Nadere regelgeving:
- Besluit energie-efficiëntienormen koel- en vriesapparatuur
(vervallen)
- Besluit energierendementseisen voorschakelapparaten voor
fluorescentielampen (vervallen)
- Besluit
etikettering energiegebruik personenauto's
- Besluit
gastoestellen
- Besluit rendementseisen cv-ketels
- Kaderbesluit
etikettering energiegebruik huishoudelijke apparatuur
WET van 5 februari 1986, houdende regels
ten aanzien van toestellen en installaties in het belang van de
energiebesparing
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, in
het belang van de energiebesparing, regels te stellen met betrekking tot
toestellen en installaties, alsmede met betrekking tot het in rekening
brengen van kosten van energieverbruik, welke mede als grondslag kunnen
dienen voor de uitvoering van voorschriften ter zake, vastgesteld door
de Raad of de Commissie van de Europese Gemeenschappen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In deze wet en
de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
toestel: een technisch hulpmiddel, met inbegrip van een
vervoermiddel, bij het gebruik waarvan energie wordt gebezigd of dat
naar zijn aard geschikt is om energie op te slaan, over te brengen dan
wel om te vormen;
installatie: een samenstel van een of meer toestellen,
voorwerpen of materialen, bestemd om als een geheel te functioneren, bij
het gebruik waarvan energie wordt gebezigd of dat naar zijn aard
geschikt is om energie op te slaan, over te brengen of om te vormen;
Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder
toestel of installatie mede begrepen voorwerpen en materialen, welke
bestemd zijn om deel uit te maken van een toestel of een installatie.
§ 2. Regels ten aanzien van toestellen en installaties
Artikel 2
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, in
het belang van het doelmatig gebruik van energie, regels worden
gesteld met betrekking tot toestellen en installaties.
2. Hiertoe kunnen behoren regels, inhoudende een verbod een
toestel of een installatie, behorende tot een bij de maatregel
aangewezen categorie, in- of uit te voeren, ten verkoop voorhanden te
hebben, ten verkoop aan te bieden, ten toon te stellen, te verkopen, te
verhuren, af te leveren of te installeren, dan wel te gebruiken:
a. indien het toestel of de installatie niet voldoet aan de bij of
krachtens de maatregel gestelde eisen;
b. indien het toestel of de installatie dan wel het type, waartoe
het toestel of de installatie behoort, niet bij een keuring aan de
hand van de bij of krachtens de maatregel daartoe vastgestelde
voorschriften is goedgekeurd.
3. Tot de in het eerste lid bedoelde regels kunnen eveneens
behoren regels, inhoudende het verbod een toestel of installatie,
behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, te installeren
of te gebruiken op een plaats of wijze of onder omstandigheden,
aangewezen bij die maatregel.
4. De regels, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing
op het gebruik van toestellen of installaties in woningen of op erven in
de sfeer van de particuliere huishouding of een daarmee bij algemene
maatregel van bestuur gelijk te stellen huishouding.
Artikel 3
Indien regels als bedoeld in artikel 2 worden gesteld, wordt daarbij
tevens een termijn bepaald, eerst bij het verstrijken waarvan die regels
ten aanzien van toestellen of installaties, die bij het in werking
treden van de maatregel reeds vervaardigd en hier te lande ten verkoop
voorhanden zijn, van toepassing worden.
Artikel 4
1. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 2, tweede lid,
onder b , wijzen Onze Minister en Onze krachtens artikel 18
aangewezen Ministers te zamen de instellingen aan, die de in die
bepaling bedoelde keuringen verrichten.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van het aanvragen van een goedkeuring, de
wijze waarop de keuringen plaatshebben, het gebruiken van aanduidingen
inzake de goedkeuring, alsmede de gevallen waarin en de wijze waarop een
goedkeuring kan worden geschorst of ingetrokken. Daarbij kan een termijn
worden bepaald, voor welke een goedkeuring van kracht is.
