226a, eerste lid, of artikel 226m, eerste lid, in. Artikel 316 is
van overeenkomstige toepassing.
3. De rechtbank kan voorts van de
oproeping of hernieuwde oproeping van niet verschenen getuigen
afzien, indien de officier van justitie en de verdachte daarmee
uitdrukkelijk instemmen of hebben ingestemd.
4. Artikel 226 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 288a
1. De voorzitter bepaalt in welke
volgorde hij de verschenen getuigen, deskundigen en het slachtoffer
of de nabestaande, zal horen. Indien hij daartoe aanleiding ziet,
neemt hij maatregelen dat de verschillende procesdeelnemers naar
afzonderlijke ruimten worden geleid.
2. De voorzitter draagt zorg voor een
correcte bejegening van het slachtoffer of de nabestaanden.
Artikel 289
1. De voorzitter beveelt dat de
getuigen zich zullen begeven naar het voor hen bestemde vertrek, met
uitzondering van de eerste getuige die zal worden gehoord.
2. Hij kan, gehoord de officier van
justitie en de verdachte, de getuige toestaan zich voor het afleggen
van zijn verklaring tot een bepaald tijdstip te verwijderen.
3. Hij neemt zo nodig maatregelen om
de getuigen te beletten dat zij voor het afleggen van hun verklaring
op de terechtzitting
a. zich met elkaar onderhouden
dan wel
b. kennis nemen van eerder ter
terechtzitting afgelegde verklaringen van andere getuigen en de
verdachte.
4. De voorzitter bepaalt met
inachtneming van artikel 292, vierde lid, in welke volgorde de
getuigen worden gehoord.
Artikel 290
1. De voorzitter stelt voorafgaand
aan het verhoor de identiteit van de getuige vast op de wijze,
bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin. De voorzitter is
tevens bevoegd de identiteit van de getuige vast te stellen op de
wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, tweede volzin, indien
over zijn identiteit twijfel bestaat. Artikel 29a, tweede lid, is
ten aanzien van de getuige van overeenkomstige toepassing.
2. De voorzitter vraagt de getuige
naar zijn beroep en of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte
en zo ja, in welke graad.
3. Indien er gegrond vermoeden
bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn
verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn
beroep zal worden belemmerd, kan de rechtbank bepalen dat het vragen
naar een gegeven als bedoeld in het eerste of tweede lid, door de
voorzitter achterwege zal worden gelaten. De rechtbank neemt de
maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de onthulling van dit
gegeven te voorkomen.
4. De voorzitter beëdigt daarna de
getuige dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal
zeggen. Artikel 216a, tweede lid betreffende de vervanging van de
beëdiging door een aanmaning is van overeenkomstige toepassing.
5. De artikelen 217 tot en met 220
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 291
De getuige moet bij zijn verklaring zo
veel mogelijk uitdrukkelijk opgeven wat hij heeft waargenomen en
ondervonden en wat zijn redenen van wetenschap zijn.
Artikel 292
1. De voorzitter ondervraagt de
getuige.
2. Hij geeft daarna de rechters en de
officier van justitie de gelegenheid tot het stellen van vragen aan
de getuige.
3. Hij stelt de verdachte in de
gelegenheid om de getuige te ondervragen en naar aanleiding daarvan
tegen de verklaring van die getuige in te brengen wat tot zijn
verdediging kan dienen.
4. Indien echter de getuige tijdens
het voorbereidende onderzoek nog niet is gehoord en op verzoek van
de verdachte is opgeroepen of ter terechtzitting verschenen, wordt
hij eerst door de verdachte en daarna door de voorzitter
ondervraagd. Het tweede lid is van toepassing.
5. De voorzitter stelt de officier
van justitie in de gelegenheid tot het maken van opmerkingen over de
ondervraging bedoeld in het vierde lid.
Artikel 293
1. De rechtbank kan ambtshalve of op
vordering van de officier van justitie of op verzoek van de
verdachte beletten dat aan enige vraag, gesteld door de verdachte of
diens raadsman of door de officier van justitie, gevolg wordt
gegeven.
2. De officier van justitie en de
verdachte zijn bevoegd met betrekking tot enige vraag opmerkingen te
maken, voordat deze wordt beantwoord.
Artikel 294
1. Indien de getuige bij zijn verhoor
zonder wettige grond weigert de gestelde vragen te beantwoorden
ofwel de gevorderde eed of belofte weigert af te leggen, beveelt de
rechtbank, indien dit voor het onderzoek dringend noodzakelijk is,
dat hij in gijzeling zal worden gesteld.
2. Voordat het bevel wordt gegeven,
worden de getuige en diens advocaat gehoord over de reden van zijn
weigering.
3. Het bevel tot gijzeling is niet
langer dan dertig dagen geldig; de rechtbank beveelt tevens op welk
tijdstip de getuige opnieuw aan haar wordt voorgeleid. Tegen het
bevel is geen rechtsmiddel toegelaten.
4. De rechtbank gelast het ontslag
van de getuige uit de gijzeling, zodra hij aan zijn verplichtingen
heeft voldaan of het onderzoek op de terechtzitting is gesloten. Zij
is echter bevoegd het ontslag uit de gijzeling in elke stand van het
onderzoek te bevelen, ook op verzoek van de getuige. Artikel 223,
derde lid, is van toepassing.
5. De artikelen 224 en 225 zijn van
toepassing.
Artikel 295
1. Indien een getuige verdacht wordt
zich op de terechtzitting aan het misdrijf van meineed schuldig te
hebben gemaakt, kan de rechtbank dienaangaande onderzoek bevelen.
2. In dat geval maakt de griffier
dadelijk proces-verbaal op, dat door de voorzitter, de rechters en
hemzelf wordt ondertekend. Het proces-verbaal bevat de verklaring
van de getuige.
3. De verklaring van de getuige wordt
hem voorgelezen; daarna wordt hem gevraagd of hij bij zijn
verklaring volhardt en zo ja, of hij deze wil ondertekenen. Bij
gebreke van ondertekening vermeldt het proces-verbaal de weigering
of de reden van verhindering.
4. De rechtbank kan het instellen van
een gerechtelijk vooronderzoek bevelen.
5. Het proces-verbaal wordt door de
rechtbank in handen gesteld van de officier van justitie.
Artikel 296
1. Na het afleggen van zijn
verklaring blijft de getuige in de zittingzaal, tenzij de rechtbank,
met toestemming van de officier van justitie en de verdachte, hem
vergunt zich te verwijderen, zo nodig met het bevel op een te
bepalen tijdstip opnieuw aanwezig te zijn.
2. In afwijking van het bepaalde in
het eerste lid, is de toestemming van de verdachte niet vereist
indien ten aanzien van de getuige het vermoeden bestaat, bedoeld in
artikel 290, derde lid.
Artikel 297
1. De rechtbank kan ambtshalve of op
vordering van de officier van justitie of op verzoek van de
verdachte getuigen tegenover elkaar stellen.
2. De voorzitter kan, in afwijking
van artikel 296, eerste lid, bevelen dat na een afgelegde getuigenis
een of meer getuigen de zittingzaal zullen verlaten en dat een of
meer van hen opnieuw zullen worden binnengelaten teneinde hetzij
afzonderlijk, hetzij in elkaars bijzijn, nogmaals te worden gehoord.
3. De voorzitter kan bevelen dat op
gelijke wijze als bedoeld in het tweede lid een of meer verdachten
de zittingzaal zullen verlaten, opdat een getuige buiten hun
tegenwoordigheid zal worden ondervraagd.
4. In dat geval wordt aan de
verdachte onmiddellijk meegedeeld wat buiten zijn aanwezigheid is
voorgevallen, waarna het onderzoek kan worden voortgezet.
Artikel 298 [Vervallen per 01-07-2003]
Artikel 299
Onverminderd artikel 51m, zijn alle
bepalingen in deze titel betreffende getuigen en hun verklaringen ook
van toepassing ten aanzien van deskundigen en hun verklaringen.
Artikel 300
1. De voorzitter kan ambtshalve of op
vordering van de officier van justitie of op verzoek van de
verdachte bepalen dat de vragen met betrekking tot de geestvermogens
van de verdachte buiten diens tegenwoordigheid zullen worden gesteld
en behandeld, en voorts dat de officier van justitie of de raadsman
buiten de tegenwoordigheid van de verdachte betreffende diens
geestvermogens het woord zal voeren.
2. Na terugkeer van de verdachte in
de zittingzaal wordt hem mededeling gedaan van wat tijdens zijn
afwezigheid is voorgevallen.
Artikel 301
1. Processen-verbaal, verslagen van
deskundigen of andere stukken worden op last van de voorzitter,
wanneer een van de rechters of de officier van justitie dit
verlangt, voorgelezen.
2. Voorlezing heeft ook plaats op
verzoek van de verdachte, tenzij de rechtbank ambtshalve of op
vordering van de officier van justitie anders beveelt.
3. De voorlezing van de stukken kan,
tenzij de officier van justitie of de verdachte zich daar op
redelijke gronden tegen verzet, worden vervangen door een mondelinge
mededeling van de korte inhoud door de voorzitter.
4. Ten bezware van de verdachte wordt
geen acht geslagen op stukken, die niet zijn voorgelezen of waarvan
de korte inhoud niet overeenkomstig het derde lid is meegedeeld.
Artikel 302
1. De voorzitter stelt het
slachtoffer dat te kennen heeft gegeven gebruik te zullen maken van
het spreekrecht, daartoe in de gelegenheid. Nadat het slachtoffer
zijn verklaring heeft afgelegd, kunnen hem door de voorzitter en de
rechters nadere vragen over zijn verklaring worden gesteld. Nadere
vragen van de officier van justitie en de verdachte worden door
tussenkomst van de voorzitter gesteld.
2. Indien meer nabestaanden van het
slachtoffer te kennen hebben gegeven een verklaring te willen
afleggen en zij geen overeenstemming hebben bereikt over wie van hen
het woord zal voeren, beslist de rechtbank wie zij zal horen.
Artikel 303
1. De rechtbank hoort het slachtoffer
of de nabestaande die op grond vanartikel 260, tweede lid, is
opgeroepen en verschenen.
2. De rechtbank kan bevelen dat het
slachtoffer of diens nabestaande, indien deze na oproeping niet op
de terechtzitting is verschenen, zal worden opgeroepen om op een
nader te bepalen tijdstip op de terechtzitting te verschijnen.
Indien deze ten tweede male niet op de terechtzitting verschijnt,
kan de rechtbank van het horen van het slachtoffer of de nabestaande
afzien.
Artikel 304 [Vervallen per 01-02-1998]
Artikel 305 [Vervallen per 01-02-1998]
Artikel 306 [Vervallen per 01-02-1998]
Artikel 307 [Vervallen per 01-02-1998]
Artikel 308 [Vervallen per 01-02-1998]
Artikel 309
1. De officier van justitie legt een
lijst met op grond van artikel 94 inbeslaggenomen, nog niet
teruggegeven voorwerpen over. Hij doet voorts mededeling van de
opbrengst van de voorwerpen ten aanzien waarvan een machtiging op
grond van artikel 117, tweede lid, is verleend.
2. De voorzitter toont zo nodig de
voorwerpen die als stukken van overtuiging dienen, aan de verdachte
en de getuigen en hoort hen daaromtrent.
Artikel 310
De rechtbank heeft gelijke bevoegdheid
als in artikel 147 aan het openbaar ministerie is toegekend. Zij
oefent die uit hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van den officier
van justitie of op verzoek van den verdachte. Artikel 147, tweede lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 311
1. Nadat de ondervraging van de
verdachte heeft plaatsgehad en de aanwezige getuigen en deskundigen
zijn gehoord, kan de officier van justitie het woord voeren; hij
legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over. De
vordering omschrijft de straf en maatregel, indien oplegging daarvan
wordt geëist; zij vermeldt in dat geval tevens welk strafbaar feit
zou zijn begaan. De officier van justitie maakt, voor zover zulks
aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij
voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 36e van het
Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken, alsmede of daartoe een
strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 126 is
ingesteld. Van deze mededeling van de officier van justitie wordt in
het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gemaakt.
2. De verdachte kan hierop
antwoorden.
3. De officier van justitie kan
daarna andermaal het woord voeren.
4. Aan de verdachte wordt op straffe
van nietigheid het recht gelaten om het laatst te spreken.
5. De voorzitter kan bepalen dat aan
de verdachte, getuigen en deskundigen nieuwe vragen worden gesteld
en dat stukken worden voorgelezen. In dat geval kunnen de officier
van justitie en de verdachte op de hiervoor vermelde voet, het woord
voeren.
Artikel 312
Indien uit het onderzoek omstandigheden
zijn bekend geworden die, niet in de dagvaarding vermeld, volgens de
wet tot verzwaring van straf grond opleveren, is de officier van
justitie bevoegd deze alsnog mondeling ten laste te leggen.
Artikel 313
1. Indien buiten het geval van het
voorgaande artikel de officier van justitie oordeelt dat de
telastlegging behoort te worden gewijzigd, legt hij den inhoud van
de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen schriftelijk aan de
rechtbank over met vordering dat die wijzigingen zullen worden
toegelaten.
2. Indien de rechtbank de vordering
toewijst, doet zij den inhoud van de aangebrachte wijzigingen in het
proces-verbaal ter terechtzitting opnemen. In geen geval worden
wijzigingen toegelaten, als een gevolg waarvan de telastlegging niet
langer hetzelfde feit, in den zin van artikel 68 van het Wetboek van
Strafrecht zou inhouden.
Artikel 314
1. Indien de telastlegging
overeenkomstig artikel 313 is gewijzigd, wordt aan de verdachte door
de griffier een gewaarmerkt afschrift van de gewijzigde
telastlegging op de terechtzitting verstrekt, tenzij de rechtbank
oordeelt dat met de uitreiking van een door de griffier gewaarmerkt
afschrift van de wijzigingen kan worden volstaan. Is tegen de
verdachte verstek verleend, dan wordt het onderzoek op de gewijzigde
telastlegging aanstonds voortgezet indien de verdachte door het
achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze
niet in zijn verdediging wordt geschaad. In het andere geval wordt
de gewijzigde telastlegging hem zo spoedig mogelijk betekend.
2. De rechtbank schorst het onderzoek
zo nodig voor een bepaalde tijd; met toestemming van de verdachte of
de raadsman die op grond van artikel 279, eerste lid, tot de
verdediging is toegelaten, kan het onderzoek echter aanstonds of na
een korte onderbreking worden voortgezet.
Artikel 314a
1. Indien in de telastlegging voor de
opgave van het feit is volstaan met een omschrijving als bedoeld in
artikel 257a, vierde lid, of artikel 261, derde lid, wordt die
opgave alsnog in overeenstemming gebracht met de in het eerste en
tweede lid van artikel 261 gestelde eisen.
2. De artikelen 313, met uitzondering
van de laatste volzin, en 314 vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 315
1. Indien aan de rechtbank de
noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog
niet gehoorde getuigen of deskundigen, of van de overlegging van
bescheiden of stukken van overtuiging, die niet op de terechtzitting
aanwezig zijn, beveelt zij, zoo noodig onder bijvoeging van een
bevel tot medebrenging, tegen een door haar te bepalen tijdstip de
dagvaarding of schriftelijke oproeping dier getuigen of deskundigen
of de overlegging van die bescheiden of die stukken van overtuiging.
2. Artikel 288, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing op het bevel tot oproeping van getuigen
en deskundigen, als bedoeld in het eerste lid en het daarbij
gevoegde bevel tot medebrenging.
Artikel 316
1. Indien enig onderzoek door de
rechter-commissaris noodzakelijk blijkt, stelt de rechtbank met
schorsing van het onderzoek ter terechtzitting onder aanduiding van
het onderwerp van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop
dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de
rechter-commissaris.
2. In het geval het onderzoek
uitsluitend zal bestaan in het horen van getuigen of deskundigen kan
de rechtbank, indien de officier van justitie en de verdachte
daarmee instemmen, de voorzitter of een der rechters die over de
zaak oordelen als rechter-commissaris aanwijzen. Deze rechter kan
aan het verdere onderzoek ter terechtzitting deelnemen, tenzij bij
het horen van getuigen of deskundigen is bepaald dat de verdachte of
diens raadsman daar niet bij tegenwoordig mag zijn.
3. Het onderzoek geldt als een
gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de bepalingen van
de tweede tot en met de vijfde en achtste afdeling van de Derde
Titel van dit Boek gevoerd.
Artikel 317
1. Indien het noodzakelijk is dat een
onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte tegen wie
voorlopige hechtenis is bevolen, wordt ingesteld en dit niet
voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, beveelt de rechtbank
bij een met redenen omklede beslissing dat de verdachte ter
observatie zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te
duiden psychiatrisch ziekenhuis, bedoeld in artikel 509f, of een
inrichting tot klinische observatie bestemd.
2. Het bevel wordt niet gegeven dan
nadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en de
officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman in de
gelegenheid zijn gesteld om ter zake te worden gehoord.
3. Artikel 198 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 318
1. Indien de rechtbank het houden van
eene schouw of het hooren van getuigen of verdachten elders dan in
de gehoorzaal noodzakelijk acht, kan zij te dien einde, met
schorsing der zaak, bevelen dat de terechtzitting tijdelijk zal
worden verplaatst.
2. De rechtbank is bevoegd daartoe
met de personen door haar aangewezen elke plaats te betreden.
Artikel 146, tweede lid, is te haren aanzien van toepassing.
3. De rechtbank is bevoegd, naar
aanleiding van de gesteldheid der plaats waar de tijdelijke
terechtzitting zal worden gehouden, de noodige voorschriften te
geven voor de wijze van behandeling der zaak op die terechtzitting.
Artikel 319
1. In alle gevallen waarin het
onderzoek wordt onderbroken of voor een bepaalde tijd geschorst,
wordt door de voorzitter aan de verdachte, diens raadsman, en aan de
tolken, getuigen en deskundigen voor zover zij nog niet op de
terechtzitting zijn gehoord, het tijdstip aangezegd, waarop zij bij
de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting aanwezig moeten
zijn. Aan de aanwezige benadeelde partij wordt door de voorzitter
het tijdstip aangezegd waarop het onderzoek ter terechtzitting zal
worden hervat. De aanzegging geldt als oproeping.
2. De verdachte, raadsman, getuigen,
deskundigen en tolken die bij de in het eerste lid bedoelde
aanzegging niet op de terechtzitting aanwezig zijn, worden in het
geval van schorsing voor de nadere terechtzitting opnieuw
opgeroepen. De benadeelde partij die niet bij de aanzegging aanwezig
is, wordt eveneens opgeroepen indien de rechtbank daartoe termen
aanwezig acht.
3. De rechtbank kan ambtshalve, op
vordering van de officier van justitie of op verzoek van de
verdachte, getuigen en deskundigen die reeds op de terechtzitting
zijn gehoord, en tolken aanwijzen wier tegenwoordigheid bij de
nadere behandeling wordt vereist. De rechtbank wijst de vordering
van de officier van justitie, gehoord de verdachte, toe en willigt
het verzoek van de verdachte, gehoord de officier van justitie, in,
tenzij zij van oordeel is dat door het afwijzen van de vordering of
het niet inwilligen van het verzoek redelijkerwijs noch het openbaar
ministerie in de vervolging, noch de verdachte in zijn verdediging
wordt geschaad.
Artikel 320
1. In alle gevallen waarin het
onderzoek voor een onbepaalde tijd is geschorst, worden, zodra de
oorzaak der schorsing is vervallen, de verdachte, de getuigen,
deskundigen en tolken, voor zover zij nog niet ter terechtzitting
zijn gehoord, opnieuw opgeroepen. De ter terechtzitting verschenen
benadeelde partij wordt eveneens opgeroepen indien de rechtbank
daartoe termen aanwezig acht.
2. Artikel 319, derde lid, is van
toepassing.
3. Met betrekking tot de oproeping
van de verdachte is artikel 265 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 321 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 322
1. Onverminderd het bepaalde in
artikel 280, tweede en derde lid, wordt in alle gevallen waarin de
schorsing van het onderzoek is bevolen, het onderzoek in de zaak op
de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin het zich op het
tijdstip der schorsing bevond.
2. De rechtbank is ook bij toepassing
van het eerste lid bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de
terechtzitting opnieuw wordt aangevangen.
3. De rechtbank beveelt dat het
onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen in het
geval de samenstelling van de rechtbank bij de hervatting gewijzigd
is, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met
hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van
de schorsing bevond.
4. Ook in het geval het onderzoek ter
terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven beslissingen van de
rechtbank inzake de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding
uit hoofde van artikel 278, eerste lid, beslissingen op verweren van
de verdachte uit hoofde van artikel 283, eerste lid, beslissingen op
vorderingen tot wijziging van de telastlegging alsmede beslissingen
inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen ter
terechtzitting uit hoofde van artikel 287 of artikel 288 in stand.
Artikel 323 [Vervallen per 01-02-1998]
Artikel 324
1. Niettegenstaande de schorsing is
de rechtbank bevoegd te allen tijde het onderzoek op de
terechtzitting voor bepaalde spoedeischende maatregelen tijdelijk te
heropenen.
2. De artikelen 320 en 322 zijn van
toepassing.
Artikel 325
Voor de sluiting van het onderzoek
vraagt de voorzitter aan de verdachte die op de terechtzitting door
een tolk is bijgestaan of hij bij de uitspraak die niet aanstonds
wordt gedaan, aanwezig zal zijn. Indien de verdachte verklaart niet
aanwezig te zullen zijn, blijft de oproeping van de tolk voor de
uitspraak achterwege. Indien de verdachte verklaart wel aanwezig te
zullen zijn, zegt de voorzitter de tolk de datum en het tijdstip van
de uitspraak aan; de aanzegging geldt als oproeping.
Artikel 326
1. De griffier houdt het
proces-verbaal der terechtzitting, waarin achtereenvolgens
aanteekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al
hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt.
2. Het behelst tevens den zakelijken
inhoud van de verklaringen der getuigen, deskundigen en verdachten.
Indien de officier van justitie vordert of de verdachte verzoekt dat
eenige verklaring woordelijk zal worden opgenomen, wordt daaraan,
voor zoover de verklaring redelijke grenzen niet overschrijdt, op
last van den voorzitter zooveel mogelijk voldaan en daarvan
voorlezing gedaan. Acht de officier van justitie of de verdachte de
verklaring niet voldoende weergegeven, dan beslist de rechtbank.
3. De voorzitter kan gelasten dat in
het proces-verbaal van eenige bepaalde omstandigheid, verklaring of
opgave aanteekening zal worden gedaan.
4. Gelijke aantekening geschiedt,
wanneer een der rechters het verlangt, of op vordering van de
officier van justitie of op verzoek van de verdachte of de
benadeelde partij.
Artikel 327
Het proces-verbaal wordt door den
voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft
geoordeeld, en den griffier vastgesteld en zoo spoedig mogelijk na de
sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en in elk geval binnen
den in het eerste lid van artikel 365 vermelden termijn onderteekend.
Voor zoover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt
dit zonder zijne medewerking en wordt van zijne verhindering aan het
slot van het proces-verbaal melding gemaakt.
Artikel 327a
1. Behoudens in het geval omschreven
in het tweede lid, kan een verkort proces-verbaal worden opgemaakt.
2. Indien het vonnis bij verstek is
gewezen en de dagvaarding niet in persoon is betekend en zich geen
omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de
terechtzitting of nadere terechtzitting aan de verdachte bekend was,
terwijl op de terechtzitting getuigen of deskundigen zijn gehoord
dan wel een benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd,
wordt, in afwijking van het eerste lid, een proces-verbaal opgemaakt
dat aan de eisen van artikel 326 voldoet.
3. Indien tegen het vonnis een gewoon
rechtsmiddel wordt aangewend of aan een vordering of verzoek als
omschreven in artikel 365c gevolg wordt gegeven, wordt het verkorte
proces-verbaal zodanig aangevuld, dat het voldoet aan de in artikel
326 gestelde eisen. De aanvulling vindt plaats binnen de in artikel
365a, derde lid, bepaalde termijnen.
4. Artikel 365, derde tot en met
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 328
Tot het nemen van elke rechterlijke
beslissing op grond van de bepalingen van dezen Titel kan door den
officier van justitie eene vordering en door den verdachte een verzoek
tot de rechtbank worden gedaan, tenzij uit eenige bepaling het
tegendeel volgt.
Artikel 329
Alvorens te beslissen op eenig verzoek
of verzet van den verdachte, hoort de rechtbank den officier van
justitie. Alvorens te beslissen op eenige vordering of op eenig verzet
van den officier van justitie, stelt de rechtbank den verdachte,
indien deze tegenwoordig is, of diens raadsman in de gelegenheid het
woord te voeren.
Artikel 330
Weigering of verzuim om te beslissen
over eene vordering of een verzet van den officier van justitie of een
verzoek of verzet van den verdachte, strekkende om gebruik te maken
van eene bevoegdheid of van een recht door de wet toegekend, heeft
nietigheid ten gevolge.
Artikel 331
1. Elke bevoegdheid van de verdachte
die bij deze Titel is toegekend, komt ook toe aan de raadsman die de
ter terechtzitting aanwezige verdachte bijstaat ofwel op grond van
artikel 279, eerste lid, tot verdediging van de afwezige verdachte
is toegelaten.
2. In alle gevallen waarin bij deze
Titel de toestemming of het horen van de verdachte of diens raadsman
wordt gevorderd, geldt dit alleen ten opzichte van de op de
terechtzitting aanwezige verdachte of diens raadsman.
Tweede afdeeling. Onderzoek van de
vordering van de benadeelde partij op de terechtzitting
Artikel 332
De rechtbank kan bevelen dat de
benadeelde partij, die niet in persoon of bij vertegenwoordiger ter
terechtzitting is verschenen, zal worden opgeroepen om op een nader
door de rechtbank te bepalen tijdstip ter terechtzitting te
verschijnen.
Artikel 333
Indien naar het oordeel van de
rechtbank de benadeelde partij kennelijk niet ontvankelijk is, kan zij
zonder nader onderzoek van de zaak de niet ontvankelijkheid van de
benadeelde partij uitspreken.
Artikel 334
1. De benadeelde partij kan ter
terechtzitting tot het bewijs van de ten gevolge van het strafbare
feit geleden schade stukken overleggen, doch geen getuigen of
deskundigen aanbrengen.
2. De benadeelde partij of degene die
haar bijstaat kan aan de getuigen en deskundigen vragen stellen,
doch alleen betreffende haar vordering tot schadevergoeding.
3. De benadeelde partij kan haar
vordering, nadat de officier van justitie overeenkomstig artikel 311
het woord heeft gevoerd, toelichten of doen toelichten. Zij kan
andermaal het woord voeren telkens wanneer de officier van justitie
het woord heeft gevoerd, dan wel tot het voeren daarvan in de
gelegenheid is gesteld.
Artikel 335
Behoudens toepassing van artikel 333,
doet de rechtbank over de vordering van de benadeelde partij uitspraak
gelijktijdig met de einduitspraak in de strafzaak.
Tweede Afdeling A [Vervallen per
01-01-2011]
Artikel 336 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 337 [Vervallen per 01-01-2011]
Derde afdeeling. Bewijs
Artikel 338
1. Het bewijs dat de verdachte het
telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter slechts
worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de
terechtzitting door den inhoud van wettige bewijsmiddelen de
overtuiging heeft bekomen.
Artikel 339
1. Als wettige bewijsmiddelen worden
alleen erkend:
1°. eigen waarneming van den
rechter;
2°. verklaringen van den
verdachte;
3°. verklaringen van een
getuige;
4°. verklaringen van een
deskundige;
5°. schriftelijke bescheiden.
2. Feiten of omstandigheden van
algemeene bekendheid behoeven geen bewijs.
Artikel 340
Onder eigen waarneming van den rechter
wordt verstaan die welke bij het onderzoek op de terechtzitting door
hem persoonlijk is geschied.
Artikel 341
1. Onder verklaring van den verdachte
wordt verstaan zijne bij het onderzoek op de terechtzitting gedane
opgave van feiten of omstandigheden, hem uit eigen wetenschap
bekend.
2. Zoodanige opgave, elders dan ter
terechtzitting gedaan, kan tot het bewijs, dat de verdachte het
telastegelegde feit begaan heeft, medewerken, indien daarvan uit
eenig wettig bewijsmiddel blijkt.
3. Zijne opgaven kunnen alleen te
zijnen aanzien gelden.
4. Het bewijs dat de verdachte het
telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter niet
uitsluitend worden aangenomen op de opgaven van den verdachte.
Artikel 342
1. Onder verklaring van een getuige
wordt verstaan zijne bij het onderzoek op de terechtzitting gedane
mededeeling van feiten of omstandigheden, welke hij zelf waargenomen
of ondervonden heeft.
2. Het bewijs dat de verdachte het
telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter niet
uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.
Artikel 343
Onder verklaring van een deskundige
wordt verstaan zijn bij het onderzoek op de terechtzitting afgelegde
verklaring over wat zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent
datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is, al dan niet naar
aanleiding van een door hem in opdracht uitgebracht
deskundigenverslag.
Artikel 344
1. Onder schriftelijke bescheiden
worden verstaan:
1°. beslissingen in den
wettelijken vorm opgemaakt door colleges of personen met
rechtspraak belast, alsmede in de wettelijke vorm opgemaakte
strafbeschikkingen;
2°. processen-verbaal en andere
geschriften, in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges en
personen, die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hunne
mededeeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf
waargenomen of ondervonden;
3°. geschriften opgemaakt door
openbare colleges of ambtenaren, betreffende onderwerpen
behoorende tot den onder hun beheer gestelden dienst, alsmede
geschriften, opgemaakt door een persoon in de openbare dienst
van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke organisatie;
4°. verslagen van deskundigen
met het antwoord op de opdracht die aan hen is verleend tot het
verstrekken van informatie of het doen van onderzoek, gebaseerd
op wat hun wetenschap en kennis hen leren omtrent datgene wat
aan hun oordeel onderworpen is.
5°. alle andere geschriften;
doch deze kunnen alleen gelden in verband met den inhoud van
andere bewijsmiddelen.
2. Het bewijs dat de verdachte het
telastegelegde feit heeft gepleegd, kan door den rechter worden
aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.
Artikel 344a
1. Het bewijs dat de verdachte het
ten laste gelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet
uitsluitend of in beslissende mate worden gegrond op schriftelijke
bescheiden houdende verklaringen van personen wier identiteit niet
blijkt.
2. Een proces-verbaal van een verhoor
bij de rechter-commissaris, houdende de verklaring van een persoon
die als bedreigde getuige is aangemerkt, dan wel de verklaring van
een persoon die als afgeschermde getuige is aangemerkt en wiens
identiteit verborgen is gehouden, kan alleen meewerken tot het
bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan,
indien ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de getuige is een bedreigde
getuige of een afgeschermde getuige en is als zodanig door de
rechter-commissaris gehoord, en
b. het ten laste gelegde feit,
voor zover bewezen, betreft een misdrijf als omschreven in
artikel 67, eerste lid, en levert gezien zijn aard, het
georganiseerd verband waarin het is begaan, of de samenhang met
andere door de verdachte begane misdrijven, een ernstige inbreuk
op de rechtsorde op.
3. Een schriftelijk bescheid houdende
de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kan,
buiten het geval omschreven in het tweede lid, alleen meewerken tot
het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan,
indien ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de bewezenverklaring vindt in
belangrijke mate steun in andersoortig bewijsmateriaal, en
b. door of namens de verdachte is
niet op enig moment in het geding de wens te kennen gegeven om
de in de aanhef bedoelde persoon te ondervragen of te doen
ondervragen.
4. Het bewijs dat de verdachte het
telastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet
uitsluitend worden aangenomen op grond van verklaringen van getuigen
met wie op grond van artikel 226h, derde lid, of 226k een afspraak
is gemaakt.
Vierde afdeeling. Beraadslaging en
uitspraak
Artikel 345
1. Na afloop van het onderzoek wordt
dit door den voorzitter gesloten verklaard en wordt hetzij aanstonds
de uitspraak gedaan, hetzij door den voorzitter mondeling
medegedeeld, wanneer zij, volgens de bepaling der rechtbank zal
plaats vinden.
2. Te bepaalden tijde kan de
uitspraak mondeling tot een naderen dag worden uitgesteld. De
uitspraak kan niet vervroegd worden, tenzij zij gedaan wordt in
tegenwoordigheid van den verdachte.
3. In geen geval mag de uitspraak
later plaats vinden dan op den veertienden dag na de sluiting van
het onderzoek. Daarbij kan volstaan worden met het uitspreken van
een verkort vonnis.
4. Heeft de uitspraak alsdan niet
plaats gehad, dan wordt de zaak op de bestaande telastelegging door
hetzelfde college opnieuw onderzocht.
Artikel 346
1. Ingeval onder de beraadslaging
blijkt dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan de rechtbank
op de terechtzitting bevelen dat op eene door haar te bepalen
terechtzitting het onderzoek worde hervat.
2. Bij het bevel worden tevens
aangewezen de getuigen, deskundigen, tolken en benadeelde partij
wier verhoor of tegenwoordigheid, of de bescheiden of stukken van
overtuiging welker inzage of bezichtiging de rechtbank nodig acht.
3. In dit geval wordt gehandeld als
ware het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, met dien
verstande dat de verplichte oproeping alleen betreft de verdachte,
alsmede de in het bevel aangewezen getuigen, deskundigen, tolken en
benadeelde partij.
Artikel 347
1. Ook kan, in het geval bij het
eerste lid van het voorgaande artikel bedoeld, de rechtbank
overeenkomstig de bepalingen van artikel 316 een onderzoek door den
rechter-commissaris doen plaats vinden.
2. In dit geval wordt gehandeld als
ware het onderzoek voor onbepaalden tijd geschorst.
Artikel 348
De rechtbank onderzoekt op den
grondslag der telastlegging en naar aanleiding van het onderzoek op de
terechtzitting de geldigheid der dagvaarding, hare bevoegdheid tot
kennisneming van het telastegelegde feit en de ontvankelijkheid van
den officier van justitie en of er redenen zijn voor schorsing der
vervolging.
Artikel 349
1. Indien het onderzoek in het
voorgaande artikel bedoeld, daartoe aanleiding geeft, spreekt de
rechtbank uit de nietigheid der dagvaarding, hare onbevoegdheid, de
niet-ontvankelijkheid van den officier van justitie of de schorsing
der vervolging.
2. Indien een feit dat ingevolge
artikel 382 voor de kantonrechter moet worden vervolgd, bij een
andere kamer van de rechtbank aanhangig is gemaakt, kan het feit op
verzoek van de verdachte of ambtshalve worden verwezen naar de
kantonrechter. Zodanige verwijzing is niet mogelijk, indien primair
een feit is ten laste gelegd dat ingevolge artikel 382 niet voor de
kantonrechter wordt vervolgd.
3. Ingeval de officier van justitie
op grond van artikel 264, tweede lid, onder b, weigert een door de
rechter gegeven bevel tot dagvaarding of oproeping van een getuige
ten uitvoer te leggen, terwijl die getuige ingevolge een
onherroepelijke rechterlijke beslissing geen bedreigde getuige of
afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden is,
spreekt de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van de officier van
justitie in zijn vervolging uit.
Artikel 350
Indien het onderzoek in artikel 348
bedoeld, niet leidt tot toepassing van artikel 349, eerste lid,
beraadslaagt de rechtbank op den grondslag der telastlegging en naar
aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de vraag of
bewezen is dat het feit door den verdachte is begaan, en, zoo ja, welk
strafbaar feit het bewezen verklaarde volgens de wet oplevert; indien
wordt aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is, dan
beraadslaagt de rechtbank over de strafbaarheid van den verdachte en
over de oplegging van straf of maatregel, bij de wet bepaald.
Artikel 351
Acht de rechtbank het telastegelegde
feit bewezen, het te zijn een strafbaar feit en den verdachte deswege
strafbaar, dan legt zij op de straf of den maatregel, op het feit
gesteld.
Artikel 352
1. Acht de rechtbank niet bewezen dat
de verdachte het hem telastegelegde feit heeft begaan, dan spreekt
zij hem vrij.
2. Acht de rechtbank het feit
bewezen, doch dit niet te zijn een strafbaar feit of den verdachte
deswege niet strafbaar, dan ontslaat zij hem van alle
rechtsvervolging te dier zake. In het geval, bedoeld in artikel 39
van het Wetboek van Strafrecht, kan zij tevens een maatregel
opleggen als voorzien in artikel 37, 37a, 37b of 77s van het Wetboek
van Strafrecht, indien de wettelijke voorwaarden daarvoor zijn
vervuld.
Artikel 353
1. In het geval van toepassing van
artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, van oplegging van straf
of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging
neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel
94 inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot
teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten
aanzien van het voorwerp onverlet.
2. De rechtbank gelast, onverminderd
artikel 351,
a. de teruggave van het voorwerp
aan degene bij wie het in beslag is genomen;
b. de teruggave van het voorwerp
aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden
aangemerkt; of
c. indien geen persoon als
rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het
voorwerp ten behoeve van de rechthebbende.
3. Op een last als bedoeld in het
tweede lid is artikel 119 van overeenkomstige toepassing.
4. De rechtbank kan de teruggave van
inbeslaggenomen voorwerpen onder zekerheidstelling gelasten. Artikel
118a is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 354
1. In de gevallen, bedoeld in artikel
353, eerste lid, neemt de rechtbank tevens een beslissing over de
met toepassing van artikel 125o ontoegankelijk gemaakte gegevens
indien de desbetreffende maatregelen nog niet zijn opgeheven.
2. De rechtbank kan gelasten dat de
gegevens worden vernietigd indien het gegevens betreft met
betrekking tot welke of met behulp waarvan een strafbaar feit is
begaan, voor zover de vernietiging noodzakelijk is ter voorkoming
van nieuwe strafbare feiten. In alle andere gevallen gelast zij dat
de gegevens weer ter beschikking van de beheerder van het
geautomatiseerd werk worden gesteld.
Artikel 354a
1. Indien ter zake van hetzelfde feit
een strafbeschikking is voorafgegaan, doch geen verzet is gedaan,
vernietigt de rechter de strafbeschikking indien hij de verdachte
vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt.
Indien de rechter de niet-ontvankelijkheid van het openbaar
ministerie uitspreekt, kan hij de strafbeschikking vernietigen.
2. Indien de strafbeschikking reeds
geheel of ten dele ten uitvoer is gelegd, dan houdt de rechtbank
daar bij het bepalen van de op te leggen straf of maatregel rekening
mee.
Artikel 355
1. Indien eene uitspraak bij verstek
is gedaan, kan, nadat deze uitvoerbaar is geworden, de beslissing
der rechtbank ten aanzien van de stukken van overtuiging worden
uitgevoerd, nadat van die stukken, indien de uitspraak nog niet in
kracht van gewijsde is gegaan, eene nauwkeurige beschrijving door
den griffier is opgemaakt en op de griffie nedergelegd.
2. De rechtbank kan van de teruggave
of vernietiging overeenkomstig het voorgaande lid uitzonderen
zoodanige voorwerpen, als zij noodig vindt.
Artikel 356
1. Indien de rechtbank valschheid in
authentiek geschrift aanneemt, verklaart zij bij de uitspraak het
geheele stuk valsch, of wijst zij aan waarin de valschheid bestaat.
2. Zoodra het vonnis in kracht van
gewijsde is gegaan, stelt de griffier eene door hem onderteekende
aanteekening op het stuk, houdende dat dit geheel of gedeeltelijk is
valsch verklaard en vermeldende het vonnis waarbij dit is geschied.
Het in de vorige zin bepaalde is niet van toepassing op akten,
voorkomende in een register van de burgerlijke stand.
3. Grossen, afschriften of
uittreksels van het stuk worden niet uitgegeven, dan met bijvoeging
van de daarop gestelde aanteekening.
Artikel 357
1. Het vonnis behelst voor zooveel
mogelijk naam en voornamen, leeftijd, geboorteplaats, beroep en
woon- of verblijfplaats van den verdachte.
2. Het bevat voorts de namen der
rechters door wie het is gewezen en den dag van de uitspraak.
Artikel 358
1. In de gevallen van artikel 349,
eerste lid, bevat het vonnis de daarbij vermelde beslissingen.
2. In de andere gevallen bevat het
vonnis de beslissing der rechtbank over de punten, bij artikel 350
vermeld.
3. Wordt, in strijd met het te dien
aanzien door den verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer,
artikel 349, eerste lid, niet toegepast of aangenomen dat het
bewezen verklaarde een bepaald strafbaar feit oplevert of dat een
bepaalde strafverminderings- of strafuitsluitingsgrond niet aanwezig
is, dan geeft het vonnis daaromtrent bepaaldelijk eene beslissing.
4. Het vonnis vermeldt verder, in
geval van oplegging van straf of maatregel, de wettelijke
voorschriften waarop deze is gegrond.
5. Alles op straffe van nietigheid.
Artikel 359
1. Het vonnis bevat het ten laste
gelegde alsmede de vordering van de officier van justitie.
2. De beslissingen vermeld in de
artikelen 349, eerste lid, en 358, tweede en derde lid, zijn met
redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van
door de verdachte dan wel door de officier van justitie
uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen
op die daartoe hebben geleid.
3. De beslissing dat het feit door de
verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis
opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en
omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft
bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij
nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman
vrijspraak heeft bepleit.
4. Bij toepassing van artikel 9a of
artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht geeft het vonnis in het
bijzonder redenen op die tot de beslissing hebben geleid.
5. Het vonnis geeft in het bijzonder
de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel
hebben geleid.
6. Bij de oplegging van een straf of
maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het
bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan
wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts
zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling
van de duur van de straf is gelet.
7. Als de maatregel van
terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een
misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de
onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, geeft
het vonnis dit onder opgave van redenen aan.
8. Alles op straffe van nietigheid.
Artikel 359a
1. De rechtbank kan, indien blijkt
dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet
meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de
wet blijken, bepalen dat:
a. de hoogte van de straf in
verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd,
indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg
kan worden gecompenseerd;
b. de resultaten van het
onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen
bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;
c. het openbaar ministerie niet
ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn
van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een
behoorlijke procesorde voldoet.
2. Bij de toepassing van het eerste
lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden
voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat
daardoor wordt veroorzaakt.
3. Het vonnis bevat de beslissingen
vermeld in het eerste lid. Deze zijn met redenen omkleed.
Artikel 360
1. Van het gebruik als bewijsmiddel
van het proces-verbaal van een verhoor bij de rechter-commissaris of
rechtbank, houdende de verklaring
- van de getuige, bedoeld in
artikel 216a, tweede lid of
- van de bedreigde of
afgeschermde getuige, of
- van de getuige verhoord op de
wijze als voorzien in de artikelen 190, derde lid, en290, derde
lid,
of van schriftelijke bescheiden als
bedoeld in artikel 344a, derde lid, geeft het vonnis in het
bijzonder reden.
2. Indien het bewijs mede wordt
aangenomen op de verklaring van een getuige met wie op grond van
artikel 226h, derde lid, of 226k door de officier van justitie een
afspraak is gemaakt, geeft het vonnis daarvan in het bijzonder
reden.
3. Indien na schorsing der vervolging
wegens een geschilpunt van burgerlijk recht van de uitspraak van den
burgerlijken rechter wordt afgeweken, geeft het vonnis ook daarvan
in het bijzonder reden.
4. Alles op straffe van nietigheid.
Artikel 361
1. Indien over de vordering van de
benadeelde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak dient te
worden gedaan, beraadslaagt de rechtbank mede over de
ontvankelijkheid van de benadeelde partij, over de gegrondheid van
haar vordering en over de verwijzing in de kosten door die partij,
de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lidbedoelde geval,
diens ouders of voogd gemaakt. De beraadslaging over de verwijzing
in de kosten vindt ook plaats indien artikel 333 toepassing heeft
gevonden.
2. De benadeelde partij zal alleen
ontvankelijk zijn in haar vordering indien:
a. de verdachte enige straf of
maatregel wordt opgelegd, dan wel in geval van toepassing van
artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en
b. aan haar rechtstreeks schade
is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een
strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het
door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt
gebracht, en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging
rekening is gehouden.
3. Indien behandeling van de
vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank
een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de
rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de
officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat de vordering
in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde
partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet
ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
4. Het vonnis houdt, tenzij de
rechtbank met toepassing van artikel 333 zonder nader onderzoek van
de zaak de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij heeft
uitgesproken, ook in de beslissing van de rechtbank over de
vordering van de benadeelde partij. Deze beslissing is met redenen
omkleed.
5. Indien de rechtbank de in artikel
51g, vierde lid, bedoelde vordering van de benadeelde partij gegrond
oordeelt, dan wijst zij de vordering toe ten laste van de ouders of
de voogd en veroordeelt zij hen de schade te vergoeden.
6. Voorts bevat het vonnis de
beslissing van de rechtbank over de verwijzing in de kosten door de
benadeelde partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde
lid bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt.
Artikel 361a
Heeft de officier van justitie tevens
een vordering ingediend tot het gelasten van gehele of gedeeltelijke
tenuitvoerlegging van een met toepassing van artikel 14a van het
Wetboek van Strafrecht opgelegde straf of een vordering als bedoeld in
artikel 15i, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, dan
beraadslaagt de rechtbank mede over haar bevoegdheid om over de
vordering te oordelen, over de ontvankelijkheid van de officier van
justitie en over de gegrondheid van de vordering. Het vonnis houdt
alsdan, tenzij onbevoegdheid van de rechtbank om over de vordering te
oordelen of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt
uitgesproken, ook de beslissing van de rechtbank over de vordering in.
Artikel 362
1. Het vonnis wordt uitgesproken in
een openbare zitting der rechtbank. De officier van justitie en de
griffier zijn hierbij aanwezig.
2. De uitspraak geschiedt zo mogelijk
door de voorzitter of door een der rechters die over de zaak heeft
geoordeeld.
3. Voor de verdachte die zich tijdens
het onderzoek ter terechtzitting door een tolk heeft laten bijstaan
en die bij de uitspraak aanwezig is, wordt de uitspraak vertolkt.
Artikel 363
1. De verdachte die zich ter zake van
het ter terechtzitting onderzochte feit in voorloopige hechtenis
bevindt, is bij de uitspraak tegenwoordig, tenzij hij daartoe buiten
staat is of hij mondeling of schriftelijk te kennen heeft gegeven
weg te willen blijven.
