Nadere regelgeving:
- Regeling aanvraag erkenning en
onkostenvergoeding goedkeuring Wet explosieven voor civiel gebruik
WET van 7 juli 1994, houdende
vaststelling van de Wet explosieven voor civiel gebruik
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is
uitvoering te geven aan richtlijn nr. 93/15/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van
de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op
explosieven voor civiel gebruik (PbEG L 121);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
b. korpschef: korpschef als bedoeld in artikel 27 van de
Politiewet 2012;
c. richtlijn nr. 93/15/EEG: richtlijn nr. 93/15/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 betreffende de
harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van
en de controle op explosieven voor civiel gebruik (PbEG L 121);
d. explosieven: alle stoffen en voorwerpen die in de "United
Nations Recommendations on the transport of dangerous goods" -
dat wil zeggen de door de Commissie van Deskundigen inzake het
Vervoer van Gevaarlijke Stoffen van de Verenigde Naties vastgestelde
aanbevelingen, zoals die door die organisatie zijn gepubliceerd en
zoals die op de datum van aanneming van richtlijn nr. 93/15/EEG zijn
gewijzigd (ST/SG/AC.10/1/REV.7; United Nations, New York, 1991) -
als dusdanig worden omschreven en aldaar zijn ingedeeld in klasse 1;
e. in de handel brengen: voor de eerste keer, al dan niet tegen
betaling, beschikbaar stellen van explosieven met het oogmerk om
deze in een lid-staat van de Europese Unie of een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte op de markt te distribueren of te gebruiken;
f. veiligheid: voorkoming van ongevallen of, indien zulks
onmogelijk is, beperken van de gevolgen daarvan;
g. beveiliging: voorkoming van het illegale gebruik van
explosieven;
h. overbrenging: materiėle verplaatsing van explosieven binnen
de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van
toepassing is of andere gebieden waarop de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte van toepassing is, met uitzondering
van verplaatsingen die binnen dezelfde inrichting worden uitgevoerd;
i. onderneming uit de sector explosieven: elke natuurlijke of
rechtspersoon die houder is van een erkenning als bedoeld in artikel
17;
j. CE-markering: aanduiding, weergegeven in bijlage IV bij
richtlijn nr. 93/15/EEG.
Artikel 2
1.Deze wet is niet van toepassing op:
a. explosieven die bestemd zijn om te worden gebruikt door de
krijgsmacht of de politie;
b. pyrotechnische artikelen, die zijn aangewezen:
1°. in bijlage I bij richtlijn nr. 2004/57/EG van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 april 2004
betreffende het identificeren van pyrotechnische voorwerpen en
bepaalde munitie voor de doeleinden vanrichtlijn nr. 93/15/EEG
van de Raad betreffende de harmonisatie van de bepalingen
inzake het in de handel brengen van en de controle op
explosieven voor civiel gebruik (PbEU L 127);
2°. bij regeling van Onze Minister ingevolge bijlage II
bij richtlijn nr. 2004/57/EG;
3°. bij regeling van Onze Minister voor zover die
artikelen zonder die aanwijzing als binnen het werkingsgebied
van deze wet vallend zouden kunnen worden beschouwd, en.
c. munitie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 4°, van
de Wet wapens en munitie;
2.Een wijziging van de in het eerste lid genoemde richtlijn met
gevolgen voor de daarbij als zodanig aangewezen pyrotechnische
artikelen gaat voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen gelden met ingang van de dag waarop aan de desbetreffende
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
Hoofdstuk II. In de handel brengen van explosieven
§ 1. Algemeen
Artikel 3
1.Het is verboden explosieven in de handel te brengen:
a. die niet voldoen aan de in bijlage I bij richtlijn nr.
93/15/EEG gestelde fundamentele veiligheidseisen;
b. die niet zijn voorzien van de CE-markering en
c. die niet overeenkomstig de procedures, bedoeld in artikel 7,
eerste lid, op hun conformiteit zijn beoordeeld.
2.Het is verboden op explosieven een andere aanduiding dan de
CE-markering aan te brengen, die verwarring zou kunnen stichten met
betrekking tot de betekenis en de grafische vormgeving van de
CE-markering.
Artikel 4
Explosieven worden in elk geval vermoed aan de in artikel 3, eerste
lid, onder a, bedoelde fundamentele veiligheidseisen te voldoen, indien
zij in overeenstemming zijn met:
a. de ter uitvoering van artikel 4, eerste lid, van richtlijn nr.