Artikel 5
1. Indien met betrekking tot het type, waartoe een toestel of
installatie behoort, goedkeuring is voorgeschreven en verkregen, is de
vervaardiger of de importeur van de betrokken toestellen of
installaties gehouden de ingevolge artikel 4 aangewezen instelling in
de gelegenheid te stellen te controleren of toestellen of installaties
overeenkomstig het goedgekeurde type zijn of worden vervaardigd.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien met
betrekking tot enige categorie van toestellen of installaties
goedkeuring van het type is voorgeschreven, regels worden gegeven
omtrent de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde controle wordt
uitgeoefend, omtrent de normen volgens welke de controle plaatsvindt en
omtrent de vergoeding van de voor de controle gemaakte kosten van de
ingevolge artikel 4 aangewezen instelling.
3. De ingevolge artikel 4 aangewezen instelling wijst de personen
aan, die met de controle zullen zijn belast.
4. De vervaardiger of de importeur van de toestellen of
installaties is gehouden aan de ingevolge het derde lid aangewezen
personen, indien deze zich behoorlijk als zodanig hebben bekendgemaakt,
alle medewerking te verlenen en alle inlichtingen met betrekking tot die
toestellen en installaties te verstrekken, die zij redelijkerwijs bij de
vervulling van hun taak behoeven.
§ 3. Regels ten aanzien van gegevens en aanwijzingen met betrekking
tot energieverbruik
Artikel 6
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, in
het belang van een doelmatig gebruik van energie, regels worden
gesteld ten aanzien van gegevens en aanwijzingen met betrekking tot
het energieverbruik van toestellen en installaties, alsmede daarmee
samenhangende gegevens over andere eigenschappen daarvan en bepaalde
identificatiegegevens.
2. Hiertoe kunnen behoren regels, inhoudende:
a. de verplichting in de bij de maatregel aangegeven gevallen met
betrekking tot toestellen of installaties, behorende tot een bij de
maatregel aangewezen categorie, gegevens of aanwijzingen als bedoeld
in het eerste lid beschikbaar te hebben of te verstrekken, die voldoen
aan bij of krachtens de maatregel gestelde eisen;
b. het verbod om in de bij de maatregel aangegeven gevallen met
betrekking tot toestellen of installaties, behorende tot een bij de
maatregel aangewezen categorie, gegevens of aanwijzingen als bedoeld
in het eerste lid beschikbaar te hebben of te verstrekken, indien die
gegevens of aanwijzingen niet voldoen aan bij of krachtens de
maatregel gestelde eisen;
c. de verplichting om in de gevallen, bedoeld onder a of b,
gegevens of aanwijzingen als bedoeld in het eerste lid, beschikbaar te
hebben of te verstrekken op een bij of krachtens de maatregel
aangegeven wijze;
d. de verplichting aan de hand van bij of krachtens de maatregel
gestelde regels onderzoek te verrichten ter vaststelling of ter
toetsing van gegevens als bedoeld in het eerste lid omtrent toestellen
of installaties, behorende tot een bij de maatregel aangewezen
categorie;
e. de verplichting op een bij of krachtens de maatregel aangegeven
wijze een administratie te voeren van het onderzoek, bedoeld onder d,
en van de daarbij verkregen resultaten, alsmede de verplichting om de
bescheiden, behorende tot die administratie, gedurende een bepaalde
termijn te bewaren;
f. het verbod in de onder a of b bedoelde gevallen
gegevens als bedoeld in het eerste lid beschikbaar te hebben of te
verstrekken, welke niet overeenstemmen met de resultaten van een
onderzoek als bedoeld onder d dan wel niet overeenstemmen met
de resultaten van een keuring, verricht aan de hand van de bij of
krachtens de maatregel daartoe vastgestelde voorschriften;
g. de verplichting om in de bij de maatregel aangegeven gevallen op
een bij of krachtens die maatregel aangegeven wijze het bij of
krachtens de maatregel aangegeven kenmerk te vermelden of gegevens te
verstrekken ter identificatie van de partij of serie, waartoe
toestellen of installaties behoren, of van het type van toestellen of
installaties, dan wel de bij de maatregel aangewezen gegevens ter
identificatie van de vervaardiger, de importeur of een ander van wie
de toestellen of installaties afkomstig zijn.