2. Is zoodanige verdachte tot het
bijwonen der uitspraak buiten staat, dan wordt ten spoedigste het
vonnis hem ter plaatse waar hij wordt gevangen gehouden, door den
griffier voorgelezen, met de kennisgeving in het volgende artikel
voor den voorzitter voorgeschreven. Van een en ander wordt door den
griffier op het vonnis melding gemaakt.
3. Indien de verdachte gevangen wordt
gehouden in een ander arrondissement dan dat waar het rechtsgeding
heeft plaatsgevonden, kan de voorlezing bedoeld in het vorige lid
geschieden door de griffier van de rechtbank in het arrondissement
waar de verdachte wordt gevangen gehouden.
Artikel 364
1. Indien de verdachte bij het
uitspreken van het vonnis tegenwoordig is, geeft de voorzitter hem
mondeling kennis van het rechtsmiddel dat tegen het vonnis
openstaat, en van de termijn, waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden
aangewend.
2. De verdachte die niet op de
terechtzitting aanwezig is, kan na kennisneming van de uitspraak
zijn raadsman machtigen af te zien van het instellen van een
rechtsmiddel.
Artikel 365
1. Het vonnis wordt binnen tweemaal
vier en twintig uren na de uitspraak onderteekend door de rechters
die over de zaak hebben geoordeeld, en door den griffier die bij de
beraadslaging tegenwoordig is geweest.
2. Zoo één of meer hunner daartoe
buiten staat zijn, wordt hiervan aan het slot van het vonnis melding
gemaakt.
3. Zoodra het vonnis is geteekend en
in ieder geval na afloop van den termijn in het eerste lid vermeld,
kan de verdachte of zijn raadsman daarvan en van het proces-verbaal
der terechtzitting kennis nemen. De voorzitter verstrekt desgevraagd
een afschrift van het vonnis en het proces-verbaal aan de verdachte
en zijn raadsman.
4. De voorzitter verstrekt
desgevraagd een afschrift van het vonnis en het proces-verbaal der
terechtzitting aan ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman,
tenzij verstrekking naar het oordeel van de voorzitter ter
bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie het
vonnis is gewezen of van de derden die in het vonnis of in het
proces-verbaal worden genoemd, geheel of gedeeltelijk dient te
worden geweigerd. In het laatste geval kan de voorzitter een
geanonimiseerd afschrift of een uittreksel van het vonnis en het
proces-verbaal verstrekken.
5. Onder het vonnis zijn begrepen de
stukken die aan de uitspraak zijn gehecht. Van andere tot het
strafdossier behorende stukken wordt geen afschrift of uittreksel
verstrekt.
Artikel 365a
1. Zolang geen gewoon rechtsmiddel is
aangewend kan worden volstaan met het wijzen van een verkort vonnis.
2. Een verkort vonnis waartegen een
gewoon rechtsmiddel is aangewend wordt aangevuld met de
bewijsmiddelen bedoeld in artikel 359, derde lid, dan wel, voor
zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, wordt toegepast, een
opgave van bewijsmiddelen tenzij het rechtsmiddel meer dan drie
maanden na de uitspraak is aangewend of sprake is van een vonnis als
bedoeld in artikel 410a, eerste lid.
3. Aanvulling geschiedt binnen vier
maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel, of indien de
verdachte zich alsdan terzake van het ter terechtzitting onderzochte
feit in voorlopige hechtenis bevindt, binnen drie maanden, na het
aanwenden van het rechtsmiddel.
Artikel 365b
1. De aanvulling bedoeld in artikel
365a, tweede lid, wordt ondertekend door een van de rechters die het
verkorte vonnis hebben gewezen of bij hun ontstentenis door de
voorzitter van het gerecht.
2. Artikel 365, derde tot en met
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 365c
1. Aan een vordering van de officier
van justitie of een verzoek van de verdachte of diens raadsman,
strekkende om een verkort vonnis aan te vullen, wordt gevolg
gegeven, indien de vordering of het verzoek binnen drie maanden na
de uitspraak is gedaan.
2. Aan een zodanig verzoek van de
benadeelde partij wordt gevolg gegeven, tenzij daarmee geen redelijk
belang is gediend.
3. Artikel 365b is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 366
1. De officier van justitie doet de
mededeling van het vonnis dat de beslissing van de rechtbank op
grond van artikel 349, 351 of 352, tweede lid, bevat en dat buiten
de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig
mogelijk aan hem betekenen.
2. Deze mededeling wordt niet gedaan
a. aan de verdachte aan wie de
dagvaarding of aan wie de oproeping voor de nadere
terechtzitting na schorsing van het onderzoek voor onbepaalde
tijd, in persoon is betekend,
b. aan de verdachte die op de
terechtzitting of op de nadere terechtzitting aanwezig is
geweest,
c. indien zich anderszins een
omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag
van de terechtzitting dan wel die van de nadere terechtzitting
de verdachte tevoren bekend was.
3. De mededeling vermeldt de rechter
die het vonnis heeft gewezen, de dagtekening van het vonnis, de
benaming van het strafbaar feit met vermelding van de plaats en het
tijdstip waarop het zou zijn begaan, en voor zoveel in het vonnis
vermeld, naam en voornamen, geboortedatum en -plaats, en de woon- of
verblijfplaats van de verdachte.
Artikel 366a
1. In geval artikel 14a of 77x van
het Wetboek van Strafrecht is toegepast, kan vanwege het openbaar
ministerie aan de verdachte aanstonds na de uitspraak op de
terechtzitting een mededeling in persoon worden uitgereikt. De
mededeling houdt in de straf waartoe de verdachte is veroordeeld,
alle beslissingen die betrekking hebben op de in artikel 14c of 77z
van het Wetboek van Strafrecht omschreven algemene en bijzondere
voorwaarden en de datum van de ingang van de proeftijd, indien de
verdachte afziet van het instellen van een rechtsmiddel.
2. Indien van het vonnis op grond van
artikel 366, tweede lid, geen mededeling behoeft te worden gedaan en
indien artikel 14a of 77x van het Wetboek van Strafrecht is
toegepast, wordt de mededeling bedoeld in het eerste lid, aan de
niet op de terechtzitting waarop de uitspraak wordt gedaan
verschenen verdachte toegezonden over de post. Deze toezending
geschiedt ook indien de uitreiking in persoon, bedoeld in het eerste
lid, niet heeft plaats gevonden.
3. In alle overige gevallen wordt de
mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan de verdachte in persoon
betekend. Deze mededeling bevat tevens de in artikel 366, eerste en
derde lid, genoemde gegevens.
4. Het eerste tot en met derde lid is
van overeenkomstige toepassing ingeval artikel 22c of 77m van het
Wetboek van Strafrecht is toegepast.
Titel VII. Bijzondere bepalingen voor
het rechtsgeding voor de politierechter
Artikel 367
Op het rechtsgeding voor de
politierechter, bedoeld in artikel 51 van de Wet op de rechterlijke
organisatie, vinden titels V en VI van Boek II en titel IIIb van boek
IV overeenkomstige toepassing, voor zover in deze Titel niet anders is
bepaald, en met dien verstande dat de politierechter de bevoegdheden
bezit die aan de voorzitter van de meervoudige kamer toekomen.
Artikel 368
Het rechtsgeding wordt voor de
politierechter vervolgd indien naar het aanvankelijke oordeel van het
openbaar ministerie de zaak van eenvoudige aard is, in het bijzonder
ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet, terwijl de
te requireren gevangenisstraf niet meer dan een jaar mag bedragen.
Artikel 369
1. De politierechter is niet bevoegd
tot oplegging van een gevangenisstraf van meer dan een jaar.
2. Indien de politierechter oordeelt
dat de zaak door een meervoudige kamer van de rechtbank moet worden
behandeld, verwijst hij de zaak daarheen. Dit geschiedt in elk geval
indien naar het oordeel van de politierechter de toepassing van
artikel 37a, eerste lid, of artikel 38m van het Wetboek van
Strafrecht in overweging behoort te worden genomen.
Artikel 370
1. De termijn van dagvaarding is ten
minste drie dagen.
2. Ingeval de termijn van dagvaarding
korter is dan acht dagen moet het bezwaarschrift, bedoeld in artikel
250, eerste lid, of artikel 262, eerste lid, worden ingediend voor
het tijdstip van de terechtzitting dat in de dagvaarding staat
vermeld.
Artikel 370a
1. Aan de verdachte die is
aangehouden voor een strafbaar feit dat voor de politierechter wordt
vervolgd, kan een verkorte dagvaarding worden uitgereikt.
2. De verkorte dagvaarding bevat:
a. een oproeping om een bepaalde
dag en uur op de terechtzitting voor de politierechter te
verschijnen terzake van een kort omschreven feit;
b. de mededeling van de rechten
en bevoegdheden, op welke de verdachte ingevolge artikel 260,
derde lid, opmerkzaam moet worden gemaakt;
c. de aankondiging dat de
verkorte dagvaarding zal worden aangevuld en een mededeling over
de rechtsgevolgen die zijn verbonden aan het al dan niet
verschijnen op de terechtzitting.
3. De verkorte dagvaarding wordt voor
de terechtzitting aangevuld met een telastlegging die voldoet aan de
eisen van artikel 261, eerste lid; deze aanvulling wordt ten minste
drie dagen voor de terechtzitting toegezonden aan het door de
verdachte opgegeven adres.
Artikel 371
In geval de verdachte is gedagvaard om
voor de politierechter te verschijnen, kan de politierechter optreden
als raadkamer met betrekking tot:
a. de beslissing tot uitstel van
het onderzoek op de terechtzitting, bedoeld in artikel 250, eerste
lid, of in artikel 262, derde lid;
b. de behandeling van de vordering
van de officier van justitie, bedoeld in artikel 68, derde lid;
c. de behandeling van het
bezwaarschrift tegen de dagvaarding.
Artikel 372
Wanneer de verdachte bij zijn eerste
verschijning op de terechtzitting in het belang van zijn verdediging
uitstel verzoekt, schorst de politierechter het onderzoek voor
bepaalde tijd, indien het verzoek hem gegrond voorkomt.
Artikel 373
De officier van justitie is bevoegd
getuigen, deskundigen en tolken mondeling op te roepen of te doen
oproepen om voor de politierechter te verschijnen. In het laatste
geval geschiedt de oproeping door ambtenaren of functionarissen die
Onze Minister van Justitie daartoe heeft aangewezen.
Artikel 374
1. Tenzij de ter terechtzitting
verschenen verdachte of zijn aldaar aanwezige raadsman voorlezing of
mededeling van de korte inhoud van bepaald aangeduide stukken
verlangt, kan de politierechter in plaats van de voorlezing van de
processen-verbaal, de verslagen van deskundigen of andere stukken
vermeld in artikel 301, gelasten dat in het proces-verbaal van de
terechtzitting wordt aangetekend dat die stukken zijn overgelegd;
daarop mag ook ten bezware van de verdachte acht worden geslagen.
2. De politierechter die tegen de
niet verschenen verdachte verstek heeft verleend, kan afzien van het
afzonderlijk melding maken van de in het eerste lid bedoelde
stukken, dan wel afzien van het geven van de in het eerste lid
bedoelde last.
Artikel 375
1. Indien de verdachte overeenkomstig
artikel 53 is aangehouden en aan de officier van justitie is
voorgeleid, kan hij worden gedagvaard om voor de politierechter te
verschijnen en nog diezelfde dag ter terechtzitting worden geleid.
Artikel 279 en de termijn bedoeld in artikel 370 blijven in dit
geval buiten toepassing.
2. Na aanhouding van de verdachte
ingevolge artikel 53 door een opsporingsambtenaar, kunnen door die
ambtenaar mondeling getuigen worden uitgenodigd om te verschijnen
voor de officier van justitie of de hulpofficier van justitie, aan
wie de verdachte wordt voorgeleid.
3. Indien de verdachte op de wijze
bedoeld in het eerste lid is gedagvaard, kan de dagvaarding, in
afwijking van artikel 261, eerste lid, bestaan in een korte
aanduiding van het telastegelegde feit.
Artikel 376
1. Indien de dagvaarding
overeenkomstig artikel 375, derde lid heeft bestaan in een korte
aanduiding van het telastegelegde feit, doet de officier van
justitie ter terechtzitting bij de voordracht van de zaak mondeling
en na voorlezing, schriftelijk nadere opgave van het feit.
2. De nadere opgave voldoet aan de
eisen van artikel 261, eerste lid; zij geldt voor wat betreft de
grondslag van de verdere vervolging als dagvaarding.
Artikel 377
1. Bij toepassing van artikel 369,
tweede lid, wordt de zaak op de bestaande telastlegging voor de
meervoudige kamer aanhangig gemaakt door aanzegging of oproeping van
de verdachte vanwege de officier van justitie tegen de dag van de
nadere terechtzitting. De artikelen 260, tweede lid, 263 en 265 zijn
van toepassing.
2. De zaak wordt op de gewone wijze
voortgezet, met dien verstande dat de beraadslaging bedoeld in de
artikelen 348 en 350, mede geschiedt naar aanleiding van het
onderzoek op de terechtzitting voor de politierechter, zoals dit
volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaats
gehad. Artikel 322, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De rechtbank beveelt dat het
onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen, tenzij de
officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de
stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de verwijzing
bevond.
Artikel 378
1. De politierechter geeft na de
sluiting van het onderzoek op de terechtzitting hetzij onmiddellijk
hetzij diezelfde dag op een door hem bij de sluiting van het
onderzoek te bepalen uur mondeling vonnis.
2. Het vonnis wordt in het
proces-verbaal der terechtzitting aangetekend op de wijze door de
Minister van Justitie te bepalen
a. indien de politierechter dit
ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op
het verzoek van de verdachte of zijn raadsman, bij de uitspraak
bepaalt;
b. indien de officier van
justitie, de verdachte of zijn raadsman, dan wel de benadeelde
partij uiterlijk drie maanden na de uitspraak daartoe een
vordering indient of het verzoek doet;
c. indien een gewoon rechtsmiddel
tegen het vonnis is aangewend, tenzij het aanwenden van het
rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is geschied
of sprake is van een vonnis als bedoeld in artikel 410a, eerste
lid;
d. indien het vonnis bij verstek
is gewezen en de dagvaarding niet in persoon is betekend en zich
geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de
dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting aan de
verdachte bekend was, terwijl op de terechtzitting getuigen of
deskundigen zijn gehoord dan wel een benadeelde partij zich in
het strafproces heeft gevoegd, tenzij sprake is van een vonnis
als bedoeld in artikel 410a, eerste lid.
3. Zodra het proces-verbaal der
terechtzitting is getekend, kunnen de verdachte en zijn raadsman
daarvan kennis nemen. De politierechter verstrekt desgevraagd een
afschrift van het proces-verbaal aan de verdachte en zijn raadsman.
4. Artikel 365, vierde en vijfde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 378a
1. Behoudens het bepaalde in artikel
378, tweede lid, en indien schriftelijk vonnis wordt gewezen, blijft
het opmaken van het proces-verbaal der terechtzitting achterwege en
wordt de uitspraak binnen tweemaal vier en twintig uur op een aan
het dubbel van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De
aantekening wordt door de politierechter gewaarmerkt.
2. De gegevens die de aantekening,
bedoeld in het vorige lid, moet bevatten, worden, onverminderd het
bepaalde in artikel 381, derde lid, vastgesteld door Onze Minister
van Justitie. De aantekening vermeldt in ieder geval:
1°. de naam van de
politierechter, de dag van de uitspraak en de omstandigheid of
de uitspraak bij verstek of op tegenspraak is gedaan;
2°. indien een veroordeling is
uitgesproken, het strafbare feit dat het bewezenverklaarde
oplevert;
3°. de opgelegde straf of
maatregel, alsmede de wettelijke voorschriften waarop deze is
gegrond.
3. Indien de aanduiding van het feit
in de dagvaarding bij de nadere opgave van het feit op grond van
artikel 376, eerste lid, is verbeterd of aangevuld, geschiedt de
aantekening nadat de verbetering of aanvulling in het dubbel is
verwerkt en door de politierechter is gewaarmerkt.
4. Zodra de aantekening is
gewaarmerkt, kunnen de verdachte en zijn raadsman daarvan kennis
nemen. De politierechter verstrekt desgevraagd een afschrift van de
aantekening aan de verdachte en zijn raadsman.
5. Wordt alsnog aan artikel 378,
tweede lid, onder b of c, toepassing gegeven, dan komt de in de
vorige leden van dit artikel bedoelde aantekening te vervallen. De
griffier haalt alsdan de aantekening door.
Artikel 379
1. De politierechter is bevoegd een
schriftelijk vonnis te wijzen. Op vordering van de officier van
justitie of op verzoek van de verdachte of zijn raadsman of van de
benadeelde partij is hij daartoe verplicht, tenzij naar zijn oordeel
daarmee geen redelijk belang is gediend.
2. De uitspraak mag alsdan in geen
geval later plaatsvinden dan op de veertiende dag na sluiting van
het onderzoek.
3. Artikel 345, laatste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 380
Indien de politierechter of de
plaatsvervanger die over de zaak geoordeeld heeft, tot de uitspraak
van het schriftelijk vonnis buiten staat is, geschiedt zij, in het
eerste geval door een plaatsvervanger en, in het tweede geval, door
den politierechter of een andere plaatsvervanger.
Artikel 381
1. Zowel de officier van justitie als
de verdachte kunnen na de mededeling betreffende het rechtsmiddel
dat tegen het vonnis openstaat, ter terechtzitting afstand doen van
de bevoegdheid om dat rechtsmiddel aan te wenden. Op zijn recht
daartoe wordt de verdachte opmerkzaam gemaakt.
2. Afstand ter terechtzitting van
rechtsmiddelen wordt in het proces-verbaal dier terechtzitting
vermeld.
3. Indien het opmaken van het
proces-verbaal van de terechtzitting achterwege is gebleven,
geschiedt de vermelding, dat afstand van rechtsmiddelen is gedaan,
in de aantekening, bedoeld in artikel 378a, eerste lid.
Titel VIII. Bijzondere bepalingen voor
het rechtsgeding voor de kantonrechter
Artikel 382
Voor de kantonrechter worden vervolgd,
rechtsgedingen inzake:
a. misdrijven, bedoeld in artikel
314 van het Wetboek van Strafrecht, voorzover de verdachte op het
tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen de leeftijd
van achttien jaren heeft bereikt;
b. overtredingen, met uitzondering
van:
1°. overtredingen, bedoeld in
de artikelen 447c, 447d, 465–467 en 468, onder 1°, van het
Wetboek van Strafrecht;
2°. overtredingen inzake
belastingen, tenzij het betreft een overtreding van
voorschriften met betrekking tot parkeren als bedoeld in
artikel 225 van de Gemeentewet;
3°. overtredingen, bedoeld in
artikelen 10, eerste lid, en 11, eerste lid, van de Opiumwet;
4°. overtredingen, bedoeld in
artikel 19 van de Wet afbreking zwangerschap;
5°. overtredingen, waarvan de
kennisneming bij wet aan een andere rechter dan de
kantonrechter is opgedragen;
6°. overtredingen, begaan door
personen die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is
aangevangen de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben
bereikt, indien het feit samenhangt met een misdrijf of een
overtreding als bedoeld onder 1° tot en met 5°.
Artikel 383
De zaak wordt bij de kantonrechter
vanwege het openbaar ministerie ter terechtzitting aanhangig gemaakt:
hetzij door oproeping;
hetzij door dagvaarding.
Artikel 384
1. Het aanhangig maken door oproeping
kan geschieden bij alle strafbare feiten waarbij dit niet
uitdrukkelijk is uitgesloten. De uitsluiting geschiedt, gehoord het
openbaar ministerie, bij algemene maatregel van bestuur.
2. Het openbaar ministerie bij de
rechtbank kan ten aanzien van het al of niet aanhangig maken door
oproeping, van zaken die voor de kantonrechter worden gebracht aan
de opsporingsambtenaren de nodige algemene of bijzondere
voorschriften geven.
Artikel 385
1. Het aanhangig maken van de zaak
door oproeping kan enkel plaatsvinden in geval van ontdekking op
heter daad door een opsporingsambtenaar. Het aanhangig maken
geschiedt doordat de opsporingsambtenaar een door hem gedagtekende
en ondertekende oproeping aan de verdachte uitreikt.
2. Bij de uitreiking worden inhoud en
strekking van de oproeping aan de verdachte, zo mogelijk, mondeling
kort toegelicht.
3. Wordt een oproeping door de
verdachte niet aangenomen, dan geldt het tijdstip van de weigering
van de verdachte als tijdstip van uitreiking.
4. Van de inhoud en van het uitreiken
van de oproeping dan wel van het aanbieden en weigeren van de
oproeping en de reden van weigering maakt de opsporingsambtenaar in
zijn proces-verbaal melding.
5. In geval van aanhouding van de
verdachte overeenkomstig artikel 53, kan hem onverwijld een
oproeping worden uitgereikt teneinde nog op diezelfde dag ter
terechtzitting van de kantonrechter te verschijnen. De verdachte
wordt eerst voor het bevoegde openbaar ministerie en vervolgens voor
de kantonrechter geleid. Artikelen 386, tweede en derde lid, en 398,
onder 2°, blijven in dit geval buiten toepassing.
Artikel 386
1. De oproeping voldoet aan de eisen
die in artikel 261, eerste lid, aan de dagvaarding zijn gesteld, met
dien verstande dat met een korte aanduiding van het feit kan worden
volstaan.
2. Bij de oproeping wordt vermeld dat
de korte aanduiding van het feit bij de aanvang van het onderzoek op
de zitting zal worden aangevuld of verbeterd. De schriftelijke
aanvulling of verbetering kan tien dagen voor de aanvang van de
terechtzitting op de griffie van de rechtbank worden ingezien.
3. De aanvulling of verbetering
bedoeld in het tweede lid wordt over de post toegezonden aan het
door de verdachte opgegeven adres.
Artikel 387
De officier van justitie kan voor de
aanvang van de terechtzitting aan de verdachte schriftelijk of
mondeling mededeling doen van de intrekking van de oproeping.
Artikel 388
1. De vereisten, waaraan het
formulier van de oproeping van de verdachte om ter terechtzitting te
verschijnen moet voldoen, worden vastgesteld door Onze Minister van
Justitie.
2. De Minister van Justitie is
bevoegd nadere voorschriften te geven ter uitvoering van de
artikelen 384–387.
Artikel 389 [Vervallen per 01-02-1940]
Artikel 390
1. In zaken, welke door oproeping op
den dag zelven ter terechtzitting aanhangig zijn gemaakt, kunnen
getuigen door den ambtenaar, die het feit heeft opgespoord, worden
uitgenoodigd om ter terechtzitting van de kantonrechter te
verschijnen. De uitnoodiging wordt op de wijze als is voorzien in
artikel 587, tweede lid, uitgereikt aan den persoon van den getuige
of te zijner woon- of verblijfplaats aan een zijner huisgenooten.
2. Een dubbel der uitnoodiging wordt
bij de processtukken gevoegd.
3. Indien het openbaar ministerie de
oproeping van den verdachte intrekt of oordeelt, dat de zaak op eene
latere terechtzitting moet worden aangebracht, geeft het onverwijld,
op de wijze door het openbaar ministerie te bepalen, aan de
ingevolge dit artikel uitgenoodigde getuigen kennis, dat hunne
uitnoodiging wordt ingetrokken. Het formulier der uitnoodigingen, in
dit artikel bedoeld, wordt vastgesteld door den Minister van
Justitie. Deze is bevoegd nadere voorschriften te geven ter
uitvoering van dit artikel.
Artikel 391
Het openbaar ministerie is in zaken die
voor de kantonrechter worden gebracht, bevoegd getuigen, deskundigen
en tolken mondeling op te roepen of door een ambtenaar, aangesteld
voor de uitvoering van de politietaak, dan wel een andere ambtenaar of
functionaris, voor zover die ambtenaar of functionaris door Onze
Minister van Justitie daartoe is aangewezen, mondeling te doen
oproepen om ter terechtzitting van de kantonrechter te verschijnen.
Artikel 392
1. Indien de zaak aanhangig is
gemaakt door oproeping, is artikel 280, eerste lid, betreffende het
verstek van toepassing.
2. De artikelen 366 en 408 met
betrekking tot een dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen,
welke aan de verdachte in persoon is betekend, zijn van
overeenkomstige toepassing op een oproeping die aan de verdachte in
persoon is uitgereikt.
Artikel 393
1. Indien de zaak aanhangig is
gemaakt door een oproeping die een korte aanduiding van het
telastegelegde feit bevat, legt het openbaar ministerie bij de
aanvang van het onderzoek ter terechtzitting de schriftelijk nadere
opgave van het telastegelegde feit over aan de kantonrechter en aan
de verdachte op diens verzoek.
2. De nadere opgave geldt voor wat
betreft de grondslag voor de verdere vervolging als dagvaarding.
Artikel 394
Wanneer de verdachte bij zijn eerste
verschijning op de terechtzitting in het belang van zijn verdediging
uitstel verzoekt, schorst de kantonrechter het onderzoek voor een
bepaalde tijd, indien dit verzoek hem gegrond voorkomt.
Artikel 395
1. De kantonrechter geeft na de
sluiting van het onderzoek op de terechtzitting hetzij onmiddellijk
hetzij diezelfde dag op een door hem bij de sluiting van het
onderzoek te bepalen uur mondeling vonnis. De artikelen 357 en 359,
derde en vijfde lid, blijven buiten toepassing.
2. Het vonnis wordt in het
proces-verbaal der terechtzitting aangetekend op de wijze door de
Minister van Justitie te bepalen
a. indien de kantonrechter dit
ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op
het verzoek van de verdachte of zijn raadsman, bij de uitspraak
bepaalt;
b. indien de officier van
justitie, de verdachte of zijn raadsman dan wel de benadeelde
partij uiterlijk drie maanden na de uitspraak daartoe een
vordering indient of het verzoek doet;
c. indien een gewoon rechtsmiddel
tegen het vonnis is aangewend, tenzij het aanwenden van het
rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is geschied
of sprake is van een vonnis als bedoeld in artikel 410a, eerste
lid;
d. indien het vonnis bij verstek
is gewezen en de dagvaarding niet in persoon is betekend en zich
geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de
dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting aan de
verdachte bekend was, terwijl op de terechtzitting getuigen of
deskundigen zijn gehoord dan wel een benadeelde partij zich in
het strafproces heeft gevoegd, tenzij sprake is van een vonnis
als bedoeld in artikel 410a, eerste lid.
3. Zodra het proces-verbaal der
terechtzitting is getekend, kunnen de verdachte en zijn raadsman
daarvan kennis nemen. De kantonrechter verstrekt desgevraagd een
afschrift van het proces-verbaal aan de verdachte en zijn raadsman.
4. Artikel 365, vierde en vijfde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 395a
1. Behoudens het bepaalde in artikel
395, tweede lid, en indien schriftelijk vonnis wordt gewezen, blijft
het opmaken van het proces-verbaal der terechtzitting achterwege en
wordt de uitspraak binnen tweemaal vier en twintig uur op een aan
het dubbel van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De
aantekening wordt door de kantonrechter gewaarmerkt.
2. De gegevens die de aantekening,
bedoeld in het vorige lid, moet bevatten, worden, onverminderd het
bepaalde in artikel 397a, derde lid, vastgesteld door de Minister
van Justitie. De aantekening vermeldt in ieder geval:
1°. de naam van de
kantonrechter, de dag van de uitspraak en de omstandigheid of de
uitspraak bij verstek of op tegenspraak is gedaan;
2°. indien een veroordeling is
uitgesproken, het strafbare feit dat het bewezenverklaarde
oplevert;
3°. de opgelegde straf of
maatregel.
3. Zodra de aantekening is
gewaarmerkt, kunnen de verdachte en zijn raadsman daarvan kennis
nemen. De kantonrechter verstrekt desgevraagd een afschrift van de
aantekening aan de verdachte en zijn raadsman.
4. Wordt alsnog aan artikel 395,
tweede lid, onder b of c, toepassing gegeven, dan komt de in de
vorige leden van dit artikel bedoelde aantekening te vervallen. De
griffier haalt alsdan de aantekening door.
Artikel 396
1. De kantonrechter is bevoegd een
schriftelijk vonnis te wijzen. Op vordering van de officier van
justitie of op verzoek van de verdachte of zijn raadsman of van de
benadeelde partij is hij daartoe verplicht, tenzij naar zijn oordeel
daarmee geen redelijk belang is gediend.
2. De uitspraak mag alsdan in geen
geval later plaatsvinden dan op de veertiende dag na sluiting van
het onderzoek.
3. Artikel 345, laatste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 397
Indien de kantonrechter die over de
zaak heeft geoordeeld, tot de uitspraak van het schriftelijk vonnis
buiten staat is, geschiedt zij door een andere kantonrechter van
dezelfde rechtbank.
Artikel 397a
1. Zowel de officier van justitie als
de verdachte kunnen na de mededeling betreffende het rechtsmiddel
dat tegen het vonnis openstaat, ter terechtzitting afstand doen van
de bevoegdheid om dat rechtsmiddel aan te wenden. Op zijn recht
daartoe wordt de verdachte opmerkzaam gemaakt.
2. Afstand ter terechtzitting van
rechtsmiddelen wordt in het proces-verbaal dier terechtzitting
vermeld.
3. Indien het opmaken van het
proces-verbaal van de terechtzitting achterwege is gebleven,
geschiedt de vermelding, dat afstand van rechtsmiddelen is gedaan,
in de aantekening, bedoeld in artikel 395a, eerste lid.
Artikel 398
Op het rechtsgeding bij de
kantonrechter zijn overigens de Vijfde Titel en de Zesde Titel van dit
Boek van overeenkomstige toepassing, behoudens de navolgende
uitzonderingen:
1°. Indien door de
rechter-commissaris overeenkomstig de Zevende Titel van het Vierde
Boek bevelen tot handhaving der openbare orde zijn gegeven, is de
termijn van dagvaarding ten minste twee dagen. Deze termijn wordt,
zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste één dag
voorkomt, die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende
feestdag is.
2°. De verdachte kan, tenzij hij
vervolgd wordt ter zake van misdrijf of de kantonrechter beveelt
dat hij in persoon zal verschijnen, zich op de terechtzitting doen
vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze aldaar verklaart
daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of wel door een
daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.
3°. De bepalingen betrekkelijk de
voordracht van de zaak door het openbaar ministerie, de voorlopige
hechtenis en het bezwaarschrift tegen de dagvaarding zijn niet van
toepassing.
4°. In geval van artikel 295 wordt
geen gerechtelijk vooronderzoek gelast, doch worden de stukken
toegezonden aan de officier van justitie bij de rechtbank, bevoegd
tot kennisneming van het misdrijf.
5°. Tenzij de ter terechtzitting
verschenen verdachte of zijn aldaar aanwezige raadsman voorlezing
of mededeling van de korte inhoud van bepaald aangeduide stukken
verlangt, kan de kantonrechter in plaats van de voorlezing van de
processen-verbaal, de verslagen van deskundigen of andere stukken
vermeld in artikel 301, gelasten dat in het proces-verbaal van de
terechtzitting wordt aangetekend dat die stukken zijn overgelegd;
daarop mag ook ten bezware van de verdachte acht worden geslagen.
6°. [Vervallen.]
7°. [Vervallen.]
8°. [Vervallen.]
9°. [Vervallen.]
10°. De ambtenaar van het openbaar
ministerie behoeft bij de uitspraak van het vonnis niet
tegenwoordig te zijn.
11°. [Vervallen.]
12°. [Vervallen.]
13°. [Vervallen.]
14°. De in artikel 366 bedoelde
mededeling behoeft niet te geschieden tenzij:
a. ten aanzien van de verdachte
artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, dan
wel,
b. een vrijheidsstraf is
opgelegd, vervangende vrijheidsstraf daaronder niet begrepen,
dan wel,
c. een bijkomende straf is
opgelegd, waarbij de ontzetting van bepaalde rechten of de
ontzegging van bepaalde bevoegdheden is uitgesproken.
Derde Boek. Rechtsmiddelen
A. Gewone rechtsmiddelen
Titel I [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 399 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 400 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 401 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 402 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 403 [Vervallen per 01-03-2007]
Titel II. Hooger beroep van uitspraken
Artikel 404
1. Tegen de vonnissen betreffende
misdrijven, door de rechtbank als einduitspraak of in de loop van
het onderzoek ter terechtzitting gegeven, staat hoger beroep open
voor de officier van justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft
gewezen, en voor de verdachte die niet van de gehele telastlegging
is vrijgesproken.
2. Tegen de vonnissen betreffende
overtredingen, door de rechtbank alseinduitspraak of in de loop van
het onderzoek gegeven, staat hoger beroep open voor de officier van
justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, en voor de
verdachte die niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken,
tenzij terzake in de einduitspraak:
a. met toepassing van artikel 9a
van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd
opgelegd, of
b. geen andere straf of maatregel
werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer
bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd,
geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van € 50.
3. In afwijking van het tweede lid
staat voor de verdachte hoger beroep open tegen een bij verstek
gewezen vonnis als bedoeld in het tweede lid, onder a en b, indien
de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting in eerste aanleg
te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere
terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of
betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit
voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere
terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. De vorige zin is
niet van toepassing in geval de dagvaarding of oproeping binnen zes
weken nadat door de verdachte op de voet van artikel 257e verzet is
gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming
van artikel 588a.
4. Tegen de in het tweede lid, onder
a en b, bedoelde vonnissen waartegen geen hoger beroep openstaat,
staat evenmin beroep in cassatie open, tenzij zij een overtreding
betreffen van een verordening van een provincie, een gemeente, een
waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke
regelingen ingesteld openbaar lichaam.
5. Zijn in eerste aanleg strafbare
feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank onderworpen, dan kan
de verdachte alleen hoger beroep instellen van die gevoegde zaken
waarin hij niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken.
Artikel 405 [Vervallen per 01-01-1936]
Artikel 406
1. Tegen vonnissen die geen
einduitspraken zijn, is het hoger beroep slechts gelijktijdig met
dat tegen de einduitspraak toegelaten.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing in het geval dat hoger beroep wordt aangetekend tegen het
bevel tot gevangenhouding of gevangenneming en tegen de afwijzing
van een verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding of
gevangenneming.
Artikel 407
1. Het hooger beroep kan slechts
tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld.
2. Zijn echter in eersten aanleg
strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank
onderworpen, dan kan het hooger beroep tot het vonnis voor zoover
dit eene of meer der gevoegde zaken betreft, worden beperkt.
Artikel 408
1. Het hoger beroep moet binnen
veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om
op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of
oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in
persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de
terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een
omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag
van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de
verdachte tevoren bekend was;
d. de dagvaarding of oproeping
binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van artikel
257e verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend
met inachtneming vanartikel 588a en in eerste aanleg geen
onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die
vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.
2. In andere gevallen dan de in het
eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen
veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit
voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing in geval van een verstrekking van een afschrift van het
vonnis, als bedoeld in artikel 45b van de Overleveringswet.
4. Indien het onderzoek op de
terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of
oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of
betekend, dan is de termijn bedoeld in het tweede lid van
toepassing, tenzij
a. de verdachte op de nadere
terechtzitting is verschenen of
b. zich anderszins een
omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag
van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
Indien een van deze twee
uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van
het eerste lid van toepassing.
Artikel 408a
Indien het hoger beroep is ingesteld
door de verdachte in persoon of door een gemachtigde ingevolge artikel
450, eerste en tweede lid, kan aanstonds een oproeping van de
verdachte worden betekend om tegen een bepaalde datum ter
terechtzitting te verschijnen, ten einde terecht te staan ter zake van
een of meer van de feiten hem in eerste aanleg telastegelegd.
Artikel 409
1. Nadat hooger beroep is ingesteld,
zendt de griffier van de rechtbank de stukken van het geding zoo
spoedig mogelijk aan den griffier van het gerechtshof.
2. Indien hoger beroep alleen door de
officier van justitie is ingesteld, geschiedt de inzending niet of
wordt aan haar, heeft zij ten onrechte plaatsgehad, geen gevolg
gegeven, dan nadat het beroep aan de verdachte is betekend.
3. Is het hoger beroep door de
officier van justitie de verdachte niet in persoon betekend, dan
vindt het tweede lid overeenkomstige toepassing, zolang de termijn
voor het instellen van hoger beroep voor de verdachte niet is
verstreken dan wel, indien de verdachte inmiddels hoger beroep heeft
ingesteld, zolang de termijn voor het indienen van een schriftuur
als bedoeld in artikel 410 niet is verstreken.
4. Indien de officier van justitie
hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis waarbij de verdachte
van de gehele telastlegging is vrijgesproken, terwijl het vonnis is
gewezen nadat de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting in
eerste aanleg te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de
nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of
betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit
voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere
terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, geschiedt de
inzending niet of wordt aan haar, heeft zij ten onrechte
plaatsgehad, geen gevolg gegeven, dan nadat het hoger beroep aan de
verdachte in persoon is betekend.
Artikel 410
1. De officier van justitie dient
binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een
schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat
het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien
dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende
grieven, indienen.
2. De schriftuur wordt onverwijld bij
de processtukken gevoegd.
3. De verdachte kan, onverminderd
artikel 414, in de schriftuur opgeven welke getuigen en deskundigen
hij ter terechtzitting wil doen oproepen. Deze opgave wordt als een
opgave in de zin van artikel 263, tweede lid, aangemerkt. Artikel
264 is van overeenkomstige toepassing. De advocaat-generaal kan, in
het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft
plaatsgevonden, oproeping voorts weigeren indien de getuige of
deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de
rechter-commissaris is gehoord en horen ter terechtzitting niet
noodzakelijk is te achten.
4. Ingeval door de verdachte geen
schriftuur als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend, dient hij
binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep tegen
een vonnis van de rechtbank als bedoeld in artikel 410a, eerste lid,
een schriftuur in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft
gewezen, met een opgave van de redenen voor het instellen van het
hoger beroep. Deze verplichting geldt niet in het geval, omschreven
in artikel 410a, tweede lid.
Artikel 410a
1. Ingeval hoger beroep openstaat en
is ingesteld tegen een vonnis betreffende uitsluitend een of meer
overtredingen of misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving
een gevangenisstraf van niet meer dan vier jaren is gesteld, waarbij
geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een
maximum – of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes
werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van €
500, wordt het ingestelde hoger beroep slechts ter terechtzitting
aanhangig gemaakt en behandeld indien zulks naar het oordeel van de
voorzitter in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist.
2. De behandeling ter terechtzitting
van een ingesteld hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis
van de rechtbank, niet zijnde de kantonrechter, is in ieder geval in
het belang van een goede rechtsbedeling vereist indien de
dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting in eerste aanleg te
verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere
terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of
betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit
voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere
terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. De vorige zin is
niet van toepassing in geval de dagvaarding of oproeping binnen zes
weken nadat door de verdachte op de voet van artikel 257e verzet is
gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming
van artikel 588a.
3. Indien de voorzitter op grond van
de ingediende schriftuur en de stukken van het geding, waaronder het
verkorte vonnis of de aantekening van het vonnis, oordeelt dat in
het belang van een goede rechtsbedeling behandeling in hoger beroep
vereist is, beveelt deze dat de zaak op de voet vanartikel 412 in
hoger beroep ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt.
4. In het andere geval beslist de
voorzitter bij een met redenen omklede beschikking dat het hoger
beroep buiten behandeling wordt gelaten. Deze beschikking geldt als
een beslissing op het rechtsmiddel als bedoeld in artikel 557,
eerste lid.
5. Indien de verdachte ingevolge
artikel 408a in de zaak is opgeroepen om tegen een bepaalde datum
ter terechtzitting te verschijnen geldt de oproeping als ingetrokken
door de in het vierde lid bedoelde beschikking.
6. Een beschikking als bedoeld in het
derde en vierde lid wordt aan de verdachte betekend.
7. In het geval, bedoeld in het
vierde lid, staat tegen het vonnis waarop de beschikking van de
voorzitter betrekking heeft, geen beroep in cassatie open.
Artikel 411
1. Bij het gerechtshof worden
strafzaken, behoudens in de wet genoemde uitzonderingen, behandeld
en beslist door een meervoudige kamer.
2. Een zaak kan in hoger beroep door
een enkelvoudige kamer worden behandeld, indien:
a. de zaak naar het aanvankelijk
oordeel van het openbaar ministerie van eenvoudige aard is en de
verdachte ter zake van hetgeen in eerste aanleg te zijnen laste
is bewezen verklaard, een straf of maatregel is opgelegd, en
tevens
b. de zaak in eerste aanleg door
de kantonrechter of de politierechter is behandeld, en daarbij
niet een gevangenisstraf van meer dan zes maanden is opgelegd.
3. Indien de zaak naar het oordeel
van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling en
beslissing door de enkelvoudige kamer, verwijst zij deze naar de
meervoudige kamer.
4. De zaak wordt bij verwijzing op de
bestaande telastlegging aanhangig gemaakt door aanzegging aan de
verdachte, vanwege het openbaar ministerie, van de dag van de nadere
terechtzitting. Op deze aanzegging zijn de artikelen 412, derde lid,
en 413 van overeenkomstige toepassing. Op de behandeling voor de
meervoudige kamer is artikel 377, tweede, derde en vierde lid, mede
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 411a
1. Indien tegen het vonnis in eerste
aanleg hoger beroep is ingesteld, doch het onderzoek op de
terechtzitting in hoger beroep nog niet is aangevangen, kan de
rechter-commissaris behorende bij de rechtbank die in eerste aanleg
heeft gevonnist op de vordering van het openbaar ministerie of op
het verzoek van de verdachte of diens raadsman nader onderzoek
verrichten.
2. De artikelen 241, tweede tot en
met vierde lid, en 241a zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 412
1. Zo mogelijk binnen acht dagen
nadat de stukken op de griffie zijn overgebracht, bepaalt de
voorzitter op voordracht van de advocaat-generaal, de dag van de
terechtzitting, behoudens in geval van toepassing van artikel 408a.
Artikel 258, vijfde lid, tweede tot en met vierde volzin, is van
overeenkomstige toepassing.
2. De zaak wordt in hoger beroep ter
terechtzitting aanhangig gemaakt door een oproeping of dagvaarding
vanwege de advocaat-generaal aan de verdachte betekend, ten einde
terecht te staan ter zake van een of meer van de feiten hem in
eerste aanleg telastegelegd.
3. Ten aanzien van die dagvaarding is
artikel 260 van toepassing, behoudens dat daarbij de verdachte, in
plaats van op de voorschriften van artikel 262, eerste lid, op die
van artikel 414 wordt opmerkzaam gemaakt.
4. Op de gronden in artikel 259
vermeld, kunnen verschillende zaken gevoegd aanhangig worden
gemaakt.
Artikel 413
1. Tussen de dag waarop de
dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting
moet een termijn van tenminste tien dagen verlopen. Artikel 265,
tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Heeft de benadeelde partij zich in
eerste aanleg in het geding gevoegd, dan doet de advocaat-generaal
haar den dag schriftelijk mededelen waarop de zaak op de
terechtzitting zal worden behandeld.
3. Indien het slachtoffer of de
nabestaande in eerste aanleg gebruik heeft gemaakt van zijn recht om
te verklaren op grond van artikel 51e, doet de advocaat-generaal
deze schriftelijk mededeling van de datum en het tijdstip waarop de
zaak op de terechtzitting zal worden behandeld.
Artikel 414
1. De advocaat-generaal en de
verdachte kunnen zoowel ter terechtzitting in eersten aanleg
gehoorde als nieuwe getuigen en deskundigen doen dagvaarden of
schriftelijk doen oproepen. Zij kunnen ook nieuwe bescheiden of
stukken van overtuiging overleggen.
2. De artikelen 263, tweede tot en
met vijfde lid, en 264 zijn van overeenkomstige toepassing. Indien
de verdachte hoger beroep heeft ingesteld kan de advocaat-generaal
bij een met redenen omklede beslissing een niet bij schriftuur door
de verdachte opgegeven getuige of deskundige weigeren te doen
oproepen, indien horen ter terechtzitting niet noodzakelijk is te
achten.
3. Het slachtoffer of de nabestaande
die in eerste aanleg geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht om te
verklaren op grond van artikel 51e, kan van zijn voornemen daartoe
schriftelijk kennis geven aan de advocaat-generaal of het
gerechtshof. Artikel 260, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 415
1. Behoudens de volgende artikelen
van deze titel, zijn de artikelen 268 tot en met 314, 315 tot en met
353 en 356 tot en met 366a op het rechtsgeding voor het gerechtshof
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in afwijking
van het tweede lid van artikel 365a aanvulling ook plaats vindt
indien het cassatieberoep meer dan drie maanden na de dag van de
uitspraak is ingesteld of sprake is van een hoger beroep als bedoeld
inartikel 410a, eerste lid.
2. Het gerechtshof richt het
onderzoek ter terechtzitting op de bezwaren die door de verdachte en
het openbaar ministerie worden ingebracht tegen het vonnis, in
eerste aanleg gewezen, en op hetgeen overigens nodig is.
Artikel 416
1. Ingeval hoger beroep is ingesteld
door de officier van justitie, geeft de advocaat-generaal bij
gelegenheid van de voordracht der zaak mondeling een toelichting op
de bezwaren tegen het vonnis. De advocaat-generaal geeft in
voorkomende gevallen tevens op waarom door de officier van justitie
geen schriftuur houdende grieven is ingediend. Na de voordracht van
de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft
ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis
op te geven.
2. Indien de verdachte geen
schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren
tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger
beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden
verklaard.
3. Indien van de zijde van het
openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in
artikel 410, eerste lid, is ingediend, kan het door de officier van
justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf
niet-ontvankelijk worden verklaard.
Artikel 417
1. Processen-verbaal, verslagen van
deskundigen of andere stukken, welke in eersten aanleg zijn
voorgelezen, mogen ook voor de behandeling in hooger beroep als
voorgelezen worden aangemerkt.
2. Indien de verdachte verzoekt dat
bepaalde stukken opnieuw zullen worden voorgelezen, wordt aan dat
verzoek gevolg gegeven, voor zoover het gerechtshof oordeelt dat
daardoor redelijke grenzen niet worden overschreden.