93/15/EEG opgestelde geharmoniseerde normen, waarvan de
referentienummers in het Publicatieblad van de Europese
Gemeenschappen zijn bekendgemaakt;
b. de normen die overeenkomstig de onder a bedoelde
geharmoniseerde normen in Nederland zijn vastgesteld en waarvan de
referentienummers door Onze Minister in de Staatscourant zijn
bekendgemaakt, of
c. de normen die overeenkomstig de onder a bedoelde
geharmoniseerde normen in een andere lid-staat van de Europese Unie
of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte zijn vastgesteld en waarvan de
referentienummers in die lid-staat zijn bekendgemaakt.
§ 2. Keuringsinstellingen
Artikel 5
1. Onze Minister kan een of meer instellingen aanwijzen die bevoegd
zijn tot het verrichten van onderzoek, controles en beoordelingen
zoals omschreven in de in artikel 7, eerste lid, bedoelde procedures.
Aan zodanige aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid komen in
aanmerking instellingen die tenminste voldoen aan de voorwaarden,
genoemd in bijlage III bij richtlijn nr. 93/15/EEG.
3. Onze Minister trekt een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid
in elk geval in, indien de instelling:
a. niet langer voldoet aan de in het tweede lid bedoelde
voorwaarden, of
b. niet voldoet aan de in het kader van de in artikel 7, eerste
lid, bedoelde procedures op haar rustende verplichtingen.
Artikel 6
Als instellingen die bevoegd zijn tot het verrichten van onderzoek,
controles en beoordelingen, zoals omschreven in de in artikel 7, eerste
lid, bedoelde procedures, worden mede aangemerkt instellingen die in het
kader van richtlijn nr. 93/15/EEG door andere lid-staten van de Europese
Unie of andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte zijn aangemeld en waarvan de namen door de
Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn gepubliceerd in het
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
§ 3. Typekeuring alsmede controle op explosieven en
fabricageprocessen
Artikel 7
1.De CE-markering mag uitsluitend op explosieven worden
aangebracht, onderscheidenlijk:
a.
1°. indien het desbetreffende type blijkens een verklaring
van EG-typeonderzoek overeenkomstig de in bijlage II, module
B, bij richtlijn nr. 93/15/EEG beschreven procedure is
goedgekeurd;
2°. zolang de vervaardiging van de desbetreffende
explosieven geschiedt met inachtneming van, naar keuze van de
fabrikant, een van de vier in bijlage II bij richtlijn nr.
93/15/EEG beschreven procedures onder de modules C tot en met
F, en
3°. zolang wordt voldaan aan de in het kader van de onder
a en b bedoelde procedures op de fabrikant, diens in de
gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van
toepassing is of andere gebieden waarop de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is
gevestigde gemachtigde dan wel de persoon die verantwoordelijk
is voor het in de handel brengen van de desbetreffende
explosieven, rustende verplichtingen;
b.
1°. indien de betrokken explosieven blijkens een
verklaring van overeenstemming overeenkomstig de in bijlage
II, module G, bij richtlijn nr. 93/15/EEG beschreven procedure
zijn goedgekeurd en zijn voorzien van het onder bijlage II,
module G, punt 2, bedoelde identificatiesymbool;
2°. zolang de vervaardiging van deze explosieven geschiedt
met inachtneming van de onder module G beschreven procedure en
3°. zolang door de fabrikant wordt voldaan aan de in het
kader van module G op hem rustende verplichtingen.
2.De CE-markering is zichtbaar, gemakkelijk leesbaar en
onuitwisbaar op de explosieven aangebracht of, indien markering hierop
niet mogelijk is, op overeenkomstige wijze op een op de explosieven
bevestigde plaat, op een zodanige wijze dat deze plaat slechts
eenmalig te gebruiken is. In geval geen van de in de eerste volzin
bedoelde methoden bruikbaar is, dient de CE-markering op de wijze als
bedoeld in de eerste volzin op de verpakking van de explosieven te
worden aangebracht.
3.Indien de in het eerste lid, onder a, 2°, bedoelde keuze is
gemaakt voor:
a. module C, dient het onder bijlage II, module C, punt 1,
bedoelde identificatiesymbool tijdens het fabricageproces te
worden aangebracht;
b. module D of E, dient de CE-markering vergezeld te gaan van
het onder bijlage II, module D, punt 1, onderscheidenlijk bijlage
II, module E, punt 1, bedoelde identificatiesymbool, of
c. module F, wordt het onder bijlage II, module F, punt 4.2,
bedoelde identificatiesymbool aangebracht.