3. De eisen, bedoeld in het tweede lid, onder a of b,
kunnen worden gesteld met betrekking tot een bij of krachtens de
maatregel aangegeven groep van toestellen of installaties. Daarbij
kunnen regels worden gegeven volgens welke bij een onderzoek als bedoeld
in het tweede lid, onder d, aan de hand van onderzoek met
betrekking tot een uit die groep genomen steekproef kan worden getoetst
of aan de eisen is voldaan.
4. Met betrekking tot keuringen als bedoeld in het tweede lid,
onder f, is artikel 5 van overeenkomstige toepassing.
5. De regels, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van
toepassing, voor zover de toestellen, waarop de in dat lid bedoelde
gegevens betrekking hebben, zich bevinden in woningen of op erven in de
sfeer van de particuliere huishouding of een daarmee bij algemene
maatregel van bestuur gelijk te stellen huishouding.
Artikel 7
Indien regels als bedoeld in artikel 6 worden gesteld, wordt daarbij
tevens een termijn bepaald, eerst bij het verstrijken waarvan die regels
ten aanzien van toestellen of installaties, die bij het in werking
treden van de maatregel reeds vervaardigd en hier te lande aanwezig
zijn, van toepassing worden.
§ 4. Regels met betrekking tot het in rekening brengen van de kosten
van energieverbruik
Artikel 8
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan degene, die warm
tapwater of warmte in enige vorm ten behoeve van ruimteverwarming
levert of toevoert, worden verplicht om in de bij de maatregel
aangewezen gevallen de kosten van het verbruik in een gebouw of een
gedeelte daarvan in rekening te brengen op basis van het gemeten
verbruik in dat gebouw of gedeelte daarvan.
2. De eigenaar en de gebruiker van een gebouw of een gedeelte
daarvan, alsmede de rechthebbende met betrekking tot een gebouw of een
gedeelte daarvan dienen de nodige medewerking te verlenen met het oog op
de nakoming van een verplichting als bedoeld in het eerste lid met
betrekking tot dat gebouw of gedeelte daarvan. Hiertoe behoort het
verlenen van medewerking aan:
a. het aanbrengen, in stand houden en gebruiken van de
noodzakelijke technische voorzieningen door of vanwege degene, op wie
de eerderbedoelde verplichting rust;
b. het tot stand brengen van de noodzakelijke overeenkomst of
rechtsverhouding dan wel de noodzakelijke wijzigingen in een
overeenkomst of rechtsverhouding, op grond waarvan het in het eerste
lid bedoelde verbruik in rekening wordt gebracht.
3. Bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kunnen regels
worden gegeven aangaande het in rekening brengen van de kosten van het
verbruik en met betrekking tot de technische voorzieningen waarmee het
verbruik wordt gemeten.
Artikel 9
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan degene, die gas of
elektriciteit levert of toevoert aan verbruikers daarvan, worden
verplicht om de rekeningen met betrekking tot het verbruik van
afnemers in te richten op een bij of krachtens de maatregel aan te
geven wijze en daarbij de bij de maatregel aangewezen gegevens over de
ontwikkeling van dat verbruik te verstrekken.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan degene, die warm
tapwater of warmte in enige vorm ten behoeve van ruimteverwarming levert
of toevoert aan verbruikers daarvan worden verplicht om de rekeningen
met betrekking tot het verbruik in te richten op een bij of krachtens de
maatregel aan te geven wijze en daarbij de bij de maatregel aangewezen
gegevens over de ontwikkeling van dat verbruik te verstrekken.
§ 5. Beroep
Artikel 10
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een
belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
§ 6. Toezicht op de naleving
Artikel 11
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
Ministers, aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 12
Van elk krachtens artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht
onderzocht toestel of elke krachtens dat artikel onderzochte
installatie, wordt aan de belanghebbende op diens verzoek een vergoeding
gegeven ter grootte van het bedrag waarmee de verkoopwaarde daarvan ten
gevolge van het onderzoek is verminderd.