Artikel 418
1. De oproeping van niet verschenen
getuigen kan worden geweigerd in de gevallen, genoemd in artikel
288.
2. In het geval de berechting in
eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, kan oproeping ook
worden geweigerd indien de getuige of deskundige ter terechtzitting
in eerste aanleg dan wel, door de rechter-commissaris is gehoord en
het gerechtshof horen ter terechtzitting niet noodzakelijk oordeelt.
3. Indien de verdachte hoger beroep
heeft ingesteld kan oproeping van een niet bij schriftuur door de
verdachte opgegeven getuige of deskundige worden geweigerd indien
horen ter terechtzitting niet noodzakelijk is te achten.
Artikel 419
In geval van artikel 295 wordt het
proces-verbaal met de andere processtukken door den advocaat-generaal
toegezonden aan den officier van justitie bij de rechtbank die in
eersten aanleg heeft gevonnist, en is alleen die rechtbank bevoegd van
het misdrijf kennis te nemen.
Artikel 420
1. In de gevallen van de artikelen
295, 316 en 347 wordt het onderzoek gevoerd door een
rechter-commissaris in de rechtbank die in eerste aanleg heeft
gevonnist dan wel een raadsheer-commissaris bij het gerechtshof waar
de zaak aanhangig is.
2. Het onderzoek door rechter- of
raadsheer-commissaris, bedoeld in het eerste lid, geldt als een
gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de tweede tot en
met de vijfde en achtste afdeling van de Derde Titel van het Tweede
Boek gevoerd. Bij het onderzoek door de raadsheer-commissaris is de
Tweede Titel van het Tweede Boek van overeenkomstige toepassing.
3. Indien het onderzoek geschiedt
door een raadsheer-commissaris, geldt al hetgeen bepaald is omtrent
de rechtbank, de rechter-commissaris, de officier van justitie en de
griffier, ten aanzien van het gerechtshof, de raadsheer-commissaris,
de advocaat-generaal en de griffier van het gerechtshof.
4. Na afloop van het onderzoek doet
de rechter- of raadsheer-commissaris de stukken aan het gerechtshof
toekomen.
Artikel 421
1. De benadeelde partij die zich niet
overeenkomstig artikel 51b, eerste of tweede lid, in het geding in
eerste aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in
hoger beroep.
2. Heeft de voeging in eerste aanleg
plaats gehad, dan duurt zij, voor zover de gevorderde
schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger
beroep.
3. Voor zover de gevorderde
schadevergoeding niet is toegewezen kan de benadeelde partij zich
binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep voegen.
De artikelen 51b tot en met 51f zijn van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat voor de ingevolge artikel 51b vereiste opgave
kan worden volstaan met een verwijzing naar de opgave van de eerste
vordering, indien deze ongewijzigd is gebleven.
4. Indien geen hoger beroep is
ingesteld, kan de benadeelde partij tegen het deel van het vonnis
waarbij haar vordering is afgewezen, tegen deze afwijzing in hoger
beroep komen bij het gerechtshof. De tweede afdeling van de Zesde
Titel van Boek II is niet van toepassing. De bepalingen van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering inzake het rechtsgeding in
hoger beroep en cassatie zijn van overeenkomstige toepassing. Voor
het geding wordt geen griffierecht geheven.
5. Indien geen hoger beroep is
ingesteld en tegen de vordering op de voet van artikel 51g, vierde
lid, verweer is gevoerd door de ouders of voogd van de veroordeelde,
kunnen deze tegen de toewijzing van de vordering in hoger beroep
komen bij het gerechtshof. De tweede afdeling van de Zesde Titel van
Boek II is niet van toepassing. De bepalingen van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering inzake het rechtsgeding in hoger beroep
zijn van overeenkomstige toepassing. Voor het geding wordt geen vast
recht geheven.
Artikel 422
1. Na sluiting van het onderzoek op
de terechtzitting in hoger beroep stelt het gerechtshof naar
aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vast of de
uitreiking van de dagvaarding of oproeping in hoger beroep geldig is
alsmede of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die
dit wetboek daaraan stelt.
2. Indien de uitreiking van de
dagvaarding of oproeping in hoger beroep geldig is en het hoger
beroep overeenkomstig de eisen van dit wetboek is ingesteld,
geschiedt de beraadslaging in hoger beroep, bedoeld in de artikelen
348 en 350, naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
in hoger beroep. De beraadslaging geschiedt voorts naar aanleiding
van het onderzoek in eerste aanleg, zoals dit volgens het
proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad, tenzij
artikel 378a of artikel 395a in eerste aanleg is toegepast.
Artikel 422a
1. Indien het gerechtshof van oordeel
is dat de dagvaarding in eerste aanleg op een andere grond dan
wegens een aan de telastlegging klevend gebrek nietig had behoren te
worden verklaard, doet het gerechtshof de zaak zelf af, tenzij
terugwijzing naar dezelfde rechtbank door de advocaat-generaal of de
verdachte ter terechtzitting is verlangd. Terugwijzing vindt ook
zonder uitdrukkelijk gebleken verlangen van de verdachte plaats
indien de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is en de
dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen
of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de
verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere
omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de
terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren
bekend was.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing, indien de oproeping of aanzegging om op
de nadere terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen nietig had
behoren te worden verklaard.
Artikel 423
1. Het gerechtshof kan het vonnis
hetzij geheel bevestigen, hetzij gedeeltelijk bevestigen en
gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Het gerechtshof
bevestigt het vonnis geheel hetzij met gehele of gedeeltelijke
overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Ingeval
het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het
gerechtshof wat de rechtbank had behoren te doen, behoudens
terugwijzing op grond van het tweede lid.
2. Indien de hoofdzaak niet door de
rechtbank is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van
de vernietiging van het vonnis, doet het gerechtshof de zaak zelf
af, tenzij terugwijzing naar dezelfde rechtbank door de
advocaat-generaal of de verdachte ter terechtzitting is verlangd.
Terugwijzing vindt ook zonder uitdrukkelijk gebleken verlangen van
de verdachte plaats indien de verdachte niet ter terechtzitting
aanwezig is en de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger
beroep te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere
terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of
betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit
voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere
terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. In geval van
terugwijzing doet de rechtbank recht met inachtneming van ’s hofs
arrest.
3. In geval van vernietiging van het
vonnis is het gerechtshof niettemin bevoegd bepaalde gedeelten
daarvan in zijn arrest over te nemen.
4. Indien bij samenloop van meerdere
feiten ééne hoofdstraf is uitgesproken en het hooger beroep
slechts ingesteld is ten aanzien van een of meer dier feiten, wordt,
in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het arrest
de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.
Artikel 423a [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 424 [Vervallen per 01-03-2007]
Artikel 425
1. Degene die zitting heeft in een
enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 411, tweede lid, heeft de
bevoegdheden die aan de voorzitter van de meervoudige kamer
toekomen.
2. De enkelvoudige kamer geeft na
sluiting van het onderzoek op de terechtzitting hetzij onmiddellijk
hetzij diezelfde dag op een door haar bij de sluiting van het
onderzoek te bepalen uur mondeling arrest.
3. Het arrest wordt in het
proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend op de wijze door de
Minister van Justitie te bepalen:
a. indien de enkelvoudige kamer
dit ambtshalve, op vordering van de advocaat-generaal of op
verzoek van de verdachte of zijn raadsman, bij de uitspraak
bepaalt;
b. indien het openbaar
ministerie, de verdachte of zijn raadsman, dan wel de benadeelde
partij uiterlijk drie maanden na de uitspraak daartoe een
vordering indient of het verzoek doet;
c. indien een gewoon rechtsmiddel
tegen het arrest wordt aangewend;
d. indien het arrest bij verstek
is gewezen en de dagvaarding niet in persoon is betekend en zich
geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de
dag van de terechtzitting aan de verdachte bekend was, terwijl
op de terechtzitting getuigen of deskundigen zijn gehoord dan
wel de benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd.
4. Zodra het proces-verbaal van de
terechtzitting is getekend, kunnen de verdachte en zijn raadsman
daarvan kennis nemen. De enkelvoudige kamer verstrekt desgevraagd
een afschrift van het proces-verbaal aan de verdachte en zijn
raadsman.
5. Deartikelen 365, vierde en vijfde
lid, 381, eerste en tweede lid, en397a, eerste tot en met derde lid,
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 426
1. Behoudens artikel 425, derde lid,
en indien er schriftelijk arrest wordt gewezen, blijft het opmaken
van een proces-verbaal van de terechtzitting achterwege en wordt de
uitspraak binnen twee maal vier en twintig uur op een aan het dubbel
van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De aantekening wordt
door de enkelvoudige kamer gewaarmerkt.
2. De gegevens die de aantekening,
bedoeld in het eerste lid, moet bevatten, worden vastgesteld door de
Minister van Justitie. De aantekening vermeldt in elk geval:
a. de naam van de rechter, de dag
van de uitspraak en de omstandigheid of de uitspraak bij verstek
of op tegenspraak is gedaan;
b. indien een bewezen verklaring
is uitgesproken, het strafbare feit dat het bewezen verklaarde
oplevert;
c. de opgelegde straf of
maatregel, alsmede de wettelijke voorschriften waarop deze is
gegrond.
3. Zodra de aantekening is
gewaarmerkt, kunnen de verdachte en zijn raadsman daarvan
kennisnemen. De enkelvoudige kamer verstrekt desgevraagd een
afschrift van de aantekening aan de verdachte en zijn raadsman.
4. Wordt alsnog aan artikel 425,
derde lid, onder b of c toepassing gegeven, dan komt de in het
eerste lid bedoelde aantekening te vervallen. De griffier haalt
alsdan de aantekening door.
5. De enkelvoudige kamer is bevoegd
een schriftelijk arrest te wijzen. Op vordering van de
advocaat-generaal of op verzoek van de verdachte of zijn raadsman of
van de benadeelde partij is zij daartoe verplicht, tenzij naar haar
oordeel daarmee geen redelijk belang is gediend. De uitspraak mag
alsdan in geen geval later plaatsvinden dan op de veertiende dag na
sluiting van het onderzoek. De uitspraak geschiedt zo veel mogelijk
door de rechter die over de zaak heeft geoordeeld.
Titel III. Beroep in cassatie van
uitspraken
Artikel 427
1. Tegen de arresten van de
gerechtshoven, als uitspraak gegeven, betreffende misdrijven staat
beroep in cassatie open voor het openbaar ministerie bij het gerecht
dat de uitspraak heeft gedaan, en de verdachte.
2. Tegen arresten van de
gerechtshoven, als uitspraak gegeven, betreffende overtredingen
staat beroep in cassatie open voor het openbaar ministerie bij het
gerecht dat het arrest heeft gewezen, en de verdachte, tenzij
terzake in de einduitspraak:
a. met toepassing van artikel 9a
van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd
opgelegd, of
b. geen andere straf of maatregel
werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer
bij het arrest twee of meer geldboetes werden opgelegd,
geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van EUR 250.
3. Tegen de arresten, bedoeld in het
tweede lid, onder a en b, staat niettemin beroep in cassatie open
indien zij een overtreding betreffen van een verordening van een
provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de
Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.
4. Hoger beroep schorst de
rechtsgevolgen van beroep in cassatie; indien in de lagere aanleg
een uitspraak wordt gegeven over een of meer van de vragen, bedoeld
in de artikelen 351 en 352 vervalt het ingestelde beroep in
cassatie.
Artikel 428
Tegen vonnissen of arresten die geen
einduitspraken zijn, is het beroep in cassatie slechts gelijktijdig
met dat tegen de einduitspraak toegelaten.
Artikel 429
Het beroep in cassatie kan ook tegen
een gedeelte van het vonnis of arrest worden ingesteld.
Artikel 430 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 431
Verzuim van vormen op straffe van
nietigheid voorgeschreven, geeft grond tot vernietiging, zowel wanneer
dat verzuim heeft plaats gehad in het vonnis of arrest zelf, als
wanneer het heeft plaats gehad in de loop van het rechtsgeding.
Artikel 432
1. Het beroep in cassatie moet binnen
veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om
op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of
oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in
persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de
terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een
omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag
van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de
verdachte tevoren bekend was;
d. de dagvaarding of oproeping
binnen zes weken nadat door de verdachte hoger beroep is
ingesteld, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met
inachtneming van artikel 588a en in hoger beroep geen
onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die
vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.
2. In andere gevallen dan de in het
eerste lid genoemde moet cassatie worden ingesteld binnen veertien
dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit
voortvloeit dat het vonnis of arrest de verdachte bekend is.
3. Indien het onderzoek op de
terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of
oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of
betekend, is de termijn bedoeld in het tweede lid van toepassing,
tenzij
a. de verdachte op de nadere
terechtzitting is verschenen of
b. zich anderszins een
omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag
van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
Indien een van deze twee
uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van
het eerste lid van toepassing.
Artikel 433
1. Indien alleen het openbaar
ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, wordt het beroep aan
de verdachte in persoon aangezegd, tenzij zich een omstandigheid
heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het beroep de verdachte
bekend is.
2. De verdachte kan binnen veertien
dagen nadat aan hem de aanzegging van het beroep door het openbaar
ministerie in persoon is betekend of zich enige andere omstandigheid
heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het beroep hem bekend is,
zijnerzijds alsnog beroep in cassatie instellen.
3. Indien de benadeelde partij zich
in het geding gevoegd heeft, wordt haar van elk ingesteld beroep in
cassatie, binnen veertien dagen na de aantekening vanwege het
openbaar ministerie bij het gerecht dat het vonnis of arrest heeft
gewezen, kennis gegeven.
Artikel 434
1. De griffier van het gerecht, dat
het vonnis of arrest heeft gewezen waartegen beroep in cassatie is
ingesteld, zendt de stukken van het geding zo spoedig mogelijk aan
de griffier van de Hoge Raad.
2. Indien door het openbaar
ministerie beroep in cassatie is ingesteld tegen een vonnis
waartegen voor de verdachte nog hoger beroep openstaat, geschiedt de
in het eerste lid bedoelde inzending niet of wordt zij, heeft zij
ten onrechte plaatsgehad, geacht niet eerder te hebben
plaatsgevonden, dan nadat de termijn voor het hoger beroep is
verstreken.
3. Indien alleen het openbaar
ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, geschiedt de
inzending niet of wordt aan haar, heeft zij ten onrechte plaats
gehad, geen gevolg gegeven, dan nadat de in het eerste lid van
artikel 433 bedoelde aanzegging heeft plaats gevonden of zich enige
andere omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het
beroep de verdachte bekend is.
Artikel 435
1. Na ontvangst van de stukken van
het geding door de griffier van de Hoge Raad wordt door de
procureur- generaal aan de verdachte dan wel, indien door het
openbaar ministerie beroep in cassatie is ingesteld, aan het
openbaar ministerie en aan de verdachte aangezegd dat de stukken van
het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen onder mededeling dat de
zaak door de Hoge Raad in behandeling zal worden genomen na verloop
van de in het tweede onderscheidenlijk eerste lid van artikel 437
bedoelde termijn. In de aanzegging wordt gewezen op artikel 437.
2. Van de ontvangst van de stukken,
bedoeld in het eerste lid, wordt eveneens kennis gegeven aan de
benadeelde partij indien deze zich in het geding heeft gevoegd. In
de kennisgeving wordt gewezen op artikel 437, derde lid.
3. In afwijking van artikel 586,
eerste lid, tweede volzin, geschiedt de aanzegging aan het openbaar
ministerie door toezending van een gewone of aangetekende brief over
de post.
Artikel 436
1. Na de aanzegging bedoeld in
artikel 435, eerste lid, bepaalt de voorzitter een rechtsdag met
inachtneming van de termijnen bedoeld in artikel 437, eerste,
onderscheidenlijk, tweede lid.
2. Aan de verdachte dan wel, indien
zich bij de Hoge Raad namens de verdachte een raadsman heeft
gesteld, aan de raadsman wordt mededeling gedaan van de dag voor de
behandeling van de zaak bepaald.
Artikel 437
1. Indien het openbaar ministerie
beroep in cassatie heeft ingesteld, is het op straffe van
niet-ontvankelijkheid verplicht binnen een maand nadat de in het
eerste lid van artikel 435 bedoelde aanzegging aan het openbaar
ministerie is verzonden bij de Hoge Raad een schriftuur in te
dienen, houdende zijn middelen van cassatie.
2. De verdachte door of namens wie
beroep in cassatie is ingesteld, is op straffe van
niet-ontvankelijkheid verplicht binnen twee maanden nadat de in het
eerste lid van artikel 435 bedoelde aanzegging is betekend, bij de
Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen,
houdende zijn middelen van cassatie.
3. De benadeelde partij is bevoegd
binnen een maand nadat de in het tweede lid van artikel 435 bedoelde
kennisgeving is verzonden, harerzijds bij de Hoge Raad door een
advocaat een schriftuur te doen indienen, houdende haar middelen
over een rechtspunt hetwelk uitsluitend haar vordering betreft.
Gedurende die tijd is zij bevoegd tot kennisneming van de
processtukken.
Artikel 438
1. Alle zaken worden in behandeling
genomen op een openbare terechtzitting voor strafzaken van de
enkelvoudige kamer van de Hoge Raad.
2. De enkelvoudige kamer verwijst een
zaak naar de meervoudige kamer:
a. wanneer de raadsman van de
verdachte te kennen heeft gegeven de middelen van cassatie
mondeling te willen toelichten dan wel het door het openbaar
ministerie ingestelde beroep in cassatie mondeling te willen
tegenspreken, en niet wordt volstaan met het overleggen van een
schriftelijke toelichting;
b. wanneer de advocaat van de
benadeelde partij te kennen heeft gegeven de middelen van de
benadeelde partij mondeling te willen toelichten, en niet wordt
volstaan met het overleggen van een schriftelijke toelichting;
c. wanneer zij de dag voor de
uitspraak bepaalt, behoudens in het geval, omschreven in artikel
440, derde lid;
d. wanneer zij verwijzing
wenselijk acht.
3. De meervoudige kamer verwijst een
zaak wederom naar de enkelvoudige kamer, indien zulks in enige stand
van het geding nodig is.
Artikel 439
1. Op de dienende rechtsdag of op een
nadere rechtsdag neemt de procureur-generaal zijn conclusie, die hij
in geschrift aan de Hoge Raad voorlegt. Hierna wordt de dag voor de
uitspraak bepaald.
2. In het geval dat namens de
verdachte niet tijdig een schriftuur met middelen van cassatie is
ingediend, kan de procureur-generaal afzien van het nemen van een
conclusie.
3. Aan de raadsman die namens de
verdachte een schriftuur met middelen van cassatie heeft ingediend,
wordt een afschrift van de conclusie toegezonden.
4. Desgelijks wordt gehandeld ten
aanzien van de advocaat die namens de benadeelde partij een
schriftuur met middelen van cassatie heeft ingediend.
5. De raadsman van de verdachte dan
wel de advocaat van de benadeelde partij kan binnen twee weken na
verzending van het afschrift van de conclusie zijn schriftelijk
commentaar daarop aan de Hoge Raad doen toekomen.
Artikel 440
1. De Hoge Raad verklaart het beroep
in cassatie niet ontvankelijk, verwerpt het beroep of vernietigt het
vonnis of arrest geheel of gedeeltelijk, hetzij op de aangevoerde,
hetzij op andere gronden.
2. Indien de bestreden uitspraak
wordt vernietigd, doet de Hoge Raad de zaak zelf af indien dit
mogelijk is zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden.
De Hoge Raad kan na vernietiging van
de bestreden uitspraak de zaak – teneinde met inachtneming van de
uitspraak van de Hoge Raad opnieuw, dan wel verder te worden berecht
en afgedaan – terugwijzen naar de rechter die haar heeft gewezen,
dan wel verwijzen:
a. wanneer de vernietigde
uitspraak was gedaan door een rechtbank, naar het gerechtshof
van het ressort;
b. wanneer de vernietigde
uitspraak was gedaan door een gerechtshof, naar een ander
gerechtshof.
3. De beslissing dat het beroep in
cassatie niet ontvankelijk wordt verklaard kan in het geval niet
tijdig een schriftuur is ingediend houdende middelen van cassatie
door de enkelvoudige kamer worden gegeven.
Artikel 441
Zo de artikelen der wet waarop de
oplegging van straf of maatregel berust, niet in het vonnis of arrest
zijn vermeld, kan de Hoge Raad er mee volstaan, dit alleen te dien
aanzien te vernietigen en te doen wat de rechter had behoren te doen.
Artikel 442
1. Het arrest wordt ondertekend door
de voorzitter en de raadsheren die over de zaak hebben geoordeeld,
alsmede door de griffier die bij de beraadslaging tegenwoordig is
geweest.
2. Indien een of meer van diegenen
die over de zaak hebben geoordeeld daartoe buiten staat zijn dan wel
de griffier die bij de beraadslaging tegenwoordig is geweest daartoe
buiten staat is, wordt hiervan aan het slot van het arrest melding
gemaakt.
Artikel 443
Het arrest wordt op een openbare
zitting van de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad uitgesproken in
aanwezigheid van de griffier en de procureur-generaal.
Artikel 444
1. Een door de griffier gewaarmerkt
afschrift van het arrest van de Hoge Raad wordt zo spoedig mogelijk
door de procureur-generaal gezonden aan het openbaar ministerie bij
het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
2. De procureur-generaal geeft tevens
van de beslissing kennis aan de verdachte en aan de benadeelde
partij indien deze zich in het geding heeft gevoegd.
3. De procureur-generaal verstrekt
desgevraagd een afschrift van het arrest van de Hoge Raad aan de
verdachte en de benadeelde partij, bedoeld in het tweede lid.
4. Artikel 365, vierde en vijfde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Titel IV. Hooger beroep en beroep in
cassatie van beschikkingen. Bezwaarschriften
Artikel 445
Tegen beschikkingen staat hooger beroep
of beroep in cassatie niet open en is een bezwaarschrift niet
toegelaten, dan in de gevallen bij dit wetboek bepaald.
Artikel 446
1. Voor zover niet bijzondere
bepalingen het recht van hoger beroep van het openbaar ministerie
regelen, kan dit van alle beschikkingen van de rechtbank of de
rechter-commissaris waarbij een krachtens dit wetboek genomen
vordering niet is toegewezen, binnen veertien dagen in hoger beroep
komen bij het gerechtshof of de rechtbank. Is echter de hoofdzaak
niet voor hoger beroep vatbaar dan is binnen gelijke termijn alleen
beroep in cassatie toegelaten.
2. Tegen alle zoodanige beschikkingen
in hoogsten aanleg staat het openbaar ministerie binnen veertien
dagen daarna beroep in cassatie open.
3. De Hooge Raad, het gerechtshof of
de rechtbank beslist zoo spoedig mogelijk.
Artikel 447
1. De partij die in hoger beroep
gekomen is kan tegelijk met haar verklaring op de griffie van het
gerecht door of bij hetwelk de beschikking is gegeven, een
schriftuur, houdende haar grieven, indienen.
2. Indien beroep in cassatie is
ingesteld zendt de griffier van het gerecht dat de beschikking heeft
gewezen de stukken zo spoedig mogelijk naar de griffier van de Hoge
Raad.
3. Na ontvangst van de stukken van
het geding door de griffier van de Hoge Raad wordt door de
procureur-generaal aan de partij die cassatie heeft ingesteld
aangezegd dat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn
ingekomen. In de aanzegging wordt gewezen op het vierde
onderscheidenlijk vijfde lid. Artikel 435, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. Het openbaar ministerie is
verplicht op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen een maand
nadat de aanzegging is verzonden een schriftuur houdende middelen
van cassatie in te dienen.
5. De verdachte of andere
belanghebbende is op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht
binnen een maand nadat de aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad
door zijn raadsman onderscheidenlijk door een advocaat een
schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie.
6. Artikel 439, derde en vijfde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
7. De schriftuur wordt onverwijld bij
de processtukken gevoegd.
Artikel 448
1. De rechtbank, het gerechtshof of
de Hooge Raad zullen het beroep of het bezwaarschrift afwijzen, of
bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had
behooren te geschieden.
2. Indien het hooger beroep van of
het bezwaarschrift tegen eene handeling of beschikking van den
rechter-commissaris gegrond wordt geoordeeld, kan bij de
rechterlijke beslissing voor het instellen of voortzetten van dat
onderzoek een andere rechter-commissaris worden aangewezen.
Artikel 448a [Vervallen per 01-01-1994]
Titel V. Aanwenden van gewone
rechtsmiddelen
Artikel 449
1. Voor zover de wet niet anders
bepaalt, wordt hoger beroep of beroep in cassatie ingesteld door een
verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt,
op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is
gegeven.
2. In gevallen waarin de verdachte
ter uitvoering van een niet onherroepelijk vonnis of arrest is
aangehouden, kan hoger beroep of beroep in cassatie door hem ook
geschieden bij aangetekende brief, gericht tot dezelfde griffie. Als
dag van het beroep geldt in dit geval de dag van ontvangst van de
brief ter griffie.
3. Bezwaarschriften worden ingediend
op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is
gegeven of de handeling is verricht.
Artikel 450
1. Het aanwenden van de
rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door
tussenkomst van:
a. een advocaat, indien deze
verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt,
bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;
b. een vertegenwoordiger die
daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt,
bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.
2. Indien de overeenkomstig het
eerste lid gemachtigde hoger beroep tegen de einduitspraak instelt,
brengt de machtiging tevens mede dat de gemachtigde de oproeping van
de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep in ontvangst
neemt.
3. Aan een schriftelijke bijzondere
volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de
verdachte aanwenden van het rechtsmiddel wordt slechts gevolg
gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze
medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt
ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de
oproeping. De verdachte geeft een adres op voor de ontvangst van een
afschrift van de dagvaarding.
4. De uitreiking van de oproeping aan
de gemachtigde geldt als een uitreiking in persoon aan de verdachte.
Een afschrift van de dagvaarding wordt als gewone brief over de post
aan het door of namens de verdachte daartoe opgegeven adres
toegezonden.
5. Indien de in het eerste lid
bedoelde gemachtigde weigert de oproeping in ontvangst te nemen,
wordt deze niettemin geacht op het tijdstip van aanbieding te zijn
uitgereikt. Van de weigering wordt aantekening gemaakt in de akte
van uitreiking.
Artikel 451
1. Van iedere verklaring of
inlevering, als bedoeld in de beide voorgaande artikelen, maakt de
griffier eene akte op, die hij met dengene, die de verklaring aflegt
of het bezwaarschrift inlevert, onderteekent. Indien deze niet kan
teekenen, wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld. De
griffier vraagt aan degene die de verklaring aflegt, naar het adres
in Nederland waaraan de dagvaarding of oproeping voor de
terechtzitting kan worden toegezonden.
2. De schriftelijke volmacht in het
eerste lid van het voorgaande artikel bedoeld, of, zoo zij voor een
notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan,
wordt aan de akte gehecht.
3. Is hoger beroep of beroep in
cassatie gedaan bij aangetekende brief, zo tekent de griffier
onverwijld dag en uur van ontvangst op de brief aan.
4. De akte of de aangeteekende brief
wordt bij de processtukken gevoegd.
5. Van ieder aangewend rechtsmiddel
wordt dadelijk aanteekening gedaan in een daartoe bestemd, op de
griffie berustend register hetwelk door de belanghebbenden kan
worden ingezien.
Artikel 451a
1. Is degene die een rechtsmiddel
wenst aan te wenden ingesloten in een huis van bewaring, gevangenis
of justitiële rijksinrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden, als bedoeld in artikel 90quinquies, tweede lid, in
samenhang met artikel 37d, eerste lid, onder b van het Wetboek van
Strafrecht, dan wel in een inrichting waar een vrijheidsbenemende
straf of maatregel wordt ten uitvoer gelegd, als bedoeld in artikel
77h van het Wetboek van Strafrecht, dan kan hij de rechtsmiddelen
bedoeld in artikel 449 ook aanwenden door middel van een
schriftelijke verklaring die hij doet toekomen aan het hoofd van het
gesticht.
2. Het hoofd van het gesticht doet
deze verklaring onverwijld inschrijven in een daarvoor bestemd
register en zendt haar vervolgens toe aan de griffie van het gerecht
door of bij hetwelk de beslissing is gegeven onder kennisgeving van
de datum van inschrijving in het register. Als dag waarop het
rechtsmiddel is aangewend, geldt de dag van inschrijving van de
verklaring in het register.
3. De Minister van Justitie bepaalt
het model van het register en kan omtrent het bijhouden daarvan
nadere regels geven. Het register kan door de belanghebbenden worden
ingezien.
4. De verklaring wordt na ontvangst
op de griffie bij de processtukken gevoegd. Van het aanwenden van
het rechtsmiddel wordt dadelijk aantekening gedaan in het op de
griffie berustend register, bedoeld in artikel 451, vijfde lid.
Artikel 451b
1. De getuige stelt het hoger beroep
als bedoeld in artikel 226b, tweede lid, in door middel van een
schriftelijke verklaring die hij doet toekomen aan de officier van
justitie. De officier van justitie tekent dag en uur van ontvangst
onverwijld op de ingekomen verklaring aan.
2. De officier van justitie doet
onverwijld schriftelijk mededeling van het hoger beroep aan de
griffie van het gerecht, bij hetwelk de beschikking is gegeven. De
mededeling wordt na ontvangst op de griffie bij de processtukken
gevoegd. Van de instelling van het hoger beroep wordt dadelijk
aantekening gedaan in het op de griffie berustend register, bedoeld
in artikel 451, vijfde lid.
3. Als dag van het hoger beroep geldt
de dag van ontvangst van de schriftelijke verklaring door de
officier van justitie.
Artikel 452
1. Artikel 450 is op de indiening van
schrifturen van overeenkomstige toepassing, behoudens het bepaalde
in het tweede lid.
2. In cassatie kunnen schrifturen,
schriftelijke toelichtingen en het schriftelijk commentaar, bedoeld
in artikel 439, vijfde lid, slechts worden ingediend door een
advocaat die verklaart daartoe door degene namens wie hij optreedt,
bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
3. De griffier teekent dag en uur van
ontvangst onverwijld op ingekomen stukken als bedoeld in het eerste
en tweede lid aan.
4. Van de ontvangst wordt dadelijk
aanteekening gedaan in het op de griffie berustend register.
Titel VI. Intrekking en afstand van
gewone rechtsmiddelen
Artikel 453
1. Uiterlijk tot den aanvang der
behandeling van het beroep of bezwaarschrift kan degene door wien
het rechtsmiddel is aangewend, dat intrekken. Deze intrekking brengt
mede afstand van de bevoegdheid om het rechtsmiddel opnieuw aan te
wenden.
2. In het geval de officier van
justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis door de
rechtbank als einduitspraak of in de loop van het onderzoek ter
terechtzitting gegeven, is de advocaat-generaal tevens tot
intrekking van het hoger beroep bevoegd. Van het gebruik van deze
bevoegdheid doet de advocaat-generaal onverwijld mededeling aan de
officier van justitie.
3. Eveneens kan afstand worden gedaan
van de bevoegdheid om tegen eene bepaalde beslissing of handeling
zeker rechtsmiddel aan te wenden.
Artikel 454
1. Intrekking en afstand geschieden
door eene verklaring, af te leggen op de griffie van het gerecht
door of bij hetwelk de beslissing is gegeven of de handeling is
verricht.
2. In het geval van artikel 453,
tweede lid, wordt de verklaring afgelegd op de griffie van het
gerechtshof. De griffier van het gerechtshof doet hiervan mededeling
aan de griffier van het gerecht, bedoeld in het eerste lid.
3. De artikelen 450 en 451 zijn van
overeenkomstige toepassing.
4. Intrekking en afstand kunnen door
degene die is ingesloten in een van de in artikel 451a, eerste lid,
genoemde gestichten ook geschieden door middel van een schriftelijke
verklaring die hij doet toekomen aan het hoofd van het gesticht;
artikel 451a, tweede, derde, en vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
5. Met betrekking tot de intrekking
en afstand van het hoger beroep, ingesteld door een getuige op de
voet van het bepaalde in artikel 226b, tweede lid, is artikel 451b
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 455
1. Van de intrekking, door het
openbaar ministerie gedaan, geschiedt onverwijld schriftelijke
mededeling aan de verdachte.
2. Indien aan de benadeelde partij
overeenkomstig artikel 413 of 433 kennisgeving is gedaan, wordt haar
van elke intrekking van het beroep kennis gegeven vanwege het
openbaar ministerie bij het gerecht dat het vonnis of arrest heeft
gewezen.
B. Buitengewone rechtsmiddelen
Titel VII. Cassatie "in het belang
der wet"
Artikel 456
1. Indien de procureur-generaal bij
den Hoogen Raad beroep in cassatie "in het belang der wet"
noodig oordeelt van eenige rechterlijke beslissing of handeling,
waartegen eenig gewoon rechtsmiddel niet meer openstaat, doet hij
zich de stukken van het geding opzenden door tusschenkomst van het
openbaar ministerie en wordt hij, ten dage voor de behandeling der
zaak op zijn verzoek door den voorzitter bepaald, op de
terechtzitting in zijne voordracht en vordering gehoord; hij legt
daarbij zijne vordering over.
2. Artikel 443 is ten deze van
toepassing.
3. De Hooge Raad verwerpt het beroep
of beslist met vernietiging van de uitspraak, in het belang der wet,
het rechtspunt, zooals de rechter had behooren te doen.
4. In geval van vernietiging wordt
een afschrift als bedoeld bij artikel 444, door den
procureur-generaal gezonden aan het openbaar ministerie bij het
gerecht welks uitspraak is vernietigd.
Titel VIII. Herziening van arresten en
vonnissen
Artikel 457
1. Herziening van eene in kracht van
gewijsde gegane einduitspraak houdende veroordeeling, kan worden
aangevraagd:
1°. op grond van de
omstandigheid dat bij onderscheidene arresten of vonnissen, in
kracht van gewijsde gegaan of bij verstek gewezen,
bewezenverklaringen zijn uitgesproken, welke niet zijn overeen
te brengen;
2°. op grond van eenige
omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting den
rechter niet was gebleken en die op zich zelve of in verband met
de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar
schijnt in dier voege dat ernstig vermoeden ontstaat dat ware
zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid,
hetzij tot vrijspraak van den veroordeelde, hetzij tot ontslag
van rechtsvervolging op grond dat deze niet strafbaar was,
hetzij tot niet ontvankelijkverklaring van het openbaar
ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van eene minder
zware strafbepaling;
3°. op grond van een uitspraak
van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin is
vastgesteld dat het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dan wel een
protocol bij dit verdrag is geschonden in de procedure die tot
de veroordeling of een veroordeling wegens hetzelfde feit op
grond van dezelfde bewijsmiddelen heeft geleid, indien
herziening noodzakelijk is met het oog op rechtsherstel als
bedoeld in artikel 41 van dat verdrag.
2. Op gelijke gronden kan herziening
worden aangevraagd, indien bij het gewijsde een telastegelegd feit
als bewezen is aangenomen, zonder dat ter zake eene veroordeeling is
gevolgd. Onder "veroordeelde" wordt in dezen Titel
begrepen hij tegen wien zoodanig gewijsde is gegeven; de bepalingen
daarvan worden te zijnen aanzien overeenkomstig toegepast, met dien
verstande dat het eerste lid van artikel 481 geene toepassing vindt.
Artikel 458
1. De aanvrage tot herziening wordt
bij den Hoogen Raad aangebracht door het indienen van eene vordering
door den procureur-generaal of door het indienen van een
verzoekschrift door een veroordeelde te wiens aanzien het arrest of
vonnis in kracht van gewijsde is gegaan of door zijn raadsman. Het
bestuur van de raad voor rechtsbijstand kan hem met overeenkomstige
toepassing van artikel 42, derde lid, en artikel 43 een raadsman
toevoegen.
2. De aanvrage betreffende het geval
vermeld in artikel 457, eerste lid, onder 3°, wordt ingediend
binnen drie maanden nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan
waaruit voortvloeit dat de uitspraak van het Europees Hof voor de
Rechten van de Mens de veroordeelde bekend is.
Artikel 459
De aanvrage vermeldt de omstandigheid
waarop zij steunt met opgave van de bewijsmiddelen waaruit van die
omstandigheid kan blijken.
Artikel 460
Indien de aanvrage niet voldoet aan de
vereisten bij de artikelen 458 en 459 gesteld, verklaart de Hoge Raad
haar, behoudens artikel 479, niet ontvankelijk. Indien de aanvrage
kennelijk ongegrond is wijst de Hoge Raad deze af. In de overige
gevallen zijn de navolgende bepalingen van toepassing.
Artikel 461
1. Indien de aanvrage betreft het
geval vermeld in artikel 457, eerste lid, n°. 1, vernietigt de
Hooge Raad, de aanvrage gegrond achtende, de arresten of vonnissen,
met verwijzing der zaken naar een gerechtshof dat nog van geene
daarvan kennis genomen heeft, ten einde die gelijktijdig opnieuw te
onderzoeken en daarin bij eene en dezelfde uitspraak recht te doen,
zonder dat echter de straf de bij de vernietigde arresten of
vonnissen opgelegde mag te boven gaan. Hebben reeds alle
gerechtshoven van de zaak kennis genomen, dan wordt niettemin een
daarvan aangewezen. Is een der gewijsden door den Hoogen Raad in
eersten aanleg gewezen, dan wordt de zaak verwezen naar de
terechtzitting van den Hoogen Raad samengesteld als in artikel 472
vermeld.
2. De veroordeelde aan wie krachtens
de vernietigde uitspraak zijn vrijheid is ontnomen, is van
rechtswege vrij en wordt onverwijld in vrijheid gesteld, behoudens
het bepaalde bij artikel 470.
Artikel 462
1. Indien de aanvrage betreft het
geval genoemd in artikel 457, eerste lid, onder 2° of 3°, beveelt
de Hoge Raad, na, zo nodig, door tussenkomst van de
procureur-generaal nadere berichten te hebben ingewonnen, de verdere
behandeling op de openbare terechtzitting op een daartoe door de
voorzitter te bepalen dag.
2. Indien nadere berichten zijn
ingewonnen worden deze bij de stukken gevoegd en wordt aan degene
die het verzoekschrift heeft ingediend een afschrift toegezonden.
3. Indien op de voet van het vorige
lid een afschrift is toegezonden, wordt de dienende rechtsdag
bepaald op een datum niet eerder dan zes weken na die toezending, en
kan de veroordeelde of zijn raadsman de aanvrage schriftelijk nader
toelichten tot uiterlijk de laatste dag voor de dienende dag.
4. De procureur-generaal doet ten
minste tien dagen voor de dienende rechtsdag aan de veroordeelde
aanzegging van die dag.
Artikel 463
1. De aanvrage betreffende het geval
vermeld in artikel 457, eerste lid, onder 2° of 3°, wordt in
behandeling genomen op een openbare terechtzitting voor strafzaken
van de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad.
2. De enkelvoudige kamer verwijst een
zaak naar de meervoudige kamer:
a. wanneer de raadsman van de
veroordeelde te kennen geeft de aanvrage mondeling te willen
toelichten;
b. wanneer zij de dag voor de
uitspraak bepaalt;
c. wanneer zij verwijzing
wenselijk acht.
3. De meervoudige kamer verwijst een
zaak wederom naar de enkelvoudige kamer, indien zulks in enige stand
van het geding nodig is.
Artikel 464
1. Ter terechtzitting van de
enkelvoudige kamer, dan wel ter terechtzitting van de meervoudige
kamer wanneer de raadsman aldaar de aanvrage mondeling heeft
toegelicht, of op een nadere terechtzitting neemt de
procureur-generaal zijn conclusie, die hij aan de Hoge Raad
overlegt. Indien de procureur-generaal nadere berichten heeft
ingewonnen legt hij deze eveneens aan de Hoge Raad over.
2. Hierna wordt de dag voor de
uitspraak bepaald.
3. Aan degene die het verzoekschrift
heeft ingediend wordt een afschrift van de conclusie toegezonden.
Artikel 465
Acht de Hoge Raad alvorens een
beslissing te nemen een onderzoek nodig, dan beveelt hij dit en draagt
dat onderzoek op aan een daartoe uit zijn midden te benoemen
raadsheer-commissaris, doch kan dit ook, indien de herziening niet
betreft een door de Hoge Raad in eerste aanleg gewezen arrest,
opdragen aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van
strafzaken, in een rechtbank welke van de zaak nog geen kennis heeft
genomen.
Artikel 466
1. Het onderzoek bedoeld in artikel
465, geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt
overeenkomstig de tweede tot en met de vijfde en de achtste afdeling
van de Derde Titel van het Tweede Boek gevoerd. De getuigen worden
beëdigd of wel overeenkomstig artikel 216a, tweede lid aangemaand.
Indien het onderzoek geschiedt door een raadsheer-commissaris, geldt
al hetgeen bepaald is omtrent de rechtbank, de rechter-commissaris,
de officier van justitie en de griffier, ten aanzien van de Hoge
Raad, de raadsheer-commissaris, de procureur-generaal en de griffier
van de Hoge Raad, behoudens dat de raadsheer-commissaris en de
procureur-generaal zich bij het doorzoeken van plaatsen en bij een
schouw kunnen doen vervangen door de rechter-commissaris en de
officier van justitie bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied
die moet plaatshebben.
2. Na afloop van het onderzoek doet
de raadsheer- of rechter-commissaris de stukken toekomen aan de Hoge
Raad.
3. Aan degene die het verzoekschrift
heeft ingediend wordt een afschrift van de stukken van het onderzoek
toegezonden. Artikel 462, derde en vierde lid, artikel 463 en indien
de procureur-generaal opnieuw een conclusie neemt artikel 464,
eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 467
1. Acht de Hoge Raad de aanvrage
betreffende het geval genoemd in artikel 457, eerste lid, onder 2°,
gegrond, dan beveelt hij de opschorting of schorsing van de
tenuitvoerlegging van het gewijsde en verwijst hij de zaak op de
voet van artikel 461, teneinde hetzij het gewijsde te handhaven,
hetzij met vernietiging daarvan het openbaar ministerie
niet-ontvankelijk te verklaren, de verdachte vrij te spreken of als
niet-strafbaar te ontslaan van alle rechtsvervolging, of de
verdachte opnieuw te veroordelen met toepassing van de minder zware
strafbepaling.
2. Acht de Hoge Raad de aanvrage
betreffende het geval, vermeld in artikel 457, eerste lid, onder
3°, gegrond, dan doet hij bij wijze van herziening de zaak zelf af
of beveelt hij de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging
van het gewijsde en verwijst hij de zaak op de voet van artikel 461,
teneinde – met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad –
hetzij het gewijsde te handhaven hetzij met vernietiging daarvan
recht te doen.
3. De veroordeelde aan wie krachtens
het gewijsde zijn vrijheid is ontnomen is van rechtswege vrij en
wordt onverwijld in vrijheid gesteld, behoudens het bepaalde bij
artikel 470.
Artikel 468
Acht de Hoge Raad de aanvrage niet
gegrond, dan wijst hij die af.
Artikel 469
Beslissingen als bedoeld in de
artikelen 460, 461, 467 en 468 worden gegeven bij met redenen omkleed
arrest. Het arrest wordt op een openbare terechtzitting van de
enkelvoudige kamer uitgesproken in aanwezigheid van de griffier en de
procureur-generaal.
Artikel 470
1. Bij de verwijzing kan de Hoge Raad
een bevel tot gevangenhouding tegen de veroordeelde uitvaardigen.
Dit bevel is geldig voor onbepaalde termijn, doch kan door het
gerechtshof worden geschorst of opgeheven. In geen geval zal deze
gevangenhouding langer mogen duren dan de nog niet volbrachte
straftijd die de veroordeelde krachtens het gewijsde dient te
ondergaan. De artikelen 62, 67, 67a, 69, 73 en 77 tot en met 86 zijn
van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de veroordeelde, tegen wie
een bevel tot gevangenhouding als bedoeld in het eerste lid van dit
artikel is uitgevaardigd, geen raadsman heeft, wordt deze hem
ambtshalve door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op last
van de voorzitter van het gerechtshof toegevoegd.
3. Hangende de beslissing op de
aanvrage tot herziening kan de Hoge Raad te allen tijde de
tenuitvoerlegging van het gewijsde opschorten.
Artikel 471
De beslissingen van den Hoogen Raad
genoemd in de artikelen 460, 461, 467, 468 en 470, worden zoodra
mogelijk van wege den procureur-generaal aan den belanghebbende
schriftelijk medegedeeld en in afschrift toegezonden aan den ambtenaar
belast met de tenuitvoerlegging van het gewijsde waarvan de herziening
is gevraagd, of van het vernietigde arrest of vonnis.
Artikel 472
1. De Hooge Raad ingevolge verwijzing
op grond van artikel 461, eerste lid, of van artikel 467, eerste of
tweede lid, zelf rechtdoende, is samengesteld uit alle leden, de
president en vice-presidenten daaronder begrepen, voor zoover zij
niet verhinderd zijn zitting te nemen, in welk geval daarvan met
opgave van redenen in het arrest wordt melding gemaakt.
2. Door den Hoogen Raad wordt de
beslissing genomen met meerderheid van stemmen. Bij staking van
stemmen wordt de uitspraak gewezen ten voordeele van den
veroordeelde.
Artikel 473
1. Het rechtsgeding in de verwezen
zaak of zaken wordt bij het gerechtshof gevoerd met overeenkomstige
toepassing van de artikelen 412, eerste, tweede en derde lid, 413,
414, 415, 416, 417, 419 en 421, met dien verstande dat artikel 312
buiten toepassing blijft.
2. In de gevallen voorzien bij de
artikelen 316 en 347 wordt het onderzoek gevoerd door een daartoe
door het gerechtshof aangewezen rechter-commissaris of
raadsheer-commissaris die nog geen onderzoek in de zaak heeft
verricht.
Artikel 474
1. Het onderzoek en de beraadslaging,
bedoeld in de artikelen 348 en 350, geschieden zoowel naar
aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in herziening als
van het onderzoek in vorige terechtzittingen, zooals dat volgens
daarvan opgemaakt proces-verbaal heeft plaats gehad.