4.De CE-markering geeft tevens aan dat explosieven, die onder de
reikwijdte van richtlijn nr. 93/15/EEG vallen, vermoed worden te
voldoen aan andere mede van toepassing zijnde richtlijnen en de
Nederlandse regelingen ter implementatie daarvan die ook voorzien in
het aanbrengen van dit teken.
§ 4. Explosieven met conformiteitsgebrek
Artikel 8
1. Onverminderd artikel 31, is Onze Minister bevoegd tot oplegging
van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de voorschriften,
bedoeld in artikel 7, eerste lid, jegens de fabrikant, diens in de
gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van
toepassing is of andere gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte van toepassing is gevestigde gemachtigde
dan wel de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel
brengen van de desbetreffende explosieven, bedoeld in artikel 7,
eerste lid, onder a, 3°.
2. Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort:
a. het geheel of gedeeltelijk stopzetten van het vervaardigen,
in Nederland in de handel brengen of aan een ander ter beschikking
stellen van de explosieven;
b. het vernietigen van de explosieven;
c. het in beslag nemen van de explosieven.
Artikel 9
Onze Minister neemt eveneens maatregelen als bedoeld in artikel 8 met
betrekking tot explosieven waarop de CE-markering is aangebracht en die
overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien deze explosieven
naar zijn oordeel de veiligheid in gevaar kunnen brengen.
Hoofdstuk III. Overbrenging van explosieven
§ 1. Vergunning en toestemming
Artikel 10
1.Het is verboden explosieven over te brengen, indien de
desbetreffende overbrenging in Nederland eindigt zonder dat:
a. aan de verkrijger van deze explosieven daartoe vergunning is
verleend, en
b. voor zover de explosieven afkomstig zijn uit een andere
lidstaat van de Europese Unie, voor het deel van die overbrenging
dat binnen Nederland plaatsvindt toestemming is verleend.
2.Het is verboden explosieven over te brengen, indien de
desbetreffende overbrenging in een ander land dan Nederland eindigt,
zonder dat voor het deel van die overbrenging dat binnen Nederland
plaatsvindt toestemming is verleend.
Artikel 11
1.Een vergunning als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a
dient te worden aangevraagd door de verkrijger van de over te brengen
explosieven bij burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de
overbrenging eindigt. De aanvrager voegt bij zijn aanvrage de in
artikel 9, zevende lid, eerste alinea, van richtlijn nr. 93/15/EEG
bedoelde gegevens.
2.Burgemeester en wethouders gaan aan de hand van de in het eerste
lid bedoelde gegevens na of:
a. voor overbrengingen waarvoor vergunning wordt aangevraagd
specifieke beveiligingseisen gelden of nodig zijn en
b. degene voor wie de explosieven bestemd zijn houder is van
een erkenning als bedoeld in artikel 17.
3.Indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen
specifieke beveiligingseisen gelden:
a. wordt in de vergunning uitsluitend melding gemaakt van het
besluit dat zij hebben genomen na de controle op de voorgenomen
overbrengingen;
b. kan zonder voorafgaande kennisgeving aan hen met de onder a
bedoelde overbrengingen worden aangevangen en
c. wordt de vergunning verleend voor een door hen daarbij te
stellen termijn.
4.Voor de overbrenging van explosieven die afkomstig zijn uit een
andere lidstaat van de Europese Unie wordt, indien die overbrenging in
Nederland eindigt, het als bijlage bij beschikking nr. 2004/388/EG van
de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 april 2004 (PbEU L
120) opgenomen document als model gehanteerd voor zowel de vergunning
als de toestemming.
5.Een wijziging van de in het vierde lid genoemde beschikking met
gevolgen voor het daarbij als bijlage opgenomen document gaat voor de
toepassing van het vierde lid gelden met ingang van de dag waarop aan
de betrokken beschikking uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 12
Indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders met betrekking
tot overbrenging bijzondere beveiligingseisen gelden of nodig zijn:
a. bevat een vergunning als bedoeld inartikel 10, eerste lid,
onder a, de in artikel 9, zevende lid, eerste alinea, van richtlijn
nr. 93/15/EEG bedoelde gegevens en.
b. dient voordat wordt aangevangen met een overbrenging waarvoor
vergunning is verleend, aan burgemeester en wethouders van die
overbrenging kennisgeving te worden gedaan.