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 17
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald, dat, ingeval aan artikel 6, derde lid, toepassing is
gegeven of in andere bij die maatregel aangewezen categorieën van
gevallen de krachtens artikel 11 aangewezen ambtenaren volgens bij of
krachtens die maatregel gestelde regels aan de hand van een onderzoek
van een deel, dat als steekproef is genomen uit een bij die maatregel
omschreven groep van toestellen of installaties, kunnen vaststellen of
die groep voldoet aan de bij die maatregel aangewezen eisen of
voorschriften, gesteld krachtens de artikelen 2 of 6.
2. Bij een maatregel als in het eerste lid bedoeld kunnen tevens
regels worden gesteld:
a. omtrent de mededeling of de openbaarmaking van de uitslag van
een onderzoek, dat met toepassing van het krachtens het eerste lid
bepaalde is verricht;
b. inhoudende, dat het degene onder wie alle tot de steekproef
behorende toestellen of installaties zijn aangetroffen, is verboden
nadat de steekproef is genomen, toestellen of installaties, behorende
tot de krachtens het eerste lid omschreven groep, waartoe de
steekproef behoort, af te leveren, zolang hem een mededeling als onder
a bedoeld niet is gedaan.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat,
ingeval met toepassing van het krachtens het eerste lid bepaalde wordt
vastgesteld dat een groep niet aan de bij die maatregel aangewezen eisen
of voorschriften, bedoeld in het eerste lid, voldoet:
a. volgens bij die maatregel gestelde regels aan de betrokkene of
de betrokkenen de gelegenheid wordt geboden om tegenbewijs te leveren;
b. de desbetreffende groep of een deel daarvan niet mag worden
afgeleverd alvorens ten aanzien daarvan de maatregelen zijn genomen,
die bij of krachtens die maatregel zijn voorgeschreven;
c. in de bij de maatregel aangewezen gevallen er geen sprake is van
een strafbaar feit wegens overtreding van het krachtens de artikelen 2
of 6 bepaalde.
§ 7. Overige bepalingen
Artikel 18
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat de voordracht
voor algemene maatregelen van bestuur krachtens bij die maatregel
aangewezen bepalingen van deze wet met betrekking tot daarbij aangewezen
onderwerpen door Onze Minister wordt gedaan in overeenstemming met Onze
bij die maatregel aangewezen Ministers. De voordracht voor de
eerstbedoelde maatregel wordt Ons gedaan door Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw en
Visserij en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
Artikel 19
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan aan Onze bij die
maatregel aan te wijzen Minister de bevoegdheid worden verleend om
vrijstelling en, op aanvrage, ontheffing te verlenen van
voorschriften, vastgesteld op grond van deze wet.
2. Een vrijstelling en een ontheffing als in het eerste lid
bedoeld kan onder beperkingen worden verleend. Aan een zodanige
vrijstelling en ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 20
Bij algemene maatregel van bestuur kan een bedrag worden vastgesteld,
dat ter zake van een verzoek, gedaan op grond van op deze wet berustende
bepalingen, door de verzoeker dient te worden betaald. Daarbij wordt
aangewezen degene, aan wie het bedrag dient te worden voldaan, en kunnen
regels worden gesteld omtrent het tijdstip en de wijze van de betaling.
Artikel 21
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ter uitvoering van een krachtens het Verdrag tot oprichting van
de Europese Economische Gemeenschap met betrekking tot toestellen of
installaties tot stand gekomen bindende regeling, welke het belang van
een doelmatig gebruik van energie betreft.
Artikel 22
Voor zover voor toestellen en installaties bij of krachtens titel 9.4
van de Wet milieubeheer voorschriften zijn vastgesteld, die op dezelfde
onderwerpen betrekking hebben als waarvoor bij of krachtens deze wet
voorschriften zijn vastgesteld, blijven laatstgenoemde voorschriften
buiten toepassing.
§ 8. Slotbepalingen
Artikel 23
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 24
1. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet energiebesparing
toestellen.
2. Zij treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 5 februari 1986
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
G.M.V. van Aardenne
Uitgegeven de elfde maart 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|