2. Ten aanzien van de bij de
verwijzing vernietigde uitspraken doet het gerechtshof opnieuw
recht; ten aanzien van de bij de verwijzing niet vernietigde
uitspraak handhaaft het gerechtshof deze met geheele of
gedeeltelijke overneming, aanvulling of verbetering der gronden of
doet, met geheele of gedeeltelijke vernietiging der uitspraak,
opnieuw recht met inachtneming van artikel 467, eerste of tweede
lid.
Artikel 475
Het rechtsgeding in de verwezen zaak of
zaken wordt bij den Hoogen Raad gevoerd op den voet van de beide
voorgaande artikelen. Artikel 484 is alsdan van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat in het geval van het tweede lid van
artikel 473 het onderzoek ook kan worden opgedragen aan een daartoe
door den Hoogen Raad uit zijn midden aangewezen raadsheer-commissaris.
Artikel 476
1. In geen geval mag eene straf
worden opgelegd, die de bij het vernietigde arrest of vonnis
opgelegde te boven gaat.
2. Indien bij samenloop van meerdere
feiten ééne hoofdstraf is uitgesproken en de herziening slechts
gevraagd is ten aanzien van een of meer dier feiten, wordt, in geval
van vernietiging, bij de uitspraak in herziening de straf voor het
andere feit of de andere feiten bepaald.
3. Indien uit het nieuwe onderzoek
blijkt dat de verdachte een ander strafbaar feit heeft gepleegd dan
waarvoor hij veroordeeld is en dat strafbare feit hem oorspronkelijk
mede was te laste gelegd zonder dat daarover was beslist, doet de
rechter te dier zake uitspraak en kan hij hem wegens dat feit
veroordeelen, zonder dat echter de straf de bij het vernietigde
arrest of vonnis opgelegde mag te boven gaan.
4. Bij de uitspraak wordt bepaald dat
de reeds vroeger krachtens de vernietigde uitspraak voor het feit
ondergane straf, en de krachtens artikel 470 ondergane voorloopige
hechtenis in mindering zal worden gebracht.
Artikel 477
Indien gedurende de behandeling der
zaak de veroordeelde overlijdt, wordt het geding voortgezet en door
den rechter voor wien de zaak dient of moet dienen, een bijzondere
vertegenwoordiger benoemd. De voorgaande artikelen van dezen Titel
zijn dan van overeenkomstige toepassing.
Artikel 478
1. Indien van straf opgelegd bij het
gewijsde, door gratie kwijtschelding is verleend, of in geval van
voortzetting van het geding tegen den benoemden bijzonderen
vertegenwoordiger, kan in geen geval straf worden opgelegd.
2. Is de straf door gratie gewijzigd
of verminderd, dan wordt in geen geval eene straf opgelegd, die de
gewijzigde of verminderde te boven gaat.
Artikel 479
1. De aanvrage tot herziening kan na
het overlijden van den veroordeelde gedaan worden door den
overlevenden echtgenoot of geregistreerde partner, elken
bloedverwant in de rechte lijn of in den tweeden graad der zijlijn
en door den procureur-generaal bij den Hoogen Raad.
2. De voorgaande artikelen van dezen
Titel zijn dan van overeenkomstige toepassing.
3. Deze aanvrage strekt alleen tot
opheffing van de veroordeeling tegen den overledene uitgesproken.
Artikel 480
Met uitzondering van de leden van en de
ambtenaren bij den Hoogen Raad, mag geen rechterlijk ambtenaar die op
eenigerlei wijze deelgenomen heeft aan het onderzoek of de berechting
der zaak waarvan herziening wordt gevraagd, aan het onderzoek of de
berechting in herziening deel nemen.
Artikel 481
1. Indien na de vernietiging van het
gewijsde geen straf of maatregel of wel de maatregel, bedoeld bij
artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, wordt opgelegd, wordt, op
verzoek van den gewezen veroordeelde of van zijne erfgenamen, ter
zake van de ondergane straf eene schadevergoeding toegekend. De
toekenning heeft plaats, voor zoover daartoe, naar het oordeel van
den rechter, gronden van billijkheid aanwezig zijn en overigens op
den voet van de artikelen 89-93.
2. Ten aanzien van de ondergane
verzekering en van de ondergane voorlopige hechtenis vinden die
artikelen overeenkomstige toepassing.
Vierde Boek. Eenige rechtsplegingen van
bijzonderen aard
Titel I. Strafvordering ter zake van
strafbare feiten waarvan de Hooge Raad in eersten aanleg kennis neemt
Artikel 482 [Vervallen per 12-04-1967]
Artikel 483
1. De artikelen 4-19 der wet van den
22 April 1855 (Staatsblad n°. 33), houdende regeling der
verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriëele
Departementen, blijven van kracht.
2. Zij zijn van overeenkomstige
toepassing op alle ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen, begaan
door de in artikel 76 van de Wet op de rechterlijke organisatie
opgenoemde personen. Onder ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen
worden hier begrepen strafbare feiten begaan onder eene der
verzwarende omstandigheden, omschreven in artikel 44 van het Wetboek
van Strafrecht.
3. De procureur-generaal bij den
Hoogen Raad is verplicht aan den ontvangen last tot vervolging
onmiddellijk gevolg te geven.
Artikel 484
1. De strafvordering ter zake van
strafbare feiten waarvan de Hooge Raad in eersten aanleg kennis
neemt, vindt overigens plaats met overeenkomstige toepassing van de
regelen omtrent de strafvordering in eersten aanleg van feiten
waarvan de rechtbank kennis neemt, behoudens de navolgende
uitzonderingen:
1°. Indien de procureur-generaal
zulks vordert, wordt door den Hoogen Raad een
raadsheer-commissaris uit zijne leden aangewezen.
2°. [Vervallen.]
3°. Niet van toepassing zijn de
bepalingen betreffende de verplichtingen van den officier van
justitie tegenover den procureur-generaal bij het gerechtshof en
diens toezicht op de vervolging van strafbare feiten.
4°. In geval van een doorzoeking
van plaatsen of eene schouw, kan zich de raadsheer- commissaris
doen vervangen door den rechter-commissaris, de
procureur-generaal bij den Hoogen Raad door den officier van
justitie bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de
doorzoeking of de schouw moet geschieden.
5°. In geval van vervolging
bedoeld bij artikel 483, zijn niet van toepassing de artikelen
237–241a, 241c–255, 262, 313 en 314, en behelst de
dagvaarding eene opgave van het feit in den last tot vervolging
uitgedrukt.
6°. Tegen de beslissingen van
den Hoogen Raad is geen beroep of bezwaarschrift toegelaten.
2. Een onbevoegdverklaring wordt niet
uitgesproken indien het feit een misdrijf of overtreding oplevert,
waarvan een andere rechter kennisneemt, en de verdachte de
verwijzing naar die rechter niet heeft verzocht.
Artikel 485
De vervolging der mede-verdachten van
dengene die voor den Hoogen Raad terechtstaat, heeft voor hetzelfde
college plaats.
Titel II. Strafvordering in zaken
betreffende jeugdige personen
Eerste afdeling. Algemene bepalingen
Artikel 486
Niemand kan strafrechtelijk worden
vervolgd wegens een feit, begaan voordat hij de leeftijd van twaalf
jaren heeft bereikt.
Artikel 487
1. In gevallen waarin uit feiten of
omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat iemand beneden
de leeftijd van twaalf jaren een strafbaar feit heeft begaan, zijn
uitsluitend de artikelen 52 tot en met 55b, 56, 61, eerste en derde
lid, 95 tot en met 102, 118, 119, 552a en 552d tot en met 552g van
toepassing. De artikelen 116 tot en met 117a zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. Het afleggen van een verklaring
als bedoeld in artikel 116, tweede lid, en het doen van beklag als
bedoeld in artikel 552a geschiedt voor de minderjarige, bedoeld in
het eerste lid, door zijn wettelijke vertegenwoordiger in
burgerlijke zaken.
Tweede afdeling. Strafvordering in
zaken betreffende personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet
hebben bereikt
Artikel 488
1. De bepalingen van dit wetboek zijn
van toepassing voor zover deze afdeling geen afwijkende bepalingen
bevat.
2. De bepalingen van deze afdeling
zijn van toepassing op personen die ten tijde van het begaan van het
feit de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, voor
zover deze Titel geen afwijkende bepalingen bevat.
3. De bepalingen van deze afdeling
die betrekking hebben op de ouders of voogd, zijn alleen van
toepassing, zolang de verdachte minderjarig is.
Artikel 488a
Artikel 94a is van overeenkomstige
toepassing op personen die ten tijde van het begaan van het feit de
leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, met dien
verstande dat inbeslagneming tot bewaring van het recht tot verhaal
ten aanzien van jeugdigen mogelijk is in geval van verdenking van
onderscheidenlijk verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf
waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd.
Artikel 488b [Vervallen per 01-07-1965]
Artikel 489
1. Aan de verdachte die geen raadsman
heeft, wordt ambtshalve een raadsman toegevoegd wanneer
a. de officier van justitie in
een strafbeschikking een taakstraf als bedoeld in artikel 77f,
tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht wil opleggen en deze
meer dan twintig uren zal belopen;
b. de officier van justitie een
strafbeschikking wil uitvaardigen en het bedrag dat daarmee is
gemoeid het bedrag van € 115 overschrijdt of
c. tegen hem een vervolging,
anders dan door een strafbeschikking, is aangevangen wegens een
feit waarvan in eerste aanleg de rechtbank, niet zijnde de
kantonrechter, kennis neemt.
2. Aan de veroordeelde die geen
raadsman heeft, wordt ambtshalve een raadsman toegevoegd, indien de
veroordeelde, gelet op de aard van een krachtens de artikelen 77u of
77ee, eerste lid, in verband met artikel 14i, derde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, af te nemen verhoor, diens bijstand behoeft.
3. De toevoeging geschiedt door of op
last van de voorzitter van de rechtbank, onderscheidenlijk, wanneer
hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis in eerste aanleg,
door de voorzitter van het gerechtshof.
4. Het openbaar ministerie geeft aan
de voorzitter van de rechtbank, dan wel van het gerechtshof,
onverwijld schriftelijk kennis van de verplichting tot toevoeging
ingevolge het eerste of van een verhoor als bedoeld in het tweede
lid.
5. De artikelen 42, eerste en tweede
lid, 43, eerste lid, en 44 blijven buiten toepassing.
Artikel 490
Indien de verdachte rechtens zijn
vrijheid is ontnomen en niet is geplaatst in een justitiële
jeugdinrichting, is ten aanzien van zijn ouders of voogd artikel 50
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 490a [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 491
1. In afwijking van artikel 59,
vijfde lid, wordt de raad voor de kinderbescherming onverwijld van
het bevel tot inverzekeringstelling in kennis gesteld.
2. Indien naar aanleiding van de in
het vorige lid bedoelde kennisgeving wordt gerapporteerd, slaat de
officier van justitie daarop acht alvorens een vordering tot
bewaring te doen.
Artikel 492
De kinderrechter treedt inzake de
toepassing van de voorlopige hechtenis op als rechter-commissaris.
Artikel 493
1. Indien de rechter de voorlopige
hechtenis van de verdachte beveelt, gaat hij na of de
tenuitvoerlegging van dit bevel, hetzij onmiddellijk, hetzij na een
bepaald tijdsverloop, kan worden geschorst. De rechter kan daarbij
een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg opdragen aan de verdachte hulp en steun te verlenen. Bij
algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Ministers
van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels
worden gesteld omtrent de aard en de omvang van de hulp en steun.
2. In het bevel tot voorlopige
hechtenis en tot schorsing daarvan worden zodanige bepalingen
opgenomen als voor de juiste uitvoering daarvan nodig worden
geoordeeld.
3. Tot het ondergaan van
inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis kan elke daartoe
geschikte plaats worden aangewezen. Bij het bevel tot voorlopige
hechtenis kan worden bepaald dat de verdachte gedurende de nacht in
een inrichting als bedoeld in de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen, dan wel op een andere plaats als bedoeld in de
eerste volzin verblijft, en gedurende de dag in de gelegenheid wordt
gesteld de inrichting of die plaats te verlaten.
4. Een bevel tot gevangenhouding of
gevangenneming kan een termijn van dertig dagen niet te boven gaan
indien de rechtbank de verdachte niet heeft gehoord.
5. In de gevallen waarin verlof kan
worden verleend op grond van het bepaalde bij of krachtens de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, blijft het in het
eerste en tweede lid inzake schorsing bepaalde buiten toepassing.
6. Schorsing van de voorlopige
hechtenis vindt steeds plaats onder de algemene voorwaarden, genoemd
in artikel 80. De rechter kan, na advies te hebben ingewonnen van de
raad voor de kinderbescherming, ook bijzondere voorwaarden aan de
schorsing verbinden. De rechter verbindt slechts bijzondere
voorwaarden aan de schorsing voor zover de jeugdige daarmee instemt.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bijzondere
voorwaarden die het gedrag van de veroordeelde betreffen aan de
schorsing kunnen worden verbonden en aan welke eisen de instemming
van de jeugdige moet voldoen. De bijzondere voorwaarden mogen de
vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te
belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken. Bij algemene
maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Ministers van
Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels
worden gesteld omtrent de aard en de omvang van de hulp en steun.
Artikel 494
1. De officier van justitie wint bij
de raad voor de kinderbescherming inlichtingen in omtrent de
persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte, tenzij
hij
a. aanstonds onvoorwaardelijk van
vervolging afziet of
b. de zaak voor de kantonrechter
vervolgt.
2. Indien de verdachte zich in
voorlopige hechtenis bevindt of ingevolge artikel 196 in een
inrichting is opgenomen, geeft de officier van justitie onverwijld
bericht aan de raad.
3. De raad kan de officier van
justitie ook uit eigen beweging adviseren.
4. De rechter-commissaris kan
eveneens bij de raad de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid,
inwinnen.
Artikel 495
1. De zaak wordt bij de rechtbank in
eerste aanleg voor de kinderrechter vervolgd.
2. Niettemin geschiedt de behandeling
van de zaak door de meervoudige kamer, indien naar het aanvankelijk
oordeel van de officier van justitie
a. in de zaak een plaatsing in
een inrichting voor jeugdigen dan wel een zwaardere hoofdstraf
dan vrijheidsstraf van zes maanden dient te worden opgelegd;
b. wegens de ingewikkeldheid van
de zaak behandeling door de meervoudige kamer de voorkeur
verdient;
c. de zaak, indien deze tevens
één of meer verdachten betreft die de leeftijd van achttien
jaren hebben bereikt, niet voor splitsing vatbaar is.
3. In zaken welke voor een
meervoudige kamer der rechtbank worden vervolgd neemt de
kinderrechter aan het onderzoek der terechtzitting deel.
Artikel 495a
1. De verdachte is verplicht in
persoon te verschijnen. Bij de dagvaarding wordt hem kennis gegeven
dat, indien hij niet aan deze verplichting voldoet, het gerecht zijn
medebrenging kan gelasten.
2. Indien de van misdrijf verdachte
in gebreke blijft op de terechtzitting te verschijnen, stelt het
gerecht, tenzij aanstonds van nietigheid van de dagvaarding,
niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of onbevoegdheid
van het gerecht blijkt, het onderzoek tot een bepaalde dag uit en
beveelt het tevens de medebrenging van de verdachte. Het gerecht kan
echter indien van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend
is of op grond van bijzondere omstandigheden het geven van een bevel
tot medebrenging achterwege laten.
3. Tegen de verdachte die in gebreke
blijft op de terechtzitting te verschijnen, wordt tenzij het gerecht
de medebrenging tegen een nader tijdstip gelast, verstek verleend.
Het onderzoek wordt daarna voortgezet.
4. Het eerste, tweede en derde lid
zijn niet van toepassing indien ten tijde van de terechtzitting de
verdachte inmiddels de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.
Artikel 495b
1. De zaak wordt achter gesloten
deuren behandeld. De voorzitter van de rechtbank kan tot bijwoning
van de besloten terechtzitting bijzondere toegang verlenen. Aan het
slachtoffer of de nabestaanden van het slachtoffer wordt toegang
verleend, tenzij de voorzitter wegens bijzondere redenen anders
beslist.
2. De voorzitter van de rechtbank
gelast een openbare behandeling van de zaak indien naar zijn oordeel
het belang van de openbaarheid van de zitting zwaarder moet wegen
dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
van de verdachte, diens medeverdachte, ouders of voogd.
Artikel 496
1. De ouders of de voogd zijn
verplicht tot bijwoning van de terechtzitting. Zij worden daartoe
opgeroepen. Bij de oproeping wordt hun kennisgegeven, dat, indien
zij niet aan deze verplichting voldoen, het gerecht hun medebrenging
kan gelasten.
2. Indien ouders of voogd op de
terechtzitting zijn verschenen, worden zij, nadat de verdachte, een
medeverdachte, een getuige of een deskundige zijn verklaring heeft
afgelegd, in de gelegenheid gesteld daartegen in te brengen wat tot
verdediging kan dienen. In het in artikel 51g, vierde lid, bedoelde
geval kunnen de ouders of de voogd vragen stellen aan een getuige of
deskundige, maar alleen betreffende de vordering tot
schadevergoeding; zij worden in de gelegenheid gesteld verweer te
voeren tegen die vordering.
3. Niettemin kan het gerecht
ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek
van de verdachte of diens raadsman bevelen, dat een verhoor van de
verdachte, van een getuige of van een deskundige buiten
tegenwoordigheid van ouders of voogd geschiedt, tenzij de zaak in
het openbaar wordt behandeld. Het gerecht deelt in dat geval de
zakelijke inhoud van een en ander aan de ouders of voogd mee, voor
zover niet gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
Artikel 496a
1. Indien de ouders of voogd van een
van misdrijf verdachte minderjarige in gebreke blijven op de
terechtzitting te verschijnen beveelt het gerecht de aanhouding van
de zaak tegen een bepaalde dag en beveelt het tevens hun oproeping.
Het gerecht stelt voorafgaand aan zijn beslissing de verdachte, de
officier van justitie en het slachtoffer dat ter terechtzitting
aanwezig is, in de gelegenheid zich uit te laten over de
wenselijkheid van aanhouding.
2. Het gerecht kan bij het bevel tot
oproeping een bevel tot medebrenging verlenen, indien het de
aanwezigheid van een of beide ouders dan wel de voogd bij de
behandeling van de zaak op de terechtzitting noodzakelijk acht. Het
gerecht kan dit bevel ook geven in het geval van de behandeling van
de zaak van een van overtreding verdachte minderjarige.
3. Het gerecht kan slechts bevelen
dat het onderzoek niet wordt aangehouden, en dat een bevel tot
medebrenging niet wordt verleend indien:
a. het aanstonds een van de
uitspraken bedoeld in artikel 349, eerste lid, doet,
b. de ouders of voogd geen
bekende woon- of verblijfplaats in Nederland hebben, of
c. de aanwezigheid van een of
beide ouders niet in het belang van de minderjarige wordt
geacht.
Artikel 496b [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 496c [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 496d [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 496e [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 496f [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 497
1. Het gerecht kan ambtshalve, op
vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte
of diens raadsman bepalen, dat vragen betreffende de persoonlijkheid
of de levensomstandigheden van de verdachte buiten diens
tegenwoordigheid zullen worden gesteld en behandeld en dat het
openbaar ministerie of de raadsman buiten tegenwoordigheid van de
verdachte daarover het woord zal voeren.
2. Het tweede lid van artikel 300 is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 498
Indien het gerecht het noodzakelijk
oordeelt dat alsnog een onderzoek naar de persoonlijkheid en de
levensomstandigheden van de minderjarige verdachte wordt ingesteld,
kan het nadere inlichtingen bij de raad voor de kinderbescherming
inwinnen.
Artikel 498a [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 499
1. Op het rechtsgeding voor de
kinderrechter zijn de Vijfde Titel en de Zesde Titel van het Tweede
Boek van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze Titel niet
anders wordt bepaald en met dien verstande, dat de kinderrechter
tevens de bevoegdheden bezit, die aan de voorzitter van een
meervoudige kamer toekomen.
2. De artikelen 370 en 376 tot en met
381 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
kinderrechter de zaak tevens naar de meervoudige kamer verwijst,
indien naar zijn oordeel de toepassing van artikel 77s van het
Wetboek van Strafrecht in overweging behoort te worden genomen.
Artikel 500
1. Op het rechtsgeding voor de
kantonrechter zijn de artikelen 495b, 496, eerste lid, tweede
volzin, vijfde en zesde lid, 497 en498 van overeenkomstige
toepassing.
2. Indien de zaak door oproeping
aanhangig is gemaakt, wordt in de oproeping van de ouders of de
voogd het ten laste gelegde feit opgenomen. In het geval, bedoeld in
de aanhef van artikel 390, is dat artikel van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de wijze van oproeping van ouders of
voogd, en zo nodig van intrekking van deze oproeping.
Artikel 500a [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 500b [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 500c [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 500d [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 500e [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 500f [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 500g [Vervallen per 01-05-1996]
Artikel 500h [Vervallen per 01-05-1996]
Artikel 500i [Vervallen per 01-05-1996]
Artikel 500j [Vervallen per 01-05-1996]
Artikel 500k [Vervallen per 01-05-1996]
Artikel 500l [Vervallen per 01-05-1996]
Artikel 501
In geval van hoger beroep bij het
gerechtshof of bij de rechtbank zijn de artikelen 495a tot en met 498
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 502
1. Tegen een beslissing als bedoeld
in artikel 77u van het Wetboek van Strafrecht kunnen zowel het
openbaar ministerie als de veroordeelde in hoger beroep komen bij
het gerechtshof te Arnhem. De artikelen 509q en 509v tot en met 509x
zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Tegen een beslissing als bedoeld
in artikel 77tb en 77wb van het Wetboek van Strafrecht kunnen zowel
het openbaar ministerie als de veroordeelde binnen veertien dagen na
dagtekening van de beslissing in hoger beroep komen bij het
gerechtshof in het ressort van het gerecht waar de beslissing is
genomen.
3. Op het hoger beroep bedoeld in het
tweede lid, zijn de artikelen 509v, derde lid, 509w en 509x van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 503
1. Indien de verdachte die de
leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, een raadsman
heeft, komen alle bevoegdheden, hem in dit wetboek of in het Wetboek
van Strafrecht toegekend, eveneens toe aan zijn raadsman.
2. Tegen het instellen, intrekken of
afstand doen door de raadsman van enig rechtsmiddel kan, in het
geval van het eerste lid, de verdachte of diens wettelijke
vertegenwoordiger binnen drie dagen nadat de termijn voor het
instellen daarvan is verstreken, een bezwaarschrift indienen bij de
voorzitter van het gerecht in feitelijke aanleg, voor hetwelk de
zaak wordt vervolgd of het laatst is vervolgd. De voorzitter beslist
ten spoedigste. De verdachte, diens wettelijke vertegenwoordiger
alsmede de raadsman worden gehoord, althans, op de wijze door de
voorzitter te bepalen, opgeroepen. Indien het bezwaarschrift gegrond
wordt bevonden, loopt de termijn voor het instellen of intrekken van
het rechtsmiddel alsnog gedurende drie dagen.
Artikel 503a [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 504
1. Voor zover niet anders is bepaald,
worden alle dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen
of andere schriftelijke mededelingen aan de minderjarige verdachte
tevens ter kennis gebracht van zijn ouders of voogd, alsmede van
zijn raadsman.
2. Het eerste lid geldt niet ten
aanzien van de raadsman in zaken die worden behandeld door de
kantonrechter.
Artikel 505
Alle dagvaardingen, oproepingen,
kennisgevingen, aanzeggingen of andere mededelingen aan ouders of
voogd vinden enkel plaats indien deze een bekende verblijfplaats
binnen Nederland hebben. Aan samenwonende ouders wordt slechts één
stuk uitgereikt.
Artikel 506 [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 507 [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 508 [Vervallen per 01-09-1995]
Artikel 509 [Vervallen per 01-09-1995]
Titel IIA. Berechting van verdachten
bij wie een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de
geestvermogens wordt vermoed
Artikel 509a
1. In elken stand der zaak
betreffende een verdachte die den leeftijd van achttien jaren
bereikt heeft, zal de rechtbank of het gerechtshof, indien vermoed
wordt dat de geestvermogens van de verdachte gebrekkig ontwikkeld of
ziekelijk gestoord zijn, en dat hij ten gevolge daarvan niet in
staat is zijne belangen behoorlijk te behartigen, zulks bij
beslissing verklaren.
2. De beslissing wordt gegeven,
hetzij ambtshalve, hetzij op de voordracht van den
rechter-commissaris, op de vordering van het openbaar ministerie of
op het daartoe strekkend verzoek van den verdachte, van zijn
raadsman, van zijn echtgenoot of geregistreerde partner van zijn
curator of van een zijner bloed- of aanverwanten tot den derden
graad ingesloten.
3. Voor zoover de beslissing niet in
zijne tegenwoordigheid is gegeven, wordt de inhoud daarvan den
verdachte onverwijld vanwege het openbaar ministerie beteekend.
Artikel 509b
1. Het gerecht kan, alvorens te
beslissen, den rechter-commissaris, zoolang deze met het
gerechtelijk vooronderzoek is belast, of het openbaar ministerie
opdragen een nader onderzoek in te stellen en aan het gerecht
daaromtrent verslag te doen.
2. De beslissing van het gerecht, bij
het eerste lid van artikel 509a bedoeld, is niet aan eenig
rechtsmiddel onderworpen, doch kan door het gerecht te allen tijde
worden herroepen; ten aanzien der beslissing tot herroeping vinden
de artikelen 509a en 509d overeenkomstige toepassing en al hetgeen
bij of ingevolge eerstgenoemde beslissing tot de herroeping toe is
verricht, blijft niettemin van kracht.
Artikel 509c
Ten spoedigste na de beslissing bedoeld
in artikel 509a, geeft de voorzitter van het gerecht het bestuur van
de raad voor rechtsbijstand last tot toevoeging van een raadsman aan
de verdachte.
Artikel 509d
1. Van het oogenblik af der
beslissing, bij het eerste lid van artikel 509a bedoeld, en,
behoudens herroeping, totdat de zaak door een in kracht van gewijsde
gegaan arrest of vonnis is beëindigd, vinden de artikelen 14a, 490,
493, 495a tot en met 497, 504 en 505 overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat de bepalingen aangaande ouders of voogd slechts
overeenkomstig worden toegepast, indien de verdachte een curator
heeft, en in dit geval in dier voege dat zij uitsluitend dezen
betreffen.
2. Bij niet-verschijning in persoon,
als bedoeld bij het tweede lid van artikel 495a, kan de rechtbank of
het gerechtshof, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het
openbaar ministerie of op het verzoek van den raadsman, indien de
rechtbank of het gerechtshof van oordeel is, dat de persoonlijke
verschijning van den verdachte noch noodzakelijk noch gewenscht is
en de raadsman is verschenen en zich daartegen niet verzet, de
bepaling van dat lid buiten toepassing laten. In zoodanig geval
wordt verstek verleend en het onderzoek der zaak voortgezet; de
raadsman blijft met de verdediging belast.
3. De bevoegdheden, bij dit wetboek
aan den verdachte toegekend, komen na de beslissing, bij het eerste
lid van artikel 509a bedoeld, steeds mede toe aan den raadsman.
Artikel 509e
De bepalingen van deze titel zijn niet
van toepassing op een gerechtelijk vooronderzoek in zaken die worden
behandeld door de kantonrechter. In geval wordt vermoed, dat bij een
verdachte, wiens zaak ter terechtzitting van de kantonrechter
aanhangig wordt gemaakt, een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke
stoornis van de geestvermogens bestaat, en dat hij ten gevolge daarvan
niet in staat is zijne belangen behoorlijk te behartigen, worden in
den regel zijn curator, zoo hij dien heeft, en evenzoo een of meer
geneesheeren ten verzoeke van het openbaar ministerie ter
terechtzitting gedagvaard om te worden gehoord omtrent de
persoonlijkheid van den verdachte.
Titel IIB. Rechtsplegingen in verband
met de terbeschikkingstelling en de plaatsing in een psychiatrisch
ziekenhuis
Eerste afdeling. Inleidende bepalingen
Artikel 509f
In deze titel wordt verstaan onder:
reclasseringsmedewerker: degene die
door een instelling, aangewezen overeenkomstig artikel 38, 38b, 38g of
38i van het Wetboek van Strafrecht, is belast met het onderhouden van
contact met de ter beschikking gestelde;
psychiatrisch ziekenhuis: een
ziekenhuis, een inrichting of een afdeling daarvan als bedoeld in
artikel 90 sexies van het Wetboek van Strafrecht;
psychiater: een arts als bedoeld in
artikel 90 septies van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 509g
1. Indien de rechter toepassing van
artikel 37, 37b of 38c van het Wetboek van Strafrecht overweegt, kan
hij bij een met redenen omklede beslissing bevel geven dat de
betrokkene ter observatie zal worden overgebracht naar een in het
bevel aan te wijzen psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting tot
klinische observatie bestemd, door de Minister van Justitie
overeenkomstig artikel 198, derde lid, aangewezen.
2. Het bevel wordt niet gegeven dan
nadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en het
openbaar ministerie, de betrokkene en zijn raadsman zijn gehoord.
3. Indien het bevel is gegeven met
het oog op een beslissing inzake toepassing van artikel 38c van het
Wetboek van Strafrecht, wordt, in het geval dat de ter beschikking
gestelde geen bekende verblijfplaats heeft of zich buiten Nederland
ophoudt, de termijn van de terbeschikkingstelling geschorst tot het
tijdstip waarop de tenuitvoerlegging van het bevel door het bekend
worden van zijn verblijfplaats mogelijk is.
4. Indien toepassing wordt gegeven
aan het bepaalde in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht geldt
het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis of de inrichting tot
klinische observatie bestemd als een plaatsing in een psychiatrisch
ziekenhuis als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van dat Wetboek.
Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 37b of
38c van het Wetboek van Strafrecht geldt het verblijf in het
psychiatrisch ziekenhuis of de inrichting tot klinische observatie
bestemd als verpleging van overheidswege. Het mag de duur van zeven
weken niet te boven gaan. De rechter kan te allen tijde bevelen dat
het verblijf op een vroeger tijdstip zal worden beëindigd.
Artikel 509h
1. Een ter beschikking gestelde kan,
indien te zijnen aanzien een bevel als bedoeld in artikel 509g is
gegeven dan wel, indien zijn proefverlof is beëindigd, hervatting
van zijn verpleging van overheidswege is bevolen, of met toepassing
van artikel 38c van het Wetboek van Strafrecht alsnog verpleging van
overheidswege is bevolen, op bevel van de officier van justitie of
een hulpofficier in het arrondissement waarin hij feitelijk
verblijft, worden aangehouden.
2. Na de aanhouding wordt de ter
beschikking gestelde onverwijld overgebracht naar een door de
Minister van Justitie aangewezen inrichting.
Artikel 509i
1. Wanneer ernstige redenen bestaan
voor het vermoeden dat een ter beschikking gestelde aan wie
proefverlof is verleend of wiens verpleging van overheidswege
voorwaardelijk is beëindigd dan wel aan wie voorwaarden bedoeld in
artikel 38, eerste lid, of artikel 38la, derde lid, van het Wetboek
van Strafrecht zijn gesteld, zich zodanig heeft gedragen, dat het
proefverlof zal worden beëindigd, of de hervatting van de
verpleging zal worden gelast, dan wel alsnog zijn verpleging zal
worden gelast, kan zijn aanhouding worden bevolen door de officier
van justitie, tot de vordering bedoeld in artikel 38c, 38k of 38la,
zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht bevoegd, of door de
officier van justitie in het arrondissement waarin hij zijn
feitelijk verblijf heeft. Laatstgenoemde ambtenaar geeft hiervan
onverwijld kennis aan de eerstgenoemde officier van justitie.
2. Van de aanhouding wordt, indien
het een ter beschikking gestelde betreft aan wie proefverlof is
verleend, onverwijld kennis gegeven aan de Minister van Justitie.
Deze beslist daarna zo spoedig mogelijk omtrent de vrijlating, dan
wel de beëindiging van het proefverlof.
3. In de overige gevallen dient de
officier van justitie, indien hij de gedane aanhouding noodzakelijk
blijft vinden, naast de vordering op de voet van artikel 38k, de
vordering op de voet van artikel 38la, zesde lid, of de vordering op
de voet van artikel 38c, van het Wetboek van Strafrecht, onverwijld
een vordering tot voorlopige hervatting van de verpleging
onderscheidenlijk een vordering tot voorlopige verpleging in bij de
rechter-commissaris. De artikelen 40, 509h, tweede lid, en 509k,
tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
4. De rechter-commissaris beslist
binnen driemaal vierentwintig uur na aanhouding. De ter beschikking
gestelde wordt door de rechter-commissaris gehoord.
5. Een bevel van de
rechter-commissaris als bedoeld in het derde lid is dadelijk
uitvoerbaar.
6. De beslissing van de
rechter-commissaris wordt onverwijld schriftelijk medegedeeld aan de
ter beschikking gestelde.
Artikel 509i bis
Indien de rechter last geeft tot
toepassing van de maatregel van terbeschikkingstelling zonder daaraan
een bevel tot verpleging van overheidswege te verbinden, doet het
openbaar ministerie de uitspraak, zodra deze onherroepelijk is
geworden, met alle op dat bevel betrekking hebbende beslissingen aan
de ter beschikking gestelde betekenen. De betekening geschiedt aan hem
in persoon.
Tweede afdeling. Toepassing van de
artikelen 38b, 38c, 38i, 38k of 38la, zesde lid, van het Wetboek van
Strafrecht
Artikel 509j
1. Wanneer het openbaar ministerie
van oordeel is dat toepassing behoort te worden gegeven aan een der
bepalingen van de artikelen 38b, 38c, 38i of 38k van het Wetboek van
Strafrecht, dient het een daartoe strekkende, met redenen omklede,
vordering in. Heeft de ter beschikking gestelde een verzoek als
bedoeld in de artikelen 38b of 38i van het Wetboek van Strafrecht
gedaan, dan wordt dat verzoek door de griffier ter kennis gebracht
van het openbaar ministerie, dat daarop zo spoedig mogelijk een
conclusie neemt.
2. Het openbaar ministerie geeft
toepassing aan artikel 38la, zesde lid, van het Wetboek van
Strafrecht en dient een daartoe strekkende, met redenen omklede,
vordering in.
3. Tot kennisneming van de vordering
of het verzoek is bij uitsluiting bevoegd de rechtbank die in eerste
aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de
terbeschikkingstelling is gelast.
4. Acht de rechtbank zich onbevoegd
dan verwijst zij de zaak naar de rechtbank die haar behoort te
berechten. De vordering wordt in dat geval geacht te zijn ingediend
door de officier van justitie van die laatste rechtbank.
5. Onmiddellijk na de indiening van
de vordering of conclusie bepaalt de voorzitter een dag voor het
onderzoek van de zaak, tenzij de summiere kennisneming van de
stukken de rechtbank aanleiding geeft de vordering of het verzoek
buiten verdere behandeling te laten.
6. Indien een bevel tot voorlopige
verpleging dan wel een bevel tot voorlopige hervatting van de
verpleging is gegeven, vindt het onderzoek zo spoedig mogelijk, in
elk geval, binnen één maand na het indienen van de vordering
plaats.
7. Het openbaar ministerie doet
vervolgens zo spoedig mogelijk de ter beschikking gestelde en de
reclasseringsmedewerker tijdig tot het bijwonen van het onderzoek
oproepen, onder betekening van de vordering of conclusie aan de ter
beschikking gestelde. Oproeping van de reclasseringsmedewerker kan
achterwege blijven, indien de vordering is gegrond op artikel 38la,
zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
8. Indien het openbaar ministerie een
vordering doet tot toepassing van artikel 38la, is artikel 509q van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 509jbis
1. Indien een ter beschikking
gestelde aan wie voorwaarden zijn gesteld als bedoeld in artikel 38,
eerste lid, 38g, tweede lid of artikel 38h, eerste lid, van het
Wetboek van Strafrecht, een gestelde voorwaarde niet heeft nageleefd
of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de
algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, kan het
openbaar ministerie op grond van artikel 38b of artikel 38i van het
Wetboek van Strafrecht een met redenen omklede vordering indienen
bij de rechtbank tot tijdelijke opname voor de duur van maximaal
zeven weken in een door de rechtbank aangewezen inrichting. Deze
tijdelijke opname kan plaatsvinden zonder bereidverklaring van de
ter beschikking gestelde als bedoeld in artikel 38, derde lid, van
het Wetboek van Strafrecht.
2. De termijn als bedoeld in het
eerste lid kan door de rechtbank, op een met redenen omklede
vordering van het openbaar ministerie, worden verlengd voor de duur
van maximaal zeven weken indien het belang van de veiligheid van
anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen
zulks eist.
3. De rechtbank doet zo spoedig
mogelijk, doch in ieder geval binnen drie dagen na indiening van de
vordering, uitspraak op een vordering als bedoeld in het eerste of
tweede lid. Deze uitspraak is dadelijk uitvoerbaar.
4. Artikel 509j, tweede tot en met
vierde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op een
vordering als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 509k
1. Strekt de vordering van het
openbaar ministerie tot toepassing van artikel 38c, artikel 38k, dan
wel artikel 38la, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dan
wordt aan de ter beschikking gestelde, zo hij geen raadsman heeft,
door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op last van de
voorzitter een raadsman toegevoegd.
2. De raadsman is bevoegd bij het
onderzoek tegenwoordig te zijn en van alle daarop betrekking
hebbende stukken kennis te nemen.
3. De artikelen 38, 39, 41, tweede
lid, 45-49 en 50, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 509l
1. Zowel het openbaar ministerie als
de ter beschikking gestelde en diens raadsman zijn bevoegd getuigen
en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen oproepen.
De voorzitter kan voorts de dagvaarding of oproeping van getuigen en
deskundigen vanwege het openbaar ministerie bevelen. Andere personen
kunnen op zijn last door de griffier worden uitgenodigd om bij het
onderzoek tegenwoordig te zijn.
2. De ter beschikking gestelde en de
reclasseringsmedewerker kunnen, voor de aanvang van het onderzoek,
ter griffie kennis nemen van de stukken. Het bepaalde bij en
krachtens artikel 34 is van toepassing.
3. De voorzitter kan indien hij
ernstig gevaar voor de geestelijke gezondheid van de ter beschikking
gestelde vreest, bepalen dat het inzien van geneeskundige en
psychologische rapporten de ter beschikking gestelde persoonlijk
niet wordt toegestaan, maar uitsluitend aan een gemachtigde, die
reclasseringsmedewerker, arts of advocaat is, dan wel van de
voorzitter bijzondere toestemming heeft verkregen.
Artikel 509m
1. Het onderzoek geschiedt met
overeenkomstige toepassing van de artikelen 269 tot en met 272, 273,
eerste en derde lid, 274 tot en met 277, 278, tweede lid, 281, 284,
eerste lid, 286 tot en met 297, 299 tot en met 301, 309 tot en met
311, 315, 318 tot en met 322, 324, 326, 328 tot en met 331, 345,
eerste en derde lid, en 346.
2. Het openbaar ministerie en de ter
beschikking gestelde zijn bevoegd, hangende het onderzoek, wijziging
te brengen in de vordering of de conclusie, onderscheidenlijk het
verzoek.
3. Indien de vordering van het
openbaar ministerie betrekking heeft op de toepassing van artikel
38c, 38k of 38la, van het Wetboek van Strafrecht en deze is
ingediend binnen vier maanden voor het tijdstip waarop de
terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen, kan het
openbaar ministerie tevens een vordering tot verlenging van de
terbeschikkingstelling indienen. De derde afdeling van deze Titel is
alsdan van overeenkomstige toepassing.
Artikel 509n
1. Indien bevel wordt gegeven dat de
ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege wordt verpleegd,
de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege
wordt opgeheven met last tot hervatting van de verpleging, dan wel
de verpleging van overheidswege op grond van artikel 38la, zesde
lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt hervat, geeft de
beslissing de bijzondere redenen aan die hiertoe hebben geleid.
2. De beslissing op de vordering of
het verzoek tot toepassing van artikel 38b, dan wel artikel 38i van
het Wetboek van Strafrecht is niet aan enig gewoon rechtsmiddel
onderworpen.
3. De beslissing wordt onverwijld
betekend aan de ter beschikking gestelde en aan de instelling
schriftelijk medegedeeld.
4. Indien de beslissing een wijziging
van de bijzondere voorwaarden bedoeld in de artikelen 38 of 38g
bevat, wordt de beslissing aan de ter beschikking gestelde in
persoon betekend.
Derde afdeling. Verlenging van de
terbeschikkingstelling
Artikel 509o
1. Niet eerder dan twee maanden en
niet later dan één maand vóór het tijdstip waarop de
terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen, kan het
openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de
terbeschikkingstelling. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
nadere regels worden gesteld over de procedure van verlenging van de
terbeschikkingstelling.
2. Indien de ter beschikking gestelde
van overheidswege wordt verpleegd, worden bij die vordering
overgelegd:
1°. een recent opgemaakt, met
redenen omkleed en ondertekend advies afkomstig van het hoofd
van de inrichting;
2°. een afschrift van de
aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid
van de ter beschikking gestelde.
3. Indien de ter beschikking gestelde
niet van overheidswege wordt verpleegd, wordt bij de vordering
overgelegd een recent opgemaakt, met redenen omkleed, gedagtekend en
ondertekend advies van de reclassering en van een psychiater, die
zelf de ter beschikking gestelde heeft onderzocht.
4. Indien het openbaar ministerie een
verlenging vordert waardoor de totale duur van de
terbeschikkingstelling een periode van zes jaar of van een veelvoud
van zes jaar te boven gaat, legt het bij de vordering tevens over
een recent opgemaakt, met redenen omkleed, gedagtekend en
ondertekend advies van twee gedragsdeskundigen van verschillende
disciplines - waaronder een psychiater - gezamenlijk, dan wel
zodanige adviezen van ieder van hen afzonderlijk. Deze
gedragsdeskundigen mogen op het ogenblik waarop zij het advies
uitbrengen en ten tijde van het onderzoek dat zij daarvoor
verrichten niet verbonden zijn aan de inrichting waarin de ter
beschikking gestelde wordt verpleegd. Het voorgaande vindt geen
toepassing indien de ter beschikking gestelde weigert medewerking te
verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet
worden verricht. Voor zover mogelijk maken de gedragsdeskundigen
gezamenlijk dan wel ieder van hen afzonderlijk over de reden van de
weigering rapport op. Het openbaar ministerie legt zo mogelijk een
ander advies of rapport omtrent de wenselijkheid of noodzakelijkheid
van een verlenging van de terbeschikkingstelling, aan de
totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is om medewerking te
verlenen, over.
5. De ter beschikking gestelde kan in
het geval, bedoeld in het vierde lid, op last van de Minister van
Justitie, voor een periode van ten hoogste zeven weken ter
observatie worden overgebracht naar een psychiatrisch ziekenhuis of
een inrichting tot klinische observatie bestemd, door de Minister
van Justitie overeenkomstig artikel 198, derde lid, aangewezen. Het
verblijf in de inrichting geldt als verpleging van overheidswege. De
last tot overbrenging wordt niet gegeven dan nadat de ter
beschikking gestelde en zijn raadsman ter zake zijn gehoord althans
daartoe in de gelegenheid zijn gesteld. Artikel 273, eerste lid, is
van overeenkomstige toepassing.
6. Het openbaar ministerie brengt een
afschrift van de vordering zo spoedig mogelijk schriftelijk ter
kennis van de ter beschikking gestelde; geldt het een vordering als
bedoeld in het derde lid, dan zendt het openbaar ministerie tevens
een afschrift daarvan aan de reclasseringsmedewerker.
7. Indien de vordering, bedoeld in
het eerste lid, wordt ingediend binnen twee maanden na de beslissing
in hoger beroep, waarbij hetzij de beslissing van de rechtbank tot
verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar is bevestigd,
hetzij, met vernietiging van de beslissing van de rechtbank, de
terbeschikkingstelling met een jaar is verlengd, behoeft bij de
vordering geen advies als bedoeld in het tweede lid, onder 1, te
worden overgelegd.
Artikel 509oa
1. Een vordering als bedoeld in
artikel 509o, eerste lid, die later dan één maand vóór het
tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal
eindigen, doch binnen een redelijke termijn is ingediend, is
niettemin ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden aanwezig
zijn waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene
veiligheid van personen of goederen, ondanks het belang van de ter
beschikking gestelde, verlenging van de terbeschikkingstelling eist.
2. In het geval, bedoeld in het
eerste lid, dient de officier van justitie, wanneer van het verzuim
is gebleken na het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door
tijdsverloop is geëindigd, naast de vordering tot verlenging van de
terbeschikkingstelling, onverwijld een vordering tot voorlopige
voortzetting van de terbeschikkingstelling in bij de
rechter-commissaris. De artikelen 40 en 509k, tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing. In afwachting van de beslissing op de
vordering tot voorlopige voortzetting van de terbeschikkingstelling
wordt de ter beschikking gestelde niet in vrijheid gesteld.
3. De rechter-commissaris beslist
binnen drie maal vierentwintig uur na de indiening van de vordering
tot voorlopige voortzetting van de terbeschikkingstelling . De ter
beschikking gestelde wordt zo mogelijk door de rechter-commissaris
gehoord.
4. Een bevel van de
rechter-commissaris tot voorlopige voortzetting van de
terbeschikkingstelling is dadelijk uitvoerbaar.
5. De beslissing van de
rechter-commissaris wordt onverwijld schriftelijk medegedeeld aan de
ter beschikking gestelde.
Artikel 509p
Tot kennisneming van de vordering is
bij uitsluiting bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennis
genomen van het misdrijf ter zake waarvan de terbeschikkingstelling is
gelast. Artikel 509j, derde lid, is van toepassing.
Artikel 509q
1. Zolang op de vordering niet
onherroepelijk is beslist, blijft de terbeschikkingstelling van
kracht. Wanneer de vordering wordt toegewezen na de dag waarop de
terbeschikkingstelling door tijdsverloop zou zijn geëindigd indien
geen vordering tot verlenging was ingediend, gaat de nieuwe termijn
niettemin op die dag in.
2. Indien gelijktijdig met de
vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling een vordering
tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging
van overheidswege aanhangig is, is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 509r
1. Aan de ter beschikking gestelde
die van overheidswege wordt verpleegd, wordt, zo hij geen raadsman
heeft, door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op last van
de voorzitter een raadsman toegevoegd.