Artikel 13
1. In afwijking van artikel 11, eerste lid, dient een vergunning
als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, voor het overbrengen
van explosieven ten behoeve van de mijnbouw waarop de Mijnbouwwet van
toepassing is, te worden aangevraagd bij Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie. De aanvrager voegt bij zijn aanvrage de
in artikel 9, zevende lid, eerste alinea, van richtlijn nr. 93/15/EEG
bedoelde gegevens.
2. De artikelen 11, tweede en derde lid, en 12 zijn van toepassing,
met dien verstande dat Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw
en Innovatie in de plaats treedt van burgemeester en wethouders.
Artikel 14
De houder van een in Nederland afgegeven vergunning of van een in een
andere lid-staat van de Europese Unie of een andere staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte afgegeven
vergunning voor het overbrengen alsmede de houder van een afgegeven
toestemming voor de overbrenging van explosieven die eindigt in een
andere staat, zijn verplicht deze explosieven tot aan de plaats waar de
overbrenging eindigt, onderscheidenlijk het verlaten van het grondgebied
van Nederland, te doen vergezellen van de vergunning, onderscheidenlijk
het bewijs van toestemming.
Artikel 15
1.De toestemming, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, en
tweede lid, dient te worden aangevraagd door de voor de overbrenging
verantwoordelijke persoon. Deze voegt bij zijn aanvraag de in artikel
9, zevende lid, eerste alinea, van richtlijn nr. 93/15/EEGbedoelde
gegevens. De toestemming wordt verleend door Onze Minister.
2.Voor de overbrenging van explosieven binnen Nederland wordt,
indien die overbrenging in een andere lidstaat van de Europese Unie
eindigt, het als bijlage bij beschikking nr. 2004/388/EG van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 april 2004 (PbEU L
120) opgenomen document als model gehanteerd voor de toestemming.
3.Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot het melden
van de overbrenging van explosieven.
4.De artikelen 11, tweede lid, onder a, en derde lid, en 12 zijn
van overeenkomstige toepassing.
5.Op een wijziging van de in het tweede lid genoemde beschikking is
artikel 11, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Gegevensverstrekking
Artikel 16
Degenen voor wie de explosieven bestemd zijn of ondernemingen uit de
sector explosieven zenden op verzoek van burgemeester en wethouders van
gemeenten waarin overbrengingen van explosieven eindigen
onderscheidenlijk, indien het een overbrenging als bedoeld in artikel 13
betreft, op verzoek van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie, de bevoegde autoriteit van de lid-staat van de Europese Unie
of de andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte waar de overbrengingen aanvangen
onderscheidenlijk de bevoegde autoriteit van de lid-staat over welk
grondgebied de overbrenging plaatsvindt de te hunner beschikking staande
relevante gegevens toe over de overbrengingen.
§ 3. Erkenning
Artikel 17
1.Het is verboden zonder erkenning explosieven te vervaardigen, op
te slaan, te gebruiken, over te brengen of te verhandelen.
2.De erkenning heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaren
en kan telkens met ten hoogste eenzelfde duur worden verlengd.
3.De erkenning heeft uitsluitend betrekking op de daarbij genoemde
explosieven of soorten van explosieven en een of meer op die
explosieven betrekking hebbende handelingen, genoemd in het eerste
lid.
Artikel 18
1. Een erkenning als bedoeld in artikel 17 dient te worden
aangevraagd bij de korpschef in de plaats waarde aanvrager is
gevestigd.
2. De korpschef is bevoegd tot het verlenen en intrekken van een
erkenning, alsmede tot het verlengen van de geldigheidsduur daarvan.
3. Met betrekking tot het eerste en tweede lid treedt Onze Minister
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie in de plaats van de
korpschef voor zover het een erkenning betreft in het kader van
activiteiten waarop de Mijnbouwwet van toepassing is.
Artikel 19
1.Een erkenning als bedoeld in artikel 17 wordt verleend, indien:
a. de aanvrager de door Onze Minister vastgestelde gegevens
heeft overgelegd;
b. de aanvrager of, indien deze een rechtspersoon is, degene
die onmiddellijk leiding geeft aan het bedrijf, voldoet aan de
door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking tot zedelijk
gedrag;
c. er geen reden is om te vermoeden dat van de erkenning dan
wel van explosieven misbruik zal worden gemaakt en
d. er geen reden is om te vermoeden dat aan de aanvrager of,
indien deze een rechtspersoon is, degene die onmiddellijk leiding
geeft aan het bedrijf, het onder zich hebben van explosieven niet
kan worden toevertrouwd.