2. Artikel 509k, tweede en derde lid,
is van toepassing.
Artikel 509s
1. De rechtbank bepaalt onverwijld
een dag voor het onderzoek van de zaak. Aan de ter beschikking
gestelde en de reclasseringsmedewerker wordt daarvan tijdig
mededeling gedaan.
2. Het onderzoek heeft plaats met
overeenkomstige toepassing van de artikelen 509l en 509m.
3. De rechtbank hoort, alvorens te
beslissen, de ter beschikking gestelde.
4. Indien de ter beschikking gestelde
niet in staat is voor het onderzoek te verschijnen, zal een van de
leden van de rechtbank vergezeld door de griffier hem te zijnen
verblijfplaats horen.
5. Indien de ter beschikking gestelde
zich ophoudt in een ander arrondissement, kan de rechtbank het
verhoor, bedoeld in het vorige lid, overdragen aan de rechtbank in
dat arrondissement.
Artikel 509t
1. De rechtbank beslist op de
vordering tot verlenging zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee
maanden na de dag waarop de vordering is ingediend.
2. De rechtbank kan, indien zij
beslist tot verlenging van de terbeschikkingstelling voor een jaar,
hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van de officier van justitie
of op verzoek van de ter beschikking gestelde of diens raadsman
tevens de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigen.
3. Indien zich na de indiening van de
vordering als bedoeld in artikel 509o, eerste lid, een omstandigheid
heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de rechtbank, gelet op de
in het eerste lid gestelde termijn waarbinnen zij op de vordering
tot verlenging moet beslissen, niet kan voldoen aan de ingevolge
artikel 509s, derde lid, voorgeschreven hoorplicht, vindt het eerste
lid geen toepassing. De rechtbank beslist in dat geval op de
vordering tot verlenging binnen twee maanden nadat het beletsel om
aan de hoorplicht te voldoen is weggevallen.
4. De beslissing geeft de bijzondere
redenen aan die de rechtbank doen besluiten tot de verlenging van de
terbeschikkingstelling, dan wel tot afwijzing van de vordering.
5. Indien de rechtbank in geval van
verlenging van de terbeschikkingstelling voor de tijd van een jaar
voorwaardelijke beëindiging of beëindiging van de verpleging
overweegt en zij het voor de vorming van haar eindoordeel
noodzakelijk acht zich nader te doen voorlichten omtrent de wijze
waarop en de voorwaarden waaronder de terugkeer van de ter
beschikking gestelde in het maatschappelijk verkeer zou kunnen
geschieden, kan zij met gelijktijdige verlenging van de verpleging
haar beslissing voor ten hoogste drie maanden aanhouden.
Artikel 509u
1. De beslissingen bedoeld in artikel
509t worden onverwijld aan de ter beschikking gestelde betekend.
Daarbij wordt kennis gegeven van het rechtsmiddel dat tegen de
beslissing openstaat, en de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel kan
worden aangewend.
2. Indien de ter beschikking gestelde
van overheidswege wordt verpleegd, worden de beslissingen voorts
onverwijld aan het hoofd van de inrichting medegedeeld.
Artikel 509u bis
Nadat de beslissing tot voorwaardelijke
beëindiging van de verpleging van overheidswege onherroepelijk is
geworden wordt de ter beschikking gestelde zo spoedig mogelijk een
kennisgeving gezonden. Deze kennisgeving bevat de gestelde
voorwaarden, alsmede de datum van ingang van de voorwaardelijke
beëindiging van de verpleging van overheidswege en wordt in persoon
betekend.
Vierde afdeling. Beroep
Artikel 509v
1. Tegen de beslissing van de
rechtbank, bedoeld in artikel 38h van het Wetboek van Strafrecht, en
die, bedoeld in de artikelen 509n, eerste lid, en 509t, eerste en
tweede lid, kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na
dagtekening en de ter beschikking gestelde binnen veertien dagen na
betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem.
2. Indien de vordering tot verlenging
van de terbeschikkingstelling is toegewezen, doch artikel 509t,
vijfde lid, is toegepast, kan tegen de beslissing tot verlenging
slechts gelijktijdig met de beslissing omtrent de voorwaardelijke
beëindiging van de verpleging van overheidswege beroep worden
ingesteld.
3. De artikelen 409, eerste lid, 410,
449, eerste lid, 450-454, 455, eerste lid, en 509r zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 509w
1. Op het onderzoek door het
gerechtshof is artikel 509s, tweede, derde en vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
2. Indien het gerechtshof echter, na
kennisneming van de stukken van het geding, van oordeel is, dat het
beroep kennelijk niet ontvankelijk of ongegrond is, kan het, de
advocaat-generaal, de ter beschikking gestelde en diens raadsman
gehoord, zonder nader onderzoek op het beroep beslissen.
3. De voorzitter kan, hangende de
beslissing, de verpleging van overheidswege voorlopig beëindigen
wanneer de vordering tot verlenging door de rechtbank is afgewezen.
Artikel 509x
1. Het gerechtshof beslist zo spoedig
mogelijk. Het bevestigt de beslissing van de rechtbank of doet, met
vernietiging daarvan, wat de rechtbank had behoren te doen.
2. De beslissing geeft de bijzondere
redenen aan die het gerechtshof hebben doen besluiten tot de
toepassing van artikel 38c van het Wetboek van Strafrecht of tot de
verlenging van de terbeschikkingstelling, dan wel tot afwijzing van
een daartoe strekkende vordering. Zij is niet aan enig gewoon
rechtsmiddel onderworpen.
TITEL IIC. Rechtsplegingen in verband
met de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
Artikel 509y
In deze titel wordt verstaan onder:
veroordeelde: degene die is geplaatst
in een inrichting voor stelselmatige daders;
maatregel: plaatsing in een inrichting
voor stelselmatige daders;
reclasseringswerker: degene die
ingevolge artikel 38p, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht is
belast met het onderhouden van contact met de veroordeelde.
Artikel 509z
1. Wanneer het openbaar ministerie
van oordeel is dat toepassing behoort te worden gegeven aan een der
bepalingen van de artikelen 38q of 38r van het Wetboek van
Strafrecht, dient het een daartoe strekkende, met redenen omklede,
vordering in. Wanneer degene aan wie de maatregel voorwaardelijk is
opgelegd een verzoek als bedoeld in artikel 38q van het Wetboek van
Strafrecht heeft gedaan, wordt het verzoek door de griffier ter
kennis gebracht van het openbaar ministerie, dat daarop zo spoedig
mogelijk een conclusie neemt.
2. Tot kennisneming van de vordering
of het verzoek is bij uitsluiting bevoegd de rechtbank die in eerste
aanleg de maatregel heeft opgelegd.
3. Acht de rechtbank zich onbevoegd
dan verwijst zij de zaak naar de rechtbank die haar behoort te
berechten. De vordering wordt in dat geval geacht te zijn ingediend
door de officier van justitie bij die laatste rechtbank.
4. Onmiddellijk na de indiening van
de vordering of conclusie bepaalt de voorzitter een dag voor het
onderzoek van de zaak, tenzij de summiere kennisneming van de
stukken de rechtbank aanleiding geeft de vordering of het verzoek
buiten verdere behandeling te laten.
5. Het openbaar ministerie doet
vervolgens zo spoedig mogelijk de veroordeelde en de
reclasseringswerker tijdig tot het bijwonen van het onderzoek
oproepen, onder betekening van de vordering of conclusie aan de
veroordeelde.
Artikel 509aa
1. Wanneer de rechtbank toepassing
heeft gegeven aan artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van
Strafrecht, bepaalt de voorzitter onmiddellijk na ontvangst van de
in dat artikellid bedoelde inlichtingen een dag voor het onderzoek
van de zaak. Het openbaar ministerie doet vervolgens zo spoedig
mogelijk de veroordeelde tijdig tot het bijwonen van het onderzoek
oproepen.
2. Wanneer de rechtbank een verzoek
of een vordering tot een tussentijdse toetsing als bedoeld in
artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, gedaan na
het opleggen van de maatregel, afwijst, neemt zij deze beslissing
zonder verdere behandeling van dat verzoek of die vordering.
Artikel 509bb
1. Indien de vordering van het
openbaar ministerie strekt tot toepassing van artikel 38r van het
Wetboek van Strafrecht, wordt aan de veroordeelde, zo hij geen
advocaat heeft, door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op
last van de voorzitter een advocaat toegevoegd.
2. De advocaat is bevoegd bij het
onderzoek tegenwoordig te zijn en van alle op de zaak betrekking
hebbende stukken kennis te nemen.
3. De artikelen 38, 39, 41, tweede
lid, 45 tot en met 49 en 50, eerste lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 509cc
1. Zowel het openbaar ministerie als
de veroordeelde en diens advocaat zijn bevoegd getuigen en
deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen oproepen. De
voorzitter kan voorts de dagvaarding of oproeping van getuigen en
deskundigen vanwege het openbaar ministerie bevelen. Andere personen
kunnen op zijn last door de griffier worden uitgenodigd om bij het
onderzoek tegenwoordig te zijn.
2. De veroordeelde en de
reclasseringswerker kunnen, voor de aanvang van het onderzoek, ter
griffie kennisnemen van de stukken. Het bepaalde bij en krachtens
artikel 34 is van toepassing.
Artikel 509dd
1. De behandeling van de zaak door de
raadkamer vindt in het openbaar plaats.
2. Het onderzoek geschiedt met
overeenkomstige toepassing van de artikelen 269 tot en met 272, 273,
eerste en derde lid, 274 tot en met 281, 284, eerste lid, 286 tot en
met 297, 299 tot en met 301, 309 tot en met 311, 315, 318 tot en met
322, 324, 328 tot en met 331, 345, eerste en derde lid, 346.
3. Het openbaar ministerie en de
veroordeelde zijn bevoegd, hangende het onderzoek, wijziging te
brengen in de vordering of de conclusie, onderscheidenlijk het
verzoek.
Artikel 509ee
1. Indien toepassing wordt gegeven
aan artikel 38r van het Wetboek van Strafrecht, geeft de beslissing
de bijzondere redenen aan die hiertoe hebben geleid.
2. De beslissing op een vordering of
een verzoek tot toepassing van artikel 38q van het Wetboek van
Strafrecht is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen.
3. De beslissing wordt onverwijld
betekend aan de veroordeelde. Bij de betekening van de beslissing
inzake de toepassing van de artikelen 38r en 38s wordt kennis
gegeven van het rechtsmiddel dat tegen de beslissing openstaat, en
de termijn waarbinnen het rechtsmiddel kan worden aangewend.
4. Indien de beslissing een wijziging
van de bijzondere voorwaarden, bedoeld in artikel 38p, vierde lid,
bevat, wordt de beslissing aan de veroordeelde in persoon betekend.
5. De beslissing, bedoeld in artikel
38q, onderdeel 2°, wordt schriftelijk meegedeeld aan de instelling
of deskundige.
6. Indien de rechtbank de maatregel
overeenkomstig artikel 38s, derde lid, beëindigt, blijft de
maatregel van kracht zolang de beslissing niet onherroepelijk is.
Artikel 509ff
1. Tegen de beslissing van de
rechtbank inzake de toepassing van de artikelen 38r en 38s kan het
openbaar ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening en de
veroordeelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep
instellen bij het gerechtshof te Arnhem.
2. De artikelen 409, eerste lid, 410,
449, eerste lid, 450 tot en met 454, 455, eerste lid, en 509z,
vierde en vijfde lid, en 509aa tot en met 509dd zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 509gg
1. Het gerechtshof beslist zo spoedig
mogelijk. Het bevestigt de beslissing van de rechtbank of doet, met
vernietiging daarvan, wat de rechtbank had behoren te doen. Artikel
509ee, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. De beslissing van het gerechtshof
is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen.
Titel IID. Gedragsaanwijzing ter
beëindiging van ernstige overlast
Artikel 509hh
1. De officier van justitie is
bevoegd de verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan een
gedragsaanwijzing te geven in geval van verdenking van een strafbaar
feit:
a. waardoor de openbare orde,
gelet op de aard van het strafbare feit of de samenhang met
andere strafbare feiten, dan wel de wijze waarop het strafbare
feit is gepleegd, ernstig is verstoord, en waarbij grote vrees
voor herhaling bestaat, dan wel
b. in verband waarmee vrees
bestaat voor ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens
personen, dan wel
c. in verband waarmee vrees
bestaat voor gedrag van de verdachte dat herhaald gevaar voor
goederen oplevert.
2. De gedragsaanwijzing kan inhouden
dat de verdachte wordt bevolen:
a. zich niet op te houden in een
bepaald gebied,
b. zich te onthouden van contact
met een bepaalde persoon of bepaalde personen,
c. zich op bepaalde tijdstippen
te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar,
d. zich te doen begeleiden bij
hulpverlening die van invloed kan zijn op het plegen van
strafbare feiten door de verdachte.
3. De gedragsaanwijzing wordt
schriftelijk aan de verdachte bekend gemaakt, onder vermelding van
de datum van ingang en de periode gedurende welke de
gedragsaanwijzing van kracht blijft, alsmede de redenen die tot de
gedragsaanwijzing hebben geleid.
4. De gedragsaanwijzing blijft
maximaal 90 dagen van kracht dan wel, indien dit een kortere periode
betreft, totdat het ter zake van het strafbare feit gewezen vonnis
onherroepelijk is geworden. Wordt niet tijdig een onherroepelijk
vonnis verkregen, dan kan de gedragsaanwijzing maximaal drie keer
worden verlengd met een periode van maximaal 90 dagen. Verlenging is
niet mogelijk indien tegen de verdachte geen vervolging is
ingesteld. De rechter voor wie de verdachte gedagvaard is te
verschijnen, kan de gedragsaanwijzing wijzigen. De rechter kan de
gedragsaanwijzing opheffen indien hij van oordeel is dat niet of
niet langer wordt voldaan aan de in het eerste lid gestelde
voorwaarden voor het geven van de gedragsaanwijzing.
5. De verdachte kan tegen de
gedragsaanwijzing en een verlenging daarvan in beroep komen bij de
rechtbank, die zo spoedig mogelijk beslist. De verdachte kan zich
door een raadsman laten bijstaan.
6. De officier van justitie wijzigt
de gedragsaanwijzing of trekt die in indien nieuwe feiten of
omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Titel III. Vervolging en berechting van
rechterlijke ambtenaren
Artikel 510
1. Indien een rechterlijk ambtenaar
voor zijne rechtbank, zijn gerechtshof of voor een gerecht binnen
het ressort van zijne rechtbank of zijn gerechtshof zou moeten
worden vervolgd en berecht, wordt, op verzoekschrift van het
openbaar ministerie naar de gewone regelen met de vervolging belast,
door den Hoogen Raad een ander gerecht van gelijken rang als het
anders bevoegde aangewezen, voor hetwelk de vervolging en berechting
der zaak zal plaats hebben.
2. Niettemin kunnen de spoedeischende
maatregelen van de vervolging die aan het rechtsgeding voorafgaat,
ook bij of door het anders bevoegde gerecht worden genomen.
3. De aanwijzing geldt ook voor de
mede-verdachten van den rechterlijken ambtenaar.
4. Bij het verzoekschrift worden de
processtukken en, voor zoover noodig, de stukken van overtuiging
overgelegd.
Artikel 511
1. De beschikking van den Hoogen Raad
wordt vanwege den procureur-generaal aan den verdachte beteekend.
2. De procureur-generaal geeft van de
beschikking tevens schriftelijk kennis aan den verzoeker en zendt
daarvan afschrift toe aan het openbaar ministerie bij het aangewezen
gerecht.
Titel IIIA [Vervallen per 09-05-2008]
Artikel 511a [Vervallen per 09-05-2008]
Titel IIIb. Strafvordering ter zake van
ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Artikel 511b
1. Een vordering van het openbaar
ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak
in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig gemaakt. Indien het
strafrechtelijk financieel onderzoek overeenkomstig het bepaalde in
artikel 126f, tweede lid, is gesloten en heropend, wordt de periode
van twee jaren verlengd met de tijd verlopen tussen deze sluiting en
heropening.
2. De officier van justitie doet bij
zijn vordering de stukken waarop zij berust aan de rechtbank
toekomen. Artikel 258, vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. De vordering wordt aan degene op
wie zij betrekking heeft betekend, onder mededeling van het recht op
kennisneming van de stukken. Indien een strafrechtelijk financieel
onderzoek is ingesteld wordt de vordering gelijktijdig met de
sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan degene
tegen wie het is gericht betekend.
4. De vordering behelst mede de
oproeping om op het daarin vermelde tijdstip ter terechtzitting te
verschijnen. De artikelen 260, 263 en 265 tot en met 267 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 511c
De officier van justitie kan, zolang
het onderzoek op de terechtzitting niet is gesloten, met de verdachte
of veroordeelde een schriftelijke schikking aangaan tot betaling van
een geldbedrag aan de staat of tot overdracht van voorwerpen ter
gehele of gedeeltelijke ontneming van het ingevolge artikel 36e van
het Wetboek van Strafrecht voor ontneming vatbare wederrechtelijk
verkregen voordeel.
Artikel 511d
1. Op de behandeling van een
vordering van de officier van justitie zijn de bepalingen van de
eerste afdeling van Titel VI van het tweede Boek van overeenkomstige
toepassing. De behandeling van de vordering ter terechtzitting kan
worden voorafgegaan door een schriftelijke voorbereiding op de wijze
als door de rechtbank te bepalen. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de
schriftelijke voorbereiding.
2. Indien een strafrechtelijk
financieel onderzoek dan wel een nader strafrechtelijk financieel
onderzoek noodzakelijk blijkt, stelt de rechtbank met schorsing der
zaak onder aanduiding van het onderwerp van het onderzoek en zo
nodig de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in
handen van de officier van justitie.
3. Het onderzoek geldt als een met
rechterlijke machtiging ingesteld strafrechtelijk financieel
onderzoek en wordt gevoerd overeenkomstig de bepalingen van de
negende afdeling van de vierde Titel van het eerste Boek, met
uitzondering van artikel 126f, vierde en vijfde lid.
Artikel 511e
1. Op de beraadslaging en de
uitspraak zijn de bepalingen van de vierde afdeling van Titel VI van
het tweede Boek van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat
a. de rechtbank naar aanleiding
van de vordering en van het onderzoek ter terechtzitting
beraadslaagt over de vraag of de in artikel 36e van het Wetboek
van Strafrecht bedoelde maatregel moet worden opgelegd en zo ja,
op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen
voordeel is te schatten; en
b. de uitspraak in geen geval
later mag plaatsvinden dan zes weken na de dag waarop het
onderzoek is gesloten.
2. De rechtbank kan, in geval onder
de beraadslaging blijkt dat het onderzoek ter terechtzitting niet
volledig is geweest, overeenkomstig de bepalingen van artikel 511d,
tweede en derde lid, een onderzoek door de officier van justitie
doen plaats vinden. In dit geval wordt gehandeld als ware het
onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.
Artikel 511f
De rechter kan de schatting van het op
geld waardeerbare voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek
van Strafrecht slechts ontlenen aan de inhoud van wettige
bewijsmiddelen.
Artikel 511g
1. Tegen de uitspraak van de
rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld.
2. Titel II van het derde Boek is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. de zaak in hoger beroep
aanhangig wordt gemaakt door een oproeping van de
advocaat-generaal aan de verdachte of veroordeelde betekend;
b. de behandeling van de
vordering waarvan beroep is ingesteld voorafgegaan kan worden
door een schriftelijke voorbereiding op de wijze als door het
gerechtshof te bepalen;
c. de artikelen 511d, tweede en
derde lid, en 511e, tweede lid, van overeenkomstige toepassing
zijn. In deze gevallen wordt het financieel onderzoek gevoerd
door de officier van justitie bij de rechtbank die in eerste
aanleg uitspraak heeft gedaan. Na afloop van het bevolen
onderzoek deelt de officier van justitie de stukken mede aan de
advocaat-generaal;
d. artikel 511e, eerste lid,
onder b, van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 511h
Tegen de uitspraak in hoger beroep kan
beroep in cassatie worden ingesteld. Titel III van het derde Boek is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 511i
Een uitspraak op de vordering van het
openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van
Strafrecht vervalt van rechtswege, doordat de uitspraak als gevolg
waarvan de veroordeling van de verdachte, als bedoeld in artikel 36e,
eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht,
achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat.
Titel IV. Wraking en verschoning van
rechters
Artikel 512
Op verzoek van de verdachte of het
openbaar ministerie kan elk van de rechters die een zaak behandelen,
worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de
rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Artikel 513
1. Het verzoek wordt gedaan zodra de
feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2. Het verzoek geschiedt schriftelijk
en is gemotiveerd. Tijdens de terechtzitting kan het ook mondeling
geschieden.
3. Alle feiten of omstandigheden
moeten tegelijk worden voorgedragen.
4. Een volgende verzoek om wraking
van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen, tenzij
feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere
verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
5. Geschiedt het verzoek ter
terechtzitting, dan wordt de terechtzitting geschorst.
Artikel 514
Een rechter wiens wraking is verzocht,
kan in de wraking berusten.
Artikel 515
1. Het verzoek om wraking wordt zo
spoedig mogelijk behandeld door een meervoudige kamer waarin de
rechter wiens wraking is verzocht, geen zitting heeft.
2. De verzoeker en de rechter wiens
wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te worden
gehoord. Het gerecht kan ambtshalve of op verzoek van de verzoeker
of de rechter wiens wraking is verzocht, bepalen dat zij niet in
elkaars aanwezigheid zullen worden gehoord.
3. Het gerecht beslist zo spoedig
mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld aan de
verdachte, het openbaar ministerie en de rechter wiens wraking was
verzocht medegedeeld.
4. In geval van misbruik kan het
gerecht bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt
genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding gemaakt.
5. Tegen de beslissing staat geen
rechtsmiddel open.
Artikel 516 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 517
1. Op grond van feiten of
omstandigheden als bedoeld in artikel 512 kan elk van de rechters
die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen.
2. Het verzoek geschiedt schriftelijk
en is gemotiveerd. Tijdens de terechtzitting kan het ook mondeling
geschieden.
3. Geschiedt het verzoek ter
terechtzitting, dan wordt de terechtzitting geschorst.
Artikel 518
1. Het verzoek om verschoning wordt
zo spoedig mogelijk behandeld door een meervoudige kamer waarin de
rechter die om verschoning heeft verzocht, geen zitting heeft.
2. Het gerecht beslist zo spoedig
mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld aan de
verdachte, het openbaar ministerie en de rechter die om verschoning
had verzocht medegedeeld.
3. Tegen de beslissing staat geen
rechtsmiddel open.
Artikel 519 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 520 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 521 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 522 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 523 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 524 [Vervallen per 01-01-1994]
Titel V. Geschillen over rechtsmacht
Artikel 525
1. Een geschil over rechtsmacht is
aanwezig:
1°. wanneer twee of meer
rechters zich dezelfde zaak gelijktijdig hebben aangetrokken;
2°. wanneer twee of meer
rechters zich tot onderzoek van dezelfde zaak onbevoegd
verklaren en hunne uitspraken met elkander in strijd zijn.
2. Onder rechters zijn in dezen Titel
begrepen de personen of colleges, aan welke bij bijzondere wetten
rechtsmacht is opgedragen, met dien verstande dat enkel geschillen
waarbij ook andere rechters betrokken zijn, overeenkomstig de
bepalingen van dezen Titel worden berecht.
Artikel 526
1. Bij het bestaan van een geschil
over rechtsmacht kan bij den bevoegden rechter een met redenen
omkleed, schriftelijk verzoek tot regeling van rechtsgebied door
elken ambtenaar die de vervolging heeft ingesteld, en door den
verdachte, worden ingediend.
2. Van de inlevering van het
verzoekschrift wordt door den griffier onverwijld schriftelijk
kennis gegeven aan de rechters tusschen wie het geschil bestaat, en,
voor zoover het verzoek niet van hen is uitgegaan, aan de ambtenaren
die de vervolging hebben ingesteld, en aan den verdachte.
3. Door de bij het voorgaande lid
bedoelde kennisgeving wordt de vervolging geschorst. Niettemin
kunnen spoedeischende maatregelen bij of door de gerechten tusschen
welke het geschil bestaat, worden genomen. Ieder der rechters
tusschen wie het geschil bestaat, is bevoegd tot het nemen van alle
maatregelen die met betrekking tot de voorloopige hechtenis kunnen
worden genomen.
4. De tot kennisneming van het
geschil bevoegde rechter kan bevelen dat een aanhangig gerechtelijk
vooronderzoek zal worden voortgezet.
5. De schorsing der vervolging
eindigt, zoodra de beschikking over het geschil onherroepelijk is
geworden.
Artikel 527
1. De beschikking wordt ten
spoedigste genomen.
2. Bij de beschikking wordt tevens
bepaald, of en in hoever de handelingen en beslissingen van den
rechter aan wien het onderzoek der zaak wordt onttrokken, zullen
standhouden.
3. De beschikking wordt den verdachte
zo spoedig mogelijk beteekend. Zij wordt door den griffier aan de
rechters tusschen wie het geschil bestaat, onverwijld schriftelijk
medegedeeld.
4. Tegen de beschikking der
rechtbanken en gerechtshoven staat het openbaar ministerie binnen
veertien dagen daarna en den verdachte binnen veertien dagen na de
beteekening beroep in cassatie open. De bepaling van het voorgaande
lid is op de beschikking in cassatie toepasselijk.
Titel VI. Vervolging en berechting van
rechtspersonen
Artikel 528
1. Indien een strafvervolging wordt
ingesteld tegen een rechtspersoon, doelvermogen of rederij, wordt
deze rechtspersoon of dit doelvermogen tijdens de vervolging
vertegenwoordigd door de bestuurder of, indien er meer bestuurders
zijn, door een van hen en de rederij door de boekhouder of een der
leden van de rederij. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde
verschijnen.
2. Indien de strafvervolging wordt
ingesteld tegen een maatschap of vennootschap zonder
rechtspersoonlijkheid, wordt deze tijdens de vervolging
vertegenwoordigd door de aansprakelijke vennoot of, indien er meer
aansprakelijke vennoten zijn, door een van hen. De vertegenwoordiger
kan bij gemachtigde verschijnen.
3. De rechter kan de persoonlijke
verschijning van een bepaalde bestuurder of vennoot bevelen; hij kan
alsdan zijn medebrenging gelasten.
Artikel 529
1. De kennisgeving van gerechtelijke
mededelingen aan een rechtspersoon geschiedt aan:
a. de woonplaats van de
rechtspersoon, dan wel
b. de plaats van het kantoor van
de rechtspersoon, dan wel
c. de woonplaats van een van de
bestuurders.
2. Betekening van een gerechtelijke
mededeling geschiedt door uitreiking aan een van de bestuurders, dan
wel aan een persoon die door de rechtspersoon is gemachtigd het stuk
in ontvangst te nemen. De uitreiking geldt in deze gevallen als
betekening in persoon. Uitreiking aan deze personen kan geschieden
op een andere plaats dan bedoeld in het eerste lid.
3. De uitreiking van een
gerechtelijke mededeling, als bedoeld in het vorige lid, kan
eveneens geschieden op een van de plaatsen omschreven in het eerste
lid, aan ieder die in dienstbetrekking is van de rechtspersoon en
die zich bereid verklaart de mededeling te zullen bezorgen.
Artikel 530
1. De kennisgeving van gerechtelijke
mededelingen aan een maatschap of vennootschap zonder
rechtspersoonlijkheid geschiedt aan:
a. de plaats van het kantoor van
de maat- of vennootschap, dan wel
b. de woonplaats van een van de
aansprakelijke vennoten.
2. Betekening van een gerechtelijke
mededeling geschiedt door uitreiking aan een van de aansprakelijke
vennoten dan wel aan een persoon die door een of meer hunner is
gemachtigd het stuk in ontvangst te nemen. De uitreiking geldt in
deze gevallen als betekening in persoon. Uitreiking aan deze
personen kan geschieden op een andere plaats dan bedoeld in het
eerste lid.
3. De uitreiking van een
gerechtelijke mededeling, als bedoeld in het vorige lid, kan
eveneens geschieden op een van de plaatsen, omschreven in het eerste
lid, aan ieder die in dienstbetrekking is van de maat- of
vennootschap of van een aansprakelijke vennoot en die zich bereid
verklaart de mededeling te zullen bezorgen.
4. De voorgaande leden zijn van
overeenkomstige toepassing bij de vervolging van een doelvermogen of
rederij; in dit geval treden de bestuurders dan wel de boekhouder en
de leden van de rederij in de plaats van de aansprakelijke vennoten.
Artikel 531
Heeft de uitreiking niet overeenkomstig
artikel 529, tweede of derde lid, of artikel 530, tweede of derde lid,
kunnen plaatsvinden, dan wordt het schrijven teruggezonden aan de
autoriteit van welke het is uitgegaan en vervolgens uitgereikt aan de
griffier van de rechtbank waar of in welker rechtsgebied de zaak zal
dienen of laatstelijk heeft gediend. Het openbaar ministerie zendt
alsdan een afschrift van het schrijven onverwijld toe aan het in het
schrijven vermelde adres, van welk feit aantekening wordt gedaan op de
akte van uitreiking.
Artikel 532
Op de kennisgeving van gerechtelijke
mededelingen aan een rechtspersoon, maatschap of vennootschap zonder
rechtspersoonlijkheid, een doelvermogen of rederij zijn de artikelen
585-587, 588, tweede en vierde lid, 588a, 589, eerste, derde en vierde
lid, en 590, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 533 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 534 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 535 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 536 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 537 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 538 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 539 [Vervallen per 01-09-1976]
Titel VIA. Strafvordering buiten het
rechtsgebied van een rechtbank
Eerste afdeling. Algemeen
Artikel 539a
1. De bevoegdheden, bij enige
wetsbepaling toegekend in verband met de opsporing van strafbare
feiten of in verband met het onderzoek daarnaar, anders dan ter
terechtzitting, kunnen, voorzover in deze Titel niet anders is
bepaald, buiten het rechtsgebied van een rechtbank worden
uitgeoefend.
2. De bepalingen van de eerste en
tweede afdeling van deze Titel zijn slechts van toepassing ten
aanzien van de opsporing en het onderzoek buiten het rechtsgebied
van een rechtbank. Voorzover zij betrekking hebben op een
aangehouden persoon of een inbeslaggenomen voorwerp blijven zij, ook
binnen het rechtsgebied van een rechtbank, van toepassing, totdat de
aangehoudene of het voorwerp is overgeleverd aan de officier van
justitie of een zijner hulpofficieren.
3. De bevoegdheden, in de bepalingen
van deze Titel toegekend, kunnen slechts worden uitgeoefend,
voorzover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten.
Artikel 539b
1. Anderen dan opsporingsambtenaren
oefenen de bevoegdheden, in artikel 539a of in de tweede afdeling
van deze Titel toegekend, niet uit dan op aanwijzing van de officier
van justitie, tenzij zodanige aanwijzingen niet kunnen worden
afgewacht.
2. Ieder die een bevoegdheid als
bedoeld in het eerste lid heeft uitgeoefend, stelt de officier van
justitie onverwijld en op de snelst mogelijke wijze in kennis van:
1°. het te zijner kennis gekomen
strafbare feit;
2°. elke door hem krachtens een
bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid getroffen maatregel.
3. Bij die kennisgeving doet hij
voorzover mogelijk opgave van de personalia van de verdachte en
diens nationaliteit, alsmede van zijn eigen personalia en van andere
terzake doende feiten. Hij tracht voorts ten spoedigste aanwijzingen
van de officier van justitie te verkrijgen aangaande de wijze waarop
terzake dient te worden gehandeld. Hij neemt de aanwijzingen van de
officier van justitie in acht.
4. Het in de beide vorige leden
bepaalde geldt ook voor degene aan wie een aangehouden verdachte of
een inbeslaggenomen voorwerp wordt overgeleverd.
5. Het bepaalde in de voorgaande
leden geldt niet voor leden van de rechterlijke macht ten aanzien
van die verrichtingen waartoe zij als zodanig bevoegd zijn.
Artikel 539c
1. De commandant kan ingeval van een
strafbaar feit met inachtneming van de bepalingen van deze Titel
inlichtingen en bewijzen verzamelen, die tot opheldering van de zaak
kunnen dienen, tenzij de officier van justitie anders beslist.
2. Dezelfde bevoegdheid komt toe aan
de schipper en aan de gezagvoerder van een luchtvaartuig aan boord
van het vaartuig of luchtvaartuig waarover zij het gezag voeren.
Onder vaartuig wordt een door Ons aangewezen installatie ter zee
begrepen.
Artikel 539d
De Minister van Justitie kan, in
overeenstemming met de Minister van Defensie, alle of bepaalde
commandanten belasten met de opsporing buiten het rechtsgebied van een
rechtbank van bepaalde door hem aangewezen strafbare feiten.
Artikel 539e
1. De commandant kan een verrichting,
waartoe hij op grond van een der bepalingen van deze Titel als
zodanig dan wel na aanwijzing op grond van artikel 539d als
opsporingsambtenaar bevoegd is, opdragen aan een onder zijn bevelen
staande officier.
2. De schipper kan een verrichting,
waartoe hij op grond van een der bepalingen van deze Titel bevoegd
is, opdragen aan een onder zijn bevelen staande scheepsofficier. De
gezagvoerder van een luchtvaartuig kan een verrichting, waartoe hij
op grond van een der bepalingen van deze Titel bevoegd is, opdragen
aan een onder zijn bevelen staand lid van de bemanning.
Artikel 539f
1. De commandant, de schipper of de
gezagvoerder van een luchtvaartuig maakt, indien hij een van de
bevoegdheden, in de artikelen 539a of 539c of in de tweede afdeling
van deze Titel toegekend, uitoefent, persoonlijk ten spoedigste
proces-verbaal op van zijn verrichtingen en bevindingen.
2. De officier, de scheepsofficier of
het lid van de bemanning van een luchtvaartuig handelt ingeval van
toepassing van artikel 539e overeenkomstig het eerste lid.
3. Wanneer de schipper of een
scheepsofficier dan wel de gezagvoerder van een luchtvaartuig of een
lid van de bemanning de verdachte of getuigen verhoort, zijn daarbij
zo mogelijk twee opvarenden of inzittenden aanwezig, die het
proces-verbaal van verhoor mede ondertekenen.
4. Het proces-verbaal wordt
gedagtekend en ondertekend door de verbalisant. Hij vermeldt zoveel
mogelijk uitdrukkelijk zijn redenen van wetenschap. Het
proces-verbaal van de officier, de scheepsofficier of het lid van de
bemanning van een luchtvaartuig wordt mede ondertekend door de
commandant, onderscheidenlijk de schipper en de gezagvoerder van het
luchtvaartuig.
5. Het proces-verbaal wordt door de
commandant, de schipper of de gezagvoerder van het luchtvaartuig ten
spoedigste toegezonden aan de officier van justitie, tenzij deze
anders beslist.
Tweede afdeling. Toepassing van enige
bijzondere dwangmiddelen
Artikel 539g
De bevoegdheid, omschreven in artikel
52, komt mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder
van een luchtvaartuig.
Artikel 539h
1. De verdachte kan slechts worden
aangehouden:
1°. ingeval van ontdekking op
heterdaad van een misdrijf, door een ieder;
2°. ingeval van ontdekking op
heterdaad van een overtreding, door een opsporingsambtenaar, een
commandant, een schipper en een gezagvoerder van een
luchtvaartuig;
3°. buiten het geval van
ontdekking op heterdaad, indien het een misdrijf of het
strafbare feit omschreven in artikel 435 onder 4°. van het
Wetboek van Strafrecht betreft, door een opsporingsambtenaar,
een commandant, een schipper en een gezagvoerder van een
luchtvaartuig.
2. De officier van justitie kan in de
gevallen, genoemd in het vorige lid, de aanhouding van de verdachte
bevelen.
Artikel 539i
Een aangehouden verdachte wordt
onverwijld overgeleverd:
1. door een ieder aan de officier
van justitie, indien deze ter plaatse aanwezig is;
2. door de commandant, de schipper
en de gezagvoerder van een luchtvaartuig aan een
opsporingsambtenaar, indien deze ter plaatse aanwezig is;
3. door een opvarende die geen
opsporingsambtenaar is aan de schipper en door een inzittende van
een luchtvaartuig die geen opsporingsambtenaar is aan de
gezagvoerder van het luchtvaartuig;
4. door anderen aan een
opsporingsambtenaar of aan een commandant.
Artikel 539j
1. De officier van justitie kan
bepalen dat de aangehouden verdachte zal worden verhoord. Hij kan
daartoe de overlevering van de verdachte aan een bepaalde persoon of
zijn overbrenging naar een bepaalde plaats bevelen.
2. Tenzij de officier van justitie
anders bepaalt, is de opsporingsambtenaar bevoegd de aangehouden
verdachte te verhoren. Bij afwezigheid van een opsporingsambtenaar
komt gelijke bevoegdheid toe aan de commandant, aan de schipper en
aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig.
3. Degene die bevoegd is tot verhoor
van de verdachte is ook bevoegd hem naar een plaats van verhoor te
geleiden.
4. In geval van verhoor door de
schipper of een scheepsofficier dan wel door de gezagvoerder van een
luchtvaartuig of een lid van de bemanning is artikel 29 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 539k
1. De aangehouden verdachte wordt, na
te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid gesteld. Hij mag niet langer
dan zes uren voor het verhoor worden opgehouden, met dien verstande
dat de tijd tussen middernacht en negen uur voormiddags niet wordt
medegerekend.
2. Niettemin kan de verdachte langer
dan zes uren worden opgehouden:
a. wanneer een bevel tot
voorlopige hechtenis tegen hem is verleend en de
tenuitvoerlegging daarvan, ook buiten het rechtsgebied van een
rechtbank, is gelast;
b. wanneer hij wordt verdacht van
een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en ter zake
daarvan een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem kan worden
verleend.
3. Een besluit de verdachte in het in
het vorige lid onder b bedoelde geval langer dan zes uren op te
houden wordt genomen door de officier van justitie. Kan diens
optreden niet worden afgewacht, dan kan ook de opsporingsambtenaar,
de commandant, de schipper of de gezagvoerder van het luchtvaartuig,
in wiens handen de verdachte zich bevindt, daartoe besluiten.
Artikel 539l
1. Zodra de officier van justitie een
besluit bedoeld in artikel 539k, derde lid, heeft genomen, stelt hij
een vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris.
2. Zodra de officier van justitie
verneemt dat een opsporingsambtenaar, een commandant, een schipper
of een gezagvoerder van een luchtvaartuig een besluit als bedoeld in
artikel 539k, derde lid, heeft genomen, stelt hij een vordering tot
bewaring in bij de rechter-commissaris of gelast hij de
onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.
3. Heeft het in artikel 539k, derde
lid, bedoelde besluit betrekking op een verdachte die aan boord van
een luchtvaartuig is aangehouden, dan gelden de volgende bepalingen:
a. in het geval, bedoeld in het
eerste lid, stelt de officier van justitie een vordering tot
bewaring bij de rechter-commissaris in of beveelt hij de
gezagvoerder, indien deze bevoegd is de verdachte over te dragen
aan de autoriteiten van de staat waar het luchtvaartuig zal
landen, van deze bevoegdheid gebruik te maken;
b. in het geval, bedoeld in het
tweede lid, neemt hij een van de onder a genoemde maatregelen of
gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.
4. De verdachte kan zich bij de
verhoren, bedoeld in de artikelen 63, derde lid, en 65, tweede lid,
doen vertegenwoordigen door een raadsman.
5. Indien de vordering tot bewaring
wordt afgewezen, gelast de officier van justitie de onmiddellijke
invrijheidstelling van de verdachte. Hij gelast die
invrijheidstelling tevens, zodra geen titel tot vrijheidsbeneming
meer aanwezig is of de grond tot vrijheidsbeneming is vervallen.
6. Zolang degene in wiens handen de
verdachte zich bevindt geen bericht van de officier van justitie
heeft ontvangen, is hij verplicht de verdachte eigener beweging in
vrijheid te stellen, zodra hij meent dat de grond tot
vrijheidsbeneming is vervallen; in ieder geval stelt hij de
verdachte in vrijheid, indien hij niet binnen achttien dagen na de
aanhouding bericht heeft ontvangen, dat een bevel tot voorlopige
hechtenis is verleend, waarvan de tenuitvoerlegging, ook buiten het
rechtsgebied van een rechtbank, is gelast.
Artikel 539m
1. De verdachte, ten aanzien van wie
het tweede lid van artikel 539k wordt toegepast,
wordt in het geval, bedoeld in dat
lid onder a, zo spoedig mogelijk overgeleverd aan de officier van
justitie;
kan in het geval, bedoeld in dat lid
onder b, worden overgeleverd aan de officier van justitie, wanneer
hij op weg was naar het rijk in Europa of wanneer het niet doenlijk
is hem elders op te houden, totdat een bevel tot voorlopige
hechtenis tegen hem is verleend en de tenuitvoerlegging daarvan, ook
buiten het rechtsgebied van een rechtbank, is gelast.
2. Van het voornemen tot overlevering
over te gaan wordt onverwijld bericht gegeven aan de officier van
justitie.
Artikel 539n
1. Degene in wiens handen een
aangehouden verdachte zich bevindt zorgt dat de nodige maatregelen
worden genomen om te voorkomen dat het doel van de vrijheidsbeneming
wordt gemist. De verdachte mag aan geen andere beperkingen worden
onderworpen dan die voor dit doel volstrekt noodzakelijk zijn.
2. Aan de verdachte wordt gelegenheid
gegeven zich met een raadsman in verbinding te stellen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur
worden omtrent de behandeling van aangehouden verdachten nadere
regelen gegeven.
Artikel 539o
1. De officier van justitie kan ten
aanzien van een aangehoudene tegen wie ernstige bezwaren bestaan,
een bevel geven als bedoeld in het eerste of tweede lid van artikel
56.
2. De bevoegdheid, vermeld in artikel
56, vierde lid, komt, indien ter plaatse geen opsporingsambtenaar
aanwezig is, mede toe aan de commandant, de schipper en de
gezagvoerder van het luchtvaartuig.
Artikel 539p
1. Opsporingsambtenaren zijn te allen
tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen en
kunnen daartoe hun uitlevering vorderen. De officier van justitie
kan de inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen bevelen.
2. In geval van ontdekking op
heterdaad komen de bevoegdheden, genoemd in de eerste volzin van het
vorige lid, toe aan de commandant, aan de schipper en aan de
gezagvoerder van het luchtvaartuig, voorzover ter plaatse geen
opsporingsambtenaar aanwezig is.
3. Met betrekking tot de overlevering
van het inbeslaggenomen voorwerp is artikel 539i van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 539q
De officier van justitie kan een
inbeslaggenomen voorwerp doen teruggeven, voordat het onder de hoede
is gesteld van de bewaarder. De last tot teruggave wordt gericht tot
hem die het voorwerp onder zich heeft. Deze is verplicht daaraan
onmiddellijk te voldoen.
Artikel 539r
1. De opsporingsambtenaren kunnen te
allen tijde inzage vorderen van de bescheiden waarvan naar hun
redelijk oordeel inzage nodig is voor de vervulling van hun taak.
2. Personen die uit hoofde van hun
stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen de
inzage weigeren van bescheiden of gedeelten daarvan, tot welke hun
plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.
Artikel 539s
1. De opsporingsambtenaren hebben
toegang tot alle plaatsen voor zover dat redelijkerwijs voor de
vervulling van hun taak nodig is. De commandant en de schipper
kunnen ter aanhouding van de verdachte of ter inbeslagneming alle
plaatsen betreden, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling
van hun taak nodig is.
2. De in het eerste lid bedoelde
opsporingsambtenaren zijn in afwijking van artikel 2, eerste lid,
van de Algemene wet op het binnentreden (Stb. 1994, 572) bevoegd om
zonder machtiging binnen te treden.
Artikel 539t
De gezagvoerder van een luchtvaartuig
kan op de voet van artikel 9, eerste lid, van het Verdrag inzake
strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van
luchtvaartuigen (Trb. 1964, 115) aan de bevoegde autoriteiten van een
vreemde staat overdragen iedere inzittende van het luchtvaartuig, van
wie hij redelijkerwijs mag aannemen, dat deze aan boord een misdrijf
heeft begaan, waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
Derde afdeling. Verplichtingen van de
schipper
Artikel 539u
1. De schipper geeft onverwijld en op
de snelst mogelijke wijze kennis aan de officier van justitie van
elk misdrijf, aan boord begaan, waardoor de veiligheid van het
vaartuig of van de opvarenden in gevaar is gebracht of waardoor
iemands dood of zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt.
2. Voor de toepassing van het vorige
lid wordt onder vaartuig begrepen een overeenkomstig artikel 136a,
tweede lid, aangewezen installatie en wordt onder een misdrijf, aan
boord begaan, begrepen een misdrijf, begaan op zulk een installatie.
3. Artikel 539b, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 539v
1. De schipper van een Nederlands
schip zorgt dat aan boord een register van strafbare feiten aanwezig
is, dat blad voor blad is genummerd.
2. Hij zorgt dat in het register
onverwijld wordt vermeld:
1°. elk te zijner kennis gekomen
misdrijf als bedoeld in het vorige artikel;
2°. elk strafbaar feit ten
aanzien waarvan hij van een bevoegdheid als bedoeld in artikel
539b, eerste lid, gebruik heeft gemaakt;
3°. elk strafbaar feit, aan
boord van zijn schip of door een opvarende begaan, waarvan door
een opvarende vermelding in het register wordt verlangd of
waarvan hij zelf de vermelding wenselijk acht.
3. Bij toepassing van het vorige lid
worden vermeld: de plaats waar en het tijdstip waarop het feit is
begaan, de personalia en nationaliteit van de verdachte en van de
getuigen, alsmede de maatregelen ingevolge de bepalingen van deze
Titel genomen door de schipper of op zijn aanwijzing door de
scheepsofficier.
4. De vermeldingen worden gedagtekend
en door de schipper ondertekend.
5. De schipper geeft het register op
eerste vordering van een opsporingsambtenaar aan deze ter inzage.
Artikel 539w
1. De schipper van enig vaartuig
geeft aan de ambtenaar, die krachtens enige wetsbepaling toegang
heeft tot zijn vaartuig, op diens eerste vordering gelegenheid zich
aan of van boord te begeven.
2. De ambtenaar is in de rechtmatige
uitoefening van zijn bediening niet onderworpen aan het gezag van de
schipper van een vaartuig over de opvarenden.
Titel VII. Rechterlijke bevelen tot
handhaving der openbare orde
Artikel 540
1. In het geval van ontdekking op
heeterdaad van eenig strafbaar feit waardoor de openbare orde
ernstig is aangerand, kunnen de maatregelen in de navolgende
bepalingen omschreven, worden toegepast, indien tegen den verdachte
gewichtige bezwaren bestaan en er groot gevaar is voor herhaling of
voortzetting van dat feit.
2. Het geval van ontdekking op heeter
daad wordt bij toepassing van de maatregelen die in deze titel
worden omschreven, aanhouding inbegrepen, aanwezig geacht indien:
a. de vrijheidsbeneming
omschreven in de 240, artikelen 154a en 176a van de Gemeentewet
kort na die ontdekking heeft plaatsgevonden en
b. bij aansluitende aanhouding en
inverzekeringstelling de toepasselijke termijnen in acht zijn
genomen.
Artikel 541
1. De officier van justitie van de
plaats waar het feit is gepleegd, is bevoegd den verdachte te doen
aanhouden en hem onverwijld te doen geleiden voor den
rechter-commissaris.
2. De officier van justitie is
eveneens bevoegd getuigen, deskundigen en tolken te doen oproepen om
te verschijnen voor den rechter-commissaris. De oproeping kan ook
mondeling door een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, dan wel een andere ambtenaar of functionaris, voor
zover die ambtenaar of functionaris door Onze Minister van Justitie
daartoe is aangewezen of schriftelijk geschieden; de officier kan
ook zelf mondeling oproepen.
3. De verdachte wordt gedurende ten
hoogste twee dagen of, indien het onderzoek binnen die termijn
eindigt, tot het einde van het onderzoek op last van den officier
van justitie in verzekering gesteld.
Artikel 542
1. De officier van justitie is bij
het onderzoek door den rechter-commissaris tegenwoordig en doet, na
de zaak te hebben voorgedragen, de vorderingen welke hij in verband
met de bepalingen van dezen Titel noodig oordeelt.
2. De rechter-commissaris onderzoekt
aanstonds de zaak. Het onderzoek geldt als een gerechtelijk
vooronderzoek en wordt overeenkomstig de bepalingen van de tweede
tot en met de vijfde alsmede de achtste afdeeling van den Derden
Titel van het Tweede Boek gevoerd.
3. De rechter-commissaris is bevoegd,
zoo noodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, te
gelasten dat door hem aangewezen getuigen, deskundigen en tolken
voor hem zullen verschijnen. De oproeping geschiedt overeenkomstig
het tweede lid van het voorgaande artikel.
4. In dat geval kan de
rechter-commissaris het onderzoek voor ten hoogste vier en twintig
uren schorsen en kan hij bepalen dat de inverzekeringstelling met de
duur van de schorsing verlengd wordt.
Artikel 543
1. Indien de rechter-commissaris geen
termen vindt tot toepassing van eenigen maatregel op grond van
artikel 540, beveelt hij de onmiddellijke invrijheidstelling van den
verdachte.
2. Indien hij daartoe termen aanwezig
acht, geeft de rechter-commissaris den verdachte voor een bepaalden
termijn de noodige bevelen ter voorkoming van herhaling of
voortzetting van het feit en vordert van hem eene bereidverklaring
tot nakoming van die bevelen. De termijn eindigt van rechtswege op
het oogenblik dat het ter zake van het strafbare feit gewezen vonnis
in kracht van gewijsde is gegaan, of, indien daarbij straf of
maatregel is opgelegd, zoodra het vonnis kan worden tenuitvoergelegd.
3. De rechter-commissaris kan tevens
verlangen dat voor de nakoming van de bevelen, in den vorm door hem
te bepalen, zekerheid zal worden gesteld.
4. Omtrent de zekerheidstelling
gelden de bepalingen van artikel 80, derde en vierde lid.
5. De bevelen mogen de vrijheid van
godsdienst of levensovertuiging dan wel de staatkundige vrijheid
niet beperken.
Artikel 544
Indien de bereidverklaring wordt
afgelegd en de verlangde zekerheid gesteld, beveelt de
rechter-commissaris de onmiddellijke invrijheidstelling van den
verdachte.
Artikel 545
1. Indien de bereidverklaring niet
wordt afgelegd, of de verlangde zekerheid niet gesteld, beveelt de
rechter-commissaris dat de verdachte in verzekering zal worden
gesteld. Eenzelfde bevel kan de rechter-commissaris bij verdenking
van misdrijf geven indien hij van oordeel is dat het voorkomen van
herhaling of voortzetting van het strafbare feit niet afdoende door
bevelen als bedoeld in artikel 543, tweede lid, kan worden verzekerd
en de handhaving van de openbare orde de inverzekeringstelling
dringend vordert. Het bevel tot inverzekeringstelling kan slechts
worden gegeven indien aan de verdachte een dagvaarding is uitgereikt
om binnen de periode van inverzekeringstelling voor de rechter te
verschijnen.
2. De verzekering is van kracht
gedurende een termijn van zeven dagen welke ingaat op den dag der
tenuitvoerlegging. Artikel 68, eerste lid, is van overeenkomstige
toepassing. Het bevel tot inverzekeringstelling is dadelijk
uitvoerbaar.
3. De rechter-commissaris beslist met
inachtneming van het eerste lid zoomede van de artikelen 543 en 544.
4. De verdachte kan van het bevel tot
inverzekeringstelling binnen drie dagen na de tenuitvoerlegging in
hooger beroep komen bij de rechtbank die zoo spoedig mogelijk doch
uiterlijk op de terechtzitting beslist.
5. Ten aanzien van de verdachte die
op grond van dit artikel in verzekering is gesteld, kan geen bevel
tot bewaring worden gegeven.
Artikel 546
1. Zoodra het groote gevaar voor
herhaling of voortzetting van het feit is geweken, beveelt de
officier van justitie de onmiddellijke invrijheidstelling van den
verdachte.
2. De rechter-commissaris kan te
allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den
officier van justitie of op het verzoek van den verdachte de
invrijheidstelling van den verdachte bevelen. Artikel 544 is van
toepassing.
3. De rechtbank kan, ambtshalve of op
het verzoek van den verdachte, het bevel tot inverzekeringstelling
opheffen. Artikel 69, tweede lid, is van toepassing.
4. Het bevel kan mede worden
opgeheven bij de uitspraak van het vonnis ter zake van het in
artikel 540 bedoelde feit gewezen. De opheffing wordt daarbij steeds
bevolen, indien straf of maatregel ter zake van dat feit niet wordt
opgelegd.
Artikel 547
1. Indien de verdachte de hem gegeven
bevelen niet nakomt, is iedere opsporingsambtenaar bevoegd hem aan
te houden en onverwijld opnieuw te geleiden voor den officier van
justitie. De opsporingsambtenaar kan, ter aanhouding van den
verdachte, elke plaats betreden en doorzoeken.
2. In dit geval of indien de
verdachte niet kon worden aangehouden, vordert de officier van
justitie onverwijld dat de rechter-commissaris ter zake een
onderzoek zal instellen. Deze geeft daaraan zoo spoedig mogelijk
gevolg.
3. Ten aanzien van het onderzoek en
het oproepen van getuigen gelden de voorgaande bepalingen van dezen
Titel.
Artikel 548
1. Indien de rechter-commissaris op
grond van het onderzoek bedoeld in het voorgaande artikel, daartoe
termen vindt, beveelt hij de onmiddellijke invrijheidstelling van
den verdachte.
2. In het andere geval beveelt de
rechter-commissaris, indien de verdachte zich aan overtreding der
hem gegeven bevelen heeft schuldig gemaakt, dat deze in verzekering
zal worden gesteld. De artikelen 545, tweede, vierde en vijfde lid,
en 546, met uitzondering van den tweeden zin van het tweede lid,
zijn van toepassing.
3. In elk geval kan de
rechter-commissaris, indien hem blijkt dat de verdachte de hem
gegeven bevelen niet is nagekomen, bij het bevel, bedoeld in het
eerste of tweede lid, tevens de zekerheid vervallen verklaren aan
den Staat.
4. Artikel 83 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 549
Tegen de beslissing tot afwijzing van
eene door den officier van justitie krachtens de bepalingen van dezen
Titel genomen vordering staat geen beroep open.
Artikel 550
1. Ten aanzien van de ondergane
inverzekeringstelling vinden de artikelen 89-93 overeenkomstige
toepassing.
2. Artikel 40 vindt ten aanzien van
inverzekeringstelling door de officier van justitie en de
rechter-commissaris uit hoofde van deze titel overeenkomstige
toepassing.
Titel VIII. Bijzondere bepalingen
omtrent opsporing van feiten, strafbaar gesteld bij het Wetboek van
Strafrecht
Artikel 551
1. In geval van verdenking van een
strafbaar feit als omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 97a
tot en met 98c, 240, 240a, 240b, 248a, 250 en 273f van het Wetboek
van Strafrecht zijn de in artikel 141 bedoelde ambtenaren bevoegd
ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen van alle voor
inbeslagneming vatbare voorwerpen, voor zover de vordering tot
uitlevering ertoe strekt om hun verbeurdverklaring of onttrekking
aan het verkeer mogelijk te maken, en die voorwerpen na uitlevering
in beslag te nemen. Artikel 96a, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2. Zij hebben toegang tot alle
plaatsen, waar redelijkerwijs vermoed kan worden, dat een zodanig
strafbaar feit wordt begaan.
Artikel 551a
In geval van verdenking van een
misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 van het
Wetboek van Strafrecht kan iedere opsporingsambtenaar de
desbetreffende plaats betreden. Zij zijn bevoegd alle personen die
daar wederrechtelijk vertoeven, alsmede alle voorwerpen die daar ter
plaatse worden aangetroffen, te verwijderen of te doen verwijderen.
Artikel 552
De in artikel 141 bedoelde ambtenaren
hebben toegang tot elke plaats, waarvan redelijkerwijs kan worden
vermoed, dat zij door een handelaar als aangewezen bij algemene
maatregel van bestuur op grond van artikel 437 van het Wetboek van
Strafrecht worden gebruikt. Artikel 90bis van het Wetboek van
Strafrecht is van toepassing.
Titel IX. Beklag
Artikel 552a
1. De belanghebbenden kunnen zich
schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in
beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot
teruggave, over de vordering van gegevens, over de vordering
medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens, over de
kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een
doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het
gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door
middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek
in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens
als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, over de vordering
gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de
ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een
geautomatiseerd werk, bedoeld in artikel 125o, de opheffing van de
desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot
zodanige opheffing.
2. De belanghebbenden kunnen
schriftelijk verzoeken om vernietiging van gegevens, vastgelegd
tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt.
3. Het klaagschrift of het verzoek
wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of
de kennisneming of ontoegankelijkmaking van de gegevens ingediend
ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak
wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het
verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip
waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een
einde is gekomen.
4. Indien een vervolging niet of nog
niet is ingesteld wordt het klaagschrift of het verzoek zo spoedig
mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming,
kennisneming of ontoegankelijkmaking ingediend ter griffie van de
rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming,
kennisneming of ontoegankelijkmaking is geschied. De rechtbank is
bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen
voordat met de behandeling van het klaagschrift of het verzoek een
aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het
klaagschrift of het verzoek ter afdoening aan het gerecht, bedoeld
in het vorige lid.
5. De griffier van het gerecht dat
tot afdoening bevoegd is, zendt aan degene bij wie het voorwerp is
in beslag genomen, indien hij noch de klager is, noch afstand van
het voorwerp heeft gedaan, en zijn adres bekend is, onverwijld een
afschrift van het klaagschrift en deelt hem mee dat hij zijnerzijds
een klaagschrift kan indienen. Op last van de voorzitter van het
gerecht stelt de griffier tevens andere belanghebbenden van het
klaagschrift in kennis, hun de gelegenheid biedende hetzij zelf
binnen een in de kennisgeving te vermelden termijn een klaagschrift
in te dienen, betrekking hebbend op hetzelfde voorwerp of dezelfde
gegevens, hetzij tijdens de behandeling van het klaagschrift te
worden gehoord. In het laatste geval geldt de kennisgeving als
oproeping.
6. De behandeling van het
klaagschrift of het verzoek door de raadkamer vindt plaats in het
openbaar.
7. Acht het gerecht het beklag of het
verzoek gegrond, dan geeft het de daarmede overeenkomende last.
Artikel 552ab
1. De belanghebbenden, anderen dan de
verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde, kunnen zich
schriftelijk beklagen over het uitvaardigen van een strafbeschikking
houdende aanwijzingen als bedoeld in artikel 257a, derde lid, onder
a, b of c en over een schikking als bedoeld in artikel 511c op de
grond dat deze betrekking hebben op hun toekomende voorwerpen en de
officier van justitie die de aanwijzingen heeft gegeven,
onderscheidenlijk de schikking is aangegaan, niet bereid is gebleken
die voorwerpen terug te geven of de waarde die zij bij verkoop
redelijkerwijs hadden moeten opbrengen te vergoeden.
2. Het klaagschrift wordt, niet later
dan drie maanden nadat de verdachte, gewezen verdachte of
veroordeelde aan de gegeven aanwijzingen of aan de termen van de
schikking heeft voldaan, dan wel de klager daarmee bekend is
geworden, ingediend ter griffie van de rechtbank waarbij de in het
eerste lid bedoelde officier van justitie is geplaatst.
3. De behandeling van het
klaagschrift door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.
4. Tijdens de behandeling van het
klaagschrift worden de klager en de officier van justitie in de
gelegenheid gesteld te worden gehoord. De rechtbank doet tevens de
verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde oproepen ten einde hem
in de gelegenheid te stellen terzake van het klaagschrift te worden
gehoord. Deze kan zich doen bijstaan door een advocaat welke in de
gelegenheid wordt gesteld de nodige opmerkingen te maken. De
beschikking van de rechtbank is met redenen omkleed en wordt in het
openbaar uitgesproken. Aan de klager en aan de verdachte, gewezen
verdachte of veroordeelde die voor de behandeling is verschenen
wordt door de griffier tijdig te voren schriftelijk mededeling van
de dag der uitspraak gedaan. Acht de rechtbank het beklag gegrond,
dan verklaart zij de voorwaarden, onderscheidenlijk de schikking,
bedoeld in het eerste lid, vervallen.
Artikel 552b
1. De belanghebbenden, andere dan de
verdachte of veroordeelde, kunnen schriftelijk zich beklagen over de
verbeurdverklaring van hun toekomende voorwerpen of over de
onttrekking van zodanige voorwerpen aan het verkeer. Geen beklag
staat open, indien het bedrag, waarop de verbeurdverklaarde
voorwerpen bij de uitspraak zijn geschat, is betaald of ingevorderd,
dan wel vervangende vrijheidsstraf is toegepast.
2. Het klaagschrift wordt, binnen
drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden, ingediend
ter griffie van het gerecht dat in hoogste feitelijke aanleg de
beslissing heeft genomen.
3. De behandeling van het
klaagschrift door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.
4. Acht het gerecht het beklag
gegrond, dan herroept het de verbeurdverklaring of de onttrekking
aan het verkeer en geeft een last als bedoeld in artikel 353, tweede
lid, onderdeel a of b.
5. Bij de herroeping van een
verbeurdverklaring kan het gerecht de voorwerpen aan het verkeer
onttrokken verklaren, indien zij daarvoor vatbaar zijn. De artikelen
33b, 33c en 35, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 552c
Tot kennisneming van geschillen over de
toepassing door het openbaar ministerie van zijn bevoegdheden uit
hoofde van artikel 94d is de burgerlijke rechter bevoegd.
Artikel 552ca
1. Zodra het openbaar ministerie
reden heeft om aan te nemen dat een inbeslaggenomen voorwerp niet
uitsluitend aan de verdachte toebehoort, doet het de nodige
naspeuringen naar degene die als rechthebbende zou kunnen gelden en
stelt het, wanneer het toepassing wil geven aan het bepaalde in
artikel 116, derde lid, degene bij wie het voorwerp in beslag is
genomen in kennis van de bevoegdheden die deze heeft ingevolge
artikel 552a.
2. Indien een ander dan de beslagene
het openbaar ministerie verzoekt om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 116, derde lid, stelt het deze ander, wanneer
het zich daartoe buiten staat acht, in kennis van de bevoegdheden
die deze heeft ingevolge de artikelen 552a tot en met 552c.
3. De officier van justitie die van
de griffier bericht ontvangt dat een klacht is ingediend ingevolge
artikel 552a, deelt de voorzitter van het gerecht mede wie naar zijn
oordeel als rechthebbende op het inbeslaggenomen voorwerp waarop de
klacht betrekking heeft, kan gelden.
Artikel 552d
1. Een beschikking ingevolge artikel
552a, 552ab of 552b wordt onverwijld aan de klager betekend.
2. Beroep in cassatie kan door het
openbaar ministerie worden ingesteld binnen veertien dagen na de
dagtekening der beschikking, en door de klager binnen veertien dagen
na de betekening.
Artikel 552e
1. Op een last, ingevolge deze titel
gegeven met betrekking tot een voorwerp, is artikel 119 van
overeenkomstige toepassing.
2. Aan een last tot teruggave van een
voorwerp, dat verbeurd verklaard of aan het verkeer onttrokken
verklaard was met verlening van een geldelijke tegemoetkoming, wordt
niet voldaan zolang het bedrag niet aan de Staat is terugbetaald.
Artikel 552f
1. Bevoegd tot het geven van
beschikkingen als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder 4°, van
het Wetboek van Strafrecht is het gerecht waarvoor de zaak in eerste
aanleg zal worden vervolgd, is vervolgd of had kunnen worden
vervolgd.
2. De beschikking wordt niet gegeven
dan op een met redenen omklede vordering van de officier van
justitie.
3. Is bekend aan wie de voorwerpen
toebehoren waarvan de onttrekking aan het verkeer wordt gevorderd,
dan wordt hem een afschrift van de vordering betekend.
4. De behandeling van de vordering
door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.
5. De beschikking wordt onverwijld
aan de belanghebbende, zo deze bekend is, betekend.
6. De officier van justitie kan
binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking beroep in
cassatie instellen en de belanghebbende binnen veertien dagen na de
betekening.
7. De belanghebbende die beroep in
cassatie heeft ingesteld of ingevolge het vierde lid van dit artikel
is gehoord, kan geen beklag doen overeenkomstig artikel 552b.
Artikel 552fa
1. Bij een afzonderlijke rechterlijke
beschikking op vordering van de officier van justitie kan worden
gelast dat de met toepassing van artikel 125o ontoegankelijk
gemaakte gegevens worden vernietigd indien het gegevens betreft met
betrekking tot welke of met behulp waarvan een strafbaar feit is
begaan, voor zover de vernietiging noodzakelijk is ter voorkoming
van nieuwe strafbare feiten.
2. Aan de beheerder van het
geautomatiseerd werk waarin de gegevens zijn of waren opgeslagen
wordt een afschrift van de vordering betekend.
3. Artikel 552f, eerste, vierde,
vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Indien het gerecht de vordering
afwijst, gelast het dat de gegevens weer ter beschikking van de
beheerder van het geautomatiseerd werk worden gesteld.
Artikel 552g
Met hetgeen onder de staat berust als
verbeurdverklaarde of aan het verkeer onttrokken verklaarde
voorwerpen, wordt, zolang de mogelijkheid van herroeping van de straf
of maatregel bestaat, gehandeld naar de artikelen 117 en 118.
Titel X. Internationale rechtshulp
Eerste afdeling. Algemene bepalingen
Artikel 552h
1. De navolgende artikelen van deze
titel zijn van toepassing op verzoeken om rechtshulp door
autoriteiten van een vreemde staat in verband met een strafzaak
gedaan, en gericht tot een al dan niet met name aangeduid orgaan van
de justitie of de politie in Nederland, voor zover in de afdoening
niet is voorzien in het bepaalde bij of krachtens andere wetten.
2. Als verzoeken om rechtshulp worden
aangemerkt verzoeken tot het al dan niet gezamenlijk verrichten van
handelingen van onderzoek of het verlenen van medewerking daaraan,
het toezenden van documenten, dossiers of stukken van overtuiging of
het geven van inlichtingen, dan wel het betekenen of uitreiken van
stukken of het doen van aanzeggingen of mededelingen aan derden.
Artikel 552i
1. Het verzoek wordt, zo het niet tot
een officier van justitie is gericht, door de geadresseerde
onverwijld doorgezonden aan de officier van justitie in het
arrondissement waarin de gevraagde handeling moet worden verricht,
of waarin het verzoek is ontvangen, dan wel aan een officier van
justitie bij het landelijk parket of bij het functioneel parket.
2. Indien uitsluitend om inlichtingen
is gevraagd en voor het verkrijgen daarvan geen dwangmiddelen of
bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 126g tot en met 126z, de
artikelen 126zd tot en met 126zu en artikel 126gg dan wel toepassing
van artikel 126ff nodig zijn, kan de doorzending achterwege blijven.
3. Van elke inwilliging van een
verzoek overeenkomstig het tweede lid wordt aantekening gehouden in
een register waarvan het model door onze Minister wordt vastgesteld.
In de aantekening worden in ieder geval de aard van het verzoek, de
hoedanigheid van de verzoeker en het gevolg dat aan het verzoek
gegeven is opgenomen.
4. Bij de afdoening van een verzoek
neemt de krachtens het tweede lid bevoegde autoriteit de door de
officier van justitie gegeven algemene en bijzondere aanwijzingen in
acht.
Artikel 552j
De officier van justitie die het
verzoek heeft ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te
geven gevolg. Indien handelingen in meer dan één arrondissement
moeten worden verricht, is in elk van die arrondissementen de officier
van justitie tot het in behandeling nemen van het gehele verzoek
bevoegd. De officier van justitie die het gehele verzoek in
behandeling heeft genomen roept voor de uitvoering ervan zo nodig de
tussenkomst in van het openbare ministerie in andere rechtsgebieden.
In het belang van een spoedige en doelmatige afdoening kan hij het
verzoek overdragen aan zijn ambtgenoot in een ander arrondissement.
Artikel 552k
1. Voorzover het verzoek is gegrond
op een verdrag, wordt daaraan zoveel mogelijk het verlangde gevolg
gegeven.
2. In gevallen waarin het betreft een
redelijk verzoek dat niet op een verdrag is gegrond, alsmede in
gevallen waarin het toepasselijke verdrag niet tot inwilliging
verplicht, wordt aan het verzoek voldaan, tenzij de inwilliging in
strijd is met een wettelijk voorschrift of met een aanwijzing van de
Minister van Justitie.
Artikel 552l
1. Aan het verzoek wordt geen gevolg
gegeven:
a. in gevallen waarin grond
bestaat voor het vermoeden, dat het is gedaan ten behoeve van
een onderzoek, ingesteld met het oogmerk de verdachte te
vervolgen, te straffen of op andere wijze te treffen in verband
met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke dan wel
staatkundige overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de
groep van de bevolking waartoe hij behoort;
b. voor zover inwilliging zou
strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of
berechting welke onverenigbaar is met het aan artikel 68 van het
Wetboek van Strafrecht en artikel 255, eerste lid, van dit
wetboek ten grondslag liggende beginsel;
c. voor zover het is gedaan ten
behoeve van een onderzoek naar feiten terzake waarvan de
verdachte in Nederland wordt vervolgd.
2. In gevallen waarin grond bestaat
voor een vermoeden als bedoeld onder a van het vorige lid wordt het
verzoek voorgelegd aan de Minister van Justitie.
Artikel 552m
1. Aan verzoeken ten behoeve van een
onderzoek naar strafbare feiten van politieke aard, of daarmede
verband houdende feiten, wordt niet voldaan dan krachtens een
machtiging van de Minister van Justitie. Die machtiging kan alleen
worden gegeven voor verzoeken die op een verdrag zijn gegrond en
slechts na overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken. De
beslissing op het verzoek wordt langs diplomatieke weg ter kennis
van de autoriteiten van de verzoekende staat gebracht.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op een verzoek door autoriteiten van een staat die partij
is bij het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb.
1977, 63) of bij de Overeenkomst betreffende de toepassing van dat
Verdrag tussen de lid-staten van de Europese Gemeenschappen (Trb.
1980, 14) met betrekking tot een van de strafbare feiten, bedoeld in
artikel 1 of artikel 2 van dat Europees Verdrag of bij het Europees
Verdrag ter voorkoming van terrorisme ( Trb.2006, 34), dan wel op
een verzoek door autoriteiten van een staat die partij is bij het op
16 oktober 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Protocol bij de
Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken
tussen de Lid-Staten van de Europese Unie (Trb. 2001, 187).
3. Aan verzoeken, die zijn gedaan ten
behoeve van een onderzoek naar strafbare feiten met betrekking tot
retributies, belastingen, douane, deviezen, of daarmede verband
houdende feiten, en waarvan de inwilliging van belang kan zijn voor
’s Rijks belastingdienst, dan wel aan verzoeken betrekking
hebbende op gegevens welke onder ’s Rijks belastingdienst berusten
of aan ambtenaren van deze dienst in de uitoefening van hun
bediening bekend zijn geworden, wordt niet voldaan dan krachtens
machtiging van de Minister van Justitie. Die machtiging kan alleen
worden gegeven voor verzoeken die op een verdrag zijn gegrond en
slechts na overleg met de Minister van Financiën.
Artikel 552n
1. De officier van justitie stelt een
voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een
buitenlandse rechterlijke autoriteit in handen van de
rechter-commissaris:
a. indien het strekt tot het
horen van personen die niet bereid zijn vrijwillig te
verschijnen en de gevraagde verklaring af te leggen;
b. indien het strekt tot het
meewerken aan een verhoor door of onder leiding van een
buitenlandse rechterlijke autoriteit van een getuige of
deskundige per videoconferentie;
c. indien uitdrukkelijk is
gevraagd om een beëdigde verklaring, of om een verklaring
afgelegd ten overstaan van een rechter;
d. indien het met het oog op het
verlangde gevolg nodig is dat stukken van overtuiging in beslag
worden genomen.
2. In andere dan de in het vorige lid
voorziene gevallen kan de officier van justitie het verzoek van een
buitenlandse rechterlijke autoriteit in handen van de
rechter-commissaris stellen.
3. De overlegging van het verzoek
geschiedt bij een schriftelijke vordering, waarin wordt omschreven
welke verrichtingen van de rechter-commissaris worden verlangd.
4. De in het vorige lid bedoelde
vordering kan te allen tijde worden ingetrokken.
Artikel 552o
1. Voor zover de in artikel 552n,
derde lid, bedoelde vordering is gedaan met het oog op de voldoening
aan een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek
van een buitenlandse rechterlijke autoriteit, heeft zij dezelfde
rechtsgevolgen als een vordering tot het instellen van een
gerechtelijk vooronderzoek, zulks voor wat betreft:
a. de bevoegdheden van de
rechter-commissaris ten aanzien van de door hem te horen
verdachten, getuigen en deskundigen, alsmede die tot het bevelen
van de uitlevering of overbrenging van stukken van overtuiging,
het nemen van maatregelen in het belang van het onderzoek, het
laten verrichten van een DNA-onderzoek alsmede het daartoe
bevelen van het afnemen van celmateriaal, het betreden van
plaatsen, het doorzoeken van plaatsen en het in beslag nemen van
stukken van overtuiging;
b. de bevoegdheden van de
officier van justitie;
c. de rechten en verplichtingen
van de door de rechter-commissaris te horen personen;
d. de bijstand van een raadsman;
e. de verrichtingen van de
griffier.
2. In afwijking van het eerste lid
heeft een vordering als bedoeld in artikel 552n, derde lid, welke is
gedaan met het oog op de voldoening aan een voor inwilliging vatbaar
en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke
autoriteit tot het meewerken aan een verhoor door hem of onder zijn
leiding van een getuige of deskundige per videoconferentie, dezelfde
rechtsgevolgen als een vordering tot het instellen van een
gerechtelijk vooronderzoek, zulks voor wat betreft de toepassing van
de artikelen 190, eerste, tweede en vijfde lid, 191, eerste en
vierde lid, 210, eerste lid, tweede volzin,213, 214, 215, 217 tot en
met 219a, 221 tot en met 225, 226, 226a, eerste lid, 226c, eerste
lid, 226f en 236.
3. Vatbaar voor inbeslagneming,
overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, zijn stukken van
overtuiging die daarvoor vatbaar zouden zijn, indien het feit in
verband waarmede de rechtshulp is gevraagd, in Nederland was begaan
en dat feit aanleiding kan geven tot uitlevering aan de verzoekende
staat.
4. Tenzij het toepasselijke verdrag
anders bepaalt kan, ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp,
geen gebruik van dwangmiddelen worden gemaakt anders dan
overeenkomstig de voorgaande leden.
Artikel 552oa
1. Voor zover een voor inwilliging
vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse
autoriteit daartoe strekt, kunnen de in de artikelen 126l, 126m,
126nd, zesde lid, 126ne, derde lid, 126nf, 126ng, 126s en126t,
126ue, derde lid, 126uf, 126ug, 126zf, 126zg, 126zm, derde lid,
126zn en126zo omschreven bevoegdheden worden uitgeoefend.
2. Andere bevoegdheden, omschreven in
de titels IVa tot en met Vc en Ve van het Eerste Boek, kunnen worden
uitgeoefend en aan artikel 126ff kan toepassing worden gegeven,
indien een voor inwilliging vatbaar rechtshulpverzoek daartoe
strekt.
3. Tenzij het toepasselijke verdrag
anders bepaalt kan, ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp,
geen gebruik van de in de titels IVa tot en met Vc enVe omschreven
bevoegdheden worden gemaakt en kan aan artikel 126ff geen toepassing
worden gegeven, anders dan overeenkomstig de voorgaande leden.
4. Processen-verbaal en andere
voorwerpen, verkregen door toepassing van een in deartikelen 126l,
126m, 126nd, zesde lid, 126ne, derde lid, 126nf, 126s, 126t, 126ue,
derde lid, en 126uf omschreven bevoegdheid, kunnen door de officier
van justitie worden afgegeven aan de buitenlandse autoriteiten voor
zover de rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke verdrag,
daartoe verlof verleent.
5. De artikelen 126aa, tweede lid,
alsmede 126bb tot en met 126dd zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126cc is slechts van toepassing voor zover de betreffende
processen-verbaal en andere voorwerpen niet aan de buitenlandse
autoriteiten zijn afgegeven. De officier van justitie draagt er zorg
voor dat een betrokkene de processen-verbaal en andere voorwerpen
die op hem betrekking hebben op enig moment kan inzien.
Artikel 552ob
1. Voor zover een verdrag daarin
voorziet, kan op verzoek van een buitenlandse autoriteit
telecommunicatie worden afgetapt met het oog op de rechtstreekse
doorgeleiding naar het buitenland. Artikel 126m, eerste lid, en
artikel 126t, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de afgetapte en
rechtstreeks doorgeleide telecommunicatie betrekking heeft op een
gebruiker van telecommunicatie die zich op Nederlands grondgebied
bevindt, worden aan de doorgeleiding de voorwaarden verbonden, dat
de gegevens verkregen door het aftappen van de telecommunicatie:
a. voor zover deze mededelingen
bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van
artikel 218 zou kunnen verschonen indien hij als getuige naar de
inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, niet mogen
worden gebruikt en dienen te worden vernietigd; en
b. alleen mogen worden gebruikt
voor het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan het
rechtshulpverzoek is gedaan en dat voor het gebruik voor enig
ander doel voorafgaand toestemming dient te worden gevraagd en
te zijn verkregen.
3. Artikel 126bb is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 552oc
1. Een kennisgeving, op basis van een
verdrag, van de bevoegde autoriteiten van een andere staat over het
voornemen tot aftappen of het aftappen van telecommunicatie van een
gebruiker die zich op Nederlands grondgebied bevindt, wordt
onverwijld doorgezonden aan de door het College van
procureurs-generaal daartoe aangewezen officier van justitie.
2. De officier van justitie stelt de
kennisgeving onverwijld in handen van de rechter-commissaris bij een
schriftelijke vordering waarin, binnen de in het toepasselijke
verdrag gestelde termijn, machtiging tot het verlenen van instemming
met het voornemen tot aftappen of het aftappen door de bevoegde
buitenlandse autoriteiten wordt verlangd.
3. De rechter-commissaris neemt een
beslissing op de vordering met inachtneming van het bepaalde in het
toepasselijke verdrag en het bepaalde bij of krachtensartikel 126m
of 126t.
4. Indien de machtiging wordt
verleend, deelt de officier van justitie de autoriteiten van wie de
kennisgeving afkomstig is, binnen de in het toepasselijke verdrag
gestelde termijn, mede dat met het voornemen tot aftappen of het
aftappen van telecommunicatie van een gebruiker die zich op
Nederlands grondgebied bevindt, wordt ingestemd. Hij verbindt
daaraan de voorwaarden die de rechter-commissaris heeft gesteld,
alsmede de voorwaarden, dat de gegevens verkregen door het aftappen
van de telecommunicatie van de gebruiker tijdens diens verblijf op
Nederlands grondgebied:
a. voor zover deze mededelingen
bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van
artikel 218 kan verschonen indien hij als getuige naar de inhoud
van die mededelingen zou worden gevraagd, niet mogen worden
gebruikt en dienen te worden vernietigd, en
b. alleen mogen worden gebruikt
voor het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan de
kennisgeving is gedaan en dat voor het gebruik voor enig ander
doel voorafgaand toestemming dient te worden gevraagd en te zijn
verkregen.
5. Indien de machtiging wordt
verleend, is artikel 126bb van overeenkomstige toepassing.
6. Indien de machtiging niet wordt
verleend, deelt de officier van justitie de autoriteiten van wie de
kennisgeving afkomstig is, binnen de in het toepasselijke verdrag
gestelde termijn, mede dat niet wordt ingestemd met het voornemen
tot aftappen of het aftappen en eist hij, voor zover nodig, dat het
aftappen onmiddellijk wordt stopgezet.
7. In een mededeling als bedoeld in
het zesde lid die betrekking heeft op aftappen dat reeds een aanvang
heeft genomen, wordt tevens opgenomen dat de gegevens, verkregen
door het aftappen van telecommunicatie van de gebruiker tijdens
diens verblijf op Nederlands grondgebied, niet mogen worden gebruikt
en dienen te worden vernietigd, tenzij, met inachtneming van het
toepasselijke verdrag, naar aanleiding van een daartoe strekkend
nieuw verzoek in bijzondere gevallen en onder nadere voorwaarden
enig gebruik wordt toegestaan door Onze Minister van Justitie.
Artikel 552p
1. De rechter-commissaris doet het
verzoek, na bijvoeging van de processen-verbaal van de door hem
afgenomen verhoren en van die van zijn verdere verrichtingen, zo
spoedig mogelijk teruggaan naar de officier van justitie.
2. De door de rechter-commissaris in
beslag genomen stukken van overtuiging en onder hem berustende
gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die zijn vergaard met
gebruikmaking van enige strafvorderlijke bevoegdheid worden ter
beschikking van de officier van justitie gesteld, voor zover de
rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe
verlof verleent.
3. Tenzij aannemelijk is dat de
rechthebbenden op de in beslag genomen stukken van overtuiging niet
in Nederland verblijf houden, wordt het krachtens het vorige lid
vereiste verlof slechts verleend onder het voorbehoud, dat bij de
afgifte aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen, dat de
stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de
strafvordering nodige gebruik is gemaakt.
4. Het bepaalde bij en krachtens de
artikelen 116 tot en met 119, 552a en 552ca tot en met 552e is ten
aanzien van het gestelde in het eerste tot en met derde lid van
overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens die
artikelen bevoegde gerecht treedt de rechtbank die bevoegd is tot
het verlenen van het krachtens het tweede lid van dit artikel
vereiste verlof.
Artikel 552q
1. Het betekenen en uitreiken van
stukken aan derden, ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp,
geschiedt met overeenkomstige toepassing van de wettelijke
voorschriften betreffende het betekenen en uitreiken van Nederlandse
stukken van vergelijkbare strekking.
2. Is bij een voor inwilliging
vatbaar verzoek uitdrukkelijk de voorkeur gegeven aan betekening of
uitreiking aan de geadresseerde in persoon, dan wordt zoveel
mogelijk dienovereenkomstig gehandeld.
Eerste afdeling A. Internationale
gemeenschappelijke onderzoeksteams
Artikel 552qa
1. Voor zover een verdrag daarin
voorziet of ter uitvoering van een kaderbesluit van de Raad van de
Europese Unie, kan de officier van justitie voor een beperkte
periode, ten behoeve van het gezamenlijk uitvoeren van
strafrechtelijke onderzoeken, tezamen met de bevoegde autoriteiten
van andere landen een gemeenschappelijk onderzoeksteam instellen.
Artikel 552l, eerste lid, onder c, is niet van toepassing.
2. De instelling van een
gemeenschappelijk onderzoeksteam wordt door de officier van justitie
met de bevoegde autoriteiten van de betrokken landen schriftelijk
overeengekomen.
3. In de overeenkomst, bedoeld in het
tweede lid, worden in elk geval het doel, de bestaansperiode, de
plaats van vestiging en de samenstelling van het gemeenschappelijke
onderzoeksteam, de door Nederlandse ambtenaren op buitenlands
grondgebied en de door buitenlandse opsporingsambtenaren op
Nederlands grondgebied uit te oefenen opsporingsbevoegdheden alsmede
de verplichting voor buitenlandse opsporingsambtenaren om gehoor te
geven aan een dagvaarding als bedoeld inartikel 210 of een oproeping
als bedoeld in de artikel 260, vastgelegd.
Artikel 552qb
De uitoefening van
opsporingsbevoegdheden op Nederlands grondgebied ten behoeve van het
onderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam, bedoeld in artikel
552qa, geschiedt met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens
dit wetboek en de tussen de bij het gemeenschappelijke onderzoeksteam
betrokken landen geldende verdragen.
Artikel 552qc
Stukken die buitenlandse leden van het
gemeenschappelijk onderzoeksteam, bedoeld in artikel 552qa, hebben
opgesteld betreffende ambtshandelingen ter zake van opsporing en
vervolging die zij in het kader van het onderzoek van het
onderzoeksteam in het buitenland hebben verricht, hebben in Nederland
de bewijskracht die toekomt aan stukken betreffende overeenkomstige,
door Nederlandse ambtenaren in Nederland verrichte handelingen, met
dien verstande dat hun bewijskracht niet uitgaat boven die welke zij
naar het recht van de staat waaruit de buitenlandse leden afkomstig
zijn, hebben.
Artikel 552qd
1. Stukken van overtuiging en
gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die in Nederland in
beslag zijn genomen of zijn vergaard met gebruikmaking van enige
strafvorderlijke bevoegdheid ten behoeve van het onderzoek van het
gemeenschappelijk onderzoeksteam, bedoeld in artikel 552qa, dat
buiten Nederland is gevestigd, kunnen onmiddellijk, voorlopig ter
beschikking worden gesteld van het onderzoeksteam.
2. De officier van justitie die
betrokken is bij het gemeenschappelijk onderzoeksteam verbindt aan
de voorlopige terbeschikkingstelling, bedoeld in het eerste lid, de
voorwaarden dat het Nederlandse recht onverkort blijft gelden ten
aanzien van die stukken en gegevensdragers en dat het gebruik
daarvan als bewijsmiddel pas mogelijk is, nadat deze definitief ter
beschikking worden gesteld.
3. De officier van justitie kan de
stukken en gegevensdragers, bedoeld in het eerste lid, definitief
ter beschikking stellen van het gemeenschappelijk onderzoeksteam dat
in het buitenland is gevestigd, voor zover de rechtbank daartoe
verlof heeft verleend. Artikel 552oa, vierde en vijfde lid, en
artikel 552p, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 552qe
1. De officier van justitie die
betrokken is bij het gemeenschappelijk onderzoeksteam, bedoeld in
artikel 552qa, dat buiten Nederland is gevestigd, kan een bevel als
bedoeld in artikel 126m, eerste lid, of artikel 126t, eerste lid,
eveneens geven met het oog op het rechtstreeks doorgeleiden aan en
het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel door
het gemeenschappelijk onderzoeksteam.
2. Indien de telecommunicatie
betrekking heeft op een gebruiker van telecommunicatie die zich op
Nederlands grondgebied bevindt, worden aan het bevel bedoeld in het
eerste lid, de voorwaarden verbonden, dat de gegevens verkregen door
het aftappen van de telecommunicatie:
a. voor zover deze mededelingen
bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van
artikel 218 zou kunnen verschonen indien hij als getuige naar de
inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, niet mogen
worden gebruikt en dienen te worden vernietigd, en
b. alleen mogen worden gebruikt
voor het onderzoek van het onderzoeksteam en dat voor het
gebruik voor enig ander doel voorafgaand toestemming dient te
worden gevraagd en te zijn verkregen.
3. Artikel 126bb is van
overeenkomstige toepassing.
Tweede afdeling. Feiten begaan aan
boord van luchtvaartuigen
Artikel 552r
1. Wanneer het onderzoek, dat na de
landing van een vreemd luchtvaartuig in Nederland ingevolge artikel
13, vierde lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde
andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen ( Trb. 1964,
115) moet worden ingesteld naar hetgeen aan boord van het
luchtvaartuig is voorgevallen, betrekking heeft op een feit ten
aanzien waarvan de Nederlandse strafwet niet toepasselijk is, wordt
het ingesteld overeenkomstig de bepalingen die gelden voor een
opsporingsonderzoek met betrekking tot andere misdrijven dan die
welke in artikel 67, eerste lid, zijn omschreven. Voor de toepassing
van artikel 146 wordt het feit geacht te zijn begaan ter plaatse
waar het luchtvaartuig is geland.
2. De opsporingsambtenaren die het
onderzoek verrichten kunnen behalve de in artikel 94 bedoelde
voorwerpen in beslag nemen de voorwerpen die de gezagvoerder van het
vreemde luchtvaartuig ingevolge artikel 9, derde lid, van het
Verdrag na de landing overlevert.
3. Het bepaalde bij en krachtens de
artikelen 116-118, 119, 552a en 552ca-552e is van overeenkomstige
toepassing. In de plaats van het volgens artikel 117, derde lid,
bevoegde gerecht treedt de rechtbank binnen welks rechtsgebied het
luchtvaartuig is geland.
Artikel 552s
1. In gevallen waarin grond bestaat
voor het vermoeden, dat de handeling van een inzittende van een
luchtvaartuig, naar aanleiding waarvan deze na de landing van het
luchtvaartuig in Nederland ingevolge artikel 9, eerste lid, van het
Verdrag is overgedragen, een overtreding vormt van een strafbepaling
die op discriminatie naar ras, godsdienst of levensovertuiging
berust, wordt geen onderzoek ingesteld.
2. In gevallen waarin grond bestaat
voor het vermoeden, dat de in het vorige lid bedoelde handeling een
overtreding vormt van een strafbepaling van politieke aard wordt
geen onderzoek ingesteld dan krachtens een machtiging van de
Minister van Justitie. Die machtiging kan slechts worden gegeven na
overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken.
Derde afdeling. Overdracht en overname
van strafvervolging
§ 1. Overdracht van strafvervolging
door Onze Minister van Justitie
Artikel 552t
1. Indien de officier van justitie
het in het belang van een goede rechtsbedeling gewenst acht, dat een
vreemde staat een strafvervolging instelt tegen een verdachte
terzake van een feit met de opsporing waarvan hij is belast, doet
hij, onder overlegging - zo mogelijk - van het strafdossier, aan de
Minister van Justitie een met redenen omkleed voorstel tot het
uitlokken van een strafvervolging in die staat.
2. Indien een gerechtelijk
vooronderzoek heeft plaatsgehad of indien voorlopige hechtenis is
toegepast en de officier van justitie een voorstel doet ingevolge
het eerste lid, doet hij de verdachte die zich in Nederland bevindt
of die een bekende woon- of verblijfplaats buiten Nederland heeft,
kennis geven dat hij de vervolging ter zake van het feit waarop dat
vooronderzoek betrekking had of waarvoor de voorlopige hechtenis is
toegepast voor overdracht aan een vreemde staat heeft voorgedragen.
Deze kennisgeving wordt aan de verdachte betekend.
3. In geval van een kennisgeving als
bedoeld in het vorige lid blijft een kennisgeving van niet verdere
vervolging achterwege.
4. Indien de benadeelde partij te
kennen heeft gegeven zich in het geding te willen voegen, kan een
voorstel als bedoeld in het eerste lid slechts worden gedaan met
haar schriftelijke instemming of, indien die instemming niet wordt
verkregen, met machtiging van de bevoegde rechter. De machtiging
wordt verleend op vordering van de officier van justitie.
5. Tegen een kennisgeving, bedoeld in
het tweede lid, kan de verdachte binnen veertien dagen schriftelijk
beklag doen bij het gerechtshof. De artikelen 12b, 12c, 12e, tweede
lid, 12f en 12h-12l zijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande, dat waar in die artikelen wordt gesproken van de klager
of de persoon wiens vervolging wordt verlangd, daaronder voor de
toepassing van deze bepaling de verdachte dient te worden verstaan.
6. Een voorstel als bedoeld in het
eerste lid kan beperkt zijn tot het uitlokken van een
strafvervolging in de vreemde Staat ten behoeve van de oplegging van
een sanctie strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen
voordeel en de tenuitvoerlegging daarvan.
7. Bij toepassing van het eerste lid
voegt de officier van justitie na de beëindiging van het onderzoek
van telecommunicatie zo spoedig mogelijk en, ingeval een
kennisgeving als bedoeld in het tweede lid verplicht is, uiterlijk
op het tijdstip dat hij deze kennisgeving ter betekening aan de
verdachte heeft doen uitgaan, de processen-verbaal of andere
voorwerpen, bedoeld in artikel 126aa, eerste lid, voor zover hij die
voor het onderzoek in de zaak van betekenis acht, bij het
strafdossier.
Artikel 552u
1. Zo spoedig mogelijk na de
ontvangst van een voorstel als bedoeld in het vorige artikel beslist
de Minister van Justitie omtrent het daaraan te geven gevolg.
Daarbij neemt hij, indien het verzoek tot strafvervolging aan de
autoriteiten van de vreemde staat op een verdrag kan worden gegrond,
de bepalingen van dat verdrag in acht.