2.Met het oog op de beveiliging kan Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat, nadere regels
stellen.
Artikel 20
Een erkenning kan worden ingetrokken, indien:
a. niet wordt voldaan aan artikel 21;
b. blijkt dat aan de houder van een erkenning of, indien deze een
rechtspersoon is, degene die onmiddellijk leiding geeft aan het
bedrijf, het onder zich hebben van explosieven niet langer kan
worden toevertrouwd, of
c. de houder van de erkenning gedurende ten minste een jaar de
handelingen waarop de erkenning betrekking heeft, niet langer heeft
verricht.
§ 4. Registratie van explosieven
Artikel 21
1.Ondernemingen uit de sector explosieven houden een doorlopend
register van hun transacties in explosieven bij, onverlet de bij of
krachtens andere wettelijk regelingen gestelde voorschriften.
2.De registratie dient zodanig te zijn opgezet dat aan de hand
daarvan te allen tijde:
a. de personen aan wie explosieven zijn overgedragen kunnen
worden geļdentificeerd en
b. kan worden bepaald welke explosieven aan de onder a bedoelde
personen zijn overgedragen.
3.De in het eerste lid bedoelde ondernemingen of hun
rechtsopvolgers bewaren de documenten die betrekking hebben op de in
dat lid bedoelde geregistreerde transacties gedurende een periode van
ten minste drie jaar, te rekenen vanaf het einde van het kalenderjaar
waarin de desbetreffende transactie heeft plaatsgevonden, ongeacht of
zij tijdens die periode hun activiteiten hebben beėindigd.
4.De registratie dient voorts te voldoen aan de
toepassingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 14, tweede alinea, van
richtlijn nr. 93/15/EEG.
5.Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister wie het
mede aangaat, bij ministeriėle regeling nadere regels stellen met
betrekking tot de opzet van de registratie en de te registreren
gegevens.
Hoofdstuk IV. Bestuursrechtelijke handhaving
Artikel 22
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens deze wet zijn belast:
a. de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering aangewezen ambtenaren;
b. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt
mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 26 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 27 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 28 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 29 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 30 [Vervallen per 01-01-1998]
Artikel 31
In gevallen waarin geen ander bestuursorgaan bevoegd is, is Onze
Minister bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter
handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
Hoofdstuk V. Overige bepalingen
Artikel 32
De afgifte van een goedkeuring, vergunning of erkenning kan
afhankelijk worden gesteld van de betaling van een onkostenvergoeding
overeenkomstig de door Onze Minister te stellen regels. De vergoeding
komt toe aan onderscheidenlijk het Rijk, de betrokken gemeente en de
betrokken regio, indien het in de eerste volzin bedoelde document door
Onze Minister, burgemeester en wethouders of de korpschef wordt
afgegeven.
Artikel 33
Voor zover bij of krachtens deze wet wordt verwezen naar richtlijn
nr. 93/15/EEG of naar een bijlage daarvan, treedt voor de toepassing van
de desbetreffende bepaling een wijziging van richtlijn nr. 93/15/EEG of
van een bijlage daarvan in werking met ingang van de dag waarop aan de
betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 33a
1.Met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bij of
krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze
Minister aangewezen ambtenaren.
2.De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Onze Minister kan bij ministeriėle regeling bepalen dat
bestuursorganen die met de uitvoering of de handhaving van het bij of
krachtens deze wet bepaalde zijn belast, daarbij aan te geven gegevens
verstrekken aan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. Bij
de regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het
tijdstip waarop, de frequentie waarmee en de vorm waarin de gegevens
worden verstrekt. Tevens kan bij de regeling worden bepaald dat
daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven gevallen.
Hoofdstuk Va. Terroristisch misdrijf
Artikel 33b
1.Het vervaardigen, opslaan, gebruiken, overbrengen, verkrijgen,
ter beschikking stellen, voorhanden hebben of verhandelen van
explosieven of andere ontplofbare stoffen met een terroristisch
oogmerk als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht dan
wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in
artikel 83 van dat wetboek voor te bereiden of gemakkelijk te maken,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of
geldboete van de vijfde categorie.
2.Het in het eerste lid strafbaar gestelde feit is een misdrijf.
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 34
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 35
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 36
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld.
Artikel 37
Deze wet wordt aangehaald als: Wet explosieven voor civiel gebruik.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 7 juli 1994
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.G.M. Alders
Uitgegeven de achtentwintigste juli 1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto
|