2. Behoudens de gevallen waarin een
toepasselijk verdrag anders bepaalt, wordt een verzoek tot
strafvervolging aan de autoriteiten van een vreemde staat door
tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken gedaan.
3. Een aan de autoriteiten van een
vreemde staat gedaan verzoek tot strafvervolging kan uiterlijk tot
de ontvangst van een kennisgeving omtrent de daarop in die staat
genomen beslissing worden ingetrokken. Een dergelijk verzoek wordt
ingetrokken wanneer het gerechtshof ingevolge het vijfde lid van
artikel 552t beveelt dat de vervolging in Nederland zal worden
voortgezet.
Artikel 552v
1. Nadat hij een voorstel als bedoeld
in artikel 552t heeft gedaan, kan de officier van justitie de
strafzaak tegen de verdachte niet ter terechtzitting aanhangig maken
noch overgaan tot tenuitvoerlegging van een in de zaak tegen de
verdachte gewezen vonnis, behoudens in geval van
a. afwijzing van het voorstel,
b. intrekking van het verzoek tot
strafvervolging aan de autoriteiten van de vreemde staat, of
c. kennisgeving door de
autoriteiten dat afwijzend op het verzoek is beslist dan wel een
naar aanleiding van het verzoek ingestelde strafvervolging is
gestaakt.
2. In dat geval trekt de officier van
justitie een kennisgeving als bedoeld in artikel 552t, tweede lid,
in. Van de intrekking doet hij mededeling aan de verdachte.
Artikel 552w
De Minister van Justitie geeft de
officier van justitie, die een voorstel als bedoeld in artikel 552t
heeft gedaan, schriftelijk kennis van de beslissing die hij terzake
heeft genomen alsmede van door hem ontvangen mededelingen omtrent
beslissingen van de autoriteiten van de vreemde staat naar aanleiding
van het verzoek tot strafvervolging dat op voorstel van de officier
van justitie is gedaan.
§ 1a. Overdracht van strafvervolging
door de officier van justitie
Artikel 552wa
Voor zover het toepasselijke verdrag
uitdrukkelijk voorziet in de rechtstreekse toezending door justitiële
autoriteiten van verzoeken tot strafvervolging, is de officier van
justitie bevoegd, indien hij het in het belang van een goede
rechtsbedeling gewenst acht dat een vreemde staat een strafvervolging
instelt tegen een verdachte ter zake van een strafbaar feit met de
opsporing waarvan hij is belast, aan buitenlandse justitiële
autoriteiten verzoeken tot strafvervolging te doen. De artikelen 552t,
tweede tot en met zevende lid, 552u, derde lid, en 552v zijn van
overeenkomstige toepassing.
§ 2. Overname van strafvervolging door
Onze Minister van Justitie
Artikel 552x
De officier van justitie die
rechtstreeks van een buitenlandse autoriteit een verzoek ontvangt tot
het instellen van een strafvervolging, brengt, voor zover het
toepasselijke verdrag niet reeds uitdrukkelijk in die wijze van
toezending voorziet, dat verzoek met de daarbij gevoegde stukken,
onder overlegging van zijn advies, ter kennis van de Minister van
Justitie.
Artikel 552y
1. De Minister van Justitie wijst een
verzoek van een buitenlandse autoriteit tot het instellen van een
strafvervolging aanstonds af, indien onmiddellijk kan worden
vastgesteld dat
a. het betrekking heeft op een
vreemdeling, die zijn vaste woon- of verblijfplaats buiten
Nederland heeft;
b. het feit waarvoor de
strafvervolging wordt verzocht
1°. naar Nederlands recht
niet strafbaar is;
2°. van politieke aard is of
met een strafbaar feit van politieke aard samenhangt;
3°. een militair delict is;
c. het recht tot strafvordering
wegens het feit waarvoor de strafvervolging wordt verzocht naar
Nederlands recht of dat van de staat waarvan het verzoek is
uitgegaan door verjaring is vervallen;
d. het verzoek tot
strafvervolging dient om degene op wie het betrekking heeft te
treffen in verband met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke
of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de
groep van de bevolking waartoe hij behoort;
e. strafvervolging in Nederland
in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 68 van het
Wetboek van Strafrecht.
2. De in het eerste lid, aanhef en
onder a, bedoelde voorwaarde is niet van toepassing indien het
verzoek strekt tot strafvordering ter zake van ontneming van
wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in Titel IIIb van
Boek IV.
Artikel 552z
1. Buiten het in het vorige artikel
bedoelde geval zendt de Minister van Justitie het verzoek tot
strafvervolging met de daarbij gevoegde stukken aan de officier van
justitie bij de rechtbank van het arrondissement waar degene op wie
het verzoek betrekking heeft zijn vaste woon- of verblijfplaats
heeft. Deze toezending blijft achterwege, indien die officier van
justitie reeds overeenkomstig het bepaalde in artikel 552x zijn
advies aan de Minister van Justitie heeft uitgebracht.
2. In geval van een verzoek als
bedoeld in artikel 552y, tweede lid, dat betrekking heeft op een
vreemdeling die zijn vaste woon- of verblijfplaats buiten Nederland
heeft, zendt de Minister het verzoek met de daarbij gevoegde stukken
aan de officier van justitie van het arrondissement waarbinnen
voorwerpen aanwezig zijn waarop de maatregel van ontneming van
wederrechtelijk verkregen voordeel ten uitvoer kan worden gelegd.
Artikel 552aa
1. De officier van justitie aan wie
het verzoek tot strafvervolging overeenkomstig het bepaalde in het
vorige artikel is toegezonden brengt zijn advies terzake ter kennis
van de Minister van Justitie.
2. Degene op wie het verzoek
betrekking heeft wordt daaromtrent door de officier van justitie
gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen, indien het verzoek
op een verdrag is gegrond en de bevoegdheid tot strafvervolging voor
Nederland uit dat verdrag volgt. Artikel 273, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 552bb
1. Zo spoedig mogelijk na de
ontvangst van het advies van de officier van justitie neemt de
Minister van Justitie een beslissing, waarbij het verzoek tot
strafvervolging wordt ingewilligd dan wel afgewezen.
2. De Minister wijst een verzoek in
elk geval af, indien een van de in artikel 552y genoemde gronden
blijkt te bestaan.
3. De Minister wijst voorts een niet
op een verdrag gegrond verzoek af, indien tegen degene op wie het
betrekking heeft naar het oordeel van het openbaar ministerie in
Nederland geen strafvervolging kan plaats hebben wegens het ten
laste gelegde feit.
4. Is het verzoek op een verdrag
gegrond, dan neemt de Minister de daarin genoemde gronden voor
afwijzing van een verzoek tot strafvervolging in acht.
Artikel 552cc
Alvorens zijn beslissing omtrent het
verzoek tot strafvervolging te nemen, kan de Minister van Justitie de
autoriteiten van de staat waarvan het verzoek is uitgegaan uitnodigen
binnen een door hem te stellen termijn nadere inlichtingen te
verschaffen, indien daaraan met het oog op de beslissing omtrent het
verzoek behoefte bestaat.
Artikel 552dd
1. Zolang het onderzoek op de
terechtzitting nog niet is aangevangen, kan de Minister van Justitie
de inwilliging van een verzoek tot strafvervolging intrekken, indien
uit het vooronderzoek of anderszins blijkt van omstandigheden die,
waren zij bekend geweest ten tijde van de beslissing op het verzoek,
tot afwijzing daarvan zouden hebben geleid.
2. De inwilliging van een verzoek tot
strafvervolging kan eveneens worden ingetrokken, indien de straf
waartoe de verdachte is veroordeeld niet ten uitvoer kan worden
gelegd.
Artikel 552ee
1. De Minister van Justitie geeft van
zijn beslissing op het verzoek tot strafvervolging kennis aan de
officier van justitie en de autoriteiten van de staat waarvan het
verzoek is uitgegaan.
2. Hij stelt die autoriteiten ook in
kennis van de uitkomst van de strafvervolging die naar aanleiding
van het verzoek is ingesteld.
Artikel 552ff
Een persoon te wiens aanzien in
Nederland geen bevoegdheid tot strafvervolging bestaat, kan niettemin
worden aangehouden, voor zover een verdrag zulks toestaat. De
artikelen 52-93 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 552gg
1. De stukken betreffende
ambtshandelingen terzake van opsporing en vervolging, die de
autoriteiten van de staat waarvan het verzoek tot strafvervolging is
uitgegaan naar aanleiding van hun verzoek overleggen, hebben de
bewijskracht die toekomt aan stukken betreffende overeenkomstige
door Nederlandse ambtenaren verrichte handelingen, met dien
verstande dat hun bewijskracht niet uitgaat boven die welke zij in
de vreemde staat hebben.
2. In geval van inwilliging van een
verzoek als bedoeld in het tweede lid van artikel 552y, kan een
strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld,
overeenkomstig het bepaalde in de negende afdeling van Titel IV van
Boek I.
Artikel 552hh
1. Een verzoek tot uitlevering van
een zich hier te lande bevindende persoon, die wordt verdacht van of
is veroordeeld wegens een strafbaar feit, bedoeld in een van de in
het tweede lid genoemde bepalingen van Verdragen, wordt, indien dat
verzoek afkomstig is van een Staat die gebonden is aan de bepalingen
van het desbetreffende Verdrag en indien de uitlevering bij
rechterlijke uitspraak ontoelaatbaar is verklaard of het verzoek bij
ministeriële beschikking wordt afgewezen, beschouwd als een
ingewilligd verzoek tot strafvervolging.
2. Het eerste lid heeft betrekking op
strafbare feiten, bedoeld in:
– artikel 1 van het Europees
Verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb. 1977, 63);
– de artikelen 5, 6, 7 en 9 van
het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006,
34).
3. Op een verzoek als bedoeld in de
laatste zinsnede van het eerste lid is het bepaalde in artikel 552y,
eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing.
4. Voorts is het bepaalde in artikel
552y, eerste lid, aanhef en onder b, 2e, niet van toepassing op
verzoeken gegrond op het Europees Verdrag tot bestrijding van
terrorisme en op de Overeenkomst betreffende de toepassing van dat
Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen (Trb.
1980, 14).
§ 2a. Overname van strafvervolging
door de officier van justitie
Artikel 552ii
1. Voor zover het toepasselijke
verdrag uitdrukkelijk voorziet in rechtstreekse toezending van
verzoeken tot overname van de strafvervolging door justitiële
autoriteiten, is de officier van justitie bevoegd zelfstandig op een
verzoek om overname van de strafvervolging van een buitenlandse
justitiële autoriteit te beslissen. De artikelen 552y, 552aa,
tweede lid, 552bb, tweede en vierde lid, en 552cc tot en met 552gg
zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Voor zover het toepasselijke
verdrag uitdrukkelijk voorziet in rechtstreekse toezending van
verzoeken tot overname van de strafvervolging door justitiële
autoriteiten, wordt het verzoek, zo het is gericht tot een andere
officier van justitie dan bedoeld in het eerste of tweede lid van
artikel 552z, onverwijld aan die officier van justitie doorgezonden.
§ 2b. Overname van strafvervolging van
een internationaal gerecht [Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip]
Artikel 552iia [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
1. Onze Minister van Veiligheid en
Justitie beslist over een van een internationaal gerecht afkomstig
verzoek tot het instellen van een strafvervolging.
2. De officier van justitie die
rechtstreeks van een internationaal gerecht een verzoek ontvangt tot
het instellen van een strafvervolging, zendt dat verzoek met de
daarbij gevoegde stukken aan Onze Minister van Veiligheid en
Justitie.
Artikel 552iib [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
Alvorens zijn beslissing omtrent het
verzoek tot strafvervolging te nemen, kan Onze Minister van Veiligheid
en Justitie het internationaal gerecht waarvan het verzoek is
uitgegaan in de gelegenheid stellen tot het verschaffen van nadere
inlichtingen binnen een door hem te stellen termijn.
Artikel 552iic [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
Tenzij Onze Minister van Veiligheid en
Justitie reeds aanstonds van oordeel is dat het verzoek tot
strafvervolging niet voor inwilliging in aanmerking komt, zendt hij
het verzoek met de daarbij gevoegde stukken voor advies aan de
officier van justitie bij het landelijk parket.
Artikel 552iid [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
1. Zo spoedig mogelijk na de
ontvangst van het advies van de officier van justitie neemt Onze
Minister van Veiligheid en Justitie een beslissing, waarbij het
verzoek tot het instellen van een strafvervolging wordt ingewilligd
dan wel afgewezen.
2. Hij geeft van zijn beslissing
kennis aan het internationaal gerecht waarvan het verzoek is
uitgegaan en aan de officier van justitie.
3. Hij stelt het internationaal
gerecht ook in kennis van de uitkomst van de strafvervolging die
naar aanleiding van het verzoek is ingesteld.
Artikel 552iie [Treedt in werking op
een nader te bepalen tijdstip]
De artikelen 552dd en 552gg, eerste
lid, zijn van overeenkomstige toepassing bij de overname van
strafvervolging van een internationaal gerecht.
Titel XI. Wederzijdse erkenning en
tenuitvoerlegging van strafvorderlijke bevelen
Eerste afdeling. Erkenning en
tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvorderlijke bevelen
Artikel 552jj
1. Bevelen als bedoeld in het tweede
lid, uitgevaardigd door een bevoegde justitiële autoriteit van een
andere lidstaat van de Europese Unie, kunnen in Nederland worden
erkend en ten uitvoer gelegd.
2. Vatbaar voor erkenning en
tenuitvoerlegging zijn bevelen tot inbeslagneming van voorwerpen die
zich op Nederlands grondgebied bevinden en naar het recht van de
uitvaardigende lidstaat:
a. kunnen dienen om de waarheid
aan de dag te brengen of wederrechtelijk verkregen voordeel aan
te tonen;
b. kunnen worden verbeurd
verklaard of onttrokken aan het verkeer;
c. kunnen dienen tot bewaring van
het recht tot verhaal voor een tot ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel strekkende sanctie.
Artikel 552kk
1. Een bevel afkomstig van de
autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat gaat vergezeld van een
bijbehorend ingevuld certificaat dat is opgesteld overeenkomstig het
daartoe bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde model.
2. Het bevel gaat voorts vergezeld
van een rechtshulpverzoek strekkende tot:
a. afgifte van het voorwerp
waarop het bevel tot inbeslagneming betrekking heeft aan de
autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, voorzover de
inbeslagneming is bevolen met het oog op waarheidsvinding;
b. verbeurdverklaring of
onttrekking aan het verkeer van het voorwerp waarop het bevel
tot inbeslagneming betrekking heeft;
c. ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel in verband waarmee het bevel tot
inbeslagneming is uitgevaardigd.
3. In afwijking van het tweede lid,
kunnen de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in het
certificaat aangeven dat de in beslag genomen voorwerpen in
Nederland in bewaring zullen blijven in afwachting van een verzoek
als bedoeld in het tweede lid, onder vermelding van het tijdstip
waarop naar verwachting het verzoek zal worden ingediend.
4. Indien het certificaat niet is
overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet in overeenstemming is
met het bevel, stelt de officier van justitie de autoriteiten van de
uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid binnen een door hem te
stellen redelijke termijn het certificaat alsnog te overleggen, aan
te vullen of te verbeteren. De officier van justitie kan bepalen dat
het certificaat wordt vervangen door een gelijkwaardig document.
Indien de voor de tenuitvoerlegging van het bevel noodzakelijke
informatie op andere wijze is verkregen, kan de officier van
justitie bepalen dat het certificaat niet meer behoeft te worden
overgelegd.
5. Het bevel en de daarbij behorende
documenten worden, zo deze niet aan een officier van justitie zijn
gezonden, door de geadresseerde onverwijld doorgezonden aan de
officier van justitie. De geadresseerde stelt de bevoegde
autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in kennis van de
doorzending.
Artikel 552ll
1. Een voor erkenning en
tenuitvoerlegging vatbaar bevel wordt door de officier van justitie
erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig het bepaalde in artikel
552nn.
2. De officier van justitie kan de
tenuitvoerlegging slechts weigeren indien:
a. na verloop van de termijn,
bedoeld in artikel 552kk, vierde lid, het certificaat niet is
overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet in overeenstemming
is met het bevel;
b. de erkenning en
tenuitvoerlegging van het bevel onverenigbaar is met een
krachtens Nederlands recht geldend voorrecht of immuniteit;
c. de inwilliging van een verzoek
als bedoeld in artikel 552kk, tweede lid, zou strekken tot het
verlenen van medewerking aan een vervolging of berechting welke
onverenigbaar is met het aan artikel 68 van het Wetboek van
Strafrecht en artikel 255, eerste lid, van dit wetboek ten
grondslag liggende beginsel;
d. het bevel is gegeven ten
behoeve van een onderzoek, ingesteld met betrekking tot een feit
dat, indien het in Nederland was begaan, naar Nederlands recht
niet strafbaar zou zijn;
e. aanstonds blijkt dat aan een
verzoek als bedoeld in artikel 552kk, tweede lid, geen gevolg
kan worden gegeven.
3. De tenuitvoerlegging van een bevel
wordt niet geweigerd op grond van het tweede lid, onderdeel d,
indien het feit dat ten grondslag ligt aan het bevel, is vermeld op
of valt onder de daartoe bij algemene maatregel van bestuur
vastgestelde lijst met feiten en soorten van feiten en dat feit naar
het recht van de uitvaardigende lidstaat wordt bedreigd met een
maximale vrijheidsstraf van ten minste drie jaren.
4. De officier van justitie beslist
onverwijld en zo mogelijk binnen 24 uur na ontvangst van het bevel,
over de erkenning en tenuitvoerlegging ervan. Hij stelt de
autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat onverwijld van zijn
beslissing in kennis. De kennisgeving geschiedt in ieder geval
schriftelijk en met redenen omkleed, indien de officier van justitie
op grond van het tweede lid de tenuitvoerlegging van het bevel
weigert.
Artikel 552mm
1. De officier van justitie kan de
tenuitvoerlegging van het bevel opschorten, indien:
a. het belang van een lopend
strafrechtelijk onderzoek zich verzet tegen de tenuitvoerlegging
van het bevel;
b. in het kader van een
strafrechtelijk onderzoek reeds een beslissing is genomen tot
inbeslagneming van het voorwerp waarop het bevel betrekking
heeft;
c. het een bevel als bedoeld
inartikel 552jj, tweede lid, onderdeel b of c betreft en in een
ander kader dan bedoeld in onderdeel b reeds een beslissing is
genomen tot inbeslagneming van het voorwerp waarop het bevel
betrekking heeft en deze beslissing naar Nederlands recht
voorrang heeft boven inbeslagneming in het kader van een
strafrechtelijk onderzoek.
2. Indien de officier van justitie de
tenuitvoerlegging opschort, geeft hij hiervan onverwijld
schriftelijk kennis aan de autoriteiten van de uitvaardigende
lidstaat, onder vermelding van de gronden en zo mogelijk van de
verwachte duur van de opschorting.
3. Zodra de gronden voor opschorting
zijn vervallen, wordt de beslissing alsnog ten uitvoer gelegd. De
autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat worden hiervan
onverwijld schriftelijk in kennis gesteld.
4. De officier van justitie stelt de
autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in kennis van alle
beperkende maatregelen die zijn getroffen ten aanzien van het in
beslag te nemen voorwerp.
Artikel 552nn
1. De tenuitvoerlegging van het bevel
tot inbeslagneming geschiedt in opdracht van de officier van
justitie of de rechter-commissaris met overeenkomstige toepassing
van de derde afdeling van titel IV van het Eerste Boek, tenzij in
deze titel anders is bepaald.
2. De officier van justitie neemt bij
de tenuitvoerlegging van het bevel zo veel mogelijk de door de
autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in het bevel aangegeven
vormvereisten in acht, zulks voorzover niet strijdig met de
grondbeginselen van het Nederlandse recht.
3. Indien de autoriteiten van de
uitvaardigende lidstaat de plaats waar het in beslag te nemen
voorwerp zich bevindt onvoldoende nauwkeurig hebben aangegeven,
verzoekt de officier van justitie deze autoriteiten om aanvullende
inlichtingen.
4. Indien voor de uitvoering van het
bevel gebruikmaking van andere strafvorderlijke bevoegdheden is
vereist, kunnen deze bevoegdheden niet worden toegepast anders dan
overeenkomstig artikel 552o van dit wetboek onderscheidenlijk
artikel 13a van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen.
5. Artikel 117, eerste tot en met
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de machtiging, bedoeld in het eerste lid, niet wordt verleend
dan na overleg met de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat.
6. De officier van justitie zendt de
autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat onverwijld een
schriftelijke kennisgeving, indien:
a. het bevel ten uitvoer is
gelegd;
b. voor tenuitvoerlegging van het
bevel gebruikmaking van andere strafvorderlijke bevoegdheden is
vereist;
c. het bevel niet ten uitvoer kan
worden gelegd omdat het in beslag te nemen voorwerp is
vernietigd of niet wordt aangetroffen op de door de autoriteiten
van de uitvaardigende lidstaat aangegeven plaats, dan wel de
plaats waar het in beslag te nemen voorwerp zich bevindt,
ondanks de inlichtingen, bedoeld in het derde lid, door de
autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat onvoldoende
nauwkeurig is aangegeven.
Artikel 552oo
1. De artikelen 552a, 552c tot en met
552d, eerste lid en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de rechter niet treedt in een
onderzoek naar de grondslag van het bevel.
2. Indien een klaagschrift is
ingediend of een rechtsgeding aanhangig is gemaakt, stelt de
officier van justitie de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat
hiervan onverwijld in kennis, onder vermelding van de gronden van
het klaagschrift onderscheidenlijk het rechtsgeding. Zodra de
rechter op het klaagschrift onderscheidenlijk het rechtsgeding heeft
beslist, worden de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat van
de beslissing in kennis gesteld.
Artikel 552pp
1. Het beslag duurt ten minste voort
totdat een beslissing is genomen op het verzoek, bedoeld in artikel
552kk, tweede lid, en deze beslissing is uitgevoerd, tenzij
a. het beslag reeds is beëindigd
als gevolg van een door de rechter gegeven last;
b. de autoriteiten van de
uitvaardigende lidstaat hebben aangegeven het bevel in te
trekken.
2. In het geval van het eerste lid,
onderdeel b, gelast de officier van justitie onverwijld de teruggave
van het in beslag genomen voorwerp.
3. Na overleg met de autoriteiten van
de uitvaardigende lidstaat, kan de officier van justitie voorwaarden
stellen teneinde de duur van het beslag te beperken. Alvorens hij
het beslag overeenkomstig de gestelde voorwaarden beëindigt, stelt
hij de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid
over dit voornemen opmerkingen te maken.
Artikel 552qq
1. De officier van justitie willigt
een verzoek als bedoeld in artikel 552kk, tweede lid, onderdeel a,
in, voorzover de rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke
verdrag, daartoe verlof verleent. Artikel 552ll, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Tenzij aannemelijk is dat de
rechthebbende op de in beslag genomen voorwerpen niet in Nederland
verblijf houdt, wordt het krachtens het eerste lid vereiste verlof
slechts verleend onder het voorbehoud dat bij de afgifte aan de
autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat wordt bedongen, dat de
voorwerpen zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de
strafvordering nodige gebruik is gemaakt.
3. De artikelen 552a, 552ca, 552d,
eerste lid en552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat het klaagschrift wordt ingediend bij de
griffie van de rechtbank die bevoegd is tot het verlenen van het
krachtens het eerste lid vereiste verlof.
Tweede afdeling. Erkenning en
tenuitvoerlegging van Nederlandse strafvorderlijke bevelen
Artikel 552rr
De officier van justitie kan een bevel
uitvaardigen strekkende tot inbeslagneming als bedoeld in artikel 94,
eerste of tweede lid, ofartikel 94a, tweede lid, van voorwerpen welke
zich bevinden op het grondgebied van een andere lidstaat van de
Europese Unie, en dit bevel zenden aan de autoriteiten van die andere
lidstaat met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging ervan in die
lidstaat.
Artikel 552ss
1. Met het bevel wordt meegezonden
een ingevuld certificaat dat is opgesteld overeenkomstig het daartoe
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde model.
2. De officier van justitie kan in
het bevel vormvereisten opnemen welke de autoriteiten van de
uitvoerende lidstaat bij de tenuitvoerlegging zo veel mogelijk in
acht nemen.
3. Het bevel en het certificaat gaan
vergezeld van een rechtshulpverzoek strekkende tot:
a. afgifte van het voorwerp
waarop het bevel tot inbeslagneming betrekking heeft aan de
Nederlandse autoriteiten, voorzover de inbeslagneming is bevolen
met het oog op de waarheidsvinding;
b. verbeurdverklaring of
onttrekking aan het verkeer van het voorwerp waarop het bevel
tot inbeslagneming betrekking heeft; of
c. ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel in verband waarmee het bevel tot
inbeslagneming is uitgevaardigd.
4. Indien het indienen van een
verzoek als bedoeld in het derde lid nog niet mogelijk is, verzoekt
de officier van justitie de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat
de in beslag te nemen voorwerpen in bewaring te houden totdat het
verzoek is ingediend en hierop is beslist, onder vermelding van het
tijdstip waarop naar verwachting het verzoek zal worden ingediend.
Artikel 552tt
1. De officier van justitie zendt het
bevel en het certificaat rechtstreeks aan de autoriteiten van de
uitvoerende lidstaat die bevoegd zijn het bevel te erkennen en ten
uitvoer te leggen.
2. Indien niet bekend is welke
autoriteiten in de uitvoerende lidstaat bevoegd zijn tot erkenning
en tenuitvoerlegging van het bevel, verzoekt de officier van
justitie hieromtrent om inlichtingen.
3. De toezending kan plaatsvinden per
gewone post, telefax of elektronische post, mits de echtheid van het
toegezonden bevel en het certificaat door de autoriteiten van de
uitvoerende lidstaat kan worden vastgesteld.
Artikel 552uu
1. De belanghebbenden kunnen zich
schriftelijk beklagen over het uitvaardigen van het bevel. De
artikelen 552a en 552dzijn van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat het klaagschrift wordt ingediend bij de griffie van de
rechtbank in het arrondissement, binnen hetwelk de officier van
justitie het bevel heeft uitgevaardigd.
2. Indien de rechter het beklag
gegrond acht, trekt de officier van justitie het bevel onmiddellijk
in en stelt deze de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat hiervan
onverwijld in kennis.
3. Indien in de uitvoerende lidstaat
een belanghebbende zich beklaagt over de erkenning en de
tenuitvoerlegging van het bevel en de officier van justitie hiervan
door de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat in kennis wordt
gesteld, kan hij deze autoriteiten de nodige inlichtingen omtrent
het bevel verschaffen.
Artikel 552vv
De officier van justitie kan het bevel
te allen tijde intrekken. Indien hij een bevel intrekt, stelt hij de
autoriteiten van de uitvoerende lidstaat hiervan onverwijld in kennis.
Vijfde Boek. Tenuitvoerlegging en
kosten
Titel I. Tenuitvoerlegging
Eerste afdeeling. Algemeene bepalingen
Artikel 553
De tenuitvoerlegging van rechterlijke
beslissingen geschiedt door het openbaar ministerie dan wel op
voordracht van deze door Onze Minister.
Artikel 554
1. De griffier verstrekt uit eigen
beweging kosteloos een afschrift van het vonnis of arrest aan de
benadeelde partij die zich in het geding over de strafzaak heeft
gevoegd. De benadeelde partij doet zelf het vonnis of arrest, voor
zover dit haar vordering aangaat, ten uitvoer leggen op de wijze
bepaald voor vonnissen in burgerlijke zaken. Indien het een
mondeling vonnis geldt, geschiedt de tenuitvoerlegging uit kracht
van een mededeling van de griffier, houdende afschrift van de
aantekening van het vonnis, vermeldende de benadeelde partij, degene
tegen wie en de rechter door wie het vonnis is gewezen, met aan het
hoofd de woorden: "In naam des Konings".
2. Het bepaalde in het eerste lid is
van overeenkomstige toepassing indien de rechter de
schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het
Wetboek van Strafrecht heeft opgelegd en er bij gebreke aan
voldoening van het verschuldigde bedrag hechtenis is toegepast.
Artikel 555
Indien bij dit wetboek eenige
beteekening, dagvaarding, oproeping, kennisgeving, aanzegging of
andere mededeeling is voorgeschreven, geschiedt deze, indien niet
anders is bepaald, op last van het openbaar ministerie dat de zaak
opspoort, vervolgt of het laatst vervolgd heeft.
Artikel 556
1. Het openbaar ministerie kan voor
de tenuitvoerlegging van rechterlijke of eigen beslissingen de
nodige bijzondere of algemene last geven aan de gerechtsdeurwaarders
en aan de ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, de militairen van de Koninklijke marechaussee, dan wel
andere ambtenaren of functionarissen, voor zover zij door Onze
Minister van Justitie daartoe zijn aangewezen, alsmede voor de
tenuitvoerlegging aan boord van een Nederlands schip of
zeevissersvaartuig dan wel op een overeenkomstig artikel 136a,
tweede lid, aangewezen installatie aan de schipper, een en ander
voorzover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten.
Voor de tenuitvoerlegging van bevelen tot inbeslagneming van
aandelen en effecten op naam en tot inbeslagneming en teruggave van
onroerende registergoederen wordt de bijzondere last tot de
gerechtsdeurwaarder gericht.
2. Het openbaar ministerie roept voor
die tenuitvoerlegging zoo noodig de tusschenkomst in van het
openbaar ministerie in andere rechtsgebieden, dat dan gelijken last
kan geven, als in het voorgaande lid bedoeld.
3. Artikel 146, tweede en derde lid,
is ten aanzien van alle ambtenaren door of op wier last de
tenuitvoerlegging geschiedt, van toepassing.
Tweede afdeeling. Uitvoerbaarheid van
beslissingen
Artikel 557
1. Voor zoover niet anders is
bepaald, mag geen beslissing worden ten uitvoer gelegd, zoolang
daartegen nog eenig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zoo dit is
aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist.
2. Is een mededeling als bedoeld in
artikel 366 voorgeschreven, dan kan de tenuitvoerlegging van het
vonnis of arrest geschieden na de betekening van die mededeling. Bij
vonnissen of arresten bij verstek gewezen, waarbij zodanige
mededeling niet behoeft te geschieden, kan de tenuitvoerlegging
geschieden na de uitspraak. Door hoger beroep of beroep in cassatie
wordt de tenuitvoerlegging geschorst of opgeschort.
3. De laatste volzin van het tweede
lid geldt niet:
1°. voor bevelen bij het vonnis
of arrest verleend, die dadelijk uitvoerbaar zijn;
2°. indien naar het oordeel van
het openbaar ministerie vaststaat dat het rechtsmiddel na het
verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is aangewend,
tenzij op verzoek van degene die het middel aanwendde, en na
zijn verhoor, indien hij dit bij het verzoek heeft gevraagd, de
voorzieningenrechter van het gerechtshof of de rechtbank anders
bepaalt.
4. Een uitspraak op de vordering van
het openbaar ministerie, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek
van Strafrecht, kan eerst worden tenuitvoergelegd nadat de
veroordeling, als bedoeld in artikel 36e, eerste onderscheidenlijk
derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, in kracht van gewijsde is
gegaan.
Artikel 558
1. Terzake van alle door de
Nederlandse strafrechter onherroepelijk opgelegde hoofdstraffen en
bijkomende straffen kan gratie worden verzocht en verleend, met dien
verstande dat geen gratie wordt verleend van onvoorwaardelijke
geldboeten tot en met een bedrag van € 340.
2. Gratie kan voorts worden verzocht
en verleend terzake van:
a. straffen krachtens een
rechterlijke beslissing in een vreemde staat opgelegd, en in
Nederland ten uitvoer te leggen met toepassing van artikel 43
van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen of na
ongegrondverklaring van een bezwaarschrift ingediend krachtens
artikel 35 van die wet;
b. een gevangenisstraf die door
het Internationaal Strafhof is opgelegd wegens een misdrijf
gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof en waarvan de
tenuitvoerlegging in Nederland geschiedt overeenkomstig artikel
67 of 68 van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof;
c. sancties opgelegd in een
andere lidstaat van de Europese Unie en in Nederland ten uitvoer
te leggen met toepassing van de Wet wederzijdse erkenning en
tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties 2008.
3. Ter zake van door de Nederlandse
rechter onherroepelijk opgelegde maatregelen van
terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, plaatsing
in een inrichting voor stelselmatige daders, onttrekking aan het
verkeer en ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan
gratie worden verzocht en verleend.
Artikel 558a
1. Een verzoekschrift om gratie
schort de tenuitvoerlegging of ingang van de straf waarvan gratie
wordt verzocht en waarvan de tenuitvoerlegging nog niet is
aangevangen, op in de gevallen, waarin het verzoek betrekking heeft
op een onherroepelijk vonnis of arrest met een veroordeling tot:
a°. een vrijheidsstraf van zes
maanden of minder;
b°. een vrijheidsstraf van zes
maanden of minder die voorwaardelijk was opgelegd en waarvan
ingevolge artikel 14g of 77dd van het Wetboek van Strafrecht de
tenuitvoerlegging is bevolen;
c°. een geldboete;
d°. een taakstraf.
2. Een verzoekschrift om gratie
schort voorts de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel op in
de gevallen, waarin een jaar na het onherroepelijk worden van de
rechterlijke beslissing waarvan gratie wordt verzocht, de
tenuitvoerlegging, anders dan op verzoek van de veroordeelde, nog
niet is aangevangen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld omtrent het tijdstip van de aanvang van
de tenuitvoerlegging, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 559
Artikel 558a blijft buiten toepassing
indien:
a. de veroordeelde ongeoorloofd
afwezig is;
b. de veroordeelde rechtens zijn
vrijheid is ontnomen, hetzij uit hoofde van de rechterlijke
beslissing waarbij de vrijheidsstraf waarvan gratie wordt verzocht
werd opgelegd, hetzij uit anderen hoofde krachtens rechterlijke
beslissing in Nederland of in een vreemde staat;
c. het verzoekschrift om gratie
betrekking heeft op een of meer straffen of maatregelen ten
aanzien waarvan reeds eerder op een verzoekschrift om gratie is
beschikt;
d. het verzoekschrift wordt
ingediend op het tijdstip dat de veroordeelde tot een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel zich bevindt op het
grondgebied van een vreemde staat welke een Nederlands verzoek om
zijn uitlevering in behandeling heeft genomen of met het oog
daarop zijn voorlopige aanhouding heeft gelast;
e. het verzoek betrekking heeft op
straffen of maatregelen, waarvan de tenuitvoerlegging aan een
vreemde staat is overgedragen.
Artikel 559a
1. Onze Minister van Justitie doet
mededeling van het ingaan van de opschorting van de
tenuitvoerlegging die is verbonden aan het indienen van een
verzoekschrift aan het openbaar ministerie en de veroordeelde.
2. Wanneer een verzoekschrift om
gratie van een vrijheidsstraf, van de maatregel van
terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege of van de
maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
is ingediend, zonder dat de wet daaraan de opschorting van de
tenuitvoerlegging verbindt, kan Onze Minister van Justitie niettemin
bepalen dat de tenuitvoerlegging wordt opgeschort of geschorst
zolang op het verzoek niet is beschikt. Hij doet daarvan mededeling
aan het openbaar ministerie.
3. De opschorting of schorsing gaat
in, zodra het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van
de rechterlijke beslissing is belast, kennis heeft gekregen van de
mededeling, bedoeld in het eerste lid. De opschorting of schorsing
duurt totdat op het verzoekschrift is beslist.
4. Het openbaar ministerie draagt na
de mededeling, bedoeld in het eerste of tweede lid, zorg dat de
tenuitvoerlegging van de straf of maatregel waarvan gratie is
verzocht, wordt opgeschort of geschorst overeenkomstig de te dien
aanzien geldende wettelijke voorschriften.
Artikel 560
Een verzoekschrift om gratie dat van
een derde afkomstig is wordt buiten verdere behandeling gelaten,
indien blijkt dat degene aan wie de straf of maatregel is opgelegd,
niet met het verzoek instemt.
Artikel 560a
Verzoeken strekkende tot vermindering,
verandering of kwijtschelding van andere door de Nederlandse
strafrechter opgelegde maatregelen dan genoemd in artikel 558, derde
lid, worden in handen gesteld van de autoriteit, die wettelijk bevoegd
is de tenuitvoerlegging van die maatregelen te beëindigen of de
daarbij opgelegde verplichtingen te wijzigen of te niet te doen, ten
einde daarop te beslissen.
Artikel 560b
Indien gunstig wordt beschikt op een
verzoekschrift om gratie terzake van een straf of maatregel, waarvan
de tenuitvoerlegging reeds is aangevangen of voltooid, wordt het
bedrag van de betaalde geldboete of van het reeds betaalde gedeelte
van het door de rechter vastgestelde bedrag van het wederrechtelijk
verkregen voordeel teruggegeven.
Voorwerpen die verbeurd zijn verklaard
of aan het verkeer zijn onttrokken, worden na een gunstige beslissing
op een verzoekschrift om gratie van die straf of maatregel door de
bewaarder teruggegeven. Artikel 119, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 561
1. Voor zover de tenuitvoerlegging is
toegelaten, wordt de strafbeschikking of het vonnis of arrest zodra
mogelijk ten uitvoer gelegd.
2. Bestaat de straf uit geldboete of
een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van
Strafrecht, dan bepaalt het openbaar ministerie dat met de
tenuitvoerlegging is belast, de dag of - in geval van toepassing van
artikel 24a van het Wetboek van Strafrecht - de dagen waarop de
betaling uiterlijk moet geschieden. Het ziet erop toe dat de
veroordeelde hierover tijdig wordt ingelicht. De verdachte behoeft
niet nader te worden ingelicht indien in de strafbeschikking is
vermeld op welke dag of dagen de betaling uiterlijk moet geschieden.
3. Het openbaar ministerie kan
uitstel van betaling verlenen of betaling in termijnen toestaan.
Indien artikel 24a van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, kan
het openbaar ministerie op verzoek van de veroordeelde schriftelijk
een voor hem gunstiger regeling van de betaling toestaan.
Artikel 561a [Vervallen per 16-10-1964]
Artikel 562
1. Indien vóór de tenuitvoerlegging
van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, houdende
veroordeling tot vrijheidsstraf, de veroordeelde is gaan lijden aan
een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, kan het gerecht dat
het vonnis of arrest heeft uitgesproken, de opschorting der
tenuitvoerlegging bevelen.
2. De opschorting wordt bevolen,
hetzij op de vordering van het openbaar ministerie, hetzij op het
verzoekschrift van den raadsman van den veroordeelde. Ten aanzien
van den raadsman gelden de bepalingen van den Derden Titel van het
Eerste Boek.
3. Na het herstel wordt het bevel tot
opschorting door hetzelfde gerecht, op vordering van het openbaar
ministerie, ingetrokken.
Artikel 563
1. Indien, ondanks de ziekelijke
stoornis van de geestvermogens van den veroordeelde, de
tenuitvoerlegging van een andere dan bij het voorgaand artikel
bedoelde straf mogelijk is, wordt de curator op de gewone wijze tot
voldoening aan het vonnis of arrest uitgenoodigd. Zoo de
veroordeelde nog geen curator heeft, wordt deze zoo noodig te dien
einde benoemd op de vordering van het openbaar ministerie op welks
last de tenuitvoerlegging moet plaats hebben.
2. Ten aanzien van de vervangende
straf is het voorgaand artikel van toepassing.
Derde afdeeling. Tenuitvoerlegging van
strafbeschikkingen, bevelen tot vrijheidsbeneming en veroordeelende
vonnissen of arresten
Artikel 564
1. De last tot tenuitvoerlegging van
een bevel tot vrijheidsbeneming of veroordeelend vonnis of arrest
behelst eene zoo nauwkeurig mogelijke aanduiding van den te vatten
persoon, eene opgave van de beslissing of het bevel waarop de
aanhouding steunt, en eene vermelding van de plaats waarheen de
aangehoudene moet worden overgebracht, of van den rechter of
ambtenaar voor wien hij moet worden geleid.
2. Indien de last zulks uitdrukkelijk
bepaalt, kan de te vatten persoon, voorzover het volkenrecht en het
interregionale recht dit toelaten, buiten het rechtsgebied van een
rechtbank worden aangehouden.
3. Het bepaalde in het voorgaande lid
geldt niet, wanneer de last betrekking heeft op een bevel tot
medebrenging van een verdachte, getuige, deskundige of tolk.
4. Hij die overeenkomstig de last een
persoon heeft aangehouden, geleidt deze onverwijld naar de plaats of
voor de rechter of ambtenaar, in de last vermeld.
5. Geschiedt de aanhouding buiten het
rechtsgebied van een rechtbank, dan zijn de artikelen 539b, tweede,
derde en vierde lid, 539n en 539o van overeenkomstige toepassing.
6. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent
het geven van een last als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 564a
Indien de aanhouding is verricht buiten
het rechtsgebied van een rechtbank en de aangehoudene beweert niet te
zijn de persoon tegen wie de last is gericht, dan geeft hij, die de
aanhouding heeft verricht, onverwijld en op de snelst mogelijke wijze
van die bewering van de aangehoudene kennis aan het openbaar
ministerie dat de last heeft gegeven.
Artikel 565
1. De met de tenuitvoerlegging
belaste ambtenaar kan ter aanhouding van de te vatten persoon elke
plaats betreden en doorzoeken.
2. Met het oog op de vaststelling van
de verblijfplaats van de aan te houden persoon kan de officier van
justitie, of, indien de artikelen de hulpofficier of de
opsporingsambtenaar als bevoegd aanwijzen, deze ambtenaar, de in de
artikelen 96 tot en met 102a, 125i tot en met 125m,126g, 126k tot en
met 126ni en 126ui bedoelde bevoegdheden toepassen, met dien
verstande dat:
a. een bevoegdheid slechts met
het oog op de vaststelling van de aan te houden persoon wordt
toegepast in geval de aan te houden persoon wordt vervolgd of is
veroordeeld tot een vrijheidsstraf dan wel hem een
vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd voor een misdrijf van
dezelfde ernst als waarvoor de bevoegdheid in gevolge het
desbetreffende artikel mag worden toegepast;
b. een bevoegdheid die in gevolge
het desbetreffende artikel alleen na een machtiging door de
rechter-commissaris kan worden toegepast, met het oog op de
vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon
eveneens slechts na schriftelijke machtiging, op vordering van
de officier van justitie te verlenen door de
rechter-commissaris, wordt toegepast;
c. indien voor de toepassing van
een bevoegdheid in gevolge het desbetreffende artikel een bevel
of vordering is vereist, in geval van toepassing met het oog op
de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden
persoon het bevel of de vordering, voor zover relevant de
gegevens bevat die daarin volgens de desbetreffende
wetsartikelen moeten zijn opgenomen.
Artikel 566
1. De opneming van een persoon tegen
wien een bevel tot vrijheidsbeneming of veroordeelend vonnis of
arrest wordt ten uitvoer gelegd, in de daartoe bestemde gevangenis
of inrichting, geschiedt hetzij op vertoon van het bevel tot
voorloopige hechtenis of inverzekeringstelling, of wel van het
veroordeelend vonnis of arrest of een uittreksel daarvan, hetzij op
vertoon van den last tot tenuitvoerlegging van het openbaar
ministerie.
2. In het laatste geval doet de
ambtenaar, die den last heeft gegeven, het bevel tot voorloopige
hechtenis of inverzekeringstelling of, ingeval van tenuitvoerlegging
van vrijheidsstraf, het veroordeelend vonnis of arrest of een
uittreksel daarvan ten spoedigste toekomen aan het hoofd van het
gesticht.
3. In geval van tenuitvoerlegging van
een vrijheidsstraf, opgelegd bij een mondeling vonnis, geschiedt de
in het eerste lid van dit artikel bedoelde opneming op vertoon van:
a. hetzij het proces-verbaal der
terechtzitting, dan wel een afschrift daarvan of uittreksel
daaruit;
b. hetzij het aan het dubbel van
de dagvaarding of de oproeping gehechte stuk, dan wel een
afschrift daarvan, houdende aantekening van het mondelinge
vonnis;
c. hetzij de last tot
tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie, dan wel een
afschrift daarvan.
4. Artikel 146, tweede lid, is van
toepassing op alle ambtenaren door wie of op wier last de
tenuitvoerlegging geschiedt.
5. In het geval, bedoeld in het
vorige lid, onder c, doet de ambtenaar die de last heeft gegeven,
hetzij het proces-verbaal van de terechtzitting, dan wel een
afschrift daarvan of uittreksel daaruit, hetzij het aan het dubbel
van de dagvaarding of oproeping gehechte stuk, dan wel een afschrift
daarvan, houdende aantekening van het mondelinge vonnis, ten
spoedigste toekomen aan het hoofd van het gesticht.
Artikel 567
De hoofden van gevangenissen,
tuchtscholen en inrichtingen, waarin de straf van arrest wordt ten
uitvoer gelegd, zijn verplicht een register te houden volgens een door
den Minister van Justitie vast te stellen model.
Artikel 568
1. In het register worden bij de
opneming van een persoon tegen wien een bevel tot vrijheidsbeneming
of veroordeelend vonnis of arrest wordt ten uitvoer gelegd, diens
naam, voornaam, beroep, geboorteplaats en woon- of verblijfplaats
ingeschreven. Indien het een of ander onbekend is, wordt daarvan
melding gemaakt.
2. De inschrijving wijst verder aan:
den rechter of den ambtenaar, wiens
beslissing wordt ten uitvoer gelegd;
de dagteekening van die beslissing;
den dag en het uur, waarop de
opneming geschiedt, en zoo mogelijk het oogenblik waarop de
vrijheidsbeneming is aangevangen;
bij veroordeeling, den duur der
straf.
3. De inschrijving wordt mede
onderteekend door den ambtenaar die het bevel, vonnis of arrest ten
uitvoer legt. Deze ontvangt van het hoofd van het gesticht de
schriftelijke verklaring dat de opneming heeft plaats gehad, welke
verklaring hij overlegt aan den ambtenaar op wiens last de
tenuitvoerlegging is geschied.
Artikel 569
1. In het bovengemeld register wordt
ter zijde van de inschrijving aangeteekend de dag en het uur waarop
het verblijf van den gevangene of verpleegde in het gesticht
ophoudt, met vermelding van de beslissing krachtens welke, of van
eenige andere oorzaak ten gevolge waarvan dit plaats heeft.
2. Het hoofd van het gesticht
onderteekent de inschrijving alsmede de aanteekeningen in dit
artikel bedoeld.
Artikel 570
1. De invrijheidstelling geschiedt
door het hoofd van het gesticht:
a. op de laatste dag van de
straftijd, indien de duur van de straf niet meer is dan drie
dagen;
b. op de laatste dag van de
straftijd die geen zondag of algemeen erkende feestdag is,
indien de duur van de straf meer dan drie dagen en minder dan
twee maanden is;
c. in andere gevallen van
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, op de laatste dag van
de straftijd die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende
feestdag is;
d. zodra de geldigheid van het
bevel tot vrijheidsbeneming ophoudt;
e. zodra het bevoegd gezag de
last tot invrijheidstelling aan het hoofd van het gesticht
verstrekt.
2. De invrijheidstelling vindt in
geen geval plaats na het ogenblik waarop de straftijd verstrijkt.
3. Indien de invrijheidstelling
ingevolge het eerste lid, aanhef en onder a, b of c, geschiedt
alvorens de straftijd geheel is verstreken, vervalt het recht van
tenuitvoerlegging voor het nog resterende gedeelte van de straf.
4. Voor de toepassing van de vorige
leden van dit artikel wordt, in gevallen waarin ten aanzien van een
gedeelte van de straf een bevel als bedoeld in artikel 14a van het
Wetboek van Strafrecht is gegeven, met dat gedeelte alleen rekening
gehouden voor zover de tenuitvoerlegging daarvan door de rechter is
gelast.
Artikel 570a
Indien de veroordeelde meer dan een
straf achtereenvolgens moet ondergaan, worden zij voor de toepassing
van artikel 570, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, als één
straf aangemerkt.
Artikel 570b
1. Onze Minister kan de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf onderbreken op verzoek van
de betrokkene of ambtshalve.
2. Onze Minister kan nadere regels
stellen aangaande het onderbreken van de tenuitvoerlegging, bedoeld
in het eerste lid. Deze betreffen in elk geval de criteria waaraan
de betrokkene moet voldoen om voor strafonderbreking in aanmerking
te komen, de bevoegdheid tot en de wijze van verlening alsmede de
voorwaarden die hieraan kunnen worden verbonden.
3. Ten aanzien van de beslissingen
omtrent de onderbreking van de tenuitvoerlegging als bedoeld in het
eerste lid is hoofdstuk XIII van de Penitentiaire beginselenwet van
toepassing.
Artikel 571
1. De rechtbanken waken voor de
nakoming van de voorschriften der artikelen 566-570 en doen te dien
einde de gevangenissen, tuchtscholen en inrichtingen, waarin de
straf van arrest wordt ten uitvoer gelegd, binnen haar rechtsgebied
door commissarissen uit haar midden op onbepaalde tijden, doch ten
minste tweemaal ’s jaars, bezoeken.
2. Van de bevindingen wordt
telkenmale schriftelijk verslag gedaan aan den Minister van
Justitie.
3. De officieren van justitie zijn
verplicht tot het bezoeken en het doen van verslag op den voet als
in de voorgaande leden is vermeld.
Artikel 572
1. De tenuitvoerlegging van
strafbeschikkingen, vonnissen of arresten, houdende veroordeling tot
geldboete of tot een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het
Wetboek van Strafrecht, geschiedt door of vanwege het openbaar
ministerie dat de strafbeschikking heeft uitgevaardigd of de zaak
aanhangig heeft gemaakt.
2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden omtrent de tenuitvoerlegging
voorschriften gegeven. Deze voorschriften hebben in ieder geval
betrekking op de plaats en wijze van betaling van de geldboeten en
de maatregelen, bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van
Strafrecht, de termijn waarbinnen die betaling moet zijn geschied,
de verantwoording van de ontvangen geldbedragen, alsmede op de
kosten van verhaal, de invorderingskosten daaronder begrepen.
3. Degene te wiens laste verhaal
plaatsvindt is de kosten daarvan verschuldigd, ook indien de
strafbeschikking, het vonnis of het arrest na het instellen van
verzet, hoger beroep of beroep in cassatie daartegen wordt
vernietigd.
Artikel 572a
De officier van justitie kan van een
ieder vorderen de gegevens te verstrekken die redelijkerwijs
noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van een vonnis, een arrest
of een strafbeschikking houdende veroordeling tot geldboete of tot een
maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van
Strafrecht.Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 573
1. Bij gebreke van volledige betaling
binnen de ingevolge artikel 561 bepaalde termijn wordt het
verschuldigde bedrag, vermeerderd met de verhogingen voorzien in
artikel 24b van het Wetboek van Strafrecht, na voorgaande
schriftelijke waarschuwing, op de voorwerpen van de veroordeelde
verhaald. In verband met het verhaal kan woonplaats worden gekozen
ten parkette van het openbaar ministerie dat met de
tenuitvoerlegging is belast.
2. Het met de tenuitvoerlegging
belaste openbaar ministerie kan van het nemen van verhaal afzien.
3. Is volledig verhaal onmogelijk
gebleken of daarvan met toepassing van het vorige lid afgezien, dan
wordt, na voorgaande schriftelijke waarschuwing, de vervangende
vrijheidsstraf ten uitvoer gelegd.
4. Tenzij de veroordeelde hier te
lande geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, wordt tot
tenuitvoerlegging van vervangende vrijheidsstraf niet overgegaan dan
nadat veertien dagen zijn verstreken sedert de dag waarop de in het
voorgaande lid bedoelde waarschuwing aan hem is verzonden.
Artikel 574
1. Op voorwerpen, inbeslaggenomen op
grond van artikel 94a, geschiedt het verhaal op de wijze voorzien in
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering krachtens het
onherroepelijke vonnis of arrest of de onherroepelijke
strafbeschikking waarbij de geldboete is opgelegd.
2. Dit vonnis of arrest of deze
strafbeschikking geldt als de titel bedoeld in artikel 704, eerste
lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Betekening van
deze titel aan de veroordeelde en, zo het beslag onder een derde is
gelegd, ook aan deze, kan plaatsvinden door betekening van een
kennisgeving inhoudende de bij het vonnis of arrest dan wel de
strafbeschikking opgelegde straf, voor zover voor het nemen van
verhaal van belang.
3. Ten aanzien van derden die geheel
of gedeeltelijk recht menen te hebben op de inbeslaggenomen
voorwerpen zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van toepassing.
Artikel 575
1. Op voorwerpen van de veroordeelde
die niet op grond van artikel 94a in beslag zijn genomen geschiedt
verhaal krachtens een dwangbevel, medebrengende het recht om die
goederen zonder vonnis aan te tasten. Verhaal kan mede worden
genomen op voorwerpen als bedoeld in artikel 94a, derde en vierde
lid, die niet reeds voor het onherroepelijk worden van het vonnis of
arrest in beslag zijn genomen.
2. Het dwangbevel wordt in naam des
Konings uitgevaardigd door het openbaar ministerie, dat met de
tenuitvoerlegging van het vonnis, het arrest of de strafbeschikking
is belast. Het wordt ten uitvoer gelegd als een vonnis van de
burgerlijke rechter.
3. De tenuitvoerlegging van het
dwangbevel kan niet worden geschorst dan door een verzet, hetwelk
evenwel nimmer gericht zal kunnen zijn tegen het vonnis, het arrest
of de strafbeschikking, waarbij de geldboete werd opgelegd. Verzet
wordt gedaan bij een met redenen omkleed bezwaarschrift, hetwelk
vóór de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen van de
dag der inbeslagneming, wordt ingediend bij het gerecht, waartoe de
rechter behoort, die de straf heeft opgelegd. In geval van een
strafbeschikking wordt het bezwaarschrift ingediend bij het gerecht
dat van het daartegen gerichte verzet kennis heeft genomen of,
indien verzet zou zijn gedaan, daarvan kennis had kunnen nemen. De
behandeling van het verzet door de raadkamer vindt plaats in het
openbaar. De beschikking van de raadkamer wordt onverwijld aan de
veroordeelde betekend. Tegen de beschikking kan door de ambtenaar
die het dwangbevel heeft uitgevaardigd binnen veertien dagen daarna
en door de veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening,
beroep in cassatie worden ingesteld. De veroordeelde is in zijn
beroep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog
verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het
gerecht, dat de beschikking heeft gegeven, of tot hetwelk de
rechter, van wie de beschikking afkomstig is, behoort. De Hoge Raad
beslist zo spoedig mogelijk.
4. Ten aanzien van derden, die bij
een inbeslagneming van voorwerpen daarop geheel of gedeeltelijk
recht menen te hebben, zijn de bepalingen van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.
5. De kosten van het verhaal
krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de geldboete,
onderscheidenlijk de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van
Strafrecht, verhaald op de veroordeelde. Onder de kosten van het
verhaal zijn begrepen de invorderingskosten.
Artikel 576
1. Verhaal kan zonder dwangbevel
worden genomen op:
a. inkomsten in geld uit arbeid
van de veroordeelde;
b. pensioenen, wachtgelden en
andere uitkeringen waarop de veroordeelde aanspraak heeft;
c. het tegoed van een rekening
bij een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht waarover de veroordeelde ten eigen bate
vermag te beschikken.
2. Verhaal met toepassing van het
vorige lid geschiedt door middel van een schriftelijke kennisgeving
van het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van het
vonnis, het arrest of de strafbeschikking is belast. De kennisgeving
bevat een voor de uitoefening van het verhaal voldoende aanduiding
van de persoon van de veroordeelde, en vermeldt welk bedrag uit
hoofde van de veroordeling nog verschuldigd is, bij welke
rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de geldboete is opgelegd,
alsmede de plaats waar de betaling moet geschieden. Zij wordt
verstrekt aan degene onder wie het verhaal wordt genomen en betekend
aan de veroordeelde.
3. Door de betekening van de
kennisgeving is degene onder wie het verhaal wordt genomen,
verplicht tot betaling aan de Staat van het in de kennisgeving
bedoelde bedrag voor zover de veroordeelde op hem een opeisbare
vordering heeft of verkrijgt. Het openbaar ministerie bepaalt de
termijn waarbinnen de betaling moet geschieden. De verplichting tot
betaling vervalt zodra het uit hoofde van de veroordeling
verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijk wanneer
twee jaren na de dag van betekening zijn verstreken.
4. Degene onder wie het verhaal wordt
genomen kan zich niet ten nadele van de Staat beroepen op het
tenietgaan of de vermindering van zijn schuld door betaling of door
verrekening met een tegenvordering dan in de gevallen waarin hij
daartoe ook bevoegd zou zijn geweest bij een op het tijdstip van de
betekening overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering gelegd beslag onder derden. Indien een andere
schuldeiser op de vordering waarop het verhaal wordt genomen, beslag
heeft gelegd, is artikel 478 van dat Wetboek van overeenkomstige
toepassing. Het verhaal wordt voor de toepassing van de artikelen 33
en 301 van de Faillissementswet met een beslag onder derden
gelijkgesteld.
5. Indien verhaal is genomen op
vordering van de veroordeelde tot periodieke betalingen als bedoeld
in het eerste lid, onder a en b, zijn de artikelen 475a tot en met
475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing.
6. Iedere belanghebbende kan zich
binnen zeven dagen na de betekening van de in het tweede lid van dit
artikel bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed bezwaarschrift
verzetten tegen het verhaal. Artikel 575, derde lid, is op dit
verzet van toepassing.
7. De kosten van het verhaal
krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de geldboete,
onderscheidenlijk de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van
Strafrecht, verhaald op de veroordeelde. Onder de kosten van verhaal
zijn begrepen de invorderingskosten.
Artikel 576a
Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat de staat geldbedragen, verkregen uit de
tenuitvoerlegging van geldboetes, op een daarbij vast te stellen
grondslag en naar daarbij vast te stellen regelen ten goede laat komen
aan een rechtspersoon die krachtens het publiekrecht is ingesteld.
Artikel 577
1. Indien niet in beslag genomen
voorwerpen verbeurd zijn verklaard, dan wel openbaarmaking van de
uitspraak op kosten van de veroordeelde is bevolen, vinden de
artikelen 561, tweede en derde lid, en 572 overeenkomstige
toepassing.
2. Wanneer binnen de daarvoor
bepaalde termijn noch uitlevering van de voorwerpen noch betaling
van de geschatte waarde plaats heeft, dan wel de kosten van
openbaarmaking niet worden betaald, vinden de artikelen 573, 575 en
576 overeenkomstige toepassing.
Artikel 577a
Verbeurdverklaring van vorderingen
wordt ten uitvoer gelegd door betekening van de uitspraak aan de
schuldenaar.
Artikel 577b
1. Indien de maatregel bedoeld in
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, vinden de
artikelen 561, tweede en derde lid, 572, 573, eerste en tweede lid,
en 574 tot en met 576 overeenkomstige toepassing.
2. Op vordering van het openbaar
ministerie dat met de tenuitvoerlegging is belast, of op
schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde of van een
benadeelde derde kan de rechter die de in het eerste lid genoemde
maatregel heeft opgelegd, het daarin vastgestelde bedrag verminderen
of kwijtschelden. Is het bedrag reeds betaald of verhaald, dan kan
de rechter bevelen dat het geheel of gedeeltelijk zal worden
teruggegeven of aan een door hem aangewezen derde zal worden
uitgekeerd. Het bevel laat ieders recht op het teruggegeven of
uitgekeerde bedrag onverlet.
3. Wanneer blijkt dat een hoger
bedrag is vastgesteld dan de som van het werkelijke voordeel, geeft
de rechter een beschikking strekkende tot vermindering of teruggave,
ten minste gelijk aan het verschil.
4. Het openbaar ministerie en de
verdachte onderscheidenlijk de benadeelde derde worden gehoord,
althans hiertoe opgeroepen, tenzij – bij een tweede of volgende
verzoek van de verdachte onderscheidenlijk de benadeelde derde –
dit verzoek kennelijk ongegrond is.
5. De behandeling van de vordering of
het verzoek door de raadkamer vindt plaats in het openbaar,
behoudens in het uitzonderingsgeval, bedoeld in het vierde lid.
6. De vordering en het verzoek,
bedoeld in het tweede lid, kunnen niet meer worden gedaan nadat drie
jaren zijn verstreken sedert de dag waarop het bedrag, of het
laatste gedeelte daarvan, is betaald of verhaald.
7. De rechter kan ambtshalve bevelen
dat de maatregel, hangende zijn beslissing, niet ten uitvoer zal
worden gelegd. Het bevel wordt onverwijld ter kennis gebracht van
het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging is belast.
8. Door vermindering of
kwijtschelding vervalt van rechtswege een reeds krachtens artikel
24b van het Wetboek van Strafrecht ingetreden verhoging.
Artikel 577ba
1. Bij gebreke van volledige betaling
binnen de ingevolge artikel 561, tweede lid, bedoelde termijn kan
krachtens een met redenen omklede machtiging van de
rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, een
onderzoek worden ingesteld naar het vermogen van de veroordeelde.
2. Het onderzoek is gericht op de
vaststelling van de omvang van het vermogen van de veroordeelde
waarop verhaal kan worden genomen ten behoeve van de
tenuitvoerlegging van de maatregel, bedoeld in artikel 36e van het
Wetboek van Strafrecht.
3. De vordering is met redenen
omkleed en vermeldt de hoogte van de opgelegde
betalingsverplichting, het bedrag dat de veroordeelde ter voldoening
daarvan reeds heeft betaald en of er een vordering als bedoeld
inartikel 577b, tweede lid, is gedaan.
4. De rechter-commissaris verleent de
machtiging, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. de hoogte van de resterende
betalingsverplichting van aanzienlijk belang is, en;
b. er aanwijzingen bestaan dat
aan de veroordeelde voorwerpen toebehoren waarop krachtens
artikel 577b verhaal kan worden genomen.
5. De machtiging geldt voor ten
hoogste zes maanden en kan op vordering van de officier van justitie
telkens met een zelfde duur worden verlengd, totdat de maximale duur
van twee jaren is bereikt.
6. De rechter-commissaris waakt tegen
nodeloze vertraging van het onderzoek. De officier van justitie
verschaft eigener beweging of op verzoek van de rechter-commissaris
de benodigde inlichtingen.
7. Indien de officier van justitie
oordeelt dat het onderzoek is voltooid of dat er voor de
voortzetting daarvan geen grond bestaat, sluit hij het onderzoek bij
schriftelijk gedagtekende beschikking. Een afschrift van de
beschikking wordt aan de veroordeelde tegen wie het onderzoek was
gericht betekend. De officier van justitie stelt de
rechter-commissaris van het eindigen van het onderzoek op de hoogte.
8. Het onderzoek naar het vermogen
van de veroordeelde eindigt voorts:
a. indien de geldigheidsduur van
een ingevolge het eerste lid verleende machtiging is verstreken;
b. indien de veroordeelde alsnog
aan diens betalingsverplichting heeft voldaan.
Artikel 577bb
1. Ten behoeve van het onderzoek naar
het vermogen van de veroordeelde is de opsporingsambtenaar bevoegd,
bij bevel daartoe van de officier van justitie, in het belang van
het onderzoek:
a. van eenieder te vorderen op te
geven of, en zo ja welke, vermogensbestanddelen hij onder zich
heeft of heeft gehad, die toebehoren of hebben toebehoord aan
degene tegen wie het onderzoek is gericht;
b. van degene die daarvoor
redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve
van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, te vorderen bepaalde
opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens, in de zin
vanartikel 126nc, tweede lid, van een persoon te verstrekken;
c. aan iedere aanbieder van een
communicatiedienst een vordering te doen gegevens te verstrekken
terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort
dienst van een gebruik van een communicatiedienst in de zin van
artikel 126la;
d. een persoon stelselmatig te
volgen of stelselmatig de aanwezigheid of het gedrag van een
persoon waar te nemen;
e. zonder toestemming van de
rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, te
betreden dan wel een technisch hulpmiddel aan te wenden teneinde
die plaats op te nemen, aldaar sporen veilig te stellen of
aldaar een technisch hulpmiddel te plaatsen teneinde de
aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen
stellen.
2. Op de vordering bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, is artikel 126a, derde en vijfde lid van
overeenkomstige toepassing.
3. Op de vordering bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, is artikel 126nc, derde tot en met vijfde
en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
4. De officier van justitie kan in
het belang van het onderzoek bepalen dat bij de uitoefening van de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder d, een technisch
hulpmiddel kan worden aangewend, voor zover daarmee geen
vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen. Een technisch
hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd, tenzij met diens
toestemming.
5. De officier van justitie kan in
het belang van het onderzoek bepalen dat bij de uitoefening van de
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder d, een besloten
plaats, niet zijnde een woning, kan worden betreden zonder
toestemming van de rechthebbende.
6. Op het bevel, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel d, is artikel 126g, vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
7. De opsporingsambtenaar kan in
afwachting van de komst van de deurwaarder de maatregelen nemen die
redelijkerwijs nodig zijn om voor verhaal vatbare voorwerpen veilig
te stellen. Deze maatregelen kunnen de vrijheid van personen die
zich ter plaatse bevinden beperken.
Artikel 577bc
1. Een bevel van de officier van
justitie als bedoeld in artikel 577bb alsmede een wijziging,
aanvulling, verlenging of intrekking daarvan, wordt schriftelijk
gegeven. Aan een schriftelijk bevel staat gelijk een mondeling bevel
dat onverwijld op schrift is gesteld.
2. Een bevel kan worden gewijzigd,
aangevuld, verlengd of ingetrokken.
3. Het bevel vermeldt:
a. de naam van de veroordeelde;
b. de geldigheidsduur van het
bevel;
c. voor zover nodig, de wijze
waarop aan het bevel toepassing wordt gegeven.
4. Indien een besloten plaats wordt
betreden, vermeldt het bevel voorts:
a. de plaats waarop het bevel
betrekking heeft;
b. bij toepassing van artikel
577bb, eerste lid, onderdeel e, voorts het tijdstip waarop of de
periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven.
5. De opsporingsambtenaar maakt van
de uitvoering van het bevel proces-verbaal op. Het proces-verbaal
vermeldt:
a. de gegevens, bedoeld in het
derde en vierde lid;
b. de wijze waarop aan het bevel
uitvoering is gegeven;
c. de gegevens die naar
aanleiding van een bevel of op een vordering zijn verstrekt;
d. de feiten en omstandigheden
waaruit blijkt dat aan de voorwaarden genoemd inartikel 577bb is
voldaan.
6. Indien een bevel mondeling is
gegeven en een wijziging, aanvulling, verlenging of intrekking van
een bevel, als bedoeld in het tweede lid, niet op schrift is
gesteld, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.
Artikel 577bd
1. De officier van justitie kan in
het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan
worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of
vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.
2. Artikel 126nd, tweede tot en met
vierde lid en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De officier van justitie doet van
de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden
vermeld:
a. de gegevens bedoeld in artikel
126nd, derde lid;
b. de naar aanleiding van de
vordering verstrekte gegevens;
c. de reden waarom de gegevens in
het belang van het onderzoek worden gevorderd.
4. De officier van justitie kan in
het belang van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld
in het eerste lid, betrekking kan hebben op gegevens die eerst na
het tijdstip van de vordering worden verwerkt. De periode waarover
de vordering zich uitstrekt is maximaal vier weken en kan telkens
met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie
vermeldt deze periode in de vordering. Het tweede en derde lid zijn
van overeenkomstige toepassing.
5. Indien een vordering betrekking
heeft op gegevens die na het tijdstip van de vordering worden
verwerkt, wordt de vordering beëindigd zodra de verwerking niet
meer in het belang van het onderzoek is. Van een wijziging,
aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering doet de
officier van justitie proces-verbaal opmaken.
6. De officier van justitie kan
indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert bepalen dat
degene tot wie de vordering is gericht de gegevens direct na de
verwerking verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na
de verwerking verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor
voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris.
7. De officier van justitie kan
indien het belang van het onderzoek dit vordert bij of terstond na
de toepassing van het eerste of het vierde lid, degene van wie
redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze
van versleuteling van de in het eerste en vierde lid bedoelde
gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van
de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken dan wel deze
kennis ter beschikking te stellen. Dit bevel wordt niet gegeven aan
de veroordeelde. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 577be
1. De officier van justitie kan in
het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te
verstrekken over een gebruiker van een communicatiedienst en het
communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker in de zin van
artikel 126la.
2. Artikel 126n, eerste lid, tweede
volzin, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De officier van justitie doet van
de vordering, bedoeld in het eerste lid, proces-verbaal opmaken,
waarin worden vermeld:
a. de naam van de veroordeelde;
b. indien bekend, de naam of
anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon
omtrent wie gegevens worden gevorderd;
c. de gegevens die worden
gevorderd;
d. indien de vordering betrekking
heeft op gegevens die na het tijdstip van de vordering worden
verwerkt, de periode waarover de vordering zich uitstrekt.
4. Artikel 126n, zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 577bf
1. De officier van justitie kan in
het belang van het onderzoek aan een opsporingsambtenaar bevelen dat
met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde
communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van
een aanbieder van een communicatiedienst, in de zin vanartikel
126la, wordt opgenomen.
2. Het bevel, bedoeld in het eerste
lid, kan slechts worden gegeven na voorafgaande schriftelijke
machtiging van de rechter-commissaris. Deartikelen 126m, derde en
vierde lid, en 126ma zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Het bevel wordt gegeven voor een
duur van ten hoogste vier weken. Naast de gegevens bedoeld in
artikel 577bc, derde lid, vermeldt het bevel:
a. zo mogelijk het nummer of een
andere aanduiding waarmee de individuele gebruiker van de
communicatiedienst wordt geïdentificeerd, en:
b. voor zover bekend, de naam en
het adres van de gebruiker, en:
c. de aard van het technisch
hulpmiddel of de technische hulpmiddelen waarmee de communicatie
wordt opgenomen.
4. De officier van justitie kan,
indien de in het eerste lid bedoelde communicatie wordt opgenomen,
indien het belang van het onderzoek dit vordert, tot degene van wie
redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze
van versleuteling van de communicatie, de vordering richten
medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door
hetzij deze kennis ter beschikking te stellen, hetzij de
versleuteling ongedaan te maken. De vordering wordt niet gericht tot
de veroordeelde. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
5. De vordering, bedoeld in het
vierde lid, kan slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke
machtiging van de rechter-commissaris.
6. Artikel 577bc, vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 577bg
1. Indien het onderzoek naar het
vermogen van de veroordeelde is geëindigd, zijn de artikelen 126bb
en 126dd van overeenkomstige toepassing.
2. Zodra twee maanden zijn verstreken
nadat het onderzoek is geëindigd en aan de betrokkenen mededeling,
bedoeld in artikel 126bb is gedaan, draagt de officier van justitie
ervoor zorg dat processen-verbaal en voorwerpen waaraan gegevens
kunnen worden ontleend en die zijn verkregen met toepassing van de
in de artikelen 577ba tot en met 577bfgenoemde bevoegdheden, worden
vernietigd. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt.
Artikel 577c
1. Indien de veroordeelde niet aan
het vonnis of arrest waarbij de verplichting is opgelegd tot
betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van
wederrechtelijk verkregen voordeel voldoet en volledig verhaal op
grond van de artikelen 574 tot en met 576 op diens vermogen niet
mogelijk is gebleken, kan de rechter op vordering van de officier
van justitie verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang van ten
hoogste drie jaar verlenen.
2. De vordering tot het verlenen van
het verlof wordt ingesteld en behandeld door de raadkamer van het
gerecht waarbij de zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld.
3. De officier van justitie roept de
veroordeelde op voor de behandeling van de vordering. De behandeling
vindt plaats in het openbaar.
4. De vordering wordt niet toegewezen
indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is aan
de betalingsverplichting te voldoen.
5. Bij de beoordeling van de
vordering houdt de raadkamer rekening met gedeeltelijke betalingen
die door de veroordeelde zijn verricht en het verhaal dat reeds
ingevolge de artikelen 574 tot en met 576 door het openbaar
ministerie is genomen.
6. Bij toewijzing van de vordering
bepaalt de raadkamer de duur van de lijfsdwang. Op vordering van de
officier van justitie, op verzoek van de verdachte of ambtshalve kan
de raadkamer de omvang van het nog verschuldigde bedrag vaststellen.
De toepassing van de lijfsdwang heft de verschuldigdheid niet op. De
beslissing van de raadkamer wordt aan de veroordeelde betekend.
Artikel 564 is van overeenkomstige toepassing.
7. De lijfsdwang kan te allen tijde
worden beëindigd door de officier van justitie. De lijfsdwang
eindigt indien de veroordeelde alsnog volledig voldoet aan de
verplichting tot betaling van het verschuldigde bedrag. De
veroordeelde kan de rechter verzoeken om opheffing van de
lijfsdwang. Artikel 577b, vierde en vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 577d
1. Indien, bij een strafbeschikking
of een bevel als bedoeld in artikel 14a van het Wetboek van
Strafrecht, storting van een waarborgsom als aanwijzing of
bijzondere voorwaarde is gesteld, vinden de artikelen 561, tweede
lid, en derde lid, eerste zin en 572 overeenkomstige toepassing.
2. Voor de storting wordt in geen
geval een langere termijn gesteld dan drie maanden, te rekenen van
de dag waarop het vonnis, het arrest of de strafbeschikking voor
tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.
3. Teruggave van de waarborgsom
geschiedt op last van het openbaar ministerie dat met de
tenuitvoerlegging van het vonnis, het arrest of de strafbeschikking
is belast.
Artikel 578
1. Indien het openbaar ministerie
overeenkomstig artikel 257a aanwijzingen geeft, bepaalt het daarbij
de termijn binnen welke aan die aanwijzingen moet zijn voldaan, en
zo nodig tevens de plaats waar zulks moet geschieden. De gestelde
termijn kan worden verlengd.
2. Wanneer, binnen drie jaren na
voldoening van een bedrag of overdracht van voorwerpen, als bedoeld
in artikel 257a, tweede lid, onder c of in artikel 511c, blijkt dat
dit een hogere waarde vertegenwoordigt dan de som van het werkelijke
voordeel verkregen door middel of uit de baten van het strafbare
feit of soortgelijke feiten, beveelt het openbaar ministerie -
hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de gewezen verdachte of
veroordeelde - de teruggave van een geldbedrag gelijk aan het
verschil.
3. Binnen veertien dagen nadat de
gewezen verdachte of veroordeelde kennis heeft gekregen van de
beslissing op een overeenkomstig het vorige lid gedaan verzoek, kan
hij schriftelijk beklag doen bij het gerecht ter griffie waarvan het
bedrag is voldaan of het voorwerp is overgedragen.
4. Het beklag kan ook worden gedaan
wanneer dertig dagen zijn verstreken sedert de indiening van het
verzoek en daarop inmiddels nog niet is beslist.
5. De behandeling van het
klaagschrift door de raadkamer vindt plaats in het openbaar. Acht
het gerecht het beklag gegrond, dan beveelt het de teruggave van het
in het tweede lid bedoelde verschil. Artikel 577b, negende lid, is
van overeenkomstige toepassing. Tegen de beslissing van de raadkamer
staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 578a
1. Indien de officier van justitie
overeenkomstig artikel 511c een schikking met de verdachte of
veroordeelde aangaat, bepaalt hij de termijn waarbinnen aan de
termen van die schikking moet worden voldaan. Tot dat tijdstip is de
termijn waarbinnen ingevolge artikel 511b, eerste lid, een vordering
aanhangig moet zijn gemaakt geschorst. Door voldoening aan die
termen vervalt het recht tot indiening van de vordering of is,
indien die vordering reeds is ingediend, de zaak van rechtswege
geëindigd.
2. Wanneer na voldoening aan die
termen blijkt van omstandigheden die de toepasselijkheid van de
maatregel bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
zouden hebben uitgesloten, kan de gewezen verdachte of veroordeelde
de officier van justitie verzoeken om teruggave van betaalde
geldbedragen of overgedragen voorwerpen.
3. Binnen veertien dagen nadat de
gewezen verdachte of veroordeelde kennis heeft gekregen van de
beslissing op een overeenkomstig het voorgaande lid gedaan verzoek,
kan hij schriftelijk beklag doen bij de rechtbank waarbij de
officier van justitie is geplaatst.
4. Het beklag kan ook worden gedaan
wanneer dertig dagen zijn verstreken sedert de indiening van het
verzoek en inmiddels daarop niet is beslist.
5. Acht de rechtbank het beklag
gegrond, dan beveelt zij de teruggave van betaalde geldbedragen of
overgedragen voorwerpen naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid.
6. De behandeling van het
klaagschrift door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.
7. Het verzoek, bedoeld in het tweede
lid, kan niet meer worden gedaan nadat drie jaren zijn verstreken
sedert de dag waarop het bedrag of het laatste gedeelte daarvan, is
betaald.
Derde afdeling A. Gijzeling
Artikel 578b
1. De officier van justitie kan,
indien niet of niet volledig verhaal heeft plaatsgevonden
overeenkomstig de artikelen 574, 575 en 576, bij de kantonrechter
van de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene
aan wie in een strafbeschikking de geldboete is opgelegd waarvoor
verhaal is gezocht, een vordering instellen om te worden gemachtigd
het dwangmiddel gijzeling jegens deze toe te passen. Als het adres
van degene aan wie de geldboete is opgelegd wordt aangemerkt het in
de basisadministratie persoonsgegevens vermelde adres alsmede het
adres dat de verdachte bij het doen van verzet heeft opgegeven.
Indien degene aan wie de geldboete is opgelegd niet staat
ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, kan de
vordering tevens door de officier van justitie in het arrondissement
Leeuwarden bij de kantonrechter van de rechtbank te Leeuwarden
worden ingesteld.
2. De kantonrechter bepaalt de duur
van de gijzeling, die ten minste één dag en ten hoogste een week
beloopt per strafbaar feit. Voor elke volle € 25 van het bedrag
waarvoor verhaal is gezocht, wordt niet meer dan één dag opgelegd.
3. Op de vordering wordt niet beslist
dan nadat degene aan wie de geldboete is opgelegd door de
kantonrechter is gehoord, althans behoorlijk is opgeroepen. Indien
degene aan wie de geldboete is opgelegd niet bekend is met de
vervolging, wordt de oproeping betekend. Tegen de beslissing van de
kantonrechter staat geen rechtsmiddel open. Artikel 273, eerste lid,
is van overeenkomstige toepassing.
4. De officier van justitie of de
ambtenaar die door hem is belast met de toepassing van de gijzeling
heeft voor het in gijzeling stellen van degene aan wie de geldboete
is opgelegd toegang tot elke plaats.
5. De gijzeling wordt gestaakt zodra
het verschuldigde bedrag is betaald. De toepassing van gijzeling
heft de verschuldigdheid niet op.
Vierde afdeeling. Rechtsgeding tot
herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen
Artikel 579
Indien iemand die tot het ondergaan van
straf is aangehouden, blijft ontkennen de veroordeelde te zijn, of
indien daaromtrent niettegenstaande erkentenis twijfel blijft bestaan,
beslist het gerecht dat in eersten aanleg van het strafbaar feit heeft
kennis genomen, of hij al of niet de veroordeelde is.
Artikel 580
1. Tot het onderzoek wordt, op de
vordering van het openbaar ministerie, in eene door het gerecht te
bepalen terechtzitting met den meesten spoed overgegaan.
2. Het openbaar ministerie doet de
aangehoudene, de getuigen en deskundigen die van zijnentwege zullen
worden gehoord en die waarop de aangehoudene zich beroept,
dagvaarden of oproepen. Het tweede lid van artikel 260 vindt met
betrekking tot al deze getuigen overeenkomstige toepassing.
3. Indien het openbaar ministerie
weigert een getuige of deskundige te doen oproepen, kan het gerecht
op verzoek van de aangehoudene de oproeping van die getuige of
deskundige bevelen. De artikelen 263 en 264 zijn van overeenkomstige
toepassing.
4. Indien de zaak bij een rechterlijk
college is aangebracht, wordt de aangehoudene door het bestuur van
de raad voor rechtsbijstand op last van de voorzitter een raadsman
toegevoegd. Ten aanzien van de raadsman gelden de bepalingen van de
derde titel van het Eerste Boek.
Artikel 581
1. Het onderzoek en de beslissing
geschieden overeenkomstig de bepalingen van Titel VI van het Tweede
Boek of van Titel I van het Vierde Boek, naar gelang de zaak bij een
rechtbank of bij de Hoge Raad is aangebracht. Artikel 394 is van
overeenkomstige toepassing.
2. Voor zover de in het eerste lid
genoemde bepalingen betrekking hebben op een getuige wiens
identiteit niet of slechts ten dele blijkt, vinden zij geen
toepassing.
Artikel 582
Indien het gerecht de identiteit niet
aanneemt, gelast het de invrijheidstelling. In het andere geval wordt
de tenuitvoerlegging geacht te zijn aangevangen op het oogenblik der
vrijheidsbeneming.
Artikel 583
1. De vonnissen en arresten, houdende
beslissingen omtrent de identiteit, zijn vatbaar voor zoodanig
beroep als tegen de vonnissen of arresten waarbij over het strafbaar
feit uitspraak werd gedaan, openstond.
2. Het beroep wordt naar de gewone
regelen ingesteld en vervolgd. Het onderzoek en de beslissing
geschieden overeenkomstig den Tweeden of Derden Titel van het Derde
Boek, naar gelang hooger beroep dan wel beroep in cassatie is
ingesteld.
Artikel 584
Ten aanzien van personen die tot het
ondergaan van eenigen maatregel zijn aangehouden, vindt deze afdeeling
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien de
identiteit wordt aangenomen, tot toepassing van den maatregel wordt
overgegaan.
Vijfde afdeeling. Wijze van
kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen
Artikel 585
1. De kennisgeving van gerechtelijke
mededelingen aan natuurlijke personen, als in dit wetboek en het
Wetboek van Strafrecht voorzien, geschiedt door:
a. betekening;
b. toezending;
c. mondelinge mededeling.
2. Betekening geschiedt door
uitreiking van een gerechtelijk schrijven op de bij de wet voorziene
wijze.
3. Toezending geschiedt door middel
van een gewone of aangetekende brief over de post dan wel op een bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze.
4. Een mondelinge mededeling wordt zo
spoedig mogelijk in een proces-verbaal of anderszins schriftelijk
vastgelegd.
Artikel 586
1. De kennisgeving van gerechtelijke
mededelingen behoeft alleen door betekening te geschieden in de
gevallen bij de wet bepaald. Dagvaardingen en aanzeggingen die aan
het openbaar ministerie of de procureur-generaal bij de Hoge Raad
zijn opgedragen, worden steeds betekend, tenzij de wet anders
bepaalt of toelaat.
2. De kennisgeving van gerechtelijke
mededelingen in andere gevallen geschiedt door toezending, tenzij de
wet bepaalt of toelaat dat de kennisgeving mondeling wordt gedaan.
Artikel 587
1. De uitreiking van het gerechtelijk
schrijven als bedoeld in artikel 585, tweede lid, geschiedt door de
post.
2. De uitreiking kan in spoedeisende
gevallen of, indien dit om enige andere reden wenselijk is, door het
openbaar ministerie worden opgedragen aan een ambtenaar, aangesteld
voor de uitvoering van de politietaak, dan wel een andere ambtenaar
of functionaris, voor zover die ambtenaar of functionaris door Onze
Minister van Justitie daartoe is aangewezen.
Artikel 588
1. De uitreiking geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in
verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke
mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen
en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid
is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon
of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de
mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de
geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de
basisadministratie persoonsgegevens, dan wel,
2°. indien de geadresseerde
niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie
persoonsgegevens, aan de woon- of verblijfplaats van de
geadresseerde, dan wel,
3°. indien de geadresseerde
niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie
persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats
van hem bekend is, aan de griffier van de rechtbank van het
arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft
gediend.
2. De uitreiking aan de geadresseerde
van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is,
geschiedt door toezending van de mededeling door het openbaar
ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de
bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een
verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag.
Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het
land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk
is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met
betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan volstaan worden
met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de
bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de
mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking
als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een
afzonderlijke akte behoeft te blijken.
3. Indien in het geval bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 2°,
a. de geadresseerde niet wordt
aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat
adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld
aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. niemand wordt aangetroffen,
geschiedt de uitreiking aan de geadresseerde of aan een door
deze gemachtigde op de plaats die vermeld wordt in een
schriftelijk bericht dat op het in de mededeling vermelde adres
wordt achtergelaten. Uitreiking aan een door de geadresseerde
schriftelijk gemachtigde geldt als betekening in persoon;
c. geen uitreiking heeft kunnen
geschieden, wordt de mededeling teruggezonden aan de autoriteit
van welke zij is uitgegaan. Indien blijkt dat de geadresseerde
op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als
ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens was
ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt de
mededeling vervolgens uitgereikt aan de griffier van de
rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of
laatstelijk heeft gediend. Het openbaar ministerie zendt alsdan
een afschrift van de mededeling onverwijld toe aan dat adres,
van welk feit aantekening wordt gedaan op de akte van
uitreiking, bedoeld in artikel 589.
4. In het belang van een goede
uitvoering van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
Artikel 588a
1. In de navolgende gevallen wordt
een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op
de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen
toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
a. indien de verdachte bij zijn
eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende
ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan
mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
b. indien de verdachte bij het
begin van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg
een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over
de strafzaak kunnen worden toegezonden;
c. indien door of namens de
verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de
betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan
mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
2. De verdachte kan in het adres,
bedoeld in het eerste lid, wijziging brengen door een verklaring in
persoon af te leggen bij het openbaar ministerie bij hetwelk de zaak
in behandeling is.
3. Verzending van een afschrift als
bedoeld in het eerste lid kan achterwege worden gelaten indien:
a. het opgegeven adres gelijk is
aan het adres waaraan de dagvaarding of oproeping ingevolge
artikel 588 moet worden uitgereikt;
b. de verdachte, nadat hij bij
een eerdere gelegenheid als bedoeld in het eerste lid een adres
heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen
worden toegezonden, bij een volgende gelegenheid uitdrukkelijk
te kennen geeft dit adres niet te willen handhaven;
c. de dagvaarding of oproeping
inmiddels aan de verdachte in persoon dan wel aan een andere
persoon als bedoeld inartikel 588, derde lid, onder b, is
uitgereikt.
4. Bij de verzending, bedoeld in het
eerste lid, wordt de voor de dagvaarding of oproeping geldende
termijn in acht genomen.
5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de toepassing van dit artikel.
Artikel 589
1. Van iedere uitreiking als bedoeld
in artikel 585, tweede lid, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn
vermeld:
1°. de autoriteit van welke het
gerechtelijk schrijven uitgaat;
2°. het nummer van het
schrijven;
3°. de persoon voor wie het
schrijven bestemd is;
4°. de persoon aan wie het is
uitgereikt;
5°. de plaats van uitreiking;
6°. de dag en het uur van
uitreiking.
2. Wordt met het gerechtelijk
schrijven gehandeld overeenkomstig de eerste volzin van artikel 588,
derde lid, aanhef en onderdeel c, dan vermeldt de akte de dag van
aanbieding van het stuk aan het adres van degene voor wie het
bestemd is.
3. De akte wordt door hen die met de
uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en
handelingen betreft, ter plaatse van die bevindingen en handelingen
naar waarheid opgemaakt en terstond ondertekend.
4. Het model van de akte wordt
vastgesteld door de Minister van Justitie. Deze kan nadere
voorschriften geven in het belang van een goede uitvoering van dit
artikel. Deze voorschriften worden in de Staatscourant bekend
gemaakt.
Artikel 590
1. De rechter kan, indien de
uitreiking niet heeft plaats gehad overeenkomstig het bepaalde in
artikel 588, eerste en derde lid, en 589, de betekening nietig
verklaren.
2. Indien de geadresseerde als
ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie
persoonsgegevens, doch ter terechtzitting blijkt dat hij feitelijk
op een ander adres verblijft, kan de rechter de oproeping van de
niet verschenen verdachte bevelen.
3. Indien aan de verzendplicht
ingevolge artikel 588a niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de
rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tenzij:
a. zich een omstandigheid heeft
voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting
of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, dan
wel
b. zich anderszins een
omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de
verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn
tegenwoordigheid.
Titel II. Kosten
Artikel 591
1. Aan de gewezen verdachte of zijn
erfgenamen wordt uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor de
kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in
strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen,
voor zover de aanwending dier kosten het belang van het onderzoek
heeft gediend of door de intrekking van dagvaardingen of
rechtsmiddelen door het openbaar ministerie nutteloos is geworden.
2. Het bedrag van de vergoeding wordt
op verzoek van de gewezen verdachte of zijn erfgenamen vastgesteld.
Het verzoek moet worden ingediend binnen drie maanden na het
eindigen van de zaak. De vaststelling geschiedt bij het gerecht in
feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan
werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd, en wel door de
rechter of raadsheer in de enkelvoudige kamer die de zaak heeft
behandeld of, indien de behandeling van de zaak plaatsvond door een
meervoudige kamer, door de voorzitter daarvan. De rechter of
raadsheer geeft voor het bedrag van de vergoeding een bevelschrift
van tenuitvoerlegging af.
3. De behandeling van het verzoek
door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.
4. Uitbetaling geschiedt door de
griffier.
5. Een en ander vindt overeenkomstige
toepassing op rechtsgedingen tot herkenning van veroordeelden of van
andere gevonniste personen, op de behandeling van vorderingen als
bedoeld in de artikelen 509j en 509o of het beroep als bedoeld in
artikel
509v en op de behandeling van
klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b.
Artikel 591a
1. Indien de zaak eindigt zonder
oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven
aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen
verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding
toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling
der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van
het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde.
2. Indien de zaak eindigt zonder
oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven
aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen
verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding
worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim
door het gerechtelijk vooronderzoek en de behandeling der zaak ter
terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens voorzover
artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de
kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een
raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is
hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden
toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf
of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis
niet is toegelaten.
3. De voorgaande leden zijn van
overeenkomstige toepassing voor ouders van een minderjarige
verdachte, die zijn opgeroepen ingevolge artikel 496, eerste lid.
4. De artikelen 90, 91 en 591, tweede
tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Indien de gewezen verdachte na het
indienen van zijn verzoek overleden is, geschiedt de toekenning ten
behoeve van zijn erfgenamen.
Artikel 592
1. De kosten van uitlevering of
overbrenging van voorwerpen ingevolge een bevel van de
rechter-commissaris of van de officier van justitie kunnen de
betrokken persoon op de begroting van de rechter-commissaris of van
de officier van justitie uit ’s Rijks kas worden vergoed.
2. De kosten van het nakomen van een
vordering tot het verstrekken van gegevens of tot het medewerking
verlenen aan het ontsleutelen van gegevens krachtens de artikelen
126m, 126n, 126nc tot en met 126ni, 126t, 126u, 126uc tot en met
126ui en 126zja tot en met 126zp kunnen de betrokkene uit ’s Rijks
kas worden vergoed. Hierbij kan een lager bedrag worden vergoed voor
zover degene tot wie het bevel zich richt, niet de administratie
heeft gevoerd en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere
gegevensdragers heeft bewaard als voorgeschreven in artikel 10 van
Boek 2 en artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
3. De rechter-commissaris of de
officier van justitie geeft een bevelschrift van tenuitvoerlegging
af.
Artikel 592a
Indien een benadeelde partij zich in
het geding heeft gevoegd, beslist de rechter die een uitspraak als
bedoeld in artikel 333 of 335 doet, over de kosten door de benadeelde
partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lid bedoelde
geval, diens ouders of voogd gemaakt en ten behoeve van de
tenuitvoerlegging nog te maken.
Algemene bepaling
Artikel 593
1. De Algemene termijnenwet is niet
van toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 50, tweede
lid, tweede volzin, 345, 379 en 396.
2. Voor de toepassing van de Algemene
termijnenwet worden de termijnen, gesteld in de artikelen 265,
eerste lid, 370, eerste lid, en 398, sub 1°, als termijnen in de
zin van artikel 1, tweede lid, van die wet aangemerkt.
[De redactie heeft
helaas niet de beschikking over het slotformulier en de ondertekening van
deze wet]
|